zondag, 22 januari 2012

Alice Karen

Alice Karen

Bureaucratie is universeel

In diaries, reisverhaal, -noorwegen, universitaria, |2012, nederland, oslo, administratie, bureaucratie.

null

Het is hier aan de Universiteit van Oslo gebruikelijk dat uitwisselingsstudenten een introductieweek hebben, waarin zij in een buddygroup komen, waarmee zij ook daarna nog regelmatig iets leuks ondernemen, en wat natuurlijk erg goed is om nieuwe mensen te leren kennen.

Maar de universiteit in Nederland heeft mij uiteraard niet erover ingelicht dat mijn goedgekeurde, ondertekende Erasmus Training Agreement ook als informatiegeving naar de centrale internationale administratie van de Universiteit van Oslo moest. Tot dat moment was ik uitstekend op tijd met het regelen van alles, ik had op dat moment ook al de zekerheid van housing, maar toen liep het spaak, vernam ik niets meer, had ik het nog stervensdruk met mijn UvA-stage, kreeg ik geen letter of admission, geen welcome packet, geen informatie meer. Sindsdien zit ik op een achterstand wat dat betreft en regel ik dingen hier nog, ik loop er een beetje achteraan, het komt wel in orde maar het is erg omslachtig. Lekker is dat.

En ik ben als gevolg daarvan dus ook niet in een buddygroup gekomen, heb geen introductieweek gehad, en ben dus ook qua het leren kennen van nieuwe mensen op een achterstand. Ik ken haast niemand naast een paar keukengenoten en enkele mensen van het museum. Een valse start wat dat betreft. Zo heb ik nog steeds geen Semester Card dus een afdruk van mijn persoonlijke UiO studentenaccount is nu in gebruik om tijdelijk te dienen als bewijs van dat ik recht heb op korting-OV. Een bureaucratie bestaat uit radartjes, en werkt er een niet goed, dan stopt het hele proces, en omwegen zijn dan altijd lastiger. Maar ik krijg het wel voor elkaar. Alleen jammer van die buddy group, dat vind ik echt jammer.

Wel ben ik met mijn afstudeerstage goed op gang, en dat is natuurlijk waarvoor ik hier voornamelijk ben, de rest, leuk of niet, is bijzaak. Ik heb een rechtstreekse metroverbinding naar het museum, en op de route ligt halverwege ongeveer de hoofdcampus, waar ik dus soms voor administratie-gerelateerde zaken moet zijn. Zoals je al hebt kunnen zien heb ik daar mijn eigen office en de algehele setting doet authentiek aan, zoals je verwacht van een natuurhistorisch museum. Ik vind dat wel een prettige setting.

Ik mis mijn vriend zeker, we hebben regelmatig videogesprekken maar dat is toch heel anders. Dat is wel echt wennen en een beproeving.


Gearchiveerd onder:Diaries, Reisverhaal

dinsdag, 3 januari 2012

Simon Otjes

Simon Otjes

Last.fm Twitter

Wat is goed politiek drama?

In denenmarken, fictie, politiek, verenigd koninkrijk, verenigde staten van amerika, vergelijkende politiek, abortus, ambtenaren, amerika, en meer.

Goed politiek drama slaat een ongemakkelijke balans slaan tussen drie dingen: politiek realisme, een intrigerend plot en meeslepend politiek idealisme. De schets van hoe politiek werkt, moet kloppen, anders gaat het wringen. We zetten de televisie uit als het niet klopt. Maar wil een politiek drama ons meenemen, dan moet er iets gebeuren, we moeten mee genomen worden in een verhaal. Politiek biedt daar mooie mogelijkheid voor: grote belangen, slimme strategen en intrige op het hoogste niveau. Ten slotte wordt een politiek drama alleen echt interessant als we ons met de karakters kunnen identificeren: als zij zich vol idealisme inzetten voor een betere wereld. Ik wil vanuit dit perspectief naar een aantal verschillende politieke drama’s kijken.

Ideal(istisch)e Politici

The West Wing (1999-2006, wiki, een van de vele prachtige scenes) is de touch stone van political drama. Het volgt President Bartlet, de ideale president: een man met de charme van Clinton, de intelligentie van Keynes en de compassie van Carter. Het team om hem heen, zijn woordvoerders, chief of staff, en speechwriters, doen hun best om van dit Presidentschap een succes te maken. De politieke realiteit is weerbarstig, de Democratische President staat tegenover een Republikeins Congres. Ze weten politieke successen te boeken, maar moeten nationaal en internationaal tegenslagen weerstaan. Alle politici hebben het hart op de juiste plek, maar moeten soms vuile handen maken om meerderheden voor hun wetten te vinden en om de wereld veilig te houden. De serie is geprezen om het realistisch beeld dat het geeft van het Amerikaanse politieke stelsel. De serie komt het meest op gang in de laatste seizoenen als de focus wordt verlegd naar de race om het presidentschap tussen een oude, maar onafhankelijk denkende Republikein en een jonge Democratische kandidaat met een etnische afkomst. Vier jaar voor de verkiezing van Obama weet de serie een boel correcte voorspellingen te doen: zelfs de voorspelling dat de Democratische kandidaat uiteindelijk een tegenstrever zou kiezer voor de post van Secretary of State.

Ik denk dat de grote kracht van The West Wing ligt in de combinatie van twee dingen: een realistisch beeld hoe politiek in Amerika eigenlijk werkt, een aanstekelijk politiek idealisme van de hoofdpersonen die geloven dat ze het land de goede kant op kunnen krijgen. Maar het geniale schrijf- en camerawerk maakt het af: door de snelle dialogen en voortdurend bewegend opgenomen scenes wordt je meegezogen in een dynamische politieke wereld die je wel moet volgen. Het enige minpunt is het overall plot: in de eerste seizoenen zijn er veel “political problem of the week”-afleveringen, het grote plot komt pas met de onthulling dat de President ziek is, maar dit niet heeft vertelt. De makers probeerden een Lewinsky-achtige affaire in hun verhaal te verweven: een President die liegt en daarover verantwoording moet afleggen, en zo zijn presidentschap zwaar beschadigt, maar daar zit een stuk minder intrige achter dan je zou verwachten. In de latere seizoenen de race om The White House, niet zo zeer spannend maar wel enthousiasmerend.

"I may be your archnemesis, but I'll come over for Thanksgiving"

Commander-in-Chief (2005-2006, wiki, eerste scene) probeert het succes van The West Wing te kopieren: een onafhankelijke vice-president van de Verenigde Staten wordt president als de Republikeinse president doodgaat. Ze vindt een vijandig Congres tegenover zich en woelt zich door familieproblemen. Ik heb al eerder geschreven dat deze serie een slechte kopie is.

Seks en Politiek

De Lewinsky-affaire is een grote inspiratie voor filmmakers, veel zoeken de relatie op tussen seks en politiek: de nieuwe film The Ides of March (2011, wiki, trailer) van George Clooney verslaat de primary-verkiezing van een linkse Amerikaanse presidentskandidaat door de ogen van een van zijn jonge, ambitieuze, idealistische aides: die stuit op een politieke schandaal. De kandidaat heeft een kind verwekt bij een campagnemedewerker. De aide helpt de medewerker bij een abortus, maar de druk wordt haar te veel: ze pleegt zelfmoord. De aide gebruikt die informatie uiteindelijk om zelf zijn positie in de campagne zeker te stellen. De film lijkt sterk op Primary Colors (1998, wiki, trailer). De plotten vallen min-of-meer samen: een seksueel schandaal, een aide die het geheim houdt. En zo verliest een jonge politicus zijn naiviteit. De herhaling van deze verhalen is ook niet raar, want President Clinton werd door zulke seksuele schandalen achter volgt. Het fundamentele verschillen tussen de twee verhalen is dat in The Ides of March iedereen alles voor zijn eigenbelang inzet, in Primary Colors komt de politieke volwassenwording heel hard aan, maar verandert de naieve jongeling niet in een slag in een berekende Machiavelli. Dat geeft duidelijk een plus aan Primary Colours voor realisme en idealisme.

"I'll be president in four years, sir"

The American President (1995, wiki, trailer) geeft een veel romantischer beeld van de verhouding tussen macht en liefde. The American President gaat over de opbloeiende relatie tussen de Democratische Amerikaanse President, een wedunaar, en een milieulobbyiste. Hun liefde komt onder politieke druk te staan als het wordt gebruikt door de Republikeinen die het als een test zien van de moraliteit van de president. Uiteraard: in deze romantische komedie overwint de liefde alles. De waarheid over macht en liefde zal wel ergens tussen de cynische thriller Ides of March en de zoetsappige romantische komedie The American President in liggen. Het meest interessante aan deze flim is dat hij vier jaar voor The West Wing is gemaakt en dat een aantal acteurs op opvallende plaatsen opduiken: President Bartlet is nu Chief of Staff.

The Contender (2000, wiki, trailer) focust op ook een seksschandaal, dat weer wordt gebruikt als de toetssteen van de moraliteit van een Democratische politicus: nu van de eerste vrouwelijke kandidaat-vice-president van de Verenigde Staten. De kandidaat wordt door de Republikeinen ervan beticht tijdens haar studietijd seks te hebben gehad om lid te worden van een studentenvereniging. De kandidaat zwijgt. Dit brengt haar kandidatuur in groot gevaar. We komen erachter dat ze het niet heeft gedaan, maar dat ze vindt dat politiek hier niet over mag gaan. Een klassieke clash tussen het idealisme van een Democratische kandidaat en het cynisme van het Republikeinse establishment. Maar geeft een realistisch beeld van hoe schandalen worden gebruikt om kandidaten te breken.

Post-Lewinsky cinema kunnen we het wel noemen. Maar ook andere recente gebeurtenissen hebben ook hun weerslag gehad: de legendarische presidentschappen van Nixon en Kennedy zijn ook verfilmd.

Historisch Realisme

The Kennedys (2011, wiki, trailer) reconstrueert de Amerikaanse politieke machine: de Kennedys. Vader Joe Kennedy heeft maar een ambitie: zelf President van de Verenigde Staten worden. Als dat niet lukt, concentreert zijn ambitie zich op zijn oudste zoon. Als die omkomt in de Tweede Wereldoorlog, dan richt hij zich op zijn een-na-oudste zoon: John F. Kennedy. Kennedy heeft dezelfde krachten en zwakten als zijn vader: een politiek genie, maar in de relatie met vrouwen uitermate onbetrouwbaar. Alle middelen, inclusief keiharde verkiezingsmanipulatie, worden ingezet om verkozen te worden: zelfs de maffia steunt hen. JFK schopt het tot president. We volgen het presidentschap van Kennedy: statesmanship in de Cuban Missle Crisis (ook mooi verslagen in Thirteen Days (2000, wiki, trailer)). De communicatie tussen de wereldleiders gaat in punten en komma’s van officiele verklaringen. En uiteraard het politiek idealisme in de strijd tegen segregatie. We weten dat het presidentschap van Kennedy bloedig eindigt. Zijn broer Bobby neemt de fakel over en betaalt dat ook met zijn leven.

Over het realisme van zulk politiek drama wordt vaak gezeverd: maar dat gaat over kleine details. Het algemene beeld van politiek dat er geschetst wordt klopt. De Kennedys werden gedreven door hun ambitie om seksuele en politieke veroveringen te boeken en om Amerika iets eerlijker te maken. Daarvoor waren alle middelen geaccepteerd. De nationale politieke realiteit blijkt weerbarstig, maar de internationale politieke realiteit is nog weerbarstiger. We delen de politieke ambities van de Kennedys in de strijd tegen segregatie, maar de alle middelen zijn geaccepteerd-mentaliteit gaat soms te ver.

Een alle middelen zijn geaccepteerd-mentaliteit staat ook centraal in All the President’s Men (1976, wiki, trailer) dit volgt de journalisten die het Watergate schandaal ontdekten. Het is misschien niet zozeer een politiek drama als een journalistieke thriller. Ze stuiten via een simpele inbraak in een hotelcomplex op een samenzwering rond de Republikeinse Amerikaanse president Nixon om met het  Democratische hoofdkwartier af te luisteren. Om hun macht te behouden zijn politici tot alles in staat. De journalisten zijn echter oprecht op zoek naar de waarheid … en een goed politiek verhaal. In Frost/Nixon (2008, wiki, trailer) legt Nixon verantwoording af bij de journalist Frost. De interviews

"I'll be prime-minister of Britain one day, I promise"

hebben echt plaats gevonden, maar de verfiliming geeft de context realistisch weer: een sluw politiek genie die een tweede rangs-journalist wil gebruiken om zijn onschuld te bewijzen, en een jonge journalist die zich graag wil bewijzen door een zo groot mogelijke scoop te halen.

Het grote nadeel van zulke films is dat we het einde al weten: je weet dat in de laatste scene van The Kennedys RFK wordt doodgeschoten, je weet dat de wereld niet is vergaan tijdens de Cuban Missiles Crisis en je weet dat, hoe hij het ook probeert te ontkennen, Nixon een crook is.

Maar ook de recente geschiedenis inspireert: Too Big to Fail (2011, wiki, trailer) verslaat een episode uit de Amerikaanse bankencrisis, namelijk hoe in een heel korte tijd de grote banken van Amerika gered moeten worden (het is zo een interessant zusje van de financiele thriller Margin Call (2011, wiki, trailer) over de nacht dat een bank instort). Too Big to Fail geeft een mooi inzicht in hoe de besluitvorming loopt: met niet-meewerkende bankiers, eigenwijze senatoren en grote belangen.

Brits Cynisme

Welke is echte echt en welke een kopie?

De Amerikaanse politiek staat uiteindelijk veraf van wat wij in Europa gewend zijn: een parlementair stelsel met een premier en onafhankelijke professionele bureaucratie. Politici hebben niet het vermogen om de wereld te veranderen, noch de intelligentie daarvoor. Politiek is wat er gebeurt op televisie, terwijl ambtenaren de dienst uit maken. Dat is in elk geval de indruk die we krijgen van de Britse serie Yes, Minister/Yes, Prime Minister (1980-1984, wiki, een klassieke scene). Dit is een klassieke Britse sitcom uit de jaren ’80: een catchphrase, hoge grapdichtheid en niet meer dan drie karakters: de politicus die denkt hij iemand is, maar dat niet is, de sluwe topambtenaar en de aangever, de persoonlijke secretaris van de minister. Maar daar achter zit een cynisch-realistisch beeld van de politiek. Een minister weet in een periode van vier jaar niets te bereiken, de echte macht ligt bij de honderden ambtenaren die er jaren zitten, en in het bijzonder de topambtenaren. Het was de favoriete serie van de toenmalige premier Margaret Thatcher zelf, die een even cynisch beeld had van de overheid.

De VPRO heeft, overigens, recentelijk geprobeerd de serie te kopieren, zonder succes (Sorry Minister, 2009, wiki, een overduidelijk gekopieerde scene).

Yes, I'm Evil

Nog cynischer dan Yes (Prime) Minister is de serie House of Cards (1990, wiki, klassieke scene), To Play the King (1993, wiki, nog zo’n klassieke scene) en The Final Cut (1995, wiki, een laatste klassieke scene). Ik schreef hier al eerder over. Het volgt de fictieve politieke carriere van Francis Urquhart (F.U.) een machiavellistische politicus. Urquhart wil alles doen om zijn macht te vergroten. In House of Cards elimineert hij een-voor-een zijn mogelijke concurrenten als conservatieve partijleider door seksschandalen te creeeren en reputaties van mensen te vernietigen. Het kost uiteindelijk het leven van zijn politieke assistent. Urquhart begint een relatie met een jonge journaliste die geintrigeerd is door het charisma van de macht. Ze komt achter zijn plannen. Urqhart vermoordt ook haar. In To Play the King is Urquhart premier geworden aan gaat hij de strijd om de macht aan met de idealistische koning, die zich verzet tegen het rechtse beleid van de regering. Urqhart dwingt hem uiteindelijk af te treden voor zijn nog zeer jonge zoon. In The Final Cut probeert Urquhart zijn pensioen zeker te stellen door in de laatste dagen van zijn premierschap een oliedeal te regelen waar hij zelf voordeel van heeft. Als dit dreigt uit te komen, laat zijn vrouw, die in de hele serie een soort Lady Macbeth is geweest, hem vermoorden om zijn reputatie te bewaren. Dit niveau van intrige gaat veel verder dan echte politiek, of zelfs de Amerikaanse politieke thrillers. Waar in het begin de kijker, net als de jonge journaliste geintrigeerd is door de machtpoliticus Urquhart, eindigt hij als een karikatuur. Deze triologie is een interessante studie van absolute macht, maar staat wel ver van de politieke realiteit.

"I told you I'd prime-minister one day."

Blair werd voor 2003 gezien als een politicus van een ander slag dan de cynische conservatieven. Een man die als geen ander kan communiceren, mensen enthousiast kan maken voor een progressief verhaal. In het drieluik The Deal (2003, wiki, laatste scene), The Queen (2006, wiki, trailer) en The Special Relationship (2010, wiki, trailer) zien we hoe Tony Blair, een jonge ambitieuze hervormer, begint aan een politieke carriere onder mentorschap van de norse Gordon Brown, die door Blair wordt gezien als de natuurlijke partijleider. Hij groeit uiteindelijk boven Brown uit. Blair kan premier worden. De relatie verzuurt: in de politieke realiteit is The Deal nodig tussen de twee. Eerst acht jaar Blair, dan de kans voor Brown. The Queen begint met het aantreden van Blair, die zich tegenover de Britse Koningin moet verhouden. Het opent met een prachtige scene waarin de Koningin een jonge Blair, die net de verkiezingen heeft gewonnen, terecht wijst over het protocol: Blair mag de Koningin niet vragen hem te benoemen als premier. De Koningin moet hem vragen premier te worden. De dood van Prinses Diana is een schakelpunt: Blair weet het publieke sentiment na de dood van Diana veel beter in te schatten dan de koele afstandelijke Koningin. Blair moet de Koningin overtuigen menselijkheid te tonen. The Special Relationship focust op de relatie tussen Blair en Bill Clinton. Clinton nodigt de Blair, als leider van de oppositie uit in het Witte Huis. Hij ziet in Blair een mooie mogelijkheid om een gelijkgezinde centre-left progressive politicus aan de macht te helpen. Clinton geeft Blair advies als hij eenmaal premier is geworden. De twee leiders komen in conflict over Kosovo. Blair wil veel harder ingrijpen dan Clinton. Dat wil hij uit politiek idealisme: de wereld moet vrij worden gemaakt van dictatuur. Hij forceert Clinton, die ondertussen door seksschandalen politiek is verzwakt, om in te grijpen. Twee jaar later is een verzuurde Clinton president af en zoekt Blair een nieuwe relatie met Bush. De politieke kernboodschap van de drie films is dat politiek niet over grote idealen of grote schandalen, maar over persoonlijke relaties gaat. Blair groeit iedere keer als leerling boven zijn meester uit, wat de relaties onder druk zet.

"Another actor to play Blair, how dare you."

Een aanzienlijk cynischer beeld van het premierschap van Blair spreekt uit uit de Amerikaanse film the Ghost Writer (2010, wiki, trailer). De film gaat over een ghost writer die de memoires moet schrijven van een voormalige Britse premier. De premier, een duidelijke kopie van Blair, was heel populair in eigen land en bij de Amerikaanse regering. Zijn reputatie is echter onder druk gekomen vanwege zijn steun aan de War against Terror. De schrijver komt erachter dat de premier letterlijk door de Amerikanen aan de macht geholpen is: in zijn studietijd is hij gekoppeld aan een vrouw die hem stimuleerde om premier te worden en daar het Amerikaanse belang te dienen. Een vermakelijke speculatie, maar geen diepzinnige politieke analyse. Een soort Manchurian Prime Minister eigenlijk (cf. Manchurian Candidate 1962, 2004, wiki, wiki, trailer, trailer)

Van Eigen Bodem

Twee Bernhards

In Nederland hebben we het ook geprobeerd: politiek drama van onze eigen bodem. Den Uyl en de Affaire Lockheed (2010, wiki, trailer) volgt de Nederlandse premier Den Uyl die probeert een schandaal rond de Kroon te voorkomen. Het conflict tussen de linkse idealen van Den Uyl en de politieke realiteit worden mooi weergegeven door Den Uyl zowel te volgen in zijn eigen familie, waar zijn eigen zoon Den Uyl veroordeelt voor het creeeren van een doofpot en op het Paleis, waar hij keihard met de politieke realiteit wordt geconfronteerd. De affaire en Den Uyl spelen een bijrol in Bernhard, Schavuit van Oranje (2010, wiki, trailer). Dit legt vrij realistisch het politieke leven van Bernhard langs het politieke leven Maxima. Bernhard, geniaal gespeeld door Daan Schuurmans, vindt zichzelf eigenlijk te groot voor Nederland: tijdens de Tweede Wereldoorlog werkt hij mee met staatslieden, in het na-oorlogse Nederland wordt zijn positie steeds marginaler. Maar de sluwe vos weet, zo speculeert de serie op basis van het script van Thomas Ross, een laatste zet te maken: hij haalt Maxima naar Nederland om de zwakke kroonprins bij te staan, zoals ook hij ooit naar Nederland is gehaald om de zwakke kroonprinses bij te staan.

Dat is wel een hele subtiele verwijzing.

Een stuk zwakker is Vox Populi (2008, wiki, trailer). Het volgt de politiek leider van RoodGroen (ja, dat is een heel subtiele verwijzing), Jos Fransen, die in een midlife crisis is beland. Via de nieuwe vriend van zijn dochter komt hij in contact met “gewone burgers”. Hij merkt dat hij het goed doet in de peilingen als hij de taal van deze gewone burgers uitslaat op televisie. Maar daarmee breekt hij wel met zijn eigen politieke programma. De peilingen en zijn affaire met een stagaire slaan hem naar de bol. En uiteindelijk besluit hij te migreren. De film is weinig realistisch: het gaat uit van populistisch idee dat er een kloof tussen burger en bestuur is en dat kiezers naar iedere politicus neigen die daarover heen stapt. Wat de film precies wil zeggen over politiek is mij onduidelijk: het lijkt me eerder een film over een man in een midlife crisis die toevallig politicus is. Het enige interessante is het hoge aantal cameo’s van ‘echte’ politici, journalisten en opiniemakers.

De Burcht

Een Nederlandse The West Wing is er dus niet. Het meest dichtbij komt Borgen (vanaf 2010, wiki, bijbehorende website). Borgen volgt de Deense politica Birgitte Nyborg, die onverwacht premier wordt. We volgen de complexe relaties tussen politici, de media en voorlichters en de reprecussies van politieke carrieres op het thuisfront. Nyborg, de leider van de sociaal-liberale partij Moderate wordt onverwacht premier, als de leider van de grote sociaal-democratische partij en de leider van de grote liberale partij verwikkeld raken in een moddergevecht over politieke schandalen op de laatste dagen van de verkiezingen. Nyborg vormt een minderheidskabinet van groenen, sociaal-democraten en sociaal-liberalen dat soms steun moet vinden bij de uiterste linkse Solidarisk Samling en soms bij de centrum-rechtse Ny Nojre. Binnen de coalitie staan de weinig sympathieke sociaal-democraten, die zich als de natuurlijke machtspartij zien, klaar om Nyborg een dolk in de rug te steken. Het partijenstelsel is overduidelijk gebaseerd op het Deense, maar doet sterk denken aan het Nederlandse stelsel: van rechtse xenofobe populisten tot regenteske sociaal-democraten, het is wel heel herkenbaar. De serie wordt soms gezien als politiek naief omdat Nyborg nogal amateuristisch is en er vaak alleen voor lijkt te staan, maar Nederlandse politici zijn allemaal amateurs. Tegelijkertijd volgt het plot de jonge journaliste Fonsmark, wiens carriere een plotseling sprong maakt. Zij probeert haar onafhankelijke journalistieke positie te beschermen tegen de druk van de politieke macht en niet altijd welwillende collega’s. Ze worden verbonden door Kasper Juul, de sluwe spindokter van de premier: een echte machtspoliticus die prachtige speeches kan schrijven en die een relatie had met Fonsmark.

De serie is gemaakt door de makers van The Killing, een politiethriller. En dat is het enige nadeel: er is een grote neiging om lijken naar beneden te gooien als een soort Deus Ex Machina. De serie opent met de politiek assistent van de liberale premier die sterft in de kamer van Fonsmark (met wie hij een relatie heeft) en voor zijn baas belastend bewijs achterlaat voor Juul om te vinden. En zo zitten er wel meer weinig realistische thriller-achtige twists en turns in.

Veel realistischer is de weergave van de relatie tussen seks en macht. De premier en haar man groeien uit elkaar: hij moet zijn carriere opgeven voor haar. Zij heeft het veel te druk om intiem te zijn met hem. Het huwelijk valt uitelkaar: niets geen spannende one-night-stands maar een opdrogend huwelijk.

We zien een prachtig en herkenbaar beeld van politiek achter de schermen in een parlementair stelsel. Hierin probeert de premier trouw te blijven aan haar sociaal-liberale idealen, terwijl de media en haar coalitiepartners dat proberen te dwarsbomen. Een prachtige serie dus, het enige probleem is dat de schrijvers denken dat ze bovenop alle politiek ook nog een extra dramatisch plot nodig hebben, dat niet bijdraagt aan het politieke verhaal.

In Conclusion

De meest realistische films zijn de historische drama’s. Het minst realistisch zijn volgens mij Vox Populi en The Manchurian Candidate. Het meest idealistisch zijn The Contender en The West Wing. Een hele serie films en series zijn uitermate cynisch. Het spannendst is The Contender, samen met Primary Colors, Ides of March en House of Cards. Daarin kan je echt niet voorspellen hoe het plot zich ontwikkeld. Commander in Chief, Yes, Prime Minister/Sorry, Minister en Vox Populi zijn aanzienlijk voorspelbaarder. Dat geeft een tie aan de top (The Contender/The West Wing) en een duidelijke verliezer: Vox Populi.

vrijdag, 16 december 2011

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Occupy: geen blauwdruk maar een spiegel

In politiek, linker wang, samenleving, 1%, amsterdam, anders breivik, banken, beslissingen, bijbel, en meer.

Column De Linker Wang december 2011

Hoe zal 2011 in de geschiedenisboekjes komen te staan? Waarschijnlijk komt er ruim aandacht voor de Arabische lente en evenzeer voor de eurocrisis. Misschien nog het bereiken van de mijlpaal van zeven miljard wereldbewoners. De tsunami en kernramp van Fukushima en de massamoord door de extreem-rechtse Anders Breivik zullen – bizar genoeg – op termijn voetnoten van de geschiedenis zijn.

En Occupy? De beweging die de wereld wilde veranderen, begon op 17 september als demonstratie voor het beursgebouw van Wall Street en breidde zich uit naar tientallen Amerikaanse en Europese steden. In Nederland vooral op het beursplein in Amsterdam, maar er waren ook initiatieven in vijftien andere steden.  Het is een beweging van ongenoegen. Ontevreden met de macht van banken en beurzen en de onmacht van de parlementaire democratie om tot echter oplossingen te komen. “We are the 99%”, zeggen ze, verwijzend naar de 1% die alle macht en alle geld bezit.

Occupy ademde hoop. Revolutionaire hoop. Radicaal de wereld veranderende hoop. Niet meer de oude macht van het kapitaal of de moedeloos draaiende raderen van de bureaucratie of de politiek. Alles zou anders worden. Iedereen mocht meedoen. Beslissingen werden niet langer top down genomen, maar in de general assembly waar iedereen mag meepraten en het aankomt op consensus. Toespraken werden niet elektronisch versterkt maar mond op mond doorgegeven totdat iedereen het hoorde.

Natuurlijk, ook Occupy kan nog geschiedenis schrijven, maar nu ik deze woorden schrijf, lijkt de glans er vanaf. De vreedzame demonstraties zijn op verschillende plaatsen uit de hand gelopen of doodgebloed. De hoge idealen blijken soms een dun vernisje over opportunisme, gemakzucht en luiheid. Dat is makkelijk prijsschieten voor cynici die nauwelijks geloven in een Arabische lente, laat staan een lente in het verziekte neoliberale Amerikaans-Europese systeem.

Gedeelde inspiratie

Dat is triest, want de droom van Occupy zou ons diep kunnen aanspreken. Het is de droom van het begin van de kerk, zoals we in de bijbel lezen: in de eerste gemeente hadden ze alles gemeenschappelijk en leefden ze in harmonie en gedeelde inspiratie. Het is ook de droom van het staatssocialisme geweest: ieder doet wat hij of zij kan en ontvangt wat zij of hij nodig heeft. Maar ook die dromen zijn in duigen gevallen: de oorspronkelijke christelijke gemeenschap is een instituut geworden waarin macht en regels vaak belangrijker zijn dan geestdrift en menselijkheid; het staatssocialisme kon ontaarden in een van de meest onderdrukkende en onmenselijke systemen.

Wat is dat toch, dat hoge idealen zo kunnen tegenvallen? Ik laat de cynische antwoorden even rusten net als de al te vrome – die op hun beurt vaak net zo cynisch zijn over het leven hier en nu. Waarom mislukt het steeds?

Een deel van het antwoord vinden we bij de antropoloog Victor Turner. Hij beschrijft hoe er in rituelen en andere overgangssituaties een gemeenschapsgevoel kan ontstaan dat tegen alle bestaande structuren en verhoudingen ingaat. Hoog en laag bestaan niet meer, binnen en buiten evenmin. Plotseling is er een nieuw soort gemeenschap die buiten het gewone staat en daarom inspireert, verwart, ter discussie stelt en nieuwe wegen wijst. Deze radicale gemeenschap past niet bij de gewone structuur, maar is een soort anti-structuur, anders dan alles wat we kennen.

Maar ook die nieuwe gemeenschap moet na kortere of langere tijd weer een eigen structuur krijgen en verzandt dan bijna per definitie in dat wat ze wil vermijden. Of ze valt uit elkaar. De anti-structuur is nooit van blijvende aard. Het is een kritiek op de bestaande structuren, maar kan zelf alleen maar bestaan als reactie, niet als volwaardig alternatief. De kerk begon als anti-structuur, maar werd na verloop van tijd zelf deel van de elite. Het socialisme begon als anti-structuur en werd een machtssysteem. Occupy was een anti-structuur en lijkt uiteen te vallen in anarchie.

Verandering

Is het daarmee een dode mus? Een mooi idee dat weer tegenvalt? Een vluchtig teken van hoop waarna we terugvallen in de teleurstelling en het cynisme? Wat mij betreft niet. Er zit een wezenlijke drang tot verandering in de hele beweging en dat is tegelijk een aanklacht tegen het systeem dat nu de wereld bepaalt. Een aanklacht tegen banken, beurzen en regeringen die steeds maar denken dat ze de wereld kunnen redden door in hetzelfde spoor verder te gaan.

Die aanklacht geeft hoop en roept op om in elk geval kleine stappen in de goede richting te zetten. Dat wil niet zeggen dat het alternatief ook direct helder is. Occupy is een spiegel voor een vastlopende wereld, geen blauwdruk voor hoe het wel zou moeten. Wat dat betreft, ligt het dicht bij de boodschap van Jezus. Of bij de dromen van vernieuwingsbewegingen in allerlei tradities. Radicaal. Niet autoritair. Anti-structuur. Boodschappen die alles ter discussie stellen. Maar kijk uit als je die boodschappen zelf weer tot structuur maakt. Voor je het weet, is het middel erger dan de kwaal. De boodschap van een anti-structuur – Occupy, Marx, Jezus – is een kritische vraag en aanzet tot verandering, geen totaaloplossing.


Feiko van der Veen

Feiko van der Veen

GR

Toekomst verzorgingsstaat: economie, staat en geest.

In geen categorie, banken, cultuur, dijsselbloem, drie logica's, driegeleding, economie, evelien tonkens, habermas, en meer.

22 augustus
2010. Hoe moet het nu verder met de verzorgingsstaat sinds de marktwerking niet
gebracht heeft wat er van werd verwacht? Men vindt dat tussen staat en markt
een nieuwe rolverdeling moet komen. Het toezicht op de banken moet strakker.
Uitbesteding van overheidstaken aan de markt is op zijn retour. Voor een echte
nieuwe taakverdeling moeten we volgens mij echter de vraag van drie kanten
bekijken: naast markt en staat ook de cultureel-geestelijke sector in
uitgebreide zin, waar dan ook traditionele onderdelen van de verzorgingsstaat
als onderwijs en gezondheidszorg onder vallen.

Toezicht op de banken moet strenger. De economie heeft
te veel speelruimte gehad. Maar professionals in bijvoorbeeld zorg of onderwijs
moeten juist meer de ruimte krijgen en de bureaucratische verantwoordingsplicht
moet minder, dat is de nieuwe tijdgeest sinds het politieke optreden van Pim
Fortuyn. In het regeerakkoord van Balkenende IV werd in 2007 de gemeenschap weer
meer gewicht toegekend ten opzichte van het individu dan decennia lang het
geval was geweest. In het onderwijs moest de overheid moest zich volgens de
parlementaire enquêtecommissie Dijsselbloem (2008) alleen nog bezig houden met
het “wat” van het onderwijs en niet meer met het “hoe”. In de afgelopen
verkiezingscampagne voor de Tweede Kamer stond echter bitter weinig concreets
over deze zaken in de partijprogramma’s. Er is kennelijk nog een lange weg te gaan
van theorie naar praktijk.

 

Een aantal Nederlandse auteurs houdt zich al jaren met
deze zaak bezig. Achterhuis schreef recent over “de utopie van de vrije markt”.
Van der Lans schreef al drie heel concrete boekjes over de gewenste nieuwe
speelruimte voor de publieke sector. Tonkens werkt verder aan haar idee van de
“mondige burgers, getemde professionals”. Ook zij stelt, dat professionals in
de publieke sector, denk bijvoorbeeld aan onderwijs en zorg, niet steeds meer
bureaucratische verantwoording zouden moeten afleggen aan de overheid, om zo meer
tijd over te houden voor hun echte werk. De verantwoordingsplicht gaat uit van
wantrouwen en dat werkt contraproductief.

 

Komen we er verder mee als we de samenleving zien als
bestaande uit de drie deelsystemen economie, politiek en cultuur? Ligt het
probleem niet grotendeels bij het over het hoofd zien van het geestelijk-culturele
leven? Vooral het “vrije geestesleven” is telkens in de verdrukking. Habermas
analyseert hoe in de moderne tijd door economisering en bureaucratisering economie
en staat de persoonlijke “leefwereld” van mensen binnendringen en aan zich
ondergeschikt maken. Een beeldend kunstenaar als Dikker ziet dat daardoor in
het overheidsbeleid artistiek-inhoudelijke kwaliteitscriteria worden vervangen
door marktgerichte en kunsthistorische criteria en authenticiteit en
vakbekwaamheid uit beeld verdwijnen. Tonkens spreekt over de drie logica’s van
markt, bureaucratie en professionaliteit. In de publieke sector komt de
professional klem te zitten tussen de veeleisende, mondige burgers en de
verantwoordingsplicht vanuit de overheid.

 

Tonkens heeft de drie logica’s met elkaar vergeleken.
Voor de markt is efficiëntie de centrale waarde, voor de bureaucratie
rechtsgelijkheid en voor het professionalisme inhoudelijke kwaliteit. Juist
omdat de speelruimten van economie en politiek nu ten koste gaan van cultuur
vind ik het interessant om bij Tonkens te lezen aan welke speelruimte de
professionele logica behoefte heeft. De professional stelt zich in dienst van het
welzijn van de cliënt. Maar niet van wat de klant wil of kan betalen, maar wat
de klant werkelijk nodig heeft. De professional is niet direct dienstbaar aan
de cliënt zelf, maar aan een hoger doel, een geestelijke waarde, zoals
gezondheid, welzijn of waarheid. Vanuit opleiding en ervaring is de
professional in staat om te beoordelen wat de cliënt nodig heeft. Omdat de
professional werkt met mensen en elk geval uniek is, heeft hij of zij vrije
beslissingsruimte nodig en krijgt deze nu onvoldoende. De alsmaar toenemende
standaarden en protocollen kunnen hooguit hulpmiddelen zijn.  De eigen deskundigheid moet meer erkenning
krijgen en de regeldruk vanuit de overheid moet veel minder en anders. Er moet
er wel sprake zijn van afstemming van het oordeel van de professional op het
verhaal van de cliënt. Want de cliënt weet wel beter hoe het voelt om met haar
of zijn probleem te leven en wat zij of hij er voor over heeft om het op te
lossen.

 

Steiner, grondlegger van de antroposofie, heeft zich
ook met de gezonde samenleving bezig gehouden. Ook hij onderscheidde daarbij
drie geledingen: geestesleven, rechtsleven en economisch leven, die hij
koppelde aan respectievelijk vrijheid, gelijkheid en broederschap. Hij pleit
ervoor het bestuur van de samenleving in drie geledingen te splitsen, die
zichzelf besturen en met elkaar omgaan als waren het soevereine staten. Ook het
geestesleven, dat onderwijs, gezondheidszorg, cultuur enzovoort omvat, zou op
eigen benen moeten staan en een overkoepelend bestuur moeten hebben. Over
bijvoorbeeld de benodigde financiële middelen zou het dan moeten overleggen en
onderhandelen met de besturen van de economie en de staat. Voor mij nog altijd
een inspirerende gedachte. Het geestesleven omvat alles wat uit de individuele
vermogens van de enkeling voortkomt. Het moet zijn plaats in een gezonde
samenleving enerzijds krijgen vanuit haar eigen impulsen, zeg
professionaliteit, en anderzijds laten afhangen van begrip en waardering bij
mensen die haar prestaties ontvangen. Mensen zouden bijvoorbeeld hun eigen
dokter of school moeten kunnen kiezen, waarvan de professionele deskundigheid
niet door de staat, maar door gezondheidszorg en onderwijs zelf zouden moeten
worden gegarandeerd. Daarbij zou niet de inhoud centraal moeten worden
voorgeschreven, maar een vrij geestesleven ruimte moeten geven aan allerlei verschillende
richtingen.

 

Als we onze samenleving in de toekomst zo willen
inrichten, dat de publieke sector van onderwijs, gezondheidszorg enzovoort,
waarin professionaliteit centraal staat, gezonder functioneren, zal er dus
speelruimte van economie en staat moeten verschuiven richting
geestelijk-cultureel leven. Het is de hoogste tijd dat daar serieus werk van
wordt gemaakt. Eigenlijk is het probleem van de verzorgingsstaat volgens mij
echter veel fundamenteler. Het hele geestelijke leven, waaronder het
verantwoordingsbesef van de gemiddelde burger, maar ook de maatschappelijke
verantwoordelijkheid in dienst waarvan de economie zich zou moeten stellen, is
in mijn ogen toe aan een flinke opknapbeurt.

 

Zie voor de in de tekst
besproken literatuur: Hans Achterhuis, De utopie van de vrije markt. Paul Dikker,
Oordelen over kwaliteit, zie http://www.pauldikker.nl/pd.artikel8.htm. Jürgen Habermas: zie artikel Paul Dikker. Jos v.d. Lans: Koning Burger; Ontregelen; en: Erop af! Zie http://www.josvdlans.nl/. Rudolf Steiner, De kernpunten van het sociale vraagstuk. Evelien Tonkens, Mondige burgers, getemde professionals.

Feiko van der Veen

Feiko van der Veen

GR

Toekomst verzorgingsstaat: economie, staat en geest.

In geen categorie, banken, cultuur, dijsselbloem, drie logica's, driegeleding, economie, evelien tonkens, habermas, en meer.

22 augustus
2010. Hoe moet het nu verder met de verzorgingsstaat sinds de marktwerking niet
gebracht heeft wat er van werd verwacht? Men vindt dat tussen staat en markt
een nieuwe rolverdeling moet komen. Het toezicht op de banken moet strakker.
Uitbesteding van overheidstaken aan de markt is op zijn retour. Voor een echte
nieuwe taakverdeling moeten we volgens mij echter de vraag van drie kanten
bekijken: naast markt en staat ook de cultureel-geestelijke sector in
uitgebreide zin, waar dan ook traditionele onderdelen van de verzorgingsstaat
als onderwijs en gezondheidszorg onder vallen.

Toezicht op de banken moet strenger. De economie heeft
te veel speelruimte gehad. Maar professionals in bijvoorbeeld zorg of onderwijs
moeten juist meer de ruimte krijgen en de bureaucratische verantwoordingsplicht
moet minder, dat is de nieuwe tijdgeest sinds het politieke optreden van Pim
Fortuyn. In het regeerakkoord van Balkenende IV werd in 2007 de gemeenschap weer
meer gewicht toegekend ten opzichte van het individu dan decennia lang het
geval was geweest. In het onderwijs moest de overheid moest zich volgens de
parlementaire enquêtecommissie Dijsselbloem (2008) alleen nog bezig houden met
het “wat” van het onderwijs en niet meer met het “hoe”. In de afgelopen
verkiezingscampagne voor de Tweede Kamer stond echter bitter weinig concreets
over deze zaken in de partijprogramma’s. Er is kennelijk nog een lange weg te gaan
van theorie naar praktijk.

 

Een aantal Nederlandse auteurs houdt zich al jaren met
deze zaak bezig. Achterhuis schreef recent over “de utopie van de vrije markt”.
Van der Lans schreef al drie heel concrete boekjes over de gewenste nieuwe
speelruimte voor de publieke sector. Tonkens werkt verder aan haar idee van de
“mondige burgers, getemde professionals”. Ook zij stelt, dat professionals in
de publieke sector, denk bijvoorbeeld aan onderwijs en zorg, niet steeds meer
bureaucratische verantwoording zouden moeten afleggen aan de overheid, om zo meer
tijd over te houden voor hun echte werk. De verantwoordingsplicht gaat uit van
wantrouwen en dat werkt contraproductief.

 

Komen we er verder mee als we de samenleving zien als
bestaande uit de drie deelsystemen economie, politiek en cultuur? Ligt het
probleem niet grotendeels bij het over het hoofd zien van het geestelijk-culturele
leven? Vooral het “vrije geestesleven” is telkens in de verdrukking. Habermas
analyseert hoe in de moderne tijd door economisering en bureaucratisering economie
en staat de persoonlijke “leefwereld” van mensen binnendringen en aan zich
ondergeschikt maken. Een beeldend kunstenaar als Dikker ziet dat daardoor in
het overheidsbeleid artistiek-inhoudelijke kwaliteitscriteria worden vervangen
door marktgerichte en kunsthistorische criteria en authenticiteit en
vakbekwaamheid uit beeld verdwijnen. Tonkens spreekt over de drie logica’s van
markt, bureaucratie en professionaliteit. In de publieke sector komt de
professional klem te zitten tussen de veeleisende, mondige burgers en de
verantwoordingsplicht vanuit de overheid.

 

Tonkens heeft de drie logica’s met elkaar vergeleken.
Voor de markt is efficiëntie de centrale waarde, voor de bureaucratie
rechtsgelijkheid en voor het professionalisme inhoudelijke kwaliteit. Juist
omdat de speelruimten van economie en politiek nu ten koste gaan van cultuur
vind ik het interessant om bij Tonkens te lezen aan welke speelruimte de
professionele logica behoefte heeft. De professional stelt zich in dienst van het
welzijn van de cliënt. Maar niet van wat de klant wil of kan betalen, maar wat
de klant werkelijk nodig heeft. De professional is niet direct dienstbaar aan
de cliënt zelf, maar aan een hoger doel, een geestelijke waarde, zoals
gezondheid, welzijn of waarheid. Vanuit opleiding en ervaring is de
professional in staat om te beoordelen wat de cliënt nodig heeft. Omdat de
professional werkt met mensen en elk geval uniek is, heeft hij of zij vrije
beslissingsruimte nodig en krijgt deze nu onvoldoende. De alsmaar toenemende
standaarden en protocollen kunnen hooguit hulpmiddelen zijn.  De eigen deskundigheid moet meer erkenning
krijgen en de regeldruk vanuit de overheid moet veel minder en anders. Er moet
er wel sprake zijn van afstemming van het oordeel van de professional op het
verhaal van de cliënt. Want de cliënt weet wel beter hoe het voelt om met haar
of zijn probleem te leven en wat zij of hij er voor over heeft om het op te
lossen.

 

Steiner, grondlegger van de antroposofie, heeft zich
ook met de gezonde samenleving bezig gehouden. Ook hij onderscheidde daarbij
drie geledingen: geestesleven, rechtsleven en economisch leven, die hij
koppelde aan respectievelijk vrijheid, gelijkheid en broederschap. Hij pleit
ervoor het bestuur van de samenleving in drie geledingen te splitsen, die
zichzelf besturen en met elkaar omgaan als waren het soevereine staten. Ook het
geestesleven, dat onderwijs, gezondheidszorg, cultuur enzovoort omvat, zou op
eigen benen moeten staan en een overkoepelend bestuur moeten hebben. Over
bijvoorbeeld de benodigde financiële middelen zou het dan moeten overleggen en
onderhandelen met de besturen van de economie en de staat. Voor mij nog altijd
een inspirerende gedachte. Het geestesleven omvat alles wat uit de individuele
vermogens van de enkeling voortkomt. Het moet zijn plaats in een gezonde
samenleving enerzijds krijgen vanuit haar eigen impulsen, zeg
professionaliteit, en anderzijds laten afhangen van begrip en waardering bij
mensen die haar prestaties ontvangen. Mensen zouden bijvoorbeeld hun eigen
dokter of school moeten kunnen kiezen, waarvan de professionele deskundigheid
niet door de staat, maar door gezondheidszorg en onderwijs zelf zouden moeten
worden gegarandeerd. Daarbij zou niet de inhoud centraal moeten worden
voorgeschreven, maar een vrij geestesleven ruimte moeten geven aan allerlei verschillende
richtingen.

 

Als we onze samenleving in de toekomst zo willen
inrichten, dat de publieke sector van onderwijs, gezondheidszorg enzovoort,
waarin professionaliteit centraal staat, gezonder functioneren, zal er dus
speelruimte van economie en staat moeten verschuiven richting
geestelijk-cultureel leven. Het is de hoogste tijd dat daar serieus werk van
wordt gemaakt. Eigenlijk is het probleem van de verzorgingsstaat volgens mij
echter veel fundamenteler. Het hele geestelijke leven, waaronder het
verantwoordingsbesef van de gemiddelde burger, maar ook de maatschappelijke
verantwoordelijkheid in dienst waarvan de economie zich zou moeten stellen, is
in mijn ogen toe aan een flinke opknapbeurt.

 

Zie voor de in de tekst
besproken literatuur: Hans Achterhuis, De utopie van de vrije markt. Paul Dikker,
Oordelen over kwaliteit, zie http://www.pauldikker.nl/pd.artikel8.htm. Jürgen Habermas: zie artikel Paul Dikker. Jos v.d. Lans: Koning Burger; Ontregelen; en: Erop af! Zie http://www.josvdlans.nl/. Rudolf Steiner, De kernpunten van het sociale vraagstuk. Evelien Tonkens, Mondige burgers, getemde professionals.

dinsdag, 6 december 2011

Jeroen van Rossum

Jeroen van Rossum

Twitter

Juf Marja

In politiek, adhd, autisme, balkendende, basisonderwijs, betutteling, bezuinigingen, bureaucratie, cda, en meer.

Bijna haastig maakte Marja van Bijsterveldt deze week haar plannen voor dertig Tv-zenders in het standaardpakket wereldkundig. Uitzuigerij van kabelmaatschappijen pikt Marja niet langer. Een fijne bliksemafleider voor onze minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Want wie dacht dat we na vechtkabinet Balkenende XVIII van de christelijke betutteling af waren, komt bedrogen uit.

Marja van Bijsterveldt kondigde vorige week aan dat ze wilde dat ouders zich meer met scholen gingen bemoeien. Ouders moeten meer tijd vrijmaken om voorleesvaders en luizenmoeders te zijn, schoolreisjes te begeleiden en de ontwikkeling van hun kinderen een centrale plek te geven. En dat durft Marja van Bijsterveldt best te zeggen in een tijd waarin de gemiddelde meester of juf nu al gek wordt van ouders die vinden dat hun kind toch net dat beetje aandacht meer verdient. Wat dat betreft heeft Marja met één punt wel een punt: ouders gedragen zich steeds als consumenten.

Want in de huidige assertieve en kindgerichte cultuur is elk kind een prinsje of prinsesje. Zeker wanneer ouders gescheiden zijn, wat tegenwoordig eerder de regel dan de uitzondering is, wordt het welbehagen van het kind met hand en tand (en een grote berg Sinterklaascadeautjes) verdedigd. De bedroevende kwaliteit van onze PABO’s en onze PABO-studenten zorgen bovendien voor een steeds groter wordend wantrouwen tegen leraren. En daar hebben juist de succesvolle PABO’ers, die niet na een jaartje knutselen afhaken, ontzettend last van. Voor een juf of meester goed en wel op stoom komt met zijn klas, komen hele roedels ouders al vertellen hoe het allemaal beter kan, vooral voor hun eigen kroost. Dat het merendeel van onze jeugd bij de eerste scheet die dwars zit al een stempeltje met ADHD of autisme meekrijgt, zal daarbij ook niet erg helpen.

Experts zijn het erover eens dat de kwaliteit van het onderwijs op te lossen is met meer geld op de juiste plek, en minder bureaucratie. De ongebreidelde fusiedrang in onderwijsland, onder druk van de krappe budgetten, bewijst zichzelf al jaren als slechte ontwikkeling. Maar juf Marja gaat het anders oplossen, niks geen geld erbij! In plaats van de positie van leerkrachten in het (basis)onderwijs te versterken, wil ze de ouders nog meer invloed geven in de klaslokalen van Nederland.  Een belachelijk idee.

Een belachelijk idee, niet alleen  omdat het indruist tegen de wens van het kabinet dat de vrouwenparticipatie op de arbeidsmarkt groter wordt, maar vooral omdat ouders nu eenmaal geen pedagogische professionals zijn. Er is niet voor niets een opleiding nodig om voor de klas te mogen staan. En een belachelijk idee omdat ouders een klas nooit subjectief kunnen bekijken, omdat hun eigen kind natuurlijk ‘bijzonder’ is. Die illusie is fijn voor de opvoeding thuis, maar funest voor het onderwijs. Een klas met dertig bijzondere kinderen voorzien van een wensenlijstje van de bezorgde, invloedrijke en betrokken ouders wordt al snel onbestuurbaar. Misschien moeten we Marja van Bijsterveldt een weekje voor de klas zetten…


zondag, 13 november 2011

Paul Vermast

Paul Vermast

Hyves Linkedin Twitter Youtube Flickr GR

Patatje ‘zuurvlees’

In weblog, burgemeester de jonge, dronten, frank patat, beleid, bestemmingsplan, bestuur, bureaucratie, burgemeester, en meer.

Afgelopen donderdag besprak de commissie op voorstel van GroenLinks de slepende kwestie tussen de gemeente en ‘Frank Patat’, een ondernemer uit Dronten die een snackwagen exploiteerd en naar zijn opvatting niet de juiste standplaats van de gemeente krijgt toegewezen.

Deze portefeuille is in handen van burgemeester De Jonge (om voor mij onverklaarbare redenen overigens) en er lijkt sprake te zijn van een weinig beste chemie tussen de burgemeester en ‘Frank Patat’. De verstandhouding is behoorlijk zuur zo lijkt het. Ondanks dat vrijwel alle fracties aangaven van mening te zijn dat er een oplossing gevonden moet worden blijft de burgemeester onvermurfbaar en weigert hij maar een millimeter van zijn standpunt af te komen, of zoals hij het zelf noemde: “het is een principe kwestie geworden”.

Ik hoop dat collega’s met meer invloed (zetels) zich nog eens tot hem willen richten. Want in het openbaar bestuur moet je niet enkel handelen met het hoofd, naar de letter van de wet, zoals de burgemeester betoogde. Naar mijn opvatting moet je ook kijken naar de geest van de wet, met een warm hart voor medemensen, met barmhartigheid en mededogen. Termen die -zo lijken mij- bij een CDA-burgemeester toch enige herkenning zouden moeten oproepen.

Hieronder mijn inbreng van afgelopen donderdag in eerste termijn:

Voorzitter,

Met enige aarzeling heb ik bij de raadsvergadering gevraagd deze brief naar de commissie van vandaag op te waarderen. Niet omdat ik de inhoud niet belangwekkend genoeg vind, maar omdat we in dit huis de goede gewoonte hebben om geen individuele gevallen te bespreken. Dat vind ik ten principale ook een te huldigen uitgangspunt. Maar laat ik maar een oud spreekwoord van stal halen dat stelt: dat uitzonderingen de regel bevestigen.

Voorzitter, als je kijkt naar het verhaal zoals de heer Van Flierenburg in zijn brieven naar voren brengt zie ik een ondernemer die graag zijn brood wil verdienen in onze gemeente maar vastloopt in de weerbarstigheid van de bureaucratie. Daarin heeft hij wellicht ook niet altijd even handig geopereerd of altijd de juiste keuzes gemaakt. Maar wie zonder zonden is werpe de eerste steen, zou ik willen zeggen.

De overheid is er ten dienste van de bevolking en niet omgekeerd. Datzelfde geldt vanzelfsprekend voor ondernemers en de meer algemene vraag die ik aan het college zou willen stellen is of u zich verantwoordelijk voelt voor onze ondernemers in de gemeente.

Ik bedoel daar dit mee: als iemand een bepaalde standplaats inneemt om zijn onderneming te drijven en die ondernemer moet daar vertrekken, voelt u zich dan verantwoordelijk om iemand een nieuwe plaats aan te bieden of daar op z’n minst pro-actief met de ondernemer naar te zoeken?

Als je kijkt hoe dat in het voorliggende geval is gegaan heb ik daar wel wat opmerkingen bij. Want een keuze is niet altijd een vrijwillige. Als de opties een tijdelijke standplaats zijn of geen standplaats is dat natuurlijk geen daadwerkelijke keuze die je in vrijheid maken kan als je in Dronten wilt blijven ondernemen.

Voorzitter, ik ben niet van plan om hier het hele geval hier te gaan zitten uitbenen. Dat lijkt me ook niet de bedoeling. GroenLinks zou het college willen vragen te zoeken naar een daadwerkelijke, definitieve, oplossing. Dat een inwoner misschien lastig is mag zo zijn, maar wil niet zeggen dat je die niet ten dienste moet zijn. Dat iemand in zijn verleden dingen heeft gedaan die niet kunnen mag zo zijn, maar in onze rechtstaat is je dat vergeven als je de straf daarvoor hebt aanvaard. Als iemand in Dronten zijn brood wil verdienen om zo zijn eigen broek te kunnen ophouden, zijn verplichtingen te voldoen en daardoor geen gebruik hoeft te maken van de vangnetten die de maatschappij heeft gesteld, moeten we dat volgens mij toejuichen en verder helpen. Of anders gezegd: vooral niet tegenwerken.

Natuurlijk voorzitter, ieder verhaal kent twee kanten en GroenLinks is daar bepaald niet blind voor. Maar wij zouden wel graag willen dat het college ondernemers in redelijkheid steunt in het voeren van hun onderneming. Het argument dat wij in deze zaak hebben gehoord dat het beleid geen nieuwe standplaatsen toelaat zou ik het college echt met klem willen ontraden in het vervolg. Want onze raad stelt bijkans maandelijks een wijziging bestemmingsplan vast. Dat zijn stuk voor stuk gevallen die binnen het bestaande beleid van het bestemmingplan niet kunnen. Maar dan werken we mee aan aanpassing van het beleid. Doet u dat nu ook en komt u tot een snelle tijdelijke oplossing voor de tijd dat er gezocht wordt naar en acceptabele definitieve oplossing.

Daarbij zeg ik ook, via u voorzitter, in de richting van de heer Van Flierenburg: werkt u nu mee aan hetgeen de gemeente van u vraagt aan regels en procedures. Vergeet wat er in het verleden is gebeurd en ga met het college nu opzoek naar een snelle oplossing. Want voorzitter, ik neem aan dat het college die toezegging vanavond toch zeker wel zal doen?

Dankuwel.

woensdag, 2 november 2011

Gerben Kappert

Gerben Kappert

Linkedin

Tien jaar van mijn leven

In gerbie's lifeblog, uit de school geklapt, decennium, lifeblog, onderwijs, school, toerisme, bezuinigingen, bureaucratie, en meer.

Bron: www.koppop.nl

Gisteren precies tien jaar geleden begon ik aan mijn huidige baan. Tot dat moment was ik er in geslaagd om nergens langer dan een jaar te werken. Ooit sprak ik die ambitie uit toen ik mijn diploma in ontvangst mocht nemen. 2000 halen zonder vaste baan. Ook daarin slaagde ik zonder enig probleem.

Toen ik eind 2001 aan deze baan begon, heb ik velen gevraagd mij te waarschuwen als ik hier tien jaar later nog zou zitten. De laatste weken en maanden heeft niemand mij gewaarschuwd. Nu is het te laat.

De afgelopen jaren heb ik regelmatig getwijfeld of ik dit werk nog veel langer zou kunnen volhouden. Vooral de politiek binnen de grote monsterorganisaties in het onderwijs staat me erg tegen. De grote hoeveelheid mensen die wel op de loonlijst staan, maar geen les geven verbaast me elke dag weer. De bureaucratie. De eeuwige bezuinigingen. De vergrijzing om me heen, waardoor ik nog steeds erg jong ben, terwijl ik als zij-instromer niet eens erg jong begon.

Aan de positieve kant: Ik zat vandaag thuis te werken, kan mijn eigen tijd dan indelen, ontwikkel eigen materiaal voor sommige vakken. Gisteren liep ik in Deventer in een heerlijk najaarszonnetje, waar twee tweedejaars studenten een rondleiding gaven aan de eerstejaars. Prachtige opdracht in het kader van het vak Reisbegeleiding. Praktijkonderwijs optima forma. Ik werk met mensen, niet met getalletjes, niet met producten. Mijn winst is niet in geld uit te drukken, maar als ik het goed doe, heb ik iemand geholpen op weg naar de toekomst. Dat idealisme wil ik niet kwijtraken.

Elke baan heeft zijn voor en tegens. Nog tien jaar? Wie het weet mag het zeggen.


woensdag, 12 oktober 2011

Simon Otjes

Simon Otjes

Last.fm Twitter

Comment on Idealisme, communisme, dictatuur by Jorein Versteege

In berlijn, bureaucratie, communistische, dood, duitsland, gezondheid, hitler, kandidaten, leuk, en meer.

Je vraagt je zeker af waarom de ´communisten´ van de SED zo dictatoriaal waren! Nou daar kan ik je antwoord op geven.

Om de dictatuur van de SED in de DDR te begrijpen moeten we helemaal terug gaan naar het jaar 1922. In dat jaar werd de Sovjet-Unie gesticht, maar het was ook dat jaar waarin Joseph Stalin leider van de communistische partij werd.

Door de burgeroorlog was de sovjet staat gedegenereerd. Niet de arbeidersraden maar de communistische partij hield het land bij elkaar. Nadat Lenin zich moest terug trekken vanwege zijn slechte gezondheid, werd Stalin de leider van de USSR.

Tussen 1924 en 1927 was hij in conflict met anti-bureaucratische bolsjewieken, zijn belangrijkste tegenspeler was Leon Trotsky. Maar dankzij de steun van de partijbureaucratie won Stalin de strijd, Trotsky werd geroyeerd en in 1929 verbannen uit de Sovjet-Unie.

Stalin had nu vrij spel en gaf het bevel om alle kritische communisten te royeren uit alle wereldwijde communistische partijen. Ook in Duitsland werden kritische communisten geroyeerd. Zo kon Stalin mensen aan de top van de Communistische Partij van Duitsland krijgen. KPD leider Ernst Thälmann zou nooit KPD leider geworden zijn zonder hulp van Stalin. Ook Walter Ulbricht en Wilhelm Pieck waren pro-Stalin figuren binnen de KPD.

Na de machtsovername van Hitler. Vluchtte Walter Ulbricht en Wilhelm Pieck naar de Sovjet-Unie. Daar bleven ze in leven dankzij hun slaafse loyaliteit aan Stalin en de sovjet bureaucratie. Stalin liet ondertussen wel leuk, 600.000 communisten vermoorden tijdens het grote terreur.

Dankzij de slaafse houding van Ulbricht en Pieck werd hun leven gespaard en ze mochten tijdens de tweede wereld oorlog een speciaal antifascistisch comité oprichten. Na de oorlog, waren Ulbricht en Pieck de beste kandidaten voor een stalinistisch Duitsland. Joseph Stalin gaf het bevel dat de KPD en SPD in oost Duitsland moesten fuseren tot een socialistische eenheidspartij. De nieuwe Socialistische Eenheidspartij van Duitsland was vanaf het begin een stalinistische club.

De Duitse Democratische Republiek was het product van Stalin. Zonder hem was er nooit een DDR geweest. Hoe idealistisch Ulbricht en Pieck ook geweest waren, ze hadden hun marxistische opvattingen ingeruild voor dogmatische loyaliteit aan een regime dat juist anticommunistisch handelde.

Wilhelm Pieck was tot 1960, president van de DDR. Na zijn dood was Walter Ulbricht tot 1971 staatsleider. Die werd echter door zijn eigen bureaucratie opzij gezet en Erich Honecker nam het roer over.

Zo werkte de stalinistische dictatuur. Geen arbeidersraden, geen vrijheid van meningsuiting en geen socialisme. Veel linkse mensen hebben zich laten misleiden door de DDR en door de propaganda. Maar uiteindelijk zaten de echte anticommunisten in oost Berlijn en in Moskou.

dinsdag, 20 september 2011

Renate Richters

Renate Richters

Twitter GR

Raadsvragen over dienstverlening aan Eindhovenaren met een beperking

In divers, aanvragen, belastingdienst, bestuur, bezig, bijeenkomst, bureaucratie, college, d66, en meer.

De gemeenteraad was onlangs te gast bij de bewoners van de Fokuswoningen (zie elders op deze blog) en ook werd er een bijeenkomst georganiseerd waarbij mensen met een beperking in de gelegenheid werden gesteld om over hun ervaringen met de gemeente te vertellen.

Naar aanleiding van de signalen die uit deze bijeenkomsten kwamen, besloten PvdA, VVD, SP, D66 en GroenLinks raadsvragen te stellen over de dienstverlening aan mensen met een beperking. Wij dagen daarmee het college uit om de ‘paarse krokodil’ aan te pakken waar deze mensen keer op keer weer mee te maken krijgen, een oproep om binnen een half jaar zichtbaar verbeteringen te realiseren in de dienstverlening aan deze burgers!

Lees hieronder de raadsvragen.

Raadsvragen dienstverlening Eindhovenaren met een handicap

Eindhoven 19 september 2011

Geachte College,

Deze weken is op verschillende wijze aandacht geweest voor de positie van gehandicapten.
Onder meer middels het symposium ‘ nooit meer ‘n dag alleen” en het bezoek aan een Fokus-woning.

Raadsleden werden weer eens doordrongen van hoe het is om zorg afhankelijk te zijn vanwege beperkingen. Op dit laatste hebben we (politiek, bestuur, medewerkers instellingen/gemeente) geen invloed. Natuurlijk wel op de vele treurige verhalen hoe de overheid , instanties omgaan met de cliënt en met aanvragen en verantwoording . Bijvoorbeeld formulieren die moeten worden ingevuld door een cliënt waarvan de situatie nooit zal veranderen of alleen maar slechter wordt. Of zoals een van de gehandicapte terecht aangaf: ‘ zodra ik weer kan zien wil ik wel 100 formulieren invullen’

En dan jeukt  het bij ons: kan dit nu niet anders?.

Hiervoor is natuurlijk  niet direct 1 oplossing. Niet voor niets dat de initiator van het symposium, Mw. Van Velthoven hier al meer dan 10 jaar voor aan het knokken is. Velen instanties zijn met de uitvoering van regelingen bezig.
Toch betreft de bureaucratie juist ook dikwijls formulieren/verantwoording  van onze eigen gemeente.

“ Goed geregeld” “ Dienst verlenen doen we zo”  stuk voor stuk programma’s die wij als gemeente hebben gedraaid en waarin veel meters zijn gemaakt , maar waarbij de kwetsbare klanten/inwoners van onze gemeente blijkbaar niet voldoende in beeld zijn geweest.
Kan dit nu niet anders? Minder formulieren, minder verantwoording, minder bureaucratie. Of zoals Mw. Van Velthoven prachtig verwoordt in het aan u uitgereikte bundel“: ik ben niet bezig met mijn lichamelijke functiebeperking, chronisch ziek zijn, dat voel ik al genoeg. Ik wil mij bezig houden met het leven!

Concreet betreft het volgens onze inventarisatie de volgende regelingen / aanvragen welke eenvoudiger kunnen en moeten:
- Reductieregeling

- Langdurigheidstoeslag

- Bijzondere bijstand

- Regelmatige terugkerende keuring door arts van de gemeente bij aanvraag van voorzieningen. bv aanvraag parkeerkaart, aanpassingen aan het huis, aanpassing rolstoel. Een brief van de huisarts waarin wordt verklaart dat de situatie niet is gewijzigd,of extra voorziening nodig is zou moeten volstaan

-Niet herindiceren iedere 5 jaar van huishoudelijke hulp bij levenslange hulpvraag.

- Voorzieningen zonder einddatum bij levenslange hulpvraag.

Onze vragen om de ‘ paarse krokodil’ weer te lijf te gaan:
1. kunt u ervoor zorgen – met input van de gebruikers- dat binnen een ½ jaar genoemde regelingen eenvoudiger zijn in de uitvoering voor zowel cliënt als ambtenaar?
Nb. tijdens het minisymposium zijn vele oplossingen hiervoor aangedragen. Bv. het niet jaarlijks volledig hoeven invullen van formulieren omdat niets veranderd, of in feite de situatie van de aanvrager alleen maar slechter wordt. Als voorbeeld de aangifte van belastingdienst waarbij jaarlijks het formulier bijna volledig door de dienst is ingevuld door het overnemen van gegevens van het jaar hiervoor.
Of 1 klantsysteem waarin alle gegevens zijn opgenomen,koppelen van systemen.

2. Kunt u ons informeren over de resultaten ?

Dienstverlening kan ook worden verbeterd door de aanstelling van 1 klantmanager (met achtervang) per cliënt. Dit heeft ondermeer als voordeel dat de ambtenaar op de hoogte is van de situatie van de cliënt, een vertrouwensband ontstaat. Daarnaast zal het tijdwinst opleveren.
3. Bent u het met ons eens dat dit een goeie oplossing is voor het verbeteren van de dienstverlening?

4. Zo ja, wanneer denkt u dit te realiseren

5. Kunt u inzichtelijk maken wat kosten dan wel besparingen zijn van het doorvoeren van genoemde voorstellen.

Hanny Jacobs VVD

Ernest Maas SP

Renate Richters Groen Links

Marion de Rooij Driessen D 66

Frank Depla PvdA

zaterdag, 23 april 2011

Selçuk Akinci

Selçuk Akinci

Twitter Youtube GR

Leerlingenvervoer

In politiek, breda, gemeenteraad, leerlingenvervoer, onderwijs, basisschool, belangrijk, betalen, bezuiniging, en meer.

www.youtube.com/watch?v=CVvGIWaogqk



Verhoog de kilometergrens van het leerlingenvervoer van twee naar vier kilometer. Dat was het voorstel van het college om ook op het leerlingenvervoer een bezuiniging van een ton in te boeken op een totaal budget van 1,9 miljoen euro. Er leek aanvankelijk weinig mis met het voorstel. De verordening bood namelijk ruimte om voor kinderen met een handicap een uitzondering te maken.

Het leerlingenvervoer is ooit ontstaan vanuit de gedachte dat voor kinderen die te ver van school wonen, busvervoer werd aangeboden. Het gaat dan om kinderen die om wat voor reden dan ook niet om de hoek op school kunnen. Het gaat in de praktijk om kinderen die vanwege een leerprobleem of een verstandelijke of fysieke beperking een speciaal onderwijstype volgen, zoals de Mytylschool. Maar ook om kinderen die de ouders om religieuze redenen naar een school van een bijzondere denominatie sturen. Of leerlingen die naar de Vrije School gaan.

En daar wringt de schoen. Kinderen met een beperking kunnen niet kiezen voor de school om de hoek. Zij zullen bijna altijd verder van hun school afwonen. Het is dus logisch dat voor deze leerlingen vervoer wordt aangeboden op het moment dat zij niet zelfstandig of met hun ouders/verzorgers naar school kunnen. Maar wat mij betreft houdt die overheidsverantwoordelijkheid op bij leerlingen waarvan de ouders kiezen voor een bijzonder onderwijstype of een excentrieke denominatie. Waarom zou de gemeente het vervoer moeten betalen voor ouders die hun kind persé naar, pak ‘m beet, gereformeerde Basisschool in Almerk willen sturen.

Bij het al dan niet toekennen van Leerlingenvervoer zou niet de afstand tussen school en thuis de bepalende factor moeten zijn, maar de vraag of leerlingen wel of niet zelfstandig of met hun ouders/verzorgers op school kunnen komen. Niet de kilometergrens dus, maar de individuele noodzaak. En met dit idee in het achterhoofd ging ik, samen met VVD-collega Thierry Aartsen (waarvoor hulde) aan de slag.

Nu laat de wetgever ruimte aan gemeenten om de kilometergrens zelf te bepalen, met een maximum bij zes kilometer. Of we hoog of laag springen, we komen er niet onderuit de leerlingen die naar Almkerk moeten, tegemoet te komen in de kosten. Maar voor alle leerlingen die korter dan zes kilometer van school wonen, geldt een bepaalde gemeentelijke beleidsvrijheid. Ons idee was dan ook om de kilometergrens niet ‘slechts’ naar vier, maar de maximale zes kilometer op te rekken, en op basis van individuele toekenningen de gevallen die vervoer nodig hebben te blijven faciliteren. Net zoals we dat nu al doen met vervoersaanvragen die in het kader van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (o.a. gehandicaptenvervoer) vallen.

Nu is het van belang de groep die alsnog leerlingenvervoer krijgt, goed te bepalen. Allereerst is de mate van beperking een belangrijke factor. Als een kind met rolstoel vervoerd moet worden, is vaak aangepast vervoer nodig. Kinderen met alleen een verstandelijke handicap kunnen vaak veel makkelijker door de ouders zelf gebracht worden. Maar als dat zelfde kind een agressieve stoornis heeft, of heel druk is, kan dat niet zonder begeleiding en is leerlingenvervoer weer wel geboden. Elk geval moet dus goed in beeld komen. Toegegeven, het zal niet één-twee-drie in kaart gebracht zijn.

De wethouder was aanvankelijk niet enthousiast. Maar werd dat meer en meer. CDA en D66 waren niet meteen enthousiast en vreesden te veel bureaucratie die zou leiden tot extra kosten. En PvdA en SP waren wel enthousiast, maar vreesden dat er mensen buiten de boot zouden vallen door een te strenge toepassing. Dus aan het begin van de vergadering was het nog zeer de vraag of het idee een meerderheid zou halen. Het was sjorren, trekken, duwen en lullen als brugman. Maar aan het eind van de vergadering is het voorstel van GroenLinks en VVD, tot mijn eigen verrassing, unaniem aangenomen.

Daarmee heeft de gemeenteraad in mijn ogen een goed en belangrijk besluit genomen. Daarmee heeft de wethouder een boeiende opdracht meegekregen. En daarmee heeft Breda straks als eerste gemeente een moderne, eerlijke, houdbare en goedkopere regeling voor het leerlingenvervoer.

Lees de Motie Leerlingenvervoer (pdf).

woensdag, 20 april 2011

Femke Halsema

Femke Halsema

Hyves Twitter TK

Speech jaarcongres HBO-raad

Goedemiddag,

Ik neem aan dat u de hele dag elkaar de nieren heeft geproefd en ik kan me voorstellen dat u aan het einde van de dag niet zo veel behoefte heeft om nog eens de les te worden gelezen. Maar, zoals u wellicht weet, ben ik lang een linkse politicus geweest en ik kan niet anders dan de les lezen.

Nu realiseer ik me ook dat mij enige bescheidenheid past. Mijn rechtstreekse ervaring met het HBO is beperkt.

In een heel, heel grijs verleden ben ik zelf een aantal jaren student geweest aan een HBO-instelling, een lerarenopleiding. Dat was niet echt tot mijn eigen genoegen en nog minder tot dat van mijn eigen docenten. Overigens lag dat wellicht minder aan de school dan aan mijn intens beleefde adolescentie die mij overal bracht maar niet in de schoolbankjes.
De keren dat ik wel aanwezig was, en niet om te demonstreren tegen onderwijsbezuinigingen (we spreken hier over het einde van de jaren tachtig), leerde ik minder dan dat ik intensieve, maar ook richtingloze discussies voerde met docenten. Ik wilde docent Nederlands en geschiedenis worden en verzette me hevig tegen de toenmalige modes van de onderwijsdidactiek. In mijn lerarenopleiding-jaren was de onderwijsbijbel een slecht geschreven boekje dat ‘de groep onder de loep’ heette en handelde over groepsdynamica, een begrip dat toen erg in zwang was.
Voornamelijk in abstracto en een enkele keer op onszelf in een – vanzelfsprekend – dynamisch groepsgebeuren toegepast, bekwaamden wij ons in de kunst van het leren ‘feedback geven’.
Kort gezegd kwam het er op neer wat wij als toekomstige leraren nooit tegen onze leerlingen mochten zeggen dat ze iets niet goed hadden gedaan maar bijvoorbeeld: ‘als ik naar mezelf zou kijken dan zou ik het wellicht een beetje anders hebben gedaan’. Of woorden van gelijke strekking.
Degenen die mijn politieke carriere de afgelopen enigszins hebben gevolgd weten dat ik van deze omzwachtelende omschrijvingen eindeloos profijt heb gehad (in mijn geschreven tekst staat hier een ironieteken; voor degene die dit misschien even ontgaat).

Bescheidenheid dus, want behoudens deze – wellicht – ernstig gedateerde anekdote beperkt mijn praktijkervaring met het HBO zich tot een enkele gastles die ik de afgelopen jaren mocht verzorgen en een tot in de puntjes geregeld en verzorgd werkbezoek, waarbij de vlag uit- en de slingers opgehangen waren. Maar laat ik daar ook bij melden dat bescheidenheid niet mijn sterkste eigenschap is.

Wel realiseer ik me dat het te gemakkelijk is meesmuilend te zijn over de problemen waarmee een aantal HBO-instellingen worstelen of onderwijsmethoden die in de jaren tachtig al hun langste tijd hadden gehad. Een oud-politicus, zoals ik, behoort zich te realiseren dat veel van de problemen die er zijn hun oorsprong vinden in de politieke domein. Het domein waartoe ik, zij het dikwijls morrend, de afgelopen 13 jaar heb behoord.
Tegelijkertijd sta ik hier ook niet om het u gemakkelijk te maken. De titel van mijn betoog is ‘kiezen als een vorm van luiheid’, en ik moet eerlijk gezegd bekennen dat dit ook een plaagstootje is jegens de organisatie omdat ik de titel van het congres ‘gekozen, en dan …’ even cryptisch als veelzeggend vind.

U komt hier bijeen onder een onrustig gesternte. De afgelopen jaren is er meer negatieve aandacht voor het HBO geweest dan u lief is, waarbij met name de perikelen bij de Hogeschool Inholland, maar niet alleen daar, veel publieke aandacht hebben gekregen. U bent in afwachting van een rapport van de inspectie en velen zullen daar ook hun hart voor vasthouden.
Zoals de nieuwe voorzitter van de HBO-raad, Guusje ter Horst, vanochtend in de Volkskrant terecht opmerkt: ‘het imago van hogescholen heeft een knauw gehad.
En laat ik zo vrij zijn daaraan toe te voegen: niet alleen het imago. Ook de motivatie van veel docenten en studenten. Het HBO kampt met het imago van een topzware publieke sector waarin veel verdienende bestuurders zich vooral bezig lijken te houden met het economische en financiële rendement van instellingen, daarbij geholpen door perverse economische prikkels en fusiedwang die afleidt van het primaire onderwijsproces. En dat is waarom het eigenlijk gaat.

In het jaarverslag 2006 heeft de vice-voorzitter van de raad van State, Herman Tjeenk Willink, haarscherp geanalyseerd wat de ziekte is van onze publieke sfeer.

Hij beschrijft het bedrijfsmatige denken dat in de jaren tachtig zijn entree maakte en in de jaren negentig tot grote bloei kwam. Ook de commissie Onderwijsvernieuwing, de commissie Dijsselbloem, noemt dit.
De overheid is zichzelf in toenemende mate gaan beschouwen als een bedrijf waarbij het vooral gaat om management, beheer en toezicht.

Recent in een gesprek met mij voegde Tjeenk Willink daar aan toe dat er een sluipende verandering is geweest bij de overheid. Was deze vroeger (grofweg 25 jaar geleden) nog in overgrote mate opgebouwd uit juristen die zich met name bekommerden om de rechtmatigheid van het bestuurlijke handelen en de juistheid van wetten; langzaam maar zeker – met het uitdijen van het overheidsapparaat – is hun dominante plek overgenomen door economen, bedrijfs- en bestuurskundigen.

Met zich droegen zij andere taal en andere opvattingen van goed bestuur
Kernbegrippen in het overheidshandelen van de afgelopen decennia zijn geworden ‘producten’, ‘kostentoedeling’, ‘prestatiemeting’, ‘afrekenen’.
En langzaam maar zeker zijn alle verbindingen met uitvoerende diensten, of het nou in het onderwijs is, bij de politie, of in de zorg, in deze begrippen gevangen geraakt. Simpel gezegd. Een jeugdzorgwerker wordt niet gewaardeerd op zijn liefdevolle, dagelijkse kennis van de jongeren die hij begeleid maar zijn prestaties worden ingeschaald op een papieren index.

Ook het onderwijs is hiervan niet gevrijwaard gebleven. Zowel in het lager als het hoger onderwijs zijn er economische prikkels ingevoerd die zouden moeten leiden tot een hoger rendement – lagere kosten, hogere output (om maar even in economisch jargon te blijven), zijn er bestuurders en toezichthouders aangetrokken die modelmatig, grote gefuseerde onderwijsinstellingen als bedrijven zijn gaan aansturen.
Dit is allemaal gebeurd op initiatief en met instemming van parlement en politiek bestuur.

De analyse is niet nieuw. Maar de werkelijke terugkeer van de weg die is ingeslagen, is ook nog niet werkelijk in gang gezet.
In datzelfde jaarverslag beschrijft Tjeenk Willink ook waarom dat zo moeilijk is. De politiek heeft zichzelf bewust – willens en wetens – op afstand gezet en haar controlerende en richtinggevende taken overgelaten aan verzelfstandigde besturen en sectorraden, op wier uitnodiging ik hier sta.
In de analyse van Tjeenk Willink wordt de bedrijfsmatige overheid versterkt en in stand gehouden door een langzaam ontstaan netwerk van overheid en markt, ambtenaren en deskundigen, tekenmeesters en onderzoekers, communicatiedeskundigen en toezichthouders, adviseurs en managers. Het gaat om mensen die dezelfde taal spreken, langs dezelfde lijnen denken en geloven in dezelfde bedrijfsmatige aanpak van grote maatschappelijke problemen. Dit netwerk is een bepalende laag geworden tussen de politiek en de dagelijkse werkelijkheid van bijvoorbeeld dokters en patienten, agenten en slachtoffers, maar ook van leraren en leerlingen.
Als politici op de hoogte raken van de problemen waarmee leraren en leerlingen kampen, dan is het meestal in de aangepaste vorm, in de taal, de probleemanalyse en de oplossingsrichtingen die in de tussenlaag zijn bedacht. En deze laag houdt zichzelf in stand.

In zijn zwartboek ‘Inholland’ beschrijft de freelance-journalist en voormalig docent aan de Hogeschool, Hans van Willigenburg, de kafkaëske situatie waar hij als onervaren docent journalistiek mee wordt geconfronteerd. Hoe hij via postbussen en talloze formulieren communiceert met de leidinggevenden, hoe studenten mopperend door de gangen trekken maar er niemand verantwoordelijk lijkt te zijn voor het in goede banen leiden van de onvrede en hoe – in plaats daarvan – met tevredenheidenquêtes wordt gestrooid. Hij beschrijft ook hoe hij via een andere docent inzage krijgt in de stukken van het Bestuur en zij beiden in verwarring de excell-sheets bestuderen en er geen snars van snappen, al helemaal niet begrijpen wat dit met hun onderwijs te maken heeft.

Dit is misschien al te zwartgallig, en in zijn werkelijkheidswaarde beperkt tot de paar HBO-instellingen waar het de afgelopen jaren ook goed is misgegaan.
Want laat ik het eens helemaal omdraaien – voordat u me langzaam maar zeker begint te haten.
U allen hier aanwezig, vertegenwoordigt een prachtig deel van onze publieke sfeer: de hogere beroepsopleidingen van onze jongeren.
Met het overgrote deel van onze HBO-opleidingen gaat het ook goed, al kan het beter. Veel studenten zijn wel degelijk tevreden, studeren met inzet en verdienen hun diploma’s met recht en rede. De meeste bestuurders zijn betrokken bij, en heel goed geïnformeerd over wat er in de onderwijsinstellingen gebeurt. Er is, lijkt mij ook een groot besef aanwezig, dat er een einde moet komen aan het bedrijfsmatige denken, dat grootschaligheid lang niet altijd grotere efficiëntie en effectiviteit betekent en dat – het belangrijkste van alles – bij alle komende veranderingen – de student veel meer centraal moet worden gezet dan de afgelopen jaren gebeurde.
U bent hier samen, dragers van een van de belangrijkste publieke waarden in onze samenleving: het recht en het belang van jonge mensen om zich volop en naar vermogen te kunnen en mogen ontwikkelen. Dat mag u veel beroepstrots en –eer geven.

Toch vond ik het nodig om de kritische analyse van Herman Tjeenk Willink nog eens op u los te laten. Deels ingegeven door het interview met de nieuwe Raadsvoorzitter van vanochtend, deels door het gekozen thema van de dag.

Terecht vraagt Guusje ter Horst aandacht voor de onmogelijkheid van bezuinigingen op het Hoger onderwijs, als er tegelijkertijd een dringend beroep op onderwijsgevenden wordt gedaan om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. Terecht ook, stelt zij de bezoldiging aan de kaak van onderwijsbestuurders. Tegelijkertijd demonstreert haar oproep om de bezoldiging te beperken ook hoeveel er nog mis is aan de top. En als zij dan zelf opmerkt dat het ‘rendement’ omhoog moet van de opleidingen, na een samenzijn met de 41 voorzitters van de colleges van bestuur, fronst er bij mij wel een wenkbrauw.

Dat gebeurt ook door het thema van de dag: ‘gekozen .. en dan’. Een titel die even cryptisch is als zij veelzeggend is.
De inkt van het rapport van de Commissie Dijsselbloem – waarin werd gewaarschuwd tegen de zoveelste onderwijsvernieuwing – was nog niet droog, of de tweede kamer boog zich – daartoe geïnspireerd door sectorraden, bestuurders en onderwijsadviseurs – over de volgende onderwijsvernieuwing.

Politieke en bestuurlijke daadkracht is een overschat begrip. Het is dikwijls de vlucht naar voren uit een politiek, en maatschappelijk, netelige situatie. Keuzes maken, nieuwe formatten, protocollen, leerwegen, bestuurlijke drukte, het zijn vaak doekjes voor het bloeden: dikwijls leidt het tot een verdikking van bureaucratie, worden besluiten ondoorzichtiger. Kiezen voor verandering als een vorm van luiheid.
Verandering is goed, zo lang het een doel dient.
Voorafgaand aan de vraag ‘keuzes maken … en dan?’ moet de vraag beantwoord worden, ‘welke keuzes willen wij eigenlijk maken’? Welke verandering hebben wij nodig?

Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat het thema van vandaag het gevolg is van een zekere richtingloosheid waarmee grote onderwijsinstellingen kampen.

En laat ik dan ook tot slot – volstrekt onbescheiden – een paar hartekreten ventileren.

  • Ik ben ervan overtuigd dat de cultuur van bobo’s, managers en bestuurders in met name de grote onderwijsinstellingen problematisch is. Lang niet altijd, maar wel te vaak, gaat het om mensen die ongeveer even weinig kennis hebben van de werkvloer op de opleiding, de dagelijkse praktijk van docenten en studenten, als ik. Die onderwijsinstellingen willen leiden als een bedrijf en onderwijs beschouwen als een markt, wat het ten diepste niet is.
  • Denk kritisch na over de noodzaak en de aard van sectorraden. Guusje ter Horst heeft gelijk dat het niet vanzelfsprekend beter is als de 72 medewerkers van de HBO-raad worden toegevoegd aan het ministerie, maar sta er ook open voor dat een meer rechtstreekse relatie tussen HBO-instellingen en politiek bestuur bij de laatsten kan leiden tot een beter inzicht en besef van de noden in het hoger onderwijs. Omdat u wellicht ongewild en onbedoeld deel uitmaakt en blijft uitmaken van een netwerk van experts, managers en professionals, die een filter en een – plezierige – buffer is voor de politiek.
  • Maak een einde aan het economische rendementsdenken dat onze publieke sfeer al zo lang verziekt.
    Natuurlijk ligt hier een eerste verantwoordelijkheid bij de politiek, maar niet daar alleen. Kom gezamenlijk in actie tegen de perverse prikkels die uitgaan van de huidige bezoldigings- en financieringsstructuur van bestuurders en van de opleidingen zelf.
  • En als belangrijkste, betrek de docenten, maar ook de studenten, bij alle keuzes die u nog wilt gaan maken en geef hen een rol bij de vormgeving en inrichting van uw opleidingen.
  • Er is een beroemd boek van James Surowiecki dat heet ‘the wisdom of crowds’, waarin hij na onderzoek vaststelt dat een besluit dat tot stand komt na consultatie van velen, verstandiger is, kwalitatief beter is en breder wordt gedragen.

Tot slot. Mij werd ooit op de lerarenopleiding geleerd dat positieve feedback geven beter is dan kritisch zijn. Nu u naar mij geluisterd heeft denkt u wellicht ‘ze had vroeger beter naar haar docenten moeten luisteren’.
En gelijk heeft u.

19 april 2011, Jaarcongres HBO-raad

Aantal berichten op deze pagina: 12. De berichten op deze pagina zijn niet ouder dan 7068 uur (294,5 dagen). Berichtgemiddelde: 0 bericht per dag, 0,3 per week.

Pagina: 1