Misschien had het ook elders kunnen gebeuren, maar het gebeurde in Duitsland, in de jaren tachtig van de laatste eeuw. De BAFOEG beurs van de studenten die samen met mij waren begonnen werd na ongeveer twee jaar vervangen door een leenstelsel. Gelukkig waren ze daarmee niet, het zadelde ze op met een torenhoge studieschuld die ze decennia lang zouden moeten terugbetalen.
Meestal probeerden ze nog een prestatiebeurs te bemachtigen, maar de kans daarop was juist in
deze situatie in die de stichtingen met aanvragen overspoeld werden miniem.
Inderdaad, ook de studente die centraal staat in dit verslag redde zich nog net, zij het met onnodige stress en wat onverkwikkelijke herinneringen. Immers was ze niet stom en hield ze, vordat ze 25 werd, haar diploma met "zeer goed" in alle examensvakken in handen. Ze was er blij mee, hard gewerkt had ze ook, nu nog succesvol promotieonderzoek doen en hopelijk daarna door kunnen gaan in het onderzoek, ze had de smaak te pakken, ze wilde meer, `n promotieproject dat haar echt boeide. Doch het vinden daarvan bleek ondanks haar zeer goede cijfers moeilijker dan ze verwacht had.
Internet was nog niet algemeen beschikbaar en hoogleraren hadden nog veelal vooroordelen t.o.v. vrouwen, belangrijke projecten gaven ze liever aan haar mannelijke collega's. Jong en ambitieus als ze was, gaf ze uiteraard niet op. Ze reisde voor sollicitatiegesprekken naar een aantal universiteiten toe, maar na twee maanden had ze nog steeds geen projekt gevonden dat haar echt overtuigde.
Inmiddels ontving ze natuurlijk geen studiefinanciering meer, maar ze had `n beetje van haar schaarse inkomsten teruggehouden en gespaard, om minst een korte periode aan de keuze van haar verdere loopbaan te kunnen besteden.
Na twee maanden zag ze dat haar spaartegoed door al die reizen en haar overige sollicitatieactiviteiten bijna op was. Langzamerhand werd ze zenuwachig, ook haar ouders begonnen aan te dringen op een beslissing, ze hadden immers al haar vakantiereis na haar diploma betaald.
Gxc3xa9xc3xa9n van de promotieprojecten die haar waren aangeboden overtuigde haar helemaal, dat was
uiteraard ook de reden geweest voor haar aarzelen, maar gezien haar krimpende middelen moest ze nu toch eens een besluit nemen. Ze dacht ook een redelijk mooi project te hebben gevonden, bovendien nog in een grote stad waar ze altijd had willen wonen. Ze probeerde het allemaal positief te zien: Haar promotor had veel belangstelling voor haar getoond en haar zelfs thuis gebeld. Dat hij zich in haar sollicitatiegesprek haar cijfers niet had kunnen herinneren en daarvoor ook niet nog eens interesse had getoond lag waarschijnlijk gewoon aan zijn vele verplichtingen. Bovendien: zijn collega's hadden hem allemaal aanbevolen, hij was duidelijk de meest gerenommeerde van haar mogelijke promotors.
Slechts een van zijn promovendi was iets minder positief geweest ("men kan het met hem vinden",
of zoiets, had `ie gezegd), maar misschien was die man gewoon nooit echt enthousiast in zijn woordkeuze(?) Ze had slechts een half uurtje lang met hem gesproken, kende hem nauwelijks.
Op haar vraag of zijn promotor misschien soms moeilijk deed was die collega niet ingegaan, maar had precies zijn zin herhaald, dus meer zou `ie erover niet loslaten.
In de eerste maand genoot ze daadwerkelijk van haar nieuwe projekt, de nieuwe werkomgeving, haar eerste salaris als promovenda en haar nieuwe een-kamer appartement. Maar al gauw verrezen problemen. Haar metingen toonden aan dat het experiment nog lang niet werkte en dat het bijna volledig opnieuw en anders moest opgebouwd worden. Aan de eigenlijke metingen die ze had zullen verrichten, dus aan het doel van haar promotieproject, zou ze pas veel later kunnen beginnen. De plannen van haar promotor en de co-projectleider bleken allemaal gebaseerd op smoezen en lege beloftes. Het was ineens een heel ander projekt geworden, veel technischer dan ze had verwacht. Het zou daardoor ook langer duren, terwijl ze eigenlijk gehoopt had binnen ongeveer twee jaar klaar te zijn, als ze hard werkte. Ondanks haar anvankelijke teleurstelling na deze ontdekking bleef ze vastberaden met haar project doorgaan en zag ze nog steeds goede kansen om het succesvol af te ronden. Door haar technische ervaring zou ze zelfs later betere kansen op de arbeidsmarkt hebben en zelfstandiger kunnen werken.
Maar na minder dan een vier maanden deed zich een dreiging van geheel andere orde voor: haar promotor begon haar lastig te vallen. Het begon redelijk onschuldig, maar gauw werd die man brutaler. Bijna dagelijks gebeurden er incidenten. Ze raakte daardoor langzamerhand haar concentratievermogen kwijt, ze kon niet meer slapen, niet meer eten, steeds weer hield de vraag haar bezig hoe ze dit moest stoppen, hoe ze zich aan hem kon onttrekken zonder al haar kansen in haar beroep te vernielen, ze was letterlijk in een soort nachtmerrie beland. Desondanks werkte ze door, alleen kostte haar alles meer tijd dan in het begin. Na twee ernstigere incidenten van aanranding zag ze geen andere mogelijkheid dan hem een aangetekende brief te schrijven waarin ze erop stond dat hij zijn gedrag onmiddelijk zou veranderen.
Inderdaad raakte hij haar daarna niet meer aan en bood hij aan de telefoon zijn excuses aan. Maar
hij kwam ook later weer vaak erg dicht naast haar staan en maakte rare grappen en seksuxc3xabel getinte opmerkingen waardoor ze zich in zijn omgeving altijd onprettig en angstig bleef voelen.
Lang durfde ze er met niemand over te praten. Haar vrees bleek niet helemaal ongegrond, want, nadat ze, na die twee zwaardere incidenten, de co-projectleider had ingelicht om niet meer alleen in het lab te hoeven werken en daardoor herhaling te voorkomen, verklapte deze het later allemaal aan haar promotor (zijn superieur) Met behulp van deze getuige en een advocaat lukte het haar promotor om een voorlopige voorziening van het bevoegde gerechtshof tegen haar te bereiken en haar op deze manier het zwijgen op te leggen.
Meer dan twee jaar na het begin van haar promotieonderzoek zag ze daarna geen kans meer haar
promotieproject bij deze promotor nog met succes af te ronden, hoewel het inmiddels ver gevorderd was. Een later in dienst genomen tweede promovendus aan dit project rondde zijn proefschrift voor een deel met haar resultaten af. Aan hetzelfde instituut door te gaan was geen optie geweest, want iedereen danste hier naar de pijpen van haar promotor.
Er zat niets anders op dan opnieuw te beginnen. Op een ander vakgebied herhaalde zij binnen driexc3xabnhalf jaar haar promotieonderzoek. De voorlopige voorziening tegen haar bleef ondanks haar beroepsprocedure van kracht.
In het laatste jaar van haar promotieonderzoek werd onze promovendaondanks haar lage salaris en haar niet afgesloten promotieproject doorhet "Bundesverwaltungsamt" gesommeerd, de eerste termijnen van haarstudielening terug te betalen. Met haar inkomen en haar situatie werdop geen enkele manier rekening gehouden.
Een uitzonderlijke situatie? Helaas niet echt, want ook zo'n 15% van de vrouwen in Nederland krijgen in hun leven te maken met seksueel geweld op het werk of op school (volgens http://www.seksueelgeweld.info/feiten_en_cijfers/omvang_seksueel_geweld). Bovendien kunnen ook een aantal andere al dan niet uitzonderlijke, persoonlijke en niet volledig bewijsbare omstandigheden
tot vertraging van iemands studie leiden.
De kansen voor studenten van minder bedeelde huize blijven door een leenstelsel zoals de VVD het voorstelt ver achter. Een leenstelsel bovendien dat onafhankelijk van het ouderlijk inkomen is – hebben studenten van welvarende huize die door hun ouders toch al gesteund worden in hun opleiding nou echt nog een lening nodig? Past het bij deze tijd van economische crisis om op korte termijn meer geld aan studiefinanciering te besteden dan om sociale redenen noodzakelijk is? In de eerste plaats zijn de ouders verantwoordelijk voor de opleiding van hun kinderen. Slechts als zij deze niet kunnen of, in uitzonderlijke gevallen, niet willen steunen, dient de overheid bij te springen. Ouders met voldoende inkomen die desondanks niet willen meebetalen aan de opleiding van hun kinderen dienen door de overheid ter verantwoording worden geroepen en desnoods door de rechter tot betaling worden verplicht.
Een leenstelsel is niet rechtvaardig, het benadeelt studenten uit gezinnen met lagere inkomens onevenredig, vooral in het geval dat hun studie buiten hun schuld een duidelijke vertraging oploopt of niet afgesloten kan worden. Juist in situaties in die iemand tijdens zijn opleiding kwetsbaar is kan een leenstelsel ertoe leiden dat hij of zij daadwerkelijk financixc3xabel in de knel komt te zitten en de draad niet
meer kan oppakken. Een leenstelsel verhoogt de risico's van een hogere opleiding en versterkt de
afhankelijkheid van de student van zijn (hoog-)leraren. Deze ontwikkeling druist in tegen emancipatie van het individu ongeacht afkomst en andere willekeurige kenmerken, tegen verheffing en tegen het ideaal van kansengelijkheid – allemaal belangrijke linkse idealen.
Solidariteit behoort ook bij deze. Wie zegt dat het onrechtvaardig is dat de loodgieter meebetaalt aan de opleiding van de advocaat, heeft het mis. Doordat het beurzenstelsel door belastinggeld gefinancierd en het belastingstelsel inkomensafhankelijk is, draagt iemand met een lager inkomen al minder bij aan de studiebeurzen dan iemand met een hoger inkomen – precies zoals het hoort.
Bovendien kan de loodgieter net zo goed eens een advocaat nodig hebben als de advocaat een loodgieter en moet de zoon of dochter van de loodgieter later advocaat kunnen worden, mits zij of hij daarvoor aanleg en belangstelling heeft. (Overigens moet uiteraard ook de zoon of dochter van de advocaat loodgieter kunnen worden, als daar hun aanleg en belangstelling ligt – het is een eerbaar beroep.)
In een maatschappij zijn we afhankelijk van elkaar, de arts of leraar heeft de bakker of groenteboer nodig, net als andersom. Iedereen vervuld taken, biedt diensten of producten aan of verzamelt kennis
van die mensen met andere beroepen en taken gebruik maken. Dit wederzijdse geven en nemen noemen we meestal economie. Maar laten we ons die wederzijdse afhankelijkheid die daarbij behoort eens weer goed realiseren, want dit besef draagt bij aan samenhorigheid en interne solidariteit van onze maatschappij – en daarvan kunnen we best nog wat meer ontwikkelen, in plaats van het kille neoliberale egoisme dat slechts meer sociale en economische problemen oplevert.
Waarom doen de linkse partijen op uitzonderingen na dan toch mee aan de afschaffing van de studiebeurs? Inbreuk op de studiebeurs is immers een inbreuk op hun eigen idealen, zoals boven aangetoond. Ik verwacht dat het de geloofwaardigheid van de linkse partijen en hun resultaat op 9 juni ten goede zal komen, als zij naar de protesten luisteren en de studiebeurs overeind houden.
@copyright Anette Koch, 2010