donderdag, 19 januari 2012

Harmen Binnema

Harmen Binnema

Last.fm Twitter

Compassie

In groenlinks, politiek, weblog, begrip, cda, columns, compassie, eerste, facebook, en meer.

In spanning wachten velen binnen, maar zeker ook buiten het CDA, op de uitkomsten van het Strategisch Beraad. Eén groep maakt zich alvast zorgen en wel over het begrip ‘compassie’ dat door Jacobine Geel (net als partijvoorzitter Ruth Peetoom een theologe) centraal gesteld zou worden. Opvallend genoeg pleitte voorzitter Ruard Ganzevoort bij het jubileum van de Linker Wang ook al voor politiek met compassie als nieuw uitgangspunt voor linkse door het geloof geïnspireerde politiek. Ik hoef er niet bij te vertellen dat hij eveneens theoloog is. Ik moet er wel bij zeggen dat ik toen enige aarzelingen had, al was het maar vanwege het feit dat Bush jr. zich in de presidentiële race van 2000 als ‘ compassionate conservative’  presenteerde. Een ideologie waarin de overheid zich zoveel mogelijk terugtrekt, maar in alle hardheid nog een klein zacht randje heeft.

De angst van het groepje CDA’ers was dat compassie te veel de nadruk zou leggen op afhankelijke en zielige mensen, terwijl het CDA onder Balkenende al die jaren toch ‘eigen verantwoordelijkheid’ had gepredikt. De redenering klonk ongeveer zo: wie het heeft over compassie, kan geen PGB meer afschaffen of Mauro terugsturen naar Angola. Best wel lastig voor de twee CDA-bewindslieden die deze twee pittige dossiers onder hun hoede hebben. Compassie was volgens deze leden prima als levenshouding, maar niet als politiek richtsnoer. Een beetje zoals anderen zeggen dat religie prima is, zolang je dat maar thuis of in de kerk doet, maar er niet het publieke domein mee betreedt.

Om twee redenen vind ik de afwijzing van compassie merkwaardig. De eerste is dat het een uitgangspunt is en geen dwingend voorschrift. In concrete situaties zal compassie toegepast moeten worden en daarin kan een ieder zijn of haar individuele keuzes maken. In die zin is compassie niet anders dan solidariteit of rentmeesterschap: wat het betekent, volgt niet uit het begrip zelf, maar blijkt uit het feitelijke handelen van degenen die zich door deze uitgangspunten laten leiden. De tweede reden heeft te maken met de letterlijke manier waarop compassie vaak lijkt te worden uitgelegd: als medelijden, waarbij de associatie met hulpeloos en zielig al snel is gelegd. Eigenlijk is het – zeg ik als (achter)(achter)(klein)zoon van theologen – mooier en beter om over mededogen te spreken. Compassie ligt dan heel dicht bij naastenliefde, solidariteit, omzien naar de ander. Daarmee wordt de relatie ook gelijkwaardig en minder in simpele tegenstellingen als de slimmerd en de sukkel, de rijke en de arme, de geslaagde en de mislukte. Mededogen is meevoelen met de ander, je in hem of haar verplaatsen, je echt verbonden voelen.

Als dat compassie is, past het volgens mij prima in het gedachtegoed van GroenLinks én van het CDA. Wat zou het mooi zijn als compassie helpt om de gure rechtse wind uit het CDA weg te blazen. Wie weet staat dan onverwacht een nieuwe lente voor de deur.

vrijdag, 16 december 2011

Feiko van der Veen

Feiko van der Veen

GR

Toekomst verzorgingsstaat: economie, staat en geest.

In geen categorie, banken, cultuur, dijsselbloem, drie logica's, driegeleding, economie, evelien tonkens, habermas, en meer.

22 augustus
2010. Hoe moet het nu verder met de verzorgingsstaat sinds de marktwerking niet
gebracht heeft wat er van werd verwacht? Men vindt dat tussen staat en markt
een nieuwe rolverdeling moet komen. Het toezicht op de banken moet strakker.
Uitbesteding van overheidstaken aan de markt is op zijn retour. Voor een echte
nieuwe taakverdeling moeten we volgens mij echter de vraag van drie kanten
bekijken: naast markt en staat ook de cultureel-geestelijke sector in
uitgebreide zin, waar dan ook traditionele onderdelen van de verzorgingsstaat
als onderwijs en gezondheidszorg onder vallen.

Toezicht op de banken moet strenger. De economie heeft
te veel speelruimte gehad. Maar professionals in bijvoorbeeld zorg of onderwijs
moeten juist meer de ruimte krijgen en de bureaucratische verantwoordingsplicht
moet minder, dat is de nieuwe tijdgeest sinds het politieke optreden van Pim
Fortuyn. In het regeerakkoord van Balkenende IV werd in 2007 de gemeenschap weer
meer gewicht toegekend ten opzichte van het individu dan decennia lang het
geval was geweest. In het onderwijs moest de overheid moest zich volgens de
parlementaire enquêtecommissie Dijsselbloem (2008) alleen nog bezig houden met
het “wat” van het onderwijs en niet meer met het “hoe”. In de afgelopen
verkiezingscampagne voor de Tweede Kamer stond echter bitter weinig concreets
over deze zaken in de partijprogramma’s. Er is kennelijk nog een lange weg te gaan
van theorie naar praktijk.

 

Een aantal Nederlandse auteurs houdt zich al jaren met
deze zaak bezig. Achterhuis schreef recent over “de utopie van de vrije markt”.
Van der Lans schreef al drie heel concrete boekjes over de gewenste nieuwe
speelruimte voor de publieke sector. Tonkens werkt verder aan haar idee van de
“mondige burgers, getemde professionals”. Ook zij stelt, dat professionals in
de publieke sector, denk bijvoorbeeld aan onderwijs en zorg, niet steeds meer
bureaucratische verantwoording zouden moeten afleggen aan de overheid, om zo meer
tijd over te houden voor hun echte werk. De verantwoordingsplicht gaat uit van
wantrouwen en dat werkt contraproductief.

 

Komen we er verder mee als we de samenleving zien als
bestaande uit de drie deelsystemen economie, politiek en cultuur? Ligt het
probleem niet grotendeels bij het over het hoofd zien van het geestelijk-culturele
leven? Vooral het “vrije geestesleven” is telkens in de verdrukking. Habermas
analyseert hoe in de moderne tijd door economisering en bureaucratisering economie
en staat de persoonlijke “leefwereld” van mensen binnendringen en aan zich
ondergeschikt maken. Een beeldend kunstenaar als Dikker ziet dat daardoor in
het overheidsbeleid artistiek-inhoudelijke kwaliteitscriteria worden vervangen
door marktgerichte en kunsthistorische criteria en authenticiteit en
vakbekwaamheid uit beeld verdwijnen. Tonkens spreekt over de drie logica’s van
markt, bureaucratie en professionaliteit. In de publieke sector komt de
professional klem te zitten tussen de veeleisende, mondige burgers en de
verantwoordingsplicht vanuit de overheid.

 

Tonkens heeft de drie logica’s met elkaar vergeleken.
Voor de markt is efficiëntie de centrale waarde, voor de bureaucratie
rechtsgelijkheid en voor het professionalisme inhoudelijke kwaliteit. Juist
omdat de speelruimten van economie en politiek nu ten koste gaan van cultuur
vind ik het interessant om bij Tonkens te lezen aan welke speelruimte de
professionele logica behoefte heeft. De professional stelt zich in dienst van het
welzijn van de cliënt. Maar niet van wat de klant wil of kan betalen, maar wat
de klant werkelijk nodig heeft. De professional is niet direct dienstbaar aan
de cliënt zelf, maar aan een hoger doel, een geestelijke waarde, zoals
gezondheid, welzijn of waarheid. Vanuit opleiding en ervaring is de
professional in staat om te beoordelen wat de cliënt nodig heeft. Omdat de
professional werkt met mensen en elk geval uniek is, heeft hij of zij vrije
beslissingsruimte nodig en krijgt deze nu onvoldoende. De alsmaar toenemende
standaarden en protocollen kunnen hooguit hulpmiddelen zijn.  De eigen deskundigheid moet meer erkenning
krijgen en de regeldruk vanuit de overheid moet veel minder en anders. Er moet
er wel sprake zijn van afstemming van het oordeel van de professional op het
verhaal van de cliënt. Want de cliënt weet wel beter hoe het voelt om met haar
of zijn probleem te leven en wat zij of hij er voor over heeft om het op te
lossen.

 

Steiner, grondlegger van de antroposofie, heeft zich
ook met de gezonde samenleving bezig gehouden. Ook hij onderscheidde daarbij
drie geledingen: geestesleven, rechtsleven en economisch leven, die hij
koppelde aan respectievelijk vrijheid, gelijkheid en broederschap. Hij pleit
ervoor het bestuur van de samenleving in drie geledingen te splitsen, die
zichzelf besturen en met elkaar omgaan als waren het soevereine staten. Ook het
geestesleven, dat onderwijs, gezondheidszorg, cultuur enzovoort omvat, zou op
eigen benen moeten staan en een overkoepelend bestuur moeten hebben. Over
bijvoorbeeld de benodigde financiële middelen zou het dan moeten overleggen en
onderhandelen met de besturen van de economie en de staat. Voor mij nog altijd
een inspirerende gedachte. Het geestesleven omvat alles wat uit de individuele
vermogens van de enkeling voortkomt. Het moet zijn plaats in een gezonde
samenleving enerzijds krijgen vanuit haar eigen impulsen, zeg
professionaliteit, en anderzijds laten afhangen van begrip en waardering bij
mensen die haar prestaties ontvangen. Mensen zouden bijvoorbeeld hun eigen
dokter of school moeten kunnen kiezen, waarvan de professionele deskundigheid
niet door de staat, maar door gezondheidszorg en onderwijs zelf zouden moeten
worden gegarandeerd. Daarbij zou niet de inhoud centraal moeten worden
voorgeschreven, maar een vrij geestesleven ruimte moeten geven aan allerlei verschillende
richtingen.

 

Als we onze samenleving in de toekomst zo willen
inrichten, dat de publieke sector van onderwijs, gezondheidszorg enzovoort,
waarin professionaliteit centraal staat, gezonder functioneren, zal er dus
speelruimte van economie en staat moeten verschuiven richting
geestelijk-cultureel leven. Het is de hoogste tijd dat daar serieus werk van
wordt gemaakt. Eigenlijk is het probleem van de verzorgingsstaat volgens mij
echter veel fundamenteler. Het hele geestelijke leven, waaronder het
verantwoordingsbesef van de gemiddelde burger, maar ook de maatschappelijke
verantwoordelijkheid in dienst waarvan de economie zich zou moeten stellen, is
in mijn ogen toe aan een flinke opknapbeurt.

 

Zie voor de in de tekst
besproken literatuur: Hans Achterhuis, De utopie van de vrije markt. Paul Dikker,
Oordelen over kwaliteit, zie http://www.pauldikker.nl/pd.artikel8.htm. Jürgen Habermas: zie artikel Paul Dikker. Jos v.d. Lans: Koning Burger; Ontregelen; en: Erop af! Zie http://www.josvdlans.nl/. Rudolf Steiner, De kernpunten van het sociale vraagstuk. Evelien Tonkens, Mondige burgers, getemde professionals.

Feiko van der Veen

Feiko van der Veen

GR

Toekomst verzorgingsstaat: economie, staat en geest.

In geen categorie, banken, cultuur, dijsselbloem, drie logica's, driegeleding, economie, evelien tonkens, habermas, en meer.

22 augustus
2010. Hoe moet het nu verder met de verzorgingsstaat sinds de marktwerking niet
gebracht heeft wat er van werd verwacht? Men vindt dat tussen staat en markt
een nieuwe rolverdeling moet komen. Het toezicht op de banken moet strakker.
Uitbesteding van overheidstaken aan de markt is op zijn retour. Voor een echte
nieuwe taakverdeling moeten we volgens mij echter de vraag van drie kanten
bekijken: naast markt en staat ook de cultureel-geestelijke sector in
uitgebreide zin, waar dan ook traditionele onderdelen van de verzorgingsstaat
als onderwijs en gezondheidszorg onder vallen.

Toezicht op de banken moet strenger. De economie heeft
te veel speelruimte gehad. Maar professionals in bijvoorbeeld zorg of onderwijs
moeten juist meer de ruimte krijgen en de bureaucratische verantwoordingsplicht
moet minder, dat is de nieuwe tijdgeest sinds het politieke optreden van Pim
Fortuyn. In het regeerakkoord van Balkenende IV werd in 2007 de gemeenschap weer
meer gewicht toegekend ten opzichte van het individu dan decennia lang het
geval was geweest. In het onderwijs moest de overheid moest zich volgens de
parlementaire enquêtecommissie Dijsselbloem (2008) alleen nog bezig houden met
het “wat” van het onderwijs en niet meer met het “hoe”. In de afgelopen
verkiezingscampagne voor de Tweede Kamer stond echter bitter weinig concreets
over deze zaken in de partijprogramma’s. Er is kennelijk nog een lange weg te gaan
van theorie naar praktijk.

 

Een aantal Nederlandse auteurs houdt zich al jaren met
deze zaak bezig. Achterhuis schreef recent over “de utopie van de vrije markt”.
Van der Lans schreef al drie heel concrete boekjes over de gewenste nieuwe
speelruimte voor de publieke sector. Tonkens werkt verder aan haar idee van de
“mondige burgers, getemde professionals”. Ook zij stelt, dat professionals in
de publieke sector, denk bijvoorbeeld aan onderwijs en zorg, niet steeds meer
bureaucratische verantwoording zouden moeten afleggen aan de overheid, om zo meer
tijd over te houden voor hun echte werk. De verantwoordingsplicht gaat uit van
wantrouwen en dat werkt contraproductief.

 

Komen we er verder mee als we de samenleving zien als
bestaande uit de drie deelsystemen economie, politiek en cultuur? Ligt het
probleem niet grotendeels bij het over het hoofd zien van het geestelijk-culturele
leven? Vooral het “vrije geestesleven” is telkens in de verdrukking. Habermas
analyseert hoe in de moderne tijd door economisering en bureaucratisering economie
en staat de persoonlijke “leefwereld” van mensen binnendringen en aan zich
ondergeschikt maken. Een beeldend kunstenaar als Dikker ziet dat daardoor in
het overheidsbeleid artistiek-inhoudelijke kwaliteitscriteria worden vervangen
door marktgerichte en kunsthistorische criteria en authenticiteit en
vakbekwaamheid uit beeld verdwijnen. Tonkens spreekt over de drie logica’s van
markt, bureaucratie en professionaliteit. In de publieke sector komt de
professional klem te zitten tussen de veeleisende, mondige burgers en de
verantwoordingsplicht vanuit de overheid.

 

Tonkens heeft de drie logica’s met elkaar vergeleken.
Voor de markt is efficiëntie de centrale waarde, voor de bureaucratie
rechtsgelijkheid en voor het professionalisme inhoudelijke kwaliteit. Juist
omdat de speelruimten van economie en politiek nu ten koste gaan van cultuur
vind ik het interessant om bij Tonkens te lezen aan welke speelruimte de
professionele logica behoefte heeft. De professional stelt zich in dienst van het
welzijn van de cliënt. Maar niet van wat de klant wil of kan betalen, maar wat
de klant werkelijk nodig heeft. De professional is niet direct dienstbaar aan
de cliënt zelf, maar aan een hoger doel, een geestelijke waarde, zoals
gezondheid, welzijn of waarheid. Vanuit opleiding en ervaring is de
professional in staat om te beoordelen wat de cliënt nodig heeft. Omdat de
professional werkt met mensen en elk geval uniek is, heeft hij of zij vrije
beslissingsruimte nodig en krijgt deze nu onvoldoende. De alsmaar toenemende
standaarden en protocollen kunnen hooguit hulpmiddelen zijn.  De eigen deskundigheid moet meer erkenning
krijgen en de regeldruk vanuit de overheid moet veel minder en anders. Er moet
er wel sprake zijn van afstemming van het oordeel van de professional op het
verhaal van de cliënt. Want de cliënt weet wel beter hoe het voelt om met haar
of zijn probleem te leven en wat zij of hij er voor over heeft om het op te
lossen.

 

Steiner, grondlegger van de antroposofie, heeft zich
ook met de gezonde samenleving bezig gehouden. Ook hij onderscheidde daarbij
drie geledingen: geestesleven, rechtsleven en economisch leven, die hij
koppelde aan respectievelijk vrijheid, gelijkheid en broederschap. Hij pleit
ervoor het bestuur van de samenleving in drie geledingen te splitsen, die
zichzelf besturen en met elkaar omgaan als waren het soevereine staten. Ook het
geestesleven, dat onderwijs, gezondheidszorg, cultuur enzovoort omvat, zou op
eigen benen moeten staan en een overkoepelend bestuur moeten hebben. Over
bijvoorbeeld de benodigde financiële middelen zou het dan moeten overleggen en
onderhandelen met de besturen van de economie en de staat. Voor mij nog altijd
een inspirerende gedachte. Het geestesleven omvat alles wat uit de individuele
vermogens van de enkeling voortkomt. Het moet zijn plaats in een gezonde
samenleving enerzijds krijgen vanuit haar eigen impulsen, zeg
professionaliteit, en anderzijds laten afhangen van begrip en waardering bij
mensen die haar prestaties ontvangen. Mensen zouden bijvoorbeeld hun eigen
dokter of school moeten kunnen kiezen, waarvan de professionele deskundigheid
niet door de staat, maar door gezondheidszorg en onderwijs zelf zouden moeten
worden gegarandeerd. Daarbij zou niet de inhoud centraal moeten worden
voorgeschreven, maar een vrij geestesleven ruimte moeten geven aan allerlei verschillende
richtingen.

 

Als we onze samenleving in de toekomst zo willen
inrichten, dat de publieke sector van onderwijs, gezondheidszorg enzovoort,
waarin professionaliteit centraal staat, gezonder functioneren, zal er dus
speelruimte van economie en staat moeten verschuiven richting
geestelijk-cultureel leven. Het is de hoogste tijd dat daar serieus werk van
wordt gemaakt. Eigenlijk is het probleem van de verzorgingsstaat volgens mij
echter veel fundamenteler. Het hele geestelijke leven, waaronder het
verantwoordingsbesef van de gemiddelde burger, maar ook de maatschappelijke
verantwoordelijkheid in dienst waarvan de economie zich zou moeten stellen, is
in mijn ogen toe aan een flinke opknapbeurt.

 

Zie voor de in de tekst
besproken literatuur: Hans Achterhuis, De utopie van de vrije markt. Paul Dikker,
Oordelen over kwaliteit, zie http://www.pauldikker.nl/pd.artikel8.htm. Jürgen Habermas: zie artikel Paul Dikker. Jos v.d. Lans: Koning Burger; Ontregelen; en: Erop af! Zie http://www.josvdlans.nl/. Rudolf Steiner, De kernpunten van het sociale vraagstuk. Evelien Tonkens, Mondige burgers, getemde professionals.

dinsdag, 6 december 2011

Jeroen van Rossum

Jeroen van Rossum

Twitter

Juf Marja

In politiek, adhd, autisme, balkendende, basisonderwijs, betutteling, bezuinigingen, bureaucratie, cda, en meer.

Bijna haastig maakte Marja van Bijsterveldt deze week haar plannen voor dertig Tv-zenders in het standaardpakket wereldkundig. Uitzuigerij van kabelmaatschappijen pikt Marja niet langer. Een fijne bliksemafleider voor onze minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Want wie dacht dat we na vechtkabinet Balkenende XVIII van de christelijke betutteling af waren, komt bedrogen uit.

Marja van Bijsterveldt kondigde vorige week aan dat ze wilde dat ouders zich meer met scholen gingen bemoeien. Ouders moeten meer tijd vrijmaken om voorleesvaders en luizenmoeders te zijn, schoolreisjes te begeleiden en de ontwikkeling van hun kinderen een centrale plek te geven. En dat durft Marja van Bijsterveldt best te zeggen in een tijd waarin de gemiddelde meester of juf nu al gek wordt van ouders die vinden dat hun kind toch net dat beetje aandacht meer verdient. Wat dat betreft heeft Marja met één punt wel een punt: ouders gedragen zich steeds als consumenten.

Want in de huidige assertieve en kindgerichte cultuur is elk kind een prinsje of prinsesje. Zeker wanneer ouders gescheiden zijn, wat tegenwoordig eerder de regel dan de uitzondering is, wordt het welbehagen van het kind met hand en tand (en een grote berg Sinterklaascadeautjes) verdedigd. De bedroevende kwaliteit van onze PABO’s en onze PABO-studenten zorgen bovendien voor een steeds groter wordend wantrouwen tegen leraren. En daar hebben juist de succesvolle PABO’ers, die niet na een jaartje knutselen afhaken, ontzettend last van. Voor een juf of meester goed en wel op stoom komt met zijn klas, komen hele roedels ouders al vertellen hoe het allemaal beter kan, vooral voor hun eigen kroost. Dat het merendeel van onze jeugd bij de eerste scheet die dwars zit al een stempeltje met ADHD of autisme meekrijgt, zal daarbij ook niet erg helpen.

Experts zijn het erover eens dat de kwaliteit van het onderwijs op te lossen is met meer geld op de juiste plek, en minder bureaucratie. De ongebreidelde fusiedrang in onderwijsland, onder druk van de krappe budgetten, bewijst zichzelf al jaren als slechte ontwikkeling. Maar juf Marja gaat het anders oplossen, niks geen geld erbij! In plaats van de positie van leerkrachten in het (basis)onderwijs te versterken, wil ze de ouders nog meer invloed geven in de klaslokalen van Nederland.  Een belachelijk idee.

Een belachelijk idee, niet alleen  omdat het indruist tegen de wens van het kabinet dat de vrouwenparticipatie op de arbeidsmarkt groter wordt, maar vooral omdat ouders nu eenmaal geen pedagogische professionals zijn. Er is niet voor niets een opleiding nodig om voor de klas te mogen staan. En een belachelijk idee omdat ouders een klas nooit subjectief kunnen bekijken, omdat hun eigen kind natuurlijk ‘bijzonder’ is. Die illusie is fijn voor de opvoeding thuis, maar funest voor het onderwijs. Een klas met dertig bijzondere kinderen voorzien van een wensenlijstje van de bezorgde, invloedrijke en betrokken ouders wordt al snel onbestuurbaar. Misschien moeten we Marja van Bijsterveldt een weekje voor de klas zetten…


woensdag, 9 november 2011

Retze van der Honing

Retze van der Honing

PS

Opgetreden tegen te hoog salaris Vitens-bestuurder

In balkenende, provinciale staten, signaal.
(Retze van der Honing 09-Nov-2011, 20:16) Op 9 november a.s. zal Fryslán de officiële overdracht ondertekenen van 754.843 aandelen Vitens. Eerder dit jaar had een meerderheid in de Provinciale Staten geen wensen en bedenkingen tegen de aankoop. De aandelen kunnen dus nu daadwerkelijk worden gekocht. Wat mij betreft geeft Fryslân als grootaandeelhouder meteen een duidelijk signaal af: bij Vitens wordt niet meer verdiend dan de Balkenende-norm.

dinsdag, 1 november 2011

Steven de Vries

Steven de Vries

Hyves Linkedin Last.fm Twitter GR DWARS

Laatste en eerste woorden bij het afscheid van het CDA

In dagelijks leven, groenlinks, politiek, utrecht, beleid, bijbel, cda, christendemocratie, christenunie, en meer.

Ze staan landelijk op slechts elf zetels in de peilingen en hebben slechts 21 zetels in de Tweede Kamer. In de Gemeenteraden van de grote steden spelen ze al jaren slechts een marginale rol. Tijd dus voor een afscheid van het CDA. De meeste kiezers hebben dat al jaren geleden gedaan. Als lid van een concurrerende partij zou ik daar opgetogen over moeten zijn. Toch vind ik het ergens jammer. Misschien is het nostalgie. Misschien zit er meer achter. Wat ik met het CDA heb? Politiek gezien helemaal niets. Ik zou, bij wijze van spreken, nog liever op de VVD stemmen. Ook rechts, alleen een klein stukje oprechter.

Toch gaan christendemocraten mij na aan het hart. Ik maak mij dan ook zorgen. Allereerst is daar de familiale band. Ik kom uit een typische CDA familie. Beide opa’s waren wethouders voor (voorgangers van) deze partij. Er gaat geen verjaardagsfeest of familieweekend voorbij of we bediscussiëren politiek, kerk en maatschappij. Door de jaren heen ging ook steeds meer de koers van De Partij ter discussie staan. Na het vertrek van Lubbers ontstond de onvrede en de irritatie. Balkenende zorgde in eerste instantie voor een opleving, maar vergrote uiteindelijk het ongemak. Ondertussen denk ik dat alleen nog mijn oma trouw CDA stemt. De rest heeft politiek asiel gezocht bij (meestal) GroenLinks of ChristenUnie. Sommigen bleven zweven.

Ik zal het CDA niet alleen missen vanuit een vreemd soort nostalgie. Het kapot gaan van de christendemocratie betekent ook het failliet van de (traditionele) middenpartijen. Al kun je zeggen dat dit al langer het geval is en het CDA al minstens tien jaar geleden het politieke midden heeft verlaten. Overigens zonder dat een groot deel van het trouwe partijkader dit door heeft gehad. Zelfkritiek is nooit het sterkste punt geweest van de christendemocratie. Het einde van de traditionele middenpartijen staat symbool voor de verdere polarisatie in ons land. Dat is jammer. Ik wil een samenleving die ontspannen is en relaxt. Noemt het maar de kracht van zacht (gejat van Yvon Jaspers).

Toch ga ik ook inhoudelijk een deel van het CDA missen. Om mijn inhoudelijke klik te vinden, moet ik echter wel diep graven. Eigenlijk zo diep dat ik nog voor de oprichting van de partij uitkom. Een aantal citaten:

“Het evangelie geeft geen rechtstreekse richtlijnen voor het politieke handelen, maar het geeft wel richtlijnen voor het rechtstreekse politieke handelen, en soms wel degelijk heel concreet. Leest u er Mattheüs 25 maar eens op na: hongerigen voeden, dorstigen te drinken geven, vreemdelingen huisvesten, naakten kleden, zieken en gevangenen bezoeken. Maar dan moeten wij dan wel nú vandaag toepassen. Intussen zijn wij 2000 jaar verder, en kijk eens om u heen!”

“De hongerigen worden niet gevoed; zij sterven als ratten langs de wegen van hun uitgedroogde landen. En als wij 1 procent van ons nationaal inkomen voor ontwikkelingssamenwerking uitgeven, hebben wij meer zorgen over de vraag of die ene procent wel goed wordt besteed, dan over de vraag of die 99 procent die wij voor onszelf reserveren wel goed wordt besteed. De dorstigen worden niet gelaafd. Zij worden aan hun lot overgelaten. En als wij ons aan ons televisietoestel volzuigen met het vergif van de consumptiereclame, dan zit ons de verhoging van de alcoholaccijns meer dwars dan de ellende van de dorstigen in de wereld. En de vreemdelingen worden niet gehuisvest. Zij worden gediscrimineerd en uitgewezen. En wij laten ze uitwijzen, tenzij we ze nodig hebben om het werk te doen waaraan geen Nederlander ondanks honderdduizenden werklozen zijn handen vuil wenst te maken. De naakten worden niet gekleed. Zij worden uitgestoten. En de gevangenen wórden niet bezocht. Zij worden gemarteld.”

Citaten uit een toespraak van Willem Aantjes, één van de founding fathers van het CDA uit 1975. Later zou er naar deze speech verwezen worden als ‘de Bergrede van Aantjes’, refererend aan de Bergrede van Jezus (Mattheüs 25). Woorden waarin, zelfs ik als humanist, mijn inspiratie kan vinden. Later werd overigens besloten dat het CDA haar beginselen zou vinden in een politiek programma en niet in de Bijbel. Natuurlijk, mooie woorden hoort men nog steeds bij het CDA. Ook op het congres van afgelopen zaterdag (29 oktober 2011) van bijvoorbeeld Jacobine Geel. Overigens blijkt zij (Pauw en Witteman, 31 oktober 2011) helemaal geen lid te zijn van de partij. Maar de kern is nu juist dat Aantjes stelt dat het niet gaat om woorden maar: “ook in het praktisch beleid als maatstaf en zelfs als voornaamste en laatste maatstaf zal functioneren, en waar je in die zin ook elkaar op tot de orde mag roepen.” Willem Aantjes leeft trouwens nog steeds. Maar stemt inmiddels, op hoogbejaarde leeftijd, geen CDA meer. Groot gelijk heeft ‘ie…

Ondertussen laat ik mij inspireren door een deel van zijn woorden. Ik wil spreken “voor wie geen stem hebben; die handelt voor wie geen handen hebben; die een weg baant voor wie geen voeten hebben; die helpt wie geen helper hebben.” Ik neem de citaten in bruikleen. Voor het CDA heb ik tot slot nog één citaat over: “Zo uniek, zo exclusief is het evangelie. En zó is het een richtsnoer voor het politieke handelen. Als dat niet herkenbaar is in een christendemocratische politiek, verdient het die naam niet.”

Integrale tekst W. Aantjes op 23-8-1975:
“Waarom zijn wij hier en waarom sta en spreek ik hier? Daar is maar één reden voor: als een getuigenis dat wij bij elkaar behoren en ook bij elkaar willen behoren.

Niet om de ogen te sluiten voor de werkelijkheid, maar om blijk te geven van onze wil om ondanks die werkelijkheid tot elkaar te komen en bij elkaar te blijven. Het CDA wil een appèl zijn op ons volk. Vandaag op onze struikelende weg van wenselijkheid naar werkelijkheid is het allereerst een appèl op elkaar en op onszelf.

Ik hoop dat we het vandaag niet zoeken in subtiele formuleringen en interpretaties, maar zullen discussiëren over de achterliggende zaken zelf. Het gaat er niet om dat wij weleens zullen uitmaken wie er christen is en wie niet. Dat is en blijft voor ieders eigen verantwoordelijkheid en geweten. Het zijn karikaturen die de discussie bederven. Waar het om gaat, is dat het aanvaarden van het evangelie als richtsnoer geen vrijblijvende zaak kan en mag zijn. Daar is het evangelie te kostbaar en unie voor. Zwaarder referentiekader dan het evangelie is er niet. De vraag is niet, hoe goed christen iemand is, maar hoe serieus hij het principiële uitgangspunt van de door hem vertegenwoordigde politieke richting neemt voor zijn politieke activiteiten; in hoeverre het beginsel niet alleen op papier geldt, maar ook in het praktisch beleid als maatstaf en zelfs als voornaamste en laatste maatstaf zal functioneren, en waar je in die zin ook elkaar op tot de orde mag roepen. Niet als een last, maar als een bevrijding. Niet omdat je je aan het evangelie moet houden, maar omdat je ook (en zelfs) in de politiek mag wandelen aan de hand van Gods geboden en geloften.

Het evangelie geeft geen rechtstreekse richtlijnen voor het politieke handelen, maar het geeft wel richtlijnen voor het rechtstreekse politieke handelen, en soms wel degelijk heel concreet. Leest u er Mattheüs 25 maar eens op na: hongerigen voeden, dorstigen te drinken geven, vreemdelingen huisvesten, naakten kleden, zieken en gevangenen bezoeken.
Maar dan moeten wij dan wel nú vandaag toepassen. Intussen zijn wij 2000 jaar verder, en kijk eens om u heen!

De hongerigen worden niet gevoed; zij sterven als ratten langs de wegen van hun uitgedroogde landen. En als wij 1 procent van ons nationaal inkomen voor ontwikkelingssamenwerking uitgeven, hebben wij meer zorgen over de vraag of die ene procent wel goed wordt besteed, dan over de vraag of die 99 procent die wij voor onszelf reserveren wel goed wordt besteed.
De dorstigen worden niet gelaafd. Zij worden aan hun lot overgelaten. En als wij ons aan ons televisietoestel volzuigen met het vergif van de consumptiereclame, dan zit ons de verhoging van de alcoholaccijns meer dwars dan de ellende van de dorstigen in de wereld.
En de vreemdelingen worden niet gehuisvest. Zij worden gediscrimineerd en uitgewezen. En wij laten ze uitwijzen, tenzij we ze nodig hebben om het werk te doen waaraan geen Nederlander ondanks honderdduizenden werklozen zijn handen vuil wenst te maken.
De naakten worden niet gekleed. Zij worden uitgestoten.
En de gevangenen wórden niet bezocht. Zij worden gemarteld. En wij vinden dat wij al heel wat doen – ik spreek over mezelf – als wij een kaart van Amnesty International als kerstgroet rondzenden in plaats van een zoete afbeelding van de herdertjes in Efratha’s velden.

Geen plaats voor christelijke politiek?
De wereld hunkert naar christelijke politiek!

Een politiek, die spreekt voor wie geen stem hebben; die handelt voor wie geen handen hebben; die een weg baant voor wie geen voeten hebben; die helpt wie geen helper hebben.
Kunnen wij dan wel iets doen? Staan wij dan niet machteloos tegenover al deze geweldige noden? Ik weet dat het vooral in het gezelschap van vele antirevolutionairen en christelijk-historischen niet zonder risico’s is de naam van Dorothee Sölle te noemen. Maar waarom zouden wij haar alleen onder het theologische ontleedmes leggen, en niet ook horen de klacht en aanklacht van een mens die niet los kan komen van Christus, maar steeds weer vastloopt op de christenen? In haar gedicht over het overwinnen van de machteloosheid springen als een bevrijding plotseling de woorden naar voren:

Bij ons heeft al eens iemand brood verdeeld
dat genoeg was
voor allen
Bij ons is al eens
iemand opgestaan
uit de doden

Zo uniek, zo exclusief is het evangelie. En zó is het een richtsnoer voor het politieke handelen. Als dat niet herkenbaar is in een christen-democratische politiek, verdient het die naam niet.
Christelijke politiek wordt gekenmerkt door verantwoordelijkheid, dat wil zeggen dat je er weet van hebt verantwoording te moeten afleggen, antwoord te moeten geven. De eerste vraag, die aan een mens gesteld werd, luidde: “Adam, waar ben je?” Dat is de vraag die ons gehele leven begeleidt, ook in de politiek, bij iedere beslissing telkens weer: mens, waar ben je? Waar sta je in de problemen van de wereld? Aan welke kant sta je?
Die eerste vraag zal ook de laatste vraag zijn die ons zal worden gesteld en hij zal niet luiden: “Hoe goed heb je verdiend?” – dat is de vraag die ons hier in de politiek te veel bezighoudt – maar: “Hoe goed heb je gediend?” Het antwoord op de vraag die dan gesteld wordt, wordt hier gegeven.
Vanuit dat besef politiek te handelen, daarin wordt christelijke politiek herkenbaar. Daarin nemen wij elkaar niet de maat. Daar lichten wij elkaar niet op door. Daar spreken wij elkaar wel op aan. Daar roepen wij elkaar wel mee tot de orde. Daar binden wij elkaar wel aan – en dat moet dan helaas wel formeel worden vastgelegd.
Dat is ons richtsnoer. En wie het voorrecht te beurt valt – want dat is het – als vertegenwoordiger van deze richting op verantwoordelijke posten tot politiek handelen te worden geroepen, wordt voor dat politieke handelen geacht daarmee in te stemmen. Het Christen-Democratisch Appèl zal zó zijn, wil het werkelijk christen-democratisch zijn.”

maandag, 15 augustus 2011

Jeroen van Rossum

Jeroen van Rossum

Twitter

Fatsoenlijke mensen

In politiek, anders breivik, balkenende, blanksma, braakhuis, cda, christenunie, coalitie, cohen, en meer.

De oppositie lijkt Mark Rutte toch een beetje zat te worden. Hoewel een ieder het er nog steeds over eens zal zijn dat hij over beduidend meer flair en soepelheid beschikt dan zijn voorganger, begint die charmante nonchalance wat aan kracht in te boeten. Misschien is de zomer van de enorme eurocrisis en het drama in Noorwegen ook niet de uitgelezen tijd om de gul glimlachende premier uit te hangen. ‘Om ons heen woedt een brand, maar we zien alleen een premier die zich vermaakt op festival Dance Valley’, aldus Bruno Braakhuis van GroenLinks. Dat Mark Rutte zich een miljard of vijftig vergist had bij het presenteren van de crisismaatregelen, heeft zijn populariteit vast ook niet geholpen…

D66 en PvdA verwijten Rutte vooral zijn ónzichtbaarheid. Zij verwachten Rutte en minister van Financiën Jan Kees de Jager deze week bij een debat te zien, gesteund door PVV, GroenLinks, ChristenUnie en SP. In dit debat zal niet alleen de crisis met al zijn consequenties en oplossingen voorbij komen, maar zal wellicht ook het leiderschap van Mark Rutte ter discussie gesteld worden. Want waarom heeft hij in de afgelopen weken niet gereageerd in de media? Had hij, als premier, het volk niet gerust moeten stellen, of op zijn minst uitleg moeten geven over de gevolgen van het hele verhaal? En had hij zich niet moeten mengen in het debat rond Anders Breivik? En hoe zit dat met die uitgestoken hand, die maar niet echt wil komen?

Dat Mark Rutte als premier aangevallen wordt, is natuurlijk prima. Elke premier wordt door de oppositie aangepakt. Zeker als die oppositie het gevoel heeft enkel geraadpleegd te worden als het de premier uitkomt. Een verschil in dit geval is wel, dat ook gedoogpartij PVV weinig vrolijk wordt van Mark Rutte, zodra het de Europese schuldencrisis betreft. Zijn de pro-Europese D66, GroenLinks en PvdA nog te porren voor steun aan de Grieken vanuit hun fatsoen, Geert Wilders toetert er vrolijk op los. “Geen cent naar dat corrupte land, we zien het nooit meer terug!” Het Limburgse accent en de verbeten, venijnige toon  moet u er zelf maar even bij denken.

Al met al staat Rutte dus een lastig debat te wachten. Hoewel de oppositie tot nu toe weinig van de grond krijgt, omdat Geert Wilders ondanks zijn giftige uitspraken een motie van wantrouwen niet zal steunen, begint de toon langzaam wat grimmiger te worden. De oppositiepartijen kunnen een keer ‘de telefoon niet opnemen’, zoals Alexander Pechtold van D66 het al verwoordde in een recent debat over de eurocrisis. En Mark Rutte kan niet eeuwig blijven weglachen dat zijn verhouding met de gedogende PVV af en toe wel erg wonderlijk is. Zijn excuus dat de minderheidsconstructie nu eenmaal betekent dat Geert Wilders alles maar kan roepen, zonder af te geven op het kabinet, begint een beetje te vervelen. Wat dat betreft zou het mij niet verbazen als de Noorse schutter nog even langs komt in het debat.

Het blijft wel de vraag hoe serieus de fatsoenlijke mensen van de oppositie zijn met hun dreigement. Misschien kunnen ze nog wat leren van de PVV. Want zolang het bij woorden blijft, en de oppositie vanuit landsbelang het kabinet aan een meerderheid blijft helpen wanneer de PVV afhaakt, zit dit kabinet er nog wel even. Geert Wilders heeft zijn positie immers ook niet gekregen door zich zo fatsoenlijk op te stellen…


woensdag, 3 augustus 2011

Femke Halsema

Femke Halsema

Hyves Twitter TK

Hapklaar

In tv recensies, debatten, sport op tv, recensie, sport, afghanistan, betrokkenheid, debat, eerste, en meer.

Post image for Hapklaar

Mensen die het beste met me voor hebben adviseerden me in deze rubriek te verzwijgen dat ik niet van sport houd. Voor het uitkijken van een hele voetbalwedstrijd heb ik eigenlijk nooit het geduld, of over de live-weergave van de Tour de France nog maar te zwijgen. Berg na berg gaat zelfs het Franse landschap op enig moment vervelen. Ik realiseer me dat ik hiermee tot een minderheid behoor, die wordt gedoogd zolang zij op gepaste momenten het bier en de hapjes ververst.

Toch staat de manie van sportliefhebbers om alles van begin tot eind en live mee te willen maken – en niet alleen ’s avond laat terug te zien in korte hapklare brokken – niet zo ver van me af. Alleen bij mij uit de manie zich niet bij sport maar bij de live-verslagen van grote maatschappelijke en politieke gebeurtenissen.

Dinsdag vond in het Britse parlement de hoorzitting plaats met Rupert en James Murdoch, en hun Britse CEO Rebekah Brooks over de afluisterpraktijken van News of the world. Onder andere de BBC zond dit live (via internet) uit. Bij mij veroorzaakt elke onderbreking van dit ‘festijn’ ergernis. Van alles, van de saaie grauwe setting, de interruptie van vader Murdoch om weinig geloofwaardig te zeggen dat dit ‘de nederigste dag is uit zijn bestaan’, tot het incident met de scheerschuimtaart, wil ik graag rechtstreeks getuige zijn. Zoals de echte Tourliefhebber het vechten en lijden van Johnny Hoogerland gelijktijdig, zonder onderbreking, met hem wil doormaken.

Nu kan mijn kijkgedrag worden gediskwalificeerd als de afwijking van een politieke ex-junk, en misschien is dat ook zo.

Maar zoals sport TV–manie veroorzaakt, zo zijn er miljoenen mensen die de verovering van het Tahrir-plein in Egypte door demonstranten dagen ademloos hebben gevolgd. Hoeveel mensen hebben niet live de ondervraging van Bill Clinton over Monica Lewinsky bekeken, of de speeches van Obama en Palin. Hoeveel mensen zijn niet opgebleven voor de nachtelijke invallen in Irak?

In Nederland worden belangrijke politieke debatten sinds enige tijd live uitgezonden. Het debat over het paspoort van Ayaan Hirsi Ali dat leidde tot de val van het tweede Kabinet Balkenende werd ’s nachts door meer dan 1 miljoen mensen gevolgd. Ook de grote debatten over Irak en de Afghanistan-crisis van het vierde kabinet Balkenende werden door recordaantallen mensen bekeken.

Maar nieuwsprogrammering en politieke verslaggeving staan onder druk: het moet sneller, afwisselender en ironische ‘duiding’ vervangt de betrokken verslaggeving uit eerste hand. De veronderstelling is dat mensen anders wegzappen.

Het moge zo zijn; de gebeurtenissen die ik hier noem zijn ook uitzonderlijk en meeslepend. Maar toch.

Zou het ook kunnen dat juist de licht verteerbare, hapklare brokken waartoe nieuws en politieke gebeurtenissen worden verkleind, het zapgedrag versterken? Zou zappen misschien ook een gevolg kunnen zijn van korte, selectieve samenvattingen die geen emotie of betrokkenheid oproepen? Is het niet zo dat we vooral betrokken raken als we de wedstrijd van begin tot eind, of voor het grootste deel kunnen zien?

Deze recensie verscheen op 20 juli 2011 in De Volkskrant

Hapklaar

vrijdag, 27 mei 2011

Femke Halsema

Femke Halsema

Hyves Twitter TK

Leonardolezing: Politiek in de jaren nul

In speeches, rechtvaardigheid, regels, regeren, regering, rekening, risico, rita verdonk, roc, en meer.

Website van de Leonardo-leerstoelLeonardolezing, uitgesproken 26 mei 2011 op de Universiteit van Tilburg

Dames en heren,

Goedemiddag,

De politiek verlaten veroorzaakt een forse breuk in je bestaan. Eén die je ook nauwelijks kan voorvoelen, zolang je er deel van uitmaakt. Dat geldt òòk als er geen sprake is van een overhaaste aftocht na de val van een kabinet, een incident of een misstap en je jezelf plotseling en in shock terugvindt achter de geraniums.
Ik had mijn vertrek grondig voorbereid en ook wel tussen de bedrijven door nagedacht over de periode erna. Maar veel verder dan uitslapen, boeken lezen, met mijn kinderen spelen en vrienden zien, kwam ik niet. De allesoverheersende gedachte was ‘vrij zijn’ van dwang, druk en het heilige moeten. Maar wat je je onvoldoende realiseert, is dat ‘vrij zijn’ een geestesgesteldheid is die je als politicus juist grondig afleert.

Politici zijn onvrij, èn laten zich onvrij maken, en dat heeft een aantal redenen.
Er is de drukte die veel beroepen op hoog niveau kenmerkt: de agenda wordt door iemand anders gevuld, werkdagen van 12 uur zijn bepaald geen uitzondering en vanaf het opstaan tot het slapengaan jaagt de adrenaline door je bloed.
Ik merkte bijvoorbeeld – en heel simpel – dat ik de krant opnieuw moest leren lezen. Het obsessieve, gespannen scannen van het binnenlandse nieuws op je eigen naam, die van je collega’s en je tegenstanders, het in no-time willen inschatten van de politieke gevaren en risico’s die de krant herbergt, verworden geleidelijk tot een gewoonte. PVV-kamerlid Fleur Agema vertelde ooit bij Pauw & Witteman dat zij elke zaterdag om 6 uur opstond om bij het benzinestation de Telegraaf te kopen. Zodoende wist zij zeker dat zij als eerste van alle Kamerleden mondelinge vragen kon indienen over willekeurig welk incident. Hoe absurd misschien ook het voorbeeld, de onrust en drift waarvan Agema getuigt is geen enkele politicus vreemd.
En zo zijn er meer ingesleten gewoonten: tv-kijken betekent zappen; gesprekken voer je kort en dikwijls instrumenteel, met het oog op het te boeken resultaat; zoals de boeken die je leest vooral ‘nuttig’ moeten zijn voor je politieke handelen. Multitasken is verheven tot een hogere kunst van gelijktijdig telefoneren, internetten, medewerkers instrueren, een debat voorbereiden enzovoort.

Wat het politieke bestaan, als tweede, in hoge mate onvrij maakt is de permanente publieke druk, en de noodzaak èn wil om zichtbaar te zijn. Warren Beaty merkte ooit op over zijn toenmalige minnares Madonna dat zij niet bestond als de camera’s niet draaiden: ‘Why would you say something if it’s off-camera? What point is there existing?’
Politici, zeker de toonaangevende, worden regelmatig en, niet onterecht, bespot omdat ze opduiken in de meest wonderlijke talkshows, RTL-boulevard presenteren en hun oordeel geven over elke denkbare, triviale gebeurtenis. Maar – behalve vanzelfsprekend ijdelheid – hebben zij daarvoor ook goede redenen. Blijvende bekendheid & populariteit zijn namelijk harde voorwaarden voor verkiezingswinst, het kunnen realiseren van je opvattingen en idealen, en de eventuele deelname aan de macht.
Bijvoorbeeld. Toen ik eind 2002, krap 2 maanden voor de verkiezingen, aantrad als nieuwe lijsttrekker, was het grootste probleem mijn geringe naamsbekendheid. Minder dan 30% van de bevolking wist van mijn bestaan. Om ook maar enige rol van betekenis te kunnen spelen tijdens de verkiezingen moest dat razendsnel omhoog naar minimaal 80% en dat betekende een slopende gang langs koffieprogramma’s en vrouwenbladen.
Maar ook jaren daarna, toen ik over bekendheid weinig te klagen had, bleef de noodzaak om zichtbaar te zijn even groot. De meeste kiezers bepalen hun voorkeur namelijk maar deels op politieke opvattingen. Minstens zo belangrijk is hun intuïtieve voorkeur voor de waarden die een politicus vertegenwoordigt, zijn betrouwbaarheid & zijn aardigheid. Opvattingen, levensstijl, humor of de ontroering waarvan een politicus blijk geeft, moeten met elkaar in overeenstemming, en consequent zijn. Zo betekenden in mijn geval de bekende journaalbeelden waarin ik hevig debatteerde met bijv. Rita Verdonk of Geert Wilders ook een gebrekkig electoraal imago van bijterigheid (dan zeg ik het mild).
Het beeld van een politicus dat kiezers opbouwen bestaat uit korte fragmenten, waarbij juist de negatieve het beste beklijven. Reparatie van een onplezierig of onhandig imago kost tijd – televisietijd – en wint aan kracht door herhaling. Voor mij gold in ieder geval dat ik zeker 2 jaar talkshows als ‘Barend & Van Dorp bij elkaar gelachen had, voordat het kwartje viel bij veel kiezers dat ik niet alleen fel kon debatteren, maar misschien ook gewoon een aardige vrouw was aan wie je je kostbare stem kon toevertrouwen.

De druk èn de wil om geregisseerd en beheerst maar ook onophoudelijk zichtbaar te zijn, is niet alleen tijdrovend, maar het beperkt ook je uitingsvrijheid als politicus.
Elke politicus kan getuigen van een slip of the tongue die tot vervelens toe op televisie en op internet zijn herhaald. Balkenende denkt wellicht met weinig plezier terug aan zijn uitspraak tegen mij over de VOC-mentaliteit: ‘Laten we blij zijn met elkaar. Nederland kan het weer! (..) Toch?’ Maar het beëindigde niet voortijdig zijn carrière, wat wel gebeurde met VVD-kamerlid Arend Jan Boekestijn die vooral naam maakte met onhandige opmerkingen, zogenaamde ‘Boekestijntjes’.

De belangrijkste reden waardoor politici onvrij zijn is de tirannie van de tijd en de maatschappelijke omgeving. Daarmee bedoel ik het volgende. Het is voor politici bijna onmogelijk om een bezonken en beredeneerd oordeel te vellen over het politieke bestel waarin zij hun werk doen. Of de maatschappelijke cultuur te analyseren en te bekritiseren waarvan zij tegelijkertijd de drager zijn, waar zij uit voortkomen en hun populariteit aan ontlenen. Politici worden geacht mee te varen op de stroom van maatschappelijke en culturele sentimenten, de tijdsgeest aan te voelen en deze te vertolken. Doen zij dat niet of bekritiseren zij juist de tijdsgeest, dan riskeren zij kiezers, populariteit en uiteindelijk hun positie. Kortom, dan dreigen zij ineffectief te worden.
Maar vrijwel alle politici die ik de afgelopen jaren heb leren kennen, worstelen er ook mee dat ‘de waan van de dag’, zo dikwijls de koers van een debat en de richting van een besluit dicteert. Met de ‘waan’ bedoel ik niet het laatste incidentje uit de Telegraaf dat bij de wekelijkse mondelinge vragen de boventoon voert – hoewel dat ook ergerlijk is. Ik bedoel dat de woorden en onderwerpen die politici kiezen aan maatschappelijke en politieke modes onderhevig zijn en dat die modes dwingend zijn. Simpel gezegd. Geen zichzelf respecterende politicus wil op dit moment thee drinkend en al ‘multiculturaliserend’ in een moskee betrapt worden, ook al zouden daar goede redenen voor zijn. Thee drinken staat voor slapte. Zoals ook geen politicus nu met groot enthousiasme lagere straffen verdedigt, hogere belastingen, gescheiden zwemmen, de vrije verkoop van Mein Kampf enzovoort. Er is een grote omloopsnelheid in de populariteit van politieke onderwerpen. Tegen de dominantie van een kulonderwerp kun je je verzetten, je kan media in hun eenzijdige belangstelling tot de orde willen roepen, maar dan strand je meestal als roepende in de woestijn. Het is bijna onvermijdelijk om je te voegen naar de onderwerpen die gelden als het meest urgent, het meest ernstig – en daarbinnen de variatie te zoeken. Dat is niet uit lafheid of opportunisme maar uit noodzakelijk en gezond lijfsbehoud.

Mocht u na deze inleiding denken dat ik somber ben over de kwaliteit en kracht van politici: nee, geenszins. Wat ik zo-even opsomde zijn de disciplinerende, onvrij makende mechanismen van moderne politiek, mechanismen die – zo zal ik verderop betogen – alleen maar sterker en dwingender worden, en waaraan politici zich slechts met moeite en risico’s kunnen onttrekken.

Maar vandaag verdedig ik ook de stelling dat cultuurkritiek en het opnieuw beoordelen van het politieke bestel en handelen hard nodig zijn. Dat het meedeinen op het tij van maatschappelijke en culturele verandering – niet volstaat. Dat kon misschien in eerdere perioden in onze naoorlogse geschiedenis – waar bijvoorbeeld een oud-politicus zoals Marcel van Dam hoog over opgeeft – nog wel. Maar toen volstond ook om, tegenover de dreiging van de Russen een bataljon tanks aan onze oostgrens te plaatsen. Nu is de maatschappelijke deining te groot en is te onbestemd waar en hoe de golven op de kust slaan.

_____________

Sinds begin februari hebben mijn studenten en ik onderzoek gedaan naar wat ik in de opdracht van de Leonardo-masterclass heb beschreven als ‘De politieke betekenis van de jaren nul’ (de eerste 10 jaar van deze eeuw).

Maar laat me ze eerst even aan u voorstellen: Juliette Barendse, Linde Gasseling, Sabine Geers, Suzanne Keurntjes, Loes Mahieu, Madelene Munnik, Vera Nijveld, Michael Suurendonk, Pauline Verstraten en Eefje Wielders.

Zij hebben de afgelopen maanden literatuurstudie verricht en gesprekken gevoerd – variërend van Mark Rutte tot Hans Laroes, van Herman Tjeenk Willink tot Paul Scheffer. Zij hebben een middag meegelopen bij de redactie van Nieuwsuur, aangezeten bij de fractievergadering van een niet nader te noemen politieke partij en de Haagse sociëteit Nieuwspoort verkend. Zij hebben – aan de hand van eigen stellingen – een debat georganiseerd met studenten van de Tilburgse ROC. En uiteindelijk hebben zij twee keer, in groepjes van drie, een essay geschreven.

Wat ik hier vertel is ook gebaseerd op hun analyses, conclusies en aanbevelingen, wat niet wegneemt dat anekdotes en – zeker – de drastischer opvattingen en conclusies wel degelijk voor mijn eigen rekening komen.

De afgelopen jaren (bijvoorbeeld ook in mijn afscheidsbundel ‘Zoeken naar vrijheid’) heb ik vaak opgemerkt het gevoel te hebben getuige te zijn van een historische politieke tijd. Aantredend als Kamerlid in de tweede Paarse periode in 1998, kenmerkten de politiek en samenleving zich door een grote bezadigdheid. Politiek betekende wat schaven en lasten verlichten en nog eind 2001, toen Pim Fortuyn al heel populair was, bleek uit onderzoek dat de Nederlandse bevolking zeldzaam tevreden was. Er leken – eigenlijk tot de aanslag op de Twin Towers in september 2001 – weinig maatschappelijke en politieke voorbodes voor het tumult dat volgde.

De gedachte getuige te zijn van een historische politieke tijd ontleende ik aan het boek van Ido de Haan over de Nederlandse constitutie: ‘Het beginsel van leven en wasdom’ Hij betoogt daarin dat Nederland tussen 1848 en 1920 in het teken stond van constitutionele politiek. Volgens De Haan draaide het toen niet zozeer om een faire uitvoering van de politieke regels, als wel om het vaststellen van de regels zelf. In die periode werd bijvoorbeeld de staatssoevereiniteit vastgesteld, de scheiding tussen kerk en staat, het vrouwenkiesrecht en de vrijheid van onderwijs. Na 1920 brak een lange periode aan van zgn. ‘normale politiek’. Onze constitutie stond als een huis en werd door politici van alle gezindten als begrenzing geaccepteerd. Zelfs in de jaren zestig en zeventig, jaren van grote maatschappelijke onrust, concentreerde het politieke en maatschappelijke debat zich vooral op de herverdeling van welvaart en rechtvaardigheid, binnen de normatieve grenzen van de grondwet.
Volgens De Haan is pas aan het einde van Paars, versneld door de aanslag op de Twin Towers, de lange periode van ‘normale politiek’ ten einde gekomen en zijn wij opnieuw aangeland in een periode van constitutionele politiek. Of zoals de Haan het somber opsomt: ‘We hebben te maken met een partijenstelsel dat niet langer de verdeeldheid in de samenleving weerspiegelt, een parlement dat zijn centrale plaats daarin verliest en een staat die vastdraait in zijn ambities van herverdeling en rechtvaardigheid. De staat en de samenleving zullen zich opnieuw moeten grondvesten.’ (Tot dusver Ido de Haan)

Terugkijkend op de afgelopen 13 jaar, zijn onmiskenbaar de grootste en hevigste debatten ‘constitutioneel’ geweest. Beginnend wellicht met het venijnige conflict dat volgde op de uitspraken van Pim Fortuyn over artikel 1 van de grondwet: het discriminatieverbod, als sta-in-de-weg van de vrije meningsuiting. Wat volgden waren talloze debatten over de reikwijdte van de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van onderwijs.
Zo kon het gebeuren dat het parlement debatten voerde over de noodzaak en de plicht elkaar de hand te schudden, omdat dit niet langer werd beschouwd als een vriendelijke gewoonte – en het afwijken ervan als een rariteit -maar als een nationale testcase voor onze tolerantie, vrouwvriendelijkheid en ons gelijkheidsdenken. En in dit geval legde het recht van vrije expressie – in de opvatting van de dienstdoende minister Verdonk – het genadeloos af tegen het discriminatieverbod (dat zij op andere momenten met hartstocht relativeerde).
Nieuw was ook het bediscussiëren van de betekenis van godsdienst, en in het bijzonder de Islam, in het parlement zelf. De dominante uitleg van de scheiding tussen kerk en staat was voordien dat politici geen oordelen vellen over geloof. Ook de verhouding in de Trias Politica wijzigde zich, sinds politici zich actief bemoeien met lopende rechtszaken en de benoeming van rechters niet langer beschouwen als een hamerstuk maar tot inzet maken van partijpolitieke strijd (zoals de nieuwe Raadsheer Ybo Buruma overkwam). En hetzelfde kan gezegd worden over de positie van het staatshoofd, die vorige zomer hardhandig buitenspel is gezet bij de vorming van een minderheidskabinet.

Ik denk dat mijn studenten en ik er niet over van mening verschillen dat we inderdaad een periode van maatschappelijke en politieke turbulentie doormaken.
Wel hebben wij samen het idee begraven dat er sprake is van een harde omslag in de politieke geschiedenis die zich concentreert in 1 decennium en is veroorzaakt door de aanslag op de Twin Towers en de politieke moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh. Maatschappelijke en culturele verwarring lijkt eerder het gevolg van geleidelijker, maar evenzeer ingrijpende veranderingen. Veranderingen waarvan de politieke moorden in Nederland en 9/11 in de Verenigde Staten wel machtige symbolen zijn.

Samen, de studenten en ik, hebben we er drie grote en geleidelijke veranderingen uitgelicht die naar onze opvatting met name de afgelopen 10 jaar groot effect hebben gehad op de politieke verhoudingen en het politieke handelen. Deze veranderingen, als ook de effecten op de politiek, hebben de studenten onderzocht en in hun essays beschreven.

1.
De eerste grote verandering is globalisering en de definitieve vestiging van een risicomaatschappij. Deze is de afgelopen decennia in tientallen studieboeken beschreven en de vaststelling dat Nederland onderdeel is geworden van een internationale, globale en kwetsbare risicomaatschappij is bepaald niet nieuw.
Nieuw is wel de hardhandigheid waarmee globalisering de afgelopen jaren onze huiskamers en het parlement is binnengewalst. Als student leerde ik aan het einde van de jaren tachtig al over de ‘risicomaatschappij’ die het gevolg was van globalisering, waarbij de kernramp in Tsjernobyl het meest tot de verbeelding sprekende voorbeeld was. Maar afgezien van een enkele dioxinekoe, leek het met de aanwezigheid van onbeheersbare, wereldwijde risico’s wel mee te vallen.
Die illusie van relatieve veiligheid zijn wij inmiddels wel kwijt.
Inmiddels hebben we hardhandig de gevolgen ondervonden van een aantal
wereldwijde, financiële en economische crises.
Ik kan me goed herinneren dat over de Algemene Beschouwingen van 2008 de dreiging hing van een aanstormende financiële crisis. Maar zelfs toen vlak daarna de Amerikaanse Bank Lehman Brothers omviel, was van groot alarm in de Haagse politiek en in de samenleving nog geen sprake. Het beperkte zich tot een droge notie van risico’s waarop de Nederlandse regering, mocht er iets gebeuren, ‘adequaat’ – in het betere Haagse jargon – zou reageren. Dat is overigens ook gebeurd.
Maar ik kan niet verhullen dat het dreigende omvallen van Nederlandse banken en de duizelingwekkende bedragen die de Nederlandse regering vervolgens beschikbaar moest stellen, ook voor mij een schokkende eye-opener van internationale kwetsbaarheid waren. De razendsnel oplopende staatsschuld, de toenemende werkloosheid in Nederland door onverantwoord gedrag van bankiers en hypothecairs in de Verenigde Staten, was en bleef een nauwelijks te bevatten samenloop van gebeurtenissen en omstandigheden.
En kwetsbaarheid voor internationale risico’s heeft zich niet beperkt tot de financiële markt en de economie. De afgelopen jaren zijn we geconfronteerd met de
razendsnelle verspreiding van ook voor mensen gevaarlijke dierziekten en heeft de wereldwijde klimaatverandering bijvoorbeeld moeten leiden tot een kostbaar plan voor dijkverhoging en dijkbewaking. De aanslag op de Twin Towers en daarop volgend die in Madrid en Londen hebben de zekerheid te leven in een relatief geweldsloze en veilige samenleving voor veel mensen ondermijnd. Internationaal conflict en geweld houden zich ook in onze achtertuin op, worden hier geboren en groot gebracht: zoveel werd vooral bij de moord op Theo van Gogh duidelijk.

Om een beter zicht te krijgen op het effect van internationale crises en risico’s op de Nederlandse politiek hebben de studenten onderzocht hoe in Nederland is omgegaan met de Mexicaanse griep. Dit griepvirus, eerst de varkensgriep genoemd, kreeg vanaf het voorjaar van 2009 delen van de wereld in de greep, zeker toen bleek dat door besmetting niet alleen dieren maar ook mensen dood konden gaan. Inmiddels staat de teller wereldwijd op bijna 19.000 slachtoffers. In Nederland heeft de regering, onder verantwoordelijkheid van minister Klink, snel en ingrijpend gereageerd. Er waren folders en internetsites, risicogroepen kregen het advies zich preventief te vaccineren en er zijn 34 miljoen griepvaccins aangeschaft. Uiteindelijk heeft de Mexicaanse griep in Nederland nooit werkelijk huisgehouden.

Terugkijkend op de politieke besluitvorming valt vooral de grote en oncontroleerbare rol op die deskundigen spelen. Minister en parlement ontbeerden de specialistische kennis die inschatting van de gezondheidsrisico’s vergde en moesten zich in het geheel verlaten op de Gezondheidsraad, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en de World Health Organisation (WHO). Het waren ook de deskundigen die de minister en vervolgens de kamer voor een keuze plaatsten. Men kon 1. ‘afwachtend beleid’ voeren maar dit had een ‘risico voor de nationale gezondheid’ of men kon 2. ‘preventief beleid’ voeren, dat een financieel risico droeg.
Zo geformuleerd hoeft het weinig verbazing te wekken dat Nederland – als één van heel weinige landen – overging tot de peperdure aanschaf van een astronomisch aantal griepvaccins. De keuze was dan ook eigenlijk geen keuze maar een fait accompli omdat geen verantwoordelijk politicus uiteindelijk geld boven de gezondheid van de bevolking zal plaatsen.
Achteraf is er discussie ontstaan over de onbevooroordeeldheid van de deskundigen, de mogelijke rol van de farmaceutische industrie, en het oordeelsvermogen van politici. Dat vind ik terecht.

Meer in het algemeen kun je stellen dat globalisering en internationale crises politici in heel grote mate afhankelijk maken van deskundigen, wier achtergronden, motieven en belangen – anders dan die van politici – dikwijls slecht controleerbaar zijn. Waarvan op het moment dat zij dwingende adviezen geven ook nauwelijks bekend is dat zij zelf over de juiste en noodzakelijk informatie beschikken. De President van de Nederlandse Bank, de heer Wellink, heeft bijvoorbeeld achteraf aangegeven dat ook de Nederlandse Bank en hij zelf onvoldoende op de hoogte waren van de financiële producten waarin banken handelden en de risico’s die deze in zich hadden. Toch voer de regering volledig op de Nederlandse Bank.

2.
Globalisering is niet de enige grote, geleidelijke verandering die de politiek beheerst. Even ingrijpend is – om het eens in chique wetenschappelijke termen te zeggen – het gewijzigde paradigma van multiculturalisme.
Kort gezegd, is multiculturalisme in Nederland lang het bewijs geweest van vrijheid. In ons vrije, democratische land zou ruimte zijn voor andersdenkenden, andere tradities en gebruiken. Door de kracht van onze rechtsstaat, door onze tolerante inborst, ons democratisch bestel en de maatschappelijke mogelijkheden voor sociale stijging, zouden wij ook de komst van grote groepen vreemdelingen gemakkelijk kunnen opvangen. En belangrijker nog, binnen de grenzen van de rechtsstaat werd heb alle ruimte gegeven om hun eigen gang te gaan.
Inmiddels wordt multiculturalisme niet meer beschouwd als een bewijs van vrijheid, maar als een regelrechte bedreiging van onze vrijheid. Tolerantie is niet langer een deugd die geprezen wordt maar synoniem geworden met ‘plooien, schikken en afkopen’ van eigenlijk onoverkomelijke verschillen, tegenstellingen en botsingen.

Het verdwijnen van het geloof in multiculturalisme is een gevolg van de hardnekkigheid van integratieproblemen en het dreigende ontstaan van een allochtone onderklasse (met overmatige criminaliteit en overlast onder allochtone jongeren). Het is ook een gevolg van de angst voor gewelddadig, Islamitisch fundamentalisme dat door de aanslagen is gevoed en ertoe leidt dat in Nederland levende en werkende moslims inmiddels achterdochtig worden beschouwd als wolven in schaapskleren.
Maar beide problemen – de hardnekkige integratieachterstanden en de zorg om gewelddadig Islamitisch fundamentalisme – zijn ook een dankbare voedingsbodem gebleken voor snel populair wordende populisten. Dat multiculturalisme inmiddels een scheldwoord is geworden, is in belangrijke mate hun verdienste. Dit zeg ik wel met enige ironie.

De studenten hebben de afgelopen maanden als casus studie gemaakt van de incidenten die er de afgelopen jaren zijn geweest rond Imams die weigerden de hand te schudden van, in de eerste plaats Minister Verdonk. Vooral de eerste keer dat een Imam, zichtbaar en publiek weigerde de minister de hand te schudden groeide snel uit tot een nationale rel. De minister vond dat er onvoldoende respect was voor het instituut ‘minister’ en voor haar als vrouw en liet weten dat handen schudden een Nederlandse plicht was.

Op basis van hun onderzoek naar het veranderde oordeel over multiculturalisme en de incidenten rond handen schudden merken de studenten op dat politici en het politieke debat zich los lijken te hebben gezongen van de rechtstatelijke kaders waarbinnen zij opereren. Bij de beoordeling van het gedrag van individuele en groepen burgers stellen zij zich minder de vraag ‘is dit onwettig’ maar veeleer de vraag ‘is dit onprettig’. Afwijkend gedrag wordt in toenemende mate als on-Nederlands en onprettig bestempeld en veroordeeld.
Veel burgers, veel media ook, zijn gecharmeerd van de daadkracht en flinkheid die spreekt uit deze stevige oordelen: met name populistische politieke stromingen die van het veroordelen van onprettig, on-Nederlands gedrag hun handelsmerk hebben gemaakt, hebben dan ook een grote electorale vlucht gemaakt
Tegenover de symbolische kracht van harde normatieve oordelen over soms kleine incidenten staat echter een grote politieke en beleidsmatige onmacht. Politici zijn namelijk wel degelijk gehouden en gebonden aan de grenzen van de democratische rechtsstaat, waar deze rechtstreeks voortvloeien uit de mensenrechtenverdragen. Ongeacht retoriek en vertoon van flinkheid kent het integratiebeleid de afgelopen 10 jaar nauwelijks verandering maar een grote stroperige continuïteit en traagheid. De problemen rond integratie, sociale achterstand en criminaliteit zijn de afgelopen jaren niet werkelijk verminderd.
Het zichtbare verschil tussen zeggen en doen in het debat over de multiculturele samenleving levert – zo voeg ik daar aan toe – politici en het politieke bestel inmiddels een serieus geloofwaardigheidsprobleem op.

3.
Als je de gevolgen van de grote maatschappelijke veranderingen rond globalisering en multiculturalisme bij elkaar optelt, dan kun je vaststellen dat politici zich in een lastig parket bevinden, of – wellicht beter – in een lastig parket hebben gemanoeuvreerd.
De grootste maatschappelijke problemen kennen dikwijls een internationale oorsprong, oplossing of vermindering ervan onttrekt zich daardoor vaker aan het handelingsvermogen van gewone Nederlandse politici. Daarbij zijn zij in toenemende mate afhankelijk van specialistische deskundigen, waarbij zij de belangen en de juistheid van deskundige meningen niet altijd even goed overzien. De verleiding van een vlucht in symbolische daadkracht, in flinkheid bij incidenten is levensgroot en deze route wordt dan ook regelmatig genomen.
Het parket wordt nog lastiger als de derde grote verandering van de afgelopen jaren in ogenschouw wordt genomen: de fragmentatie en verveelvoudiging van media en de groeiende invloed van nieuwe media, van internet, weblogs en twitter.

De opvallendste vaststelling van de studenten in het onderzoek dat zij hebben gedaan naar de invloed van de mediacratie op het politieke handelen is dat wordt onderschat dat media zelf in toenemende mate ten prooi zijn aan grote commerciële en economische belangen.
Tijdens een debat gisteravond bij DWDD tussen een vertegenwoordiger van ‘dode- bomen’ media en webloggers – waar de studenten en ik toevallig aanwezig waren -
werd die dwang van commercie nog eens zichtbaar.
De meest gelezen onderwerpen op weblogs en de digitale pagina’s van kranten variëren van ‘condooms met tandjes’ tot de borsten en billen van Kim Kardashian. Serieuze onderzoeksjournalistiek, analyses van ingewikkelde economische problemen leggen het in de lezersaandacht altijd af tegen relletjes met overspel, zich misdragende BN’ers, moord en doodslag. En waar de lezersaandacht minder is, verdwijnt ook de belangstelling van adverteerders, uitgevers en mediabedrijven. Hoofdredacteuren en journalisten staan onder grote druk om lezers – en daarmee adverteerders – waar voor hun geld te geven.

Voor politiek nieuws betekent dit dat ruzies en conflicten, swingende, harde uitspraken over bijvoorbeeld Islamitisch stemvee of Grieks wangedrag, veel makkelijker hun weg vinden in de media dan – ik noem maar wat – de achtergronden van de financiële crisis.

Ik begon deze lezing met de vaststelling dat politici onvrij zijn. Een politicus die langer meewil verhoudt zich tot de tijdsgeest en tot de onderwerpen die zijn kiezers en de media het meeste lijken bezig te houden.
Nu weet ik dat u stiekem denkt: ‘ja hoor eens, een moedige politicus kiest natuurlijk altijd zijn eigen weg, ongeacht de risico’s’. Natuurlijk, dat is ook zo. En er zijn talloze voorbeelden van moderne, moedige politici die dagelijks impopulaire onderwerpen agenderen en verdedigen. Politici die werk maken van onderwerpen als Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen, de noodzaak van nieuwe duurzame energiepolitiek, wereldwijde voedselzekerheid enzovoort, ondanks dat hen dit zo goed als onzichtbaar maakt in de media en daarmee voor kiezers. Zoals ook de moderne politiek talloze voorbeelden kent van politici die dwars tegen de voorspellingen in van peilingen – waar ik overigens ook nog een betoog zou kunnen opbouwen – electoraal risicovolle beslissingen nemen omdat zij een grote innerlijke noodzaak voelen. Mijn opvolger gaf bijvoorbeeld meteen na aantreden een visitekaartje af.

Ik verzet mij hevig tegen de gemakkelijke gedachte dat de kwaliteit van politici de afgelopen decennia minder is geworden of dat de politiek oppervlakkiger en vluchtiger is. Deze nostalgische gedachte die nog wel eens door oude politieke mastodonten wordt geuit, miskent eenvoudig dat de maatschappelijke en politieke omgeving waarin politici hun werk doen met name het afgelopen decennium ingewikkelder en risicovoller is geworden.

Dit neemt niet weg dat er alle reden is om de staat van de politiek en het handelen van politici opnieuw goed en hardhandig te doordenken.
Als ik terugkeer naar Ido de Haan en zijn analyse van ‘constitutionele politiek’ dan denk ik dat je inderdaad kan vaststellen dat, als een gevolg van globalisering, de grote problemen in de multiculturele samenleving en komst van een mediacratie, samenleving en politiek zich opnieuw – moeten – grondvesten.

Politici, gekozen vertegenwoordigers van het volk, zullen daarin onvermijdelijk leiding moeten nemen. Zij dragen wel degelijk de verantwoordelijkheid om oplossingen aan te reiken voor grote maatschappelijke problemen. Of het nu gaat om het verminderen van de werkloosheid die voortkomt uit de internationale economische crisis, het op orde brengen van de staatshuishouding, het verminderen van de sociale en integratieproblemen, het beter beheersbaar en controleerbaar maken van het bureaucratische pandemonium (zoals Volkskrantcolumnist Bert Wagendorp deze week zo mooi opmerkte) of het aanpakken van klimaat- en energieproblemen

In het tweede deel van de masterclass heb ik de studenten gevraagd om – met achterlating van al hun theoretische kennis – eens na te denken over de noodzakelijke veranderingen in het politieke bestel en het handelen van politici.

Ik geef u eerst twee heel alledaagse observaties van de studenten door, waar ik even om moest lachen maar die ook onmiskenbaar veelzeggend zijn.
Na gesprekken met politici en een bezoek aan het parlement, verzuchtten de studenten om beurten dat zij het in het parlement interessanter en ook gezelliger vonden dan zij dachten en dat politici aardiger, welwillender en ook redelijker waren dan hun beeld van hen was.
En vorige week meldde een student dat zij, bezig met de opmaak van het slotessay, eindeloos op Google had gezocht naar foto’s van samenwerkende, vriendelijk met elkaar pratende politici en dat zij die niet had kunnen vinden.

Moderne politici zijn dagelijks verwikkeld in een harde overlevingsstrijd, een strijd om media- en publieke aandacht, in een strijd om het behagen en binden van hun kiezers. Politici zijn met handen en voeten gebonden aan kiezersverwachtingen, populariteitsvereisten en politieke mores. Het maakt hen onvrij om met wat meer afstand de grote problemen van deze tijd te aanschouwen. Het kan hen ook in een isolement brengen van eigendunk en zelfgenoegzaamheid, zo lang het ze goed gaat.

Maar niet alleen zijn de internationale problemen en risico’s, en de afhankelijkheid van derden bij het begrijpen en beheersen ervan, te groot; de vlucht in symbolische daadkracht, symbolische debatten over vooral de multiculturele samenleving die – ondanks daadkrachtige en soms oorlogszuchtige taal – niet leiden tot verbetering van het dagelijkse leven van mensen, ondermijnen de geloofwaardigheid en uiteindelijke effectiviteit van politici. En dit gevaar van politieke machteloosheid en ineffectiviteit op de lange termijn bedreigt alle politici, ook de populisten die zich vooral verheugen over de electorale winst op de korte termijn.

Politieke samenwerking over partijpolitieke grenzen heen, kent een grote noodzaak. Het vermeerdert de gedeelde kennis, het vergemakkelijkt het sluiten van de noodzakelijke compromissen en van het samen regeren.
De studenten hebben bedacht dat het goed zou zijn om kiezers bij de verkiezingen niet meer enkel op de eerste partij van hun voorkeur te laten stemmen maar ook een tweede en een derde voorkeursstem te laten uitbrengen: een zogenaamd ‘songfestivalsysteem’. Het dwingt politici zich beter rekenschap te geven van de politieke ‘umwelt’ waarin ze opereren en al in campagnetijd actief naar coalities te zoeken en deze te verdedigen, waarmee zij na de verkiezingen zouden willen regeren. Afgelopen zomer leidde de vergaande polarisatie tussen politici tot een gefragmenteerde verkiezingsuitslag en een bijna onbestuurbaar land. De ervaringen van de formatie en de idiotie van de totstandkoming van het huidige minderheidskabinet, zouden zich niet moeten herhalen.
Een zelfde milde dwang tot samenwerking zou uit kunnen gaan van het bij de gewone verkiezingen mogen uitbrengen van een adviserende stem op een voorkeurscoalitie. Ook dan geldt dat politici minder uitgedaagd worden om het conflict te zoeken met de electorale concurrenten (zoals Mark Rutte tijdens de laatste verkiezingen deed met Jan Peter Balkenende) maar al tijdens de campagne publiek samenwerking te zoeken met de latere en meest gewenste regeringspartner.
Daarbij lijkt het ons goed als de partijdiscipline en de onderlinge partijtegenstellingen verminderen. Een voorstel van de studenten is om Kamerleden in het parlement niet meer gegroepeerd naar partij te laten plaatsnemen maar bijvoorbeeld op alfabetische volgorde waardoor zij vaker samen optrekken en samenwerken.
Zelf voeg ik daar nog een suggestie naar Italiaans voorbeeld aan toe. Daar kiezen de leden van de verschillende oppositiepartijen samen één oppositieleider. Ook dat leidt onvermijdelijk tot betere samenwerking: de leiders zullen minder geneigd zijn elkaar vliegen af te vangen of elkaar te herhalen. Daarbij verandert het de verhouding tussen de grote en de kleinere oppositiepartijen. Denkt u zich eens in: het zal lang niet altijd vanzelfsprekend zijn dat de leider van de grootste oppositiepartij ook de oppositieleider wordt, bij de andere, kleinere partijen zijn wellicht beter gekwalificeerde kandidaten.
Veel politici maken zich zorgen over de zogenaamde kloof tussen politiek en burgers. Zij gaan eens in de zoveel tijd ostentatief (met een camera op hun nek) in koffiehuizen zitten, de deuren langs om te flyeren en beleggen bijeenkomsten waar burgers hun gal kunnen spuien. Al deze, dikwijls symbolische ontmoetingen betekenen niet werkelijk dat er met burgers wordt samengewerkt. Burgers bezitten veel kennis over, en dagelijkse ervaring met maatschappelijke en bureaucratische problemen, vaker dan nu gebeurt kunnen zij politici helpen oplossingen te formuleren. Met de komst van internet kan de kennis van burgers beter toegankelijk worden gemaakt, gebundeld en geselecteerd (zie bijvoorbeeld de ontwikkeling met ‘crowdsourcing’, waar in NL ook Maurice de Hond zich mee bezighoudt).
Een aantal jaren geleden heeft Rita Verdonk een ‘Ritawiki’ geïntroduceerd: burgers werden uitgenodigd om op haar site mee te schrijven aan haar verkiezingsprogramma. Het initiatief ging al snel kapot aan ‘reaguurders’ die site kaapten. Dat neemt niet weg dat het een goed idee was. Een idee van de studenten is om, verbonden aan de site van de Tweede Kamer, een ‘politieke wiki’ te starten waarop burgers oplossingen voor dringende en grote maatschappelijke problemen kunnen aanreiken. Vergelijkbaar met ‘wikipedia’ moet ook het debat over de inbreng van verschillende burgers zichtbaar kunnen zijn en moet zichtbaar kunnen zijn wie deelnemen aan een debat. Om te verhinderen dat de site gekaapt wordt, zou het een idee kunnen zijn dat burgers zich inschrijven met hun ‘digid’ die dan wel bekend is bij de Tweede Kamer maar niet zichtbaar is. Wel moet nagegaan worden of dit privacyproblemen geeft.

Onderlinge, harde competitie en concurrentie tussen politici en tussen parlementariërs en regering is slecht voor de openbaarheid. Angst voor misstappen en voor publieke vernedering leidt ertoe dat politici terugdeinzen voor het geven van inzicht in hun beweegredenen en in de wijze waarop zij tot een besluit zijn gekomen, met wie zij hebben gesproken en welke rol bijvoorbeeld lobbyisten hebben gespeeld. Het voorstel van Minister Donner om de Wet Openbaarheid Bestuur (WOB) verder in te perken en journalisten die de gangen van een minister willen nagaan, verder op achterstand te zetten, is een teken aan de wand.
Het is een misvatting dat een ‘cultuur van heimelijkheid’ de kwetsbaarheid van politici zou verminderen; het vergroot juist de achterdocht en de behoefte om politici hard af te rekenen als blijkt dat zij oneigenlijk informatie achterhouden.
Openbaarheid van informatie is een teken van politieke kracht, het versterkt de samenwerking met burgers en vergroot daarmee uiteindelijk ook de legitimiteit van beslissingen.
Het zou goed zijn als de Wet Openbaarheid Bestuur juist wordt verruimd en het aantal ‘uitzonderingsgronden’ voor het ter beschikking stellen van informatie aan journalisten en anderen, wordt verminderd
Naar mate beslissingen ingewikkelder worden (zoals bijvoorbeeld bij de Mexicaanse griep) zou het ook goed zijn als politici vaker laten zien ‘hoe’ zij tot een beslissing zijn gekomen, en niet enkel burgers ermee confronteren ‘dat’ zij een beslissing hebben genomen. Samen met de studenten pleit ik ervoor om vergelijkbaar met de Rekenkamer (die de doelmatigheid en rechtmatigheid van overheidsbestedingen onderzoekt) een onafhankelijke Besluitvormingskamer in te stellen die nagaat hoe een grote politieke beslissing tot stand is gekomen, op welke feiten en onderzoek deze is gebaseerd, welke derden daarbij een grote rol hebben gespeeld en wat hun belangen en motieven zijn.

Ervan uitgaand dat er sprake is van constitutionele politiek waarbij politiek en samenleving zich opnieuw grondvesten, zou het logisch zijn dat onze constitutie daarin ook een grote rol speelt. En dan bedoelen wij niet enkel in de schreeuwerige verdediging van een enkel grondrecht, zoals de vrijheid van meningsuiting of de vrijheid van godsdienst. Het kenmerk, maar ook de schoonheid, van onze constitutie is de gelijkwaardige botsing van grondrechten, van burgerlijke waarden, die erdoor op een vreedzame manier mogelijk wordt gemaakt. De grondwet constitueert daarmee ook heel letterlijk onze samenleving.
Betere kennis en een meer actieve verdediging van onze grondwet door politici, helpt wellicht ook burgers om met wat meer distantie, wat meer abstractie, politiek en maatschappelijk conflict en meningsverschil te beoordelen. Dit vereist echter wel dat de grondwet wordt vereenvoudigd en wordt verduidelijkt. Onze grondrechten zijn te cryptisch beschreven omdat ze tegelijkertijd ruimte laten voor uitzonderingsbepalingen door de overheid vast te stellen. Wij zijn voorstander van een nieuwe, moderne grondwet die eenvoudig en aantrekkelijk is en die daarmee ook een goed instrument in het onderwijs en in het politieke debat kan zijn.
Daarnaast is het hoog tijd om constitutionele toetsing in te voeren (diegenen die mijn werk van de afgelopen jaren kennen weten dat dit niet de eerste keer is dat ik hiervoor pleit). Niet alleen geeft het burgers een grotere mate van rechtsbescherming tegenover overheidsmacht, het brengt de grondwet ook tot leven omdat deze niet langer ‘een gesloten deur’ is voor burgers, zoals Thorbecke het ruim anderhalve eeuw geleden al omschreef.
Als samenleving en politiek een nieuw grondvest zoeken voor gezamenlijk handelen dan hopen wij dat die wordt gevonden in het zachtaardige, rechtstatelijke patriottisme dat onze constitutie biedt

Gisteravond kreeg ik bij DWDD de vraag, waarom komt u er nou mee, nu u aan de kant staat.
Aan de kant staan is ook reinigend en noodzakelijk om de politiek – waarvan ik houd – met wat meer distantie, wat minder politieke belangen, wat minder koortsachtig te kunnen gadeslaan en te beoordelen.

Ik dank de Universiteit van Tilburg, en in het bijzonder Hans van Driel en zijn staf voor de gelegenheid die zij mij hebben geboden. Ik dank vooral de Leonardostudenten voor het waardevolle onderzoek dat zij de afgelopen maanden hebben verricht en de vele levendige gesprekken en discussies die wij samen hebben gevoerd.

Dank u wel.

 

NB: Mevrouw Yvon de Witte meldt via twitter dat zij het idee voor een ‘songfestivalsysteem’ eerder op Facebook heeft voorgesteld en heeft vastgelegd bij de belastingdienst. Zij hecht aan vermelding daarvan: bij deze.

'Mevrouw Yvon de Witte meldt via twitter dat zij het idee voor een 'songfestivalsysteem' eerder op Facebook heeft voorgesteld en heeft vastgelegd bij de belastingdienst. Zij hecht aan vermelding daarvan: bij deze.

zondag, 13 maart 2011

Diederik ten Cate

Diederik ten Cate

Twitter DWARS

De Nederlandse Besluitvorming over de Goldstone-Resoluties

In politicologie, actie, agenda, algemeen, analyse, campagne, cda, christenunie, d66, en meer.

Na de aanval van Israël op de Gaza-strook in 2009 stelde de VN een fact finding mission in, onder leiding van de Zuid-Afrikaanse rechter Richard Goldstone, om boven tafel te halen wat er tijdens operation cast lead gebeurd was. Naar aanleiding van het rapport werd in het najaar van 2009 door de VN Mensenrechtenraad en vervolgens door de Algemene Vergadering VN een resolutie aangenomen die de belangrijkste conclusies van Goldstone overnam: eigen onderzoek door Israël en de Palestijnse naar de geconstateerde misdaden en mocht dat niet afdoende gebeuren doorverwijzing van de zaak naar het Internationaal Strafhof. Nederland stemde zowel in de Human Rights Council als in the General Assembly tegen de resolutie over het rapport van Goldstone. Hoe kan het dat een land dat nota bene in haar grondwet heeft staan dat het de internationale rechtsorde bevordert, zich hiertegen verzette? Een analyse van de Nederlandse besluitvorming omtrent de Goldstone-resoluties.

Het rapport Goldstone

Discussie over de commissie Goldstone begon al op het moment dat zij op 12 januari 2009 werd ingesteld door de VN-mensenrechtenraad. De resolutie die tot oprichting van de Fact Finding Missie leidde gaf enkel mandaat om mensenrechtenschendingen en schendingen van internationaal humanitair recht door Israël te onderzoeken en om die reden onthield Nederland zich bij deze resolutie van stem. Omdat de Nederlandse regering echter veel vertrouwen had in de persoon Goldstone, en deze aangaf het mandaat zelf breder te trekken en ook de Palestijnse misstappen te onderzoeken, oefende Nederland, tevergeefs, toch druk uit op de Israëlische regering om met de commissie Goldstone samen te werken.

De conclusies van de commissie Goldstone waren niet mals. Zowel Palestijnse groeperingen als Israël werden beschuldigd van oorlogsmisdaden en mogelijke misdaden tegen de menselijkheid. Maar voor Israël kwamen de beschuldigingen het hardst aan. Het land zou volgens de commissie met de Gaza-oorlog niet enkel Hamas willen uitschakelen, maar er was sprake van een bewuste strategie om disproportioneel geweld in te zetten gericht op de burgerbevolking van Gaza.

De commissie beveelt aan dat de VN Veiligheidsraad Israël en Hamas opdraagt om binnen een termijn van zes maanden eigen juridische onderzoeken in te stellen naar de beschuldigingen. Mochten de beschuldigingen niet door Israel en Hamas serieus onderzocht en vervolgd worden, dan beveelt de commissie aan dat de Veiligheidsraad deze zaak doorverwijst naar het Internationaal Strafhof (ICC).

Kamerbrief over Goldstone-Rapport

In de Kamerbrief die ministers Verhagen (Buitenlandse Zaken) en Koenders (Ontwikkelingssamenwerking) naar de Kamer stuurden ter voorbereiding op de VN Mensenrechtenraad waar het rapport besproken zou worden, werd enkel genoemd dat Nederland een groot belang [hecht] aan een correcte en evenwichtige behandeling van [dit] rapport door de Raad. Toen de kamer hier niet genoegen mee nam en vroeg om een inhoudelijk oordeel van de regering en een debat voorafgaand aan de VN Mensenrechtenraad liet minister Verhagen weten dat men extra tijd nodig had om het lijvige rapport grondig te bestuderen en bovendien wilde hij in de wandelgangen van de VN-vergaderingen in New York eerst indrukken opdoen bij regeringsleiders en ministers van andere regeringen.

De werkelijke reden van de vertraging lag echter in een conflict tussen minister Koenders en minister Verhagen over het rapport. Meteen na publicatie noemde Verhagen het ‘buitengewoon jammer’ dat voornamelijk Israël het in het rapport moet ontgelden. Dat leidde tot grote woede bij zijn collega-minister Koenders (ontwikkelingssamenwerking) die zich veel sceptischer opstelde en bovendien gepikeerd was over het gebrek aan overleg. Uit één van de wikileaks cables blijkt de ruzie zo hoog te zijn opgelopen dat Balkenende was genoodzaakt te bemiddelen.

Na dreigingen van Kamerleden om de Nederlandse delegatie in de Verenigde Naties bij gebrek aan overleg maar een spreekverbod op te leggen, of minister Verhagen vervroegd terug te halen uit New York kwam er op vrijdag 25 september eindelijk een brief, zodat de Tweede-Kamer op 29 september, de dag voor de Nederlandse inbreng in de Mensenrechtenraad, nog met de minister kon spreken over de inbreng van Nederland met betrekking tot het Goldstone rapport.

In de brief geeft de regering geen oordeel over de geconstateerde overtredingen, omdat over de gedragingen van betrokkenen meer een rechtelijk dan een politiek oordeel wenselijk is en de regering de vele bevindingen ‘nog kan bevestigen, nog kan weerleggen.’ Wel krijgt het rapport een veeg uit de pan: de minister vindt de beschuldigingen van een opzettelijke campagne, ‘zonder bewijs daarvoor,’ buitengewoon zorgelijk ‘vanwege de suggestiviteit.’

Wel onderschrijft de regering de stelling dat het van belang is dat beide partijen grondig onderzoek doen naar de beschuldigingen en ‘passende consequenties’ nemen. Daarbij haast de minister te vermelden dat Israël reeds een groot aantal van zulke strafrechtelijke onderzoeken uitvoert terwijl het bestuur van Gaza geen onafhankelijke en transparante juridische sector.

Daarnaast maakt de regering in de brief alvast een procedurele argumentatie die van invloed zal blijken voor de verdere opstelling van Nederland. Het rapport dient niet gepolitiseerd te worden en daarom enkel in de Mensenrechtenraad besproken te worden en niet in andere gremia van de VN, zoals het Goldstone rapport voorstelt. Dat zou volgens de minister pogingen het vredesproces op te starten ernstig frustreren. Dit oordeel wordt volgens de brief gedeeld door de andere EU-lidstaten en de VS. Toch kan niet worden uitgesloten dat de Mensenrechtenraad besluit tot doorverwijzing. In dat geval zal de regering met andere EU-lidstaten ‘bezien hoe daar op te reageren.’

Het Kamerdebat

In het Algemeen Overleg en de Plenaire afronding daarvan was er in de Tweede-Kamer eensgezindheid over de noodzaak dat de geconstateerde schendingen door de partijen zelf onderzocht moesten worden, al bestond er bij sommige partijen grote scepsis of dit ook door Hamas zou gebeuren. Wel was er grote verdeeldheid over de toon richting het rapport, Israël en de manier waarop eventuele schendingen van oorlogsrecht verder onderzocht moesten worden.

De linkse partijen SP, PvdA, GroenLinks en D66 waren allen van mening dat het rapport evenwichtig was, de overtredingen door Israël schokkend en zij wezen allen op de noodzaak dat het internationaal recht zijn loop krijgt, door uitdrukkelijk de optie van het internationaal strafhof open te houden.

Een rechtse Kamermeerderheid van CDA, VVD, ChristenUnie en PVV vond het rapport eenzijdig, meende dat Israël op basis van dit rapport niets aan te rekenen viel en gaf aan dat Israël al zelf strafrechtelijk onderzoek deed en dat, als er al een follow-up moest komen, dit vooral in de VN Mensenrechtenraad moest terug komen.

Minister Verhagen schaarde zich, duidelijker dan in zijn brief, bij de tweede groep. Hij stelde dat het rapport-Goldstone omdat Israël daar niet aan mee had willen werken noodzakelijkerwijs op onvolledige informatie was gebaseerd. Verhagen koos duidelijk de kant van Israël toe hij zij: “Hamas is een aggresor. Die veroordelen wij, maar Israël zullen wij bij die reactie uiteraard aanspreken op haar verplichtingen zich aan het humanitair oorlogsrecht te houden.” Daar voegde hij aan toe dat hij de bewering van Goldstone dat Israel een opzettelijke strategie volgde van aanvallen tegen burgerdoelen en collectieve straffen niet kon onderschrijven.

Ook was Verhagen het met rechts eens dat de strafrechtelijke onderzoeken die al in Israël liepen voldoende voorbeelden waren voor onderzoek van deze beschuldigingen. Het argument van onder meer Van Dam van coalitiepartij PvdA, dat juist bij een bewuste strategie van een land vervolging van individuele zaken onvoldoende was, legde hij hiermee naast zich neer. De suggestie van VVD-Kamerlid Nicolaï dat Israel op zijn minst een equivalent van een parlementaire enquête zou moeten instellen, antwoordde de minister dat Israel dit zou kunnen doen om bredere beschuldigingen te kunnen weerleggen.

Tot slot herhaalde Verhagen zijn belangrijke dat de discussie over dit rapport gaat over de mogelijke schendingen van het humanitair oorlogsrecht en de mensenrechten, en daarom in de Mensenrechtenraad thuis hoort. Het lijkt erop alsof de linkse partijen zich onvoldoende realiseerden wat het belang van deze stelling was. Door te breken met de aanbeveling van Goldstone om de Veiligheidsraad de voortgang van de Israëlische en Palestijnse onderzoeken te laten monitoren brak hij gelijktijdig met de aanbeveling om de zaak door te verwijzen naar het Internationaal Strafhof indien de Veiligheidsraad zou constateren dat één van beide partijen het onderzoek niet serieus zou oppakken.

Na het debat werden drie moties aangenomen. Eén motie Nicolaï cs. die het kabinet opriep te bevorderen dat beide partijen nader onderzoek doen naar zowel individuele strafrechtelijke zaken als naar strategische aspecten en daarover rapporteren aan de Mensenrechtenraad. Eén motie Van Dam die toevoegt dat indien één van de partijen hierin in gebreke blijft de mensenrechten vervolgstappen neemt en één motie Van Dam-Peters waarin het kabinet wordt gevraagd om druk uit te oefenen op Israël om de blokkade van Gaza op te heffen. De eerdere suggestie van Van Dam om dit te doen door een uitspraak van het Internationaal hof van Jusitie te bewerkstelligen wordt in deze motie niet expliciet genoemd.

Stemming VN-Mensenrechtenraad

Op de dag van het kamerdebat begon de discussie in de VN Mensenrechtenraad over het rapport Goldstone. De discussie mondde uit in een resolutie, voorgesteld door Pakistan, waarin het niet meewerken van Israël aan het rapport werd veroordeeld en de aanbevelingen van het rapport werden overgenomen met de oproep aan alle VN-lichamen om op de implementatie van de aanbevelingen te bevorderen. Daarnaast beval de Mensenrechtenraad de Algemene Vergadering van de VN aan het rapport op haar agenda te plaatsen.

Minister Verhagen gaf later in een brief naar de Kamer aan dat de resolutie voor de EU – en zeker voor Nederland – onacceptabel was vanwege haar eenzijdige aandacht voor het Israëlische optreden tijdens de operatie Cast Lead, de onvoorwaardelijke ondersteuning van alle aanbevelingen van de Golstone-commissie en het voorstel de bespreking van het rapport voor te leggen aan andere VN-organen. Maar even zag het er naar uit dat er helemaal niet over de resolutie gestemd hoefde te worden.

Na zware druk van de Verenigde Staten trok de Palestijnse Autoriteit haar steun voor de resolutie in. Hoewel zij geen formele stem heeft in de VN was dit voor de islamitische landen in de Mensenrechtenraad aanleiding om de resolutie door te schuiven naar de volgende vergadering van de Mensenrechtenraad in maart 2010. In de tussentijd kon gewerkt worden aan het vergaren van meer steun onder westerse landen.

De actie van de Palestijnse Autoriteit leidde tot grote protesten in Palestina en de rest van de islamitische wereld tegen President van de Palestijnse Autoriteit Mahmoud Abbas (Scharp, 2009). Als gevolg hiervan werdt de resolutie na een draai op 15 oktober alsnog in stemming gebracht in een speciale zitting van de Mensenrechtenraad. De resolutie was amper gewijzigd.

Resolutie S-12/1 werdt aangenomen met 25 stemmen voor, 6 stemmen tegen en 11 onthoudingen. Nederland stemde, evenals de VS en 4 andere Europese landen tegen de resolutie. Het beeld dat Verhagen naar de Kamer toe had geschetst, als zouden alle EU-landen op één lijn zitten klopte evenwel niet. België onthield zich van stem, en Groot-Brittannië en Frankrijk namen in het geheel niet deel aan de stemming. In antwoord op Kamervragen van Van Dam gaf Verhagen als redenen voor de Nederlandse tegenstem de onevenwichtigheid van de resolutie, het feit dat alle aanbevelingen over werden genomen en als belangrijkste het doorsturen naar andere VN-organen. Ook hier ontbrak een gedegen argumentatie waarom Nederland zich hier zo fel tegen verzette.

Stemming in Algemene Vergadering VN

Na de doorverwijzing van de Mensenrechtenraad naar de Algemene Vergadering van de VN werd het daar op 4 en 5 november besproken en werd resolutie 64/10 opgesteld. Deze resolutie was aanzienlijk evenwichtiger dan de resolutie in de mensenrechtenraad. De resolutie endorses het verslag van de speciale zitting van de Mensenrechtenraad, stuurt het rapport door naar de VN-veiligheidsraad en roept zowel Israel als de Palestijnse zijde om binnen drie maanden eigen onafhankelijk onderzoek in te stellen naar de beschuldigingen van schendingen van mensenrechten en international humanitair recht.

Deze resolutie werd aangenomen met 114 stemmen voor, 18 tegen en 44 onthoudingen. Onder de voor stemmers bevonden zich 4 EU-lidstaten: Cyprus, Ierland, Portugal en Slovenië. Onder de 18 tegenstemmers bevonden zich 6 EU-leden, waaronder Nederland. De overige EU-leden onthielden zich van stemming. Ook Israël en de VS stemde tegen de resolutie. Na afloop van de stemming gaf de Nederlandse Permanente Vertegenwoordiger bij de VN, Herman Schaper, een stemverklaring af. Schaper gaf aan dat hij niet nu voor een resolutie kon stemmen die een andere resolutie endorses waar hij drie weken geleden tegen gestemd had. Nederland had moeite met het aanvaarden van de aanbevelingen Goldstone-rapport zonder restricties. Bovendien ging Schaper verder was Nederland van mening dat het Goldstone-rapport door de Mensenrechtenraad was geïnitieerd en dus ook door de Mensenrechtenraad alleen moest worden behandeld. Tot slot sprak Schaper steun uit voor delen van de resolutie die opriepen tot eigen onderzoek, maar hij sprak ook het algemeen gevoel uit dat de resolutie niet bevorderlijk was voor het Israëlisch-Palestijnse vredesproces

In een kamerbrief van 6 november onderschreef minister Verhagen deze lijn en gaf aan dat Nederland in de Algemene Vergadering actief een EU-consensus na heeft gestreefd en tot vlak voor de stemming er mogelijkheden leken te zijn om gezamenlijk met de EU te onthouden. Toen vlak voor stemming de Palestijnen (onder druk van de meer extreme landen in de Arabische groep) eerder gedane concessies weer introkken en terugkeerden naar het oorspronkelijke tekstvoorstel, waarin het Goldstone-rapport en alle daarin vervatte aanbevelingen onderschreven (endorse), was het voor verschillende lidstaten (waaronder Nederland) niet meer mogelijk om te kunnen onthouden, aldus de brief. Daarnaast waren andere pijnpunten voor Nederland de doorverwijzing naar de Veiligheidsraad en de eenzijdige weergave van het Gaza-conflict.

In het algemeen overleg dat de kamercommissie buitenlandse zaken op 12 november voerde was met name de opstelling van coalitiepartner PvdA opvallend. Van Dam erkende dat de resolutie in de Mensenrechtenraad niet evenwichtig was en daarom naar zijn inschatting een onthouding rechtvaardigde, maar hij stelde dat de resolutie in de Algemene Vergadering eigenlijk precies dat weergaf wat de Kamer wilde: een resolutie, waarin beide partijen op gelijke wijze werden beoordeeld en opgeroepen eigen onderzoek te doen. Een stem tegen de resolutie was volgens hem niet uit te leggen. Maar, gesteund door ChristenUnie, SGP, PVV, VVD en het CDA legde Verhagen nogmaals uit dat het rapport Goldstone en de discussie die daaruit voortvloeit eenzijdige kritiek op Israel met zich mee brengt en dat is volgens hem niet bevordelijk voor het vredesproces.

Opvallend is verder dat Verhagen in het AO heel duidelijk stelt dat als de gehele EU zich had onthouden van stemming hij dat ook gedaan zou hebben en dan gewoon dezelfde stemverklaring had kunnen. “Een aantal landen was niet bereid om tot onthouding over te gaan. Die zeiden: wij willen hoe dan ook voorstemmen. Ik heb toen gezegd: als dat gebeurt, ga ik tegenstemmen. Dan ga ik me niet meer onthouden van stemmen, dan is het gewoon klaar. Als het blijkbaar zo is dat individuele lidstaten hun eigen opvatting laten horen, dan geef ik de mijne ook.”

In het AO blijkt het probleem van Verhagen met name te liggen bij het feit dat in de AV-resolutie en onevenwichtige MRR-resolutie wordt endorsed. Een concreet voorstel om dat te veranderen in neemt kennis van werd door de indieners geblokkeerd. Volgens Van Dam is het gebruikelijk in de AV om als je het met slechts één woordje niet eens bent niet meteen tegen te stemmen, maar je te onthouden. Nu beland Nederland volgens Van Dam in een kamp van landen die het internationaal recht geen warm hard toedragen. Verhagen reageert door te stellen dat hij, in tegenstelling tot de PvdA, wel degelijk tot het kamp van de VS behoort.

Conclusie

Al met al gebruikt Nederland 2 hoofdargumenten om haar nee-stem te rechtvaardigen. Het rapport en de resoluties waren onevenwichtig en de zaak zou niet buiten de VN-Mensenrechtenraad behandeld mogen worden.

Zowel het Goldstone rapport zelf, als de twee resoluties zijn door Verhagen onevenwichtig genoemd, waarbij Israël als boosdoener wordt afgeschilderd. Maar juist omdat alle informatie politiek gekleurd en onevenwichtig was, is er een onafhankelijke fact finding mission gestart. Dat Verhagen deze afdoet als eenzijdig is daarom op zijn minst opmerkelijk. Ook de resolutie in de Algemene Vergadering spreekt expliciet zowel Israël als ”the Palestianian side” aan. En zelfs in de resolutie in de mensenrechtenraad staan geen zaken waar Nederland echt bezwaren tegen zou kunnen hebben: Israël wordt veroordeeld voor het niet mee willen werken aan de fact finding mission en er worden zorgen uitgesproken over het niet implementeren van eerdere uitspraken van de VN-Mensenrechtenraad, maar dat zijn geen stellingen die Nederland onmogelijk zou kunnen onderschrijven.

De tweede argumentatielijn van Verhagen is nog onduidelijker. Het VN-systeem werkt zo dat de Mensenrechtenraad zaken door kan verwijzen naar de Algemene Vergadering en dat deze vervolgens zaken weer op de agenda van de Veiligheidsraad kan plaatsen. Het argument ‘het is in de Mensenrechtenraad gestart dus moet ook daar worden afgerond’ lijkt daarom ook niet bijzonder sterk.

Als de EU één lijn had getrokken had Nederland zich aan een onthouding geconformeerd zei Verhagen. Zowel PvdA-minister Koenders als PvdA-Kamerlid Van Dam hebben met de CDA-minister overhoop gelegen over de Nederlandse inzet op het Goldstone-dossier. Terug kijkend lijkt het erop dat Verhagen echter zijn zin heeft kunnen doorzetten en dat met name de Israël-liefde van de Minister van Buitenlandse Zaken de Nederlandse nee-stem betreffende de Goldstone-resoluties kan verklaren.


zaterdag, 12 maart 2011

Diederik ten Cate

Diederik ten Cate

Twitter DWARS

Rutte en een volkenrechtelijk mandaat

In politiek, discussie, eu, hoop, libië, nederland, premier, proces, rutte, en meer.

Na de EU-top gister in Brussel liet premier Rutte zich op de persconferentie uit over de mogelijkheid van het instellen van een no-fly zone boven Libië. Hij sloot deelname van Nederland aan een militaire missie niet uit, noemde een adequaat volkenrechtelijk mandaat als voorwaarde voor deelname aan een no-fly zone, maar stelde daarnaast expliciet dat er ook mogelijkheden voor ingrijpen zijn zonder VN-resolutie. De opmerkingen van Rutte doen onvermijdelijk terug denken aan het gezwabber van Balkenende over een adequaat volkenrechtelijk mandaat voor de inval in Irak.

Het volkenrechtelijk mandaat van de inval in Irak

Minister van Buitenlandse Zaken Jaap de Hoop Scheffer stelde volgens het rapport van de commissie Davids in het najaar van 2002 vast dat een resolutie van de VN-veiligheidsraad voor een inval in Irak wenselijk was, maar niet noodzakelijk omdat besluit over wel of niet invallen allereerst een politieke afweging was en niet een juridische. Later in het proces is deze redenering gewijzigd in: een VN-resolutie is ook juridisch niet noodzakelijk maar wel wenselijk, omdat er eerdere resoluties zijn waar we ons op kunnen baseren.

De commissie Davids maakte gehakt van die laatste conclusie. De eerdere resoluties vormden niet voldoende grondslag voor een inval in Irak en het volkenrechtelijk mandaat voor de inval was dan ook niet adequaat. Daarmee spraken zij nog geen oordeel uit over de steun die Nederland gaf aan de inval: ook zonder adequaat volkenrechtelijk mandaat kan je de politieke beslissing nemen om toch een inval te steunen. Die redenering durfde Balkenende echte niet aan en hij zei dat met de kennis van nu duidelijk was dat het volkenrechtelijk mandaat adequater had gemoeten.

Het volkenrechtelijk mandaat van een inval in Libië

Ik ben geen volkenrechtelijk expert, maar het lijkt er toch sterk op dat de situatie in Libië vergelijkbaar is. Een adequaat volkenrechtelijk mandaat bestaat niet zonder resolutie van de Veiligheidsraad. Desondanks kan het zijn dat, mocht de VN-veiligheidsraad, bijvoorbeeld door een Russisch of Chinees veto, er niet toe komen om een resolutie aan te nemen, Nederland om politieke of humanitaire redenen besluit steun te leveren aan een missie zonder adequaat volkenrechtelijk mandaat.

Om niet in dezelfde discussie te verzanden als met Irak, zou het eerlijk zijn als Rutte dit zou erkennen: we willen graag een volkenrechtelijk mandaat, maar als dat er niet komt, betekend het niet dat Khadaffi zijn gang kan blijven gaan.

Maar Rutte koos op de persconferentie niet voor helderheid, maar voor de koers-Balkenende: “Voor een no-fly zone is een adequaat volkenrechtelijk mandaat nodig. Het is ook nodig dat de VN-veiligheidsraad daar iets van vindt, dat de NAVO daar iets van vindt. Mocht dat niet lukken dat zijn er misschien nog wel andere mogelijkheden, maar dat is echt een situatie die beter ware te voorkomen. Het is beste is toch echt om het via die route te doen en daar zijn alle inspanningen op gericht.”

Rutte stelt dus een adequaat volkenrechtelijk mandaat als eis, maar niet een Veiligheidsraad-resolutie. En dat lijkt me een positie die gedoemd is om hem in de politieke problemen te brengen.


zaterdag, 31 juli 2010

Gijs van der Kroef

Gijs van der Kroef

Hyves

principes zijn net zetels: je bent ze zomaar kwijt

In achterban, balkenende, campagne, cda, donner, islam, kritiek, minister, minister donner, en meer.
Enige jaren geleden meldde minister Donner trots over zichzelf dat hij minder flexibel is dan een loden deur. Standvastig zal hij dat noemen. Helaas is dat niet over zijn patij te zeggen. Het CDA wil met steun van de PVV gaan regeren.

Eerlijk is eerlijk: het zat er wel aan te komen. Tijdens de campagne riep Balkenende steevast dat hij niemand uitsluit. Na de verkiezingen vluchtte Verhagen in nietszeggend procedureel gewauwel. Waar bijna alle partijen de PVV uitsloot om principiële reden, bleef het CDA hangen in valse bescheidenheid. Onder de noemer ‘wij hebben even niets te zeggen’ creëerde het CDA zo’n positie voor zichzelf dat niemand uiteindelijk om ze heen kan. Ware de PVV een ‘normale’ partij geweest, dan had nog kunnen worden gezegd dat het CDA strategisch slim handelt.

Echter de PVV is een racistische, xenofobe partij die propagandeert de grondbeginselen van onze rechtsstaat aan de kant te willen zetten. De VVD heeft in een zeer vroeg stadium al laten weten hier geen problemen mee te hebben. Het CDA was hier – als gezegd – minder open in. Pas toen de achterban en partijprominenten zich gingen roeren meldde Verhagen ‘altijd al te hebben gezegd’ dat de PVV haar standpunten over de Islam moet laten varen wil er van samen regeren sprake zijn. Nog geen week later meldde hetzelfde CDA dat het met de steun van de PVV wil regeren.

De kritiek die nu op Lubbers klinkt dat hij zich niet zijn opdracht heeft gehouden is feitelijk en formeel waarschijnlijk juist, maar vind ik minder steekhoudend. Sofist Lubbers zal hier ongetwijfeld een Lubberiaanse escape voor weten te vinden. Veel steekhoudender is volgens mij de principiële vraag of je als regeringspartij afhankelijk wil zijn van de steun van een racistische, ondemocratische beweging. Laten we hopen dat de achterban van het CDA (en de VVD) wel eist van haar partij dat ze standvastig is en onder deze omstandigheden regeringsdeelname van het CDA (of de VVD) blokkeert.

maandag, 7 juni 2010

Anette Koch

Anette Koch

Twitter

Wat is progressief aan de VVD?

In armoede, balkenende, banken, bezuinigen, bezuiniging, bezuinigingen, cda, crisis, d66, en meer.

Hoe vaak ben ik het de laatste weken tegengekomen: de VVD, D66 en GroenLinks zouden "progressief" zijn, de PVV, de SP, het CDA en de CU conservatief, de PvdA ook "conservatiever" dan de eerste groep van partijen. Even voor de duidelijkheid: "progressief" komt uit het Latijn en betekent voortschrijdend of vooruitstrevend, maar dat zegt nog niets erover waar je naartoe wilt. Streven deze partijen wel naar hetzelfde politieke doel, en indien niet, welke zin heeft het om ze allemaal in hetzelfde hokje te plaatsen?

GroenLinks wil op de hypotheekrenteaftrek bezuinigen, maar deze wel geleidelijk opgeven, de VVD wil die juist handhaven, maar zelfs op het basispakket van de zorg bezuinigen (2.7 miljard euro zelfs), GroenLinks laat het basispakket ongemoeid. Dit zijn slechts twee voorbeelden van de onverenigbare verschillen, er zijn veel meer. D66 zit er meestal ergens tussen in.

In de 19de tot lang in de 20ste eeuw werden de sociaaldemocratische partijen altijd als progressief beschouwd. Hun doel was niet alleen de emancipatie van de individuën, vooral de arbeiders, maar juist ook collectieve rechten, kansgelijkheid, vooral kansen op verheffing door vrije en gelijke toegang tot onderwijs, terugdringen van armoede en achterstanden en toegang tot sociale voorzieningen voor ouderen, zieken, gehandicapten en werklozen. De vergaand voltooide sociaalstaat van de jaren zestig en zeventig in vrijwel alle landen in het noorden van West en Midden Europa is in zo'n 200 jaar van conflicten tussen progressieven en conservatieven, werknemers en werkgevers, publiek en overheid afgedwongen.

Het programma van de neoliberale partijen zoals de VVD past bepaald niet bij deze definitie van progressief.

Wat is er gebeurd dat inmiddels elke bezuiniging op juist die collectieve sociale voorzieningen en verworvenheden, die allesbehalve vanzelfsprekend zijn en om die we in ontwikkelingslanden zoals India nog steeds worden benijdt, als "progressief" wordt gevierd?

Waarom stemt een grote massa van kiezers zelfs tegen hun eigen belangen in daarvoor en dus op partijen als de VVD?

Onder meer is het de teleurstelling in de sociaaldemocratische partijen die in het verleden op grote schaal aan die bezuinigingen tot een zekere kaalslag van de sociaalstaat hebben meegedaan. Denk aan de PvdA onder Kok, of, nog erger, Labour onder Blair of de Duitse SPD onder Schröder. Na één en andere crisis en onder de dwang tot bezuinigingen i.v.m. de oplopende staatsschuld lieten ze zich adviseren door groepen van economen die dure MBA opleidingen aan elite-universiteiten hadden gevolgd en meer de belangen van het management van de grote concerns, tevens vaak de financiers van die universiteiten, behartigen dan die van het algemene publiek.

Economie is geen exacte wetenschap zoals de natuurkunde. Haar wetten zijn niet te vergelijken met de wetten in de natuurkunde, omdat mensen en hun gedrag, in dit geval hun economisch gedrag, te complex zijn om ze exact te beschrijven (dat lukt niet eens bij een drieatomig molecuul, laat staan bij een cel of grotere celverbanden).
De modellen die voor economische voorspellingen worden gebruikt gaan dus uit van een aantal aannames die door een meerderheid van de economen verstandig worden geacht. Ook de aannames zelf zijn onderhevig aan meningen en politieke voorkeuren, ze zijn niet waarde-neutraal en kunnen dat ook niet zijn. Niet alleen in het economische leven zelf, maar ook in de economie als wetenschap speelt psychologie een grote rol.

Rechtse partijen zoals de VVD worden door de geleidelijk onder de invloed van meer marktwerking naar rechts opgeschoven media bejuichd als de helden van de economie, ongeacht de oorzaken van de economische crisis die voor een groot deel uit het ontbreken van regelgeving en van de controle op  regels voor de banken bestonden.

Partijen als de VVD lijken volkomen ongeschikt om dit gebrek aan regelgeving op te lossen. Immers geloven ze niet in een actieve overheid ("overheidsbemoeienis" noemen ze dat).

Bovendien: maatschappelijke verandering is niet per se al goed, ongeacht het doel. Het dwangmatige hervormen van overheids- en andere publieke voorzieningen berust voor een deel op "over-management" – te veel managers boven te weinig personeel dat het echte werk doet. Waarom wil trouwens niemand op het management van ziekenhuizen bezuinigen, maar slechts op specialisten, terwijl die managers vaak boven de Balkenende-norm verdienen? Artsen, ook specialisten, doen wel "het echte werk", althans werk met betekenis voor hun patiënten. Wie ziek is of was, waardeert dat meestal ook.

Wat mij betreft, kunnen we best ook eens "conservatief" zijn en de schaarse resten van de ooit bijna voltooide sociaalstaat overeind houden, in de trant van:

Laten we het oude

als het goed is, houden.

Anette Koch

Anette Koch

Twitter

Wat is progressief aan de VVD?

In armoede, balkenende, banken, bezuinigen, bezuinigingen, cda, crisis, d66, dwang, en meer.

Hoe vaak ben ik het de laatste weken tegengekomen: de VVD, D66 en GroenLinks zouden "progressief" zijn, de PVV, de SP, het CDA en de CU conservatief, de PvdA ook "conservatiever" dan de eerste groep van partijen. Even voor de duidelijkheid: "progressief" komt uit het Latijn en betekent voortschrijdend of vooruitstrevend, maar dat zegt nog niets erover waar je naartoe wilt. Streven deze partijen wel naar hetzelfde politieke doel, en indien niet, welke zin heeft het om ze allemaal in hetzelfde hokje te plaatsen?

GroenLinks wil op de hypotheekrenteaftrek bezuinigen, maar deze wel geleidelijk opgeven, de VVD wil die juist handhaven, maar zelfs op het basispakket van de zorg bezuinigen (2.7 miljard euro zelfs), GroenLinks laat het basispakket ongemoeid. Dit zijn slechts twee voorbeelden van de onverenigbare verschillen, er zijn veel meer. D66 zit er meestal ergens tussen in.

In de 19de tot lang in de 20ste eeuw werden de sociaaldemocratische partijen altijd als progressief beschouwd. Hun doel was niet alleen de emancipatie van de individuxc3xabn, vooral de arbeiders, maar juist ook collectieve rechten, kansgelijkheid, vooral kansen op verheffing door vrije en gelijke toegang tot onderwijs, terugdringen van armoede en achterstanden en toegang tot sociale voorzieningen voor ouderen, zieken, gehandicapten en werklozen. De vergaand voltooide sociaalstaat van de jaren zestig en zeventig in vrijwel alle landen in het noorden van West en Midden Europa is in zo'n 200 jaar van conflicten tussen progressieven en conservatieven, werknemers en werkgevers, publiek en overheid afgedwongen.

Het programma van de neoliberale partijen zoals de VVD past bepaald niet bij deze definitie van progressief.

Wat is er gebeurd dat inmiddels elke bezuiniging op juist die collectieve sociale voorzieningen en verworvenheden, die allesbehalve vanzelfsprekend zijn en om die we in ontwikkelingslanden zoals India nog steeds worden benijdt, als "progressief" wordt gevierd?

Waarom stemt een grote massa van kiezers zelfs tegen hun eigen belangen in daarvoor en dus op partijen als de VVD?

Onder meer is het de teleurstelling in de sociaaldemocratische partijen die in het verleden op grote schaal aan die bezuinigingen tot een zekere kaalslag van de sociaalstaat hebben meegedaan. Denk aan de PvdA onder Kok, of, nog erger, Labour onder Blair of de Duitse SPD onder Schrxc3xb6der. Na xc3xa9xc3xa9n en andere crisis en onder de dwang tot bezuinigingen i.v.m. de oplopende staatsschuld lieten ze zich adviseren door groepen van economen die dure MBA opleidingen aan elite-universiteiten hadden gevolgd en meer de belangen van het management van de grote concerns, tevens vaak de financiers van die universiteiten, behartigen dan die van het algemene publiek.

Economie is geen exacte wetenschap zoals de natuurkunde. Haar wetten zijn niet te vergelijken met de wetten in de natuurkunde, omdat mensen en hun gedrag, in dit geval hun economisch gedrag, te complex zijn om ze exact te beschrijven (dat lukt niet eens bij een drieatomig molecuul, laat staan bij een cel of grotere celverbanden).
De modellen die voor economische voorspellingen worden gebruikt gaan dus uit van een aantal aannames die door een meerderheid van de economen verstandig worden geacht. Ook de aannames zelf zijn onderhevig aan meningen en politieke voorkeuren, ze zijn niet waarde-neutraal en kunnen dat ook niet zijn. Niet alleen in het economische leven zelf, maar ook in de economie als wetenschap speelt psychologie een grote rol.

Rechtse partijen zoals de VVD worden door de geleidelijk onder de invloed van meer marktwerking naar rechts opgeschoven media bejuichd als de helden van de economie, ongeacht de oorzaken van de economische crisis die voor een groot deel uit het ontbreken van regelgeving en van de controle op  regels voor de banken bestonden.

Partijen als de VVD lijken volkomen ongeschikt om dit gebrek aan regelgeving op te lossen. Immers geloven ze niet in een actieve overheid ("overheidsbemoeienis" noemen ze dat).

Bovendien: maatschappelijke verandering is niet per se al goed, ongeacht het doel. Het dwangmatige hervormen van overheids- en andere publieke voorzieningen berust voor een deel op "over-management" – te veel managers boven te weinig personeel dat het echte werk doet. Waarom wil trouwens niemand op het management van ziekenhuizen bezuinigen, maar slechts op specialisten, terwijl die managers vaak boven de Balkenende-norm verdienen? Artsen, ook specialisten, doen wel "het echte werk", althans werk met betekenis voor hun patixc3xabnten. Wie ziek is of was, waardeert dat meestal ook.

Wat mij betreft, kunnen we best ook eens "conservatief" zijn en de schaarse resten van de ooit bijna voltooide sociaalstaat overeind houden, in de trant van:

Laten we het oude

als het goed is, houden.

donderdag, 29 april 2010

Jenneke van Pijpen

Jenneke van Pijpen

Hyves Linkedin Twitter

De overheid en naleven van wetten...

In beschaving, inkomen, kant, kranten, leiden, mensen, nederland, overheid, politiek, en meer.
Dit stuk hebben we aangeboden aan de kranten, maar die wilden het niet plaatsen. Dan maar zelf geplaatst.

Werken onder het wettelijk minimumloon: hoe de overheid de eigen wet niet toepast
Het wettelijk minimumloon mag geen politiek instrument zijn.

De ambtelijke werkgroepen hebben laten zien wat wij in de praktijk al zien. Namelijk dat er steeds minder respect is voor misschien wel één van de belangrijkste wetten van ons land: de wet minimumloon (wml).

Het wml legt een belangrijke bodem in onze arbeidsverhoudingen en stelt dat werk in ieder geval moet (kunnen) leiden tot voldoende inkomen. Het is een teken van beschaving dat werkende mensen ook van hun werk kunnen leven.

Wat is er aan de hand? Naast de oprispingen van de werkgroepen die stellen dat het minimumloon wel 10 procent lager kan, is er al langer sprake van een aanval op het wml. De laatste kabinetten Balkenende hebben het voor elkaar gekregen dat er ónder het wml gewerkt kan worden, bijvoorbeeld in de sociale werkvoorziening (sw). Ja, echt waar; een overheid die z’n eigen wetten niet naleeft.

Veel mensen halen hun schouders erover op: het zijn arbeidsgehandicapten dus zij krijgen aanvulling via de bijstand omdat ze de productienorm niet halen die het wml rechtvaardigt. Niets aan de hand dus?!

Natuurlijk is er wel wat aan de hand. De norm van het wettelijk minimumloon is niet gesteld omwille van een minimale arbeidsproductiviteit, maar omwille van een minimaal bestaansrecht dat kan worden verkregen via werk. Dat bestaansrecht wordt nu aangetast.

Vooralsnog gaat het om werknemers met een handicap, Wajongers (jonggehandicapten) en sw-ers, of werknemers met een bijstandsuitkering. Voor Wajongers is dit al vanaf 1 januari 2010 aan de orde. Voor de sw-ers start binnenkort een proefproject waarin voor 2,5 jaar onder het wml gewerkt wordt. Voor mensen met een bijstandsuitkering (wwb) gelden ‘Work First’-trajecten of ‘participatieplaatsen’. In beide gevallen is dan sprake van werken met behoud van de bijstandsuitkering. Dit kan tot wel vier jaar duren. Vier jaar werken onder het wml dus. Moet de werkgever dan altijd dat minimumloon betalen, ook als een arbeidsgehandicapte werknemer in economische termen het minimumloon niet terugverdient? Wat ons betreft wel. Maar het kan daarbij heel goed dat we als samenleving zeggen ‘goed dat je die plek biedt, jij krijgt daar een extra bijdrage voor’. Die subsidie gaat dan naar de werkgever. En de werkgever geeft de werknemer een gewone baan met een gewoon loon.

Abvakabo FNV hanteert het uitgangspunt van ‘Decent Work’. Dit houdt in dat werknemers moeten kunnen rekenen op een veilige werkplek, mogelijkheden om economisch zelfstandig een bestaan (en dus een fatsoenlijk inkomen) op te bouwen en doorgroeimogelijkheden hebben.

Het minimumloon lijkt in plaats van een waarborg op een inkomen te verworden tot een politiek instrument. Aan de ene kant wordt werken onder het minimumloon aanvaardbaar, aan de andere kant geldt opeens een norm van 120% van het wml. Zo worden er eisen gesteld aan nieuwkomers. Zij moeten een inkomen hebben van tenminste 120 procent van het wml. Vreemd is het dan, dat diezelfde criteria niet gelden voor mensen met een arbeidshandicap. dan ligt de norm voor een zelfstandig economische bestaan opeens een stuk lager.

Het wettelijk minimumloon is geen politiek instrument wat naar wens van de politieke doelen ingezet kan worden. Het is een minimaal, en al vrij lage norm die het mogelijk maakt om te kunnen leven van je werk. Wij roepen de politieke partijen dan ook op om in de verkiezingsprogramma’s voor de Tweede Kamer hierover uitspraken te doen. Een eerlijke verdeling van werk en inkomen voor alle in Nederland werkenden moet het uitgangspunt zijn. De welvaart moet eerlijk verdeeld zijn en blijven, met een basis die voor iedereen geldt, en wordt nageleefd.

Kortom: Overheid bescherm het wettelijk minimumloon en leef je eigen wet na!

Jenneke van pijpen, vice-voorzitter Abvakabo FNV
Jose Meijer, landelijk bestuurder WSW
En met veel dank aan Patricia van der Heijden en Janke Smit, beleidsadviseurs

Jenneke van Pijpen

Jenneke van Pijpen

Hyves Linkedin Twitter

De overheid past de eigen wetten niet toe...

In beschaving, inkomen, internet, kant, kranten, leiden, mensen, nederland, overheid, en meer.

Dit stuk hebben we aangeboden aan de kranten, maar die vonden het niet goed/interessant/belangrijk/nieuwswaardig genoeg om het te plaatsen.
Lang leve het internet....dan plaats ik het toch gewoon zelf.


Werken onder het wettelijk minimumloon: hoe de overheid de eigen wet niet toepast

            Het wettelijk minimumloon mag geen politiek instrument zijn.

 

De ambtelijke werkgroepen hebben laten zien wat wij in de praktijk al zien. Namelijk dat er steeds minder respect is voor misschien wel één van de belangrijkste wetten van ons land: de wet minimumloon (wml).

Het wml legt een belangrijke bodem in onze arbeidsverhoudingen en stelt dat werk in ieder geval moet (kunnen) leiden tot voldoende inkomen. Het is een teken van beschaving dat werkende mensen ook van hun werk kunnen leven.

Wat is er aan de hand? Naast de oprispingen van de werkgroepen die stellen dat het minimumloon wel 10 procent lager kan, is er al langer sprake van een aanval op het wml. De laatste kabinetten Balkenende hebben het voor elkaar gekregen dat er ónder het wml gewerkt kan worden, bijvoorbeeld in de sociale werkvoorziening (sw). Ja, echt waar; een overheid die z’n eigen wetten niet naleeft.

Veel mensen halen hun schouders erover op: het zijn arbeidsgehandicapten dus zij krijgen aanvulling via de bijstand omdat ze de productienorm niet halen die het wml rechtvaardigt. Niets aan de hand dus?!

Natuurlijk is er wel wat aan de hand. De norm van het wettelijk minimumloon is niet gesteld omwille van een minimale arbeidsproductiviteit, maar omwille van een minimaal bestaansrecht dat kan worden verkregen via werk. Dat bestaansrecht wordt nu aangetast.

Vooralsnog gaat het om werknemers met een handicap, Wajongers (jonggehandicapten) en sw-ers, of werknemers met een bijstandsuitkering. Voor Wajongers is dit al vanaf 1 januari 2010 aan de orde. Voor de sw-ers start binnenkort een proefproject waarin voor 2,5 jaar onder het wml gewerkt wordt. Voor mensen met een bijstandsuitkering (wwb) gelden ‘Work First’-trajecten of ‘participatieplaatsen’.  In beide gevallen is dan sprake van werken met behoud van de bijstandsuitkering. Dit kan tot wel vier jaar duren. Vier jaar werken onder het wml dus. Moet de werkgever dan altijd dat minimumloon betalen, ook als een arbeidsgehandicapte werknemer in economische termen het minimumloon niet terugverdient? Wat ons betreft wel. Maar het kan daarbij heel goed dat we als samenleving zeggen ‘goed dat je die plek biedt, jij krijgt daar een extra bijdrage voor’. Die subsidie gaat dan naar de werkgever. En de werkgever geeft de werknemer een gewone baan met een gewoon loon.

Abvakabo FNV hanteert het uitgangspunt van ‘Decent Work’. Dit houdt in dat werknemers moeten kunnen rekenen op een veilige werkplek, mogelijkheden om economisch zelfstandig een bestaan (en dus een fatsoenlijk inkomen) op te bouwen en doorgroeimogelijkheden hebben.

Het minimumloon lijkt in plaats van een waarborg op een inkomen te verworden tot een politiek instrument. Aan de ene kant wordt werken onder het minimumloon aanvaardbaar, aan de andere kant  geldt opeens een norm van 120% van het wml. Zo worden er eisen gesteld aan nieuwkomers. Zij moeten een inkomen hebben van tenminste 120 procent van het wml. Vreemd is het dan, dat diezelfde criteria niet gelden voor mensen met een arbeidshandicap. dan ligt de norm voor een zelfstandig economische bestaan opeens een stuk lager.

Het wettelijk minimumloon is geen politiek instrument wat naar wens van de politieke doelen ingezet kan worden. Het is een minimaal, en al vrij lage norm die het mogelijk maakt om te kunnen leven van je werk. Wij roepen de politieke partijen dan ook op om in de verkiezingsprogramma’s voor de Tweede Kamer hierover uitspraken te doen. Een eerlijke verdeling van werk en inkomen voor alle in Nederland werkenden moet het uitgangspunt zijn. De welvaart moet eerlijk verdeeld zijn en blijven, met een basis die voor iedereen geldt, en wordt nageleefd.

Kortom: Overheid bescherm het wettelijk minimumloon en leef je eigen wet na!

Jenneke van pijpen, vice-voorzitter Abvakabo FNV

Jose Meijer, landelijk bestuurder WSW Abvakabo FNV

en met dank aan Patricia van der Heijden en Janke Smit, beleidsadviseurs van Abvakabo FNV

Permalink | Leave a comment  »

zondag, 21 februari 2010

Gijs van der Kroef

Gijs van der Kroef

Hyves

En dat is vier

In balkenende, blog, cda, crisis, kabinet, koers, onmogelijk, politiek, pvda, en meer.
Eerst maar een wagenwijde deur opentrappen als binnenkomer:
1) De val van het kabinet kan onmogelijk als verrassend worden betiteld. De vraag was de laatste weken niet meer óf het kabinet ging vallen, maar wanneer.
2) Het ging al lang niet meer om Uruzgan, maar om het onderlinge wantrouwen


Als in mijn vorige blog al geschetst was eigenlijk de enige reden dat de coalitiepartners nog bij elkaar bleven de vrees voor verkiezingen (lees: een afstraffing van de kiezers). Nog los van het feit dat er dus geen inhoudelijke redenen meer waren om bij elkaar te blijven, ging dit argument volgens mij sowieso niet op. Want zou een langere schijnvertoning van Bos&Balkenende niet nog voor veel meer schade hebben gezorgd? De chronische, tenenkrommende, nauwelijks verholen verdeeldheid was nou niet bepaald goed voor het vertrouwen in de politiek. Hoe langer dit zou duren, hoe meer dit populisten in de kaart zou spelen. Wat dat betreft is het maar mooi dat hieraan een voortijdig einde is gekomen. Iets wat over datum is, moet je uiteindelijk weggooien. Met name Rouvoet heeft nog zijn best gedaan door rotte plekken weg te snijden, flink te poetsen en de wegrottende vrucht zo te draaien dat voor de kijker nog de mooie kant zichtbaar was. Maar uiteindelijk kon niemand meer het vergaande ontbindingsproces ontkennen.

Wat nu?
Louter uit strategische belangen wordt Balkenende andermaal voorgedragen als lijsttrekker. Een andere voordracht zou immers impliceren dat Balkenende het slecht heeft gedaan in de zoveelste crisis van zijn kwartet kabinetten, die hij allemaal voortijdig om zeep heeft geholpen. (ja, ook het rompkabinet Balkenende III, met een Verdonk die weigerde de wens van een meerderheid van de Tweede Kamer uit te voeren, iets wat een rompkabinet moet). Interessant is de houding van de VVD. Opvallend hierbij zijn de uitspraken van Rutte over Verhagen. Waarom valt hij het CDA zo hard aan? Een aanval op de PvdA is vanuit zijn perspectief veel logischer.

Misschien wordt het voor het CDA weer eens tijd voor de oppositiebanken. Vuil spel van Verhagen, een leider die geen leiding kan geven, PvdA die het CDA niet meer kan luchten of zien en een verrassende move van de VVD in combinatie met de ultraconservatieve koers van het CDA. Tel daarbij de veelgenoemde verwachte winst van D66…. Toch een Paars III? Mocht dit geen meerderheid vormen dan is er allicht nog een groene, sociale en progressieve partij die het gat tussen VVD en PvdA kan dichten….

vrijdag, 15 januari 2010

Gijs van der Kroef

Gijs van der Kroef

Hyves

Verstikkend huwelijk

In balkenende, bom, cda, commissie, enquête, gelukkig, jeugd, kabinet, kiezer, en meer.
In liefdesrelaties komt het voor dat een paar bij elkaar blijft vanwege de kinderen. Die kinderen zijn vervolgens hun hele jeugd getuigen van ruziënde ouders, maar dat lijkt van ondergeschikt belang. Ook het feit dat de partners elkaar het leven zuur – zoniet onmogelijk - maken, lijkt niet van doorslaggevende betekenis te zijn om uiteindelijk toch maar uit elkaar te gaan. Totdat de bom barst…

Maak van ‘partners’ het CDA en de PvdA en van ‘kinderen’ kiezers en de metafoor is helder. Het CDA en de PvdA gunnen elkaar het licht in de ogen niet, maar zijn realistisch genoeg om te weten dat een scheiding uiterst onaantrekkelijk is. Beiden vrezen immers een afstraffing van de kiezers. Ze houden elkaar dus maar in een houdgreep wetende dat ze op de rug worden gelegd als ze loslaten. Dit terwijl ze eigenlijk niets liever willen dan in alle vrijheid uit het verstikkende samenzijn stappen.

Dit bleek afgelopen week maar weer bij het ronduit beschamende optreden van zowel de PvdA als het CDA. Balkenende ging zijn boekje ver te buiten door glashard de feitelijke bevindingen van de commissie Davids te ontkennen. Nu hij enkele uren na de presentatie als initiator van de commissie Davids roept dat diezelfde commissie Davids zijn werk niet goed heeft gedaan, is het niet meer dan logisch dat er nu dan eindelijk een parlementaire enquête komt. Alleen dan kunnen bewindslieden immers onder ede worden verhoord. Dat is nodig nu Balkenende kennelijk vindt dat de waarheid nog immer niet boven water is.

Verwarring
Helemaal vreemd werd het een dag later. De PvdA eiste een rectificatie van Balkenende. Dat lijkt raar nu Balkenende staatsrechtelijk gezien én desgevraagd ook namens de (bewindslieden van de) PvdA sprak. Of Balkenende op dit verzoek is ingegaan is nog altijd onduidelijk. Waar hij woensdag nog verschillende conclusies van de commissie Davids weersprak, zwakte hij dat een dag later slechts op een punt af. Zelf zei hij hierover dat er geen licht zit tussen beide verklaringen. Met andere woorden: hij nam helemaal niets terug, aldus hemzelf. Marriet Hamer maakte de verwarring compleet door te zeggen dat ze nu Balkenende op zijn schreden was teruggekeerd weer tevreden was.

Afgrond
Kinderen kun je soms nog voor de gek houden. Ouders die ruzie hebben, kunnen ineens mooi weer spelen als een kind onverwachts de kamer binnenloopt. Balkenende en consorten lijken hetzelfde spelletje te spelen voor hun kiezers: ‘guttegut, wat zijn we toch gelukkig met elkaar’. Echter kleine kinderen worden groot; ze gaan de opzichtige trucjes van hun ouders zien. Ze weten dat hun ouders morgenavond weer knallende ruzie hebben. Het geschreeuw is tot in hun slaapkamer te horen. Ook de kiezer weet dat het simpelweg wachten is tot de volgende clash in het kabinet. Maar ja, zowel de ouders als de PvdA en het CDA lijken te denken dat ze niet vallen zolang ze elkaar maar stevig vasthouden. Het gaat net zolang goed totdat ze beiden – elkaar nog steeds vasthoudend – de afgrond in donderen. Samen de onvermijdbare val in. Je zou bijna denken dat het echte liefde is….

donderdag, 14 januari 2010

Heleen de Boer

Heleen de Boer

Twitter GR

Genante vertoning

In kabinet, opvatting, pvda, debat, twitter, weer, gisteren, nieuw.
Toen Jan gisteren vertrok van de vergadering van het afdelingsbestuur meldde hij nog even (vers van de twitter) dat Balkenende een nieuwe verklaring had afgelegd. Iemand riep dat het jammer was dat we geen poule hadden gemaakt. Linda vroeg vervolgens wie dan deze uitkomst voorspeld zou hebben, waarop ik zei dat Balkenende weinig anders kon gezien de harde woorden van de PvdA. Daarop zei Linda dat zij verwacht had dat de PvdA zou zijn gaan draaien en die harde woorden had ingeslikt.
Na de vergadering ging ik niet mee naar de kroeg, want ik wilde een keer vroeg(er) naar bed. Maar thuis belandde ik live in het kamerdebat over de commissie Davids en aan het eind daarvan, rond 3 uur, moest ik concluderen dat Linda toch gelijk gekregen had. Want de verschillen tussen de opvatting van Balkenende (die volgens Bos spreekt namens het hele kabinet) en die van de PvdA bleken nog net zo groot als een dag (inmiddels twee) eerder. Balkenende "neemt niets terug" van zijn verklaring terwijl de PvdA spreekt van "een nieuw standpunt" en "een nieuwe start". Gevraagd naar hoe zij keek naar dit verschil, zagen we een draaiende Mariëtte Hamer, die de brief van het kabinet voldoende vond en een motie waarin de eerder door de PvdA aangevallen verklaring van het kabinet van tafel werd gehaald "overbodig". Aan het einde van deze toch al zware avond kon ik het alleen maar eens zijn met twee twitteraars: "met de kennis van nu, was ik eerder naar bed gegaan" (anoniem, geciteerd tijdens het debat) en "voorlopig einde van een genante vertoning" (Ineke van Gent, overigens pas vanmorgen gelezen, want ik twitter (nog?) niet).
Ik vrees dat Balkenende de PvdA weer heeft waar hij ze hebben wil: terug in het hok. Ook niet zo verwonderlijk met een vice-premier die tijdens een zo serieus debat weinig anders weet te doen dan schaapachtig lachen. Maar ik laat me dinsdag - en in februari als de echte reactie van het kabinet wordt besproken - natuurlijk graag door de PvdA verrassen!

dinsdag, 11 december 2007

Luuk van der Meer

Luuk van der Meer

Hyves Twitter

Colin Powell van de Lage Landen

In hoop, liegen, macht, minister, nam, nederland, nrc, oorlog, politici, en meer.
Zelfs al is hij geen minister meer, nog mag Ben Bot zijn versie van de Irak-oorlog niet vrijelijk verkondigen. In 2005 noemde Bot de inval in Irak achteraf gezien niet zo verstandig. Maar hij slikte zijn woorden in no time weer in. Het was een "slip of the tongue."

Tegen de NRC zei Bot zaterdag (8 december) dat hij met het mes op de keel gedwongen werd zijn opmerking in te trekken. Balkenende had Bots excuses al ontvangen, toen hij vandaag (11 december) nog eens zijn oude verhaal over de Irak-oorlog kwam ophangen in de Tweede Kamer.

Bots opmerkingen toen en nu kunnen niet allebei waar zijn. Daar heeft Balkenende wel gelijk in. Maar het liegen (al dan niet in commissie) nam een hoge vlucht tijdens de oorlog. Met als hoogtepunt de show van Colin Powell, Europa's hoop in de regering van Bush, voor de VN. Een smet op mijn cv, noemde hij het later. Bot is niet de enige diplomaat met een kater van "Irak."

Bot was een capabele minister, waar wij onder zijn opvolger nog wel eens naar terugverlangen. Maar iets meer lef had wel gemogen. Misschien heeft Balkenende wel gelijk als hij zegt dat Bot maar had moeten aftreden als hij de invasie in Irak een verkeerd besluit vond.

Het gebrek aan lef is kenmerkend voor Nederland, zoals ook aan de orde kwam in het NRC-interview:

NRC: Nederlandse politici die in Washington op bezoek gaan, maken als ze de Oval Office binnenkomen vaak een wat serviele indruk.

Bot: „Ja, maar mogen we even Nederland naast Amerika leggen? Als je in Washington komt is duidelijk: hier zit de macht. Jullie profiteren van die macht, wij hebben jullie twee keer bevrijd, we zouden bereid zijn dat een derde keer te doen, als er ergens rotzooi is gaan in laatste instantie Amerikaanse jongens eraan, en dat zullen we blijven doen – en daar hoort een zekere ... serviliteit is te veel gezegd, maar op zijn minst begrip bij, en een beetje meevoelen met wat zij vinden. En wat zij vinden, zó is het."

Het wachten is op een Nederlander die met rechte rug het Oval Office binnenstapt en zegt: "Die volgende oorlog, daar doen wij niet aan mee."

Aantal berichten op deze pagina: 20. De berichten op deze pagina zijn niet ouder dan 36288 uur (1512 dagen). Berichtgemiddelde: 0 bericht per dag, 0,1 per week.

Volgende pagina

Pagina: 1