Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort is opvolger Tweede Kamer en komt uit Utrecht (Utrecht)


religie, politiek en samenleving

  • Website
  • Feed (actief, valideer)
  • Twittert. Status: ruardganzevoort: Dwarsdenker http://t.co/Ho1VjHXL (5 uur geleden)
  • Laatste bericht: 28 januari 2012, 12:01 (0 minuten geleden gecheckt)
  • Controle-interval: elke 30 minuten.
  • Twingly blogrank: Twingly BlogRank
  • Blogt over uncategorized populaire cultuur politiek onderwijs religie homoseksualiteit religie en politiek linker wang kerk integratie rituele slacht .

zaterdag, 28 januari 2012

Dwarsdenker

In uncategorized.

De Dwarsdenkers-bijdrage in Vrij Nederland met mooie dwarse foto. Naast oa Ineke van Gent, Liesbeth Zegveld, Luuk van Middelaar. Klik op foto voor groot of koop dat blad.


donderdag, 26 januari 2012

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Skoonheid, eindelijk ook in Nederland

In populaire cultuur.

Afgelopen Augustus schreef ik over de Zuid-Afrikaanse film Skoonheid, een intrigerend verhaal over ontsporing van het verlangen. Eindelijk komt de film ook in Nederland. Op 26 januari is de première op het IFFR in Rotterdam en dan vanaf 23 februari in zes filmhuizen in het land. Ik  ben heel benieuwd naar reacties van mensen die hem ook gezien hebben.

Klik hier voor de trailer


dinsdag, 24 januari 2012

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Toezicht op onderwijskwaliteit

In politiek, onderwijs.

(Inbreng van GroenLinks in het plenaire debat in de Eerste Kamer op 24.01.2012)

Goed onderwijs is essentieel voor onze samenleving. Voor de economie, voor de internationale concurrentieslag, voor het vermogen om antwoorden te vinden op nieuwe vragen, voor diversiteit en emancipatie, voor het welslagen van een plurale samenleving, voor creativiteit en innovatie, voor het waarderen van kunst en natuurschoon, voor gezondheid en lichamelijke ontwikkeling, voor verantwoordelijkheid in de omgang met anderen, andersdenkenden en alles wat leeft, voor wijsheid en het bewaren van waardevolle tradities, voor een kritische houding ten opzichte van die tradities, voor het leven en voor het samenleven.

En daarom is het ook zo belangrijk dat we borgen wat goed onderwijs is. Dat we zorgen dat docenten en scholen in de positie gebracht zijn om dat waar te maken en dat ook externe ogen georganiseerd zijn om kritisch mee te kijken en bij te sturen waar dat nodig is. En daarom hebben we het vandaag over de rol van de inspectie. De fractie van GroenLinks is het met de minister eens dat die rol kan worden bijgesteld, maar heeft vragen bij de criteria wat dan goed onderwijs is.

De belangrijkste verschuiving in het wetsvoorstel is dat het toezicht nu getrapt wordt georganiseerd: een quickscan om te bepalen of er sprake is van kwaliteitsrisico’s en als dat het geval is een grondiger onderzoek dat aansluit bij de formuleringen in de huidige wet. Daarmee wordt de standaardcontrole wat lichter en gaat de inspectie meer uit van het zelfkritisch vermogen van scholen en professionals. Dit sturen op vertrouwen en verminderen van controle spreekt mijn fractie op zichzelf genomen aan. Maar dan moeten er wel concrete handvatten zijn voor het bevorderen van dat zelfkritisch vermogen, en dat leidt tot een aantal vragen.

De eerste vraag die wij aan de regering willen stellen, is hoe het bevorderen van dat zelfkritisch vermogen van scholen en professionals is gewaarborgd. Natuurlijk ligt de verantwoordelijkheid daarvoor bij henzelf, daar zijn het professionele organisaties voor. Maar de waarde van het toezicht is nu juist dat we daar ook waarborgen voor inbouwen. Het weghalen van dit stukje toezicht betekent nog niet dat het zelftoezicht automatisch ontstaat. Welke stimulansen zijn daarvoor ingebouwd? Wordt er bijvoorbeeld ruimte gecreëerd waarin docententeams aan intervisie en zelfsturing doen? En welke aanvullende stappen zet de minister om te zorgen dat scholen en docenten/leerkrachten ook echt zelf en met elkaar de kwaliteit borgen buiten de minimale indicatoren van de standaardcontrole?

De tweede vraag die bij ons leeft, betreft die minimale indicatoren die ook nog eens enkel worden beoordeeld op basis van openbare verantwoordingsinformatie van de instelling. Het jaarlijkse basistoezicht wordt beperkt tot leerresultaten, voortgang van de ontwikkeling van leerlingen en het personeelsbeleid, maar dat laatste alleen als er een medewerker geklaagd heeft. De rest van de kwaliteitsindicatoren komt alleen in beeld bij het nader onderzoek. Dan gaat het bijvoorbeeld over leerstofaanbod, pedagogisch klimaat, leerlingenzorg, examenkwaliteit. Wat bedoelt de minister bij die minimumindicatoren precies met “voortgang van de ontwikkeling van leerlingen”? Is dat hetzelfde als leerresultaten of gaat het ook om vormingsaspecten? Die vraag is voor ons van belang omdat er automatisch een sturende werking uitgaat van de gekozen indicatoren. Als het jaarlijkse toezicht alleen kijkt naar cognitieve kennisoverdracht, dan gaan scholen daar hun energie in steken. Hoe smaller de basis voor het toezicht, des te eenzijdiger is het effect van dat toezicht.

Daarmee kom ik aan onze derde vraag. Het wetsvoorstel heeft het bij de taken van de inspectie steeds over beoordelen en bevorderen. Dat spreekt ons aan. Maar dan valt het wel op dat het beoordelen grondig is uitgewerkt, terwijl aan het bevorderen slechts lippendienst wordt bewezen. De waarde van het toezicht ligt toch ook in het stimuleren en ondersteunen van een kwaliteitscyclus, of anders gezegd, van een formatieve toetsing en niet enkel een summatieve. Op welke wijze krijgt dit bevorderen gestalte bij de nieuwe werkwijze van de inspectie? Moeten we niet constateren dat dit wetsvoorstel feitelijk het bevorderen schrapt en het toezicht reduceert tot beoordelen? De minister schrijft in de memorie van antwoord van 28 november zelfs expliciet dat een adviesrol van de inspectie strijdt met de beoordelingsrol. Dat bevreemdt ons, en we betreuren het dat hiermee een eenvoudig en gewaardeerd adviesinstrument gewoon wordt geschrapt.

Voorzitter, wij stemmen zoals gezegd in met de intentie achter het voorstel om meer te sturen op vertrouwen in de professional en de instelling. Maar juist dan is het van belang om dat ook te ondersteunen door de prikkels de goede kant op te zetten. Minder op afrekenen en meer op stimuleren. Niet eenzijdig op alleen cognitieve leerresultaten maar op een breed kwaliteitsbegrip inclusief vormingsaspecten. En op deze punten willen we graag meer toelichting en precisering van de regering.

Wat betreft de risicogerichte werkwijze van de inspectie hebben we ook een vraag over de stelselverantwoordelijkheid. Het recente SCP-rapport Overheid en Onderwijsbeleid zegt hierover: “De focus op individuele (zeer) zwakke scholen gaat wel ten koste van de aandacht voor ontwikkelingen in de onderwijskwaliteit in het algemeen en voor belangrijke school- en sectoroverstijgende ontwikkelingen.” (403) Dat laatste hoort nog steeds wel bij de taken van de inspectie, maar krijgt in de uitwerking nauwelijks aandacht. Hoe waarborgt de minister dat deze bredere blik op ontwikkelingen in het veld blijft functioneren? Zou de inspectie niet juist een grotere rol moeten spelen in het identificeren van de structurele problemen en tekorten in het onderwijs? En zo nee, hoe wordt dan deze informatie structureel geborgd?

In datzelfde rapport van het SCP wordt overigens geconcludeerd dat de drie publieke belangen in het onderwijs per definitie met elkaar schuren. Toegankelijkheid, kwaliteit en doelmatigheid kunnen niet tegelijkertijd worden gerealiseerd. “De sterke focus op doelmatigheid (1990-1998) leidde tot een geringere toegankelijkheid van het hoger onderwijs. De sterke nadruk op toegankelijkheid die daarop volgde (1998-2007) leidde tot een daling van het niveau (diploma-inflatie). Als reactie op die laatste ontwikkeling ligt het accent sinds 2007 met name op verbetering van de kwaliteit van het onderwijs.” (p. 406) Nu zijn wij een groot voorstander van kwaliteit, maar welke lessen trekt de minister uit deze conclusie van het SCP? Praten we hier over een paar jaar over de afgenomen toegankelijkheid en doelmatigheid? Of neigt het huidige kabinetsbeleid eigenlijk alweer meer naar de doelmatigheid en is het vooral de toegankelijkheid die onder druk zal komen te staan?

Ik betrek bij die toegankelijkheid nog een klein element uit dit wetsvoorstel waarop ook ouderverenigingen gewezen hebben. De vrijwillige ouderbijdrage wordt redactioneel wat anders in de wet gezet dan voorheen. Daarmee vervalt echter de vereiste reductie- en kwijtscheldingsregeling. Voor minvermogende ouders is dat een probleem. Zij hebben geen wettelijke grond meer om een beroep te kunnen doen op zo’n regeling en daardoor lopen hun kinderen het risico dat ze bij een deel van de schoolactiviteiten buitengesloten worden. Dat hoort echter ook bij toegankelijkheid van het onderwijs en is belangrijk om een tweedeling in de samenleving te voorkomen. Welke stappen kan en wil de minister zetten om dit op te lossen zodat kinderen uit deze gezinnen, die het in de huidige crisis toch al zeer moeilijk hebben, in elk geval op school maximaal kunnen participeren?

Voorzitter, ik rond af. Goed onderwijs verdient vertrouwen in de professionals en goed toezicht. We zijn blij met het vertrouwen dat uit dit wetsvoorstel blijkt, maar we hebben wel zorgen over de intensiteit van het toezicht en de breedte van het kwaliteitsbegrip en we hopen dat de minister die zorgen bij ons kan wegnemen.


Reacties op Toezicht op onderwijskwaliteit

Door: Marijke Genuit op 24 januari 2012, 23:05

Wat een verademing in de politiek, een inhoudelijke inbreng die blijk geeft van kennis van zaken èn van betrokkenheid. Had het debat over onderwijs maar altijd dit niveau…

Door: Menno Gaijkema op 25 januari 2012, 20:19

Ik zou graag een onderscheid gemaakt zien tussen onderwijs en onderwijsorganisatie. Het eerste is het domein van docenten, het tweede van managers. Daarmee gaat ook een onderscheid tussen ‘vertrouwen’ en ‘ borging’ . Die twee terugkerende termen passen m.i. niet bij elkaar. Vertrouwen hoeft niet geborgd te worden, bij borging is vertrouwen overbodig.

dinsdag, 17 januari 2012

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Homotherapie?

In religie, homoseksualiteit, mannen.

Een boeiende dag voor het nadenken over de relatie tussen homoseksualiteit en religie. De (in Amerika wonende) opperrabbijn Ralbag ondertekent een verklaring waarin staat dat homoseksualiteit een ziekte is en in Nederland laait de discussie op over de therapie die Different zou geven om christenhomo’s van hun geaardheid af te helpen. Maar terwijl de Joodse Gemeente Amsterdam onmiddellijk afstand neemt van dit standpunt van de opperrabbijn, springen christelijke organisaties in het gelid om het voor Different op te nemen.

Op twitter en in de media klinken natuurlijk onmiddellijk scherpe woorden tegen religieus fundamentalisme, want dat zou hier aan de orde zijn. Omgekeerd klagen christenen over een seculiere hetze tegen alles wat christelijk is. En er zijn verhalen van cliënten van Different die genuanceerd spreken over de behandeling. Tijd voor een beetje nuance. Is het eigenlijk wel zo erg om therapie aan te bieden voor christenhomo’s die moeite hebben met hun seksuele geaardheid?

Het is wel goed om te beginnen met de constatering dat er over homoseksualiteit nog steeds heel verschillende meningen bestaan. Dat gaat van totale acceptatie tot totale afwijzing. Ook binnen kerken zien we dat hele scala van visies. Het is ook goed om op te merken dat die visies ook geleidelijk in beweging zijn. Zelfs in (christelijke) kringen waar men homoseksualiteit als zonde ziet, heeft men wel meer dan vroeger oog voor de homoseksuele mens. En we moeten erbij bedenken dat in de seculiere wereld homo-acceptatie ook niet vanzelfsprekend is – kijk maar op het voetbalveld. De kritiek op religies vanwege hun ‘homohaat’ is dan ook wel een maatje te groot.

Theologie en psychologie

Different sluit vooral aan bij die kerken – evangelisch en orthodox-protestants – die homoseksualiteit zien als zonde. Of, in een iets ander taalveld, als strijd. Daarbij gebruikt men vaak een theologische en een psychologische redenering. De theologische gaat uit van een paar bijbelteksten waarin seks tussen mannen verboden wordt (vrouwen zijn bijna buiten beeld) en de algemene heteroseksuele teneur van de bijbel en de traditie. Er is weinig oog voor het verschil in tijd en cultuur en de teksten worden een op een vertaald naar het heden, waarbij ook teksten die gaan over seksueel wangedrag worden toegepast op respectvolle liefdesrelaties. Daar richt zich dan ook mijn theologische kritiek op: we doen noch de bijbel, noch de mens recht met deze uitleg. Sterker nog: we gebruiken de bijbel om een minderheid met religieuze middelen te marginaliseren en dat is nu precies waar de bijbel wel heel fel tegen is.

De psychologische redenering gaat ervan uit dat homoseksualiteit geen geaardheid is, maar een stoornis. Daar gebruikt men verschillende woorden voor (handicap, ziekte, scheefgroei), maar de kern is dit: het is geen gewone variatie van de natuur maar een gegroeide afwijking. De meest voorkomende redenen zijn problemen in de relatie met de ouders, seksueel misbruik, eenzaamheid, pesten en dergelijke. Soms kan die scheefgroei met therapie weer worden gecorrigeerd maar in de meeste gevallen moet je leren leven met je gevoelens.  Daarbij is het niet de bedoeling dat je ook kiest voor een ‘homoseksuele levensstijl’; die is immers op grond van de theologische redenering al verboden. Deze psychologische redenering staat volstrekt buiten de wetenschappelijke en therapeutische consensus en valt dan ook in de categorie kwakzalverij.

Wat Different doet

In die wereld opereert Different. Ze bieden begeleiding aan mensen die problemen hebben met hun seksuele gevoelens en/of geloof en die zoeken naar een manier om daarmee om te gaan. Veel cliënten hebben daar baat bij. Dat is niet zo vreemd, want ze vinden eindelijk een gesprekspartner die hun worsteling begrijpt en erkent. In die begeleiding kunnen ze hun schaamte overwinnen, zichzelf leren accepteren, en werken aan problemen uit hun levensloop (die heeft namelijk vrijwel iedereen die wat voor hulp ook zoekt). En ze kunnen in die context ook hun geloofsvragen aan de orde stellen en zichzelf (ondanks hun homoseksualiteit) als gelovige leren accepteren.

Het enige wat ze niet kunnen, is het veranderen van seksuele geaardheid. Onderzoek laat zien dat je wel kunt leren om de kracht van je homoseksuele gevoelens te laten verminderen, maar dat dat vrijwel nooit betekent dat er werkelijk heteroseksuele verlangens ontstaan. Oftewel: je kunt er wat minder homo van worden, maar geen hetero. Dat hoor ik dan ook regelmatig van ex-cliënten: ik ben van een aantal problemen afgekomen, maar niet van mijn homoseksualiteit.

Is het erg?

Is het erg dat Different dit soort therapie aanbiedt? Dat is de vraag. Natuurlijk, er zijn veel meer aparte, vreemde, bizarre en ongegronde therapieën. Zolang het niemand kwaad doet, is het leven en laten leven. En natuurlijk is het waardevol wanneer Different mensen helpt om met hun leven en gevoel om te gaan en pijnpunten uit hun leven aan te pakken. Het probleem is alleen dat de hele benadering en presentatie dat koppelt aan homoseksualiteit. En daarmee houdt Different precies het probleem in stand dat ze zouden moeten helpen oplossen.

Tekenend voor het echte probleem is dat homo’s in orthodox-christelijke kring een verhoogd risico hebben op psychische problemen, tot aan suïcidepogingen toe. Dat heeft alles te maken met de voortdurende boodschap dat je zondig, ziek, of wat dan ook bent. Wanneer ze er vroeger of later niet meer omheen kunnen dat ze homo zijn, zoeken ze (al dan niet gestuurd) hulp bij een organisatie als Different. Dat helpt inderdaad wel om de scherpste kantjes eraf te schuren, maar het blijft homoseksualiteit definiëren als probleem. Different’s hulpverlening is dan ook symptoombestrijding. En dat is uiteindelijk kwalijk. Hoe pastoraal ze het ook verpakken, het blijft indirect bijdragen aan het in stand houden van een homo-onvriendelijk klimaat om vervolgens hulp te bieden aan de slachtoffers daarvan.

Moeten we dat verbieden? Wat mij betreft niet. Maar wel op inhoud en argumenten bestrijden. En goede zorg bieden aan mensen die klem zitten tussen geloof en homoseksualiteit. Niet door als Different homoseksualiteit bij voorbaat af te wijzen en ook niet door als sommige seculiere hulpverleners geloof weg te zetten. Echte hulp betekent dat je mensen helpt om hun eigen weg te vinden.


Reacties op Homotherapie?

Door: Jan de Beer op 17 januari 2012, 22:34

Ik snap de ophef nu opeens ook niet zo. Ik als absolute buitenstaander (Randstedeling, atheïst, liberaal) wist dit een half jaar geleden al. Er was in de media al over geschreven, en het was bekend dat deze “behandelingen” vergoed worden.

En het wordt vergoed om praktische redenen, niet om ideologische. Nu zo’n behandeling vergoeden is goedkoper dan psychiater/medicatie/gedwongen opname/suicide watch als het uit de hand loopt. Dus zal een homoseksueel echt wel wat hebben aan zo’n behandeling (die officieel ook niet bedoeld is om het te “genezen”) waarbij ze met homoseksuele gevoelens leren omgaan. Er wordt net iets te vaak vergeten dat refo-homo’s zelf ook conservatief en diep diep gelovig zijn, geen closet liberals. Ze zijn het met hun omgeving eens dat het een zonde is, en willen vaak zelf ook geen “homoseksuele levensstijl”, ondanks de aandrang die ze voelen. In die context heeft Different zelfs een vreemd soort bestaansrecht. Dat de context dit verschaft is een grove schande, niet dat zorgverzekeraars vervolgens op een vreemde manier toekomstige psychiaterrekeningen die hieruit voortvloeien proberen af te wenden.

Ik moet (als atheïst) even binnensmonds overgeven van wat ik hier geschreven heb, maar ik vrees toch echt dat ik het ermee eens ben…

Door: Carla op 18 januari 2012, 00:53

Beste Ruard,

Complimenten voor de inhoud en de toon waarop je je bijdrage levert aan hetgeen vandaag, op zijn zachts gezegd, nogal een hot item is.
Vooral de laatste zin: ” Echte hulp betekent dat je mensen helpt om hun eigen weg te vinden, ” onderschrijf ik méér dan van harte.

Moest vandaag vaak denken aan de woorden van Nico ter Linden: ” De woorden die in de Bijbel staan zijn bestand tegen vele interpretaties, behalve die van de letterlijke.” En m.i. zit hier de ‘angel ‘.

Wanneer de mens van kleins af aan wordt voorgehouden dat alles wat in de schrift staat, letterlijk Gods woord is en je je straf niet zal ontlopen wanneer je daar aan twijfelt, of erger, niet op alle fronten aan houdt, dan ligt dáár al de grondslag om niet je eigen weg te ( kunnen ) vinden.
De angst neemt het dan over van de liefde. En ja, dan komen mensen in de knel, in gewetensconflict en erger.
En voor een dergelijk kwetsbare mens is elke strohalm iets om je aan vast te klampen.

Wellicht is Defferent zo’n strohalm. En weten zij ( Defferent ) inmiddels ook wel dat je van een homo geen hetero kan maken, net zo min als dat andersom zou kunnen.
Maar om dan, vanuit hun visie, te blijven benoemen dat je het wel mag zijn maar je je niet mag verbinden in een liefdevolle verhouding met een partner is gewoon de opgelopen schade bestendigen. Onmenselijk en wreed.

Door: zustermarianne op 18 januari 2012, 13:59

Dank Ruard, een mooie genuanceerde bijdrage aan het debat!

Door: John Jorna op 18 januari 2012, 16:24

In mijn houding tegenover homofilie is wezenlijk, dat homofilie geen keuze is, maar een zijn. Je mag mensen niet dwingen hun eigen zijn te ontkennen. Dan weet je zeker, dat je psychische problemen veroorzaakt. Ik mag niet zijn, die ik ben. Maar sommigen beweren, dat het wel een keuze is. Ik weet niet waardoor je homo bent. Is er een homo-gen? Gebeurt er iets tijdens of direct na de bevruchting, waardoor een schakel wordt omgedraaid? Maar eigenlijk weet ik evenmin waardoor mijn hetero zijn bepaald wordt. Waarom lees ik daar nooit iets over? Weet men het niet of wil men het niet weten?
Een antwoord op deze vragen zou de discussies zinniger kunnen laten verlopen.

Door: Jan de Beer op 19 januari 2012, 00:19

Voor zover ik weet is er nog geen absolute oorzaak geïsoleerd, maar het lijkt iets te maken te hebben met de geslachtshormoonhuishouding van de moeder tijdens de zwangerschap.

Door: ingrid op 19 januari 2012, 10:30

Daar kan ik me alleen maar bij aanlsuiten

groet;
Ingrid

Door: Daan Vreeswijk (@dtjv) op 19 januari 2012, 11:16

Beste Ruard,

Inderdaad complimenten voor een genuanceerd verhaal, maar er zijn nog wel wat kanttekeningen bij te plaatsen.
Ten eerste zeg je dat de kritiek op religies vanwege hun ‘homohaat’ een “maatje te groot” is, omdat er “in de seculiere wereld homo-acceptatie ook niet vanzelfsprekend is” Dit is natuurlijk totale nonsens. Ten hoogste kun je zeggen dat de kritiek op seculiere homohaat niet groot genoeg is. Maar zeggen dat we minder kritiek moeten hebben op het ene deel van de wereld omdat het in een ander deel ook gebeurd, is een klassieke tu quoque drogreden.
Ten tweede gaat het in de discussie volgens mij niet zozeer om of die therapie mag bestaan, maar of deze vergoed moet worden door zorgverzekeraars. Je mag toch verwachten dat psychotherapieën enige wetenschappelijke basis hebben. De onzin die Different aanbiedt, valt daar totaal niet onder. Als iemand graag zo’n therapie wil volgen, dan kan hij zijn gang gaan, maar daar kan natuurlijk geen vergoeding tegenover staan.

Door: John op 19 januari 2012, 11:56

Ik ben het met Daan Vreeswijk eens. Mij gaat het ook niet zozeer om de vraag of deze therapie mag bestaan. Dat mag van mij namelijk best, waar vraag is mag aanbod zijn in een vrij land als Nederland. Ik kan me best voorstellen dat er christelijke homo’s zijn die enorm schrikken als ze homoseksuele gevoelens bij zichzelf ontdekken en daarmee hun hele ‘in Christus’ opgebouwde persoonlijkheid uit elkaar zien vallen. Dat deze mensen daar vervolgens ‘vanaf’ willen en dan hulp zoeken bij een hulpverleningsinstelling als Different. Alleen daarom al vind ik het goed dat er zoiets is. De vraag is inderdaad of dit gefinancierd en verzekerd moet worden door zorgverzekeraars. Zoals je zelf al aangeeft Ruard, heeft het uitgangspunt van Different weinig met wetenschappelijkheid te maken, iets wat me voor een hulpverleningsorganisatie toch wel belangrijk lijkt. Laat Different maar in eigen gelederen geld bij elkaar zoeken om hun therapie te laten voortbestaan.

Door: Anton op 19 januari 2012, 12:20

Is het aanbieden van een behandeling aan Homo’s dan niet gewoon een belediging voor die groep. Je gaat toch ook geen behandeling voor christenen aanbieden en vergoeden vanuit de ziektekostenverzekeraar? Natuurlijk mogen christenen onderling hun praatgroepjes hebben om over dergelijke ‘problemen’ te praten, maar ik denk dat je als overheid een compleet verkeerd signaal geeft als je feitelijk toestaat dat mensen een seksuele geaardheid als ziekte gaan bestempelen en daar behandelingen voor verzinnen.

woensdag, 11 januari 2012

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Wat moeten we met het populisme?

In politiek, macht.

Wat moeten we met het populisme? De vraag verraadt een gevoel van onvrede met hoe in de politiek en samenleving het debat vaak gevoerd wordt. Meestal denkt men daarbij aan bepaalde vormen van populisme en bepaalde groepen die bij uitstek populistisch zijn. Vaak vormen en groepen die ver van ons afstaan, want populisme is ook een beetje een scheldwoord. Er zijn maar heel weinig mensen die zichzelf populistisch noemen. Het lijkt een manier om de ander weg te zetten, zodat je op zijn of haar vragen en argumenten niet in hoeft te gaan. Bovendien hoef je jezelf niet af te vragen of je eigen handelen misschien ook wel populistisch is.

De vraag verraadt ook onzekerheid. Op de een of andere manier lukt het populisten om het debat te beheersen en lijken zij niet gevoelig voor de gangbare argumenten en de regels van het spel. Populisten doen en spreken op een manier die wij zelf niet zouden durven of willen, maar die ons ook machteloos maakt. Als je niet met dezelfde wapens wilt terugslaan, heb je dan nog wel een weerwoord? En tegelijk blijft dan de vraag staan of populisme wel zo erg is, of dat we er misschien wat meer van moeten overnemen.

Ik vind niet dat we populistischer moeten worden en ik vind dat we populisten niet zoveel aandacht moeten geven. Maar om die stelling toe te lichten, is het goed om eerst goed te definiëren wat populisme is en te analyseren hoe en waarom het werkt.

Wat is populisme eigenlijk?

Er zijn veel verschillende definities en theorieën in omloop en dat maakt het moeilijk om een standaardomschrijving te vinden. De kern heeft in elk geval altijd te maken met populus – ‘het volk’. Daar kunnen een paar kenmerken van worden afgeleid. Allereerst gaat populisme om een bepaalde toon en stijl die ‘het volk’ aanspreekt. Of dat echt zo is, is minder belangrijk dan de suggestie die wordt opgeroepen. Als wij op straat ‘effe dimmen’ of ‘doe es normaal, man’ roepen, dan moet dat ook in de Tweede Kamer kunnen. Onherroepelijk brengen toon en stijl ons ook dichter bij de onderbuikgevoelens dan bij de verstandige en verstandelijke argumenten. Populisten schieten liever uit de heup dan dat ze nog eens rustig nadenken over alle facetten van een complexe wereld.

Maar dit is alleen nog maar de vorm. Populisme heeft ook een inhoud. We kunnen ons daar makkelijk op verkijken, want het gaat niet per se over een inhoudelijke politieke filosofie of om kernwaarden van waaruit men politiek bedrijft. De inhoud van het populisme gaat vooral over de visie op het volk. En dan nog specifieker over de relatie tussen het volk en de elite. Populisten wakkeren de kloof tussen volk en elite aan omdat ze hun kracht vinden in het wantrouwen ten opzichte van die elite. Bij de oerbeelden van het populisme hoort de strijd tegen de elite die voortdurend misbruik maakt van de eigen positie, elkaar baantjes en voorrechten toeschrijft en het volk onderdrukt, dom houdt en negeert. In een democratie als de onze betekent dat dat ook politici bij die elite horen. Eens in de vier jaar doen ze alsof wij burgers invloed hebben, maar de rest van de tijd doen ze waar ze zelf beter van worden.

Dit oerbeeld van de elite maakt geen enkel onderscheid. Alle politici, wetenschappers, ondernemers, kunstenaars kunnen erbij horen. Dat ze onderling grote meningsverschillen hebben, doet er niet toe. Ze zijn elite en dus fout. Dat is natuurlijk wel ingewikkeld voor populistische politici, die immers zelf ook midden in dat systeem zitten. Veel populisten zijn gepokt en gemazeld in de politieke arena en de grootste populisten zijn in hun leven soms nauwelijks buiten de politieke kaasstolp geweest. Het is voor hen dan ook de voortdurende uitdaging om zichzelf als buitenstaander te blijven presenteren.

De elite moet bestreden worden, want als die het veld geruimd heeft, kunnen we eindelijk de problemen oplossen. Dat is namelijk helemaal niet zo moeilijk. De elite maakt het expres moeilijk omdat ze op die manier het machtsevenwicht in stand kunnen houden. Maar echte oplossingen zijn veel simpeler. Met gezond boerenverstand kom je veel verder. En als iets niet is uit te leggen aan Henk en Ingrid, dan kan het dus niet goed zijn. Daarom moeten politici veel beter luisteren naar het volk. En als het volk A of B wil, dan heeft de politiek dat maar te volgen. Rechtstatelijke en bestuurlijke zorgvuldigheid doen er dan niet meer toe.

Een ander aspect van populisme is het nationalisme. Dat is niet bij elk populisme even sterk, maar het komt wel vaak voor. Het ‘volk’ is namelijk in de eerste plaats ‘ons volk’. Daarom wordt er ook veel werk gemaakt van de vraag wie er wel en niet bij hoort. Populisten verzetten zich tegen het relativeren van de eigen cultuur en het waarderen van andere culturen. De onze is immers het beste en alle anderen moeten zich aanpassen. Soms neigt dit tot vijanddenken, maar in elk geval spelen angst en bedreigingen een grote rol. Ons volk wordt bedreigd door vreemde machten en de elite is een handlanger van die vijand. We worden door hen verkwanseld en als we hen geen halt toeroepen, raken we alles kwijt wat we hadden. Bij die angst horen grote woorden: massa-immigratie, afbraak van de samenleving, cultuurbarbarisme, klimaatverandering, enzovoorts. Er hoort ook bij dat specifieke groepen worden genoemd. Dus niet een wereldwijde economische crisis, maar luie Grieken.

Hoe werkt het?

De grote kracht van het populisme is dat het zelf het volk schept dat het zegt te representeren. De suggestie van populisten is natuurlijk dat ze zeggen wat de gewone man vindt, maar het werkt precies andersom. Het volk gelooft in het verhaal van de populisten. Sterker nog: het volk gelooft dat de populistische leider naar hen luistert. De strijd tegen de elite, de nieuwe polarisatie van links en rechts – met soms wederzijdse haat, het verzet tegen de Islam, het zijn allemaal voorbeelden van een effectieve en agressieve framing door populisten die daarna is overgenomen door ‘het volk’. Tien, vijftien jaar geleden hadden we nog problemen met Antillianen, Marokkanen of Turken, nu met moslims. Is er iets veranderd?  Ja, het populistische frame is veranderd. De werkelijkheid niet. Maar het frame is zo effectief dat het volk het overneemt en vervolgens boos is op partijen die de zogenaamde waarheid niet onder ogen willen zien. Populisme definieert een probleem, creëert een vijand en het verzet daartegen, en presenteert zichzelf als de enige die dat probleem serieus neemt.

Een tweede factor in het hedendaagse populisme is de rol van de media. De strijd wordt niet gewonnen in het parlement maar in de media. Ik heb het gevoel dat we dat vaak onvoldoende beseffen. In mijn naïviteit denk ik nog wel eens dat het debat in bijvoorbeeld de Eerste of Tweede Kamer gevoerd moet worden, maar voor de populist is dat debat een middel en geen doel. Het is een middel om het volk te bereiken en zo de eigen macht uit te breiden. Dat betekent dat het zorgvuldig bespelen van de media minstens zo belangrijk is als feitelijke politieke inhoud.

Een derde factor is het leiderschap. Het verzet tegen het stroperige democratisch systeem betekent soms dat populisten kiezen voor referenda en andere vormen van directe democratie, zoals bij Rita Verdonks wiki-benadering. Een steviger oplossing is echter de charismatische leider die de weg kan wijzen. Niet wachten tot het volk bedacht heeft wat het wil, maar de leider die spreekt namens het volk, of in elk geval mensen dat gevoel geeft. Die leider moet natuurlijk niet bij de elite horen. Hij is geroepen door het volk in nood en heeft daar geen persoonlijk belang bij.

Volgens mij krijgen we beter zicht op hoe populisme werkt, als we daarbij kijken naar de rol van charisma. Dat begrip duidt vanouds op bijzondere kwaliteiten die iemand volgens anderen heeft. In religies gaat het dan bijvoorbeeld om een speciale goddelijke gave. In elk geval worden aan die persoon krachten en inzichten toegeschreven die boven het normale uitgaan en de persoon tot leider maken. Het is echter typerend dat charismatisch leiders meer hebben dan een sterke en soms ondoorgrondelijke persoonlijkheid. Charisma is niet alleen een persoonlijkheidskenmerk, het is ook een strategie. Zo hebben charismatisch leiders in veel gevallen een bijzonder persoonlijk roepingsverhaal of bijzondere omstandigheden waarin ze moeten leven. Die omstandigheden zetten het verhaal immers kracht bij.

Belangrijker nog is dat ze sterk polariserend zijn. Ze scheppen door hun gedrag en woorden groepen voor- en tegenstanders. Aan de ene kant zijn er de aanhangers die zich volledig achter de leider scharen, aan de andere kant zijn er de tegenstanders die hem te vuur en te zwaard bestrijden. Beide, voor- en tegenstanders, dragen bij aan het charisma van de leider. Een charismatisch leider kan niet zonder tegenstanders en elke keer dat hij wordt aangevallen, groeit hij van die energie. Daarom zal hij ook elke aanval uitvergroten en bejammeren om zo de tegenstelling aan te scherpen.

En ten slotte geldt voor de charismatisch leider dat hij ongrijpbaar en onnavolgbaar moet zijn. Geen volstrekt logisch programma, geen volledig consistente boodschap. Met een samenhangende politieke filosofie wordt het leiderschap immers een kwestie van debat en argumentatie. De charismatisch leider versterkt zijn positie doordat iedereen op hem als persoon is gefixeerd. Hij zegt dingen die niet kloppen met wat hij eerder zei, doet dingen die niet horen, doorbreekt de gangbare rationaliteit, zet alles op zijn kop. Niet vanwege de inhoud, maar omdat hij precies daarmee laat zien dat hij de leider is.

Wat te doen?

Met deze analyse wordt duidelijk waarom onze gangbare benaderingen niet werken. Het bestrijden van populisten versterkt hen alleen maar. Het mee-polariseren is precies de energie die het populisme voedt. Negeren is overigens niet beter; een cordon sanitaire betekent alleen maar dat wij bij de oude politiek horen en mensen niet serieus nemen. Wat wel werkt, is minder duidelijk. Ik zoek het in elk geval – op basis van mijn analyse – in het serieus nemen van echte problemen, het sterker vertellen van ons eigen verhaal en in het bieden van hoop. Ik denk niet dat we daarmee een snelle en doeltreffende strategie hebben tegen het populisme, maar wel een routekaart voor hoe we zelf functioneren midden in een populistisch klimaat. Laat ik daar kort nog wat over zeggen.

Allereerst moeten we echte problemen serieus nemen. De Islam bijvoorbeeld is geen probleem en massa-immigratie evenmin. Maar jeugdwerkloosheid bij migranten, huiselijk geweld en discriminatie van vrouwen zijn dat wel. Wij zullen veel onbevangener kritisch moeten durven zijn als het gaat om de schaduwkanten en niet uit angst voor de populisten problemen negeren. Net zo moeten we uitkijken dat we ons niet blindstaren op een populistische angstboodschap over het klimaat, maar wel concrete problemen benoemen en concrete actiemogelijkheden laten zien. Hoe concreter en dichter bij de echte situatie van burgers, des te effectiever. En dat dan niet alleen in de lokale, provinciale, nationale of Europese vergaderzalen, maar ook op straat of waar dan ook in de samenleving mensen tegen die problemen aanlopen.

Daarbij moeten we veel sterker vasthouden aan ons eigen verhaal. Te veel energie gaat verloren met het bestrijden van anderen, waardoor we voortdurend op hun speelveld zitten. Wat we kunnen leren van populisten, is dat zij blijven bij hun eigen verhaal en dat met sterk gekozen frames blijven herhalen. Laten wij ons eigen verhaal uitdragen en daar mensen warm voor maken. Ik vat voor mijzelf dat kernverhaal samen met het woord compassie, een oud woord met grote mogelijkheden voor onze politiek stijl en inhoud. Compassie begint met het besef dat we verbonden zijn met alles en iedereen. Daarom maken we ons druk om de natuur, omdat wij daar deel van uitmaken. Daarom maken we ons druk om de hele mensheid. Compassie betekent dat we ons willen laten raken door de ander. Ook de ander ver weg en ook de klagende ander die hoopt dat populisten de problemen gaan oplossen. Compassie betekent dat we verantwoordelijkheid willen dragen voor elkaar en ruimte willen maken voor het anders-zijn van die ander. Dat verhaal van compassie wil ik steeds weer vertellen en zichtbaar maken in mijn politieke keuzes en in hoe ik met anderen omga. Bij het vertellen van ons verhaal zullen we ook effectiever de media moeten inzetten. Zeker, we willen juist in de parlementaire democratie zaken bereiken, maar we zullen meer dan voorheen het spel ook in de media moeten spelen en daarbij sterke persoonlijkheden inzetten.

Ten diepste denk ik dat we moeten inzetten op een politiek van de hoop. Terwijl populisten energie halen uit angst en woede, moeten wij energie halen uit de hoop. Ik merk dat mensen smachten naar hoopvolle en richtinggevende verhalen. Over hoe waardevol het leven in een plurale samenleving is. Over hoe prettig het is om te leven in harmonie met de natuur. Enzovoorts. Geen zurige verhalen over wat er allemaal niet goed gaat (dat benoemen we concreet en pakken we aan), maar hoopvolle verhalen over hoe het gaat worden. Mensen enthousiasmeren voor een gezamenlijke toekomst.

Nee, ik denk echt niet dat daarmee het populisme verdwijnt. Dat doet het op andere manieren ook niet. Ik denk wel dat we het verlangen dat bij veel mensen leeft, kunnen aanspreken en inzetten voor een politiek die de mooie toekomst dichterbij brengt. We komen alleen maar ergens als we echt onszelf zijn en dat creatief en inspirerend laten zien.

Inleiding voor discussie op de Provinciale Ledenvergadering GroenLinks Drenthe op 11.01.2011


Reacties op Wat moeten we met het populisme?

Door: Nico Lippe op 12 januari 2012, 00:32

Ruard for president!

Door: Moeten wij van elkaar houden? « Boekrecensies Minervaria op 12 januari 2012, 09:10

[...] Wat moeten we met het populisme? Vind ik leuk:LikeWees de eerste om post te waarderen. [...]

Door: De eeuwige terugkeer van het fascisme « Boekrecensies Minervaria op 12 januari 2012, 09:11

[...] Wat moeten we met het populisme? Vind ik leuk:LikeWees de eerste om post te waarderen. [...]

Door: Waarom is de burger boos? « Boekrecensies Minervaria op 12 januari 2012, 09:12

[...] Wat moeten we met het populisme? Vind ik leuk:LikeWees de eerste om post te waarderen. [...]

Door: De uitdaging van het populisme « Boekrecensies Minervaria op 12 januari 2012, 09:15

[...] Wat moeten we met het populisme? Vind ik leuk:LikeWees de eerste om post te waarderen. [...]

Door: Populisme « 't Verdiepje op 12 januari 2012, 09:23

[...] Wat moeten we met het populisme? Vind ik leuk:LikeWees de eerste om post te waarderen. [...]

zaterdag, 7 januari 2012

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Ab Harrewijn en Linker Wang als leerstof VWO…

In religie en politiek, linker wang, politiek.

In het leerboek Civitas (VWO-maatschappijleer) maken de leerlingen kennis met Ab Harrewijn, de Linker Wang en de Ab Harrewijnprijs die 13 mei weer uitgereikt gaat worden.

Al twintig jaar een boeiend platform voor progressieve en spirituele betrokkenheid bij linkse politiek. Volgens sommigen zelfs van invloed op bijbelvertalingen: oudere vertalingen spreken van ‘de andere wang’, nieuwe vertalingen (Groot Nieuws en NBV) van ‘de linker wang’.

Wie meer wil weten, een proefabonnement wil, of lid wil worden, gaat naar www.linkerwang.nl


woensdag, 28 december 2011

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Impressie Pink Christmas Kerstviering

In religie, homoseksualiteit, kerk.

Voor een impressie van de kerstviering (en het begin vanmijn toespraak):

Pink Christmas – Kerkdienst from Arno Ouwejan on Vimeo.

De hele viering is terug te luisteren; toespraak vanaf 36:30


zaterdag, 24 december 2011

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Horen mensen met een beperking er ook bij?

In integratie, politiek, onderwijs.

Precies 5 jaar geleden, december 2006, presenteerde de VN een verdrag voor de rechten van mensen met een beperking: lichamelijk, psychisch, verstandelijk. Dat is belangrijk, want het zorgt ervoor dat ze niet meer afhankelijk zijn van de goedwillende liefdadigheid. Met dit verdrag mogen ze rekenen op een zo veel als mogelijk gelijke behandeling. Als het gaat om onderwijs, wonen, zorg, werk, eindelijk worden de rechten van deze minderheidsgroep erkend.

Inmiddels hebben 151 landen het verdrag ondertekend. Dat is een hoopvolle basis om wereldwijd de positie van mensen met een beperking te verbeteren. Van die landen hebben er 103 het verdrag ook geratificeerd. Dat wil zeggen dat ze zichzelf verbonden aan de verplichtingen van het verdrag. De meeste andere zijn druk bezig met het voorbereiden van de voorbereidingen daartoe met de bedoeling daarna ook het verdrag te ratificeren.

En Nederland? Nee, Nederland heeft het verdrag niet geratificeerd. We doen zelfs bijna niets aan voorbereidingen. Er zijn aanpassingen nodig in wetten en regels, in zorg en onderwijs, in toegankelijkheid en financiële ondersteuning. Maar Nederland aarzelt. Natuurlijk zijn we wel voor dit verdrag – het is ondertekend – maar om het nu ook echt te gaan uitvoeren… Sterker nog: de financiële ondersteuning van mensen met een beperking wordt minder (denk aan de PGB’s). En al wil de regering kinderen met een beperking meer laten meedoen in het gewone onderwijs, het geld voor goede begeleiding is er niet en komt er niet. Als mensen met hun beperking een goede plaats in de samenleving veroveren – denk aan de topsporters van de Paralympics – dan is dat vaak ondanks onze regels en niet dankzij.

De belangrijkste reden? Het kost geld. Als we ons verplichten om mensen met een beperking echt de kans te geven mee te doen in de samenleving, dan kan men ons daar ook op aanspreken. Het verdrag houdt nog heel wat huiswerk in. Vrees voor de consequenties dus.

Nu is angst meestal een slechte raadgever en dat geldt nog meer als het gaat om principes. Immers: de vraag is niet of een verdrag ons ergens toe verplicht. De echte vraag is wat het goede is dat we moeten doen. Als we vinden dat mensen met een beperking maximaal moeten kunnen meedoen in de samenleving, dan moeten we ons daar voor inzetten, verdrag of niet.

Moreel en profetisch

De echte vraag is daarom: horen mensen met een beperking er echt bij of niet? Dat is niet alleen een economische of politieke vraag, het is een morele en zelfs een profetische vraag. Moreel omdat het gaat om insluiting en uitsluiting, om discriminatie en het recht op een menswaardig leven. Het gaat om de vraag of we mensen met een beperking zien als lastig en duur of als principieel gelijkwaardig.

Uiteindelijk is het ook een profetische vraag. De gelijkwaardige aanwezigheid van mensen met een beperking stelt ons namelijk voor de vraag wat eigenlijk normaal is. Is het normaal dat je kunt zien, horen en op twee benen kunt lopen? Normaler dan wanneer je via braille communiceert of je in een rolstoel verplaatst? Is Nederlands spreken normaler dan gebarentaal?

Wij leven in een cultuur die veel waarde hecht aan gaafheid. We sturen al onze kinderen naar de orthodontist, want scheve tanden moeten worden rechtgezet. Problemen moeten worden verholpen, beperkingen overwonnen. En dankzij de enorm gegroeide medische mogelijkheden kunnen we vandaag de dag veel verhelpen of compenseren.

Wat we daarmee echter kwijtraken, is het besef dat ons bestaan ook gewoon eindig en beperkt is. Dat sommige zaken niet overgaan, dat beperkingen blijven. Maar dat betekent dat beperkingen bij het leven horen. Eigenlijk is de normale situatie dat mensen een beperking hebben. Zeker, die is bij de een nadrukkelijker en storender aanwezig dan bij de ander, maar we zijn allemaal beperkt. En dus moeten we onze samenleving zo inrichten dat iedereen mee kan doen. Geen splitsing tussen ‘wij’ – normale mensen – en ‘zij’ met een beperking.

We hebben een nieuwe verbondenheid nodig van mensen met elk hun eigen beperking, geen liefdadigheid.

Column verschenen in Christelijk Weekblad, 23.12.2012


vrijdag, 23 december 2011

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Kerstboodschap

In religie, kerk, politiek.

Toespraak in de kerstviering Pink Christmas, 23.12.2012, Keizersgrachtkerk, Amsterdam

Je hoeft niet bang te zijn
Al gaat de storm tekeer
Leg maar gewoon je hand
In die van onze Heer

Je hoeft niet bang te zijn
Als oorlog komt of pijn
De Heer zal als een muur
Rondom je leven zijn

Ik heb het wel gezongen voor mijn kinderen. Als ze naar bed gingen. Als ze bang waren. Voor de nacht. Voor monsters onder het bed. Of misschien eigenlijk voor wat de komende dag zou gaan brengen. Want angst heeft alles te maken met machten waartegen je niet opgewassen bent.

Zoals Jamey Rodemeyer, een jongen van 14 die dit jaar geen kerst viert. In mei nam hij een ontroerend youtube filmpje op in de serie ‘it gets better’. Hij vertelde hoe hij op school gepest werd omdat hij anders was, homo was. En hij vertelde hoe Lady Gaga zijn grote voorbeeld, zijn grote troost was. In september maakte hij een eind aan zijn leven omdat hij er niet meer tegen kon.

Je hoeft niet bang te zijn, Maria. Meisje. Een kind nog, uitgehuwelijkt. In Nazaret, ergens in het achterland van Israël. Een bezet land, onderdrukt en uitgebuit door de Romeinen. Hun volkstelling heeft als enige doel om de mensen onder controle te houden. En in dat land een jong meisje.

Je hoeft niet bang te zijn. Makkelijk gezegd als blijkt dat je – ongehuwd en al – zwanger bent. Een schande. Een seksuele schande. Wat zullen de buren wel niet denken? En alle problemen? Ik weet van tienermoeders die daardoor verscheurd raken. Wat moet je met dat kind dat groeit in je buik, dat bij je hoort en tegelijk je leven op zijn kop zet en voor allerlei problemen gaat zorgen? Waar je je voor schaamt en misschien ook blij mee bent? Wat je dwingt om in een klap volwassen te worden… Sexual outcast.

Je hoeft niet bang te zijn, Maria, want wat er in jou groeit is een cadeautje van God zelf. Vreemd misschien, onbegrepen misschien, afgewezen door anderen misschien, veroordeeld door de kerk misschien (want er is altijd wel een Bijbeltekst te vinden), maar toch – als je het durft te zeggen – een cadeautje van God zelf.

Dinsdagavond vertelt Corné daarover in het programma ‘uit de kast’. Hij is 21 en komt uit de Oud Gereformeerde Gemeente. En hij is homo. Maar hoe vertel je dat je familie? Hoe vertel je over dat wat in je groeit, in je leeft? Hoe kom je over je angst heen?

Van psychologen leren we dat er drie negatieve gevoelens zijn: boos, bang en bedroefd. En in de bijbel kom je ze ook alle drie tegen, maar wel heel verschillend. Boosheid is het handelsmerk van de profeten die ten strijde trekken tegen het onrecht. Je ziet dat bij Jezus die de handelaars uit de tempel wegjaagt. Boosheid geeft energie, vitaliteit, verzet. En dan staat er wel dat je je niet door je boosheid moet laten meeslepen, maar je leest niet dat je niet boos mag zijn.

Verdriet is het geraakt worden door de pijn die het leven ook soms meebrengt. Door de dood bijvoorbeeld en de rouw. Verdriet brengt je heel dicht bij jezelf en soms ook bij anderen. Verdriet gaat vaak over de kern van je leven en daarom roept het ook de troost op. Treur samen met de mensen die treuren, zegt Jezus.

Maar angst is anders. Angst brengt geen energie, vitaliteit of troost. Angst verlamt, verstijft, blokkeert. Door angst verschansen mensen zich en durven ze zich niet meer open te stellen voor de ander, voor het leven.

En daarom klinkt die boodschap, voor Maria en voor de herders: Vrees niet. Je hoeft niet bang te zijn. Je hebt genade gevonden. Genade. Dat betekent: je mag er zijn. Het is goed zoals je bent. Je hoeft niet bang te zijn voor veroordeling, afwijzing, discriminatie, pesten, uitsluiting. Jij mag er zijn. Jij mag jij zijn. Onvoorwaardelijke aanvaarding. Je hoeft niet eerst normaal te worden, je te gedragen als iedereen, je bent geliefd zoals je bent. Genade, dat zijn vriendelijke ogen. Geen monsters onder je bed, geen pesters op school, maar vriendelijke ogen. God bevrijdt, Maria. Zo heet dat. Bevrijd van de angst en de schaamte, van alles wat je aan leeuwen en beren op je weg ziet komen. Vreest niet.

Angst is niet alleen een individuele emotie. Het is ook het kerngevoel van onze cultuur. De westerse samenlevingen voelen zich bedreigd door economische achteruitgang en de komst van vreemdelingen, zo zegt bijvoorbeeld Dominique Moïsi. Terwijl in Azië de hoop domineert en in de Arabische wereld de woede om de vernedering, is het westen vooral bang. En daarom keren we ons in onszelf en worden we minder verdraagzaam. Wat vreemd is, moeten we buitensluiten. Het hoofd onder de dekens.

Het antwoord op angst? Geloof, hoop en liefde. Geloof is vertrouwen, hoop is geloven dat het anders kan. En liefde is de kracht die onze angst doorbreekt. De vriendelijk ogen die ons aankijken en ons aanvaarden. Die ons innerlijke rust geven zodat we de wereld aankunnen. Vrees niet. Maar soms heb je wel een engel nodig om die boodschap echt te horen.


Reacties op Kerstboodschap

Door: Milenko Djordjevic op 24 december 2011, 01:08

Bedankt voor uw boodschap over angst die tegenwoordig over Europa (en ook in de Balkan) heerst.

wijnkoerier milenko

Door: J op 24 december 2011, 14:57

‘Je hoeft niet bang te zijn
Als oorlog komt of pijn
De Heer zal als een muur
Rondom je leven zijn’

Een mooie boodschap. Wat moet het heerlijk zijn om in deze Heer te kunnen geloven.
Als kind heb ik veel tot U gebeden, maar toch ben ik U verloren.
Ik hoop dat U het me vergeeft, maar ik voel u niet.
Wel de angst, want ik ben bang. Ik wil Uw muur, dus U bent en blijft welkom.

J.

Door: Dianne Tempelman op 24 december 2011, 18:38

Iets om te overdenken tijdens onze overdadige kerstdagen.

Door: Pink Christmas Viering druk bezocht | Roze Golf op 25 december 2011, 13:12

[...] Tijdens de viering werd het Kerst Evangelie voorgelezen door voorzitter Vera Bergkamp van het COC; hoofdredacteur Margriet van der Linden van Opzij) las een traditioneel Kersverhaal voor. Dolly Bellefleur zong verschillende Kerstliederen waaronder ‘Er is een roos ontloken’ en ‘The Rose’. GroenLinks Eerste Kamerlid Ruard Ganzevoort preekte over het thema ‘Vrees niet’. [...]

Door: bas van der bent op 25 december 2011, 13:35

Das een gezegende kerst #vreestniet

Door: C.M.BaisvdHeijden op 25 december 2011, 16:56

Heel mooi om zo de wereld tegemoet te treden,
laten wij hier in het westen vooral de “angst”vergeten in met elkaar
in het licht gaan staan ,wat onze angst zal verwijderen.
Goede groet Marja vd Heijden

Door: edevries op 28 december 2011, 11:51

ik hoop dat je weer gevonden mag voelen.

Door: J op 29 december 2011, 23:29

Dank,
maar hoe merk je dat ‘gevonden worden?’
De mooie zinnen in deze kerstboodschap spreken me aan zoals:

‘Je hoeft niet bang te zijn voor veroordeling, afwijzing, discriminatie, pesten, uitsluiting. Jij mag er zijn. Jij mag jij zijn. Onvoorwaardelijke aanvaarding. Je hoeft niet eerst normaal te worden, je te gedragen als iedereen, je bent geliefd zoals je bent.’

Ik wil gekend worden zoals ik ben, want ik voel me niet gekend. Ik ben geliefd, maar ik weet niet of ze me werkelijke lief kunnen hebben, want ze kennen me niet. Zoals het nu gaat is de weg doodlopend, dus er moet iets veranderen. Het gevoel gesteund te worden door een genadige God is meer wenselijk dan ooit. Ik zoek…

woensdag, 21 december 2011

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Mens, dier en religie

In religie en politiek, rituele slacht.

Verschenen in De Cascade 8(2), opinieblad van stichting Cosmicus

De afgelopen maanden is er veel discussie geweest over het wetsvoorstel dat een einde moet maken aan de onverdoofde rituele slacht. Uiteindelijk stemde de Tweede Kamer in met een bijna volledig verbod. Er kon alleen een uitzondering worden gemaakt als er onafhankelijk bewijs zou zijn dat onverdoofde rituele slacht geen extra dierenleed veroorzaakt. Op het moment dat ik dit schrijf, moet de Eerste Kamer nog beslissen over dit wetsvoorstel. Ik krijg dan ook als Eerste Kamerlid een grote verzameling mails, brieven, documenten, filmpjes en nog meer met de bedoeling mij de ene of de andere kant op te bewegen.

Het is een moeilijke afweging omdat het gaat over dierenwelzijn en godsdienstvrijheid. Daaronder ligt echter nog een andere vraag: hoe denken we over de verhouding tussen mens en dier? Die vraag speelt in religies een belangrijke rol, omdat het daarin gaat over wat nu het eigene is van mens-zijn. En dat eigene wordt duidelijk als we kijken naar het verschil tussen mens en dier en tussen mens en godheid. Daarom zijn er in veel religies ook allerlei regels en taboes die ervoor moeten zorgen dat de mens zich niet gaat gedragen als de dieren en zich ook niet inbeeldt dat hij goddelijk is.

Ideeën over die relatie tussen mens en dier gaan natuurlijk een heel bijzondere rol spelen als het gaat over het doden van dieren. Daarom gelden er in de Joodse godsdienst en de Islam heel precieze regels bij dat doden. In de kern van de zaak hebben die met respect voor het dier te maken. Als je dan toch een dier doodt, zorg er dan voor dat het zo snel en pijnloos mogelijk doodbloedt. Er zijn verschillen tussen de Joodse en Islamitische rituele slacht, maar deze basis van respect speelt bij allebei mee.

Het is daarom ook voor Joden en Moslims een pijnlijke ervaring dat er over hun rituele slachtmethoden gezegd wordt dat die barbaars en dieronvriendelijk zijn. Vanuit hun traditie stond juist zorg voor het dier centraal, en ook het besef dat het niet vanzelfsprekend is dat je een dier, een medeschepsel, van het leven berooft. Ze waren ervan overtuigd dat ze zorgvuldig met dieren omgaan door hen volgens hun religieuze regels te doden. En dan opeens zo’n verwijt…

Het verwijt doet des te meer pijn omdat de gewone industriële manier waarop we in Nederland met dieren omgaan ver afstaat van datzelfde respect. Jaarlijks worden er 500 miljoen dieren gekweekt en geslacht. Opgesloten, verminkt, van hot naar her gesleept en gedood. Hier zijn dieren niet in de eerste plaats levende wezens, medeschepselen, maar producten in een economisch proces. Natuurlijk zijn er volop boeren met hart voor hun dieren, maar we zijn toch ver verwijderd geraakt van de klassieke boerderij waar mens en dier samen leefden.

Drie visies

Eigenlijk zijn er vandaag de dag drie fundamenteel verschillende visies op de relatie tussen mens en dier. De eerste, die we bij sommige dierenactivisten vinden, ziet mens en dier als gelijkwaardig. Eigenlijk zijn mensen natuurlijk ook dieren, en met elkaar maken we deel uit van het totale ecosysteem. Er is eigenlijk geen reden waarom de mens zomaar over het leven van dieren zou mogen beschikken. Vaak leidt dit tot een keuze voor vegetarisch leven, of zelfs veganistisch: geen enkel dierlijk materiaal wordt gebruikt, ook geen wol of melk. Het is een nobele visie, maar natuurlijk zitten er grenzen aan. Er is nu eenmaal ook verschil tussen mensen, apen, koeien, ratten, kikkers, wespen, enzovoorts. Bijna niemand beweert dat alle dieren op dezelfde manier ons respect en bescherming verdienen en dus niet gedood mogen worden. De vraag is alleen waar we de grens trekken.

De tweede visie is er een van industriële omgang met dieren. Hier zijn dieren vooral productiemiddelen die zo efficiënt mogelijk moeten worden ingezet voor de productie van vlees, melk, eieren. Zorg voor de dieren is hier vooral ingegeven door de wens te voorkomen dat dieren ziek worden en dus meer gaan kosten. Veel consumenten gaan eigenlijk ook zo met dieren om. Ze houden enorm van hun huisdieren, die soms bijna als kinderen voor hen zijn. Maar het lapje vlees moet vooral onherkenbaar zijn, een industrieel product waaraan je niet meer kunt zien dat het een levend wezen was. Het dier is een ding.

Tussen die twee uitersten – het dier als gelijkwaardig aan de mens en het dier als ding – staat de derde visie die vindt dat de mens verantwoordelijk is voor deze wereld en dus ook voor de dieren. Bij deze visie, die we ook in veel religies herkennen, mag de mens op zich beschikken over dieren, maar moet de mens er ook voor zorgen dat dieren een goed leven hebben. Het doden van een dier moet dan ook met respect gebeuren en zoveel mogelijk leed vermijden. Maar ook hier zitten grenzen aan, want de manier waarop dieren elkaar doden, is vaak minstens zo gruwelijk, en dan laten we de natuur zijn gang gaan.

Kan het beter?

Waarschijnlijk zullen de meeste mensen het wel ongeveer met de derde visie eens zijn. We vullen het steeds net een beetje anders in, maar er lijkt consensus dat dieren geen mensen en geen dingen zijn en dat respect de basis voor de omgang moet zijn. Als dat zo is, dan is er dus ook alle reden om kritisch te zijn op alle situaties waar dat respect in het geding is. Bijvoorbeeld in de industriële veehouderij met haar megastallen en massale slacht. Maar ook in de rituele slachtpraktijk is heel veel te verbeteren. Vele eeuwen geleden koos men voor een bepaalde manier van slachten omdat dat de meest zorgvuldige en diervriendelijke manier was. Maar dat was wel ‘met de kennis van toen’. Het kan geen kwaad om vandaag de dag opnieuw na te denken over de vraag hoe we zorgvuldig met dieren omgaan als we ze doden.

Wat dat betreft, hoop ik dan ook dat de discussie over het verbieden van de onverdoofde rituele slacht Moslims en Joden aan het denken zet. Bij de huidige discussie komt de nodige polarisatie mee. Het lijkt me ook moeilijk die te vermijden, want de gevoelens gaan diep en de gevolgen zijn groot. Bij voor- en tegenstanders van het wetsvoorstel gaan de hakken dan ook in het zand en dat leidt tot soms onaangename discussies. Maar als de rook is opgetrokken en een definitief besluit is genomen (welk besluit ook), staan de samenleving als geheel en de religieuze gemeenschappen in het bijzonder voor de vraag welke stappen we kunnen zetten om dierenwelzijn te bevorderen. Want kennelijk is dat het doel van de dierenbeschermers zowel als van degenen die de rituele slacht verdedigen.

Als het stof is neergedaald, kunnen de dierenbeschermers hun aandacht richten op de omgang met productiedieren en hopelijk krijgen ze daar dan ook kamermeerderheden voor (al moet ik zeggen dat ik niet heel erg hoopvol ben op dit punt). En als het stof is neergedaald, kunnen Joden en Moslims stappen gaan zetten om hun rituele slachtpraktijk te verbeteren. De teelt en aanvoer van dieren, de bejegening, de zorgvuldigheid bij het slachten, er zijn zeker punten van verbetering te vinden. En ook kan de discussie gevoerd worden of er vormen van verdoving zijn die aansluiten bij de intenties van de geloofsregels. Ook religieuze tradities blijven namelijk altijd in beweging. Het kan ook van religieuze wijsheid getuigen om oude tradities nog eens kritisch te bekijken.

De kunst zal zijn om niet te blijven steken in de polarisatie en makkelijke vijandbeelden, maar constructief te kijken hoe we dierenwelzijn kunnen verbeteren in zowel de industriële als de rituele slacht. Want over die intentie zijn we het kennelijk eens. Als dierenwelzijn doel is van dierenbeschermers en religieuze gemeenschappen, dan moet er een constructief gesprek mogelijk zijn.


Reacties op Mens, dier en religie

Door: Joost op 21 december 2011, 12:48

Ik vraag mij altijd af wat Mohammed of Abraham gedaan hadden als ze de slachtmethoden van nu hadden? Denkt men niet dat ze dan zoiets als een stroommasker hadden toegepast? Ik gok van wel. Zouden zij nu niet denken dat, in vergelijking met de huidige slachtmethoden, een mes misschien wel een beetje ouderwets is? Of wordt dit idee weggewuifd om onduidelijke redenen en houden we, zonder nadenken vast aan iets dat in een 2000 jaar oud boek staat? Want traditie. En daar mag je als heidene al helemaal niets iets over zeggen! Ik mag zeker het Palingtrekken, Katmeppen of Gansjetrek niet organiseren omdat het niets te maken heeft met religie maar wel evenzo barbaars is. Religie is dus de bepalende factor.. Ben ik nou simpel of is dit tamelijk idioot..?
Overigens, godsdienstvrijheid aan banden leggen gebeurd al duizenden jaren dus laten we nu niet ineens doen alsof dat niet kan of nieuw is. Bloedwraak staat ook in de Koran maar het wordt nu niet gepast gevonden om een vrouw die verliefd wordt op een andere man de keel door te snijden of te laten stenigen. En Boerka’s zijn verboden omdat het vrouw-onterend is… Maar zullen we deze inperkingen van de Godsdienstvrijheid maar weer terugdraaien? Laten we in dat geval direct doorpakken en vrouwen maar weer gaan besnijden, het inenten tegen polio verbieden en luid applaudiseren als Jehova’s Getuigen bloed weigeren aan hun kinderen. Want godsdienst inperken dát kan écht niet.. Zeker niet als dieren het lijdend voorwerp zijn… die zijn er toch om ons te dienen? En…het zijn toch maar dieren…Aardig is ook dat de tegenstanders graag met het vingertje mogen wijzen op de (evenzo walgelijke) bio-industrie (“ja, maar zij doen het ook”). Waarmee men zich lijkt vrij te willen waren van enige zelfkritiek en gewoon doorgaat waarmee men bezig was. Religie als excuus voor een carte-blanche voor dierenleed in slachthuizen. We mogen nu dus naar hartelust een kalf zijn keel doorsnijden en een minuut een verschrikkelijke en pijnlijke doodstrijd laten voeren. We willen natuurlijk niet dat de Joden en Moslims beperkt worden in hun vrijheid. Dat is veel belangrijker dan een martelingetje van zo’n onnozel schaapje, geitje of koetje… Er zullen altijd religieuze groeperingen zijn die elke vorm van inperking zullen bestrijden en zolang het slechts gaat om diertjes is dat front enorm.
Maar ik zie het natuurlijk verkeerd.. het ligt aan mij..

Door: John Jorna op 21 december 2011, 16:23

Beste Ruard,
Een mooi staaltje van harmonie denken. Wat de reactie van Joost betreft, die laat duidelijk zien, dat de moderne seculier denkende medeburger grote moeite heeft zich in te leven in het denken en voelen van religieus levende medemensen, zoals ik pas in een column op mijn weblog beweerde.

Door: antonie op 22 december 2011, 06:04

Ben dit helemaal met jou eens en ja nogal triest dat meer mensen dit niet in willen zien..een kwestie van opvoeding of gewoon onze ogen en harten openen en niet alleen aan ons zelf denken.

maandag, 19 december 2011

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Bij de veteranenwet: ‘oorlog is niet normaal’

In eerste kamer, strijd, gevaar, technologie, geweld, terrorisme, inzet, kinderen, mensen, en meer.

Inbreng in het debat in de Eerste Kamer over de Veteranenwet, 19.12.2012

Oorlog is niet normaal. Vechten is niet normaal. Dat is niet alleen de les die de meeste opvoeders hun kinderen meegeven, het is ook deel van de pacifistische wortels van mijn partij. Conflicten los je op met woorden, niet met wapens. Daarbij sluiten we onze ogen niet voor de werkelijkheid dat militair ingrijpen soms onvermijdelijk is ter verdediging van het Koninkrijk of van de internationale rechtsorde. Maar het grondbesef blijft dat gevechtshandelingen nooit de ideale methode zijn, hooguit het laatste redmiddel.

Oorlog is niet normaal. En juist daarom heeft de overheid een bijzondere zorgplicht voor mensen die zij in die niet-normale omstandigheden brengt. Wij zijn als samenleving verantwoordelijk voor de risico’s en gevolgen van deze inzet. Die risico’s kunnen groot zijn, zoals we weten uit onderzoek rond bijvoorbeeld PTSS en zoals ik zelf merk bij de trainingen over trauma die ik geef aan de geestelijk verzorgers in de krijgsmacht.

Daarom is mijn fractie de indieners van de Veteranenwet dankbaar voor hun initiatief. Het is in onze ogen een sterk intentionele wet: voordat concrete kaders en maatregelen worden aangewezen, maakt de wet eerst de intentie glashelder: Onze Minister voert een beleid dat is gericht op het bevorderen van erkenning en waardering. Onze minister heeft een zorgplicht voor militairen die worden ingezet en hun relaties. Die beide dimensies zijn van belang, erkenning en zorg. En het is ook van groot belang dat dat niet zuinig maar ruiterlijk is geformuleerd, tot en met een inkomensvangnet en een veteranenombudsman.

Het intentionele karakter van de wet heeft natuurlijk gevolgen voor de begrenzing en definitie, en ik wil graag op dat punt een enkele vraag stellen. Het criterium om onder de reikwijdte van deze wet te vallen, is dat men militiar of gelijkgesteld moet zijn en gediend heeft onder oorlogsomstandigheden dan wel heeft deelgenomen aan een missie ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Dat lijkt duidelijk, maar toch.

In de hedendaagse wereld heeft oorlog soms hele andere gestalten dan vroeger en daarbij zijn termen als ‘oorlogsomstandigheden’ en ‘missie’ niet altijd toereikend. Zo valt bijvoorbeeld de strijd tegen terrorisme niet per definitie onder deze termen, maar het is wel degelijk een vorm van gewapende strijd. Moeten we dan niet ook spreken over veteranen? De nota naar aanleiding van het verslag noemt als reden voor hun bijzondere positie “dat alleen voor militairen het lopen van risico’s het hoofdkenmerk van het beroep is, dat zij door tegenstanders actief naar het leven worden gestaan en zij actief geweld moeten gebruiken om deze tegenstanders te doden of buiten gevecht te stellen.” Geldt dat niet in potentie ook sterk bij de strijd tegen terrorisme, waaronder terugkijkend bijvoorbeeld ook de militairen die ingezet werden bij de treinkaping in 1977? En wat betekent dat voor de samenwerking tussen defensie en politie bij de DSI en UIM? Hoe wordt hier omgegaan met de vraag wie wel en wie niet een beroep mag doen op de erkenning en zorg?

Eenzelfde vraag speelt bij de gewijzigde methoden van oorlogsvoering die ontstaan door nieuwe technologie. Gaat een drone-piloot op missie als hij of zij op afstand, bijvoorbeeld vanuit een commando-locatie in Nederland ergens ter wereld gronddoelen aanvalt en ’s avonds weer bij zijn gezin aan tafel aanschuift? Zijn dat oorlogsomstandigheden? Enerzijds is er geen sprake van persoonlijke geweldsrisico’s, anderzijds blijkt ook hier bijvoorbeeld PTSS wel degelijk op te kunnen treden.

Voorzitter, met deze vragen stelt mijn fractie niet de wet of de gebruikte definities ter discussie. Wel vraagt zij hoe de indieners en de regering denken over de gevolgen van veranderende manieren van oorlogsvoering en over een ruimhartige omgang met deze definities als de omstandigheden wijzigen, zodat er niet opnieuw mensen tussen wal en schip vallen.

Want oorlog is niet normaal. Het mag dat in ons denken ook niet worden en we zijn als samenleving erkenning en zorg schuldig aan wie zich voor ons in gevaar begeven.


vrijdag, 16 december 2011

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Na de commissie Deetman…

In religie, seksueel misbruik, december, eerste, geweld, hulp, hulpverlening, kant, kerk, en meer.

Nu de commissie Deetman haar rapport heeft uitgebracht – 1400 bladzijden die ik nog niet gelezen heb – is het goed om enkele kritische vragen op een rijtje te zetten. Over de commissie zelf, over de uitkomsten van het onderzoek en over de reactie van de kerkelijk verantwoordelijken.

Zo’n anderhalf jaar geleden kwamen de berichten over grootschalig seksueel misbruik op rooms-katholieke internaten naar buiten. Heel verrassend was dat niet, want het was uit andere landen al bekend. In navolging van die andere landen en onder druk van de publieke opinie besloot de kerk een commissie in te stellen onder leiding van Wim Deetman die dat tot op de bodem zou uitzoeken.

De commissie

Ik schreef daar op 17 maart 2010 over dat het echte probleem niet in het celibaat ligt, maar dieper verankerd is in het systeem van de kerk: “Centraal in de misbruikaffaire is het hele systeem waarin toezicht en openheid ontbraken, waarin misbruikincidenten werden toegedekt of verzwegen en waarin daders eenvoudigweg werden overgeplaatst.”

Toen Deetman zijn onderzoeksopzet presenteerde, vroeg ik op 8 mei 2010 aandacht voor “inzicht in de verschillende typen daders en hoe die zich verhouden tot het systeem.” Ik was en ben blij met de breedte en de grondigheid van het onderzoek. Ik ben ook opnieuw bevestigd dat Deetman vaak een goede pastorale toon weet te treffen. Mijn vragen over de deskundigheid van de commissie zijn niet helemaal beantwoord, maar de presentatie van het rapport geeft wel vertrouwen in de kwaliteit.

Bij het eerste deelrapport (over de hulp aan slachtoffers) was ik teleurgesteld. Op 11 december 2010 schreef ik dan ook dat Deetman alles zo bestuurlijk had aangepakt dat de behoeften van slachtoffers buiten beeld raakten. Dat leek me kwalijk voor het vertrouwen in de commissie en daarom ook in de kerk. Met zijn eindrapport blijkt Deetman veel vertrouwen te hebben herwonnen, zeker ook omdat hij de kerk al een tijdje zeer kritisch oproept echt gehoor te geven aan de slachtoffers.

Anders dan sommige anderen heb ik nooit zo getwijfeld aan de onafhankelijkheid van de commissie. Ik vind het zelfs van belang dat de kerk zijn verantwoordelijkheid nam en opdracht gaf tot dit onderzoek. Die onafhankelijkheid lijkt nu ook buiten kijf, zeg ik met natuurlijk de nodige slagen om de arm.

De uitkomsten

Wat heeft de commissie Deetman opgeleverd aan nieuwe inzichten? Het meest in het oog springen de aantallen. Enige tienduizenden gevallen van misbruik, waarvan enkele duizenden ernstig. Rond de 10 % van alle Nederlanders boven de 40 is in de jeugd op ongewenste wijze seksueel benaderd buiten het gezin. Onder rooms-katholieken ligt dat percentage iets hoger, maar dat heeft vermoedelijk vooral andere dan kerkelijke redenen. Wel is er een groot verschil tussen kinderen in instellingen en daarbuiten: op instellingen liepen kinderen een twee keer zo hoog risico. Daarbij was er geen verschil tussen rooms-katholieke en andere instellingen. Uit de feitelijke meldingen zijn 800 plegers te identificeren, waarvan er nog ruim 100 in leven zijn. Overigens is het aandeel van geestelijken onder de plegers niet hoog te noemen. Daarnaast weten we dat nog steeds jaarlijks 100.000 kinderen slachtoffers worden van seksueel, lichamelijk en psychisch geweld.

Het zijn schokkende aantallen, maar ze wijken niet wezenlijk af van wat we al wisten over seksueel misbruik. Dat komt – erg genoeg – veel vaker voor dan we willen weten of kunnen verdragen. En dat het in autoritaire situaties als internaten nog vaker voorkomt, verbaast ook niet in het licht van internationaal onderzoek. Het mag ook niet de aandacht afleiden van de hoge aantallen slachtoffers van seksueel en lichamelijk geweld binnen gezinnen. Dat is het meest schokkende: dat het zo wijdverbreid is.

Kerkelijke reacties

Het meest onthullend en onthutsend lijkt het rapport waar het zichtbaar maakt hoe bisschoppen en andere kerkleiders reageerden op signalen van seksueel misbruik. Tot heel kort geleden suggereerden ze naar buiten toe dat ze er eigenlijk weinig of niets van wisten. “Wir haben es nicht gewusst.” Deetman laat zien dat men het wel degelijk kon weten en ook wist. Misschien dacht men dat het om geïsoleerde gevallen ging, of dat het met straf en overplaatsing over zou gaan. Feit is dat men al in de jaren vijftig ruimschoots signalen had en dat er ook in die tijd al misbruikschandalen naar buiten kwamen.

Kenmerkend voor de eerste decennia is het zinnetje in de samenvatting van het rapport: “Bij de ontwikkeling van een bestuurlijke aanpak was in die tijd de individuele pleger het uitgangspunt. Er was geen structurele benadering van de problematiek.” Het was echter ook een structureel probleem, wat blijkt uit het feit dat een aantal plegers ook zelf in hun jeugd slachtoffer was: “Er zijn aanwijzingen dat seksueel grensoverschrijdend gedrag jegens de eigen kweek wellicht tot de interne kloostercultuur heeft behoord. Wanneer de verantwoordelijke superieuren (waarschijnlijk of zeker) op de hoogte waren van misbruikgevallen, was overplaatsing (eventueel naar het buitenland) één van de meest toegepaste maatregelen. Boete doen, overplaatsing en eventuele behandeling was aantrekkelijker dan uitzetting uit de orde om verlies van leden of een schandaal te voorkomen.”

Sinds de jaren tachtig is de aandacht voor seksueel misbruik sterk toegenomen. Dat geldt ook in de kerk, maar de bisschoppenconferentie heeft niets gedaan met stukken die ook toen al op tafel kwamen en aandacht vroegen voor misbruik van minderjarigen. Men volgde zelfs de regel van het Vaticaan niet dat pedoseksuele plegers uit hun ambt moesten worden gezet. Voor een deel vinden we dit negeren en miskennen ook buiten de kerk, maar de kerkelijke verantwoordelijken hebben heel erg lang de andere kant opgekeken en zich meer zorgen gemaakt om de reputatie van de kerk dan om het welzijn van slachtoffers.

Ik was met dit alles in gedachten erg benieuwd naar de kerkelijke persconferentie. De vertegenwoordigers van de bisschoppen en van de ordes en congregaties reageerden op het rapport. Aanvullend stuurden de laatsten nog een open brief aan de slachtoffers en ook kardinaal Simonis gaf een officiële reactie. Komende zondag zal een brief van de bisschoppen worden voorgelezen in de kerken. Duidelijk klinken woorden van spijt en schaamte, primair over de plegers van het misbruik, maar ook over de verantwoordelijken die tekortschoten. Ook is er bereidheid om hulp te bieden en schadevergoeding, maar vooral ook erkenning voor het aangedane kwaad.

Is het genoeg?

Dat is allemaal van belang, maar het is voorlopig niet genoeg om het vertrouwen te herstellen. Nog steeds ontbreekt de fundamentele zelfkritiek van de kerk. Daar geeft het rapport Deetman overigens wel genoeg bouwstenen voor.

Seksueel misbruik vraagt niet alleen om een potentiële pleger en een potentieel slachtoffer, maar ook om omstandigheden. Om een setting, een systeem dat het risico verhoogde. De visie op ambt en kerk gaf een machtspositie aan de plegers en maakte het problematisch om klachten goed op tafel te krijgen. En de visie op seksualiteit is op zijn best ambivalent te noemen. Van een deel van de plegers moeten we zelfs zeggen dat ze door de kerk gekweekt zijn.

Het is dan ook niet bevredigend om alleen spijt te betuigen en te spreken over de schuld van individuen. Dat is lang genoeg gedaan. Om schoon schip te maken, is een veel zelfkritischer houding nodig. Niet meer de morele gelijkhebberij die de kerk vaak kenmerkt, maar kritisch kijken naar de eigen visie en de mogelijke schadelijke gevolgen daarvan.

Ik zie dat nog niet gebeuren. Ja, de hulpverlening is verbeterd en er worden schadevergoedingen uitgekeerd. De klachtenprocedures en opleiding van priesters verbeteren ook. Maar echte zelfkritiek is helaas nog ver te zoeken. Het blijft dus de vraag hoe veel de rooms-katholieke kerk van het rapport Deetman leert.


Reacties op Na de commissie Deetman…

Door: Redactie op 16 december 2011, 19:35

Goed artikel Ruard en complimenten voor je bijdrage vanmorgen op tv! Fijn weekend. Greco Idema.

Door: Arjan Oosterwijk (@arjanoosterwijk) op 16 december 2011, 19:44

Een mooi overzicht en een goede analyse. Twee vragen: ‘Overigens is het aandeel van geestelijken onder plegers niet veel te noemen.’ Zijn daar cijfers van? Het beeld is toch vooral dat geestelijken zich vergrepen hebben. Tweede vraag: Wat zou je concreet een gepaste reactie vinden van de kerk(en)?

Door: ruardganzevoort op 16 december 2011, 19:51

In de samenvatting van het rapport-Deetman staat: “De onderzoeksvraag was gericht op plegers werkzaam binnen de Rooms-Katholieke Kerk. Van de Nederlanders van veertig jaar en ouder heeft één op de honderd (0,9 procent) tot één op de driehonderd (0,3 procent) ervaring met ongewenste seksuele benadering voor het achttiende jaar door een pleger die werkzaam was binnen de Rooms-Katholieke Kerk.” Dat betreft dan alle Nederlanders. Ongeveer 10 % van hen heeft misbruik buiten het gezin ervaren.

Wat de kerk zou moeten doen? Stimuleren van autonomie en weerbaarheid bij kinderen en kwetsbare volwassenen. Ter discussie stellen van klassieke machtsverhoudingen en visie op geestelijkheid. Maar dat zal allemaal niet gebeuren, vrees ik.

Door: Marijke Genuit op 16 december 2011, 20:01

Goede, evenwichtige, doordachte en bedachtzame reactie. Wat zou het mooi zijn als dit de norm zou zijn in de media….

Door: Arjan Oosterwijk (@arjanoosterwijk) op 16 december 2011, 20:01

Bedankt voor je reactie. Mij verrast het eigenlijk dat het een relatief klein percentage is wat door een kerkelijke pleger begaan is.

Je noemt boeiende actiepunten. Als protestant (PKN) vraag ik me af of de protestantse kerk al meer de theologie ‘in huis heeft’ om autonomie te stimuleren en afkeer te hebben van klassieke machtsverhoudingen, en een lagere visie op geestelijkheid. Vraag je eigenlijk niet een tweede reformatie van de RK, met nadruk op de structuur?

Door: Thanh Ta op 16 december 2011, 23:24

Beste Ruard,
Ik vroeg me af wat voor cijfers andere buitenlandse kerkprovincies laten zien…..
Complimenten voor je tv optreden en het artikel. Hgr. Thanh

Door: René van Doremalen op 17 december 2011, 14:17

Een afgewogen reactie! Wat zou het verademing zijn als de rk-kerk (de kerk waar ik lid van ben) in staat zou zijn de systeemkanten van het probleem van de zwijgcultuur zou kunnen blootleggen. Het onderlinge wantrouwen heeft binnen de Catholica structurele vormen aangenomen, waardoor misstanden onbespreekbaar blijken. Het is mijn overtuiging, dat mijn kerk de noodzakelijke veranderingen niet van binnenuit kan bewerkstelligen. De benoeming van de commissie Deetman wijst op een begin van het besef daarvan bij de hiërarchie. Hier mag het echter niet stoppen. En daarvoor hebben we de (opbouwende) kritiek van niet-(rooms)katholieken nodig, zodat deze geïnternaliseerd kan worden. Daartoe echter, is ook openheid binnen de hiërarchie van de rkk (en van alle katholieken) vereist en is het sluiten van de gelederen na het verschijnen van het rapport Deetman fnuikend.

Door: Kolkman, W op 19 december 2011, 08:06

Goed en evenwichtig artikel.

Wat denk ik ook een essentiele factor van de ‘enabling’ situatie, cultuur en mindset is geweest, is dat men het belang van de kerk als instituut boven het belang van de missie van de kerk (het navolgen van Christus) geplaatst heeft.
Juist in de kerk, had men op basis van het evangelie tegen dit misbruik op moeten treden En had men in moeten zien dat een faith-based organisatie juist aboluut niet kan buiten ‘walk-the-talk’.

Het feit dat dat niet gebeurd is, heeft niet alleen de kerk, maar ook het aanzien van het chr geloof in het algemeen beschadigd.

Zeer zeker moet men meer aandacht en empathie opbrengen voor de slachtoffers, maar men moet m.i. ook het navolgen van Christus eerste prioirteit gaan geven, allen dan kan en verdient de RK kerk het als organistie duurzaam en respectvol te blijven bestaan.

Door: Sigrid op 23 december 2011, 13:55

Hoi Ruard,
Ben altijd blij als jij erbij bent op televisie – voor genuanceerde antwoorden en uitleg!
‘Sigrid’ ;-)

Reacties op Kort commentaar op rapport Deetman

Door: Nico Lippe op 16 december 2011, 18:58

Dat is wel heel kort. Maar ik zal eens op de link klikken. ;-)

Door: Nico Lippe op 16 december 2011, 19:08

Uiteraard zijn de aantallen schrikbarend hoog. Maar na wat we al gehoord hadden is dat voor mij niet het grootste nieuws. Ik schrik er nog meer van dat voor kinderen die niet in een (katholiek) internaat wonen (wat niet per definitie betekent dat ze bij hun ouders wonen) de kans slechts de helft kleiner is om misbruikt te worden. De situatie thuis is dus kennelijk lang niet zo veilig als we zouden denken, en vooral zouden willen.

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Occupy: geen blauwdruk maar een spiegel

In politiek, linker wang, samenleving, 1%, amsterdam, anders breivik, banken, beslissingen, bijbel, en meer.

Column De Linker Wang december 2011

Hoe zal 2011 in de geschiedenisboekjes komen te staan? Waarschijnlijk komt er ruim aandacht voor de Arabische lente en evenzeer voor de eurocrisis. Misschien nog het bereiken van de mijlpaal van zeven miljard wereldbewoners. De tsunami en kernramp van Fukushima en de massamoord door de extreem-rechtse Anders Breivik zullen – bizar genoeg – op termijn voetnoten van de geschiedenis zijn.

En Occupy? De beweging die de wereld wilde veranderen, begon op 17 september als demonstratie voor het beursgebouw van Wall Street en breidde zich uit naar tientallen Amerikaanse en Europese steden. In Nederland vooral op het beursplein in Amsterdam, maar er waren ook initiatieven in vijftien andere steden.  Het is een beweging van ongenoegen. Ontevreden met de macht van banken en beurzen en de onmacht van de parlementaire democratie om tot echter oplossingen te komen. “We are the 99%”, zeggen ze, verwijzend naar de 1% die alle macht en alle geld bezit.

Occupy ademde hoop. Revolutionaire hoop. Radicaal de wereld veranderende hoop. Niet meer de oude macht van het kapitaal of de moedeloos draaiende raderen van de bureaucratie of de politiek. Alles zou anders worden. Iedereen mocht meedoen. Beslissingen werden niet langer top down genomen, maar in de general assembly waar iedereen mag meepraten en het aankomt op consensus. Toespraken werden niet elektronisch versterkt maar mond op mond doorgegeven totdat iedereen het hoorde.

Natuurlijk, ook Occupy kan nog geschiedenis schrijven, maar nu ik deze woorden schrijf, lijkt de glans er vanaf. De vreedzame demonstraties zijn op verschillende plaatsen uit de hand gelopen of doodgebloed. De hoge idealen blijken soms een dun vernisje over opportunisme, gemakzucht en luiheid. Dat is makkelijk prijsschieten voor cynici die nauwelijks geloven in een Arabische lente, laat staan een lente in het verziekte neoliberale Amerikaans-Europese systeem.

Gedeelde inspiratie

Dat is triest, want de droom van Occupy zou ons diep kunnen aanspreken. Het is de droom van het begin van de kerk, zoals we in de bijbel lezen: in de eerste gemeente hadden ze alles gemeenschappelijk en leefden ze in harmonie en gedeelde inspiratie. Het is ook de droom van het staatssocialisme geweest: ieder doet wat hij of zij kan en ontvangt wat zij of hij nodig heeft. Maar ook die dromen zijn in duigen gevallen: de oorspronkelijke christelijke gemeenschap is een instituut geworden waarin macht en regels vaak belangrijker zijn dan geestdrift en menselijkheid; het staatssocialisme kon ontaarden in een van de meest onderdrukkende en onmenselijke systemen.

Wat is dat toch, dat hoge idealen zo kunnen tegenvallen? Ik laat de cynische antwoorden even rusten net als de al te vrome – die op hun beurt vaak net zo cynisch zijn over het leven hier en nu. Waarom mislukt het steeds?

Een deel van het antwoord vinden we bij de antropoloog Victor Turner. Hij beschrijft hoe er in rituelen en andere overgangssituaties een gemeenschapsgevoel kan ontstaan dat tegen alle bestaande structuren en verhoudingen ingaat. Hoog en laag bestaan niet meer, binnen en buiten evenmin. Plotseling is er een nieuw soort gemeenschap die buiten het gewone staat en daarom inspireert, verwart, ter discussie stelt en nieuwe wegen wijst. Deze radicale gemeenschap past niet bij de gewone structuur, maar is een soort anti-structuur, anders dan alles wat we kennen.

Maar ook die nieuwe gemeenschap moet na kortere of langere tijd weer een eigen structuur krijgen en verzandt dan bijna per definitie in dat wat ze wil vermijden. Of ze valt uit elkaar. De anti-structuur is nooit van blijvende aard. Het is een kritiek op de bestaande structuren, maar kan zelf alleen maar bestaan als reactie, niet als volwaardig alternatief. De kerk begon als anti-structuur, maar werd na verloop van tijd zelf deel van de elite. Het socialisme begon als anti-structuur en werd een machtssysteem. Occupy was een anti-structuur en lijkt uiteen te vallen in anarchie.

Verandering

Is het daarmee een dode mus? Een mooi idee dat weer tegenvalt? Een vluchtig teken van hoop waarna we terugvallen in de teleurstelling en het cynisme? Wat mij betreft niet. Er zit een wezenlijke drang tot verandering in de hele beweging en dat is tegelijk een aanklacht tegen het systeem dat nu de wereld bepaalt. Een aanklacht tegen banken, beurzen en regeringen die steeds maar denken dat ze de wereld kunnen redden door in hetzelfde spoor verder te gaan.

Die aanklacht geeft hoop en roept op om in elk geval kleine stappen in de goede richting te zetten. Dat wil niet zeggen dat het alternatief ook direct helder is. Occupy is een spiegel voor een vastlopende wereld, geen blauwdruk voor hoe het wel zou moeten. Wat dat betreft, ligt het dicht bij de boodschap van Jezus. Of bij de dromen van vernieuwingsbewegingen in allerlei tradities. Radicaal. Niet autoritair. Anti-structuur. Boodschappen die alles ter discussie stellen. Maar kijk uit als je die boodschappen zelf weer tot structuur maakt. Voor je het weet, is het middel erger dan de kwaal. De boodschap van een anti-structuur – Occupy, Marx, Jezus – is een kritische vraag en aanzet tot verandering, geen totaaloplossing.


dinsdag, 29 november 2011

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Wat willen we met de gezondheidszorg?

In eerste kamer, politiek, analyse, belangrijk, betalen, burgers, debat, discussie, fractie, en meer.

Spreektekst bij het debat over marktordening in de gezondheidszorg 29.11.2011

Het beheersen van de kosten in de gezondheidszorg is terecht een belangrijk punt van aandacht van dit kabinet. We stellen namelijk met elkaar steeds hogere eisen aan die gezondheidszorg en verwachten dat de medische zorg ons zo lang mogelijk zo gezond mogelijk zal houden. Maar tegelijk mag dat niet te veel kosten. Dat heeft iets dubbelhartigs: enerzijds is de zorg een bloeiende sector die veel bijdraagt aan het welbevinden van mensen, anderzijds is het een ongewenste kostenpost. Met die dubbelhartigheid spoort dat dit kabinet een gematigde groei van de zorgbestedingen nastreeft. Dat is op zichzelf goed, maar daarmee is de vraag niet beantwoord wat we nu eigenlijk wel en niet van de gezondheidszorg verwachten.

Er is nog een tweede ambivalentie en die heeft te maken met de financiële prikkels. De discussie over marktwerking en budgetbekostiging kan uitnodigen tot ondoelmatigheid, maar prestatiebekostiging kan ook weer uitlokken tot overbesteding. Zeker wanneer zorginstellingen en zorgverleners direct financieel beloond worden, kan de verleiding groot zijn. Daarom gelooft mijn fractie niet dat marktwerking hét antwoord is. Het kan wel helpen om uit te dagen tot efficiency, maar als die winst dan weer weglekt naar private partijen of dure bestuurders en specialisten, dan helpt het ons niet verder. Veel regie wordt nu gelegd bij de verzekeraars, maar die hebben ook gewoon hun economische belangen.

Het is zeer de vraag of de gezondheidszorg zich wel leent voor een vergaande marktwerking. Patiënten zijn geen consumenten. Ze willen goede en toegankelijke zorg, veelal in een duurzame relatie met een behandelaar. Wij kunnen wel leven met beperkte marktwerking met checks en balances en onder systeemverantwoordelijkheid van de overheid. Het voorliggende wetsvoorstel bouwt daarop voort. Toch liggen hier wel vragen.

Allereerst is het de vraag of de regering die systeemverantwoordelijkheid wel goed kan invullen. Deze vraag is ook door de Rekenkamer scherp op tafel gelegd omdat haar analyse laat zien dat de minister de ontwikkeling van de zorguitgaven onvoldoende kan monitoren en al evenmin kan bijsturen en bovendien geen goed zicht heeft op de oorzaken van de overschrijdingen. Daar wordt aan gewerkt, antwoordt de minister, maar we zijn er nog niet. De kritische conclusies van de Rekenkamer over bijvoorbeeld tariefmaatregelen schuift de minister terzijde, niet op grond van aanvullend onderzoek, maar door de analyse zelf ter discussie te stellen. Zij gelooft namelijk in haar maatregelen, maar dat is nog niet genoeg om vertrouwen te geven dat zij het nu wel onder controle heeft. Juist in een zo complex systeem als de gezondheidszorg is een sterke scheidsrechter nodig die buitengewoon kritisch is op de spelers en die het opneemt voor de patiënten die van de zorg afhankelijkheid zijn en voor de burgers die het uiteindelijk allemaal betalen. Vertrouwt de minister niet te veel op instellingen en verzekeraars die winst willen maken en beroepsgroepen die extra verdienen als ze veel behandelingen doen? Graag een reactie van de minister. Wat zijn in het huidige systeem en in het systeem waar zij naartoe werkt de potentiële perverse prikkels en hoe adequaat worden die geredresseerd? Deelt zij de mening van mijn fractie dat het hebben van een winstoogmerk niet past bij organisaties die in de gezondheidszorg met publieke middelen worden gefinancierd? En wat wil zij doen om de inkomens van specialisten echt in de greep te krijgen? Hoe voorkomt ze waterbedeffecten tussen eerste en tweede lijn? En klopt het beeld dat ik krijg uit het veld dat zowel de ziekenhuizen als de huisartsen hun handen aftrekken van de chronisch zieken. Hoe voorkomt de minister dergelijke effecten van de prikkels die ze neerlegt? En nog een heel praktische vraag: hoe verloopt de overgang van DBC naar DOT? Klopt het dat in die transitie nog zoveel onduidelijk is dat de declaraties pas veel later kunnen worden afgehandeld en zijn daar in de bevoorschotting maatregelen voor genomen?

Een tweede vragenveld betreft de inhoudelijke visie op de gezondheidszorg. In dit wetsvoorstel draait alles om de financiële sturing en kaders, maar daarachter gaat het natuurlijk om de vraag hoeveel en welke zorg collectief moet worden georganiseerd en gefinancierd. Moet alles wat kan? Dat zijn buitengewoon lastige en pijnlijke afwegingen, maar ze moeten wel gemaakt worden. De medische mogelijkheden zijn enorm toegenomen, maar betekent dat ook dat ze altijd moeten worden toegepast? Ook als de gezondheidswinst heel beperkt is en de kosten heel hoog? Wie persoonlijk voor die keuze staat, zal misschien geneigd zijn om alles te proberen. En ook artsen hebben een natuurlijke neiging om zoveel mogelijk voor mensen te doen. Maar moet dat altijd? Betekent toegankelijkheid van de zorg ook dat alle denkbare zorg en ingrepen worden geleverd? Dat zijn uiteindelijk geen financiële vragen meer maar principiële zorginhoudelijke en ik vraag de minister of zij daar ook een visie op heeft. En zo nee, wie heeft die visie dan wel en hoe verhoudt die visie zich tot de budgettaire afwegingen?

De Duitse socioloog Ulrich Beck heeft in zijn analyse van de Risikogesellschaft aandacht gevraagd voor het gegeven dat onze technische vooruitgang en de dominantie van de economische logica niet hebben geleid tot een vermindering van risico’s, maar tot een verplaatsing daarvan. Met de toename van medische mogelijkheden lijkt het misschien of we alles in de hand hebben, maar dat is schijn. We blijven aanlopen tegen de risico’s die nu eenmaal bij het leven zelf horen. Die zijn te verleggen en te verplaatsen, maar nooit uit te bannen. Dat betekent, aldus Beck, dat de technologische en economische logica niet allesbepalend kunnen zijn en dat er publieke, politieke en morele correcties op nodig zijn. Dat wil dus ook zeggen dat voor het ordenen van de gezondheidszorg een economisch en juridisch kader als hier voorligt onvoldoende is. In haar reactie op het rapport van de Rekenkamer geeft de minister dit terecht ook aan als ze constateert dat de bevindingen van de Rekenkamer alleen gaan over de financiële kant en niet over de direct samenhangende dimensies van kwaliteit en toegankelijkheid. Maar tegelijk stuurt de minister toch primair via financiële kaders, ook in het voorliggende voorstel. De principiële vraag wat toegankelijkheid en kwaliteit betekenen en of die ook intrinsiek begrensd moeten kunnen worden, blijft daarmee liggen. We praten over wat er wel en niet in het basispakket moet worden opgenomen en hoeveel procentuele groei er mag zijn, maar niet over de vraag wat de waarde van goede zorg is en wat goede zorg ons waard is.

Het aanvaarden van de risico’s en beperkingen van het leven is een thema dat we in de wijsheidstradities van deze wereld vaak tegenkomen, juist ook gekoppeld aan de verantwoordelijkheid en zorg voor de ander. Het gaat dan steeds om de berusting om te aanvaarden wat we niet kunnen veranderen; om de moed om te veranderen wat we wel kunnen veranderen; en om de wijsheid om het verschil hiertussen te zien. Dat zijn niet alleen existentiële afwegingen die aan de orde zijn bij het gesprek tussen arts en patiënt, het zijn ook principiële vragen als we op politiek niveau nadenken over de ordening en begrenzing van de zorg.

Voorzitter, de leden van mijn fractie kunnen op hoofdlijnen wel leven met het voorliggende voorstel extra instrumenten voor de bekostiging op te nemen in de marktordening van de gezondheidszorg. Maar dat voorstel betreft alleen maar de buitenkant van de zorg. Een toekomstbestendige zorgvisie zal ook over de binnenkant moeten gaan en ik hoor graag van de minister hoe zij daarover denkt.


Reacties op Wat willen we met de gezondheidszorg?

Door: Jasper Klapwijk op 29 november 2011, 12:15

Mooie bijdrage. Wat ik alleen vreemd vind is de identificatie van marktwerking met winst en economisch belang. Je zegt dat het debat moet gaan over wat de waarde van goede zorg is en wat goede zorg ons waard is. Daarop kan de markt nu juist uitstekend antwoord geven. Dat is immers een coördinatiemechanisme waarin vraag en aanbod bepalen wat een goed waard is, uitgedrukt in een prijs?

Daar ligt ook het probleem: in de prijs, niet in de winsten of de economische belangen van aanbieders of het feit dat patiënten geen consument zijn. Patiënten kennen die prijs helemaal niet, omdat ze in veel geen dienstverlening, maar premie betalen en omdat de tariefstructuur intransparant is. En zorgaanbieders weten niet goed wat patiënten op prijs stellen, omdat er geen prijsdifferentiatie mogelijk is. Zo kunnen ze de patiënt nooit als de koning behandelen die ze als klant zouden kunnen zijn.

Meer marktwerking in de zorg, zou ik zeggen, omdat die een goede uitwisseling van informatie tussen arts of verpleger en patiënt mogelijk maakt, zonder tussenkomst van de verzekeraar. Maar wel met een duidelijke winstverdeling: opbrengsten op publieke investeringen moeten geherinvesteerd worden of terugvloeien naar de kapitaalverschaffer: de gemeenschap. Waar private kapitaalverschaffers wel zelf risico lopen, mogen ze winst maken. Maar ook daar kunnen verdelingsregels voor worden opgesteld, zodat er voldoende geinvesteerd wordt in innovatie en betere vormen van dienstverlening. We hebben het tenslotte over een publiek goed: de volksgezondheid.

vrijdag, 18 november 2011

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Protestantisme en politiek

In religie en politiek, belangrijk, christenunie, crisis, d66, de wereld, dragen, eerste, emancipatie, en meer.

Toespraak bij het jubileumcongres van het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme op 18.11.2011

Bestaat er nog zoiets als protestantse politiek of is dat in de afgelopen decennia verdwenen? Of veranderd? En wat zou de bijdrage van protestantse politiek aan de samenleving kunnen zijn? Zulke vragen suggereren dat we kunnen definiëren wat protestants is. Wie even rondkijkt, weet dat het ingewikkelder is dan dat.

Zeker, de SGP is protestants en de ChristenUnie grotendeels, maar ook binnen bijvoorbeeld PvdA en GroenLinks zijn protestantse tradities en groepen herkenbaar. In elk geval valt protestantisme in de politiek niet samen met links of rechts, progressief of conservatief, confessioneel of seculier. Zoals protestants ook buiten de politiek al die gezichten heeft. Van de Hervormde voorkeur voor het openbaar onderwijs en pragmatische oplossingen tot de Gereformeerde principiële neiging om in eigen organisaties te radicaliseren tot de Doperse afkeer van politiek, het is allemaal herkenbaar in de geschiedenis. En zelfs deze labels zijn al weer te generaliserend.

In de omwenteling van de roerige zestiger jaren waren die verschillende protestantse neigingen ook steeds in alle helderheid zichtbaar. De conservatieve stemmen in kerken, politieke partijen en media verzetten zich tegen de aantasting van de orde en de goede zeden en de progressieve stemmen zagen in het verzet tegen de status quo, het groeiende individualisme en de bijbehorende emancipatie tekenen van het heil waarin ze al eeuwen geloofden. Soms sloot men zich aan bij nieuwe seculiere politieke partijen als D66, PPR en DS 70, soms begon men een eigen christelijke partij zoals bij de EVP en de RPF. Of het toeval is dat de eerste drie eind jaren zestig ontstonden en de laatste twee tien jaar later, durf ik niet te zeggen, maar het is wel interessant om ook in dat opzicht de golven van de tijd te onderzoeken.

Laat ik proberen af te stappen van een overgeneralisering van wat protestants zou kunnen of moeten betekenen. De dialectiek van vernieuwing en restauratie, van cultuurkritiek en cultuuraansluiting, van opstand en status quo, het hoort allemaal bij het protestantisme en waarschijnlijk bij elke stroming. Laat ik dus liever zeggen wat voor soort protestantisme ik zelf van belang vind voor onze samenleving en voor de politiek van vandaag. Ik noem drie kenmerken: individualistisch, principieel en sober.

Het eerste kenmerk van protestantisme is een sterke nadruk op het individu. Tegenover de macht van het kerkelijk instituut verdedigden de reformatoren dat er niets en niemand tussen God en deze ene mens staat. Geen kerk, geen leer, niets. Uiteindelijk gaat het om de individuele verantwoordelijkheid en vrijheid. Dit protestantse uitgangspunt past goed bij een vrijzinnig-liberale politiek, maar ook bij de individualistische samenleving. Op grond van die individuele vrijheid ontstaan ook gemeenschappen waarin we verbonden willen zijn met anderen en verantwoordelijkheid voor elkaar en de wereld willen dragen. Maar het begint met het individu.

Het tweede kenmerk van protestantisme is een sterke nadruk op principes. Het kritisch nadenken over kerkelijk gezag heeft een bepaalde onverzettelijkheid in zich. Compromissen, pragmatiek, het is aan protestanten niet zo besteed. Ze neigen eerder tot Prinzipienreiterei en betweterigheid. De mooie kant daarvan is dat het voortdurend gaat om de vraag naar de fundamentele waarden die in het geding zijn. Politiek is dan ook niet alleen of in de eerste plaats een belangenstrijd, maar een strijd om idealen en principes. Het machtsspel moet misschien gespeeld worden, maar eigenlijk kan een protestant het niet zo goed op een akkoordje gooien als zijn principes op het spel staan.

Het derde kenmerk van protestantisme is soberheid. Geen weelderige ornamenten en rituelen, geen fratsen. Plichtsbesef en soberheid, een calvinistisch arbeidsethos, spaarzaamheid, enzovoorts. Voor een politicus zijn dat schone deugden, maar ook voor de politiek als geheel kan het geen kwaad, zeker niet in een crisis als de onze. Bij dat protestantse verantwoordelijkheidsgevoel hoort ook dat je je rijkdom niet voor jezelf houdt maar inzet voor wie minder bedeeld is, en ook dat is in onze tijd een belangrijk uitgangspunt voor de internationale verhoudingen.

Die drie kenmerken maken de protestant – ook in de politiek – altijd een beetje rebels, maar nooit rellerig. Altijd kritisch op de bestaande situatie en de macht, maar ook met het besef dat een samenleving wel ordening nodig heeft. Anarchistisch en antirevolutionair. De protestant neemt geen genoegen met de status quo maar heeft een diepgewortelde neiging om deze wereld beter te maken. Want – en dat is misschien wel de diepste drijfveer – de wereld zoals we die kennen is niet goed genoeg.

Dat is protestantisme in de politiek. Misschien. Want natuurlijk zijn er veel protestanten die heel andere accenten leggen en er zijn heel veel niet-protestanten die het hier mee eens zouden zijn. Het is waarschijnlijk vooral mijn politiek protestantisme: vrijzinnig, kritisch en verantwoordelijk.


Reacties op Protestantisme en politiek

Door: leo de wit op 18 november 2011, 16:06

Misschien is een vierde kenmerk nog: de omgang met de taal, als logisch voortvloeisel van het afwijzen van het beeld. Als fullblown-atheist valt mij altijd het buitengewoon correcte taalgebruik van protestanten op. Hoe gereformeerder, hoe beter. Men vlooit natuurlijk ook de bijbel door op zaken achter de komma. Zie trouwens ook de vele ex-protestanten die romans zijn gaan schrijven. Katholieken zijn veel rommeliger in hun taalgebruik,(OP de eerste plaats, ipv IN enz) waardoor ook meer marchandeerruimte ontstaat. Je ziet dat goed terug in de wollige taal van politici als Lubbers, Van Agt, en onze ‘Rattus Catholicus’ Verhagen, bij wie het katholicisme uit alle poriën sijpelt.
Overigens, natuurlijk was er na de Doorbraak een christelijke werkgemeenschap in de PvdA, en Tijd en Taak en dergelijke, net als er trouwens een humanistische werkgemeenschap was. Maar van binnenuit weet ik dat de mainstream in de partij toch behoorlijk meewarig dacht over de mensen die een of andere god aanhingen en hun eigen verantwoordelijkheid deels aan een hogere macht ophingen. Per saldo was en is de PvdA seculier ”as hell’ Alleen zeiden ze het meestal niet hardop om de gelovigen niet voor het hoofd te stoten. En bij de founding fathers van GL was de CPN natuurlijk ook zonneklaar over het waandenken van godsdienstigen. Opium van het volk.

donderdag, 17 november 2011

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Het doel van hoger onderwijs

In politiek, onderwijs, agenda, bedrijf, bedrijfsleven, commissie, debat, europese, gewoon, en meer.

Wat is het doel van Hoger Onderwijs? Dat lijkt een open deur-vraag. Het doel van een sportvereniging is sportief, het doel van een bedrijf is economisch, het doel van Hoger Onderwijs is de ontwikkeling van mensen zodat ze zelfstandig en authentiek kunnen participeren in de samenleving en zo mogelijk voor zichzelf en anderen verantwoordelijkheid kunnen nemen. Je mag daar andere woorden voor kiezen, maar zoiets zou het toch moeten zijn. Onderwijs heeft primair een pedagogisch doel.

Dat dacht ik tenminste totdat ik de strategische agenda las van dit kabinet. Daar staat dat onderwijs primair dient om de verdiencapaciteit van Nederland te vergroten en het bedrijfsleven te ondersteunen. Pedagogische doelen zijn ingewisseld voor economische. Het studielandschap in onderwijs en onderzoek moet op de schop en daarbij zijn de economische topsectoren sturend. De titel van Martha Nussbaums boek over onderwijs kon niet toepasselijker zijn: ‘Niet voor de winst’.

Onderwijs moet beter. Daar zijn we het allemaal over eens. Maar dan is wel de vraag hoe je kwaliteit definieert. Het kabinet kiest voor excellentie. Dat wil zeggen dat een selecte groep studenten die de kwaliteiten en het geld heeft, gaat profiteren van uitzonderlijk goed onderwijs. Ik gun het ze. Maar ik gun ook al die andere studenten heel goed onderwijs. En ik zou willen dat het kabinet het advies van de Europese Commissie volgt om juist studenten uit kansarme achtergronden te stimuleren en financieel te steunen. Nederland zou een kansenmaatschappij moeten zijn.

Excellentie betekent in elk geval niet zomaar alle studenten over een kam scheren. Dit kabinet heeft in de strategische agenda een efficiënte productielijnfilosofie ontwikkeld. De ruwe grondstof van aankomende studenten gaat door de zeef van de selectie. Materiaal met een hoog potentieel gaat naar de specialistische afdeling waar extra geïnvesteerd en vooral extra verdiend wordt. De rest gaat in de bulkproductie en moet zo snel mogelijk verwerkt worden tot een arbeidsmarktklaar eindfabricaat. Beetje vertraging halverwege? Gewoon parkeren tot de volgende batch de productielijn ingaat. Zo leveren we handgemaakte designerstudenten en goedkope massaconfectie. Alles voor het rendement.

Maar onderwijs draait niet in de eerste plaats om zulk economisch denken van productie, rendement en marktaandeel. Het zo snel mogelijk afleveren van studenten is niet de beste maatstaf van kwaliteit. Ik hou vol: de kern van het onderwijs – ook van het hoger onderwijs -  ligt niet in economische doelen maar in pedagogische.

(Inleiding bij debat over hoger onderwijs, Utrechtse Studentenvereniging Internationale Betrekkingen, 08.11.2011)


Reacties op Het doel van hoger onderwijs

Door: Wim op 24 november 2011, 00:47

Doet me denken aan het boek: Intensieve Menshouderij. ;-)

woensdag, 16 november 2011

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

‘Voor het slachtoffer is geen verhaal. Dat vind ik onacceptabel’

In seksueel misbruik, recht, religie, actie, armoede, belangrijk, bezig, claim, cultuur, en meer.

Op een vergadering van de Werkgroep Moderne Theologie met als thema seksueel misbruik sprak Ruard Ganzevoort over theologie uit het perspectief van het slachtoffer. Adrem ondervroeg hem erover. Het leverde een gesprek op over straf, dader en slachtoffer, en de taak van de theologie in de moderne samenleving.

(Interview in Ad Rem, remonstrants maandblad, 22/19, november 2011)

De rol van het slachtoffer bij een strafproces staat de laatste tijd nogal in de belangstelling. Kun je iets zeggen over de recente ontwikkelingen?In de afgelopen tien jaar is geleidelijk aan het slachtofferperspectief een rol gaan spelen in de rechtspraak, bijvoorbeeld dat slachtoffers gehoord kunnen worden door de rechter. Dat is een van de belangrijkste voorbeelden waarbij slachtoffers het gevoel krijgen dat ze gehoord worden. Toch heb ik er gemengde gevoelens over. Met name het laatste jaar lijkt het niet te gaan om het laten horen van de stem van het slachtoffer. Het lijkt eerder te gaan om argumenten voor het steeds strenger straffen van daders. Daar hebben slachtoffers volgens mij niks aan. De vraag wat slachtoffers nodig hebben is een andere dan die of we daders omwille van het slachtoffer zwaarder moeten straffen. Voor slachtoffers ligt de winst niet in de straf, maar in de erkenning van het lijden dat hen is aangedaan.

Nederland is inderdaad de afgelopen jaren strenger gaan straffen. Het blijkt zelfs een van de landen in Europa waar het zwaarst gestraft wordt. Dat vind je geen goede ontwikkeling? Nee, ik vind het dom. Zwaarder straffen helpt niet. Ik ben niet tegen straffen, maar wil je misdaden voorkomen, dan moet je andere dingen doen dan alleen maar straffen. De zaken waar men de zwaarste straffen voor wil, zijn bijvoorbeeld zedenzaken. Die worden terecht ervaren als misdaden die de meeste inbreuk doen op het leven van slachtoffers. Maar juist bij zedenzaken hebben daders in veel gevallen zelf een geschiedenis van slachtofferschap. Door hen alleen aan te spreken op hun daderschap, versterk je alleen hun slachtofferschap. Zo draag je eerder bij aan recidive, dan dat je herhaling voorkomt.

Hoe bedoel je dat? Je ziet het op dit moment bij de discussie over pedofilie. Die discussie is zwaar vertroebeld en heeft kenmerken van een soort heksenjacht. Pedofilie wordt zo gecriminaliseerd dat deze mensen zich in het duister terugtrekken en daarmee des te gevaarlijker worden. Dit is heel onverkwikkelijk. Om te beginnen zijn niet alle pedofielen misbruikers. Het is een aanleg en nog geen daad. Bovendien wordt het merendeel van het seksueel misbruik niet door pedofielen gepleegd, maar door brave huisvaders die incest plegen, door therapeuten, hulpverleners, predikanten, noem maar op. Door zich op dat kleine groepje pedofielen te richten, wil men het grote probleem van seksueel misbruik beheersbaar maken. De enge man in de bosjes is weg, dus nu bestaat het probleem niet meer. Daarmee wordt noch aan slachtoffers, noch aan daders recht gedaan.

Kun je een voorbeeld noemen van een omgang met pedofilie die naar jouw idee meer recht doet aan beide? In Zuid-Afrika is nu een begeleidingsprogramma voor veroordeelde pedoseksuelen met de naam PedoStop. Dat programma heeft een opzet, vergelijkbaar met de Anonieme Alcoholisten. Zij zeggen, ‘wij hebben een gevaarlijke neiging en als we die niet serieus nemen, dan lopen anderen risico. Dus, willen we dat voorkomen, dan moeten wij verantwoordelijkheid nemen voor onze problematiek. En niemand die zo goed de drogredenen en manipulaties van een pedoseksueel kan doorgronden als een pedoseksueel zelf.’ Zulke initiatieven moeten we geloof ik heel sterk ondersteunen en waarderen. Als je dan hier weldenkende mensen hoort beweren dat je het gewoon maar het beste de kop in kan drukken, dan vind ik dat gewoon heel dom.

Als we dan nu de stap maken naar de theologie. Je hebt vorig jaar bij de Werkgroep Moderne Theologie een voordracht gehouden over seksueel misbruik. Je vertelde daar iets over jouw ideeën over het slachtofferperspectief in de theologie. Kun je daar iets meer over vertellen? Waar ik de laatste jaren op dit punt vooral mee bezig ben geweest is de plek van het slachtoffer in de theologie. Wat mij treft, is dat de grote verhalen van de traditie gaan over traumatische ervaringen, terwijl de theologie het daar niet over heeft. Dat vind ik frustrerend. Het verhaal van de exodus in het Oude Testament is een verhaal van jarenlange onderdrukking en uitbuiting. Alleen door een, ik zou haast zeggen, kosmisch terroristische actie vindt de bevrijding plaats. Of in het Nieuwe Testament waar het grote verhaal de kruisiging is. Traumatischer dan dat kan het niet worden voor de betrokkenen en de omstanders. Deze dimensie van traumatisering is op de een of andere manier uit die verhalen gefilterd. Het zijn in plaats daarvan ofwel glorieuze verhalen geworden, of het zijn, als je kijkt naar de orthodoxie, verhalen die verwijzen naar onze zondigheid. Zo worden mensen die slachtoffer zijn niet geactiveerd om hun eigen slachtofferschap te verbinden bijvoorbeeld met dat van Jezus. Er is in de traditie veel gebeurd om de rol van de zondaar te definiëren, maar voor het slachtoffer is er geen verhaal. Dat vind ik onacceptabel. Zoals ik het nu zeg, is het gericht op de orthodoxie, maar in de vrijzinnige theologie is het niet veel beter. Daar wordt gezegd dat er elders in de wereld mensen zijn die het heel erg moeilijk hebben en dat wij mede schuldig zijn door onze rijkdom. Daar ben ik het mee eens, maar het verhaal blijft hetzelfde. Wij zijn nog steeds de daders en anderen het slachtoffer.

Hoe komt het slachtoffer-perspectief dan wel tot zijn recht? Het begint al bij de liturgie. Als we het Onze Vader bidden, bijvoorbeeld, wat betekent dat voor mensen voor wie het woord vader problematisch is? Het komt terug in de manier waarop ik teksten lees. Ik lees primair vanuit de marge en vraag me af: Wie wordt hier buitengesloten? Wie wordt in dit verhaal niet genoemd? Wie mag hier niet zijn? Het gaat erom voortdurend te denken vanuit de vraag: Wat gebeurt er met beschadigde mensen als ze dit verhaal horen? Ik ben er van overtuigd dat als je daar aandacht aan geeft, dat het uiteindelijk voor iedereen heilzaam is. Ik vraag me als het om vergeving gaat als eerste af wat voor theologie van vergeving heilzaam is voor slachtoffers. Vergeving voor daders is ook belangrijk, maar als het niet heilzaam is voor slachtoffers houden we het kwaad in stand.

Wat bedoel je precies met vergeving? Vergeving lijkt een begrip dat sterk verbonden is met een theologie vanuit het dader-perspectief? Vergeving gaat om de keuze wrok te laten varen en te kiezen voor loslaten. Kies ik ervoor om vast te houden aan de daad die onze relatie beschadigd heeft of kies ik voor loslaten met het oog op de toekomst? Voor het slachtoffer is dat belangrijk om uiteindelijk uit de slachtofferrol te komen. Zolang je vasthoudt, ben je slachtoffer, alleen het loslaten doorbreekt dat. Of je het nu vergeving noemt of iets anders, die stap is essentieel.

Op welke manier is deze opvatting van vergeving heilzaam voor zowel het slachtoffer als voor de dader? Ook de dader kan niet in zijn rol van dader blijven steken. Dader en slachtoffer gaan door een parallel proces. Het gaat erom dat er ingegrepen wordt in de relatie, waardoor de relatie anders wordt. Even heel simpel gezegd kleeft aan de daad die de posities gedefinieerd heeft ook altijd een aspect van macht. Slachtofferschap heeft te maken met onmacht, daderschap met meer macht. Om dat te doorbreken moet de dader van zijn troon afkomen, zijn macht neerleggen, op de knieën gaan en om vergeving vragen. Een andere mogelijkheid is dat het slachtoffer afziet van onmacht. Soeverein slachtofferschap: ik kies ervoor om niet langer slachtoffer te zijn. Daarmee ontsla ik de ander impliciet van zijn daderschap, maar of dat aankomt, hangt van de dader af. Er is nog een derde manier. Het slachtoffer kan om allerlei redenen de daad herdefiniëren en zeggen ‘ik ben eigenlijk nooit slachtoffer geweest’. Dan is er weliswaar geen sprake van vergeving, maar het helpt wel bij het loslaten. Daar gaat het uiteindelijk om. Het slachtofferschap is geen ultieme positie. Het is een doorgangspositie, die je alleen te boven kunt komen als je hem eerst serieus neemt. Dat geldt voor daderschap net zo.

Daderschap en slachtofferschap lijken niet altijd zo duidelijk uit elkaar te houden. We leven in een wereld waar wat ik hier doe consequenties kan hebben voor iemand ver weg. Consequenties die ik niet ken. Er is geen zwart-wit onderscheid te maken tussen dader, slachtoffer, en onschuldige. Daar zit onze existentiële spanning. We zijn het uiteindelijk allemaal een beetje. Onze rijkdom is gebaseerd op de armoede elders. Dat wil niet zeggen dat je er niet van mag genieten, maar we dragen slachtofferschap en daderschap met ons mee. Dat helpt ons ook in de verbinding met elkaar. Hoe zal ik ooit begrip hebben voor iemand die een ander beschadigd heeft, als ik mij niet bewust ben van mijn beschadigen van anderen? In mijn beschrijving zet ik het wat tegenover elkaar, maar in de praktijk loopt het door elkaar heen en ben je in bijna elke situatie allebei.

We leven in een tijd waarin de kerken meer en meer in de marge van de samenleving terecht lijken te komen. Heeft deze theologie toch een grotere reikwijdte dan de kerkelijke context? In religieuze tradities zit zo veel wijsheid waar de samenleving behoefte aan heeft. Dat merkte ik bijvoorbeeld toen ik op een studiedag van Bureau Slachtofferhulp sprak over de Middeleeuwse boete- en biechtpraktijk. Die begint met gewetensonderzoek, zo gedetailleerd mogelijk onderscheiden tussen het deel waar ik schuld aan heb en het deel waar ik geen schuld aan heb Dat moet leiden tot oprecht berouw. Dat kun is niet te meten, maar het gaat om het besef, ‘ja, ik ben ten diepste dader, ik ben schuldig.’ Dat is de tweede stap. De derde stap is dat het moet leiden tot een belijdenis bij de mond. Het is niet genoeg om het alleen te voelen, het voor jezelf te houden, of met God in het reine te komen. Wat ik openlijk gedaan heb, moet ook openlijk beleden worden. De vierde stap is de genoegdoening met de daad. Dat kan zijn dat ik de schade betaal, het kan zijn dat ik mijn leven beter en goede werken ga doen. Er moet iets fysiek gebeuren. De balans moet hersteld worden om ruimte te maken voor de vijfde stap: absolutie. Loslaten, nu ben ik geen dader meer, nu ben ik vrij. Het slachtoffer gaat precies dezelfde route af en dat is net zo moeilijk. Gewetensonderzoek: Wat is er eigenlijk gebeurd? Wat was mijn aandeel? Wat is me overkomen? De tweede stap, parallel aan het berouw, is de erkenning. ja, ik ben inderdaad beschadigd. Ik ben slachtoffer gemaakt en getraumatiseerd. De derde stap is dat ik dat moet zeggen. Ik moet mijn stem verheffen en uitspreken dat ik slachtoffer ben. De vierde stap is dat ik uit de patronen stap die bij het slachtofferschap horen. Ik moet mijn leven veranderen, autonomie nemen of misschien wel de genoegdoening van de dader accepteren. Zo komen we bij de vijfde stap, parallel aan de absolutie, het loskomen van het slachtofferschap. De protestanten hebben op een gegeven moment gebroken met deze praktijk. Genoegdoening vonden ze niet meer nodig, want dat heeft Christus al gedaan. Kijk, theologisch is dat allemaal wel mooi, maar het werkt niet. Er moet iets van genoegdoening zijn, anders krijg je goedkope genade. Dit is iets van de wijsheid van eeuwen. Er wordt iets gezegd in religieuze taal over de relatie tussen mens en God, maar tussen mensen in de samenleving werkt het net zo. De therapeuten van Bureau Slachtofferhulp herkenden wat ik vertelde. Ze herkenden hun seculiere werk erin, maar ze begrepen ook waarom je religieuze taal nodig hebt om dit tot uitdrukking te brengen.

Waarom is die religieuze taal nodig? Ik noem het vaak een wijsheidstraditie om het niet exclusief over het transcendente te laten gaan. Wat die traditie toevoegt, is de symbolisering. De symbolische taal van de religie biedt het kader waarin je dit soort dingen kunt zeggen. Het geeft iets van een ultieme horizon . Je kunt het ook in juridische taal zeggen, maar veel mensen missen dan toch iets. Ze willen het niet meteen religieus maken, maar ze ervaren de verbinding met de dieptedimensie van het bestaan als bijzonder waardevol.

Hoe zou je in dit kader de taak van de theologie beschrijven? De theologie is de wetenschap die in staat is dit soort wijsheden op te diepen en vanuit een niet autoritaire, maar juist dienstbare houding ter beschikking te stellen aan de samenleving. Dat wil zeggen, het gaat er niet alleen om dingen uit de traditie te halen en die ter beschikking te stellen. Het gaat er ook om vanuit de hedendaagse situatie die traditie ter discussie te stellen. In die wisselwerking worden beide bevraagd en bekritiseerd. Aan die taak zit een ambachtelijke kant. Theologen zouden in staat moeten zijn de cultuur en de samenleving te lezen, soms te verhelderen, en verbindingen met tradities te leggen. Daar zit dan geen claim of richting in, het gaat erom te snappen wat er gebeurt. Als theoloog kun je dingen naar voren brengen, waar een socioloog niet per se taal voor heeft. Er is echter ook een meer inhoudelijke kant. De theoloog mag zichzelf behartiger van de traditie weten en in missionaire of profetische zin die wereld proberen te beïnvloeden. De grondwaarden van je religie, of je die nu rechtvaardigheid, compassie, zuiverheid, of heiligheid noemt, vertalen in een kritische analyse van de samenleving.

Je bent niet alleen theoloog, maar ook politicus. Hoe verhoudt je taak als theoloog zich tot je rol als politicus? In de discussie over het ritueel slachten bijvoorbeeld probeer ik te verhelderen wat het belang van ritueel slachten is in een bepaalde religieuze traditie. Tegelijk probeer ik duidelijk te maken dat geen enkele traditie onveranderlijk is, maar dat onder druk van maatschappelijke veranderingen ook een religie meebeweegt. Als er een verbod komt op ritueel slachten houdt die religie niet op te bestaan. Dat is de ambachtelijke kant. De inhoudelijke kant komt aan de orde in hetzelfde debat als het gaat om de vraag hoe we omgaan met verschillen tussen mensen. Respecteren we dat de een andere keuzes maakt dan de ander? Respecteren we de normatieve aanspraken die vanuit tradities op mensen afkomen? En met name, wat betekent het dat deze discussie gevoerd wordt over de rug van minderheden? Betekent dat we ongebreidelde vleesproductie laten voortbestaan niet dat we het hedonistische recht op vlees eten kennelijk belangrijker vinden dan het religieuze recht op vlees eten? Daar sta ik voor een liberale religieuze traditie, voor een vrijzinnige theologie. In de politieke arena argumenteer ik niet met religieuze taal, maar mijn stellingname is wel primair ingegeven door mijn religieuze overtuiging.

(Interview door Martijn Junte, oktober 2011, Lid redactie Ad rem, predikant remonstrantse gemeente Eindhoven)

 


Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Nogmaals de weigerambtenaar

In religie en politiek, homoseksualiteit, tolerantie, ambtenaren, boodschap, burgers, commissie, debat, emancipatie, en meer.

Toch nog onverwachts stemde de Tweede Kamer in met de motie van Ineke van Gent die het kabinet oproept met een wettelijke regeling een einde te maken aan het fenomeen van de weigerambtenaar. Ik ben daar – alles afwegend – blij mee, maar uit de kritische reacties blijkt dat niet iedereen dat zo ziet. Is het niet juist tolerant om te accepteren dat er ook mensen zijn die hier anders over denken? Misschien zelfs een vorm van emancipatie, zoals de minister zei? Is het niet voldoende om het pragmatisch te regelen zodat elk trouwlustig stel aan de bak kan, ook als sommige ambtenaren niet elk stel willen trouwen? Hoeveel ruimte is er nog voor gewetensbezwaren van mensen en religieuze minderheden? Is dit niet de zoveelste uitwas van seculiere gelijkhebberij die de oprechte overtuigingen van gelovigen aantast?

Ik snap de gevoeligheden, maar bij mij valt de afweging anders uit. Ik heb in een eerdere blog al eens geschreven dat het wezenlijke probleem volgens mij ergens anders ligt, namelijk bij het feit dat we de ambtenaar van de burgerlijke stand een rituele rol hebben toegedicht die niet past. Als we het burgerlijk huwelijk van deze rituele extraatjes ontdoen, zullen ambtenaren ook niet zo gauw last van hun geweten krijgen. In verschillende kranten las ik vergelijkbare pleidooien, onder meer van Tom Mikkers (Volkskrant) en Marco Derks (Nederlands Dagblad).

Ik zie dat echter niet zo gauw gebeuren en daarom ligt de vraag naar de positie van de weigerambtenaar nog vol op tafel. Het is hoe dan ook goed dat daar duidelijkheid over komt, en volgens mij kan die duidelijkheid alleen maar inhouden dat er uiteindelijk geen ruimte is voor weigerambtenaren. Ik zal uitleggen waarom.

1. Het principe moet hoe dan ook zijn dat ambtenaren uitvoerders zijn van overheidsbeleid en bewakers van de wet. Alleen in uitzonderingssituaties kan er ruimte worden gemaakt om daarvan af te wijken. Die afwijking kan wel betekenen dat iemand bepaalde taken niet uitvoert, maar niet dat iemand bepaalde wetten overtreedt. Het is dus de vraag welk van de twee hier aan de orde is.

2. Niet elk beroep op gewetensbezwaren wordt gehonoreerd. Het moet bijvoorbeeld praktisch op te vangen zijn in de organisatie en het moet aansluiten bij een traditie. Dat is hier allebei wel het geval, dus in die zin is een beroep op gewetensbezwaren op zich terecht.

3. Het grote probleem met weigerambtenaren is echter niet dat ze een bepaalde taak niet willen uitvoeren, maar dat ze dat voor bepaalde burgers wel en voor andere burgers niet willen doen. Dat is fundamenteel anders dan bij andere gewetensbezwaren. Een brugwachter die niet op zondag wil werken, lijkt mij geen probleem. Onaanvaardbaar is een brugwachter die voor sommige schepen op zondag de brug wel bedient en voor andere niet. Een arts die geen euthanasie wil plegen, kan ik begrijpen. Onacceptabel is een arts die dat (in vergelijkbare situaties) wel wil doen bij sommige patiënten maar niet bij anderen.

4. Wij hebben in Nederland niet twee soorten huwelijk, waarbij je voorstander kunt zijn van het ene en tegenstander van het andere. Er is maar één huwelijk en dat is opengesteld voor MV-, MM- en VV-stellen. Daar kan een ambtenaar niet willekeurig in shoppen. Bij het uitvoeren van de wet maakt de ambtenaar geen onderscheid tussen burgers. Doet hij of zij dat wel, dan is dat onwettig.

5. Het argument dat elke homo toch wel kan trouwen, klopt maar is niet overtuigend. Waar elk heterostel een ambtenaar naar keuze kan uitzoeken, daar moet een homokoppel rekening houden met de mogelijkheid dat de gekozen ambtenaar hen niet wil. De boodschap is dat de gemeente een dergelijk onwettig onderscheid accepteert en kennelijk het ene huwelijk toch anders vindt dan het andere huwelijk. Op het gevaar af dat de vergelijking mank gaat: Tot de jaren zestig mochten zwarten gewoon met de bus in Amerika, maar dan wel achterin…

6. De rechten van huwelijksambtenaren worden volgens mij niet wezenlijk geschonden. Er is geen recht op het zijn van trouwambtenaar. Wie bezwaar heeft tegen een gelijkgeslachtelijk huwelijk, kan op allerlei andere plaatsen in de ambtenarij werken. Overigens zijn veel trouwambtenaar BABS, buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand, en dus externe freelancers. Dat betekent dat er helemaal geen arbeidsrechtelijk probleem is.

7. Ook als de overheid zelf de wet neutraal uitvoert en alle ambtenaren alle huwelijken gelijk behandelen (dus: ook als er geen weigerambtenaren meer zijn), is er nog volop ruimte voor pluraliteit. Iedereen mag in principe buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand worden. Of men nu christen of atheïst, liberaal of conservatief, homo of hetero. Niemand wordt gediscrimineerd, maar ook niemand mag – in die functie – zelf discrimineren.

En met die overwegingen kom ik tot de conclusie dat het goed is dat de regering moet komen met een wettelijke regeling die een einde maakt aan het fenomeen van de weigerambtenaar. Bij de openstelling van het huwelijk in April 2001 is ruimte gelaten voor ambtenaren met gewetensbezwaren. Dat vond ik voor dat moment een goede keuze, ook al was en is het een vreemd compromis (om de redenen hierboven). Het is niet vreemd om dat na tien jaar te heroverwegen, en dat is precies de oproep tot meer duidelijkheid geweest van de Commissie Gelijke Behandeling in 2008.

Misschien is er een overgangsregeling nodig voor zittende ambtenaren, maar het aanstellen van nieuwe ambtenbaren met gewetensbezwaren lijkt mij in elk geval niet kunnen. Ik heb er geen probleem mee dat mensen moeite hebben met homoseksualiteit. Ik vind het prima als ze een huwelijk tussen twee mannen of twee vrouwen geen echt huwelijk vinden. Ik ga daar graag het debat over aan, maar zal ook verdedigen dat mensen deze overtuiging mogen hebben. Maar juist in een plurale samenleving mag de overheid niet zelf – via haar ambtenaren – onderscheid maken tussen burgers.

En verder herhaal ik mijn pleidooi om het burgerlijk huwelijk te deritualiseren en de verdere ceremonie aan de rituele markt over te laten. De hedendaagse BABS-en kunnen zich daar met dezelfde overgave en voldoening beschikbaar stellen voor een mooie trouwdag, maar dan niet namens de overheid. Als een van hen dan geen homo’s, hetero’s, of roodharigen wil bedienen, heb ik daar veel minder moeite mee dan wanneer ze dat doen als dienaar van de overheid.


Reacties op Nogmaals de weigerambtenaar

Door: tjark reininga op 16 november 2011, 12:36

eens met je pleidooi voor de terugkeer naar een strikt ambtelijke procedure ten stadhuize, zonder rituele aspecten. een aspect mis ik in je betoog. ik kan me voorstellen dat op het moment dat het burgerlijk huwelijk werd opengesteld voor mensen van hetzelfde geslacht, dat gegeven voor ambtenaren die tegen deze wetswijziging waren een principiële wijziging van hun functie betekende, die zij niet wilden meemaken. en ik vind het dan ook terecht dat ambtenaren die reeds in functie waren de mogelijkheid werd geboden zich aan het voltrekken van homohuwelijken te onttrekken. het is ongelukkig dat daar geen termijn gesteld is, maar wat mij betreft houden deze ambtenaren het recht naar hun overtuiging te handelen.
dat kan niet gelden voor ambtenaren die de functie na het in werking treden van de wetswijziging hebben aanvaard. zij wisten dat ze voor het voltrekken van homohuwelijken gesteld zouden kunnen worden.

Door: Harry op 16 november 2011, 12:42

Dank, Ruard, voor je heldere en doorwrochte mening. Daar valt op zich niet eens zoveel tegenin te brengen. Een ‘algemeen’ bezwaar zou kunnen zijn dat het een beetje de kant van van ‘Prinzipenreiterei’ opgaat.
Ik blijf het een verkeerde zaak vinden dat er een wet moet komen om weigerambtenaren te weigeren en te ontslaan. Daarin word ik gesterkt door het commentaar in Trouw vandaag (zie: http://tinyurl.com/btvdryg).
Je schrijft o.a. dat ambtenaren de wet moeten uitvoeren. Akkoord, maar moet je dat zo verindividualiseren dat er geen ruimte meer is voor gewetensbezwaarden? Het gaat er denk ik veeleer om dat de geméénte de wet moet uitvoeren. Ambtenaren zijn daarvoor de ‘middelen’. Als de ene ambtenaar dat in bepaalde gevallen niet wil, is er wel een andere beschikbaar. Je trouwt niet voor een ambtenaar, maar voor de burgerlijke stand. En die kan ten alle tijde zorgen dat dat mogelijk is.
Daarbij vraag ik me ook af op welke glijdende schaal we ons gaan bevinden als individuele ambtenaren geen gewetensbezwaren meer mogen hebben.
En overigens vraag ik me nog steeds af voor welk probleem dit nou de oplossing is.
Dit alles nog afgezien van mijn toenemende teleurstelling in GroenLinks.

Door: Jako op 16 november 2011, 16:32

Wat een armoede, maar vooral: wat een overdreven toestanden. Om voor een klein aantal weigerambtenaren in Nederland zoveel energie te verliezen in deze kwestie en er een hele wetgeving aan op willen hangen… de liberalen, seculieren, vrijzinnigen c.s. moeten wel alle gevoel voor proportionaliteit verloren hebben, alle ‘vrome’ argumentatie ten spijt. Waar is de tijd gebleven dat deze mensen van gekkigheid niet wisten hoe ze zelf het beste tegen de overheid konden ageren (de wilde jaren ’60 en ’70)? Over burgerlijke ongehoorzaamheid en gewetensvrijheid gesproken, de flower powers gingen destijds veel verder dan de weigerambtenaren van nu. Het optreden van de flower powers heeft de samenleving in elk geval meer geld gekost dan de paar weigerambtenaren van nu die ondanks alles toch een prachtige bijdrage leveren aan de samenleving!

Ik woon zelf in een dorp in de Biblebelt, gezien de commotie moet je haast de indruk krijgen dat er dagelijks een mini-burgeroorlog woedt in ons gemeentehuis ‘want die weigerambtenaar daar weigert nu al voor de zesde maal deze week een homohuwelijk te doen, foei zeg, shame and blame him/her in het lokale suffertje, plaats hem/haar op de zwarte lijst’.

Zo is het natuurlijk niet. Er melden zich stukken meer orthodox-christelijke paren die het fijn vinden om een ambtenaar te treffen die een verhaaltje kan afsteken dat helemaal op hen van toepassing is, ook vanuit diepere lagen (waar de gemeente op de keper beschouwd deze ambtenaar inderdaad niet voor inhuurt, maar het luistert een huwelijkssluiting toch mooi op, nietwaar? Als er ergens in het gemeentehuis nog een beetje sprake mag zijn van warmte en gevoel, dan toch wel graag in de trouwzaal? Al die andere keren dat ik me moet melden in het gemeentehuis kost me dat of veel geld of veel tijd en in elk geval is er sprake van de bekende ambtelijke sfeer waar je nou niet bepaald vrolijker van wordt). Ik denk dat deze orthoox-christelijke paren jullie zeer dankbaar zijn, ahum (geweldig bedankt voor jullie farizeeïstische uitleg van ‘de wet’).

Ik snap ook niet dat uitgerekend de homo-lobby pleit voor zo’n sfeerloze en kille ambtelijke invulling van de huwelijksvolstrekking als waar nu voor wordt geijverd, de meeste homo’s die ik ken zijn gevoeliger voor sfeer dan menig hetero. Of zijn de warme (seculiere weliswaar) toespraken straks alleen voorbehouden aan seculiere stellen (homo en hetero)?

En de homeparen die zich jaarlijks in de trouwzaal melden? Wat gebeurt daar mee in ons gemeentehuis? Je zou gezien de politieke inzet en commotie denken dat ze van ‘de ene weigerambtenaar naar de andere worden doorgestuurd om ten laatste, na maandenlang gemeentelijk geharrewar en getraineer dodelijk vermoeid neer te strijken voor die ene liberalere collega-babs die zijn of haar plaats heeft moeten bevechten op de weigerambtenaren en die nu daarom met een chagrijnige kop tegen wil en dank deze huwelijksplechtigheid voltrekt…’.

De praktijk zal wel anders zijn, vermoed ik. Ik heb in onze lokale suffertjes in elk geval nog geen schandalen rond niet-getrouwde homoparen aangetroffen. Ook de homoparen in ons dorp komen met een blij gezicht de trappen af na te zijn getrouwd op het gemeentehuis, zoals het ook hoort.

Waar ik benieuwd naar ben is of diegenen die nu een rigide overheidsopvatting tentoon spreiden (waaronder jij Ruard) dat straks ook bij toekomstige kwesties zullen blijven doen. Ik ben bang dat dat niet het geval zal zijn. De flower powergeneratie is still alive!

Door: Lieuwe Rozema op 16 november 2011, 21:33

Wel heel erg genuanceerd Ruard. Ik vind dat trouwambtenaren iedereen moeten willen trouwen, zonder uitzondering. Gewetensbezwaren bewaar je maar voor de eigen kring. In dienst van het openbaar bestuur dien je alle burgers zonder aanziens des persoons. Ben zelf ambtenaar en het zou toch te gek voor woorden zijn als ik vanuit mijn overtuiging weiger bepaalde mensen subsidie te verlenen, te woord te staan of anderszins niet van dienst te willen zijn. Dus, weg met de weigerambtenaar.

Door: John Jorna op 16 november 2011, 23:08

Nooit mag je als ambtenaar een opdracht zo maar uitvoeren. Altijd hoor je je geweten te raadplegen of de opdracht niet strijdig is met de wet of in strijd met het principe van integer bestuur. Onderschat de macht van hoge ambtenaren niet. Hen controleren is nauwelijks mogelijk. Hun ondergeschikten weten vaak maar al te goed waar hun bazen mee bezig zijn. Die eisen onverbiddelijke gehoorzaamheid. Ik wantrouw die roep ten zeerste.
Ik beschouw het een weigerambtenaar stellen voor de keuze of ontslag of je geweten opzij zetten als gewetensdwang en het getuigt van innerlijke beschaving als je daar geen gebruik van maakt.
De motieven om het burgerlijk huwelijk open te stellen voor partners van hetzelfde geslacht waren vooral van materiële aard. Denk aan nabestaandenpensioen. Ik kan niet beoordelen in hoeverre een homohuwelijk meer is dan die juridische band. Ik zou willen, dat homo’s en lesbiennes duidelijkheid verschaffen over wat hun onderlinge liefde en hun belofte van trouw aan elkaar betekenen. Dan kan er een dialoog ontstaan met mensen, die uit mijns inziens achterhaalde religieuze motieven een homohuwelijk niet als een echt huwelijk kunnen zien.

zondag, 6 november 2011

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Compassie werkt alleen als je het meent

In politiek, beleid, bezuinigen, cda, congres, kansen, mauro, mensen, ontwikkelingssamenwerking, en meer.

Ingezonden opiniebijdrage in Trouw, 04.11.2011

Het CDA-congres probeerde vruchteloos de Kamerfractie te bewegen tot een echte oplossing voor jonge asielzoekers als Mauro. Op datzelfde congres presenteerde Jacobine Geel nieuwe woorden om de identiteit van de partij terug te vinden. Opvallend kernwoord daarin: compassie.
Een mooi woord, al zullen weinig mensen begrijpen wat de relatie is tussen compassie en de keuzes van het CDA. De enorme spanning binnen de partij hangt onder meer samen met de vraag wat er over is van het christelijk-sociale gezicht. Misschien helpt zo’n nieuw woord.
Compassie betekent in de eerste plaats het besef dat wij verbonden zijn met de helemensheid en de hele aarde. Het buitensluiten van anderen of problemen elders is geen oplossing. Compassie betekent ook dat je bereid bent je te laten raken door de ander. Dat wil zeggen dat je de ander nooit als geval, casus of statistiek ziet, maar als medemens die je principieel even veel goeds wenst als je
zelf ontvangen hebt. Tot slot betekent compassie dat je de verantwoordelijkheid neemt om dat te doen of te laten wat nodig is om de ander ook dezelfde kansen te geven.
Vanuit deze houding kun je politieke keuzes maken. Over ontwikkelingssamenwerking bijvoorbeeld. Daar moet je dus niet op bezuinigen,
al kun je wel kijken naar de effectiviteit. Over asielbeleid. Zeg niet dat niemand kan worden teruggestuurd, maar stel wel de vraag wat voor deze mensen zelf goed is. Compassie leidt dan niet direct tot een politiek programma, maar fungeert als toetssteen voor beleid.
Maar het ergste is wanneer een woord als compassie de vlag moet worden op een beleid dat daar haaks op staat. Kies dan liever een ander woord. Of beter nog: kies een ander beleid. Met meer compassie.
Compassie werkt alleen als je het meent.


Reacties op Compassie werkt alleen als je het meent

Door: Liesbeth op 6 november 2011, 10:57

Dank voor dit mooie betoog. Laten wij zien dat compassie echt als basis van politiek kan dienen. Niet alleen als vlag op een modderschuit, bij het CDA is het een betekenisloos woord. Dat nieuwe beleid zie ik daar nog niet zo snel komen…

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Hoop voor de stad – een politiek-theologisch artikel

In politiek, lezen, samenleving, toekomst, werk, hoop, afscheid.

Bij het afscheid vanEvert Jonker, hoogleraar praktische theologie in Kampen, boden (oud-)collega’s hem een boek aan rond centrale thema’s in zijn werk. Ik schreef een verkenning over de betekenis van hoop in de politieke arena.

Wie het thema hoop aansnijdt, richt zich onmiddellijk op de spanning tussen de huidige realiteit en de mogelijke toekomst. Maar daarmee gaat het tegelijk ook over de relatie tussen evangelie en existentie en dus over de relevantie van de
theologische perspectieven voor de wijdere samenleving, de polis, omdat die nu eenmaal deel uitmaakt van onze existentie. Wat betekent hoop dan in de concrete praktijk van politieke vraagstukken? Wat  is de theologische lading van de afwegingen die daar gemaakt worden?

Om verder te lezen (PDF)


donderdag, 3 november 2011

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

De weigerambtenaar

In religie en politiek, homoseksualiteit, overheid, tolerantie, ambtenaren, beperking, bezig, gelukkig, gemeente, en meer.

Column verschenen in CW 03.11.2011

Het woord weigerambtenaar is betrekkelijk nieuw. Met de openstelling van het huwelijk voor mensen van hetzelfde geslacht gingen de gewetensbezwaren spelen van trouwambtenaren die daar moeite mee hebben. Het is wat vreemd dat ze niet worden aangeduid met alles wat ze wel doen – trouwen bijvoorbeeld – maar met iets wat maar een klein deel uitmaakt van hoe ze hun rol zien. Zo heb ik er zelf altijd moeite mee als ik homotheoloog wordt genoemd. Want al ben ik het allebei, mijn theoloog-zijn wordt niet gedomineerd door mijn geaardheid. Net zo moeten we niet doen alsof het weigeren bepalend is voor het werk van deze ambtenaren.

Dat we hen toch zo noemen, komt natuurlijk omdat precies dat deel omstreden is. Ze nemen er een positie mee in die afwijkt van de meerderheid in Nederland. Meer nog: ze willen op dat punt niet meewerken aan de uitoefening van de wet omdat ze daar principiële bezwaren tegen hebben. Het is de vraag hoe lang deze kleine groep die gewetensruimte gegund wordt. Aan de ene kant is het goed om te bedenken dat de openstelling van het huwelijk voor gelijkgeslachtelijke paren nog maar tien jaar geleden plaatsvond. We kunnen niet verwachten dat iedere Nederlander, ambtenaar of niet, daar ook direct achter staat. Bovendien is in elk geval gegarandeerd dat een trouwlustig koppel bij elke gemeente terecht kan.

Aan de andere kant is het moeilijk te verkroppen dat de overheid van haar eigen uitvoerders accepteert dat die een onderscheid maken dat nu juist is opgeheven omdat het discriminerend is. Gelukkig horen we niet van trouwambtenaren die weigeren een huwelijk te sluiten tussen mensen van een verschillend ras, maar principieel anders ligt dat niet. Juist ambtenaren moeten de uitvoerders en verdedigers zijn van de wet en de rechtsstaat. Discrimineren past daar niet bij.

Ik denk echter dat er nog iets anders meespeelt. Geleidelijk aan is de trouwplechtigheid op het stadhuis – of beter: op een idyllische trouwlocatie – belangrijker en ceremoniëler geworden. Vroeger was het vanzelfsprekender dat op het stadhuis het burgerlijk huwelijk werd voltrokken en dat het ceremoniële zwaartepunt in de kerkdienst lag. Het burgerlijk huwelijk was daarmee vooral een juridische en contractuele kwestie en de ambtenaar van de burgerlijke stand hoefde slechts de benodigde formele handelingen te verrichten. Het toespraakje hoefde dan ook helemaal niet zo persoonlijk te zijn.

Dat is vandaag anders. Met de ontkerkelijking is het zwaartepunt verschoven naar de huwelijkssluiting zelf en de ambtenaar van de burgerlijke stand heeft zich ontwikkeld tot een ritueelbegeleider. Op de websites van de gemeenten bieden ze zich aan zodat elk koppel de juiste trouwambtenaar kan kiezen. Na een stevige kennismaking bereidt hij of zij een persoonlijk vormgegeven viering voor met naast de verplichte onderdelen vaak een toepasselijke toespraak en wat al niet meer. Zeg maar: een seculiere trouwdienst met een seculiere voorganger.

Dat betekent allemaal wel dat de hedendaagse trouwambtenaar veel persoonlijker betrokken is bij het sluiten van huwelijken en daardoor ook eerder aanloopt tegen mogelijke gewetensbezwaren. Het invullen van formulieren is nu eenmaal een minder grote aanslag op het geweten dan het houden van een persoonlijke toespraak. (Dat bleek vorige week toen een Haagse weigerambtenaar ontdekte toch een homostel te hebben geaccepteerd en dat wilde oplossen door hen te trouwen zonder toespraak).

Het is de vraag of we in deze richting verder moeten. De overheid biedt nu een trouwservice aan die eigenlijk niet bij de kerntaken van de overheid hoort. Laat de ambtenaar van de burgerlijke stand zich beperken tot het registreren van de huwelijkssluiting, net zo als dat gebeurt bij geboorte en overlijden. Ook daar houdt de ambtenaar zich niet bezig met rituelen en ceremonieën, maar is zijn taak het bijhouden van de burgerlijke stand. Waarom is dat anders bij een huwelijk? De huwelijksceremonie kan veel beter aan de rituele markt worden overgelaten. Ook de bijzondere ambtenaren kunnen op die markt hun nuttige werk doen naast andere ritueelbegeleiders en religieuze gemeenschappen. Daar kan ieder dan vinden wat hij of zij zoekt en zich desgewenst richten op speciale doelgroepen.

Het lijkt mij een heldere beperking van de overheid tot haar kerntaken. En het helpt ons ook direct af van het dilemma van de weigerambtenaar. Het probleem van de weigerambtenaar is niet ‘weiger’ maar ‘ambtenaar’.


Reacties op De weigerambtenaar

Door: Brandol.nl op 3 november 2011, 12:11

Als homostel zou ik niet ‘getrouwd’ willen worden door iemand die dat eigenlijk niet wil, als hetero zou ik absoluut niet getrouwd willen worden door iemand die ook homo’s ‘doet’. Als elk stel een willekeurige trouwambtenaar zou moeten mogen kiezen, waarom mag die ambtenaar niet willekeurig weigeren? Het is toch eigenlijk een erebaantje. Overigens, een zogenaamd homohuwelijk is een per definitie onvruchtbaar huwelijk. Zie de kaart via de link voor de stand van zaken in de diverse gemeenten van Nederland, aanvullingen/tips zijn welkom!

Door: John Jorna op 3 november 2011, 13:44

Terecht zie je er een gewetenszaak in en dwang om het toch te moeten doen zou dan gewetensdwang zijn. Die hebben we in Nederland altijd zoveel mogelijk afgewezen. Dat hing ook samen met een grote tolerantie ten opzichte van andere standpunten. Juist die tolerantie neemt voortdurend af. Merkwaardig, dat juist homo’s die weten wat gebrek aan tolerantie met mensen doet, nu naar weigerambtenaren zo intolerant zijn.

Door: ad op 3 november 2011, 14:24

Goede Ruard,
Je merkt aan bovenstaande reacties al wel dat je niet zozeer een homotheoloog genoemd moet worden maar een progressieve theoloog. Proficiat daarmee.
Om op je inhoudelijke betoog in te gaan: precies de verschuiving van kerk of synagoge naar het burgerlijke huwelijk en dus het ritualiter optuigen van dat laatste is ‘the root of some evil’. Je suggestie om een ambtenaar van de burgerlijke stand het formele, juridische gedeele van de huwelijksvoltrekking voor haar/zijn rekening te geven en het ritueel aan de daarvoor opgeleide professionals in en buiten de kerk, synagoge, tempel, moskee, etc. over te laten, steun ik van harte.
AdG

Door: edevries op 4 november 2011, 11:51

de burgelijke overheid is natuurlijk niet voor niets in dit gat gesprongen. Het zal wel flink geld in het laatje brengen.
Volgens mij lost dit het probleem niet op, want willen gewetensbezwaarde dan wel een handtekening zetten? Principieel verschil tussen enkele juridische contractuele handeling laten uitvoeren en hiervoor de benodigde formulieren voor ondertekenen en een ceremonie is toch niet. Of koppelt men een uitvoerende rol met een ceremonie als een impliciete goedkeuring?
Ik vind dat de burg. gemeente het van haar ambtenaren moet eisen, dat zij elk huwelijk voltrekken. Als lesbo voel ik mij niet gediscrimineerd als ambtenaren liever niet mijn huwelijk willen voltrekken. Ik zie daar verschil in.

Door: sybrand van dijk op 5 november 2011, 18:46

Beste Ruard,

In Trouw stond de uitspraak van diezelfde trouwambtenaar uit Den Haag: “Voor mij is het huwelijk een verbond tussen man en vrouw.” Dat mag hij vinden, privé, maar niet als vertegenwoordiger van de overheid. Stel dat een politieagent zou zeggen: “voor mij bestaat de maximum snelheid niet”. Dat lijkt mij onbestaanbaar. De overheid beloofde bij de openstelling van het huwelijk voor gelijkgeslachtelijke koppels, dat bezwaarde trouwambtenaren vanzelf zouden afvloeien. Het is buitengewoon ongelukkig dat de overheid die belofte nu niet nakomt. Daarmee neemt zij haar eigen wetten omtrent het huwelijk niet serieus.

Door: jan joseph op 11 november 2011, 18:12

Het verbaast mij,
Als gelovig mens heb je toch een vertrouwensrelatie met de Aanwezige.
Waarom weigeren? In ieder gebed kan de persoonlijke overtuiging duidelijk gemaakt worden. Vertrouw hier op en maak van de Aanwezige niet een boeman of zelfs een die liegt. Gewoon je werk doen zonder onderscheid en je zelf durven zijn op de momenten dat je daar aan toe bent.

Door: Nogmaals de weigerambtenaar | Ruard Ganzevoort blogt op 16 november 2011, 12:21

[...] snap de gevoeligheden, maar bij mij valt de afweging anders uit. Ik heb in een eerdere blog al eens geschreven dat het wezenlijke probleem volgens mij ergens anders ligt, namelijk bij het [...]

dinsdag, 1 november 2011

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Gesprek met André Rouvoet over godsdienstvrijheid

In religie en politiek, video, 2011.

Hier de uitzending van Schepper en Co Aan tafel van 31 oktober 2011.

Bekijk de video.


woensdag, 26 oktober 2011

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Coming out churches

In religie, homoseksualiteit, kerk, belangrijk, bezig, boodschap, discussie, geluk, gelukkig, en meer.

Ik begrijp best dat sommige mensen in de kerk moeite hebben met homoseksualiteit. Het is vreemd voor ze en ze hebben altijd gehoord dat het verkeerd was. Toen ik net predikant was, heb ik ook zitten schipperen tussen een homoseksuele jongeman en de kerkmensen die moeite met hem hadden. Achteraf weet ik dat ik die jongeman daarmee echt te kort heb gedaan. Schipperen betekent uiteindelijk dat je kiest voor de menigte en dat je de eenling in de kou laat staan.

Interview in ‘Coming out churches’, samengesteld door Wielie Elhorst en Tom Mikkers. Zoetermeer: Meinema, 2011.

Toen ik later zelf uit de kast kwam, leidde dat er toe dat ik geen predikant meer kon zijn in de kerk waar ik bij hoorde. Ik vind het nog altijd heel jammer dat het mij niet gelukt is om het gesprek open te houden. Opnieuw was het belangrijkste argument om het niet uit te houden dat ‘de gemeente’ daar nog niet aan toe was. Dat heeft me wel verdriet gedaan, niet alleen voor mijzelf, maar vooral voor homo’s en lesbiennes die daarin een teken zagen dat ze niet echt volwaardig mee konden doen in die kerk. Dat heeft me geraakt, want de centrale boodschap voor mij als predikant was de liefde van God en het recht doen aan kwetsbare mensen.

Adam en Evert

Ik heb het onderwerp kerk en homoseksualiteit een tijdje laten rusten. Maar uiteindelijk heb ik, samen met twee studenten, het boek ‘Adam en Evert’ geschreven. In dit boek gaat het over kerk en homoseksualiteit in orthodox-protestantse en evangelische  kring. Hoe moeilijk is het om elkaar als mensen vast te blijven houden? Dat houdt me bezig. Het gaat niet om een bepaald standpunt over homoseksualiteit. Ik zie mezelf ook niet als homotheoloog. Maar wel snap ik juist als homo en als theoloog waar de spanningen liggen. Eigenlijk proberen we met dit boek mensen te helpen om wat uit de loopgraven te komen en echt met elkaar in gesprek te gaan. Het is heel bijzonder om soms van mensen te horen dat ze met ons boek voor het eerst woorden vonden om elkaar te gaan verstaan. Zo moeilijk is dat kennelijk.

De verschijning van het boek zorgde ervoor dat ik in het land gevraagd werd om inleidingen te verzorgen over dit onderwerp.  Ik merkte dan dat ouders van homoseksuele kinderen een belangrijke pleitbezorger zijn voor meer acceptatie in de kerken van homoseksualiteit. Zij brachten nadrukkelijk naar voren dat ze klem zitten tussen de kerk die homoseksualiteit afwijst en hun wens voor hun kind dat hij of zij gelukkig wordt.  Ouders gunnen hun kinderen geluk en willen uiteindelijk geen massieve kerk die afstand houdt.

Verschuiving

Al zal de ambivalentie over homoseksualiteit in kerken nog wel even blijven bestaan, toch zie ik wel wat verschuiven ook in orthodoxe kringen. Een soort bewustzijn dat ontluikt. Belangrijk is dat we de voor- en tegenstanders elkaar niet al te zwart/wit labelen. Het ligt heel genuanceerd. Natuurlijk zie ik een restauratieve stroming bijvoorbeeld in de Rooms-Katholieke Kerk. Maar ook evangelische groepen in de Protestantse Kerk in Nederland groeien en ook daar wordt homoseksualiteit veroordeeld. Onderschat ook de invloed van migrantenkerken niet. Ook daar wordt homoseksualiteit vaak niet geaccepteerd. Maar tegelijk zijn er in die kerken en in veel andere ook plaatsen waar seksuele diversiteit wel gewoon mag bestaan. Ook in orthodoxe kerken is nu al veel meer openheid en erkenning. Zelfs als men bezwaren heeft tegen homoseksualiteit, begint men wel oog te krijgen voor de ervaringen van homo’s en lesbiennes. Dat is winst.

Genade

Ik zou zelf wensen dat de discussie over homoseksualiteit in kerken niet gaat om de vraag “Wat mogen homo’s?” maar “ Wat betekent het om kerk te zijn?”  Wat moet in de eerste plaats de primaire boodschap van een kerk zijn? Dat heeft volgens mij te maken met God die van iedereen houdt. Dat moet voorop staan.  Als je deze vraag vertaalt naar een lokale situatie, dan gaat het erom hoe je met elkaar een gemeente wilt zijn. Die vraag is interessanter en ook eerlijker. Het kan vruchtbare antwoorden opleveren.  Het begrip Coming Out Church zou eigenlijk niet zo veel met homoseksualiteit te maken hoeven hebben. Het zou over kerken moeten gaan die met hun oorspronkelijk boodschap uit de kast komen. We kunnen in de kerk discussiëren over seksualiteit maar het hoort eigenlijk te gaan over de vraag hoe het heil bij elk van ons is binnengekomen. Voor de meeste mensen – homo en hetero – heeft dat te maken met het gevoel van onvoorwaardelijke acceptatie. En als dat je overkomt, dan is dat louter genade. Ik heb dat ervaren toen ik uit de kast kwam en mezelf mocht zijn. Die genade kan geen kerk me ontzeggen. Inderdaad…eigenlijk ben ik nog een heel gereformeerd jongetje.


Reacties op Coming out churches

Door: Anneke op 27 oktober 2011, 09:45

Dag Ruard,
Al jaren lees ik je artikelen met graagte en o.a. het boekje “de hand van God en andere verhalen” blijft inspiratie geven.
Fijn dat je met dit artikel ook weer een voorzet wil geven tot gesprek.

Door: Henry op 27 oktober 2011, 10:46

Dag Ruard,

ik hoop oprecht dat dit een aanzet mag zijn tot verdere dialoog binnen (die) kerk en samenleving.

Door: John Jorna op 27 oktober 2011, 17:30

De weerstand komt niet alleen voort uit bijbelse of religieuze motieven. Mensen moeten zich bewust worden van wat er achter hun gevoelens zit. Ik herinner mij een gesprek met een homo-collega, die tegen me zei: “Ben je bang, dat ik op je val. Nou, dat is in het geheel niet het geval.” Zo zijn jongens bang te ontdekken, dat ze zelf homo zijn en zetten zich af. Ik hoorde, dat artikelen, die ik in mijn parochieblad schreef het gesprek over het inzegenen van een homohuwelijk in de protestante gemeente hier ondersteunden. Op mijn website vind je ze in de rubriek “Kerk en sexualiteit.”.

Door: Hennie op 27 oktober 2011, 22:16

‘Die genade kan geen kerk me ontzeggen’ schrijf je en het is fijn dat je dat zo ervaart. Ikzelf ervaar het zo dat God geen andere handen heeft dan mensen handen, handen die mij willen slaan. Dat God geen andere stem heeft dan de stemmen van mensen, stemmen die mij veroordelen. Christenen zouden meer het spoor van hun naamgever moeten volgen. Waar in de Bijbel veroordeelt Jezus iemand zodanig dat hij hem of haar uit de gemeenschap (uit de genade?) zet? Christenen menen dat zij door het lidmaatschap van een kerk anderen mogen oordelen, alsof ze ineens tot een superieur ras behoren. Wat verwarrend, het ging toch om bevrijding, verlossing, genade en liefde? Het gaat niet om woorden, maar om daden. Voor mij is het allemaal te laat, ik ben mijn geloof (in kerken) kwijt. Ondertussen wel heel gelukkig getrouwd met een man.

Door: Hennie op 27 oktober 2011, 22:16

‘Die genade kan geen kerk me ontzeggen’ schrijf je en het is fijn dat je dat zo ervaart. Ikzelf ervaar het zo dat God geen andere handen heeft dan mensen handen, handen die mij willen slaan. Dat God geen andere stem heeft dan de stemmen van mensen, stemmen die mij veroordelen. Christenen zouden meer het spoor van hun naamgever moeten volgen. Waar in de Bijbel veroordeelt Jezus iemand zodanig dat hij hem of haar uit de gemeenschap (uit de genade?) stoot? Christenen menen dat zij door het lidmaatschap van een kerk anderen mogen oordelen. Wat verwarrend, het ging toch om bevrijding, verlossing, genade en liefde? Voor mij is het allemaal te laat, ik ben mijn geloof kwijt. Ondertussen wel heel gelukkig getrouwd met een man.

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Trauma en geestelijke verzorging

In religie, de wereld, discussie, eerste, hulp, invloed, leiden, mensen, press, en meer.

Geestelijke verzorging is een van de disciplines waarin we veelvuldig te maken hebben met getraumatiseerde mensen. Dat geldt voor de geestelijk verzorgers/pastores in de krijgsmacht of bij justitie, maar evenzogoed voor ziekenhuispastores. Ook de gemiddelde predikant of pastor in een lokale geloofsgemeenschap krijgt regelmatig te maken met trauma-verhalen, bijvoorbeeld rond huiselijk en seksueel geweld. Dat roept de vraag op welke rol deze beroepsgroep kan spelen bij de begeleiding van mensen met traumatische ervaringen.

Verschenen in COGISCOPE, november 2011. www.cogis.nl

Eerste en tweedelijnszorg

Het eerste antwoord op die vraag zal zijn dat geestelijk verzorgers net als bijvoorbeeld huisartsen, maatschappelijk werkers en leerkrachten een belangrijke rol kunnen spelen in de signalering van traumatisering. Ze hebben uit de aard van hun functie makkelijk toegang tot grote groepen mensen en kunnen – als ze daarvoor toegerust zijn – op tijd doorverwijzen naar specialistische hulpverlening. De opleiding en nascholing van geestelijk verzorgers geeft daarom ook als het goed is aandacht aan signalen van traumatisering en aan goede procedures voor de doorverwijzing. Een goede geestelijk verzorger weet wanneer er andere en meer specialistische hulp nodig is. Het belang van deze eerste lijn is moeilijk te overschatten. Vaak zoeken mensen pas hulp als ze volledig zijn vastgelopen en als hun overlevingsmechanismen volstrekt falen. Dat kan echter betekenen dat er inmiddels heel wat onnodige extra schade is veroorzaakt, zowel bij de persoon zelf als bij diens directe omgeving. Vroegtijdige signalering is dan ook van groot belang. De geestelijk verzorger is soms in de positie om mensen op weg te helpen ook als ze nog geen duidelijke hulpvraag kunnen formuleren. Daardoor kunnen ze in de eerste (of nulde) lijn een belangrijke rol spelen.

Daarmee is echter niet alles gezegd. De geestelijk verzorger is namelijk niet alleen een eerstelijnswerker met een generalistische kennis van traumatisering. Hij of zij is ook een specialistische tweedelijnswerker als het gaat om de levensbeschouwelijke of zingevingsaspecten van traumatisering. Daar kan de geestelijk verzorger een eigen, aanvullende bijdrage aan de zorg leveren naast andere professionals. Dat speelt niet in elk hulpverleningstraject een nadrukkelijke rol, maar in een aantal gevallen nadrukkelijk wel. Niet voor niets is het veld van traumastudies multidisciplinair, met aandacht voor onder andere neurofysiologische processen, cognitief-psychologische benaderingen en existentiële thema’s. De geestelijk verzorger kan in dit veld een rol spelen als de deskundige op het punt van de existentiële thema’s.

Religie en trauma

Dat juist de geestelijk verzorger deze rol kan spelen, is minder vreemd dan het op het eerste gezicht misschien lijkt. Er bestaat een fundamentele relatie tussen religie en trauma die het waard is explicieter te verkennen. Vanouds heeft religie te maken met de omgang met de weerbarstigheid van het leven, met lijden en onzekerheid, met onmacht en tragiek. De existentiële vragen op dit punt zijn waarschijnlijk de belangrijkste religieuze drijfveer. Tegelijkertijd moet dan gezegd worden dat deze vragen ook de bron zijn van de meest fundamentele kritiek op religies. Religieuze tradities zoeken wegen om om te gaan met deze vragen, maar geen enkel religieus antwoord op de vragen is werkelijk afdoende. Waarschijnlijk kunnen we de religieuze antwoorden beter zien als symboliseringen van de existentiële zoektocht. De professionele taak van de geestelijk verzorger is dan ook niet dat hij of zij ‘de antwoorden’ kan verschaffen, maar veel meer dat hij of zij de wegen kent waarlangs de zoektocht zich afspeelt.

Deze zoektocht naar betekenissen sluit goed aan bij onder meer de traumatheorie van Ronnie Janoff-Bulman (1992). Ook daar gaat het om betekenis en levensverhalen, ofwel om de ‘assumptive worlds’ waarin mensen hun leven leiden en verstaan. Die assumptive worlds worden opgebouwd rond drie fundamentele uitgangspunten: de betekenisvolle samenhangvan de wereld, de goedwillendheid van de ander en de waarde van de eigen persoon. Dat wil zeggen: we gaan ervan uit dat dingen niet zomaar gebeuren maar dat we er een bepaalde logica en samenhang in kunnen ontdekken waardoor we ook kunnen anticiperen op het vervolg. We gaan ervan uit dat de medemens niet uit is op onze ondergang maar over het geheel genomen vertrouwd kan worden. We gaan er ten slotte vanuit dat ons eigen bestaan ertoe doet en niet zomaar inwisselbaar is voor een ander. Om leefbaar te zijn moet ons levensverhaal in elk geval globaal met deze fundamentele assumpties overeenkomen. Bij traumatisering, aldus Janoff-Bulman, is dat niet langer het geval en daardoor valt de existentiële grond onder de voeten weg en hebben we geen woorden meer die de betekenis van ons bestaan kunnen uitdrukken.

De drie assumpties die Janoff-Bulman beschrijft komen opvallend overeen met de drie kernnoties die een rol spelen in het religieuze denken over het lijden. In de christelijke traditie zijn ze onder meer onder woorden gebracht als de almacht van God, de liefde van God en de waarde van elk individueel mens. De almacht heeft direct te maken met de betekenisvolle coherentie: niets gebeurt toevallig, alles valt onder een goddelijke besturing. De liefde is een directe parallel van de goedwillendheid: niet alleen de medemens maar ook God kan vertrouwd worden. En de waarde van het eigen bestaan is in beide lijstjes zelfs identiek. Die parallel geeft aan dat het hier gaat om een psychologisch dan wel religieus geformuleerde levenswijsheid die op verschillende manier vruchtbaar kan worden gemaakt.

De taak van de geestelijk verzorger is, zoals gezegd, mensen begeleiden bij de omgang met levensvragen, met name ook waar de verbinding gelegd wordt met levensbeschouwelijke tradities. Dat betekent dat er niet een dogmatisch antwoord wordt gegeven op de vraag van het lijden, maar dat de drie kernnoties (almacht/coherentie, liefde/goedwillendheid en eigenwaarde) in het gesprek kunnen dienen als de coördinaten van de zoektocht. Het gaat meer om het verhelderen van de existentiële en spirituele vraag dan om het geven van het juiste antwoord.

Existentiële betekenisvragen

Hoe die vraag er precies uitziet, hangt van minstens drie factoren af. Allereerst is er de aard en de inhoud van de traumatiserende gebeurtenis. Natuurrampen en verkeersongelukken raken vooral aan de pool van de betekenisvolle samenhang of (religieus) de almachtsvraag. De vanzelfsprekendheid en begrijpelijkheid van het leven vallen weg en daarmee de bestaanszekerheid. Bij gewelddaden en andere kwaadaardige incidenten gaat het eerder om de goedwillendheid die ter discussie komt te staan. Kun je anderen nog wel vertrouwen? Dat kan zich ook religieus vertalen in de vraag naar het vertrouwen in God, engelen, geesten, enzovoorts. Bij langdurig geweld en doorlopende traumatisering, zoals bij politieke onderdrukking en herhaald seksueel misbruik in het gezin, komt vaak de derde pool centraal te staan: de waarde van het eigen bestaan. Slachtoffers gaan dan vooral twijfelen aan zichzelf en hun ‘recht’ op geluk.

Het is echter niet alleen de gebeurtenis zelf. Ook de levensbeschouwelijke traditie waarin iemand staat, beïnvloedt hoe de existentiële vraag gestalte krijgt. Elke traditie houdt immers ook een voorkeur in voor de ene of de andere pool. In orthodox-christelijke groepen is de almacht van God en dus de betekenisvolle samenhang zo vanzelfsprekend dat vragen vooral bij deze pool kunnen opkomen, maar ook problematisch zijn. Dat kan betekenen dat men zal worstelen met de goedwillendheid of zal twijfelen aan de eigenwaarde. In liberale en humanistische stromingen zijn vertrouwen in de ander en eigenwaarde meer centraal en zal de samenhang/almacht eerder ter discussie komen te staan.

Ten slotte zijn ook iemands persoonlijkheid en psychische structuur van invloed. Wie naar structurering, autoriteit en rationaliteit neigt, zal de pool van betekenisvolle samenhang zwaarder aanzetten en daar mogelijk ook meer mee worstelen. Wie vooral op relationaliteit gericht is, zal eerder op de goedwillendheid focussen. Wie toch al een kwetsbaar zelfbeeld heeft, zal vooral bij die pool uitkomen.

Bij traumatische ervaringen hangt de existentiële en spirituele betekenisgeving af van de wisselwerking tussen de gebeurtenis, de omgeving en traditie en de eigen persoonlijkheid. Anders gezegd: het verhaal dat we kunnen vertellen, zal moeten aansluiten bij de aard van de gebeurtenis, bij het publiek waar we ons verhaal aan vertellen, en bij wie we zelf zijn. In eerste instantie proberen we steeds die betekenisgeving te laten aansluiten bij onze voorkeursposities. Onze persoonlijkheidsstructuur en levensbeschouwelijke traditie zijn reeds gevormd en kleuren de interpretatie van elke nieuwe situatie. Die structuur (en bijvoorbeeld het godsbeeld van mensen) blijken dan ook niet snel te beïnvloeden. Alleen zeer ingrijpende gebeurtenissen dwingen mensen hun voorkeurspositie te verlaten en op zoek te gaan naar nieuwe betekenissen. Dat is de existentiële en spirituele zoektocht waarin geestelijk verzorgers een rol kunnen spelen. Zij zijn immers getraind in het omgaan met de wisselwerking tussen persoonlijke betekenisgeving en levensbeschouwelijke tradities.

Deskundigheid

Natuurlijk moet dit niet geïsoleerd worden. De existentiële en spirituele dimensie verdient aandacht in de traumahulpverlening naast bijvoorbeeld medische, psychiatrische, psychologische, sociale en juridische hulpverlening. Geestelijk verzorgers zouden daarom op zijn minst basiskennis over traumahulpverlening moeten hebben (net zoals voor andere hulpverleners basiskennis over levensbeschouwing belangrijk is). Ze hebben echter het meeste bij te dragen aan een geïntegreerde zorg- en hulpverlening als ze hun eigen deskundigheid op het existentiële en spirituele domein inzetten om mensen te begeleiden bij hun zoektocht. Dan kan de levenswijsheid van oude tradities op niet-dogmatische manier vruchtbaar worden.

Janoff-Bulman, R. (1992) Shattered assumptions. Towards a new psychology of trauma. New York: Free Press.


zaterdag, 22 oktober 2011

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Een heksenjacht op pedoseksualiteit

In politiek, seksueel misbruik, cda, discussie, huis, integratie, maatschappij, mensen, nederland, en meer.

De vereniging Martijn is omstreden, daarmee is niets te veel gezegd. De club is gericht op de acceptatie van (seksuele) relaties tussen ouderen en kinderen. Het CDA grijpt de veroordeling van de voorzitter wegens het bezit van kinderporno aan om op een verbod aan te dringen. Het is echter zeer de vraag of dat verstandig is. Voor de strijd tegen seksueel misbruik kon het wel eens averechts werken.

De discussie over pedoseksualiteit is in de loop van de jaren een paar keer totaal verschoven (zie mijn artikel ‘tussen trauma en tolerantie‘ voor die ontwikkeling binnen de kerken). In de jaren zeventig en tachtig werd vooral gestreefd naar tolerantie en begrip. Het taboe moest doorbroken worden. De voortrekkers van deze tolerantie meenden zelfs dat het grootste probleem de reactie van de maatschappij is en niet de seksuele contacten zelf. Twintig jaar later is van dat streven naar acceptatie weinig over. Bijna niemand durft het op te nemen voor pedoseksualiteit. En voor pedoseksuelen zelf is steeds minder plaats in de samenleving, zeker als ze een keer veroordeeld zijn. Zo kunnen ze soms geen vaste woonplaats krijgen, worden er folders verspreid met namen en adressen van veroordeelde pedoseksuelen en werd het huis van een niet veroordeelde pedofiel belegerd. En nu sluiten partijen als het CDA zich aan bij burgerinitiatieven om de vereniging Martijn te verbieden.

Ik begrijp die gevoelens. Niet alleen door mijn eigen ervaringen, maar ook door mijn betrokkenheid bij en onderzoek naar slachtoffers van seksueel misbruik. Ik snap heel goed dat het een bedreigend idee is als er bij jou in de buurt iemand woont die seksueel misbruikt gepleegd heeft. Ik begrijp nog veel beter de woede over de vergoelijkende reacties van pedoseksuelen. Zoals de penningmeester van Martijn die de veroordeling van zijn voorzitter wegens het bezit en vervaardigen van een grote verzameling kinderporno (‘voor wetenschappelijke doeleinden’, zei hij zelf) zag als een ‘belemmering voor kinderen’ omdat die nu geen seksueel getinte foto’s meer mogen maken. Dit soort doorzichtige drogredenen – het beroep op kinderseksualiteit – laat vooral zien dat pedoseksuelen meestal niet in staat zijn om onderscheid te maken tussen hun eigen behoeften en de belangen van het kind. En daar zit hem nu net het probleem. Het recente boek van Steven van der Hoeven, Je ogen verraden je, toont dat ook heel scherp.

De vraag is volgens mij dan ook niet wat we zouden moeten vinden van seksueel contact met kinderen. Dat is verboden en dat zal het blijven ook. Terecht. Sterker nog: als daar een kind onder de twaalf bij betrokken is, valt het automatisch in de zwaarste categorie. En ook kinderporno wordt stevig aangepakt omdat het eigenlijk altijd seksueel misbruik impliceert.

De vraag is alleen wel hoe we omgaan met mensen die seksueel gericht zijn op kinderen. Die zijn er namelijk, naar schatting enkele tienduizenden in Nederland. Een deel van hen geeft nooit toe aan die geaardheid en is dus ook niet strafbaar. (Dat maakt het overigens problematisch om de term seksueel misbruik en pedoseksualiteit/pedofilie zomaar gelijk te stellen. Omgekeerd is er ook heel veel seksueel misbruik van kinderen binnen gezinnen (incest) en dan is er van pedoseksualiteit lang niet altijd sprake. Seksueel misbruik komt namelijk niet altijd voort uit seksuele motieven, maar kan ook gaan om macht en vernedering.)

Als we seksueel misbruik willen voorkomen, dan moeten we stilstaan bij de vraag wat potentiële daders van hun daad kan weerhouden en wat bij veroordeelde daders recidive voorkomt. En dan is het veel te simplistisch om te denken dat een verbod op een vereniging als Martijn iets oplost. Alsof er ook maar een pedoseksueel is die dan zal denken: ‘Oh, het mag kennelijk niet. Dan zal ik het maar niet meer doen.’Waarschijnlijk werkt zo’n verbod zelfs alleen maar averechts. Wie seksueel misbruik door pedoseksuelen wil voorkomen, die moet inzetten op hulpverlening en goede integratie in de maatschappij. Isolement, openlijke vernedering, uitsluiting en repressie vergroten de psychische problematiek en maken de kans groter dat mensen over de schreef gaan en zich richten op kinderpornografie of komen tot seksueel misbruik.

Ik heb deze zomer in Zuid-Afrika kennisgemaakt met PedoStop. Dit is een rehabilitatieprogramma voor veroordeelde pedoseksuelen. Lionel, een van de deelnemers, vertelde uitgebreid over zijn leven, het misbruik dat hij gepleegd had en PedoStop. Net als bij AA-programma’s voor alcoholisten draait het programma om bewustwording, erkenning, en het aanleren van gedrag waarmee ze zichzelf kunnen beheersen. Niemand kan smoesjes en drogredenen beter doorprikken dan een medepedoseksueel, zo vertelde Lionel. Daarnaast is het van belang dat ze hun weg terugvinden naar de samenleving en daar integreren. Een goed geïntegreerd maatschappelijk leven is een belangrijke factor in het voorkomen van misstappen. PedoStop lijkt een succesvolle methode te zijn, al is er nog wel meer onderzoek nodig.

Pedoseksualiteit gaat niet zomaar over. Waarschijnlijk gaat de aanleg zelfs helemaal niet over. Niet door repressie, niet door uitsluiting, niet door opsluiting, niet door therapie, en ook niet door een verbod op een vereniging als Martijn, hoezeer ze het er misschien ook naar gemaakt hebben. Wat wel kan, is mensen die hiermee worstelen helpen te voorkomen dat hun neiging leidt tot misbruik van kinderen. Maar dan is het nodig dat wij onze eigen angst en woede overwinnen en het als samenleving aandurven om ook pedoseksuelen een leven te gunnen. Ter bescherming van kinderen.

Zero tolerance als het gaat om seks met kinderen, maar laten we alsjeblieft een heksenjacht voorkomen. Die is namelijk wel prettig voor de onderbuikgevoelens, maar maakt het probleem alleen maar groter. Daar zou de overheid zich niet voor moeten lenen.


Reacties op Een heksenjacht op pedoseksualiteit

Door: Marjelle op 22 oktober 2011, 20:05

Duidelijk en genuanceerd blog.

Door: Paul op 23 oktober 2011, 21:34

Goed verhaal. Je kunt je afvragen of therapie iets uitwerkt. Het therapeutisch veranderen van iemands seksuele oriëntatie lijkt een onmogelijke opgave. Maar ook iemand die zich in seksueel opzicht tot kinderen aangetrokken voelt zal zich moeten realiseren dat toegeven aan deze neiging (is het een geaardheid?) menselijk en maatschappelijk gezien absoluut niet geaccepteerd kan worden. Ik kan me de woede van slachtoffers en hun omgeving ook goed voorstellen en denk dat ik ook alle redelijkheid verlies als seksueel misbruik dichtbij plaatsvindt. Hoe dan ook, de overheid moet het hoofd erbij houden en nadenken over de gevolgen als mensen ‘eigen rechter gaan spelen’. Terecht wordt hier op dat gevaar van een heksenjacht gewezen.

Door: jan anne bos op 24 oktober 2011, 11:12

Het leek me beter niet in te zetten bij kritiek op CDA (ook al is die terecht) maar dat integratieprogramma uit Zuid-Afrika vooral neer te zetten. Dat maakt dit artikel sterk.

maandag, 17 oktober 2011

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Citaat: SGP en de zorgzame samenleving

In politiek, samenleving, kabinet, nederlands, sgp, mooi, saldo.

Citaat uit een verslag in het Nederlands Dagblad over een debatavond bij de SGP-J

GroenLinks-senator Ruard Ganzevoort noemde het ‘triest’ dat de SGP zich verbindt aan een bezuinigingspakket dat per saldo de ‘zorgzame samenleving’ aantast. ‘Dat past niet bij de SGP’, hield de theoloog/politicus zijn collega voor. En wat krijgt de SGP ervoor terug? ‘Een kabinet dat een beetje terughoudend is waar het cultureel liberale vrijheden betreft. Dat is mooi voor de SGP.’ Volgens Ganzevoort gaat het soms om principiële zaken, soms om ‘cliëntelisme’. Als voorbeeld van dat laatste noemde hij het opkomen voor grote gezinnen, waarbij het niet toevallig is dat de SGP-achterban nogal wat van die gezinnen rijk is.


zaterdag, 8 oktober 2011

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Ieder voor zich of toch liever samen?

In politiek, overheid, samenleving, a2, belasting, beleid, bezuinigingen, burger, cultuur, en meer.

Column verschenen in De Linker Wang, oktober 2011

Het was een indringend beeld, de graaiers die op de A2 hielpen bij het ‘opruimen’ van geld dat uit een geldauto was gevallen. Indringend, want wat zouden wij zelf hebben gedaan? Doorrijden? Het geld oprapen en afgeven aan de bewakers? Of toch maar meenemen? In gesprekken erover bleek de moraal vaak flinterdun. Toen doordrong dat de graaiers waarschijnlijk allemaal op video stonden, ging de een na de ander bij de politie het geld (of een deel ervan) inleveren. Dat is ongeveer het morele niveau van een kat of een klein kind: alles mag als het maar niet gezien wordt… Het morele basisprincipe van mijn en dijn is niet altijd even sterk.

Geld van burgers

Datzelfde principe van mijn en dijn wordt juist wel ingeroepen in allerlei discussies over overheidsuitgaven. Of het nu gaat om kunstsubsidies, salarissen van politici en bestuurders, of zorgkosten, er is al gauw iemand die roept: ‘dat doen ze wel van mijn geld.’ En eerlijk is eerlijk, het kabinet lokt dat ook uit. Men verkoopt de harde bezuinigingen onder meer met het argument dat men zuinig is op ons geld. Dat siert de overheid natuurlijk. Het is goed dat ministers beseffen dat ze namens ons beleid maken en uitvoeren en dat het geld dat ze daarbij uitgeven ons gezamenlijke geld is.

Die boodschap wordt vervolgens vooral door kritische stemmen snel overgenomen: ‘dat doen ze van ons geld.’ Inderdaad. Maar het gaat fout als dat vervolgens vertaald wordt naar het individuele niveau. ‘Dat doen ze van mijn geld.’ Meestal betekent dat ook gelijk: ‘en dat zou niet moeten. Mijn geld wordt besteed aan zaken waarmee ik het niet eens ben.’ De – goede – boodschap dat de overheid zich bewust is dat men geld van de burgers uitgeeft, wordt een verlammende redenering als iedereen het met elke uitgave eens moet zijn.

Dat verlammende wordt versterkt door berekeningen dat ongeveer de helft van het geld van burgers door de overheid wordt ingenomen en dat we pas na juli ‘voor onszelf gaan verdienen.’ Voortdurend wordt het beeld neergezet dat de staat een groot geldverslindend monster is dat voortdurend loert op onze eigendommen. En als ze ons geld eenmaal hebben, kunnen wij niets anders doen dan mokkend toezien hoe ze ons geld verspillen.

Afbraak solidariteit

Wat we snel vergeten, is dat we met ons gezamenlijke geld onze samenleving in stand houden. Dat we de zaken zo geregeld hebben dat niet iedereen zijn eigen riool bouwt, maar dat het handiger is als we dat samen doen. Dat je beter collectief scholen en ziekenhuizen kunt bouwen dan ieder voor zich. Dat havens, spoorwegen, bossen, cultuur, sportvoorzieningen en al die dingen meer structuur geven aan de samenleving waar we allemaal elke dag van profiteren. En dat ook investeren in de rest van de wereld – ontwikkelingssamenwerking, defensie – uiteindelijk oplevert dat we met ons allen in een betere, meer leefbare wereld wonen. Dat ‘ons geld’ precies ‘ons’ geld is omdat we daarmee onze gezamenlijke belangen en doelen kunnen dienen. Elke euro belasting die ik betaal is een investering in de samenleving, ook als die misschien wordt uitgegeven op een manier die ik zelf niet gekozen zou hebben. Dat is ook het signaal van de ‘pluk ons’-beweging, rijke mensen die vinden dat ze wel wat meer belasting kunnen betalen.

Het kabinetsbeleid is erop gericht ‘Nederland terug te geven aan de Nederlanders.’ Dat is vooral economisch bedoeld. De staat moet kleiner en mensen moeten vooral zaken weer zelf gaan betalen. Maar daarmee is het beleid ook gericht op een afbraak van de solidariteit, een afbraak van de collectieve verantwoordelijkheid, een afbraak van de gezamenlijkheid. Sport, gezondheid en onderwijs worden meer een individueel belang dan een collectieve verantwoordelijkheid. Cultuur en natuur zijn geen investering in de samenleving maar een kostenpost.

Het kabinet denkt misschien met deze koers te doen wat mensen willen: ‘ons geld terug.’ Maar feitelijk zaagt het aan de poten van de samenleving. Dat men sober wil omgaan met de collectieve uitgaven is verstandig en noodzakelijk in het economische klimaat van nu. Dat men heel kritisch kijkt naar overhead en onnodige kosten in het overheidsapparaat is ook belangrijk, want elk bureaucratisch systeem neigt naar zelfverdikking. En als sommige taken ook of beter privaat kunnen worden georganiseerd, dan moeten we dat vooral willen.

Gezamenlijkheid

Maar dat men de gedachte aanwakkert dat elke overheidseuro diefstal van de burger is, is ongelooflijk dom. De overheid is namelijk van ons en doet namens ons de dingen die we niet zo makkelijk zelf kunnen organiseren. Daarom moeten we investeren in vertrouwen in de overheid en in verantwoording van het beleid. En vooral niet meegaan in het idee dat de overheid tegenover ons staat. De vraag is niet of de burger of de staat er beter van wordt, maar hoeveel we willen bijdragen aan de gezamenlijkheid van de samenleving. Niet het ‘mijn of dijn’, maar het ‘mijn of ons’ is de eigenlijke kwestie.


Reacties op Ieder voor zich of toch liever samen?

Door: Roel van der Vlies op 9 oktober 2011, 09:47

Goed stukje. U beschrijft de situatie zoals die is, maar helaas wordt de situatie door de verschillende (liberale) ideologieen gebruikt om een eigen draai te geven. Tegelijk ben ik het met de heer Van Oerle eens dat de representatieve democratie in de huidige vorm volstrekt ontoereikend is. Maar de link die Van Oerle aanbeveelt is naar een artikel dat niet de lading dekt. Men weet niet waar de klepel hangt.
Zoals gebruikelijk is de kunst al gegaan waar de politiek nog moet komen. Als u beiden echt geinteresseerd bent, raad ik u het volgende artikel van Appadurai aan: http://www.ucl.ac.uk/dpu-projects/drivers_urb_change/urb_governance/pdf_democ_empower/IIED_appadurai_demo.pdf
Hierin kun u lezen dat de toekomstige vormen van democratie al zijn bedacht en geimplementeerd, zij het op kleine schaal. De toekomst is er al, ook al weet de politiek het nog niet.

vrijdag, 23 september 2011

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Nationalisme of heil voor de wereld

In politiek, religie, antisemitisme, bijbel, crisis, de wereld, dwars, europa, financiële crisis, en meer.

Column verschenen in Christelijk Weekblad, 22 september 2011.

In tijden van spanning neemt het nationalisme toe. Mensen hebben sowieso al de neiging om naar soortgenoten toe te trekken. We vinden anderen die op ons lijken bij voorbaat aardiger, slimmer, beter dan wie ons vreemd is. Dat heet de etnocentrische reflex. Een reflex: we denken er niet bij na maar zoeken instinctief aansluiting bij de groep waar we het meest mee delen. Of het nu uiterlijk is, kleding, gedrag, religie, of wat dan ook. Waarschijnlijk is het dezelfde neiging die we zien bij kuddedieren. Zebra’s bijvoorbeeld, die het veiligst zijn in de groep soortgenoten omdat dan de leeuwin alleen de massa ziet en niet die ene prooi kan onderscheiden.

Die etnocentrische reflex wordt bij gevaar alleen maar groter. Dan komt het er op aan en dan moeten dus ook de gelederen gesloten worden. Het is dan ook niet zo vreemd dat in de geschiedenis antisemitisme en homofobie vaak hand in hand gaan. Wanneer het economisch moeilijker was of  oorlog dreigde, zocht de spanning in de samenleving een uitweg ten koste van de ‘vreemdeling’. De groepsreflex richt zich tegen wie anders is.

Het is dus ook niet vreemd dat de laatste tien jaar het nationalisme ook in Europa zo gegroeid is. Elf september 2001 werd direct gevolgd door de War on terror met een zwart-wit wereldbeeld, en daaroverheen kwam de wereldwijde onzekerheid van de financiële crisis. Een makkelijke voedingsbodem voor de neiging om ons terug te trekken in de veiligheid van onze eigen soort. Alle problemen die er zijn, worden toegeschreven aan ‘de anderen’. Grenzen worden aangescherpt, muren opgetrokken. In dat klimaat wordt Europa een gevaar en de ‘internationale rechtsorde’ een dwaas idee. In plaats daarvan klinkt de roep om de ‘nationale identiteit’ – wat die ook precies wezen mag – te versterken en te beschermen tegen te veel verwaterende invloeden. Als wij het in Nederland maar voor elkaar hebben en alle vreemde smetten buiten de deur kunnen houden.

Natuurlijk zijn ook in de religie deze neigingen te herkennen, want religie is symbolisch gekristalliseerde levenswijsheid. In alle tradities komen we pogingen tegen om vooral aan de oude patronen vast te houden en zich af te zetten tegen andersdenkenden. Deze radicale stemmen menen dat ze als enige de goddelijke waarheid verstaan hebben en daarom anderen wel moeten veroordelen. En helaas moeten we constateren dat in verschillende stromingen deze stemmen weer de overhand hebben. Conservatieve theologen zijn er vaak goed in om de grenzen scherp te trekken en duidelijk te maken wie er allemaal buiten valt.

Er is echter ook een andere beweging, een die het heil van de hele wereld op het oog heeft. Theologen als Van Ruler schreven lang geleden al dat het God om de hele wereld gaat, en niet alleen om Israël of om de kerk. Als de bijbel zegt dat het volk van God is  uitverkoren tussen alle andere volken, dan betekent dat niet ten koste van alle volken, maar juist omwille van alle volken. Geen enkele reden om de ander uit te sluiten, maar juist om alle ruimte te maken voor de ander, voor de vreemdeling. Dat is onze roeping. Juist die boodschap is vandaag de dag broodnodig, dwars tegen onze etnocentrische reflexen in.

De kernvraag, zowel in de theologie als in de politiek, is wat de horizon van ons denken is. Zijn we uit op het goede leven (‘heil’) voor onze eigen groep en land, of gaat het ons om de wereld als geheel? Zijn we tevreden als we ons eigen hoekje op orde hebben, of beseffen we dat elke oplossing te kort schiet die niet de hele wereld in ogenschouw neemt? Of het nu in theologische taal wordt gezegd of in politieke, de weg van het nationalisme loopt altijd dood. We zijn deel van de wijdere wereld, of we dat nu willen of niet. Nationalisme is de reflex van de angst; onze toekomst ligt in een open houding tot de wereld.


Aantal berichten op deze pagina: 29. De berichten op deze pagina zijn niet ouder dan 3050 uur (127,1 dagen). Berichtgemiddelde: 0,2 bericht per dag, 1,6 per week.