Femke Halsema

Femke Halsema is fractievoorzitter, Tweede Kamerlid en komt uit Amsterdam (Noord-Holland)


donderdag, 10 november 2011

Femke Halsema

Femke Halsema

Hyves Twitter TK

Peerke Donderslezing: Over de middenklassen in het westen en in Afrika

In goede doelen, ontwikkelingssamenwerking.

Post image for Peerke Donderslezing: Over de middenklassen in het westen en in Afrika

Goedemiddag,

Toen ik opgroeide, een puber was, mocht ik op een saaie zondagmiddag graag met mijn moeder een eindje gaan rijden. Stapvoets reden we dan door de nieuwe villawijken aan de rand van Enschede  en verlustigden ons aan de gouden leeuwen die oprijlanen markeerden, de Griekse zuilen waarmee Twentse boerderettes waren versierd en wij roddelden er op los. Enschede was, zo aan het einde van de jaren zeventig klein genoeg om te weten wie er woonde, hoe ze hun geld hadden verdiend, en of hun huwelijken gelukkig waren.
Wij, moeder en dochter, uit de gegoede middenklasse hadden het heel goed maar bezaten niet het kapitaal dat daar op die ruime kavels vaak nogal afzichtelijk was uitgestald.
Het was een vriendelijke vorm van aapjes kijken, van verveeld vermaak, waarover wij ons weinig schuldig voelden omdat het vertoon van rijkdom ook voor ons was bedoeld, zondagrijders uit de middenklasse.

Precies diezelfde lust tot ‘rijken kijken’ zie je terug in het nieuwe programma van Jort Kelder ‘Hoe heurt het eigenlijk’. En ik kan me nog steeds goed vermaken met de rose-tankende, glad gestreken en opgepompte nouveau-riche-dames aan de Loosdrechtse Plassen, die uitleggen dat ze niet alleen een motorjacht bezitten (‘zeilen is zo veel werk’) maar ook een tweede huis bij Saint Tropez omdat ‘ze zo vreselijk van cultuur houden’.
In ‘hoe heurt het eigenlijk’ wordt het pronkgedrag van de nieuwe rijken slim afgezet tegen de tradities van het oude geld. Over het algemeen zijn dat Olie B. Bommel-achtige heren die in gedateerd Nederlands uitleggen dat zij hun landhuis, stammende uit 1700 of daaromtrent, in stand weten te houden door een natuurcamping en wat biologische boerderijen op de landerijen toe te laten.

Wat ‘Hoe heurt het eigenlijk’ anders maakt dan eerdere programma’s van bijvoorbeeld Gert Jan Droge is het nogal stichtende karakter. Als kijker word je ook op allerlei manieren duidelijk gemaakt hoe je wel en niet zou moeten leven, wat beschaafd is en wat nastrevenswaardig is. En dat is de nouveau-riche overduidelijk niet. Het oude geld wel want dat heeft tradities, sociaal besef, eet met mes en vork en lepelt geen vaten rose naar binnen maar drinkt een glas goede rode wijn op zijn tijd.

Het stichtende karakter van het programma heeft inmiddels ook geleid tot heel serieuze beschouwingen in kranten. Een van de meest hilarische is wel een beschouwing in de Volkskrant donderdag 4 november waarin werd betoogd dat wij Jort Kelder, als onze nationale polderdandy, dankbaar mogen zijn omdat hij een grote bijdrage zou leveren aan de ‘heropvoeding van Nederland’.
Ofwel, de landerijen zullen wij met zijn allen nooit bezitten, de familienamen ook niet, maar beschaafd gedrag leeft de oude adel ons voor.

Ik vind dat uit zo’n geleerde analyse in de krant vooral een nogal wonderlijke nostalgie naar de 19e eeuw spreekt. De redenering die wordt gehanteerd is eenvoudig. Weliswaar is de rijkdom waar de ontwikkelde smaak op rust, niet binnen ons bereik maar dat neemt niet weg dat we wel degelijk de goede omgangsvormen kunnen kopiëren.
Laat ik het eens bout zeggen. Zoals in de 19e eeuw, zijn armoede en een gebrek aan kansen geen excuus voor slechte manieren.

Wat mij betreft maakt ‘hoe heurt het eigenlijk’ met haar stichtende boodschap en de analyse in de Volkskrant die er op voortbouwt, deel uit van een maatschappelijke en politieke ideologie waarmee ik moeite heb. Het is de ideologie van ‘de eigen verantwoordelijkheid’ die al jaren een grote populariteit geniet.
Het is ook de ideologie waarbij de omstandigheden waarin je leeft, de armoede waar je aan bent blootgesteld, het gebrek aan kansen om hoger op te komen, nooit een argument kunnen zijn voor het gedrag dat je vertoont.
Natuurlijk klopt dit wel op het niveau van het individu. Simpel, als je arm bent en je gaat jatten, dan kan je armoede misschien een verzachtende omstandigheid zijn maar je bent ook gewoon verantwoordelijk voor je criminele gedrag en verdient daar straf voor. Bovendien, voor opgroeiende jongeren in onze samenleving die zich schuldig maken aan crimineel gedrag, geldt ook dat ze weliswaar zelden voortkomen uit de hoogste economische klassen, maar ze wel degelijk kansen hebben. Ze hoeven niet te straatroven omdat er anders geen brood op de plank is. Ze kunnen naar school, er is werk (hoewel de jeugdwerkloosheid relatief hoog is) en ze kunnen een legaal bestaan opbouwen. Dat ze kiezen voor criminaliteit en het terroriseren van anderen, daarop mogen zij – 1 voor 1 – worden aangesproken, evenals de ouders die hen opvoeden.

Maar met het veroordelen van individueel wangedrag en het tot voorbeeld maken van de oude adel ben je er niet als je de staat van een samenleving wil begrijpen. Als je bijvoorbeeld de criminaliteit wil verminderen, de sociale problemen van werkloosheid, van lethargie of een armoedecultuur van mishandeling en uitbuiting wil begrijpen. Laat staan dat de voorbeeldige omgangsvormen van het oude geld en de elites, ook maar het begin van een oplossing vormen voor de vermindering van die problemen.

Ik wijd uit over ‘Hoe heurt het eigenlijk’ omdat ik de populariteit van de boodschap, blijkbaar ook onder sommige intellectuelen, zeker op dit moment, nogal wrang vindt. We leven in een economische periode waarin de tegenstellingen tussen arm en rijk, kansarm en kansrijk, mondiaal, in de Verenigde Staten, in Europa en in Nederland snel toenemen. We leven ook in een periode waarin het geloof in vooruitgang, het geloof dat onze kinderen het beter zullen hebben dan wij, zwaar onder druk staat.
Het was precies dat geloof dat het zondagse uitje van mijn moeder en mij tot vrolijk, oppervlakkig vertier maakte dat vrij was van elke vorm van rancune.
Er kon toen namelijk geen twijfel over zijn dat ik als dochter uit de middenklasse – als ik me een beetje gedroeg – meer kansen zou krijgen dan mijn moeder, dat ik een goede opleiding zou kunnen gaan volgen, dat ik werk zou vinden, een huis, dat ik verre reizen zou kunnen maken en verder alles zou kunnen doen wat ik wilde.

Dat tij is gekeerd.
In de eerste plaats voor de mensen met de laagste inkomens maar ook voor de middenklassen.

Europese middenklassen

In het prachtige boekje ‘Ill fares the land’, beschrijft de Britse historicus – en helaas vorig jaar overleden – Tony Judt, de geleidelijke teloorgang van de westerse verzorgingsstaten, en het verdwijnen en verminderen van kansen op sociale stijging van kinderen uit de lagere sociale klassen en de middenklassen.
Hij beschrijft hoe vooral in de Verenigde Staten en in het Verenigd Koninkrijk na bijna een eeuw van economische groei en welvaartsspreiding (ruwweg vanaf het einde van de 19e eeuw tot 1980), deze tot stilstand zijn gekomen. Er is zelfs sprake van een omgekeerde beweging.

Al in de tien jaar voorafgaand aan de kredietcrisis in 2007 daalde het gemiddelde inkomen van gewone Amerikanen en werd hun geloof in vooruitgang op de proef gesteld. Voor veel burgers gold dat hun huizen hun enige stabiele kapitaal waren. Uit een studie van de Amerikaanse journalist Don Peck blijkt dat aan het begin van 2011 die huizen bij 1 op de 4 middenklasse-gezinnen een nauwelijks nog te dragen schuldenlast is, terwijl 1 op de 7 gezinnen wordt bedreigd door uitzetting en faillissement.
55% van de gewone Amerikanen heeft sinds de crisis te maken gekregen met werkloosheid, vermindering van uren of een forse salarisdaling. Volgens Peck veranderen in de nasleep van de economische crisis de levens van mensen ingrijpend: de verbondenheid tussen generaties staat onder druk, werkloze mannen verliezen hun positie tegenover hun vrouwen en kinderen, jongeren missen toekomstperspectief en zijn somber en voelen zich in de steek gelaten. Ook Tony Judt deelt deze sombere analyse. Hij spreekt van pathologische sociale problemen die horen bij harde klassentegenstellingen: stijgende kindersterfte, verminderende levensverwachting, criminaliteit, een geharde en onverbeterlijke gevangenispopulatie, werkloosheid, obesitas, teenage-zwangerschappen etc. etc.

Judt is de eerste om – terecht – een onderscheid aan te brengen tussen de Verenigde Staten en Groot Brittannië enerzijds en de meer gelijkmatige noord-Europese samenlevingen zoals Nederland anderzijds. Hier zijn de inkomenstegenstellingen nog altijd veel kleiner en is de toegang tot bijvoorbeeld goed onderwijs en relatief goede gezondheidszorg veel beter gewaarborgd. Dat neemt niet weg dat ook in Nederland, net als in andere Europese landen sprake is van een neergaande lijn. De inkomenstegenstellingen groeien en door de bezuinigingen vermindert de toegang tot de publieke voorzieningen voor de lagere en middeninkomens. Denk bijvoorbeeld aan de bezuinigingen op de kinderopvang, de gezondheidszorg, de PGB’s, het onderwijs, de universiteiten en de cultuur.

Tony Judt heeft bovendien een andere boodschap. Hij beschrijft groeiende ongelijkheid niet alleen als onrechtvaardig in zichzelf, maar ook als gevaarlijk voor de sociale en democratische stabiliteit van de samenleving: de geleidelijke toename van sociale en culturele spanningen, de vlucht in extremisme en de snel afbrokkelende bereidheid van mensen om voor elkaar te zorgen, om solidair te zijn – rechtstreeks en via het gezamenlijke betalen van belastingen.
Al deze ontwikkelingen zien we ook in Nederland. De intolerantie jegens elkaar neemt toe, net als de rancune, burgers vluchten naar de politieke flanken en verliezen hun bereidheid – hun stemgedrag is daar een uiting van – om (bijvoorbeeld via belastingen) te investeren in de publieke sfeer, in cultuur, in versterking van het onderwijs, of bijvoorbeeld in ontwikkelingssamenwerking die het lot van de allerarmsten iets verbetert.
Kortom, de groeiende ongelijkheid leidt tot toenemende maatschappelijke tegenstellingen en afnemende solidariteit. Dit ondermijnt geleidelijk het vermogen van een samenleving en haar politici om door inkomensmaatregelen en investeringen in de publieke sector, alsnog het tij te keren.

Afrika

Goed tot hier mijn enigszins sombere analyse van de staat van onze ‘westerse’ samenleving. Nu wil ik met u een hele grote stap maken naar Afrika, als brandpunt van de derde wereld.
In 2009 publiceerde de van oorsprong Zambiaanse econome Dambisa Moyo het boek ‘Dead Aid: Why Aid is Not Working and How There is a Better Way For Africa’. Zij bekritiseert hard en grondig ontwikkelingssamenwerking als een manier om de armoede in Afrika in stand te houden en gewone gezonde economische groei af te remmen. Tegenover de, weinig zoden aan de dijk zettende donaties van Westerse landen, plaatst zij de investeringen die een weinig democratisch land als China in Afrika doet, als duurzamer en toekomstgerichter.
Het hoeft weinig verbazing te wekken dat het boek – zacht gezegd – op een onstuimige ontvangst kon rekenen, temeer daar het al snel een internationale bestseller werd die ook graag door politici geciteerd werd, zoals de president van China. Conservatieven en neoliberalen die Afrika al lang als een bodemloze put beschouwden, zagen in het boek – ook nog geschreven door een Afrikaanse – een mooie aanleiding om alle ontwikkelingshulp stop te zetten. De ontwikkelingsindustrie beschouwde het als een dolksteek in de rug en schreeuwde moord en brand – Bono van U2 voorop – dat Moyo een neo-conservatieve agent was en niet vertrouwd kon worden. De heftige polarisatie rond het boek is begrijpelijk maar ook jammer omdat Moyo’s analyse wel degelijk hout snijdt voor Afrika, net als voor Europa en de Verenigde Staten.

Haar stelling is dat de grote afhankelijkheid van hulpprogramma’s die de afgelopen halve eeuw in Afrika is ontstaan, heeft verhinderd dat er sprake was van gewone economische groei, van stijgende inkomens voor Afrikanen en van de opbouw van democratische rechtstaten. De hulp richtte zich vooral op het verlichten van de ergste armoede en nood, maar creëerde onbedoeld ook afhankelijkheid daarvan.
Bijvoorbeeld in een land als Kenia, waarmee het relatief goed gaat, gaat 70% van het nationaal budget op aan salarissen van politici en overheidsfunctionarissen. Een groot deel van de gewone overheidsinvesteringen in de samenleving komen uit ontwikkelingsbudgetten.

Tegelijkertijd beschrijft Moyo – en dat is een belangrijk punt – ontbraken werkelijke economische investeringen uit Europa en de Verenigde Staten in Afrikaanse landen, terwijl het westen tegelijkertijd zijn grenzen zo goed als gesloten hield en houdt voor grootschalige import uit Afrika. Niet alleen was er sprake van groeiende afhankelijkheid van ontwikkelingshulp, er was in veel Afrikaanse landen ook nauwelijks een alternatief voor in de vorm van economische activiteiten die inkomen opleveren.
Door hulpafhankelijkheid en de afwezigheid van economische bloei kennen veel Afrikanen, volgens Moyo, weinig mogelijkheden voor sociale stijging, de armoede is groot en wordt bepaald niet kleiner, de inkomensafstanden zijn immens. Tegenover een enorme populatie van armen staat een kleine groep van exorbitante rijken, die vaak corrupt is en in het bezit van de politieke macht. Veel andere smaken dan heel arm en heel rijk zijn er nauwelijks: middenklassen bestaan maar summier en vooral in de landen waarmee het naar verhouding redelijk of goed gaat.

Ik ben het maar ten dele met Moyo eens. Ik denk dat zij de ontwikkelingshulp veel te veel verantwoordelijkheid geeft voor de miserabele staat van veel Afrikaanse landen; andere – geografische, etnische, historische en politieke – redenen spelen een minstens even grote rol. Bovendien denk ik dat zij een veel beter onderscheid dient te maken tussen noodhulp, zoals nu in de Hoorn van Afrika en langer lopende ontwikkelingsprogramma’s.
Ik wil deze lezing ook niet gebruiken om de aard van ontwikkelingssamenwerking verder te bekritiseren. Niet alleen wordt die discussie al hevig gevoerd, je ziet ook bij veel hulporganisaties een grote verandering in de hulp die zij bieden. Veel meer dan in het verleden richt die zich op de opbouw van bedrijfjes en het versterken van de economische structuur van landen, en de werkgelegenheidskansen van mensen.

Ik haal Moyo aan vanwege een andere centrale boodschap van het boek: wat heeft Afrika nodig?
Moyo stelt dat Afrika werkelijke economische investeringen nodig heeft die leiden tot de opbouw van een sterke en politiek bewuste middenklasse.
Het is deze middenklasse die in staat zal zijn om belastingen te betalen, en die – als zij een perspectief hebben op sociale stijging en een betere toekomst voor hun kinderen – dat ook willen doen.
Moyo’s stelling is dat de corruptie en het vergaande politieke misbruik dat zoveel Afrikaanse landen kennen, ook wordt mogelijk gemaakt omdat burgers geen belang hebben bij de verandering ervan. Ze zijn arm, voor hun inkomsten afhankelijk van buitenlandse hulp en missen elk perspectief op werkelijke verbetering voor zichzelf, hun kinderen en de samenleving. De sociale problemen waarmee zij worstelen zijn zo groot, de cultuur van armoede zo diep geworteld, dat er nauwelijks ruimte is voor solidariteit met elkaar.
Moyo stelt dat – en dat beschouw ik als haar belangrijkste claim – dat alleen de opbouw van middenklassen, zal leiden tot de politieke en democratische verandering die zo veel Afrikaanse landen heel erg hard nodig hebben. Als Afrikaanse burgers een beter inkomen krijgen, belasting gaan betalen, dan zullen zij ook hardere eisen gaan stellen aan de politici die hun geld besteden. Het is dan namelijk hun geld – en geen ontwikkelingsgeld – dat verdwijnt in corrupte zakken. Het is hun geld dat bestemd is voor het onderwijs van hun kinderen, voor gezondheidszorg en voor het bijstaan van armen.

Hier raakt de analyse van Moyo, zij het over een heel ander en oneindig veel kwetsbaarder continent, aan de redenering van Judt. Ook Judt betoogt dat duurzame welvaart en maatschappelijke stabiliteit voor een belangrijk deel op de middenklassen rusten en op een geringe afstand tussen de hoge en lage inkomens: bij een gelijkmatige spreiding van welvaart, gebonden aan een werkelijk perspectief op sociale stijging, zijn de sociale problemen beheersbaar en zijn mensen bereid en in staat tot werkelijke solidariteit.
Hoe ver Afrika hier misschien nog van verwijderd is, en hoe onbegaanbaar misschien ook de route lijkt, Moyo pleit voor een volwassen en eerlijke omgang met Afrikaanse landen. Zij pleit voor werkelijke economische investeringen, zoals – inderdaad – China dat nu doet, en die in de eerste plaats gewone ‘hardwerkende’ Afrikanen ondersteunen. Terzijde, we hoeven geen rooskleurig beeld te hebben van de motieven van Chinezen om te investeren, maar dat maakt het ook niet per se slecht. Bijvoorbeeld in Liberia, waar ik dit voorjaar was, zijn Chinezen in grote getale aanwezig vanwege de rijkdom aan grondstoffen van het land. Maar je ziet ook overal Chinese winkels en kleine restaurants. Aan de rand van de hoofdstad Monrovia wordt een grote universiteit gebouwd met Chinees geld. Dat maakt – hoe dan ook – een daadkrachtiger indruk dan de Unicef-posters die je verderop in de jungle ziet: ‘also boys like to do the dishes’.

Net als Judt pleit Moyo vooral voor de opbouw van meer egalitaire samenlevingen waarin de rijkdom eerlijker wordt gedistribueerd, de inkomensafstanden kleiner zijn en waar via de belastingen en via politieke inmenging mensen betrokken zijn bij het welzijn van elkaar en van hun land.

Ik denk dat velen van u, die hier vandaag aanwezig zijn, een wat grotere dan gemiddelde belangstelling hebben voor ontwikkelingssamenwerking en worstelen met de vraag hoe wij de derde wereld kunnen helpen. Zoals Peerke Donders, de naamgever van deze lezing, dat meer dan een eeuw geleden deed in Suriname.

Hoe kunnen wij Afrika helpen?

Met het beantwoorden van deze vraag wil ik deze lezing afronden.
In de eerste plaats door ons zelf te helpen. Hoe moeilijk ook de economische periode die wij doormaken, hoe hoog de nood aan bezuinigingen ook is, juist nu moeten wij er naar streven om de inkomensafstanden in onze samenleving niet verder te laten vergroten, en onze publieke sfeer niet te laten verloederen. Alleen als onze samenleving in de toekomst een rechtvaardige is, die gelijke kansen op onderwijs, werk en welzijn kent voor mensen uit alle inkomensklassen, zal er de bereidheid zijn en blijven om over onze schutting heen te kijken en een open oog te hebben voor de noden in Afrika.

In de tweede plaats, door tegelijkertijd onze omgang met Afrika te veranderen. Anders dan Moyo denk ik dat hulp – en zeker noodhulp – voorlopig noodzakelijk zal blijven. Maar wij moeten ons meer en meer concentreren op het investeren in duurzame economische groei in Afrika. Via microkredieten, via venture capitalists die kleine bedrijfjes (taxi-, telecombedrijfjes) helpen starten, via publieke organisaties die mensen trainen in politieke en democratische weerbaarheid, zoals nu door een aantal NL’se organisaties in de landen van de Arabische lente wordt gedaan. We zullen ook eerlijke handel moeten gaan toestaan. De benadeling van Afrika die het gevolg is van protectionisme en tarfiefmuren, is absurd – zeker in het licht van de grote armoede die daar is en de hulp die er vanuit Europa naar toe wordt gezonden.

Als ik terugdenk aan de zondagse ritjes met mijn moeder, moet ik altijd een beetje grinniken, Vanwege het schaamteloze naar binnen loeren natuurlijk, maar ook vanwege de volledige afwezigheid van jaloezie en rancune bij andermans uitgestalde rijkdom. In ons leven zat namelijk ruimte en perspectief genoeg om niet afgunstig te zijn.

Ik hoop dat mijn dochter ooit, met haar dochter (wie weet?) zo’n zondags ritje maakt, vrolijk en enkel licht gegeneerd, wetende dat ook zij alle ruimte hebben om zich te ontwikkelen en ontplooien.
Sterker, ik hoop dat over enige tijd een vrouw in Monrovia met haar dochter een ritje naar de buitenwijken maakt. En zich dan vermaakt. Sans rancune, omdat zij het zelf ook goed hebben.

Deze lezing werd uitgesproken op 6 november in Tilburg, ter gelegenheid van de Peerke Donderslezing op 4 november 2011

donderdag, 4 augustus 2011

Femke Halsema

Femke Halsema

Hyves Twitter TK

Eigen verantwoordelijkheid

In tv recensies, kijkcijfers, murdoch, news of the world.

Post image for Eigen verantwoordelijkheid

De afgelopen weken was de belangrijkste lijn van verdediging van Murdoch en de zijnen dat afluisteren en omkopen voortkomt uit de behoefte van lezers. Als lezers roddel willen, dan krijgen zij roddel. Dit lijkt een waarheid als een koe maar het is geraffineerde misleiding. Het suggereert namelijk dienstbaarheid die er eigenlijk niet is. Als miljoenen lezers hadden gesmeekt om ranzige relletjes maar adverteerders ervan overtuigd waren geweest dat ze daardoor niet meer wasmiddel verkochten, dan hadden al die mensen naar hun achterklap kunnen fluiten.

Bovendien, geen lezer heeft gevraagd om het afluisteren van het antwoordapparaat van een vermoord meisje: dat is de verantwoordelijkheid van de redactie en de uitgever, en van hen alleen.

Bij televisieprogramma’s wordt soms vergelijkbare argumentatie gebruikt: ‘kijk maar naar de kijkcijfers’. En inderdaad, afgelopen woensdagavond bijvoorbeeld, hebben wij, Nederlanders, weer gesmuld van RTL-boulevard, Editie NL, Shownieuws en Lingo. Naar de prachtige documentaireserie van Gideon Levy (getiteld Levy) die de AVRO elke woensdag uitzendt, keek nog niet half zoveel mensen als naar de commerciële flutserie ‘criminal minds’ (overigens nog een respectabel aantal van 220.000).

Voor veel televisiemakers zijn goede kijkcijfers van levensbelang. Zij weten dat als de kijkcijfers tegenvallen hun zorgvuldige gemaakte programma zijn langste tijd heeft gehad. Maar ook bij het argument van de kijkcijfers geldt enige misleiding. Voor sommige programma’s geldt namelijk dat ze goede kijkcijfers kunnen scoren maar dat hun ‘marktaandeel’ gering is. Nederlanders hebben nou eenmaal veel meer zin in bier en chips na een voetbalwedstrijd, dan na – zeg – een grote BN’er-show tegen de honger in Afrika. Adverteerders groeperen zich graag rond kooplust-opwekkende programma’s en dat heeft gevolgen voor het uitzendtijdstip en de overlevingskansen ervan, ook bij de publieke omroep. Natuurlijk, naarmate er meer mensen kijken is er ook een grotere afzetmarkt voor geadverteerde spullen, maar al te vrome praatjes van mediabonzen over het belang om een ‘breed publiek’ te bereiken mogen wel een beetje worden gerelativeerd.

Bovendien, ook hier geldt de ‘eigen verantwoordelijkheid’ van omroepen. Levy, of bijvoorbeeld de Keuringsdienst van Waarde of Brandpunt verdienen een goed uitzendtijdstip en continuïteit omdat, ongeacht kijkcijfers en marktaandelen, dwingende maatschappelijke en democratische problemen worden geagendeerd. Bezit van het platform dat televisie biedt en van de instrumenten van verleiding die het heeft, verplichten ook: noblesse oblige.

Maar ja, dit is al te vroom opgeschreven en miskent dat juist televisiemakers en (publieke) omroepbazen de druk van kijkcijfers, marktaandelen en van politici die daar –soms nog meer – op zijn gefixeerd, het hevigste voelen. En dat zij, ondanks druk, toch alle programma’s maken die ik zo-even noemde.

Grootspraak over de eigen verantwoordelijkheid van omroepen kaatst ook onmiddellijk terug. Zoals zoveel tv-consumenten mag ik graag mopperen over vervlakking van de media of over een armoedig tv-aanbod. De afgelopen week heb ik me vaak gerealiseerd dat ik met mijn afstandsbediening, thuis op de bank, het aanbod bestuur, zij het met minuscule tikjes. Als ik weer eens kies voor ‘criminal minds’ dan ondergraaf ik daarmee heel langzaam het concurrerende publieke aanbod. Vrij naar een oud criminologisch gezegde: elke samenleving krijgt de televisie die zij verdient. Ik ook.

 

Deze recensie verscheen op 22 juli 2011 in De Volkskrant

woensdag, 3 augustus 2011

Femke Halsema

Femke Halsema

Hyves Twitter TK

Verdoving

In tv recensies, californication, van god los, west wing.

Post image for Verdoving

Niets is zo heerlijk als een kakelverse nieuwe serie. Naast mijn toetsenbord ligt deel vier van de serie Californication al vijf dagen in het cellofaan te glimmen. Ik heb mezelf beloofd dat als deze rubriek klaar is, de TV uitgaat en de dvd-speler aan, waarna ik het hele seizoen non-stop verzwelg.

Serieverslaafden komen in alle soorten en maten, series kweken wonderlijke dwarsverbanden tussen mensen. Zo citeerde ik ooit tijdens een Kamerdebat de beroemde president Bartlett, waarna de ene helft van de zaal me wezenloos aanstaarde, terwijl de andere helft – politici van alle denkbare richtingen – als een geheim verbond van West Wing-kijkers begon te grinniken.

Series verbinden mensen met elkaar, ze binden mensen ook aan omroepen. Door de geleidelijke identificatie met hoofdrolspelers, de aangekondigde tragische wendingen en de cliffhanger, wordt op het afgesproken tijdstip weer op de juiste knop van de afstandsbediening gedrukt.

Series binden ons ook aan de bestaande maatschappelijke orde. Veel series, zeker de eindeloze stoet misdaadseries en soaps, kennen een heel eenvoudig patroon: goed en kwaad strijden met elkaar en hoewel het er altijd even somber uitziet, overwint uiteindelijk het goede. Het is ook zelden een lelijkerd die de held van een serie is; zelfs in een niet-moraliserende serie als desperate housewifes, zijn de nare, moordende vrouwen altijd een tikkie lelijker.

Series zijn daardoor vaak geruststellend en verdovend. Ik zak bijvoorbeeld uitstekend in slaap bij een gruwelijke aflevering van CSI, omdat ik – als ik wakker schrik van de tetterende reclame na afloop – altijd ongezien weet dat de verkrachter is opgeborgen.

Zo heerlijk als series kijken is, zo onbevredigend is het een dag later als je vergeten hebt wat je hebt gezien. Het is typische fastfood: lekker, maar na een uur heb je weer honger.

Maar weinig series ontstijgen het niveau van conformisme en verdoving en weten je te ontwrichten en blijven je daardoor bij. The Wire, de mooiste politieserie ooit gemaakt (helaas nooit in Nederland publiek uitgezonden), kent winnaars noch verliezers, maar biedt een sombere inkijk in de levens van drugsdealers en van de incompetente agenten die hen bestrijden.

BNN zendt op dit moment de misdaadserie ‘Van God los’ uit, die is gebaseerd is op ware gebeurtenissen. De aflevering van afgelopen zondag krijg ik niet uit mijn hoofd. Daarin heeft een Bosnië-veteraan een posttraumatisch stress-syndroom. Hij heeft wanen, mishandelt zijn vrouw en in een gevecht vermoordt hij uiteindelijk twee familieleden van haar. Zijn lot is dramatisch, zijn eenzaamheid groot, maar als blijkt dat hij door zijn oorlogstrauma zijn straf ontloopt, knaagt de onrechtvaardigheid. De makers van de serie schotelen je geen kant en klare moraal voor, ze brengen je van slag. Maar ik heb er in mijn hoofd iets door beleefd; een genot dat veel series me zelden gunnen.

Mooie TV geeft je een belevenis, mooie series doen dat wekenlang. Er zijn veel fastfood-series, er zijn weinig ontwrichtende, tot nadenken stemmende series. Dat kan er mee te maken hebben dat wij met onze afstandsbediening verdoofd en lui blijven steken bij de eerste categorie. Ik neem mij beter voor.

 

Deze recensie verscheen op 21 juli 2011 in De Volkskrant

Femke Halsema

Femke Halsema

Hyves Twitter TK

Hapklaar

In tv recensies, debatten, sport op tv.

Post image for Hapklaar

Mensen die het beste met me voor hebben adviseerden me in deze rubriek te verzwijgen dat ik niet van sport houd. Voor het uitkijken van een hele voetbalwedstrijd heb ik eigenlijk nooit het geduld, of over de live-weergave van de Tour de France nog maar te zwijgen. Berg na berg gaat zelfs het Franse landschap op enig moment vervelen. Ik realiseer me dat ik hiermee tot een minderheid behoor, die wordt gedoogd zolang zij op gepaste momenten het bier en de hapjes ververst.

Toch staat de manie van sportliefhebbers om alles van begin tot eind en live mee te willen maken – en niet alleen ’s avond laat terug te zien in korte hapklare brokken – niet zo ver van me af. Alleen bij mij uit de manie zich niet bij sport maar bij de live-verslagen van grote maatschappelijke en politieke gebeurtenissen.

Dinsdag vond in het Britse parlement de hoorzitting plaats met Rupert en James Murdoch, en hun Britse CEO Rebekah Brooks over de afluisterpraktijken van News of the world. Onder andere de BBC zond dit live (via internet) uit. Bij mij veroorzaakt elke onderbreking van dit ‘festijn’ ergernis. Van alles, van de saaie grauwe setting, de interruptie van vader Murdoch om weinig geloofwaardig te zeggen dat dit ‘de nederigste dag is uit zijn bestaan’, tot het incident met de scheerschuimtaart, wil ik graag rechtstreeks getuige zijn. Zoals de echte Tourliefhebber het vechten en lijden van Johnny Hoogerland gelijktijdig, zonder onderbreking, met hem wil doormaken.

Nu kan mijn kijkgedrag worden gediskwalificeerd als de afwijking van een politieke ex-junk, en misschien is dat ook zo.

Maar zoals sport TV–manie veroorzaakt, zo zijn er miljoenen mensen die de verovering van het Tahrir-plein in Egypte door demonstranten dagen ademloos hebben gevolgd. Hoeveel mensen hebben niet live de ondervraging van Bill Clinton over Monica Lewinsky bekeken, of de speeches van Obama en Palin. Hoeveel mensen zijn niet opgebleven voor de nachtelijke invallen in Irak?

In Nederland worden belangrijke politieke debatten sinds enige tijd live uitgezonden. Het debat over het paspoort van Ayaan Hirsi Ali dat leidde tot de val van het tweede Kabinet Balkenende werd ’s nachts door meer dan 1 miljoen mensen gevolgd. Ook de grote debatten over Irak en de Afghanistan-crisis van het vierde kabinet Balkenende werden door recordaantallen mensen bekeken.

Maar nieuwsprogrammering en politieke verslaggeving staan onder druk: het moet sneller, afwisselender en ironische ‘duiding’ vervangt de betrokken verslaggeving uit eerste hand. De veronderstelling is dat mensen anders wegzappen.

Het moge zo zijn; de gebeurtenissen die ik hier noem zijn ook uitzonderlijk en meeslepend. Maar toch.

Zou het ook kunnen dat juist de licht verteerbare, hapklare brokken waartoe nieuws en politieke gebeurtenissen worden verkleind, het zapgedrag versterken? Zou zappen misschien ook een gevolg kunnen zijn van korte, selectieve samenvattingen die geen emotie of betrokkenheid oproepen? Is het niet zo dat we vooral betrokken raken als we de wedstrijd van begin tot eind, of voor het grootste deel kunnen zien?

Deze recensie verscheen op 20 juli 2011 in De Volkskrant

Hapklaar

Femke Halsema

Femke Halsema

Hyves Twitter TK

TV-persoonlijkheden

In tv recensies, knevel en van den brink, pauw en witteman, theo van gogh.

Post image for TV-persoonlijkheden

Bij alle nadelen die de zomerprogrammering heeft, zoals uitzending van derderangs films en de herhaling van eerder opzettelijk gemiste programma’s, is er één onverwacht voordeel: de afname van talkshows.
Nederlandse publieke televisie is vergeven van ‘talkshows’ waarin op ‘het scherpst van de snede’ over maatschappelijke onderwerpen wordt gediscussieerd. Ha!

Niets te na over de professionaliteit van Witteman, Pauw, Knevel, Van den Brink en anderen, maar echt spannend wordt het zelden. Ook het programma Uitgesproken van respectievelijk VARA, EO en WNL, varieert op de drie uitgezonden dagen zo weinig dat een buitenlander daar onmogelijk tegengestelde ideologische stromingen in kan herkennen.

In de zomer worden deze vervangen door bezonken programma’s zoals Het filosofisch kwintet en Spraakmakende zaken die (aldus Clairy Polak) ‘eerder het doorgronden van problemen dan het twistgesprek’ als kern hebben, en voor een ondraaglijk licht programma zoals Zij is van mij dat gisteravond werd uitgezonden. Dat laatste programma, waarin mannen over vrouwen praten, heeft zo’n hoog keutelgehalte dat je halverwege spontaan verlangt naar de mop ‘waarom hebben vrouwen één hersencel meer dan een koe’, zodat je je als vrouwelijke kijker tenminste kwaad kan maken.

Wat is dat toch met Nederlandse talkshows, die afwezigheid van rumoer, van controverse en diepgeworteld meningsverschil, waardoor je adem even stokt en je de afstandsbediening wegduwt? Het is wellicht de beperktheid van het Nederlandse taalgebied. Het zal de kleine kring zijn van bekende, opiniërende Nederlanders die, als in een muizenrad, eindeloos op en af draven maar ook conflict mijden omdat ze weer met elkaar door één deur moeten (mea culpa).

Het is ook onze cultureel bepaalde hang naar gezelligheid. De enkele keer dat een discussie werkelijk vilein wordt, zoals het afgelopen seizoen gebeurde tussen Jort Kelder en Pieter Storms in DWDD, leidt dat tot een ongemakkelijk schuiven op stoelen. Er is denk ik nog een reden.

Een maand geleden zond Fox News een twistgesprek uit tussen hun beroemde conservatieve ‘anchor’ Chris Wallace en de progressieve komiek Jon Stewart. Beide mannen zijn Tv-iconen in de door politieke polarisatie verscheurde Verenigde Staten. Zij discussieerden over de bevooroordeeldheid van media en over polarisatie. Het was van begin tot eind razend spannend. Beide mannen waren eloquent, bij vlagen gemeen, geestig en zelfbewust. Het is televisie gemaakt door persoonlijkheden met een grote innerlijke noodzaak het publieke debat te beïnvloeden.

Niks ‘gesprekje, kwisje, dingetje’. Een kale studio, twee camerastanden 25 minuten lang, en – vooral – twee sterke persoonlijkheden. Nederlandse talkshows zijn vaak ‘formats’, waarin de presentator en de gasten getypecast zijn: de acteur, de komiek, de allochtoon, de goedlachse politicus en de onbekende met een verdrietig verhaal. Zij bewegen binnen de door omroepen en zendercoördinatoren vastgestelde grenzen van vermakelijkheid en lichtheid. Het zal vast gebaseerd zijn op kijkersonderzoek, maar ik verlang naar sterke, omstreden Tv-persoonlijkheden. Ooit maakte Theo van Gogh Een prettig gesprek. Een tafel, twee stoelen en een dikke buik waarachter een niet weg te poetsen persoonlijkheid schuil ging.

Ik ben ervan overtuigd dat Nederland die persoonlijkheden nu ook kent maar ze moeten zich kunnen bevrijden uit de dictatuur van vluchtige formats en de hang naar gezelligheid.

Dit artikel verscheen op 19 juli 2011 in De Volkskrant

Femke Halsema

Femke Halsema

Hyves Twitter TK

Twijfelend televisiekijken

In tv recensies.

Post image for Twijfelend televisiekijken

Twijfelend televisiekijken

Als je een professionele TV-kijker bent zoals Jean Pierre Geelen dan hang je waarschijnlijk zorgvuldig een gordijn tussen de dagelijkse verplichte TV-kost die schreeuwt om commentaar en je meer particuliere interesses.Maar als je, zoals ik, plotseling je ongeoefende kijkgedrag mag delen met het grote publiek, is het alsof de gordijnen in je huiskamer worden opengetrokken en een kleine menigte door het raam meestaart naar je TV-scherm. En wat zich daarop afspeelt is meestal niet zo verheffend.

Ik ben een ongeorganiseerde en wisselvallige zapper, die alleen ’s avonds laat nog wel eens blijft hangen, en dan te vaak bij commerciële freakshows met verwende Amerikaanse meisjes, overspannen koks, tot God bekeerde criminelen of een herhaling van een herhaling van een derderangs moordserie.

Goed TV-kijken vereist voorbereiding, rust en orde, zaken die ik meestal ontbeer. Dus huur en koop ik films en series waar ik op oneigenlijke tijdstippen naar kijk en pluk ik het nieuws vooral van internet, waarop ik ook de gemiste TV-hoogtepunten terugzie. Er zijn maar een paar programma’s die in mijn hoofd zijn geprogrammeerd en waar ik op het werkelijke uitzendtijdstip ook af en toe voor vertraag. Op zondagavond mag ik bijvoorbeeld graag onderuitzakken bij Topgear op de BBC II.

Voor de enkeling die het niet kent, Topgear (dat ook vertraagd door Veronica wordt uitgezonden) is een autoprogramma. Of beter, het is een programma van en voor middelbare mannen die over hun liefde voor auto’s praten. Auto’s die zij testen, opblazen, in ravijnen storten, harder willen laten rijden dan een straaljager, luchtpost, de TGV enzovoort.

Topgear is zonder twijfel het meest milieuvervuilende programma dat een Publieke Omroep produceert, zoals ook de invloed van de drie presentatoren op de auto-industrie en -verkoop, op zijn minst twijfelachtig is. Vooral presentator Jeremy Clarkson, die Topgear groot heeft gemaakt en waarop het programma drijft, weet met regelmaat relletjes en demonstraties te veroorzaken omdat hij een ongegeneerde propagandist is van te hard en onveilig rijden. Er gaat ook geen uitzending voorbij zonder dat hij Duitsers, Italianen of Amerikanen belachelijk maakt, en vooral natuurlijk de auto’s waarin zij rijden.

Inmiddels kijken er 350 miljoen mensen, verspreid over zo’n 100 landen naar Topgear . De opbrengsten uit de verkoop van het programma, de merchandising, reclame en sites lopen in de honderden miljoenen. Topgear is niet alleen een televisie-programma maar zelfstandige industrie van een bedenkelijke signatuur. Maar alle politiek-correcte bezwaren kunnen niet verhinderen dat het een zeldzaam leuk programma is: hobby-televisie met een vleugje Monty Python, pretentieloos entertainment dat met hartstocht wordt gemaakt. Ik heb niets met auto’s en kan de ene nauwelijks van de andere onderscheiden, maar het ongegeneerdeplezier, het absurdisme en – juist – de politieke incorrectheid maken het programma onweerstaanbaar.

Televisiemakers worstelen met onrustige TV-consumenten zoals ik die de afstandsbediening altijd in de aanslag hebben en de kijkcijfers van mooie, met liefde gemaakte programma’s dramatisch laten dalen. Wat maakt televisie soms zo verleidelijk, terwijl tegelijkertijd interessante, verrijkende programma’s achteloos worden weggedrukt? Ik zal de afstandsbediening eens beheersen in de komende druilerige zomerweek en kijken of ik een antwoord vind.

Dit artikel werd op 18 juli 2011 gepubliceerd in De Volkskrant

vrijdag, 27 mei 2011

Femke Halsema

Femke Halsema

Hyves Twitter TK

Leonardolezing: Politiek in de jaren nul

In speeches.

Website van de Leonardo-leerstoelLeonardolezing, uitgesproken 26 mei 2011 op de Universiteit van Tilburg

Dames en heren,

Goedemiddag,

De politiek verlaten veroorzaakt een forse breuk in je bestaan. Eén die je ook nauwelijks kan voorvoelen, zolang je er deel van uitmaakt. Dat geldt òòk als er geen sprake is van een overhaaste aftocht na de val van een kabinet, een incident of een misstap en je jezelf plotseling en in shock terugvindt achter de geraniums.
Ik had mijn vertrek grondig voorbereid en ook wel tussen de bedrijven door nagedacht over de periode erna. Maar veel verder dan uitslapen, boeken lezen, met mijn kinderen spelen en vrienden zien, kwam ik niet. De allesoverheersende gedachte was ‘vrij zijn’ van dwang, druk en het heilige moeten. Maar wat je je onvoldoende realiseert, is dat ‘vrij zijn’ een geestesgesteldheid is die je als politicus juist grondig afleert.

Politici zijn onvrij, èn laten zich onvrij maken, en dat heeft een aantal redenen.
Er is de drukte die veel beroepen op hoog niveau kenmerkt: de agenda wordt door iemand anders gevuld, werkdagen van 12 uur zijn bepaald geen uitzondering en vanaf het opstaan tot het slapengaan jaagt de adrenaline door je bloed.
Ik merkte bijvoorbeeld – en heel simpel – dat ik de krant opnieuw moest leren lezen. Het obsessieve, gespannen scannen van het binnenlandse nieuws op je eigen naam, die van je collega’s en je tegenstanders, het in no-time willen inschatten van de politieke gevaren en risico’s die de krant herbergt, verworden geleidelijk tot een gewoonte. PVV-kamerlid Fleur Agema vertelde ooit bij Pauw & Witteman dat zij elke zaterdag om 6 uur opstond om bij het benzinestation de Telegraaf te kopen. Zodoende wist zij zeker dat zij als eerste van alle Kamerleden mondelinge vragen kon indienen over willekeurig welk incident. Hoe absurd misschien ook het voorbeeld, de onrust en drift waarvan Agema getuigt is geen enkele politicus vreemd.
En zo zijn er meer ingesleten gewoonten: tv-kijken betekent zappen; gesprekken voer je kort en dikwijls instrumenteel, met het oog op het te boeken resultaat; zoals de boeken die je leest vooral ‘nuttig’ moeten zijn voor je politieke handelen. Multitasken is verheven tot een hogere kunst van gelijktijdig telefoneren, internetten, medewerkers instrueren, een debat voorbereiden enzovoort.

Wat het politieke bestaan, als tweede, in hoge mate onvrij maakt is de permanente publieke druk, en de noodzaak èn wil om zichtbaar te zijn. Warren Beaty merkte ooit op over zijn toenmalige minnares Madonna dat zij niet bestond als de camera’s niet draaiden: ‘Why would you say something if it’s off-camera? What point is there existing?’
Politici, zeker de toonaangevende, worden regelmatig en, niet onterecht, bespot omdat ze opduiken in de meest wonderlijke talkshows, RTL-boulevard presenteren en hun oordeel geven over elke denkbare, triviale gebeurtenis. Maar – behalve vanzelfsprekend ijdelheid – hebben zij daarvoor ook goede redenen. Blijvende bekendheid & populariteit zijn namelijk harde voorwaarden voor verkiezingswinst, het kunnen realiseren van je opvattingen en idealen, en de eventuele deelname aan de macht.
Bijvoorbeeld. Toen ik eind 2002, krap 2 maanden voor de verkiezingen, aantrad als nieuwe lijsttrekker, was het grootste probleem mijn geringe naamsbekendheid. Minder dan 30% van de bevolking wist van mijn bestaan. Om ook maar enige rol van betekenis te kunnen spelen tijdens de verkiezingen moest dat razendsnel omhoog naar minimaal 80% en dat betekende een slopende gang langs koffieprogramma’s en vrouwenbladen.
Maar ook jaren daarna, toen ik over bekendheid weinig te klagen had, bleef de noodzaak om zichtbaar te zijn even groot. De meeste kiezers bepalen hun voorkeur namelijk maar deels op politieke opvattingen. Minstens zo belangrijk is hun intuïtieve voorkeur voor de waarden die een politicus vertegenwoordigt, zijn betrouwbaarheid & zijn aardigheid. Opvattingen, levensstijl, humor of de ontroering waarvan een politicus blijk geeft, moeten met elkaar in overeenstemming, en consequent zijn. Zo betekenden in mijn geval de bekende journaalbeelden waarin ik hevig debatteerde met bijv. Rita Verdonk of Geert Wilders ook een gebrekkig electoraal imago van bijterigheid (dan zeg ik het mild).
Het beeld van een politicus dat kiezers opbouwen bestaat uit korte fragmenten, waarbij juist de negatieve het beste beklijven. Reparatie van een onplezierig of onhandig imago kost tijd – televisietijd – en wint aan kracht door herhaling. Voor mij gold in ieder geval dat ik zeker 2 jaar talkshows als ‘Barend & Van Dorp bij elkaar gelachen had, voordat het kwartje viel bij veel kiezers dat ik niet alleen fel kon debatteren, maar misschien ook gewoon een aardige vrouw was aan wie je je kostbare stem kon toevertrouwen.

De druk èn de wil om geregisseerd en beheerst maar ook onophoudelijk zichtbaar te zijn, is niet alleen tijdrovend, maar het beperkt ook je uitingsvrijheid als politicus.
Elke politicus kan getuigen van een slip of the tongue die tot vervelens toe op televisie en op internet zijn herhaald. Balkenende denkt wellicht met weinig plezier terug aan zijn uitspraak tegen mij over de VOC-mentaliteit: ‘Laten we blij zijn met elkaar. Nederland kan het weer! (..) Toch?’ Maar het beëindigde niet voortijdig zijn carrière, wat wel gebeurde met VVD-kamerlid Arend Jan Boekestijn die vooral naam maakte met onhandige opmerkingen, zogenaamde ‘Boekestijntjes’.

De belangrijkste reden waardoor politici onvrij zijn is de tirannie van de tijd en de maatschappelijke omgeving. Daarmee bedoel ik het volgende. Het is voor politici bijna onmogelijk om een bezonken en beredeneerd oordeel te vellen over het politieke bestel waarin zij hun werk doen. Of de maatschappelijke cultuur te analyseren en te bekritiseren waarvan zij tegelijkertijd de drager zijn, waar zij uit voortkomen en hun populariteit aan ontlenen. Politici worden geacht mee te varen op de stroom van maatschappelijke en culturele sentimenten, de tijdsgeest aan te voelen en deze te vertolken. Doen zij dat niet of bekritiseren zij juist de tijdsgeest, dan riskeren zij kiezers, populariteit en uiteindelijk hun positie. Kortom, dan dreigen zij ineffectief te worden.
Maar vrijwel alle politici die ik de afgelopen jaren heb leren kennen, worstelen er ook mee dat ‘de waan van de dag’, zo dikwijls de koers van een debat en de richting van een besluit dicteert. Met de ‘waan’ bedoel ik niet het laatste incidentje uit de Telegraaf dat bij de wekelijkse mondelinge vragen de boventoon voert – hoewel dat ook ergerlijk is. Ik bedoel dat de woorden en onderwerpen die politici kiezen aan maatschappelijke en politieke modes onderhevig zijn en dat die modes dwingend zijn. Simpel gezegd. Geen zichzelf respecterende politicus wil op dit moment thee drinkend en al ‘multiculturaliserend’ in een moskee betrapt worden, ook al zouden daar goede redenen voor zijn. Thee drinken staat voor slapte. Zoals ook geen politicus nu met groot enthousiasme lagere straffen verdedigt, hogere belastingen, gescheiden zwemmen, de vrije verkoop van Mein Kampf enzovoort. Er is een grote omloopsnelheid in de populariteit van politieke onderwerpen. Tegen de dominantie van een kulonderwerp kun je je verzetten, je kan media in hun eenzijdige belangstelling tot de orde willen roepen, maar dan strand je meestal als roepende in de woestijn. Het is bijna onvermijdelijk om je te voegen naar de onderwerpen die gelden als het meest urgent, het meest ernstig – en daarbinnen de variatie te zoeken. Dat is niet uit lafheid of opportunisme maar uit noodzakelijk en gezond lijfsbehoud.

Mocht u na deze inleiding denken dat ik somber ben over de kwaliteit en kracht van politici: nee, geenszins. Wat ik zo-even opsomde zijn de disciplinerende, onvrij makende mechanismen van moderne politiek, mechanismen die – zo zal ik verderop betogen – alleen maar sterker en dwingender worden, en waaraan politici zich slechts met moeite en risico’s kunnen onttrekken.

Maar vandaag verdedig ik ook de stelling dat cultuurkritiek en het opnieuw beoordelen van het politieke bestel en handelen hard nodig zijn. Dat het meedeinen op het tij van maatschappelijke en culturele verandering – niet volstaat. Dat kon misschien in eerdere perioden in onze naoorlogse geschiedenis – waar bijvoorbeeld een oud-politicus zoals Marcel van Dam hoog over opgeeft – nog wel. Maar toen volstond ook om, tegenover de dreiging van de Russen een bataljon tanks aan onze oostgrens te plaatsen. Nu is de maatschappelijke deining te groot en is te onbestemd waar en hoe de golven op de kust slaan.

_____________

Sinds begin februari hebben mijn studenten en ik onderzoek gedaan naar wat ik in de opdracht van de Leonardo-masterclass heb beschreven als ‘De politieke betekenis van de jaren nul’ (de eerste 10 jaar van deze eeuw).

Maar laat me ze eerst even aan u voorstellen: Juliette Barendse, Linde Gasseling, Sabine Geers, Suzanne Keurntjes, Loes Mahieu, Madelene Munnik, Vera Nijveld, Michael Suurendonk, Pauline Verstraten en Eefje Wielders.

Zij hebben de afgelopen maanden literatuurstudie verricht en gesprekken gevoerd – variërend van Mark Rutte tot Hans Laroes, van Herman Tjeenk Willink tot Paul Scheffer. Zij hebben een middag meegelopen bij de redactie van Nieuwsuur, aangezeten bij de fractievergadering van een niet nader te noemen politieke partij en de Haagse sociëteit Nieuwspoort verkend. Zij hebben – aan de hand van eigen stellingen – een debat georganiseerd met studenten van de Tilburgse ROC. En uiteindelijk hebben zij twee keer, in groepjes van drie, een essay geschreven.

Wat ik hier vertel is ook gebaseerd op hun analyses, conclusies en aanbevelingen, wat niet wegneemt dat anekdotes en – zeker – de drastischer opvattingen en conclusies wel degelijk voor mijn eigen rekening komen.

De afgelopen jaren (bijvoorbeeld ook in mijn afscheidsbundel ‘Zoeken naar vrijheid’) heb ik vaak opgemerkt het gevoel te hebben getuige te zijn van een historische politieke tijd. Aantredend als Kamerlid in de tweede Paarse periode in 1998, kenmerkten de politiek en samenleving zich door een grote bezadigdheid. Politiek betekende wat schaven en lasten verlichten en nog eind 2001, toen Pim Fortuyn al heel populair was, bleek uit onderzoek dat de Nederlandse bevolking zeldzaam tevreden was. Er leken – eigenlijk tot de aanslag op de Twin Towers in september 2001 – weinig maatschappelijke en politieke voorbodes voor het tumult dat volgde.

De gedachte getuige te zijn van een historische politieke tijd ontleende ik aan het boek van Ido de Haan over de Nederlandse constitutie: ‘Het beginsel van leven en wasdom’ Hij betoogt daarin dat Nederland tussen 1848 en 1920 in het teken stond van constitutionele politiek. Volgens De Haan draaide het toen niet zozeer om een faire uitvoering van de politieke regels, als wel om het vaststellen van de regels zelf. In die periode werd bijvoorbeeld de staatssoevereiniteit vastgesteld, de scheiding tussen kerk en staat, het vrouwenkiesrecht en de vrijheid van onderwijs. Na 1920 brak een lange periode aan van zgn. ‘normale politiek’. Onze constitutie stond als een huis en werd door politici van alle gezindten als begrenzing geaccepteerd. Zelfs in de jaren zestig en zeventig, jaren van grote maatschappelijke onrust, concentreerde het politieke en maatschappelijke debat zich vooral op de herverdeling van welvaart en rechtvaardigheid, binnen de normatieve grenzen van de grondwet.
Volgens De Haan is pas aan het einde van Paars, versneld door de aanslag op de Twin Towers, de lange periode van ‘normale politiek’ ten einde gekomen en zijn wij opnieuw aangeland in een periode van constitutionele politiek. Of zoals de Haan het somber opsomt: ‘We hebben te maken met een partijenstelsel dat niet langer de verdeeldheid in de samenleving weerspiegelt, een parlement dat zijn centrale plaats daarin verliest en een staat die vastdraait in zijn ambities van herverdeling en rechtvaardigheid. De staat en de samenleving zullen zich opnieuw moeten grondvesten.’ (Tot dusver Ido de Haan)

Terugkijkend op de afgelopen 13 jaar, zijn onmiskenbaar de grootste en hevigste debatten ‘constitutioneel’ geweest. Beginnend wellicht met het venijnige conflict dat volgde op de uitspraken van Pim Fortuyn over artikel 1 van de grondwet: het discriminatieverbod, als sta-in-de-weg van de vrije meningsuiting. Wat volgden waren talloze debatten over de reikwijdte van de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van onderwijs.
Zo kon het gebeuren dat het parlement debatten voerde over de noodzaak en de plicht elkaar de hand te schudden, omdat dit niet langer werd beschouwd als een vriendelijke gewoonte – en het afwijken ervan als een rariteit -maar als een nationale testcase voor onze tolerantie, vrouwvriendelijkheid en ons gelijkheidsdenken. En in dit geval legde het recht van vrije expressie – in de opvatting van de dienstdoende minister Verdonk – het genadeloos af tegen het discriminatieverbod (dat zij op andere momenten met hartstocht relativeerde).
Nieuw was ook het bediscussiëren van de betekenis van godsdienst, en in het bijzonder de Islam, in het parlement zelf. De dominante uitleg van de scheiding tussen kerk en staat was voordien dat politici geen oordelen vellen over geloof. Ook de verhouding in de Trias Politica wijzigde zich, sinds politici zich actief bemoeien met lopende rechtszaken en de benoeming van rechters niet langer beschouwen als een hamerstuk maar tot inzet maken van partijpolitieke strijd (zoals de nieuwe Raadsheer Ybo Buruma overkwam). En hetzelfde kan gezegd worden over de positie van het staatshoofd, die vorige zomer hardhandig buitenspel is gezet bij de vorming van een minderheidskabinet.

Ik denk dat mijn studenten en ik er niet over van mening verschillen dat we inderdaad een periode van maatschappelijke en politieke turbulentie doormaken.
Wel hebben wij samen het idee begraven dat er sprake is van een harde omslag in de politieke geschiedenis die zich concentreert in 1 decennium en is veroorzaakt door de aanslag op de Twin Towers en de politieke moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh. Maatschappelijke en culturele verwarring lijkt eerder het gevolg van geleidelijker, maar evenzeer ingrijpende veranderingen. Veranderingen waarvan de politieke moorden in Nederland en 9/11 in de Verenigde Staten wel machtige symbolen zijn.

Samen, de studenten en ik, hebben we er drie grote en geleidelijke veranderingen uitgelicht die naar onze opvatting met name de afgelopen 10 jaar groot effect hebben gehad op de politieke verhoudingen en het politieke handelen. Deze veranderingen, als ook de effecten op de politiek, hebben de studenten onderzocht en in hun essays beschreven.

1.
De eerste grote verandering is globalisering en de definitieve vestiging van een risicomaatschappij. Deze is de afgelopen decennia in tientallen studieboeken beschreven en de vaststelling dat Nederland onderdeel is geworden van een internationale, globale en kwetsbare risicomaatschappij is bepaald niet nieuw.
Nieuw is wel de hardhandigheid waarmee globalisering de afgelopen jaren onze huiskamers en het parlement is binnengewalst. Als student leerde ik aan het einde van de jaren tachtig al over de ‘risicomaatschappij’ die het gevolg was van globalisering, waarbij de kernramp in Tsjernobyl het meest tot de verbeelding sprekende voorbeeld was. Maar afgezien van een enkele dioxinekoe, leek het met de aanwezigheid van onbeheersbare, wereldwijde risico’s wel mee te vallen.
Die illusie van relatieve veiligheid zijn wij inmiddels wel kwijt.
Inmiddels hebben we hardhandig de gevolgen ondervonden van een aantal
wereldwijde, financiële en economische crises.
Ik kan me goed herinneren dat over de Algemene Beschouwingen van 2008 de dreiging hing van een aanstormende financiële crisis. Maar zelfs toen vlak daarna de Amerikaanse Bank Lehman Brothers omviel, was van groot alarm in de Haagse politiek en in de samenleving nog geen sprake. Het beperkte zich tot een droge notie van risico’s waarop de Nederlandse regering, mocht er iets gebeuren, ‘adequaat’ – in het betere Haagse jargon – zou reageren. Dat is overigens ook gebeurd.
Maar ik kan niet verhullen dat het dreigende omvallen van Nederlandse banken en de duizelingwekkende bedragen die de Nederlandse regering vervolgens beschikbaar moest stellen, ook voor mij een schokkende eye-opener van internationale kwetsbaarheid waren. De razendsnel oplopende staatsschuld, de toenemende werkloosheid in Nederland door onverantwoord gedrag van bankiers en hypothecairs in de Verenigde Staten, was en bleef een nauwelijks te bevatten samenloop van gebeurtenissen en omstandigheden.
En kwetsbaarheid voor internationale risico’s heeft zich niet beperkt tot de financiële markt en de economie. De afgelopen jaren zijn we geconfronteerd met de
razendsnelle verspreiding van ook voor mensen gevaarlijke dierziekten en heeft de wereldwijde klimaatverandering bijvoorbeeld moeten leiden tot een kostbaar plan voor dijkverhoging en dijkbewaking. De aanslag op de Twin Towers en daarop volgend die in Madrid en Londen hebben de zekerheid te leven in een relatief geweldsloze en veilige samenleving voor veel mensen ondermijnd. Internationaal conflict en geweld houden zich ook in onze achtertuin op, worden hier geboren en groot gebracht: zoveel werd vooral bij de moord op Theo van Gogh duidelijk.

Om een beter zicht te krijgen op het effect van internationale crises en risico’s op de Nederlandse politiek hebben de studenten onderzocht hoe in Nederland is omgegaan met de Mexicaanse griep. Dit griepvirus, eerst de varkensgriep genoemd, kreeg vanaf het voorjaar van 2009 delen van de wereld in de greep, zeker toen bleek dat door besmetting niet alleen dieren maar ook mensen dood konden gaan. Inmiddels staat de teller wereldwijd op bijna 19.000 slachtoffers. In Nederland heeft de regering, onder verantwoordelijkheid van minister Klink, snel en ingrijpend gereageerd. Er waren folders en internetsites, risicogroepen kregen het advies zich preventief te vaccineren en er zijn 34 miljoen griepvaccins aangeschaft. Uiteindelijk heeft de Mexicaanse griep in Nederland nooit werkelijk huisgehouden.

Terugkijkend op de politieke besluitvorming valt vooral de grote en oncontroleerbare rol op die deskundigen spelen. Minister en parlement ontbeerden de specialistische kennis die inschatting van de gezondheidsrisico’s vergde en moesten zich in het geheel verlaten op de Gezondheidsraad, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en de World Health Organisation (WHO). Het waren ook de deskundigen die de minister en vervolgens de kamer voor een keuze plaatsten. Men kon 1. ‘afwachtend beleid’ voeren maar dit had een ‘risico voor de nationale gezondheid’ of men kon 2. ‘preventief beleid’ voeren, dat een financieel risico droeg.
Zo geformuleerd hoeft het weinig verbazing te wekken dat Nederland – als één van heel weinige landen – overging tot de peperdure aanschaf van een astronomisch aantal griepvaccins. De keuze was dan ook eigenlijk geen keuze maar een fait accompli omdat geen verantwoordelijk politicus uiteindelijk geld boven de gezondheid van de bevolking zal plaatsen.
Achteraf is er discussie ontstaan over de onbevooroordeeldheid van de deskundigen, de mogelijke rol van de farmaceutische industrie, en het oordeelsvermogen van politici. Dat vind ik terecht.

Meer in het algemeen kun je stellen dat globalisering en internationale crises politici in heel grote mate afhankelijk maken van deskundigen, wier achtergronden, motieven en belangen – anders dan die van politici – dikwijls slecht controleerbaar zijn. Waarvan op het moment dat zij dwingende adviezen geven ook nauwelijks bekend is dat zij zelf over de juiste en noodzakelijk informatie beschikken. De President van de Nederlandse Bank, de heer Wellink, heeft bijvoorbeeld achteraf aangegeven dat ook de Nederlandse Bank en hij zelf onvoldoende op de hoogte waren van de financiële producten waarin banken handelden en de risico’s die deze in zich hadden. Toch voer de regering volledig op de Nederlandse Bank.

2.
Globalisering is niet de enige grote, geleidelijke verandering die de politiek beheerst. Even ingrijpend is – om het eens in chique wetenschappelijke termen te zeggen – het gewijzigde paradigma van multiculturalisme.
Kort gezegd, is multiculturalisme in Nederland lang het bewijs geweest van vrijheid. In ons vrije, democratische land zou ruimte zijn voor andersdenkenden, andere tradities en gebruiken. Door de kracht van onze rechtsstaat, door onze tolerante inborst, ons democratisch bestel en de maatschappelijke mogelijkheden voor sociale stijging, zouden wij ook de komst van grote groepen vreemdelingen gemakkelijk kunnen opvangen. En belangrijker nog, binnen de grenzen van de rechtsstaat werd heb alle ruimte gegeven om hun eigen gang te gaan.
Inmiddels wordt multiculturalisme niet meer beschouwd als een bewijs van vrijheid, maar als een regelrechte bedreiging van onze vrijheid. Tolerantie is niet langer een deugd die geprezen wordt maar synoniem geworden met ‘plooien, schikken en afkopen’ van eigenlijk onoverkomelijke verschillen, tegenstellingen en botsingen.

Het verdwijnen van het geloof in multiculturalisme is een gevolg van de hardnekkigheid van integratieproblemen en het dreigende ontstaan van een allochtone onderklasse (met overmatige criminaliteit en overlast onder allochtone jongeren). Het is ook een gevolg van de angst voor gewelddadig, Islamitisch fundamentalisme dat door de aanslagen is gevoed en ertoe leidt dat in Nederland levende en werkende moslims inmiddels achterdochtig worden beschouwd als wolven in schaapskleren.
Maar beide problemen – de hardnekkige integratieachterstanden en de zorg om gewelddadig Islamitisch fundamentalisme – zijn ook een dankbare voedingsbodem gebleken voor snel populair wordende populisten. Dat multiculturalisme inmiddels een scheldwoord is geworden, is in belangrijke mate hun verdienste. Dit zeg ik wel met enige ironie.

De studenten hebben de afgelopen maanden als casus studie gemaakt van de incidenten die er de afgelopen jaren zijn geweest rond Imams die weigerden de hand te schudden van, in de eerste plaats Minister Verdonk. Vooral de eerste keer dat een Imam, zichtbaar en publiek weigerde de minister de hand te schudden groeide snel uit tot een nationale rel. De minister vond dat er onvoldoende respect was voor het instituut ‘minister’ en voor haar als vrouw en liet weten dat handen schudden een Nederlandse plicht was.

Op basis van hun onderzoek naar het veranderde oordeel over multiculturalisme en de incidenten rond handen schudden merken de studenten op dat politici en het politieke debat zich los lijken te hebben gezongen van de rechtstatelijke kaders waarbinnen zij opereren. Bij de beoordeling van het gedrag van individuele en groepen burgers stellen zij zich minder de vraag ‘is dit onwettig’ maar veeleer de vraag ‘is dit onprettig’. Afwijkend gedrag wordt in toenemende mate als on-Nederlands en onprettig bestempeld en veroordeeld.
Veel burgers, veel media ook, zijn gecharmeerd van de daadkracht en flinkheid die spreekt uit deze stevige oordelen: met name populistische politieke stromingen die van het veroordelen van onprettig, on-Nederlands gedrag hun handelsmerk hebben gemaakt, hebben dan ook een grote electorale vlucht gemaakt
Tegenover de symbolische kracht van harde normatieve oordelen over soms kleine incidenten staat echter een grote politieke en beleidsmatige onmacht. Politici zijn namelijk wel degelijk gehouden en gebonden aan de grenzen van de democratische rechtsstaat, waar deze rechtstreeks voortvloeien uit de mensenrechtenverdragen. Ongeacht retoriek en vertoon van flinkheid kent het integratiebeleid de afgelopen 10 jaar nauwelijks verandering maar een grote stroperige continuïteit en traagheid. De problemen rond integratie, sociale achterstand en criminaliteit zijn de afgelopen jaren niet werkelijk verminderd.
Het zichtbare verschil tussen zeggen en doen in het debat over de multiculturele samenleving levert – zo voeg ik daar aan toe – politici en het politieke bestel inmiddels een serieus geloofwaardigheidsprobleem op.

3.
Als je de gevolgen van de grote maatschappelijke veranderingen rond globalisering en multiculturalisme bij elkaar optelt, dan kun je vaststellen dat politici zich in een lastig parket bevinden, of – wellicht beter – in een lastig parket hebben gemanoeuvreerd.
De grootste maatschappelijke problemen kennen dikwijls een internationale oorsprong, oplossing of vermindering ervan onttrekt zich daardoor vaker aan het handelingsvermogen van gewone Nederlandse politici. Daarbij zijn zij in toenemende mate afhankelijk van specialistische deskundigen, waarbij zij de belangen en de juistheid van deskundige meningen niet altijd even goed overzien. De verleiding van een vlucht in symbolische daadkracht, in flinkheid bij incidenten is levensgroot en deze route wordt dan ook regelmatig genomen.
Het parket wordt nog lastiger als de derde grote verandering van de afgelopen jaren in ogenschouw wordt genomen: de fragmentatie en verveelvoudiging van media en de groeiende invloed van nieuwe media, van internet, weblogs en twitter.

De opvallendste vaststelling van de studenten in het onderzoek dat zij hebben gedaan naar de invloed van de mediacratie op het politieke handelen is dat wordt onderschat dat media zelf in toenemende mate ten prooi zijn aan grote commerciële en economische belangen.
Tijdens een debat gisteravond bij DWDD tussen een vertegenwoordiger van ‘dode- bomen’ media en webloggers – waar de studenten en ik toevallig aanwezig waren -
werd die dwang van commercie nog eens zichtbaar.
De meest gelezen onderwerpen op weblogs en de digitale pagina’s van kranten variëren van ‘condooms met tandjes’ tot de borsten en billen van Kim Kardashian. Serieuze onderzoeksjournalistiek, analyses van ingewikkelde economische problemen leggen het in de lezersaandacht altijd af tegen relletjes met overspel, zich misdragende BN’ers, moord en doodslag. En waar de lezersaandacht minder is, verdwijnt ook de belangstelling van adverteerders, uitgevers en mediabedrijven. Hoofdredacteuren en journalisten staan onder grote druk om lezers – en daarmee adverteerders – waar voor hun geld te geven.

Voor politiek nieuws betekent dit dat ruzies en conflicten, swingende, harde uitspraken over bijvoorbeeld Islamitisch stemvee of Grieks wangedrag, veel makkelijker hun weg vinden in de media dan – ik noem maar wat – de achtergronden van de financiële crisis.

Ik begon deze lezing met de vaststelling dat politici onvrij zijn. Een politicus die langer meewil verhoudt zich tot de tijdsgeest en tot de onderwerpen die zijn kiezers en de media het meeste lijken bezig te houden.
Nu weet ik dat u stiekem denkt: ‘ja hoor eens, een moedige politicus kiest natuurlijk altijd zijn eigen weg, ongeacht de risico’s’. Natuurlijk, dat is ook zo. En er zijn talloze voorbeelden van moderne, moedige politici die dagelijks impopulaire onderwerpen agenderen en verdedigen. Politici die werk maken van onderwerpen als Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen, de noodzaak van nieuwe duurzame energiepolitiek, wereldwijde voedselzekerheid enzovoort, ondanks dat hen dit zo goed als onzichtbaar maakt in de media en daarmee voor kiezers. Zoals ook de moderne politiek talloze voorbeelden kent van politici die dwars tegen de voorspellingen in van peilingen – waar ik overigens ook nog een betoog zou kunnen opbouwen – electoraal risicovolle beslissingen nemen omdat zij een grote innerlijke noodzaak voelen. Mijn opvolger gaf bijvoorbeeld meteen na aantreden een visitekaartje af.

Ik verzet mij hevig tegen de gemakkelijke gedachte dat de kwaliteit van politici de afgelopen decennia minder is geworden of dat de politiek oppervlakkiger en vluchtiger is. Deze nostalgische gedachte die nog wel eens door oude politieke mastodonten wordt geuit, miskent eenvoudig dat de maatschappelijke en politieke omgeving waarin politici hun werk doen met name het afgelopen decennium ingewikkelder en risicovoller is geworden.

Dit neemt niet weg dat er alle reden is om de staat van de politiek en het handelen van politici opnieuw goed en hardhandig te doordenken.
Als ik terugkeer naar Ido de Haan en zijn analyse van ‘constitutionele politiek’ dan denk ik dat je inderdaad kan vaststellen dat, als een gevolg van globalisering, de grote problemen in de multiculturele samenleving en komst van een mediacratie, samenleving en politiek zich opnieuw – moeten – grondvesten.

Politici, gekozen vertegenwoordigers van het volk, zullen daarin onvermijdelijk leiding moeten nemen. Zij dragen wel degelijk de verantwoordelijkheid om oplossingen aan te reiken voor grote maatschappelijke problemen. Of het nu gaat om het verminderen van de werkloosheid die voortkomt uit de internationale economische crisis, het op orde brengen van de staatshuishouding, het verminderen van de sociale en integratieproblemen, het beter beheersbaar en controleerbaar maken van het bureaucratische pandemonium (zoals Volkskrantcolumnist Bert Wagendorp deze week zo mooi opmerkte) of het aanpakken van klimaat- en energieproblemen

In het tweede deel van de masterclass heb ik de studenten gevraagd om – met achterlating van al hun theoretische kennis – eens na te denken over de noodzakelijke veranderingen in het politieke bestel en het handelen van politici.

Ik geef u eerst twee heel alledaagse observaties van de studenten door, waar ik even om moest lachen maar die ook onmiskenbaar veelzeggend zijn.
Na gesprekken met politici en een bezoek aan het parlement, verzuchtten de studenten om beurten dat zij het in het parlement interessanter en ook gezelliger vonden dan zij dachten en dat politici aardiger, welwillender en ook redelijker waren dan hun beeld van hen was.
En vorige week meldde een student dat zij, bezig met de opmaak van het slotessay, eindeloos op Google had gezocht naar foto’s van samenwerkende, vriendelijk met elkaar pratende politici en dat zij die niet had kunnen vinden.

Moderne politici zijn dagelijks verwikkeld in een harde overlevingsstrijd, een strijd om media- en publieke aandacht, in een strijd om het behagen en binden van hun kiezers. Politici zijn met handen en voeten gebonden aan kiezersverwachtingen, populariteitsvereisten en politieke mores. Het maakt hen onvrij om met wat meer afstand de grote problemen van deze tijd te aanschouwen. Het kan hen ook in een isolement brengen van eigendunk en zelfgenoegzaamheid, zo lang het ze goed gaat.

Maar niet alleen zijn de internationale problemen en risico’s, en de afhankelijkheid van derden bij het begrijpen en beheersen ervan, te groot; de vlucht in symbolische daadkracht, symbolische debatten over vooral de multiculturele samenleving die – ondanks daadkrachtige en soms oorlogszuchtige taal – niet leiden tot verbetering van het dagelijkse leven van mensen, ondermijnen de geloofwaardigheid en uiteindelijke effectiviteit van politici. En dit gevaar van politieke machteloosheid en ineffectiviteit op de lange termijn bedreigt alle politici, ook de populisten die zich vooral verheugen over de electorale winst op de korte termijn.

Politieke samenwerking over partijpolitieke grenzen heen, kent een grote noodzaak. Het vermeerdert de gedeelde kennis, het vergemakkelijkt het sluiten van de noodzakelijke compromissen en van het samen regeren.
De studenten hebben bedacht dat het goed zou zijn om kiezers bij de verkiezingen niet meer enkel op de eerste partij van hun voorkeur te laten stemmen maar ook een tweede en een derde voorkeursstem te laten uitbrengen: een zogenaamd ‘songfestivalsysteem’. Het dwingt politici zich beter rekenschap te geven van de politieke ‘umwelt’ waarin ze opereren en al in campagnetijd actief naar coalities te zoeken en deze te verdedigen, waarmee zij na de verkiezingen zouden willen regeren. Afgelopen zomer leidde de vergaande polarisatie tussen politici tot een gefragmenteerde verkiezingsuitslag en een bijna onbestuurbaar land. De ervaringen van de formatie en de idiotie van de totstandkoming van het huidige minderheidskabinet, zouden zich niet moeten herhalen.
Een zelfde milde dwang tot samenwerking zou uit kunnen gaan van het bij de gewone verkiezingen mogen uitbrengen van een adviserende stem op een voorkeurscoalitie. Ook dan geldt dat politici minder uitgedaagd worden om het conflict te zoeken met de electorale concurrenten (zoals Mark Rutte tijdens de laatste verkiezingen deed met Jan Peter Balkenende) maar al tijdens de campagne publiek samenwerking te zoeken met de latere en meest gewenste regeringspartner.
Daarbij lijkt het ons goed als de partijdiscipline en de onderlinge partijtegenstellingen verminderen. Een voorstel van de studenten is om Kamerleden in het parlement niet meer gegroepeerd naar partij te laten plaatsnemen maar bijvoorbeeld op alfabetische volgorde waardoor zij vaker samen optrekken en samenwerken.
Zelf voeg ik daar nog een suggestie naar Italiaans voorbeeld aan toe. Daar kiezen de leden van de verschillende oppositiepartijen samen één oppositieleider. Ook dat leidt onvermijdelijk tot betere samenwerking: de leiders zullen minder geneigd zijn elkaar vliegen af te vangen of elkaar te herhalen. Daarbij verandert het de verhouding tussen de grote en de kleinere oppositiepartijen. Denkt u zich eens in: het zal lang niet altijd vanzelfsprekend zijn dat de leider van de grootste oppositiepartij ook de oppositieleider wordt, bij de andere, kleinere partijen zijn wellicht beter gekwalificeerde kandidaten.
Veel politici maken zich zorgen over de zogenaamde kloof tussen politiek en burgers. Zij gaan eens in de zoveel tijd ostentatief (met een camera op hun nek) in koffiehuizen zitten, de deuren langs om te flyeren en beleggen bijeenkomsten waar burgers hun gal kunnen spuien. Al deze, dikwijls symbolische ontmoetingen betekenen niet werkelijk dat er met burgers wordt samengewerkt. Burgers bezitten veel kennis over, en dagelijkse ervaring met maatschappelijke en bureaucratische problemen, vaker dan nu gebeurt kunnen zij politici helpen oplossingen te formuleren. Met de komst van internet kan de kennis van burgers beter toegankelijk worden gemaakt, gebundeld en geselecteerd (zie bijvoorbeeld de ontwikkeling met ‘crowdsourcing’, waar in NL ook Maurice de Hond zich mee bezighoudt).
Een aantal jaren geleden heeft Rita Verdonk een ‘Ritawiki’ geïntroduceerd: burgers werden uitgenodigd om op haar site mee te schrijven aan haar verkiezingsprogramma. Het initiatief ging al snel kapot aan ‘reaguurders’ die site kaapten. Dat neemt niet weg dat het een goed idee was. Een idee van de studenten is om, verbonden aan de site van de Tweede Kamer, een ‘politieke wiki’ te starten waarop burgers oplossingen voor dringende en grote maatschappelijke problemen kunnen aanreiken. Vergelijkbaar met ‘wikipedia’ moet ook het debat over de inbreng van verschillende burgers zichtbaar kunnen zijn en moet zichtbaar kunnen zijn wie deelnemen aan een debat. Om te verhinderen dat de site gekaapt wordt, zou het een idee kunnen zijn dat burgers zich inschrijven met hun ‘digid’ die dan wel bekend is bij de Tweede Kamer maar niet zichtbaar is. Wel moet nagegaan worden of dit privacyproblemen geeft.

Onderlinge, harde competitie en concurrentie tussen politici en tussen parlementariërs en regering is slecht voor de openbaarheid. Angst voor misstappen en voor publieke vernedering leidt ertoe dat politici terugdeinzen voor het geven van inzicht in hun beweegredenen en in de wijze waarop zij tot een besluit zijn gekomen, met wie zij hebben gesproken en welke rol bijvoorbeeld lobbyisten hebben gespeeld. Het voorstel van Minister Donner om de Wet Openbaarheid Bestuur (WOB) verder in te perken en journalisten die de gangen van een minister willen nagaan, verder op achterstand te zetten, is een teken aan de wand.
Het is een misvatting dat een ‘cultuur van heimelijkheid’ de kwetsbaarheid van politici zou verminderen; het vergroot juist de achterdocht en de behoefte om politici hard af te rekenen als blijkt dat zij oneigenlijk informatie achterhouden.
Openbaarheid van informatie is een teken van politieke kracht, het versterkt de samenwerking met burgers en vergroot daarmee uiteindelijk ook de legitimiteit van beslissingen.
Het zou goed zijn als de Wet Openbaarheid Bestuur juist wordt verruimd en het aantal ‘uitzonderingsgronden’ voor het ter beschikking stellen van informatie aan journalisten en anderen, wordt verminderd
Naar mate beslissingen ingewikkelder worden (zoals bijvoorbeeld bij de Mexicaanse griep) zou het ook goed zijn als politici vaker laten zien ‘hoe’ zij tot een beslissing zijn gekomen, en niet enkel burgers ermee confronteren ‘dat’ zij een beslissing hebben genomen. Samen met de studenten pleit ik ervoor om vergelijkbaar met de Rekenkamer (die de doelmatigheid en rechtmatigheid van overheidsbestedingen onderzoekt) een onafhankelijke Besluitvormingskamer in te stellen die nagaat hoe een grote politieke beslissing tot stand is gekomen, op welke feiten en onderzoek deze is gebaseerd, welke derden daarbij een grote rol hebben gespeeld en wat hun belangen en motieven zijn.

Ervan uitgaand dat er sprake is van constitutionele politiek waarbij politiek en samenleving zich opnieuw grondvesten, zou het logisch zijn dat onze constitutie daarin ook een grote rol speelt. En dan bedoelen wij niet enkel in de schreeuwerige verdediging van een enkel grondrecht, zoals de vrijheid van meningsuiting of de vrijheid van godsdienst. Het kenmerk, maar ook de schoonheid, van onze constitutie is de gelijkwaardige botsing van grondrechten, van burgerlijke waarden, die erdoor op een vreedzame manier mogelijk wordt gemaakt. De grondwet constitueert daarmee ook heel letterlijk onze samenleving.
Betere kennis en een meer actieve verdediging van onze grondwet door politici, helpt wellicht ook burgers om met wat meer distantie, wat meer abstractie, politiek en maatschappelijk conflict en meningsverschil te beoordelen. Dit vereist echter wel dat de grondwet wordt vereenvoudigd en wordt verduidelijkt. Onze grondrechten zijn te cryptisch beschreven omdat ze tegelijkertijd ruimte laten voor uitzonderingsbepalingen door de overheid vast te stellen. Wij zijn voorstander van een nieuwe, moderne grondwet die eenvoudig en aantrekkelijk is en die daarmee ook een goed instrument in het onderwijs en in het politieke debat kan zijn.
Daarnaast is het hoog tijd om constitutionele toetsing in te voeren (diegenen die mijn werk van de afgelopen jaren kennen weten dat dit niet de eerste keer is dat ik hiervoor pleit). Niet alleen geeft het burgers een grotere mate van rechtsbescherming tegenover overheidsmacht, het brengt de grondwet ook tot leven omdat deze niet langer ‘een gesloten deur’ is voor burgers, zoals Thorbecke het ruim anderhalve eeuw geleden al omschreef.
Als samenleving en politiek een nieuw grondvest zoeken voor gezamenlijk handelen dan hopen wij dat die wordt gevonden in het zachtaardige, rechtstatelijke patriottisme dat onze constitutie biedt

Gisteravond kreeg ik bij DWDD de vraag, waarom komt u er nou mee, nu u aan de kant staat.
Aan de kant staan is ook reinigend en noodzakelijk om de politiek – waarvan ik houd – met wat meer distantie, wat minder politieke belangen, wat minder koortsachtig te kunnen gadeslaan en te beoordelen.

Ik dank de Universiteit van Tilburg, en in het bijzonder Hans van Driel en zijn staf voor de gelegenheid die zij mij hebben geboden. Ik dank vooral de Leonardostudenten voor het waardevolle onderzoek dat zij de afgelopen maanden hebben verricht en de vele levendige gesprekken en discussies die wij samen hebben gevoerd.

Dank u wel.

 

NB: Mevrouw Yvon de Witte meldt via twitter dat zij het idee voor een ‘songfestivalsysteem’ eerder op Facebook heeft voorgesteld en heeft vastgelegd bij de belastingdienst. Zij hecht aan vermelding daarvan: bij deze.

'Mevrouw Yvon de Witte meldt via twitter dat zij het idee voor een 'songfestivalsysteem' eerder op Facebook heeft voorgesteld en heeft vastgelegd bij de belastingdienst. Zij hecht aan vermelding daarvan: bij deze.

woensdag, 11 mei 2011

Femke Halsema

Femke Halsema

Hyves Twitter TK

Vluchtelingen in Ivoorkust hebben hulp en aandacht nodig

In goede doelen.

Ik was vorige week in Ivoorkust en Liberia, op uitnodiging van Stichtling Vluchteling, om de schrijnende situatie van vluchtelingen onder de aandacht brengen. Want de slachtoffers in Ivoorkust hebben aandacht en hulp nodig. Lees mijn reisverslag, op de website van Stichting Vluchteling,kijk naar de uitzending van Pauw en Witteman en bedenk wat je kan doen om deze vluchtelingen te helpen.

woensdag, 20 april 2011

Femke Halsema

Femke Halsema

Hyves Twitter TK

Speech jaarcongres HBO-raad

In speeches, raad, raad van state.

Goedemiddag,

Ik neem aan dat u de hele dag elkaar de nieren heeft geproefd en ik kan me voorstellen dat u aan het einde van de dag niet zo veel behoefte heeft om nog eens de les te worden gelezen. Maar, zoals u wellicht weet, ben ik lang een linkse politicus geweest en ik kan niet anders dan de les lezen.

Nu realiseer ik me ook dat mij enige bescheidenheid past. Mijn rechtstreekse ervaring met het HBO is beperkt.

In een heel, heel grijs verleden ben ik zelf een aantal jaren student geweest aan een HBO-instelling, een lerarenopleiding. Dat was niet echt tot mijn eigen genoegen en nog minder tot dat van mijn eigen docenten. Overigens lag dat wellicht minder aan de school dan aan mijn intens beleefde adolescentie die mij overal bracht maar niet in de schoolbankjes.
De keren dat ik wel aanwezig was, en niet om te demonstreren tegen onderwijsbezuinigingen (we spreken hier over het einde van de jaren tachtig), leerde ik minder dan dat ik intensieve, maar ook richtingloze discussies voerde met docenten. Ik wilde docent Nederlands en geschiedenis worden en verzette me hevig tegen de toenmalige modes van de onderwijsdidactiek. In mijn lerarenopleiding-jaren was de onderwijsbijbel een slecht geschreven boekje dat ‘de groep onder de loep’ heette en handelde over groepsdynamica, een begrip dat toen erg in zwang was.
Voornamelijk in abstracto en een enkele keer op onszelf in een – vanzelfsprekend – dynamisch groepsgebeuren toegepast, bekwaamden wij ons in de kunst van het leren ‘feedback geven’.
Kort gezegd kwam het er op neer wat wij als toekomstige leraren nooit tegen onze leerlingen mochten zeggen dat ze iets niet goed hadden gedaan maar bijvoorbeeld: ‘als ik naar mezelf zou kijken dan zou ik het wellicht een beetje anders hebben gedaan’. Of woorden van gelijke strekking.
Degenen die mijn politieke carriere de afgelopen enigszins hebben gevolgd weten dat ik van deze omzwachtelende omschrijvingen eindeloos profijt heb gehad (in mijn geschreven tekst staat hier een ironieteken; voor degene die dit misschien even ontgaat).

Bescheidenheid dus, want behoudens deze – wellicht – ernstig gedateerde anekdote beperkt mijn praktijkervaring met het HBO zich tot een enkele gastles die ik de afgelopen jaren mocht verzorgen en een tot in de puntjes geregeld en verzorgd werkbezoek, waarbij de vlag uit- en de slingers opgehangen waren. Maar laat ik daar ook bij melden dat bescheidenheid niet mijn sterkste eigenschap is.

Wel realiseer ik me dat het te gemakkelijk is meesmuilend te zijn over de problemen waarmee een aantal HBO-instellingen worstelen of onderwijsmethoden die in de jaren tachtig al hun langste tijd hadden gehad. Een oud-politicus, zoals ik, behoort zich te realiseren dat veel van de problemen die er zijn hun oorsprong vinden in de politieke domein. Het domein waartoe ik, zij het dikwijls morrend, de afgelopen 13 jaar heb behoord.
Tegelijkertijd sta ik hier ook niet om het u gemakkelijk te maken. De titel van mijn betoog is ‘kiezen als een vorm van luiheid’, en ik moet eerlijk gezegd bekennen dat dit ook een plaagstootje is jegens de organisatie omdat ik de titel van het congres ‘gekozen, en dan …’ even cryptisch als veelzeggend vind.

U komt hier bijeen onder een onrustig gesternte. De afgelopen jaren is er meer negatieve aandacht voor het HBO geweest dan u lief is, waarbij met name de perikelen bij de Hogeschool Inholland, maar niet alleen daar, veel publieke aandacht hebben gekregen. U bent in afwachting van een rapport van de inspectie en velen zullen daar ook hun hart voor vasthouden.
Zoals de nieuwe voorzitter van de HBO-raad, Guusje ter Horst, vanochtend in de Volkskrant terecht opmerkt: ‘het imago van hogescholen heeft een knauw gehad.
En laat ik zo vrij zijn daaraan toe te voegen: niet alleen het imago. Ook de motivatie van veel docenten en studenten. Het HBO kampt met het imago van een topzware publieke sector waarin veel verdienende bestuurders zich vooral bezig lijken te houden met het economische en financiële rendement van instellingen, daarbij geholpen door perverse economische prikkels en fusiedwang die afleidt van het primaire onderwijsproces. En dat is waarom het eigenlijk gaat.

In het jaarverslag 2006 heeft de vice-voorzitter van de raad van State, Herman Tjeenk Willink, haarscherp geanalyseerd wat de ziekte is van onze publieke sfeer.

Hij beschrijft het bedrijfsmatige denken dat in de jaren tachtig zijn entree maakte en in de jaren negentig tot grote bloei kwam. Ook de commissie Onderwijsvernieuwing, de commissie Dijsselbloem, noemt dit.
De overheid is zichzelf in toenemende mate gaan beschouwen als een bedrijf waarbij het vooral gaat om management, beheer en toezicht.

Recent in een gesprek met mij voegde Tjeenk Willink daar aan toe dat er een sluipende verandering is geweest bij de overheid. Was deze vroeger (grofweg 25 jaar geleden) nog in overgrote mate opgebouwd uit juristen die zich met name bekommerden om de rechtmatigheid van het bestuurlijke handelen en de juistheid van wetten; langzaam maar zeker – met het uitdijen van het overheidsapparaat – is hun dominante plek overgenomen door economen, bedrijfs- en bestuurskundigen.

Met zich droegen zij andere taal en andere opvattingen van goed bestuur
Kernbegrippen in het overheidshandelen van de afgelopen decennia zijn geworden ‘producten’, ‘kostentoedeling’, ‘prestatiemeting’, ‘afrekenen’.
En langzaam maar zeker zijn alle verbindingen met uitvoerende diensten, of het nou in het onderwijs is, bij de politie, of in de zorg, in deze begrippen gevangen geraakt. Simpel gezegd. Een jeugdzorgwerker wordt niet gewaardeerd op zijn liefdevolle, dagelijkse kennis van de jongeren die hij begeleid maar zijn prestaties worden ingeschaald op een papieren index.

Ook het onderwijs is hiervan niet gevrijwaard gebleven. Zowel in het lager als het hoger onderwijs zijn er economische prikkels ingevoerd die zouden moeten leiden tot een hoger rendement – lagere kosten, hogere output (om maar even in economisch jargon te blijven), zijn er bestuurders en toezichthouders aangetrokken die modelmatig, grote gefuseerde onderwijsinstellingen als bedrijven zijn gaan aansturen.
Dit is allemaal gebeurd op initiatief en met instemming van parlement en politiek bestuur.

De analyse is niet nieuw. Maar de werkelijke terugkeer van de weg die is ingeslagen, is ook nog niet werkelijk in gang gezet.
In datzelfde jaarverslag beschrijft Tjeenk Willink ook waarom dat zo moeilijk is. De politiek heeft zichzelf bewust – willens en wetens – op afstand gezet en haar controlerende en richtinggevende taken overgelaten aan verzelfstandigde besturen en sectorraden, op wier uitnodiging ik hier sta.
In de analyse van Tjeenk Willink wordt de bedrijfsmatige overheid versterkt en in stand gehouden door een langzaam ontstaan netwerk van overheid en markt, ambtenaren en deskundigen, tekenmeesters en onderzoekers, communicatiedeskundigen en toezichthouders, adviseurs en managers. Het gaat om mensen die dezelfde taal spreken, langs dezelfde lijnen denken en geloven in dezelfde bedrijfsmatige aanpak van grote maatschappelijke problemen. Dit netwerk is een bepalende laag geworden tussen de politiek en de dagelijkse werkelijkheid van bijvoorbeeld dokters en patienten, agenten en slachtoffers, maar ook van leraren en leerlingen.
Als politici op de hoogte raken van de problemen waarmee leraren en leerlingen kampen, dan is het meestal in de aangepaste vorm, in de taal, de probleemanalyse en de oplossingsrichtingen die in de tussenlaag zijn bedacht. En deze laag houdt zichzelf in stand.

In zijn zwartboek ‘Inholland’ beschrijft de freelance-journalist en voormalig docent aan de Hogeschool, Hans van Willigenburg, de kafkaëske situatie waar hij als onervaren docent journalistiek mee wordt geconfronteerd. Hoe hij via postbussen en talloze formulieren communiceert met de leidinggevenden, hoe studenten mopperend door de gangen trekken maar er niemand verantwoordelijk lijkt te zijn voor het in goede banen leiden van de onvrede en hoe – in plaats daarvan – met tevredenheidenquêtes wordt gestrooid. Hij beschrijft ook hoe hij via een andere docent inzage krijgt in de stukken van het Bestuur en zij beiden in verwarring de excell-sheets bestuderen en er geen snars van snappen, al helemaal niet begrijpen wat dit met hun onderwijs te maken heeft.

Dit is misschien al te zwartgallig, en in zijn werkelijkheidswaarde beperkt tot de paar HBO-instellingen waar het de afgelopen jaren ook goed is misgegaan.
Want laat ik het eens helemaal omdraaien – voordat u me langzaam maar zeker begint te haten.
U allen hier aanwezig, vertegenwoordigt een prachtig deel van onze publieke sfeer: de hogere beroepsopleidingen van onze jongeren.
Met het overgrote deel van onze HBO-opleidingen gaat het ook goed, al kan het beter. Veel studenten zijn wel degelijk tevreden, studeren met inzet en verdienen hun diploma’s met recht en rede. De meeste bestuurders zijn betrokken bij, en heel goed geïnformeerd over wat er in de onderwijsinstellingen gebeurt. Er is, lijkt mij ook een groot besef aanwezig, dat er een einde moet komen aan het bedrijfsmatige denken, dat grootschaligheid lang niet altijd grotere efficiëntie en effectiviteit betekent en dat – het belangrijkste van alles – bij alle komende veranderingen – de student veel meer centraal moet worden gezet dan de afgelopen jaren gebeurde.
U bent hier samen, dragers van een van de belangrijkste publieke waarden in onze samenleving: het recht en het belang van jonge mensen om zich volop en naar vermogen te kunnen en mogen ontwikkelen. Dat mag u veel beroepstrots en –eer geven.

Toch vond ik het nodig om de kritische analyse van Herman Tjeenk Willink nog eens op u los te laten. Deels ingegeven door het interview met de nieuwe Raadsvoorzitter van vanochtend, deels door het gekozen thema van de dag.

Terecht vraagt Guusje ter Horst aandacht voor de onmogelijkheid van bezuinigingen op het Hoger onderwijs, als er tegelijkertijd een dringend beroep op onderwijsgevenden wordt gedaan om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. Terecht ook, stelt zij de bezoldiging aan de kaak van onderwijsbestuurders. Tegelijkertijd demonstreert haar oproep om de bezoldiging te beperken ook hoeveel er nog mis is aan de top. En als zij dan zelf opmerkt dat het ‘rendement’ omhoog moet van de opleidingen, na een samenzijn met de 41 voorzitters van de colleges van bestuur, fronst er bij mij wel een wenkbrauw.

Dat gebeurt ook door het thema van de dag: ‘gekozen .. en dan’. Een titel die even cryptisch is als zij veelzeggend is.
De inkt van het rapport van de Commissie Dijsselbloem – waarin werd gewaarschuwd tegen de zoveelste onderwijsvernieuwing – was nog niet droog, of de tweede kamer boog zich – daartoe geïnspireerd door sectorraden, bestuurders en onderwijsadviseurs – over de volgende onderwijsvernieuwing.

Politieke en bestuurlijke daadkracht is een overschat begrip. Het is dikwijls de vlucht naar voren uit een politiek, en maatschappelijk, netelige situatie. Keuzes maken, nieuwe formatten, protocollen, leerwegen, bestuurlijke drukte, het zijn vaak doekjes voor het bloeden: dikwijls leidt het tot een verdikking van bureaucratie, worden besluiten ondoorzichtiger. Kiezen voor verandering als een vorm van luiheid.
Verandering is goed, zo lang het een doel dient.
Voorafgaand aan de vraag ‘keuzes maken … en dan?’ moet de vraag beantwoord worden, ‘welke keuzes willen wij eigenlijk maken’? Welke verandering hebben wij nodig?

Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat het thema van vandaag het gevolg is van een zekere richtingloosheid waarmee grote onderwijsinstellingen kampen.

En laat ik dan ook tot slot – volstrekt onbescheiden – een paar hartekreten ventileren.

  • Ik ben ervan overtuigd dat de cultuur van bobo’s, managers en bestuurders in met name de grote onderwijsinstellingen problematisch is. Lang niet altijd, maar wel te vaak, gaat het om mensen die ongeveer even weinig kennis hebben van de werkvloer op de opleiding, de dagelijkse praktijk van docenten en studenten, als ik. Die onderwijsinstellingen willen leiden als een bedrijf en onderwijs beschouwen als een markt, wat het ten diepste niet is.
  • Denk kritisch na over de noodzaak en de aard van sectorraden. Guusje ter Horst heeft gelijk dat het niet vanzelfsprekend beter is als de 72 medewerkers van de HBO-raad worden toegevoegd aan het ministerie, maar sta er ook open voor dat een meer rechtstreekse relatie tussen HBO-instellingen en politiek bestuur bij de laatsten kan leiden tot een beter inzicht en besef van de noden in het hoger onderwijs. Omdat u wellicht ongewild en onbedoeld deel uitmaakt en blijft uitmaken van een netwerk van experts, managers en professionals, die een filter en een – plezierige – buffer is voor de politiek.
  • Maak een einde aan het economische rendementsdenken dat onze publieke sfeer al zo lang verziekt.
    Natuurlijk ligt hier een eerste verantwoordelijkheid bij de politiek, maar niet daar alleen. Kom gezamenlijk in actie tegen de perverse prikkels die uitgaan van de huidige bezoldigings- en financieringsstructuur van bestuurders en van de opleidingen zelf.
  • En als belangrijkste, betrek de docenten, maar ook de studenten, bij alle keuzes die u nog wilt gaan maken en geef hen een rol bij de vormgeving en inrichting van uw opleidingen.
  • Er is een beroemd boek van James Surowiecki dat heet ‘the wisdom of crowds’, waarin hij na onderzoek vaststelt dat een besluit dat tot stand komt na consultatie van velen, verstandiger is, kwalitatief beter is en breder wordt gedragen.

Tot slot. Mij werd ooit op de lerarenopleiding geleerd dat positieve feedback geven beter is dan kritisch zijn. Nu u naar mij geluisterd heeft denkt u wellicht ‘ze had vroeger beter naar haar docenten moeten luisteren’.
En gelijk heeft u.

19 april 2011, Jaarcongres HBO-raad

dinsdag, 11 januari 2011

Femke Halsema

Femke Halsema

Hyves Twitter TK

Afscheid van de Kamer

In femkes weblogberichten.

Dinsdag heeft Femke Halsema afscheid genomen van de Tweede Kamer. Lees hier haar afscheidsbrief: “Vanaf de eerste keer dat ik struikelend over het groene tapijt naar het spreekgestoelte liep tot aan de laatste routineus geplaatste interruptie, heb ik me bevoorrecht geweten. Aan volksvertegenwoordiger zijn is niets gewoon of vanzelfsprekend.”

Amsterdam, 10 januari 2011

Geachte voorzitter, beste Gerdi,

Beste collega’s,

Vanaf de eerste keer dat ik struikelend over het groene tapijt naar het spreekgestoelte liep tot aan de laatste routineus geplaatste interruptie, heb ik me bevoorrecht geweten. Aan volksvertegenwoordiger zijn is niets gewoon of vanzelfsprekend.

Je merkt het ook dagelijks: aan de egards waarmee de bodes je behandelen, het nauwkeurig geschreven verslag van je goede en slechte inbreng, je ’s ochtends vroeg schoongemaakte kamer, de aankondiging van de kok dat de Indische schepschotel klaar staat en het milde commentaar waarmee de beveiliging je vergeeft dat je toegangspas weer eens thuis in een andere tas is blijven steken.

Als volksvertegenwoordiger word je door de zorg van anderen omringd. Vooral van al het kamerpersoneel dat dikwijls onzichtbaar, maar professioneel en onvergetelijk aardig zijn werk doet. Nu ik vertrek na twaalf en een half jaar, wil ik allereerst èn vooral tegen hun zeggen: dank jullie wel!

Sinds ik 3 weken geleden mijn vertrek aankondigde heb ik natuurlijk veel nagedacht over de plek die ik verlaat en van mij zal er geen somberte komen. Sinds 1998, toen ik aantrad, zijn onze samenleving en ons parlement veranderd. De schok van de aanslag op de Twin Towers, van twee politieke moorden en van een internationale financiële en economische crisis klinken ook door in het parlement, en hebben onze politieke verhoudingen en omgangsvormen onherroepelijk veranderd. Onze samenleving is meer gepolariseerd geraakt en ons parlement is van een vriendelijk forum meer en meer een strijdlustige arena geworden. De taal die we hanteren is soms schril maar ook recht toe, recht aan; de tegenstellingen zijn even hard als ze helder zijn. Mij is dat lief.

Ik kan me namelijk heel goed de schok herinneren toen ik als kersverse justitiewoordvoerder de betekenis leerde van de afkorting AMA MOB: een alleenstaande, minderjarige asielzoeker is met onbekende bestemming vertrokken. Het is een willekeurig voorbeeld van bureaucratisch en beleidsjargon, bedoeld om een groot menselijk drama te verhullen en van pijn te ontdoen.

Het parlement bewijst zichzelf een heel slechte dienst als zij opereert als een hermetisch gesloten systeem met eigen codes en taal, onbegrijpelijk voor buitenstaanders, voor het volk dat zij vertegenwoordigt. De afgelopen jaren is de Tweede Kamer onmiskenbaar toegankelijker geworden en dat is goed: veel liever hevige emoties, straatrumoer en ruwere zeden dan de handjeklap en zelfgenoegzaamheid van de besloten sociëteit. Je bevoorrecht weten is iets heel anders dan je bevoorrecht gedragen.

Nu de tegenstellingen in onze samenleving groter worden, is wel de vraag hoe deze door volksvertegenwoordigers in goede banen worden geleid. Ons parlement is van oudsher de plaats waar niet alleen de meerderheid, maar ook politieke, etnische en religieuze minderheden zich gehoord en vertegenwoordigd behoren te weten. Er dient ruimte te zijn voor de geaccepteerde opvattingen, maar ook en juist voor de niet-geaccepteerde en zelfs onacceptabele opvattingen. Nu het politieke debat niet meer alleen plaatsvindt in het parlement, maar ook – en soms gelijktijdig – op televisie en op internet, lijkt het mij tijd om na te denken over de regels van parlementaire onschendbaarheid. Volksvertegenwoordigers dienen zich beschermd en vrij te weten, ook als zij meningen verkondigen die sommigen tegen de borst stuiten of zelfs ronduit kwetsen. Die bescherming zou niet alleen moeten gelden als zij achter het spreekgestoelte of bij de interruptiemicrofoon staan, maar overal waar zij uit hoofde van hun functie het woord voeren.

Voor mij gold en geldt dat het democratische debat aan betekenis wint naarmate het scherper en helderder wordt gevoerd. Tegelijkertijd heb ik altijd geprobeerd de deugd van wellevendheid te beoefenen. Juist het besef in een bevoorrechte positie te verkeren, geeft je als parlementariër de opdracht om je in te leven in de problemen en zorgen van alle mensen die je vertegenwoordigt en om zacht over hen te oordelen. Ook over de mensen die nooit op je zouden stemmen en niet onder stoelen of banken steken dat zij een hekel hebben aan je opvattingen.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen – deugdzaamheid blijft een ideaal – dat ik daar soms in ben geslaagd … en soms ook niet.

Daarbij laat ik het. Het was mij een grote eer om parlementariër te mogen zijn. Ik dank jullie – medestanders en tegenstanders – voor de samenwerking en wens jullie scherpte en wellevendheid toe.

Femke

Aantal berichten op deze pagina: 10. De berichten op deze pagina zijn niet ouder dan 9225 uur (384,4 dagen). Berichtgemiddelde: 0 bericht per dag, 0,2 per week.