zaterdag, 31 maart 2012

Harrie Winteraeken

Harrie Winteraeken

GR

Onzinnige strijd tegen koffieshops gaat door.

In politiek, limburg, bezuinigingen, criminaliteit, de, de wereld, economie, nieuw, bezig, en meer.
Onzinnige strijd tegen koffieshops gaat door.

Een aantal Limburgse burgemeesters heeft een nieuw argument gevonden in hun strijd tegen koffieshops. Er zouden meerdere koffieshops door dezelfde personen worden geëxploiteerd. Daar waar samenwerking en het ontstaan van winkelketens in onze economie de meest vanzelfsprekende zaak van de wereld is, mogen er geen drie koffieshops door dezelfde persoon worden aangestuurd. Dan is het ineens “kartelvorming met prijsafspraken, een soort maffia en een monopoliepositie met miljoenenwinsten”. Het wordt hoog tijd dat deze burgemeesters en de huidige politieke machthebbers zich bezinnen op hun bejegening van cannabis. Ga je bezig houden met zaken die veel belangrijker zijn voor de samenleving dan het pesten van wietrokers! Stop met het paternalistisch opleggen van je eigen bekrompen normen en waarden op anderen.

En voor de dominees die tevens koopman zijn: zie het eens in breder perspectief. Het uit de criminaliteit halen van de cannabis en het binden aan een goede regulering levert de samenleving netto jaarlijks ongeveer € 850 miljoen op, enerzijds door meer accijnzen en anderzijds door minder optreden van politie en justitie. In deze tijd van bezuinigingen een niet te veronachtzamen bedrag.

vrijdag, 16 maart 2012

Gerben Kappert

Gerben Kappert

Linkedin

Perceptie

In elders op het web, gerbie kijkt youtube, in het nieuws, criminaliteit, in het nieuws, joseph kony, oeganda, politiek, propaganda, en meer.

Gerbie kijkt YouTube 071

Ik moet toegeven dat ik hem niet helemaal gezien heb.

Bijna tachtig miljoen kijkers gingen me voor. De kracht van Social Media wordt flink getest door dit filmpje. Ik denk niet dat er veel discussie is over de figuur Joseph Kony. Over dit filmpje wel. Voor- en tegenstanders vallen over elkaar heen in alle hoeken van het internet.

De discussie is kort samen te vatten: Is alles toegestaan om het kwaad te bestrijden? Voorstanders van het filmpje vinden dat ‘Invisible children’ er alles aan mag doen om er voor te zorgen dat Kony wordt gepakt. Tegenstanders vinden feitelijke fouten en praten over propaganda.

Ik ben altijd voorstander van het open vizier en de eerlijkheid. Dat betekent dat ik automatisch in het kamp van de tegenstanders sta. Aan de andere kant kan ik me de frustratie goed voorstellen van de makers van dit filmpje. Wat dan nog als na grondig onderzoek blijkt dat niet alle feiten hard te maken zijn, het doel heiligt de middelen. De cynicus in mij ziet dat de tegenstanders de voorstanders helpen door alle ophef. Uiteindelijk gaat het ze namelijk alleen om aandacht en met een beetje controversie groeit die aandacht alleen maar. Sterker nog, ik kan me voorstellen dat er bewust foute informatie ingesmokkeld is, om meer aandacht te genereren. Of is dat weer erg cynisch? Kun je cynisch zijn als het om iemand gaat die kinderen laat vechten, is dat niet het cynisme voorbij?

Propaganda of nobelheid? Ik ben er niet uit. Uiteindelijk draait het allemaal om perceptie.

En volgens dit lijstje zijn er nog grotere criminelen.


dinsdag, 13 maart 2012

Maria Trepp

Maria Trepp

Twitter

Scherp debat over discriminerend PVV-meldpunt en Rutte in het Europees Parlement

In politiek, debat, discriminatie, europarlement, intolerantie, marije cornelissen, meldpunt, pvv, racisme, en meer.

Samenvatting van de plenaire vergadering van het Europees Parlement op 13 maart, 15.00:

-Harde woorden over Rutte door Reding en anderen

- De Oostenrijkse sociaal-democraat Swoboda eist stellingname Rutte

- Verhofstadt : heeft “misprijzen” voor Wilders. Verhofstadt  legt verband tussen beginnend zetelverlies van Wilders en het meldpunt.

-Verhofstad: “We hebben allemaal het recht te horen wat de Nederlandse regering van het meldpunt vindt.”

- Verhofstad: “Stilzwijgen van het Catshuis is onaanvaardbaar.”

- Marije Cornelissen: “Kijk naar  ‘Das Leben der Anderen’, melden en verklikken.’”

Hetzelfde doen we nu de Oosteuropeanen aan die dit eerder hebben meegemaakt.

“Premier verzaakt zijn verantwoordelijkheden.”

“Melden doe je bij de politie, in geheel Europa”


Peter van Dalen: “PVV eenmanspartij= PW partij Wilders”

“…per kwartaal wordt iemand op de korrel genomen, morgen bent u het of ik.”

“Duur debat in het Europees Parlement, alleen maar omdat Rutte de site niet veroordeelt.”

 

Marie-Christine VERGIAT: “PVV site roept op tot rassenhaat”

“Vergelijkbare sites in andere landen tegen homo’s, buitenlanders enz.”

“Onverdraaglijk.”

 

Jacek Olgierd KURSKI: “Spoken uit het verleden”

“Parlement moet website veroordelen en Nederland dwingen om de site weg te halen”

 

Auke ZIJLSTRA:

“Brusselse elite  is verantwoordelijk voor overlast en criminaliteit in Nederland. Omgekeerde wereld de site aan te pakken. Europarlement moet afgeschaft.”

 

Sofia in ‘t Veld:  “Overlast door Oost-Europeanen – en wat heeft de PVV concreet ertegen gedaan?”

“Geschiedenis van Europa: vroeger was er veel meer overlast in de vorm van oorlog.”

Criminaliteit van nu stelt in vergelijking weinig voor.

 

Europees Commissaris Viviane REDING:

“Oproep aan de autoriteit in Nederland om te toetsen of deze website in overeenstemming is met de wetgeving.

De Nederlandse autoriteiten moeten dit vanuit verschillende hoeken bekijken:

1. het kaderbesluit  racisme en vreemdelingenhaat.

2. nationale rechtbanken kunnen vaststellen of aangezet wordt tot haat op basis van afkomst.’

“Het gaat om onaanvaardbaar gedrag door een partij, om de reactie van de regering hierop,  om de rechten van individuen met oog op het vrij verkeer, en om de bescherming van alle Europese burgers.”

“Het gaat om waarden waarop wij onze gezamenlijke toekomst bouwen.”

 ”Het is onacceptabel dat EU-burgers het doel van intolerantie en xenofobie worden, alleen omdat zij hun recht nemen en verhuizen van één lidstaat naar de andere. Elke regering heeft de plicht burgers uit andere lidstaten te verwelkomen. Ze moeten het belang van vrij verkeer van burgers aan hun burgers uitleggen, zowel het economische als het maatschappelijke belang.”

 

Nicolai WAMMEN: 

Raad Algemene Zaken heeft het thema “discriminatie op website” nog niet besproken, maar veroordeelt discriminatie op grond van afkomst.

Update: Europarlement veroordeelt houding Rutte

Ruttes rigide zwijgen over Polenmeldpunt maakt de zaak erger’

Maria Trepp

dinsdag, 6 maart 2012

Jolanda de Vreede

Jolanda de Vreede

Twitter

Maar… het is toch ons onderwijs?!

In kort, bezuinigingen, criminaliteit, de, hulp, kinderen, mbo, onderwijs, basisschool, en meer.

Er wordt gestaakt in het onderwijs. Volgens de Algemene Onderwijsbond de grootste onderwijsstaking ooit. Het gaat niet in het bijzonder om lerarensalarissen. Het gaat om het onderwijs zelf. Leerlingen, kinderen, die bijzonder onderwijs of met extra ondersteuning regulier onderwijs kunnen volgen, moeten het met veel minder specifieke hulp gaan doen. Dat leidt tot meer criminaliteit wordt er geroepen. Dat spreekt aan tegenwoordig. Veel minder kansen voor veel kinderen om wat moois van hun leven te maken, dat is het. Veel softer maar wel waar.

Onze dochters gingen dus vanochtend naar de naschoolse opvang. Ook hun leerkrachten, het is een reguliere basisschool, staken. Ook zij maken zich zorgen om deze bezuinigingen. Ik ging naar mijn eigen school. Een MBO. Waar mijn collega mij vorige week vroeg: ”Waarom staak jij niet?” “Nou, het is voor primair onderwijs.” “Goh”, zei de collega, “dat was in het verleden toch wel anders. Toen was het ons onderwijs.” Anne-Marie, je hebt helemaal gelijk! We hadden er allemaal moeten staan.

donderdag, 16 februari 2012

John Jorna

John Jorna

Het meldpunt van de PVV

In column van de week, banen, blok, criminaliteit, cultuur, de, duitsland, europa, gezin, en meer.

TOLERANTIE IN OOST- EN MIDDEN-EUROPA EN IN NEDERLAND

Is gebrek aan tolerantie een ziekte, die in steeds sterkere mate door heel Europa waart? De site van de PVV wordt door velen als zodanig gezien. En dat terwijl Nederland in Europa jarenlang bekend heeft gestaan als een zeer tolerant land. Laten we eens kijken of Nederland inderdaad minder tolerant is geworden. Daarbij kijken we niet alleen naar de houding tegenover migranten, maar ook naar andere minderheden. Maar we beginnen met de immigranten.

In de Atlas of European Values vinden we een kaart met per land het percentage mensen, dat vindt, dat er in hun land tegenwoordig te veel immigranten zijn. Een groot blok van Midden-Europese staten toont een laag percentage van minder dan 25%, die dat vindt. Dat is niet zo verwonderlijk, want die landen zijn door geringe welvaart en te weinig werk onaantrekkelijk voor immigranten. Toch heeft Polen veel immigranten uit het aangrenzende Wit-Rusland en de Oekraïne en ook uit vroegere Sovjet staten. Deze vullen de plekken op van de Polen, die in West-Europa aan de slag zijn gegaan. Nederland behoort tot een grote groep Noord- en West-?Europese staten met een percentage van 40 tot 54%. Spanje, Italië, Oostenrijk en Griekenland scoren nog hoger met 55 tot 69%. De mensen vrezen daarbij vooral toenemende criminaliteit en druk op de welvaart en wat minder ondermijning van de cultuur en je vreemdeling in eigen land voelen. In Nederland vindt minder dan de helft, dat immigranten banen inpikken. Of dat dan ook zo is, dat is nog maar de vraag. Maar het komt voor, dat Nederlandse vrachtvervoerders Oost-Europese chauffeurs tegen een lager loon in dienst nemen en Nederlandse chauffeurs hun baan kwijt raken. De boosheid zou zich dus meer op deze ondernemers moeten richten, die zich niet aan de cao houden. Polen kent relatief meer werklozen dan Nederland en toch zijn mensen uit minder welvarende landen daar meer welkom dan in Nederland. In Groot-Brittannië en Hongarije zijn mensen uit arme landen het minst welkom.

In de Scandinavische landen, Nederland, Zwitserland en Spanje is de tolerantie ten aanzien van homoseksualiteit het hoogst. Overal is de tolerantie toegenomen, maar niet in de Midden-Europese staten als Polen, Bulgarije en Roemenië en de Baltische staten.

In Polen is een groot gezin de favoriete buur, in Nederland een Jood en in beide landen zijn drugsverslaafden het minst gewild als buur. Nederland en Polen zijn even tolerant wat betreft een crimineel als buur en iemand van een ander ras als buur. In Polen willen ze liever geen rechtse nationalist als buur. Niet zo verwonderlijk want de Tweede Wereldoorlog met het rechts nationalistische buurland heeft zes miljoen Polen het leven gekost. In Nederland, Duitsland en Oostenrijk hebben we minder moeite met een rechtse nationalist als buur.Tenslotte hebben ze in Duitsland, Polen, Oostenrijk, Tsjechië, Slowakije en in Italië wat meer moeite met een Moslim als buur. Een interessante kaart toont de mate waarin mensen vinden, dat je anderen kunt vertrouwen. In Nederland, Zwitserland en de Scandinavische landen ligt het percentage boven de 45% en dat is sinds 1990 niet veranderd. In de Oost-Europese landen ligt het lager, soms onder de 25% en in Polen tussen de 25 en 34%.

Zo zie je, dat er in elk land wel wat is en dat je in Polen wellicht een meldpunt wangedrag van Nederlanders zou kunnen vestigen. We blijven maar met het vingertje wijzen. Veel beter zou zijn, dat we elkaar in Europa veel beter leren kennen, met elkaar corresponderen en bij elkaar op bezoek gaan. Zo kun je heel wat misverstanden voorkomen en misstanden helpen oplossen. Maar ja, problemen oplossen is niet bepaald de sterkste kant van de schreeuwers in onze samenleving.

Jaargang 4, Nr. 202.

donderdag, 9 februari 2012

Theo Brand

Theo Brand

Wie help je door in een brievenbus te pissen?

In politiek, tolerantie, vrede, burgerschap, coalitie, democratie, populisme, cda, actie, en meer.

Het PVV-Kamerlid Eric Lucassen terroriseerde zijn buurt. Hij dreigde zoutzuur over een echtpaar heen te gooien, intimideerde een bejaarde man zodat deze huilend aangifte deed bij de politie. Verder jaagde hij allochtone kinderen de stuipen op het lijf en riep tegen buren ‘ik ga in je brievenbus pissen’.

Waarom deze oude koe uit de sloot halen? Is dat niet een beetje flauw? Nu de PVV een meldpunt heeft geopend waarin mensen kunnen zeiken en azijnpissen over doorgaans hardwerkende Europese medeburgers, vind ik het toch relevent om ons nationale geheugen weer wat op te frissen. Als het zeepblokje in ons nationale urinoir, zeg maar.

Hero Brinkman maakte zich in 2010 in Nieuwspoort schuldig aan openbare dronkenschap en sloeg de barman. Later werd er door een aannemer een aanklacht tegen Brinkman ingediend wegens mishandeling. Ik moet de eerste Pool nog tegenkomen die hem dat na doet. Tegen Dion Graus werden meerdere aangiften gedaan wegens mishandeling, bedreiging en stalken. Welke Roemeen kan Graus de hand schudden? Marcial Hernandez bracht al een nacht in de cel door nadat hij in een café in Den Haag een ambtenaar een kopstoot had gegeven. Welke serieuze Slowaak doet hem dit na?

De criminaliteit onder PVV Kamerleden lijkt hoger te liggen dan die onder Nederlandse Marokkanen, waarbij ook de Polen en Roemenen er gunstig bij af steken. Zo’n meldpunt doet me vooral denken aan een zwartgeblakerde pot die de ketel verwijten maakt. En wat is de politieke drijfveer van dit alles?

De matig scorende PVV heeft gisteren als het ware een brievenbus op het dorpsplein van Nederland geplaatst. Alle bange, boze en gefrustreerde autochtone Nederlanders kunnen – in de geest van Eric Lucassen – even flink van zich afzeiken. En de pispaal wordt deze keer gevormd door de groep hardwerkende Oost-Europeanen in ons land. Over hun ruggen moet de PVV het beter doen in de peilingen zodat Geert straks zijn middelvinger kan opsteken naar Emile. Want moslimpje plagen en Beatrix-bashen levert geen zetels meer op.

Minister Kamp respecteert dat alle Tweede Kamerfracties hun eigen publieksacties op poten zetten, zo zei hij tegen het NOS Journaal. En CDA-Kamerlid Eddy van Hijum noemde de actie “een klein beetje overdreven”. Ja, dat noem ik nogeens een staaltje van het ‘radicale midden’! Zo blijven CDA en VVD de aantasting van de mentale en psychologische hygiëne in ons land gedogen.

Dit alles neemt niet weg dat de politie en arbeidsinspectie gewoon hun werk moeten doen. En dat mensen die de wet overtreden, ongeacht afkomst, in de kraag gevat moeten worden. Sterker nog: het gebeurt nu al dagelijks. Want ja, er zitten natuurlijk ook malafide jongens tussen. Niets menselijks is de Polen en Roemenen vreemd. En niet te vergeten: hun werkgevers en opdrachtgevers.  

Maar wie in het parlement zitten, krijgen vrij spel. Dan ben je onschendbaar en kun je – in de strijd om de kiezers – van de relatief open en ontspannen sfeer in ons land ongestoord een open riool maken.


vrijdag, 3 februari 2012

Paul van Grieken

Paul van Grieken

Twitter

Veilig maar gulzig

In amsterdam zuid, politiek, bezuinigen, veiligheid, euro, geld, lezen, ambtenaren, amsterdam, en meer.
Onveiligheidsgevoelens? Bij deze gulzige kaaiman die ik in Bolivia tegenkwam niet…

Stadsdeel Zuid is het veiligste stadsdeel van Amsterdam. En toch is het budget voor veiligheid de afgelopen jaren meer dan verdubbeld. Dat komt omdat het met veiligheid goed scoren is: toon je compassie met slachtoffers en kondig maatregelen af – liefst stevige, zoals cameratoezicht of blowverbod. Maar compassie tonen – wat goed is – hoeft geen miljoenen te kosten. En maatregelen die nimmer hun effectiviteit bewezen hebben, zoals cameratoezicht, zouden niet zoveel geld mogen opslurpen.

Het budget voor veiligheid steeg tussen 2010 en 2012 van 2,2 miljoen euro naar bijna 4,8 miljoen euro (zie grafiek 1). Slechts een heel beperkt deel van deze toename is bedoeld om rijksbezuinigingen op te vangen. In 2012 gaat ruim 200.000 euro naar cameratoezicht. Nog eens 100.000 euro gaat naar “uitbreiding capaciteit” voor de “aanpak van veiligheid” of te wel: meer ambtenaren. Twee dure maatregelen waarvan in hoge mate moet worden betwijfeld of het bijdraagt aan veiligheid.

Grafiek 1. Budget voor veiligheid in stadsdeel Zuid

Is méér veiligheid eigenlijk wel nodig? Hoewel je natuurlijk nooit kan zeggen dat het veilig genoeg is, of dat er niets meer te doen valt, moet je je wel afvragen of méér geld er aan besteden wel zo nuttig is. Het Sociaal Cultureel Planbureau stelde onlangs in zijn rapport Waar voor ons belastinggeld? dat méér geld, niet per se méér resultaat betekent. “Bij de meeste voorzieningen stijgt de hoeveelheid ingezet personeel veel sneller dan de productie,” lezen we in de samenvatting van dit rapport. Dit zou ook wel eens kunnen gelden voor die 100.000 euro ‘uitbreiding capaciteit’ die het stadsdeelbestuur zo nodig vindt.

Bovendien is de vraag hoe groot het veiligheidsprobleem is in stadsdeel Zuid. Van onveiligheidsgevoelens heeft stadsdeel Zuid in vergelijking met andere stadsdelen al jaren het minste last (zie grafiek 2).

Grafiek 2. Aandeel mensen dat zich wel eens onveilig voelt in de eigen woonbuurt (bron: basismeetset Amsterdam, O&S)

Als we kijken naar de zogenaamde veiligheidsindexen is er al jaren een positieve trend: het wordt veiliger, zowel objectief als subjectief (zie grafiek 3). De index is een – eerlijk gezegd nogal kunstmatig – getal dat de ontwikkeling binnen Amsterdam moet aangeven, waarbij ’100′ de waarde voor heel Amsterdam in 2003 is. Hoe lager het getal, hoe ‘veiliger’. Objectieve veiligheid gaat over geregistreerd slachtofferschap; subjectieve veiligheid gaat over gevoel, bijvoorbeeld van angst om slachtoffer te worden van misdrijven en criminaliteit. Landelijk is al jaren de trend dat het ‘objectief’ gezien veiliger wordt, maar dat onveiligheidsgevoelens toenemen. Over deze paradox kan je meer lezen in een interessant artikel van Sander Flight. Maar in stadsdeel Zuid gaat het dus zelfs met de beleving van (on)veiligheid de goede kant op.

Grafiek 3. Objectieve en subjectieve veiligheidsindex in stadsdeel Zuid (bron: basismeetset Amsterdam, O&S)

Meer geld voor veiligheid vind ik dus geen goed idee:

  1. Er is geen noodzaak voor, want het gaat al lang de goede kant op met veiligheid: met de bestaande, ‘oude’ budgetten kan de veiligheid al worden verbeterd, zo tonen de cijfers aan.
  2. Meer geld betekent lang niet altijd meer resultaat, zo wist het SCP onlangs te stellen.
  3. Er wordt fors bezuinigd op andere belangrijke zaken, zoals welzijn en het onderhoud van openbare ruimte. Het ongedaan maken van deze bezuinigingen verdient meer prioriteit dan de investeringen in openbare orde en veiligheid  – en dat zou misschien wel eens beter kunnen zijn voor de veiligheid op lange termijn.

Het lijkt er op dat het stadsdeelbestuur vooral goede sier wil maken met ‘maatregelen voor’, ‘een aanpak van’ en ‘inzetten op’ veiligheid, maar zonder dat concreet duidelijk wordt gemaakt wat daarmee moet worden bereikt. Die goede sier kost wel miljoenen extra. In tijden van bezuinigingen mag het stadsdeelbestuur wel wat minder gulzig zijn.

 

 

vrijdag, 20 januari 2012

Alicia Hobbel

Alicia Hobbel

Hyves Twitter

Rechts geeft niets om uw veiligheid

In maatschappij, politiek, bezuinigingen, criminaliteit, diefstal, mobiele telefoon, politie, pvvd, rechts, en meer.

Velen hebben op de (gedoog)partijen van dit ultrarechtse kabinet gestemd omdat ze de samenleving onveilig geworden vinden. Ze denken dat linkse partijen daar niets aan doen, dus moet er iemand eens even flink met de rechtervuist op tafel slaan en actie ondernemen.

Vandaag mocht ik daar de gevolgen van ondervinden, toen ik aangifte ging doen van diefstal. Maandag is mijn telefoon gestolen. Een jongen die van achter mij aan kwam fietsen, greep mijn telefoon uit mijn handen en ging er vandoor. Ik sprong op mijn fiets en reed hem achterna. Hij kon minder hard fietsen dan ik of dacht misschien dat ik minder hard reed, maar ik begon langzaam dichterbij te komen. Bij een druk kruispunt had de dief ontzettend veel geluk. Hij kon net oversteken voor de auto’s gingen rijden en ik net niet. Daardoor wist hij me te ontkomen.

Ik fietste naar huis en heb mijn verbinding laten blokkeren, zodat de dief in ieder geval niet zou kunnen bellen en geen gebruik zou kunnen maken van mijn applicaties en alle informatie die daarmee verkrijgbaar is. Later kwam ik erachter dat er ook applicaties zijn (die je zelfs op afstand kunt installeren) waarmee je de locatie kunt opvragen, foto’s kunt maken en je gegevens kunt wissen op afstand. Helaas was het daar al te laat voor op dat moment.

Ik deed een internetaangifte, maar die werd afgewezen omdat ik de dader had gezien. Mijn beschrijving van de dader strekte niet verder dan dat het een man met een fiets was, maar dat moest ik blijkbaar persoonlijk komen vertellen.

Vandaag kon ik eindelijk aangifte doen. Daar werd anderhalf uur voor gepland. De dame die mijn aangifte opnam, vertelde dat dat sinds kort was. Er wordt namelijk zo bezuinigd op de politie, dat er niet voldoende baliepersoneel meer kon zitten. De wachttijden liepen daarom af en toe op tot vijf uur, en daarom werken ze nu op afspraak.

Het doen van mijn aangifte kostte uiteindelijk ongeveer een kwartier. Ze doen dat puur voor de verzekering – die ik niet heb, maar dat terzijde. Ze kunnen namelijk helemaal niets met dit soort gevallen. De dader staat wel meerdere keren op camera, maar daar gaan ze daar niets mee doen. Vervolgen kan namelijk niet omdat niet op camera staat dat de dader de telefoon uit mijn hand trekt. Dat denk ik tenminste, want de politie kijkt niet of er camera’s hangen en ik weet niet precies waar die hangen – dat ik hem niet gezien heb wil niet alles zeggen. De dader blijft dus volledig onbekend, ondanks dat hij gewoon op camera staat. Maar ja, er is geen capaciteit voor dit soort zaken.

Ik vind het een gemiste kans, want zelfs als vervolgen niet mogelijk was, zou het wel kunnen dat het een bekende van de politie was of zou het kunnen dat de dader op meerdere beelden op zou duiken na vergelijkbare incidenten. En dan kun je misschien op andere manieren te werk gaan om het een dader lastig te maken.

Dat de dagelijkse realiteit is dat hier geen geld en dus tijd voor is, kan ik nog begrijpen. En ik had de hoop dat in ieder geval iets gedaan kon worden om te zorgen dat de dader geen plezier van mijn telefoon zou hebben. Dat de telefoon geblokkeerd kon worden of dat er een sms-bom op losgelaten zou worden. Maar zelfs dat gebeurt niet. Afgeschaft vanwege bezuinigingen.

Kortom, cameratoezicht is een farce –  zolang je het misdrijf zelf maar buiten beeld doet kun je daarna vrij rondfietsen en in de camera glimlachen – en alle andere mogelijkheden om daders te vinden of te ontmoedigen worden wegbezuinigd.

De simpele waarheid is dat deze dief dit zijn hele leven kan blijven doen, zolang hij niet toevallig net een professionele wielrenner berooft die ook nog eens hard kan slaan, onder de camera te werk gaat of spontaan van zijn fiets valt. Geen haan die er naar kraait. Niemand die hem daarna nog lastig valt. Geen enkel risico dat een eventuele koper een mededeling krijgt dat de telefoon gestolen is.

Daarmee bescherm je criminelen, ontmoedig je aangifte en stimuleer je dat mensen het heft in eigen hand gaan nemen. Het eerste wat ik op mijn toekomstige telefoon ga installeren is een applicatie om hem op afstand te bedienen. Als dit me nog een keer gebeurt, zal ik zelf de GPS-locatie van mijn telefoon wel opvragen en misschien wel met wat vrienden op visite gaan bij de dader, en als het me lukt om met die applicatie foto’s te nemen van de dader zet ik ze voor iedereen op internet. Het mag niet, maar telefoons stelen mag ook niet en het officiële traject heeft niets te maken met rechtvaardigheid.

En volgende keer doe ik mijn aangifte wel via internet en lieg ik dat ik de dader in het geheel niet gezien heb. Dat scheelt me namelijk vrij nemen van mijn werk en drie dagen wachttijd voor ik een kopie van de aangifte heb om op te sturen naar mijn provider.

Dat mijn telefoon gestolen is, is vervelend. Van een dief verwacht ik echter geen goed gedrag, geen bescherming, geen steun.  Maandag was ik alleen boos. Nu heb ik het gevoel dat de overheid me in de kou laat staan ten gunste van criminelen. Dat het sommige politici blijkbaar niets kan schelen, terwijl die zich juist druk zouden moeten maken om veiligheid en die zich verantwoordelijk zouden moeten voelen voor de bescherming van burgers, en dat recht volledig los is komen te staan van rechtvaardigheid omdat rechts liever geld steekt in een paar kilometer harder rijden, met vliegtuigjes spelen en andere dingen waar ze erecties van krijgen. En caviapolitie natuurlijk.

En ondertussen winnen de rechtse partijen nog steeds zieltjes met stoere taal, terwijl ze alles doen om straatterreur te bevorderen. Ik hoop dat de mensen die erin getuind zijn volgende keer twee keer nadenken voor ze het rode potlood ter hand nemen.


vrijdag, 30 december 2011

Rien Honnef

Rien Honnef

Twitter GR

Bij de politie

In algemeen, aanrader, bezoek, bezuinigen, burger, criminaliteit, december, divers, fractie, en meer.

Notities, rapporten, de veiligheidsmonitor, als raadslid is het eigenlijk altijd zo dat je van alles krijgt aangereikt maar eigenlijk alleen maar op papier, of, zoals gelukkig steeds vaker voorkomt, niet op papier maar als digitaal bestand. Hetgeen dan weer mooi aansluit bij het papierloos werken. Maar wat we ook lezen, wat in de praktijk gebeurt proeven we nooit. Wil je dat wel, dan moet je de boer op. En dat doen we te weinig. We praten natuurlijk wel met veel mensen, maar hoe iets echt in de praktijk uitpakt zien we eigenlijk nooit. Dat ligt natuurlijk aan het raadslid zelf. Zo was ik nog nooit echt met de Politie op pad geweest. Dinsdag 27 december was het zover. Een middag/avond-dienst meedraaien met de Politie in Leek, met de wijkagent Martin Tillema op pad.

Jeugd- en jongerenwerk
Vooraf waren we tot de keuze voor de 27e gekomen vanwege de schoolvakanties en het vuurwerk. Het illegale spul dan wel te verstaan, de verkoop van het reguliere goedje is immers pas vanaf de 29e.  Daarnaast lag de nadruk op de jeugd. Leek kende redelijk wat onrustige jaren, van urinerende jeugd bij de Hema, samenscholing in en buiten de Liekeblom tot “gezellige” samenkomsten op Sintmaheerd en het parkeerterrein bij Nienoord. En natuurlijk voorheen het B-cafe, onderdeel van De Oude Ulo, het jongerenwerk, wat later verplaatst is naar de nieuwbouw Punt1. In 2003 bestonden er zelfs nog plannen voor Jongerenplekken, de JOP’s, een initiatief van de PvdA wat zo jammerlijk sneuvelde door een hoog “Not In My BackYard” gehalte bij een inderhaast opgetrommelde groep tegenstanders. Al met al reden genoeg voor mij om nu eens te kijken of er nog jeugdproblematiek was en zo ja op welk terrein.

Redelijk rustig
In mijn beleving is het al weer heel lang rustig wanneer het om jongeren gaat. Ik hoor of zie nauwelijks nog meer iets van ongewenste samenscholingen. Af en toe hoor je nog iets van vernielingen, maar of dat nou specifiek aan jongerenoverlast is toe te schrijven waag ik te betwijfelen. Tijdens de surveillance tijdens “mijn dienst” gebeurde er helemaal niets. Geen oproepen over de portofoon, geen meldingen, maar ook nagenoeg geen jongeren op straat. Ja, enkelen, op een bankje bij de Hema en de C1000. Maar slechts 2 of 3 jongeren, en dat kan je toch geen samenscholing noemen, om van overlast maar helemaal te zwijgen.

Vuurwapencontrole
Het beloofde dus een saaie avond te gaan worden. Tenminste, dat dacht ik. Martin Tillema had nog wat een petto: vuurwapencontrole. Na het drama in Alphen a/d Rijn is er door het justitieel apparaat hoog in gezet op o.a. de controle op vergunningen. De details laat ik buiten beschouwing, maar het was goed om te zien hoe dit is opgepakt door de Politie in Leek. Een dergelijke controle een keer meemaken was eigenlijk uitzonderlijk en het laat mooi zien hoe divers de Politietaken zijn. Een dergelijke controle is natuurlijk heel formeel, maar om te zien hoe hartelijk en informeel de Politie ontvangen wordt door de burger is best wel bijzonder.

Drugsoverlast
Waar je tijdens zo’n “rustige” dienst ook tijd voor hebt is eens echt kennis te nemen van wat dan wel problemen zijn die we ons moeten aantrekken wanneer het om de jeugd gaat: Drugs. En dan heb je het niet alleen over de gebruiker maar ook over de verkoper, de dealers. De criminaliteit die rond het onderwerp hangt maakt het dat we hier nog meer en vooral preventief op moeten inzetten. Naast preventie, waaronder samenwerking tussen scholen, politie en gemeente, moeten er echt programma’s komen waardoor dealers echt aangepakt en opgepakt kunnen worden. Als gemeenteraad kun je dat niet van je af laten glijden, juist in een tijd van bezuinigen zal hiervoor extra aandacht moeten komen. We moeten vol blijven inzetten op deze vorm van jongerenproblematiek.

Huisvesting Polen
Een heel ander aandachtspunt tijdens mijn werkbezoek was de huisvesting van Polen. Als raadslid ben ik uiteraard op de hoogte van panden in gemeentelijk bezit als voormalig Hotel Leek. Maar wat speelt er nog meer? En gaat het alleen om werkende Polen, of is er ook sprake van werkelozen die hier wonen?

Nieuwe wijkagent
Binnenkort is er weer genoeg te bespreken in het overleg tussen fractie en steunfractie, maar het zal duidelijk zijn dat het niet blijft bij alleen een verslag van dit werkbezoek. Martin Tillema vertrekt als wijkagent. Hij gaat naar de stad, en ik wens hem daar heel veel succes. Helaas blijft het bij deze ene keer, in gesprek met Martin. Ik heb het als zeer aangenaam ervaren. En voor de stad… jullie krijgen er een prima agent bij! De vervanger van Martin is ook al bekend, Gerrit Faber, nu nog werkzaam in Grootegast maar vanaf Januari in Leek. Ik ga zeer zeker een keer op de koffie bij hem. En het blijft niet bij die ene keer.

Mijn bezoek aan de Politie is waardevol gebleken en ik ben vast van plan om het onderdeel te laten zijn van mijn raadswerk. Een aanrader voor alle raadsleden trouwens.

Het menu: Zorgeloos Nederland

In het menu, niet op voorpagina, koninginnedag, nederland, nederland van boven, rotterdamse haven, samenleving, amsterdam, armoede, en meer.
Nederlanders somberen en kankeren. Het zit economisch tegen. De werkloosheid loopt op. Pensioenen en huizenprijzen dalen. De welvaart neemt af. Consumenten houden de hand op de knip. Ze potten geld op, als appeltje voor de dorst. Maar er is ook dat zorgeloze Nederland. Het mooie televisieprogramma Nederland van boven (vpro, dinsdagavond), toont ons land vanuit de lucht. Iedere aflevering heeft een ander thema. Het reilen en zeilen van de Rotterdamse haven komt onder andere in beeld. Je ziet hoe schepen continu goederen over de rivieren aan- en doorvoeren naar het Europese achterland. Een andere aflevering schetst hoe wij in onze vrije tijd massaal Koninginnedag in Amsterdam vieren. Opvallend is het optimistische karakter van de serie. Ze zoomt van boven letterlijk in op zaken die goed gaan. Vanuit de lucht zie je treinen en auto’s doorrijden. De in beeld gebrachte files en stremmingen op het spoor lossen verbazingwekkend snel op. Mensen krioelen door elkaar en zijn verdraagzaam. Er zijn geen ruzies. Criminaliteit ontbreekt. Evenals armoede. Mensen hebben volop werk. Mobiele telefoons hebben altijd bereik. Niemand slikt antidepressiva. Iedereen lijkt tevreden. Vanuit de lucht gezien, zou je er dolgraag willen wonen.

donderdag, 29 december 2011

John Jorna

John Jorna

Helpt geweld tegen het kwaad?

In column van de week, afghanistan, buren, burgers, criminaliteit, eerste, gemeente, geweld, gezin, en meer.

OMGAAN MET HET KWAAD IN DE WERELD

Je bent geograaf of je bent het niet! Als geograaf onderscheid je verschillende schaalniveaus. Het kleinste schaalniveau is dat van het gezin. Zou zich zelfs in een gezin kwaad voordoen? Op het eerste gezicht denk je van niet. Kinderen kunnen wel eens ondeugend zijn, maar dat valt voor mij niet onder “het kwaad”. Maar dan lees je over huiselijk geweld: mannen, die hun vrouw mishandelen of omgekeerd. Kinderen, die mishandeld worden, soms met dodelijk gevolg. Je hoort over seksueel misbruik van meisjes door vader of broer. Achter de voordeur gaat veel kwaad schuil. Leerkrachten en huisartsen wordt gevraagd daarop attent te zijn en ook buren zouden hun vermoeden kunnen melden bij een vertrouwensarts. Laten we bedrijven en instellingen deze keer maar overslaan.

We kijken naar het wijk- of dorpsniveau. Meestal is dit nog redelijk overzichtelijk en kennen veel mensen elkaar. Nu is er vaak veel weerzin tegen sociale controle, want dat wordt gemakkelijk geassocieerd met sociale dwang tot “deugdzaamheid”, als de jonge mensen tenminste nog weten, wat daaronder wordt verstaan. Maar als gezinnen weg gepest worden uit een wijk, dan zou de meerderheid van goedwillende mensen dat niet moeten pikken en zeker niet de ouders van de pesters. Die zouden ook door iedereen daarop aangesproken moeten worden. Buurtwerkers, wijkagenten, buurtverenigingen, jeugdzorg en gemeente horen goed samen te werken en daarbij vooral moeten afspreken, wie de eerst verantwoordelijke is voor de aanpak van een probleemgeval. Een interessant nieuw initiatief is Burgernet. Wie zich daarbij heeft aangesloten krijgt soms van de politie een sms of mondelinge boodschap via de telefoon om te waarschuwen, wanneer hij iemand met een nauwkeurig signalement ziet.

Toch is het bestrijden van criminaliteit en het verzekeren van de veiligheid van de burgers vooral een overheidstaak. De overheid moet de wet handhaven. Zelfs in Nederland valt dat niet mee. Bij zware criminaliteit is vooral het leveren van een wettig en overtuigend bewijs moeilijk. De politie kampt vaak met te weinig of onvoldoende deskundig personeel. Computercriminaliteit vroeg een totaal nieuw soort specialisten.

Is het in Nederland al moeilijk, hoe uitzichtloos lijkt het in een land als Somalië of Mexico of Afghanistan. In dit laatste land proberen we er iets aan te doen door agenten een eerste opleiding te geven en ook mee te werken aan de opleiding van hoger personeel en medewerkers van justitie. Maar het land kent meerdere stammen, die zich weinig aantrekken van een centraal gezag en landelijke wetten. Er is een enorme corruptie, ook bij de overheid en die blijft meestal ongestraft. Lokale krijgsheren betalen wapens en munitie met de opbrengsten van de papaverteelt. En natuurlijk zijn er de Taliban, die met geld van elders velen tot meevechten weten te bewegen. Want het is een arm land met weinig werkgelegenheid. Zo bezien is de training van die paar politieagenten een druppel op een gloeiende plaat? Of moet je misschien een andere beeldspraak gebruiken: een zaadje, waaruit een forse boom kan groeien? Wat doe je tegen het kwaad in een falende staat als Afghanistan? Wat is de zin van de aanwezigheid van de NAVO in het land? Terwijl al eerder is gebleken, dat je je hand maar beter niet in dat wespennest kunt steken. De groei naar een rechtsstaat moet van binnen uit komen en dat vraagt ontwikkeling. De Afghanen zelf moeten tot het inzicht komen, dat het anders kan. Dat vraagt ontwikkeling en het ontstaan van een middenklasse, die dat allemaal niet meer accepteert. Daar gaan wel een paar generaties overheen. Toch zie je het overal in de wereld gebeuren: China, India, Brazilië waren onderontwikkelde landen en groeien nu snel naar de top van de grote economieën in de wereld. Het kwaad in de wereld kun je niet laten verdwijnen met geweld. Het lost niets op. De oorzaak van het kwaad wordt niet weggenomen.

Toch blijft steeds weer de twijfel. Als kind maakte ik de Duitse bezetting heel bewust mee. Ik begreep heel goed, dat het Nazidom het kwaad was, dat bestreden moest worden. Ik was die Canadezen enorm dankbaar toen zij ons na bijna vijf jaar vrijheid brachten. In Oost-Europa kwam in de plaats van het Nazibewind een communistische dictatuur. Het duurde nog vijfenveertig jaar voordat die verdween. Niet door geweld van buitenaf, maar het kwam van binnenuit. In voormalig Joegoslavië moest van buitenaf met geweld worden ingegrepen om er rust te brengen en nog steeds moet de door buitenlandse troepen worden bewaakt. Wat doe je tegen mensen, die echt niet het goede willen?

Hoe lang moeten de Afghanen nog wachten op vrijheid en veiligheid en ontwikkeling en welvaart?

Jaargang 4, Nr. 195.

woensdag, 28 december 2011

Menno Slaats

Menno Slaats

Hyves Last.fm Twitter DWARS Blogreacties: Christian Jongeneel

'Kunduz anno nu; in gesprek met Mariko Peters'

In politieke zaken, afghanistan, congres, criminaliteit, debat, december, discussie, duurzaam, eerste, en meer.

Vorige week woensdag 21 december was er 's avonds in de Jaarbeurs in Utrecht een bijeenkomst georganiseerd door het partijbestuur van GroenLinks landelijk.

Het onderwerp van de bijeenkomst was "Kunduz anno nu; in gesprek met Mariko Peters''. Door het organiseren van deze avond wil het partijbestuur tegemoet komen in een aangenomen motie tijdens het partijcongres.

De motie riep namelijk op tot meer discussie in de partij over standpunten die de Tweede Kamerfractie neemt of genomen heeft. En daar de achterban ook meer bij te betrekken.

Op de bijeenkomst waren ongeveer 60 personen aanwezig.

De avond werd geleid door Rosalie Smit en zij werd bijgestaan door Steven de Vries.

IMG_20111221_195059

Om de avond in te leiden, kwamen er een aantal stellingen voorbij:

  • Wie kent er iemand die zijn of haar lidmaatschap heeft opgezegd naar aanleiding van het standpunt van de Tweede Kamerfractie over Kunduz?
  • Wie is er lid geworden vanwege het standpunt  over Kunduz?
  • Wie heeft er tijdens het congres 'voor' Kunduz gestemd?
  • Wie heeft er tijdens het congres 'tegen' Kunduz gestemd?

Maar liefst de helft van de aanwezige kende iemand die zijn of haar lidmaatschap heeft opgezegd. Zo kreeg ik tijdens de avond de microfoon aangezien ik ook mijn hand op stak.

Iemand die erg actief is geweest bij het promotieteam van GroenLinks heeft na veel wikken en wegen toch besloten om haar lidmaatschap op te zeggen. Waarbij Kunduz uiteindelijk de doorslag heeft gegeven.

Daarnaast bleek de helft van de aanwezige personen voor en de andere helft tegen de missie gestemd te hebben (zover dat ging natuurlijk).

De meeste mensen die tegen gestemd hadden, hadden tegengestemd vanwege het feit dat ze meer zien in politieke oplossing in plaats van politie of militairen. Maar ook het politieke spel rondom de besluitvorming was een reden om tegen te stemmen.

IMG_20111221_204323

Na dit 'opwarmrondje' werd er in de zaal een inventarisatie gemaakt van vragen die men aan bod wilde laten komen.

  • Wat zijn de indicatoren die GroenLinks heeft opgesteld naar aanleiding van de aangenomen motie tijdens het partijcongres? Dus wanneer slaagt of faalt de missie?
  • Is het niet een verborgen oorlogsmissie door partij te kiezen en te zeggen dat ze daarna 'opeens' moeten samenwerken?
  • Wat zijn de bevoegdheden van de politie?
  • Is er wel behoefte aan de trainingsmissie?
  • Wat is civiel?

Bovenstaand zijn een aantal vragen die telkens voorbij kwamen.

IMG_20111221_210922

Mariko Peters gaf daarop een korte inleiding voor ze aan het beantwoorden van de vragen ging beginnen.

Ze erkent dat het debat over de besluitvorming eigenlijk pas achteraf is gevoerd en niet vooraf, dat de impact van het besluit onverwacht veel groter was.

In haar inleiding kwam ook ter sprake dat een volgsysteem van de Afghanen die opgeleid worden tot politie niet gaat werken. Aangezien in Nederland een dergelijk volgsysteem ook al niet blijkt te werken.

Hiermee werd enigszins al de toon gezet voor de rest van de avond. Waarbij Mariko in het 'verdachtenbankje' zat en de zaal een soort jury was die allemaal vragen op haar af kon vuren.

Op het eind van de avond was iedereen het er mee eens dat deze opzet van de avond niet de meest ideale was en dat men naar een andere opzet gaat zoeken in het vervolg.

Na de inleiding van Mariko gaf ze aan dat er drie verschillende soorten trainingen zijn:

  1. Basis: 8 weken, origineel was het 6 weken. De personen die deze training gevolgd hebben worden in Kunduz ingezet.
  2. Vervolg: 10 weken praktijkopleiding. De personen die deze training gevolgd hebben worden in Kunduz ingezet.
  3. Hoger kader: De personen die deze training volgen kunnen in heel Afghanistan ingezet worden.

De basis en vervolg trainingen zijn begin oktober gestart en de eerste personen zouden de training nu afgerond moeten hebben. De resultaten zijn daar binnenkort dus van beschikbaar.

Hieronder een verslag van een aantal vragen uit de zaal en de reactie van Mariko daarop:

"Is het een houdbaar systeem?"

Doordat het loon van de politie hoger is dan gemiddeld in Afghanistan is het een soort lokkertje om mensen bij de politie te krijgen. Maar doordat we als Westen nog heel erg lang in Afghanistan aanwezig zijn, moeten we nog lang opdraaien voor de kosten. Want de politie heeft nog geen rendabel verdienmodel door bijvoorbeeld het incasseren van boetes.

"Is er wel zoveel behoefte aan politiemensen?"

Sommige onderzoeken geven aan dat er juist meer of juist minder behoefte aan is. Onze insteek is meer dat zolang het civiele politiemensen oplevert het aantal niet uitmaakt.

"Waarom voor Kunduz en tegen Uruzgan?"

Omdat Kunduz civiel is en Uruzgan niet.

"Wat zijn de criteria van toetsing en wanneer wordt er getoetst?"

Het kabinet heeft ongeveer 32 toezeggingen gedaan, waarbij te denken valt aan civiel, aantal en duurzaam.

Daarbij krijg je ook het probleem als parlementariër. Want stel er komen andere uitkomsten, maar de richting is toch hetgeen je voor ogen had. Moet je dan de missie afblazen of als gefaald zien?

Het toetsen tijdens de missie is heel erg moeilijk of misschien niet mogelijk, aangezien het een land is dat overhoop ligt en nog vele jaren bezig is om stabiel te worden. Kun je dan wel meten of het goed gaat?

Het is een fragiele start die we nu gemaakt hebben in Kunduz, maar zolang het trainen van politie door kan gaan is het positief wat de fractie betreft.

Daarnaast willen we niet op 1 incident de missie beëindigen, maar zoveel mogelijk de feiten bekijken en trendmatig in de gaten houden hoe het verloopt.

"Wat is civiel?"

Wanneer de politie criminaliteit gaat bestrijden en dus ook westerse opvattingen van bijvoorbeeld vrouwenrechten gaat hanteren.

Na deze vragen en antwoorden was het tijd om kort met het partijbestuur de avond te evolueren.

IMG_20111221_215203

Enkele conclusies van de avond:

  • De opzet waarbij 1 persoon zich komt 'verdedigen' tegen de rest is geen geschikte opzet.
  • Dergelijke bijeenkomsten vaker doen, ook met andere onderwerpen
  • Moet zeker vervolg komen op deze avond
  • Iemand merkte op dat ze het jammer vond dat Mariko niet als partijgenoot aanwezig was maar in de vorm van politicus.

Mariko kreeg als laatste het woord en concludeerde dat ze het ook vervelend vond om als een soort 'verdachte' in het verdachtenbankje geplaatst te zijn tijdens de avond.

Over de missie zei ze nog dat we nog zeker 2 tot 3 generaties in Afghanistan moeten blijven totdat de oplossing zichtbaar gaat worden.

In januari verwacht zij een artikel 100 brief van het kabinet en in februari een debat over het mogelijk uitbreiden van de missie.

 

Ik vond het een interessante avond, waarbij ik helaas de conclusie moet trekken dat de GroenLinks fractie geen lijstje heeft met punten waarop een missie slaagt of faalt. Iets waarvan wel sterk de indruk werd gewekt tijdens de besluitvorming dat dit lijstje er is of zou komen.

Vooral om zo het kabinet ook zelf te kunnen 'monitoren' over de stand van zaken en dat periodiek te kunnen doen. Dat je je lijstje pakt en aan het kabinet vraagt naar de stand van zaken en dan simpelweg kunt afvinken op je lijstje.

Zo is er een missie naar Zuid-Soedan waarbij Nederland ook politiemensen gaat opleiding, het lijkt me daarom zinvol dat GroenLinks toch een soort lijstje gaat opstellen want er zullen in de toekomst alleen maar meer van dergelijke missies komen! Zodat we als partij dergelijke missies goed kunnen blijven volgen op het civiele karakter!

dinsdag, 27 december 2011

Simon Otjes

Simon Otjes

Last.fm Twitter

Links, Rechts en Het Huis van de Vrijheid

In liberalisme, politieke ruimte, verdelende rechtvaardigheid, wetenschap, economie, inkomen, politiek, politieke filosofie, agenda, en meer.

Het Huis van de Vrijheid, het nieuwe boek van Leidse filosoof Rutger Claassen is een van de meest moedige filosofische poging die ik ken: het uitwerken van een consistent politieke filosofie gebaseerd op autonomie, aan de hand van actuele casussen. Het is daarmee een filosofisch werk dat zich relevant maakt voor de politiek van vandaag. Ik wil in de komende blogs naar dit boek kijken.

Het Is filosofisch een fascinerend boek: boek bestaat uit vier delen. In het eerste deel werkt Claassen het idee van liberalisme uit. Hij laat zien dat liberalen uiteindelijk allemaal een ideaal van autonomie delen, maar dat zij zijn verdeeld over linkse en rechtse liberalen. In de overige drie delen werkt hij onderwerpen uit vanuit liberaal perspectief die zich niet per se verhouden tot die links/rechts tegenstelling: de rol van de overheid in het beperken vrijheid vanwege schade (aan jezelf of anderen), de rol van de overheid in de economie en vraagstukken rond identiteit immigratie en integratie.

Links en Rechts als Filosofische Begrippen

Claassen stelt dat liberalen allemaal een ideaal van autonomie delen (mensen moeten zelf vorm kunnen geven aan hun eigen leven). Ze zijn echter verdeeld over een ander vraagstuk. Rechtse liberale filosofen geloven sterk in individuele verantwoordelijkheid. Mensen zijn zelf verantwoordelijk voor hun eigen succes en voor hun eigen falen. Linkse liberalen denken dat talenten ongelijk verdeeld zijn: het inkomen dat ik verdien wordt gedeeltelijk bepaald door mijn intelligentie. Dat is aangeboren. Daar ben ik verantwoordelijk voor en heb ik dus geen recht op. Maar het tegenovergestelde geldt ook: als ik misdaden pleeg, ben ik daar in rechts liberaal perspectief zelf verantwoordelijk voor en moet ik dus de straf dragen. Volgens linkse liberalen ben ik geneigd misdaden te plegen door dingen waar ik zelf niet verantwoordelijk voor ben (slechte jeugd). En dus ben ik daar niet verantwoordelijk voor. Rechts staat voor individuele verantwoordelijkheid voor goede en slechte keuzes, links staat voor collectieve verantwoordelijkheid, omdat niet alles onze eigen keuze is. De andere onderwerpen vallen volgens Claassen daarbuiten: vraagstukken van nationale identiteit, economische groei en paternalisme vallen volgens hem buiten de links/rechts tegenstelling.

Links en Rechts als Politicologische Begrippen

Dit is in politicologisch opzicht een curieuze opinie. We weten dat links en rechts niet altijd hetzelfde betekent hebben: in Nederland betekende links en rechts aan het eind van de negentiende eeuw seculier en religieus. Links was seculier en rechts was religieus. Claassen heeft wel oog voor deze tegenstelling maar noemt dit filosofieën die een autonomie-ideaal centraal stellen (mensen moeten zelf keuzes maken en de overheid moet zo neutraal mogelijk zijn) en filosofieën die een welzijnideaal centraal stellen (de overheid weet wat het goede leven is en moet dit uitdragen). Sinds de Tweede Wereldoorlog betekent links in de eerste plaats voorstander van overheidsingrijpen in de economie en rechts de overheid grijpt niet in. Dit volgt de tegenstelling die Claassen links en rechts noemt. Vanaf de jaren ’70 komt daar de discussie over economische groei bij. Rechts kiest steeds voor economische groei en links voor andere maatschappelijke waarden zoals een ecologische balans en een balans tussen werk en zorg. Na 2002 komen tegenstelling rond immigratie, integratie en identiteit prominent op de politieke agenda. Links betekent hier erkent een multiculturele realiteit en rechts streeft naar een monoculturele samenleving. Links en rechts zijn dus in voortdurende ontwikkeling. Claassen stelt een links/rechts-tegenstelling centraal die in het huidige publieke debat steeds minder prominent wordt: als we kijken naar de posities van kiezers dan is hun positie op culturele vraagstukken steeds belangrijker voor hun positie op de links/rechts-as dan hun positie op economische vraagstukken.

Het interessante is dat als we kijken naar de meningen van kiezers al deze links-rechts assen niet samen vallen: de meeste kiezers zijn voor herverdeling (‘links’) maar ook voor een sterke overheid die optreedt tegen criminaliteit (‘rechts’). Volgens de filosoof Claassen zijn kiezers hier dan niet consequent op zijn. Links en rechts zijn in zijn analyse zulke heldere begrippen, als dit niet de lijnen van competitie zijn hebben kiezers dat schijnbaar verkeerd begrepen.

Ik denk niet dat dit terecht is. Als we het perspectief een klein beetje kantelen dan wordt het volgens mij duidelijk dat je best voor overheid kan zijn die hard optreedt tegen criminaliteit en armoede. Je kan de overheid zien als het schild van de zwakkeren, tegenover de sterkeren. Als een oud omaatje bestolen wordt op straat door een potige crimineel, dan lijkt het mij duidelijk wie de zwakkere en wie de sterkere partij is. Criminelen kiezen vaak de zwaksten in de maatschappij uit: het is gemakkelijker om te stelen van een vrouw of een bejaarde dan van een man en een jongeren. Als je als centrale principe neemt: de overheid moet de zwakkeren beschermen, dan moet de overheid optreden tegen criminelen om zo de slachtoffers te beschermen. Maar laten we nu eens kijken naar de arbeidsmarkt: wie is hier de zwakke en sterke partij? In de arbeidsmarkt zijn er verhoudingsgewijs veel minder bedrijven die om arbeid vragen, dan dat er aanbieders van arbeid zijn. De enkele grote bedrijven hebben ten opzichte van velen werkzoekende een monopoliepositie. Daarnaast hebben zij een hele afdelingspersoneelszaken die arbeidscontracten opstelt en loonschalen bepaalt. Een werkzoekende heeft niet de specialistische kennis om de nuances van het arbeidscontract te begrijpen. De overheid moet als schild van de zwakkeren optreden om de werkzoekende te beschermen tegen de mogelijke uitbuiting door de werkgever. De overheid moet er dus voor zorgen dat lonen eerlijk zijn en contracten niet alleen begrijpelijk zijn maar ook gebonden aan arbeidswetgeving die er voor zorgt dat een werkzoekende zich geen zorgen hoeft te maken over uitbuiting: het is altijd min-of-meer eerlijk geregeld. En als schild van de zwakkeren kan de overheid ook meer belasting vragen van de sterkste om zo regelingen in stand te houden waar zwakkeren voordeel van hebben: een klassiek sociaal-democratisch principe is de sterkste schouders dragen de zwaarste lasten.

In dit perspectief is overheidsingrijpen in de markt ten opzichte van bedrijven en in de samenleving ten opzichte van criminelen gerechtvaardigd omdat er een zwakkere partij en is een sterkere partij. De overheid moet als schild van de zwakkeren het opnemen voor de zwakkere partij. Het kan dus best consistent zijn om ‘rechts’ te staan om veiligheid en ‘links’ op sociaal-economische onderwerpen.

Links en rechts zijn flexibele begrippen die over tijd en tussen groepen sterk kunnen verschillen in betekenis. Voor filosofen zijn dit soort termen in gewikkeld. Ze proberen ze te vangen in definities, maar als wetenschapper weet ik maar al te goed dat de politieke werkelijkheid veel complexer is dan de definities van de filosoof toe laten.

vrijdag, 23 december 2011

John Jorna

John Jorna

De politie trainigsmissie in Kunduz

In column van de week, afghanistan, burgers, criminaliteit, discussie, eerste, fouilleren, groenlinks, kunduz, en meer.

KERSTMIS IN KUNDUZ

Er gaat het verhaal, dat tijdens de Eerste Wereldoorlog ergens aan het front in België Duitse en Geallieerde soldaten gezamenlijk kerstliederen zongen, ieder in de eigen loopgraaf. De wapens zwegen een moment. Of in Afghanistan de vijandelijkheden ook gestaakt gaan worden valt te betwijfelen. Net als dezer dagen in Irak kun je van alles verwachten.

Ik was afgelopen woensdagavond in de Jaarbeurs in Utrecht, waar Mariko Peters het GroenLinks standpunt over de politiemissie in Kunduz met de achterban wilde bespreken. Zoals te verwachten waren vooral tegenstanders komen opdagen. Daar is niets verkeerds aan, want luisteren naar elkaars standpunten en de argumenten daarvoor is altijd leerzaam. Als je tenminste wilt luisteren.

Ik ging er naar toe omdat ik mij voortdurend erger over de manier waarop een karikatuur van het GroenLinks standpunt wordt gemaakt. Het is een civiele missie en dus mogen die agenten alleen het verkeer regelen of wildplassers bekeuren. Wie zich beter laat informeren weet, dat ze ook leren roadblocks in te richten en te bemannen, leren te patrouilleren in vijandige buurten en leren hoe mensen te fouilleren. Mariko zag als voornaamste taak voor de politie om voor meer veiligheid te zorgen. Daarbij gaat het de burgers zeker niet op de eerste plaats om het bestrijden van de Taliban, maar meer om het tegengaan van corruptie, afpersing en andere vormen van criminaliteit en het handhaven van de openbare orde. Daarvan hebben de mensen veel meer last als van de Taliban. Bij de training wordt ook aandacht besteed aan Mensenrechten, maar je moet niet verwachten, dat een vrouwonvriendelijke samenleving spoorslags kan veranderen. En dacht ik, wat gebeurt hier allemaal achter de voordeur? De blijf-van-mijn-lijfhuizen zijn er niet voor niets.

De discussie draaide echter vooral om de aanpak. Iedereen weet, dat alle geweld nooit een echte oplossing voor de tegenstellingen in Afghanistan kan brengen. Velen zijn voorstander van een vorm van bemiddeling, waarbij het tot onderhandelen met de Taliban zou moeten komen. Af en toe lees je over pogingen in die richting. Er zouden ook gematigde Taliban zijn, waarmee best te praten valt. De zogenaamde Talibanonderhandelaar bleek een oplichter. Maar wat zou het mooi zijn. Ik verwacht er niet veel van. De Taliban weten, dat de NAVO na 2014 vertrokken zal zijn. Ze zeggen: “De Amerikanen hebben die dure horloges, maar wij hebben de tijd!”. Straks brengen we heel Afghanistan weer onder controle. Eerlijk gezegd verwacht ik niet, dat al die warlords met hun stammen tot eendrachtig verzet zullen weten te komen. De Afghanen weten het ook. Wie geld heeft verlaat het land of bereidt zijn vertrek voor. Waarom zouden de Taliban gaan onderhandelen? Pas als zeer veel mensen hebben leren lezen en schrijven en weten, dat het ook anders kan, kun je verwachten, dat er een mentaliteitsverandering gaat optreden.

Mijn conclusie is dan ook, dat de kans op vrede in Afghanistan op korte termijn zeer klein is. De politie trainingsmissie is een nuttig initiatief, dat verdient te worden voortgezet. Uitbreiding naar andere gebieden lijkt mij mogelijk. Opleiden van grenspolitie is moeilijk binnen onze voorwaarden. Grensbewaking is een taak voor militairen. Een goede grenspolitie is wenselijk om de opiumhandel tegen te gaan en de import van wapens en munitie te verhinderen, maar dat lijkt mij geen taak voor de eenvoudige mannen, die nu getraind worden. Intussen zouden vredesorganisaties kunnen onderzoeken of ze ergens in Afghanistan aan de slag kunnen gaan. Waar nodig verdienen zulke initiatieven steun van onze regering. En breng ontwikkeling, want dat is de voornaamste voorwaarde voor verandering op langere termijn.

Jaargang 4, Nr. 194.

vrijdag, 25 november 2011

Rob Alberts

Rob Alberts

Kunst

In , amsterdam, architectuur, binnenstad, criminaliteit, opleiding, armoede, parijs, de, en meer.
Kunst. Architectuur, gebouwen en de inrichting van de buitenruimte is voor mij de mooiste kunstvorm. Een de studiereis naar Parijs, met haar paleizen, woonwijken, musea en stratenpatroon heeft mij ooit in mijn opleiding geraakt. De binnenstad van Amsterdam staat nu met een beschermde status op een werelderfgoedlijst. De armoede, criminaliteit, uitbuiting en oproeren en opstanden van de Jordaan z...

donderdag, 10 november 2011

Femke Halsema

Femke Halsema

Hyves Twitter TK

Peerke Donderslezing: Over de middenklassen in het westen en in Afrika

In goede doelen, ontwikkelingssamenwerking, activiteiten, afhankelijkheid, afrika, algemeen, amerikaanse, amerikanen, analyse, en meer.

Post image for Peerke Donderslezing: Over de middenklassen in het westen en in Afrika

Goedemiddag,

Toen ik opgroeide, een puber was, mocht ik op een saaie zondagmiddag graag met mijn moeder een eindje gaan rijden. Stapvoets reden we dan door de nieuwe villawijken aan de rand van Enschede  en verlustigden ons aan de gouden leeuwen die oprijlanen markeerden, de Griekse zuilen waarmee Twentse boerderettes waren versierd en wij roddelden er op los. Enschede was, zo aan het einde van de jaren zeventig klein genoeg om te weten wie er woonde, hoe ze hun geld hadden verdiend, en of hun huwelijken gelukkig waren.
Wij, moeder en dochter, uit de gegoede middenklasse hadden het heel goed maar bezaten niet het kapitaal dat daar op die ruime kavels vaak nogal afzichtelijk was uitgestald.
Het was een vriendelijke vorm van aapjes kijken, van verveeld vermaak, waarover wij ons weinig schuldig voelden omdat het vertoon van rijkdom ook voor ons was bedoeld, zondagrijders uit de middenklasse.

Precies diezelfde lust tot ‘rijken kijken’ zie je terug in het nieuwe programma van Jort Kelder ‘Hoe heurt het eigenlijk’. En ik kan me nog steeds goed vermaken met de rose-tankende, glad gestreken en opgepompte nouveau-riche-dames aan de Loosdrechtse Plassen, die uitleggen dat ze niet alleen een motorjacht bezitten (‘zeilen is zo veel werk’) maar ook een tweede huis bij Saint Tropez omdat ‘ze zo vreselijk van cultuur houden’.
In ‘hoe heurt het eigenlijk’ wordt het pronkgedrag van de nieuwe rijken slim afgezet tegen de tradities van het oude geld. Over het algemeen zijn dat Olie B. Bommel-achtige heren die in gedateerd Nederlands uitleggen dat zij hun landhuis, stammende uit 1700 of daaromtrent, in stand weten te houden door een natuurcamping en wat biologische boerderijen op de landerijen toe te laten.

Wat ‘Hoe heurt het eigenlijk’ anders maakt dan eerdere programma’s van bijvoorbeeld Gert Jan Droge is het nogal stichtende karakter. Als kijker word je ook op allerlei manieren duidelijk gemaakt hoe je wel en niet zou moeten leven, wat beschaafd is en wat nastrevenswaardig is. En dat is de nouveau-riche overduidelijk niet. Het oude geld wel want dat heeft tradities, sociaal besef, eet met mes en vork en lepelt geen vaten rose naar binnen maar drinkt een glas goede rode wijn op zijn tijd.

Het stichtende karakter van het programma heeft inmiddels ook geleid tot heel serieuze beschouwingen in kranten. Een van de meest hilarische is wel een beschouwing in de Volkskrant donderdag 4 november waarin werd betoogd dat wij Jort Kelder, als onze nationale polderdandy, dankbaar mogen zijn omdat hij een grote bijdrage zou leveren aan de ‘heropvoeding van Nederland’.
Ofwel, de landerijen zullen wij met zijn allen nooit bezitten, de familienamen ook niet, maar beschaafd gedrag leeft de oude adel ons voor.

Ik vind dat uit zo’n geleerde analyse in de krant vooral een nogal wonderlijke nostalgie naar de 19e eeuw spreekt. De redenering die wordt gehanteerd is eenvoudig. Weliswaar is de rijkdom waar de ontwikkelde smaak op rust, niet binnen ons bereik maar dat neemt niet weg dat we wel degelijk de goede omgangsvormen kunnen kopiëren.
Laat ik het eens bout zeggen. Zoals in de 19e eeuw, zijn armoede en een gebrek aan kansen geen excuus voor slechte manieren.

Wat mij betreft maakt ‘hoe heurt het eigenlijk’ met haar stichtende boodschap en de analyse in de Volkskrant die er op voortbouwt, deel uit van een maatschappelijke en politieke ideologie waarmee ik moeite heb. Het is de ideologie van ‘de eigen verantwoordelijkheid’ die al jaren een grote populariteit geniet.
Het is ook de ideologie waarbij de omstandigheden waarin je leeft, de armoede waar je aan bent blootgesteld, het gebrek aan kansen om hoger op te komen, nooit een argument kunnen zijn voor het gedrag dat je vertoont.
Natuurlijk klopt dit wel op het niveau van het individu. Simpel, als je arm bent en je gaat jatten, dan kan je armoede misschien een verzachtende omstandigheid zijn maar je bent ook gewoon verantwoordelijk voor je criminele gedrag en verdient daar straf voor. Bovendien, voor opgroeiende jongeren in onze samenleving die zich schuldig maken aan crimineel gedrag, geldt ook dat ze weliswaar zelden voortkomen uit de hoogste economische klassen, maar ze wel degelijk kansen hebben. Ze hoeven niet te straatroven omdat er anders geen brood op de plank is. Ze kunnen naar school, er is werk (hoewel de jeugdwerkloosheid relatief hoog is) en ze kunnen een legaal bestaan opbouwen. Dat ze kiezen voor criminaliteit en het terroriseren van anderen, daarop mogen zij – 1 voor 1 – worden aangesproken, evenals de ouders die hen opvoeden.

Maar met het veroordelen van individueel wangedrag en het tot voorbeeld maken van de oude adel ben je er niet als je de staat van een samenleving wil begrijpen. Als je bijvoorbeeld de criminaliteit wil verminderen, de sociale problemen van werkloosheid, van lethargie of een armoedecultuur van mishandeling en uitbuiting wil begrijpen. Laat staan dat de voorbeeldige omgangsvormen van het oude geld en de elites, ook maar het begin van een oplossing vormen voor de vermindering van die problemen.

Ik wijd uit over ‘Hoe heurt het eigenlijk’ omdat ik de populariteit van de boodschap, blijkbaar ook onder sommige intellectuelen, zeker op dit moment, nogal wrang vindt. We leven in een economische periode waarin de tegenstellingen tussen arm en rijk, kansarm en kansrijk, mondiaal, in de Verenigde Staten, in Europa en in Nederland snel toenemen. We leven ook in een periode waarin het geloof in vooruitgang, het geloof dat onze kinderen het beter zullen hebben dan wij, zwaar onder druk staat.
Het was precies dat geloof dat het zondagse uitje van mijn moeder en mij tot vrolijk, oppervlakkig vertier maakte dat vrij was van elke vorm van rancune.
Er kon toen namelijk geen twijfel over zijn dat ik als dochter uit de middenklasse – als ik me een beetje gedroeg – meer kansen zou krijgen dan mijn moeder, dat ik een goede opleiding zou kunnen gaan volgen, dat ik werk zou vinden, een huis, dat ik verre reizen zou kunnen maken en verder alles zou kunnen doen wat ik wilde.

Dat tij is gekeerd.
In de eerste plaats voor de mensen met de laagste inkomens maar ook voor de middenklassen.

Europese middenklassen

In het prachtige boekje ‘Ill fares the land’, beschrijft de Britse historicus – en helaas vorig jaar overleden – Tony Judt, de geleidelijke teloorgang van de westerse verzorgingsstaten, en het verdwijnen en verminderen van kansen op sociale stijging van kinderen uit de lagere sociale klassen en de middenklassen.
Hij beschrijft hoe vooral in de Verenigde Staten en in het Verenigd Koninkrijk na bijna een eeuw van economische groei en welvaartsspreiding (ruwweg vanaf het einde van de 19e eeuw tot 1980), deze tot stilstand zijn gekomen. Er is zelfs sprake van een omgekeerde beweging.

Al in de tien jaar voorafgaand aan de kredietcrisis in 2007 daalde het gemiddelde inkomen van gewone Amerikanen en werd hun geloof in vooruitgang op de proef gesteld. Voor veel burgers gold dat hun huizen hun enige stabiele kapitaal waren. Uit een studie van de Amerikaanse journalist Don Peck blijkt dat aan het begin van 2011 die huizen bij 1 op de 4 middenklasse-gezinnen een nauwelijks nog te dragen schuldenlast is, terwijl 1 op de 7 gezinnen wordt bedreigd door uitzetting en faillissement.
55% van de gewone Amerikanen heeft sinds de crisis te maken gekregen met werkloosheid, vermindering van uren of een forse salarisdaling. Volgens Peck veranderen in de nasleep van de economische crisis de levens van mensen ingrijpend: de verbondenheid tussen generaties staat onder druk, werkloze mannen verliezen hun positie tegenover hun vrouwen en kinderen, jongeren missen toekomstperspectief en zijn somber en voelen zich in de steek gelaten. Ook Tony Judt deelt deze sombere analyse. Hij spreekt van pathologische sociale problemen die horen bij harde klassentegenstellingen: stijgende kindersterfte, verminderende levensverwachting, criminaliteit, een geharde en onverbeterlijke gevangenispopulatie, werkloosheid, obesitas, teenage-zwangerschappen etc. etc.

Judt is de eerste om – terecht – een onderscheid aan te brengen tussen de Verenigde Staten en Groot Brittannië enerzijds en de meer gelijkmatige noord-Europese samenlevingen zoals Nederland anderzijds. Hier zijn de inkomenstegenstellingen nog altijd veel kleiner en is de toegang tot bijvoorbeeld goed onderwijs en relatief goede gezondheidszorg veel beter gewaarborgd. Dat neemt niet weg dat ook in Nederland, net als in andere Europese landen sprake is van een neergaande lijn. De inkomenstegenstellingen groeien en door de bezuinigingen vermindert de toegang tot de publieke voorzieningen voor de lagere en middeninkomens. Denk bijvoorbeeld aan de bezuinigingen op de kinderopvang, de gezondheidszorg, de PGB’s, het onderwijs, de universiteiten en de cultuur.

Tony Judt heeft bovendien een andere boodschap. Hij beschrijft groeiende ongelijkheid niet alleen als onrechtvaardig in zichzelf, maar ook als gevaarlijk voor de sociale en democratische stabiliteit van de samenleving: de geleidelijke toename van sociale en culturele spanningen, de vlucht in extremisme en de snel afbrokkelende bereidheid van mensen om voor elkaar te zorgen, om solidair te zijn – rechtstreeks en via het gezamenlijke betalen van belastingen.
Al deze ontwikkelingen zien we ook in Nederland. De intolerantie jegens elkaar neemt toe, net als de rancune, burgers vluchten naar de politieke flanken en verliezen hun bereidheid – hun stemgedrag is daar een uiting van – om (bijvoorbeeld via belastingen) te investeren in de publieke sfeer, in cultuur, in versterking van het onderwijs, of bijvoorbeeld in ontwikkelingssamenwerking die het lot van de allerarmsten iets verbetert.
Kortom, de groeiende ongelijkheid leidt tot toenemende maatschappelijke tegenstellingen en afnemende solidariteit. Dit ondermijnt geleidelijk het vermogen van een samenleving en haar politici om door inkomensmaatregelen en investeringen in de publieke sector, alsnog het tij te keren.

Afrika

Goed tot hier mijn enigszins sombere analyse van de staat van onze ‘westerse’ samenleving. Nu wil ik met u een hele grote stap maken naar Afrika, als brandpunt van de derde wereld.
In 2009 publiceerde de van oorsprong Zambiaanse econome Dambisa Moyo het boek ‘Dead Aid: Why Aid is Not Working and How There is a Better Way For Africa’. Zij bekritiseert hard en grondig ontwikkelingssamenwerking als een manier om de armoede in Afrika in stand te houden en gewone gezonde economische groei af te remmen. Tegenover de, weinig zoden aan de dijk zettende donaties van Westerse landen, plaatst zij de investeringen die een weinig democratisch land als China in Afrika doet, als duurzamer en toekomstgerichter.
Het hoeft weinig verbazing te wekken dat het boek – zacht gezegd – op een onstuimige ontvangst kon rekenen, temeer daar het al snel een internationale bestseller werd die ook graag door politici geciteerd werd, zoals de president van China. Conservatieven en neoliberalen die Afrika al lang als een bodemloze put beschouwden, zagen in het boek – ook nog geschreven door een Afrikaanse – een mooie aanleiding om alle ontwikkelingshulp stop te zetten. De ontwikkelingsindustrie beschouwde het als een dolksteek in de rug en schreeuwde moord en brand – Bono van U2 voorop – dat Moyo een neo-conservatieve agent was en niet vertrouwd kon worden. De heftige polarisatie rond het boek is begrijpelijk maar ook jammer omdat Moyo’s analyse wel degelijk hout snijdt voor Afrika, net als voor Europa en de Verenigde Staten.

Haar stelling is dat de grote afhankelijkheid van hulpprogramma’s die de afgelopen halve eeuw in Afrika is ontstaan, heeft verhinderd dat er sprake was van gewone economische groei, van stijgende inkomens voor Afrikanen en van de opbouw van democratische rechtstaten. De hulp richtte zich vooral op het verlichten van de ergste armoede en nood, maar creëerde onbedoeld ook afhankelijkheid daarvan.
Bijvoorbeeld in een land als Kenia, waarmee het relatief goed gaat, gaat 70% van het nationaal budget op aan salarissen van politici en overheidsfunctionarissen. Een groot deel van de gewone overheidsinvesteringen in de samenleving komen uit ontwikkelingsbudgetten.

Tegelijkertijd beschrijft Moyo – en dat is een belangrijk punt – ontbraken werkelijke economische investeringen uit Europa en de Verenigde Staten in Afrikaanse landen, terwijl het westen tegelijkertijd zijn grenzen zo goed als gesloten hield en houdt voor grootschalige import uit Afrika. Niet alleen was er sprake van groeiende afhankelijkheid van ontwikkelingshulp, er was in veel Afrikaanse landen ook nauwelijks een alternatief voor in de vorm van economische activiteiten die inkomen opleveren.
Door hulpafhankelijkheid en de afwezigheid van economische bloei kennen veel Afrikanen, volgens Moyo, weinig mogelijkheden voor sociale stijging, de armoede is groot en wordt bepaald niet kleiner, de inkomensafstanden zijn immens. Tegenover een enorme populatie van armen staat een kleine groep van exorbitante rijken, die vaak corrupt is en in het bezit van de politieke macht. Veel andere smaken dan heel arm en heel rijk zijn er nauwelijks: middenklassen bestaan maar summier en vooral in de landen waarmee het naar verhouding redelijk of goed gaat.

Ik ben het maar ten dele met Moyo eens. Ik denk dat zij de ontwikkelingshulp veel te veel verantwoordelijkheid geeft voor de miserabele staat van veel Afrikaanse landen; andere – geografische, etnische, historische en politieke – redenen spelen een minstens even grote rol. Bovendien denk ik dat zij een veel beter onderscheid dient te maken tussen noodhulp, zoals nu in de Hoorn van Afrika en langer lopende ontwikkelingsprogramma’s.
Ik wil deze lezing ook niet gebruiken om de aard van ontwikkelingssamenwerking verder te bekritiseren. Niet alleen wordt die discussie al hevig gevoerd, je ziet ook bij veel hulporganisaties een grote verandering in de hulp die zij bieden. Veel meer dan in het verleden richt die zich op de opbouw van bedrijfjes en het versterken van de economische structuur van landen, en de werkgelegenheidskansen van mensen.

Ik haal Moyo aan vanwege een andere centrale boodschap van het boek: wat heeft Afrika nodig?
Moyo stelt dat Afrika werkelijke economische investeringen nodig heeft die leiden tot de opbouw van een sterke en politiek bewuste middenklasse.
Het is deze middenklasse die in staat zal zijn om belastingen te betalen, en die – als zij een perspectief hebben op sociale stijging en een betere toekomst voor hun kinderen – dat ook willen doen.
Moyo’s stelling is dat de corruptie en het vergaande politieke misbruik dat zoveel Afrikaanse landen kennen, ook wordt mogelijk gemaakt omdat burgers geen belang hebben bij de verandering ervan. Ze zijn arm, voor hun inkomsten afhankelijk van buitenlandse hulp en missen elk perspectief op werkelijke verbetering voor zichzelf, hun kinderen en de samenleving. De sociale problemen waarmee zij worstelen zijn zo groot, de cultuur van armoede zo diep geworteld, dat er nauwelijks ruimte is voor solidariteit met elkaar.
Moyo stelt dat – en dat beschouw ik als haar belangrijkste claim – dat alleen de opbouw van middenklassen, zal leiden tot de politieke en democratische verandering die zo veel Afrikaanse landen heel erg hard nodig hebben. Als Afrikaanse burgers een beter inkomen krijgen, belasting gaan betalen, dan zullen zij ook hardere eisen gaan stellen aan de politici die hun geld besteden. Het is dan namelijk hun geld – en geen ontwikkelingsgeld – dat verdwijnt in corrupte zakken. Het is hun geld dat bestemd is voor het onderwijs van hun kinderen, voor gezondheidszorg en voor het bijstaan van armen.

Hier raakt de analyse van Moyo, zij het over een heel ander en oneindig veel kwetsbaarder continent, aan de redenering van Judt. Ook Judt betoogt dat duurzame welvaart en maatschappelijke stabiliteit voor een belangrijk deel op de middenklassen rusten en op een geringe afstand tussen de hoge en lage inkomens: bij een gelijkmatige spreiding van welvaart, gebonden aan een werkelijk perspectief op sociale stijging, zijn de sociale problemen beheersbaar en zijn mensen bereid en in staat tot werkelijke solidariteit.
Hoe ver Afrika hier misschien nog van verwijderd is, en hoe onbegaanbaar misschien ook de route lijkt, Moyo pleit voor een volwassen en eerlijke omgang met Afrikaanse landen. Zij pleit voor werkelijke economische investeringen, zoals – inderdaad – China dat nu doet, en die in de eerste plaats gewone ‘hardwerkende’ Afrikanen ondersteunen. Terzijde, we hoeven geen rooskleurig beeld te hebben van de motieven van Chinezen om te investeren, maar dat maakt het ook niet per se slecht. Bijvoorbeeld in Liberia, waar ik dit voorjaar was, zijn Chinezen in grote getale aanwezig vanwege de rijkdom aan grondstoffen van het land. Maar je ziet ook overal Chinese winkels en kleine restaurants. Aan de rand van de hoofdstad Monrovia wordt een grote universiteit gebouwd met Chinees geld. Dat maakt – hoe dan ook – een daadkrachtiger indruk dan de Unicef-posters die je verderop in de jungle ziet: ‘also boys like to do the dishes’.

Net als Judt pleit Moyo vooral voor de opbouw van meer egalitaire samenlevingen waarin de rijkdom eerlijker wordt gedistribueerd, de inkomensafstanden kleiner zijn en waar via de belastingen en via politieke inmenging mensen betrokken zijn bij het welzijn van elkaar en van hun land.

Ik denk dat velen van u, die hier vandaag aanwezig zijn, een wat grotere dan gemiddelde belangstelling hebben voor ontwikkelingssamenwerking en worstelen met de vraag hoe wij de derde wereld kunnen helpen. Zoals Peerke Donders, de naamgever van deze lezing, dat meer dan een eeuw geleden deed in Suriname.

Hoe kunnen wij Afrika helpen?

Met het beantwoorden van deze vraag wil ik deze lezing afronden.
In de eerste plaats door ons zelf te helpen. Hoe moeilijk ook de economische periode die wij doormaken, hoe hoog de nood aan bezuinigingen ook is, juist nu moeten wij er naar streven om de inkomensafstanden in onze samenleving niet verder te laten vergroten, en onze publieke sfeer niet te laten verloederen. Alleen als onze samenleving in de toekomst een rechtvaardige is, die gelijke kansen op onderwijs, werk en welzijn kent voor mensen uit alle inkomensklassen, zal er de bereidheid zijn en blijven om over onze schutting heen te kijken en een open oog te hebben voor de noden in Afrika.

In de tweede plaats, door tegelijkertijd onze omgang met Afrika te veranderen. Anders dan Moyo denk ik dat hulp – en zeker noodhulp – voorlopig noodzakelijk zal blijven. Maar wij moeten ons meer en meer concentreren op het investeren in duurzame economische groei in Afrika. Via microkredieten, via venture capitalists die kleine bedrijfjes (taxi-, telecombedrijfjes) helpen starten, via publieke organisaties die mensen trainen in politieke en democratische weerbaarheid, zoals nu door een aantal NL’se organisaties in de landen van de Arabische lente wordt gedaan. We zullen ook eerlijke handel moeten gaan toestaan. De benadeling van Afrika die het gevolg is van protectionisme en tarfiefmuren, is absurd – zeker in het licht van de grote armoede die daar is en de hulp die er vanuit Europa naar toe wordt gezonden.

Als ik terugdenk aan de zondagse ritjes met mijn moeder, moet ik altijd een beetje grinniken, Vanwege het schaamteloze naar binnen loeren natuurlijk, maar ook vanwege de volledige afwezigheid van jaloezie en rancune bij andermans uitgestalde rijkdom. In ons leven zat namelijk ruimte en perspectief genoeg om niet afgunstig te zijn.

Ik hoop dat mijn dochter ooit, met haar dochter (wie weet?) zo’n zondags ritje maakt, vrolijk en enkel licht gegeneerd, wetende dat ook zij alle ruimte hebben om zich te ontwikkelen en ontplooien.
Sterker, ik hoop dat over enige tijd een vrouw in Monrovia met haar dochter een ritje naar de buitenwijken maakt. En zich dan vermaakt. Sans rancune, omdat zij het zelf ook goed hebben.

Deze lezing werd uitgesproken op 6 november in Tilburg, ter gelegenheid van de Peerke Donderslezing op 4 november 2011

maandag, 7 november 2011

Ewoud Butter

Ewoud Butter

Hyves Linkedin Last.fm Twitter Flickr

Is specifiek beleid voor Marokkaanse en Antilliaanse jongeren succesvol?

In nieuws uit allochtonië, politiek, roept u maar, antilliaanse jongeren, criminaliteit, grote steden, marokkaanse jongeren, onderzoek, overlast, en meer.

In maart van dit jaar suggereerde het actualiteitenprogramma Eénvandaag in twee enigszins schreeuwerige uitzendingen dat het Marokkanenbeleid in 22 Nederlandse gemeenten mislukt zou zijn.
Die conclusie leek voorbarig. De uitzendingen maakten weliswaar duidelijk dat er veel subsidie ging naar de gemeenten zonder dat er duidelijke prestatieafspraken waren gemaakt, maar harde cijfers die aantoonden dat het beleid mislukt is, waren er niet. Harde cijfers dat het beleid gelukt zou zijn, waren er trouwens ook niet.

Inmiddels zijn er wel cijfers. Niet alleen over ‘Marokkanengemeenten’, maar ook over ‘Antillianengemeenten’. Minister Donner heeft eind oktober de rapportages Marokkaanse Nederlanders 2011 en Antilliaanse Nederlanders 2011 naar de Kamer gestuurd. Hierin worden de resultaten in gemeenten waar specifiek beleid voor Marokkaanse en Antilliaanse jongeren wordt gevoerd, vergeleken met cijfers van een jaar geleden toen voor het eerst een meting werd verricht.


Hieruit blijkt dat het nog niet gelukt is het aantal schoolverlaters en werklozen onder jongeren van Marokkaanse en Antilliaanse afkomst te verminderen. Het aantal voortijdig schoolverlaters in deze groep is zelfs licht gestegen, evenals het aantal werklozen. Op het meest gevoelige terrein, de bestrijding van criminaliteit en overlast, is volgens de gemeenten echter wel sprake van enige verbetering.

Het ministerie benadrukt in een begeleidende brief dat het niet reeel is na een jaar beleid al veel concrete verbetering te verwachten. Zichtbare vooruitgang op basis van de cijfers was in deze rapportages over het eerste jaar nog niet te verwachten, schrijft het ministerie in een toelichting. “Veel maatregelen zijn in 2010 ingevoerd en kunnen nog nauwelijks in de resultaten tot uitdrukking komen.”

Rapport ‘hoe specifiek is regulier beleid (en andersom)?

Over het algemeen hebben gemeenten meer geinvesteerd in tegengaan van ‘overlast’ en ‘criminaliteit’ dan in ‘school’ en ‘werk’. Dat concludeert het gemeentelijk samenwerkingsverband Marokkaans-Nederlandse risicojongeren na een inventarisatie van de inspanningen en resultaten in de betrokken gemeenten. De resultaten van deze inventarisatie zijn gepresenteerd in het rapport ‘hoe specifiek is regulier beleid (en andersom)?’. Dit rapport is ook door Donner naar de Kamer gestuurd.

Bij de thema’s ‘voortijdig schoolverlaten’ en ‘werk’ wordt volgens dit rapport niet veel aandacht besteed aan een specifieke aanpak voor de Marokkaans-Nederlandse doelgroep. Gemeenten verwijzen op die thema’s vaak naar de reguliere activiteiten van bijvoorbeeld sociale diensten of jongerenloketten.

Op grond van de inventarisatie in de betrokken gemeenten, concludeert het rapport;

  •  “Gemeenten beseffen dat het voor een effectieve aanpak nodig is te beginnen met het doorbreken van de anonimiteit van de risicojongeren. Daarom zetten zij, liefst permanent maar in ieder geval tijdens de kritieke uren van de week, functionarissen in die zich ophouden waar ook de jongeren zich bevinden. Het zijn de ‘extra ogen en oren’ op straat.
  • Door de inzet in de wijk en dichtbij de jongeren, signaleren gemeenten sneller waar het met een jongere of groepen jongeren fout kan gaan en kunnen zij eerder en doeltreffender optreden.
  • Voor het benaderen van (jongeren binnen) groepen, ontwikkelen zij een specifieke ‘groepsaanpak’.
  • Voorwaarde voor een doeltreffende aanpak is dat, naast alerte signaleerders in de wijk, voldoende en professionele achtervang van alle relevante partners in de aanpak beschikbaar is. Dat lijkt het geval.
  • Meestal zijn deze partners georganiseerd in een casusoverleg. De jongeren die door de straatcoaches of andere professionals in de wijk zijn gesignaleerd, worden daar ingebracht ter bespreking.“

Prestatie- en resultaatafspraken

Kritiek is er ook: “Gemeenten formuleren de doelen voor de aanpak van Marokkaans-Nederlandse risicojongeren vaak in abstracte termen (bevorderen, versterken, tegengaan, verhogen, etc.). In enkele gevallen worden ambities in concrete percentages genoemd. Gemeenten maken prestatieafspraken met uitvoeringsorganisaties voor wat betreft verwachte inspanningen, maar slechts incidenteel geven gemeenten aan ook te verlangen dat de interventies een bepaald (maatschappelijk of individueel) en meetbaar effect moeten behalen.”

Vergelijkbare kritiek kwam ook al naar voren in de eerdergenoemde uitzendingen van EénVandaag. Het ontbreken van prestatieafspraken en (afspraken over) meetbare resultaten gaat overigens niet alleen bij deze problematiek op. Uit een in september gepresenteerd onderzoek blijkt dat tweederde van de gemeenten moeite heeft met het maken van concrete en meetbare afspraken met gesubsidieerde instellingen en vaak worden deze afspraken überhaupt niet gemaakt.

Onderzoek

Alle gemeenten hanteren wel vormen van onderzoek voorafgaande aan, tijdens of na uitvoering van interventies en/ of trajecten. Ook geven sommige gemeenten volgens het rapport veel aandacht aan de evaluatie of monitoring van interventies die zich specifiek op de doelgroep richten. Hierop baseren zij vervolgens ook hun nieuwe beleid. Kleinere gemeenten kiezen eerder voor erkende (evidence-based) interventies waardoor ze niet zelf hun interventies met werkzame bestanddelen hoeven te ontwerpen en testen.

Specifiek of regulier beleid

Volgens het rapport ‘Hoe specifiek is regulier beleid (en andersom)?’ heeft het ‘Marokkanenbeleid’ in de uitvoering meestal niet geleid tot specifiek beleid, maar tot het introduceren van specifieke aandacht voor de doelgroep binnen het reguliere beleid. ”Veel meer dan van ‘specifiek beleid’ kan daarom gesproken worden van het versterkenvan ‘cultuursensitiviteit’ binnen het reguliere beleid.”

Conclusie

In het rapport wordt geconcludeerd dat het beleid in de 22 gemeenten “ veel positieve inzet heeft opgeleverd”. De ‘cultuursensiviteit’ die de gemeenten vanuit de ‘Marokkanen-aanpak’ in hun beleid hebben geintroduceerd, zal ook andere niet-Westerse groepen ten goede komen en uiteindelijk de effectiviteit van het totale beleid.

Of het beleid op korte termijn tot resultaten zal leiden is volgens het rapport moeilijk te zeggen. “Het gaat om jongeren (en omgeving) met complexe problemen. Bovendien is het realiseren van een trendbreuk niet alleen afhankelijk van op de doelgroep gerichte interventies maar ook van de invloeden van andere zaken als algemene, maatschappelijke ontwikkelingen die los van deze doelgroep staan maar deze soms wel extra hard raken. Gemeenten hebben daar weinig invloed op, evenals op de inzet van de concrete, individuele professional wiens persoon in belangrijke mate bepalend is voor het al dan niet vinden van de juiste aansluiting bij de jongeren en gezinnen. Dit laat onverlet dat het aannemelijk is dat de gezamenlijke inspanningen positieve effecten zullen hebben.”

Alle 22 gemeenten willen die kennis en ervaring, op enigerlei wijze, implementeren in hun reguliere aanpak. De verwachting is echter dat vanwege de grote bezuinigingen bij het Rijk en de gemeenten, de toekomstige middelen niet zullen volstaan om alle nieuwe ontwikkelingen in het reguliere beleid te kunnen opnemen. Daarover maken sommige gemeenten zich volgens het rapport zorgen. De angst bestaat dat waardevol gebleken, maar te kostbare interventies zullen verdwijnen.

De betrokken gemeenten ontvangen tot eind 2012 geld voor de extra aanpak. Daarna stopt de subsidie. Donner schrijft dat de betrokken gemeenten resultaten zien van het geïntensiveerde beleid en dat zij daarom bereid zijn te blijven investeren in de ontwikkelde aanpak.

Vanaf 2012 wordt het beleid voor speciale doelgroepen afgeschaft, zoals vastgelegd in de Integratiebrief. De aanpak en de daarop gebaseerde maatregelen moeten daarom vanaf 2012 voor iedereen gaan gelden. “Afkomst speelt daarbij geen rol” schrijft Donner.

Wanneer het specifieke beleid verdwijnt en er ook geen resultaatafspraken worden gemaakt, zal het waarschijnlijk gissen blijven of het specifieke projecten voor Marokkaanse en Antilliaanse jongeren succesvol zijn geweest of niet. Discussies over het onderwerp zullen gevoerd blijven worden op grond van ‘beelden’ en minder op grond van ‘feiten’.

Ewoud Butter is freelance onderzoeker en schrijver en hoofdredacteur van Republiek Allochtonië

Lees of bekijk ook::

Links naar de rapporten (alle links verwijzen naar de website van het ministerie van Binnenlandse Zaken); 

Gemeenten met Antiiliaanse en Marokkaanse Nederlanders

Gemeenten met Marokkaanse Nederlanders

Gemeenten met Antilliaanse Nederlanders


woensdag, 26 oktober 2011

Simon Otjes

Simon Otjes

Last.fm Twitter

Breng de camera de rechtbank in!

In democratie, kenniskloof, veiligheid, beslissingen, burger, burgers, de telegraaf, delen, frans, en meer.

Veel Nederlanders vinden dat er zwaarder gestraft moet worden. Ze krijgen van de koppen van De Telegraaf mee wat er zoal in Nederlandse rechtbanken gebeurt. Ze blijven over met het gevoel dat “D66-rechters” met hun softe opstelling de veiligheid van hen en hun kinderen in gevaar brengen door de ene na de andere kinderlokker, moordenaar of loverboy met een taakstraf naar huis toe te sturen.

Als mensen meelopen met een rechtzaak en dezelfde informatie krijgen als een rechter dan geven ze gemiddeld een lagere straf dan de rechters zelf. De roep om zwaardere straffen is in de magistratuur goed aangekomen. Rechters en aanklagers nemen steeds vaker de maatschappelijke impact van een misdrijf mee in de straf of de eis. En toch heeft de Nederlandse burger nog steeds het gevoel dat er te licht gestraft wordt.

Er is binnen de Nederlandse rechtsstaat een epistemische kloof, een kenniskloof. Een belangrijke voorspeller van of mensen zwaardere straffen of een hardere aanpak van criminaliteit voorstaan, is hun opleidingsniveau: lager-opgeleiden zijn vaker voorstander van de doodstraf en hebben minder vertrouwen in rechters dan hoger-opgeleiden. Het onderscheid tussen hoger- en lager-opgeleiden is in plain sight:* lager-opgeleiden begrijpen, vanwege hun kortere opleiding en een gebrek aan sociaal kapitaal minder van complexe maatschappelijke fenomenen als politiek of rechtsspraak. Ze weten gewoon niet wat er in de rechtzaal gebeurt. Ze hebben geen idee hoe een straf tot standkomt: immers als Henk en Ingrid een rechtzaak volgen, in een soort burgerjury, dan straffen ze gemiddeld lager dan rechters dat doen. Maar in de ge-emancipeerde samenleving mag de mondige burger wel een mening hebben over wat er in de rechtzaal gebeurd, zelfs als die zwak onderbouwd is, en heeft hij het volle recht om op partijen te stemmen die oproepen rechters te dwingen nog zwaarder te straffen.

De vraag is hoe we deze kenniskloof kunnen overbruggen. Jury-rechtsspraak zou kunnen helpen: burgers worden dat gedwongen opgenomen in de rechtsgang en moeten zelf oordelen over een zaak. Dit lijkt me te rigoreus: je offert de expertise en de neutraliteit van de rechter en daarmee het principe van een fair trial op voor  volksopvoeding. Ik geloof niet dat burgers betere rechters zijn dan rechters zelf, sterker nog: we willen juist het gebrek aan oordeelkundigheid van de burger aanpakken.

Onderwijs is ook een oplossing. Naast media-training, Frans, Duits, wiskunde en verzorging moeten middelbare scholieren ook een inleiding in het recht krijgen. Het fascinerende probleem is natuurlijk dat het onderscheid tussen hoger- en lager-opgeleiden is dat de tweede groep veel minder gevoelig is voor klassikaal onderwijs. Daarom zijn deze mensen lager-opgeleid. Je zou daarom misschien als onderdeel van de middelbare school iedere leerling naar een rechtbank kunnen sturen zodat ze een beeld kunnen krijgen van de rechtsgang dan uit stoffige boekjes. Dat lijkt me een goede investering (alhoewel niet helemaal Dijsselbloem-proof), maar de vraag is of een eenmalig bezoek van een snel-afgeleide puber deze kloof kan overbruggen.

Een interessante oplossing las ik vanochtend in De Volkskrant. Naar aanleiding van de integraal op televisie uitgezonden zaak-Wilders (“rechtzaak van de eeuw”) stelde een commissie voor om de televisiecamera een grotere rol te laten spelen in iedere rechtszaal. Echter, zo waarschuwde de commissie: Court TV was voor hen een stap te ver. Het was niet de bedoeling om nog meer sensatiebeluste journalisten in de rechtszaal toe te laten en 24/7 uit te zenden vanuit de rechtszaal. Maar wat is daar mis mee? Je zou je kunnen voorstellen dat rechters juist door de publieke aspecten van rechtsgang  met een zo groot mogelijk publiek te delen begrip voor hun beslissingen kunnen kweken. Je zou dat kunnen koppelen de mogelijkheid (om virtueel) mee te lopen met een zaak of een afgesloten zaak stap voor stap te volgen. Ik denk dat Court TV, een soort Rechtbank 24, naar analogie van Politiek 24, een interessante manier is om de kenniskloof over de rechtbank (deels) te overbruggen.

De huidige ontwikkeling in de rechtsstaat zit vol van tegenstellingen: rechters en aanklagers worden steeds gevoeliger voor argumenten uit de maatschappij, maar door de camera uit de rechtzaal te weren maken zij de maatschappij niet gevoelig voor hun argumenten.

* Vaak wordt de groeiende kloof tussen hoger – en lageropgeleid ten onrechte gekoppeld aan een verschil in belangen tussen de lager-opgeleide onderklasse, die de internationale concurrentie voelen en de hoger-opgeleide bovenklasse, die een zeker perspectief heeft op werk. Als iemand een tijdje mee loopt op de universiteit (de werkplek van hoger-opgeleiden bij uitstek) zal hij zien dat er geen andere werkplek is met zo’n hoge internationalisering en baanonzekerheid als deze.

zondag, 2 oktober 2011

Willie Oldengarm

Willie Oldengarm

Hyves Linkedin Twitter GR

Meedraaien nachtdienst politie Meppel nuttige ervaring

Logo Politie Meedraaien nachtdienst politie Meppel nuttige ervaringEen paar maand geleden hebben we binnen de raad een discussie gevoerd over het invoeren van camerabewaking in de binnenstad van Meppel. GroenLinks diende toen een motie in die raadsleden opriep een keer mee te draaien met de nachtdienst van de Politie in Meppel. De motie is toen weliswaar niet aangenomen, maar de burgemeester heeft voor Jan Wessels (Sterk Meppel) en mij geregeld dat we zaterdag mee konden draaien.

Tegen 24.00 uur werden Jan en ik  opgehaald door de politiechef Lineke Bennema. Zij nam ons eerst mee naar het bureau waar wij een verklaring van geheimhouding ondertekenden. Dit zijn we natuurlijk wel gewend. Als raadslid ga je ook niet alles wat je vanuit je functie hoort naar buiten brengen.

Ik vond het een hele enerverende gebeurtenis. Direct bij aankomst bleken er een tweetal personen opgepakt te zijn voor lichamelijke mishandeling. Aan ons werd de procedure van voorgeleiding uitgelegd. De politiechef fungeert als hulp voor de officier van justitie.

We liepen tegen 01.00 uur met de politiechef de ronde mee door de stad. De andere agenten waren ook of lopend, dan wel per auto of op de bike in de stad aanwezig. Wij gingen langs de punten waar mogelijk overlast kon voorkomen. Er vond op een bepaald moment handgemeen plaats tussen een burger en de politie met als gevolg een tweede arrestatie. Het viel mij op dat de busjes ter ondersteuning van die politieagenten snel ter plekke waren. Vervolgens een briefing. Daarna gingen de politieagenten weer de stad in op het tijdstip dat andere cafés dichtgingen en er een stroom op gang kwam van bezoekers die dan naar de Lord gingen. Ook waren een drietal mensen op het bureau zeker 1,5 uur bezig allerlei processen verbaal en rapportages op te stellen die met de arrestaties te maken hadden. De politie is dus nog steeds veel tijd zoet met allerlei administratieve handelingen.

Tussendoor was er voor ons heel veel gelegenheid om vragen te stellen. Alle politieagenten waren heel open tegen ons en bereid het een en ander uit te leggen. Het meest interessante vond ik de bikers (twee personen) die met een mobiele camera op pad gingen. Men kan dan ter plaatse het gebeuren vastleggen wat later als bewijsmateriaal voor de rechter kan worden gebruikt. Dat is – zo vertelden zij ons – handiger dan vaste camerabewaking omdat de criminele kern slim genoeg is buiten die camera’s te blijven.

Het politiecorps van Meppel kent veel politieagenten die bekend zijn met de Meppeler situatie en de pappenheimers onderhand wel kennen. En tja. Waar hebben we het dan over in Meppel? Volgens de politiechef is er een vaste kern van 20 jongeren die als crimineel aangemerkt kan worden.  En wat is dat in relatie tot die paar duizend jongeren die in een nacht Meppel aandoen? De criminaliteit valt dus eigenlijk wel mee.

Dat wil niet zeggen dat we niet naar de oorzaken moeten kijken van de problemen die zich voordoen. En dan ook een belangrijke vraag meenemen: wie is hier verantwoordelijk voor? Ik heb zelf de indruk dat de Politie wel heel veel verantwoordelijkheid in de schoenen krijgt geschoven.

Wanneer we de balans opmaken, zien we dat die nacht twee keer arrestaties plaats hebben gevonden en een enkel proces-verbaal is uitgeschreven. Meest voorkomende oorzaak: overmatig alcohol wel of niet in combinatie met drugs. En dat probleem los je echt niet met camerabewaking op!

Wat dat betreft kies ik er liever voor nog eens goed met elkaar in gesprek te gaan over de oorzaken van de problemen. Zo signaleert de politie bijvoorbeeld dat jongeren onder de 16 jaar in toenemende mate veel alcohol  gebruiken. Natuurlijk kun je daar jongeren zelf op aanspreken, maar de ouders moeten we ook niet vergeten. En hoe scherp wordt er binnen de horeca gecontroleerd op leeftijd?

Verder wordt de politie geconfronteerd  met personen die psychische problemen hebben. Er is dan niet direct hulp voorhanden. De politie is wel 24 uur in touw, maar er zijn nog genoeg hulpdiensten die kantoordiensten hebben. In het gunstigste geval moet men dan 5 uur wachten voordat er ‘s nachts hulp komt. Dat kan toch eigenlijk niet?

En dan komen we toch weer terug op het integraal jeugdbeleid dat ervoor moet zorgen dat geen jongere buiten de boot valt. De praktijk is weerbarstig. Het Centrum Jeugd en Gezin blijkt bij de politie nog niet genoeg te landen.  De politie is wel erg blij met de buurtnetwerken waar men de geconstateerde problemen in kan brengen. Ik hoop dan ook van ganser harte met de politie samen dat de buurtnetwerken blijven voorbestaan.

En hoe nu verder? Ik hoop dat andere raadsleden zich nu ook aanmelden om eens mee te draaien. De politie beschikt over veel expertise. Laten we die kennis ook gebruiken in de discussies die nog gaan komen over camerabewaking.

Ik wil politiechef Lineke Bennema en haar team van politieagenten van harte bedanken voor de hartelijke ontvangst op het bureau en de vele aandacht die ze aan ons hebben besteed. Ik heb veel respect gekregen voor het geduld waarmee de politieagenten de burgers tegemoet  treden.

 

 

woensdag, 14 september 2011

Patrick Rijke

Patrick Rijke

Linkedin Twitter GR

Het volk bestaat wel

In landelijke politiek, democratie, directe demokratie, mediacratie, politiek, populisme, pvv, referendum, banen, en meer.

‘Het volk bestaat niet’ – onder die titel geeft Dick Pels zijn analyse van het fenomeen populisme en zet hij zijn oplossing voor het probleem uiteen: vernieuwing van de demokratie. Hoewel ik zijn analyse van de kwaal wel overtuigend vind, kan ik hem wat zijn optimistische recept betreft alleen maar helpen hopen. In de klassieke oudheid hebben denkers ervoor gewaarschuwd dat demokratie de neiging heeft uit te lopen op een dictatuur. Ik ben bang dat we tegenwoordig de eerste symptomen meemaken van een nieuwe roep om een ‘sterke man’.

Nationalisme als uitlaatklep van frustratie
Maar eerst maar eens de analyse van Pels. Die bevat vele rake observaties en denklijnen. Zo wijst hij terecht op de kloof tussen winnaars en verliezers in ‘een samenleving waarin ieder voor zich moet concurreren, presteren en slagen.’ De verliezers zitten met een enorme frustratie en een laag zelfrespect. Nationalisme is een ‘eenvoudige manier om dit gevoel van vernedering om te zetten in trots’, omdat het immers niet afhankelijk is van iemands eigen prestaties. We hebben dus te maken met een ‘bijproduct van de diploma-demokratie’ (term van Mark Bovens). Een blijvertje, als dat waar is, en geen verschijnsel dat vanzelf wel overwaait.

Het volk bestaat niet
Een andere vaststelling waar Pels groot gelijk mee heeft is dat de zogenoemde volkswil door de ‘handige marketinginspanning’ van de populisten wordt gecreëerd en vormgegeven. Door het onbehagen – dat er wel degelijk is, overigens – te benoemen en uit te vergroten en te exploiteren voor zijn eigen politieke doeleinden, produceert de populist uit bepaalde geluiden en opvattingen een wil van ‘het volk’. ‘Het volk van de populisten bestaat dus niet zonder de populisten zelf.’ In die zin klopt de titel van Pels’ boek volkomen. Het volk bestaat alleen omdat een zelfbenoemde woordvoerder zegt dat het er is.

Wisselwerkingdemokratie
Ik zal hier niet het hele boek parafraseren, al is de verleiding groot. (Hieronder geef ik een paar hyperlinks naar recensies voor wie meer wil weten alvorens het boek zelf te gaan lezen. Maar dat moet je gewoon doen eigenlijk. Laat je niet afschrikken door Vullings lelijke woorden aan het begin van zijn recensie. Je wordt er vast wijzer van. Of het zet je althans aan het denken.)
De kern van Pels’ betoog begint bij een sublieme observatie van Machiavelli: je moet een vorst zijn om de aard van het volk helemaal te begrijpen en je moet een gewoon burger zijn om de natuur van vorsten volledig te snappen. Of, abstracter gezegd: alle politiek is standpuntgebonden. Daarom is er wisselwerking nodig in de politiek en daarom is er ook een wisselwerkingdemokratie nodig. Het volk heeft een politieke elite nodig om de boel te leiden. En die politieke elite heeft de correctie van het populisme nodig om binding te houden met het volk en om te voorkomen dat ‘zij verandert in een regentesk establishment’. Kort door de bocht samengevat is dit het argument waarmee Pels zijn oplossing onderbouwt: meer directe invloed van ‘het volk’ als correctie op de politieke elite die anders te veel zijn eigen gang gaat.
(Tussen twee haakjes: het volk bestaat dus – ook in het denken van Pels, al noemt hij het niet zo – wel als ‘gewone burgers die niet tot de politieke elite behoren’.)

Media en personen
ik hoef er waarschijnlijk niet zo veel woorden als Pels gebruikt aan te wijden, om duidelijk te maken dat een voldoende wisselwerking in de demokratie des te noodzakelijker is in het mediatijdperk en – daarmee samenhangend – een personendemokratie. Net als populisten een volk creëren dat er in werkelijkheid niet in die vorm is (niet iedereen vindt precies hetzelfde als de denkbeeldige Henk & Ingrid), zo scheppen de media een schijnrealiteit, terwijl ze suggereren ‘alleen maar’ te registreren (maar zonder de vraag van de journalist zou de politicus – denk aan Pim Fortuin – zijn uitspraak nooit hebben gedaan).

Utopie
Pels is dus in feite optimistisch over de rol van het populisme in de samenleving. Hij ziet kans ‘de rauwheid van de tegenstem’ te benutten ten gunste van een beter functionerende demokratie. Aldus schildert hij een ‘voldragen wisselwerkingdemokratie’ waarin een zelfbewuste elite met een vrijzinnige houding die zichzelf durft te relativeren, populisten tegenover zich vindt die een ‘anarchistisch en anti-establishment sentiment’ uitdragen en waarin een anti-elitair ‘nee’ in een referendum een legitieme plaats heeft in het politieke bestel.

Het is te mooi om waar te zijn. Hier bedenkt de socioloog een utopie. Ik wou dat het waar was.

Misschien ben ik te pessimistisch, maar ik moet steeds denken aan de theorie van de cyclus van regeringsvormen die in de klassieke oudheid is geconstrueerd en waarin de demokratie uiteindelijk uitmondt in een dictatuur. De geschiedschrijver Polybius (tweede eeuw voor onze jaartelling) muntte er de term anakyklosis voor, lastig te vertalen, maar het is iets als een ‘regressieve kringloop’, een ‘negatieve spiraal’ of (te) simpel gezegd ‘terug naar af’. In het kort komt het idee hierop neer dat elke ideaaltypische staatsvorm, de monarchie, de aristokratie en de demokratie, uiteindelijk altijd zal ontaarden in een negatieve variant ervan. De alleenheerser wordt op den duur tyranniek, de elite regentesk en de brave burgers ontaarden in een verwende massa die als ze haar zin niet krijgt agressief wordt. Het eind van het liedje is dat er een leider opstaat die het volk in goede banen leidt en zich allengs ontpopt tot een alleenheerser, terug bij af.
We vinden dit idee in rudimentaire vorm ook bij Herodotos (vijfde eeuw voor onze jaartelling) waar een discussie over de beste regeringsvorm wordt afgerond met de conclusie dat de monarchie de andere vormen overtreft. Een argument daarvoor is dat in een demokratie om de criminaliteit die nu eenmaal ontstaat te bestrijden, uiteindelijk ook een sterke man als enige oplossing wordt gezien.

Natuurwet?
Het is niet moeilijk om de parallellen te zien met de ontwikkelingen die leidden tot de komst van een Napoleon, een Hitler of recenter een Berlusconi en bij ons Geert Wilders. Maar zijn zulke ontwikkelingen onontkoombaar? Polybius spreekt van een ‘normale kringloop van constitutionele omwentelingen en de wijze waarop regeringsvormen nu eenmaal van nature veranderen en terugkeren tot hun oorspronkelijke stadium’.
Aristoteles (vierde eeuw voor onze jaartelling) daarentegen heeft meer oog voor specifieke omstandigheden van de ene of de andere staat. Het is in zijn ogen geen automatisme dat het ene regime ontaardt in het andere. Dat laat ruimte voor oplossingen zoals Dick Pels die bepleit.

Hoop
En zowel Polybius als in zijn kielzog Cicero (eerste eeuw voor onze jaartelling) ziet heil in een ‘gemengde constitutie’ waarin monarchale, aristokratische en demokratische elementen elkaar in balans houden. Hun bewijs is de Romeinse republiek. Onze parlementaire demokratie heeft daar veel van weg: een Koning, een elite in het parlement en verkiezingen waarin het volk zijn voorkeur uitspreekt. Dat aan deze constitutie het een en ander te verbeteren valt is duidelijk. Of de suggesties die Pels aandraagt het afglijden naar de dictatuur van de grote bek kunnen voorkomen, valt te bezien.

Deze zomer hebben Koen van Bremen, Albert jan Kruiter, Eelke Blokker en Harry Kruiter de website http://publiekewaarden.nl gelanceerd. Kruiter schreef al in 2009: ‘De crisis is niet economisch maar democratisch van aard.’ Ik kijk uit naar de resultaten die hun aanpak van het actie-onderzoek opbrengt. Dat levert vast stof op voor een volgende column.

 

Bronnen:

Dick Pels, Het volk bestaat niet. De Bezige Bij, ISBN 9789023453918. http://www.debezigebij.nl/web/Boek-5/9789023453918_Het-volk-bestaat-niet.htm

Recensies van Het volk bestaat niet:
• Vrij Nederland (Jeroen Vullings): http://www.vn.nl/boeken/non-fictie/het-volk-bestaat-niet-leiderschap-en-populisme-in-de-mediademocratie-dick-pels/
• de Volkskrant (Hans Wansink): http://www.volkskrant.nl/wca_item/boeken_detail/453/178086/Het-volk-bestaat-niet.html
• GroenLinks Magazine, mei 2011, pagina 20 (Simon Otjes): http://magazine.groenlinks.nl/node/67471.
Ook bereikbaar via het artikel ‘Vloeken in de linkse kerk: populisme nodig’: http://magazine.groenlinks.nl/personendemocratie

De cyclus der staatsvormen
ik ben grote dank verschuldigd aan mijn voormalige collega-docent klassieken Ludwich Verberne die mij geweldig heeft geholpen door de bronnen van het denken over staatsvormen in de oudheid op een rijtje te zetten, waar ik het anders had moeten doen met wat van mijn lectuur in de lang geleden tijd in mijn gebrekkige geheugen was blijven hangen. Van het gedegen overzicht dat hij mij stuurde noem ik voor de geïnteresseerde leek hier alleen:

• Herodotus, Historiën 3.80-83
• Aristoteles, Politiek, 3.6-8 en 5.8-9
• Polybius, Wereldgeschiedenis 6.3-6.9
• Cicero, De staat 1.14-70

Polybius’ tekst is in Engelse vertaling op internet te vinden via de klassieke bronnenverzameling Perseus. Er is een Nederlandse vertaling met de titel Wereldgeschiedenis 264-145 v.Chr., van de hand van Wolther Kassies, Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep 2007

Voor meer informatie over de genoemde schrijvers en vertalingen van hun werk, zie Oudheid.nl onder Literatuur.


zaterdag, 13 augustus 2011

Alicia Hobbel

Alicia Hobbel

Hyves Twitter

Woede op Zuid? Hier heb je het!

In kunst, maatschappij, nieuws, politiek, armoede, crisis, rotterdam, verkiezingen, 1%, en meer.

Verwacht geen samenhangend stuk tekst. Ik ben net wakker. Ik lag zoals ik meestal doe als ik wakker word opgerold in bed Twitter bij te lezen. Maar zojuist ben ik boos opgestoven en naar de kamer gelopen, vuurspuwend en vloekend. Aanleiding? Het m.i. nogal stupide stuk van iemand waarvan ik werkelijk niet geloofd zou hebben dat ze op Zuid woont of gewoond heeft als ze het er niet bij verteld had.

Spuugzat ben ik de negatieve berichtgeving over Zuid, en ik heb er al eerder over geschreven over mijn eigen wijk. Pendrecht in beeld bij Secret Millionaire Nederland, daar kon ik nog wel om lachen – zeker om de beelden met een plein vol politie terwijl ik hier nog nooit een agent heb gezien. Toen weer een of ander toneelstuk in een halfgesloopte flat, waar ze speciaal Pendrecht voor uit hadden gezocht omdat het over een slechte wijk moest gaan. Steeds weer wordt het stempeltje slechte buurt op allerlei wijken in Zuid gedrukt.

Is er niets mis dan? Ja, natuurlijk wel. Pendrecht is een suf dorp – er is geen levendige horeca, er zit maar een restaurant en verder kun je er alleen snacks van mishandelde kippen halen, we hebben een versteend plein met winkels die het er moeilijk hebben, en nog een paar rijtjes slechte woningen. Maar dat is niet het beeld wat opgeroepen wordt als het gaat over slechte buurten op Zuid: criminaliteit, allochtonen, armoede, daar gaat het over in het nieuws.

Brenda Stoter Boscolo kan het op Joop.nl ook niet laten er nog wat bovenop te gooien; volgens haar is het hier op Zuid zo waanzinnig slecht dat zelfs rellen als in Londen hier zouden kunnen ontstaan. Redenen daarvoor noemt zij de bezuinigingen en de stijgende werkeloosheid. Ten opzichte van een jaar geleden is de werkloosheid in Rotterdam 1% gestegen, maar de laatste cijfers van het UWV van 1 mei geven aan de de werkloosheid ten opzichte van de maand daarvoor gedaald is. Ja, het is crisis, maar de werkloosheid in Nederland ligt nog altijd ver onder het gemiddelde in de Eurozone.

Volgens Brenda zou de woede in Rotterdam onder jongeren ontstaan omdat zij geen werk hebben, geen opleiding en geen toekomstperspectief. Ze noemt voorbeelden van allochtone jongeren die zo gediscrimineerd worden dat ze blij mogen zijn als ze een baantje in de supermarkt vinden. Daarmee legt ze ergens een oorzaak neer – afkomst – zonder hier bewijs voor te hebben en bovendien suggereert ze hiermee dat een bijbaantje in een supermarkt minderwaardig is. Veel jongeren, allochtoon of autochtoon, werken ook gewoon in een supermarkt omdat dit een van de weinige plekken is waar je kunt werken als je vijf dagen op school zit. Kantoren zijn meestal niet open ‘s avonds, logisch dus dat je al snel bij winkelwerk uitkomt als bijbaantje. En dat jongeren daar dan moeten werken om zelf dingen te betalen komt echt niet alleen maar voor bij allochtonen. Ook sommige autochtonen wonen niet in villa’s namelijk.

Ik heb zelf naast mijn studie ook in een supermarkt gewerkt en ook mijn eigen verzekering betaald. Dat maakt je niet arm en zielig en vatbaar voor een relschoppersmentaliteit als het goed is, maar zelfstandig en handig met geld. Uit haar artikel spreekt echter een mentaliteit dat iedereen geld van pappie en mammie moet kunnen krijgen en zielig is als dat niet kan, in plaats van waardering voor mensen die ondanks het feit dat ze niet in een villawijk geboren zijn hard werken om iets van hun leven te maken. Je zou juist trots moeten zijn op die jongeren, waar ze ook vandaan komen, en niet moeten proberen om slachtoffers van ze te maken.

Toen ik zelf langer in een supermarkt werkte, werd ik assistent afdelingsmanager. Toen ik als jonge, blanke hoogopgeleide geen werk kon vinden – want daar hoef je dus echt niet zwart voor te zijn of slecht opgeleid – heb ik er zelfs fulltime als afdelingsmanager gewerkt. En dan zie je allerlei jongeren: blank, zwart, of ergens er tussenin. Soms werken ze goed, soms slecht, soms ergens er tussenin. En wat ik daar heb gezien doet me toch vermoeden dat het meer met opvoeding dan met ethnische afkomst of geld te maken heeft of je goed terecht komt. Ik heb allochtone en autochtone jongeren uit minder welgestelde gezinnen keihard zien werken, zonder ook maar een spoortje van woede richting de samenleving. En ook jongeren, al dan niet allochtoon, al dan niet arm, die de kantjes eraf liepen en als ze ontslagen werden de oorzaak buiten zichzelf zochten. Het is toch een beetje makkelijk om steeds maar weer de oorzaak bij huidskleur en de inhoud van de portemonnee te leggen. Zorgt een lege portemonnee voor slecht gedrag? Of zou het eigenlijk niet andersom zijn?

Het is ook niet duidelijk over wie BSB het nu eigenlijk heeft in haar artikel en dat maakt het lastig om er echt zinnig op te reageren; de probleemgroep die ze noemt wisselt steeds van samenstelling. Ze heeft het over die arme Mohammed op Zuid. Maar die is wel afgestudeerd. Terwijl ze het eerst heeft over jongeren die boos worden en gaan rellen omdat ze geen opleiding hebben. En over jongeren in supermarkten, maar die kunnen ook blank zijn, zegt ze. Dus nou ja, iets met jongeren en de suggestie van ethnische problemen of zo.

Laat het duidelijk zijn, je zal me niet horen ontkennen dat je het moeilijker hebt met werk zoeken als je een Arabische achternaam hebt dan wanneer je Janssen heet. Ook ik heb collega’s gehad die geen allochtonen aannamen of mensen op andere afdelingen horen klagen dat ze zich daar gediscrimineerd voelden, waar ik me echt wel iets bij voor kon stellen. Maar het is wel een beetje makkelijk scoren om alles wat fout gaat maar bij discriminatie neer te leggen.

Het is ook niet eerlijk naar allochtonen toe. Want eigenlijk zeg je daarmee tegen ze dat wat ze ook doen, hoe hard ze ook werken, niet uitmaakt; ze zullen nooit Nederlands worden en daarmee dus altijd kansarm blijven. Terwijl het ook voor allochtonen zo is dat je met een opleiding verder komt dan zonder opleiding, en dat je met televisies uit winkels stelen geen diploma verdient. Terwijl allochtonen misschien wel gediscrimineerd worden, maar vrouwen ook, of homo’s, of gehandicapten. Om een of andere reden lijken we het op een bepaald niveau ‘begrijpelijk’ te vinden dat allochtone jongeren boos zijn en zouden willen rellen, maar achten we het niet waarschijnlijk dat homo’s, kunstenaars en mensen die hun PGB verliezen ruiten gaan ingooien. Eigenlijk zegt dat ook al iets over hoe ‘we’ denken over allochtonen en jongeren. Het zogenaamd goedbedoelde medelijden met die groepen is misschien wel het allerergste wat je ze kunt tonen.

In een artikel als waarheid stellen dat agenten je voor allerlei onzin aanhouden, maar niet helpen als je ze nodig hebt, vind ik het beneden peil van een journalist. Vervolgens stellen dat jongeren en autochtonen daardoor de samenleving niet begrijpen al helemaal. Dat ze daardoor niet om kunnen gaan met woede en rare dingen gaan doen is nog erger. Gooi alle groepen op een hoop. Geef ze een onjuist excuus. Negeer vooral alle andere groepen met dezelfde problemen.

BSB praat over allerlei groepen jongeren in het algemeen, en begint dan een relaas over arme zielepieten die geen geld hebben voor dure sportscholen en wekelijkse bioscoopbezoeken. Als je een beeld op wilt roepen van mensen die de steun van de overheid nodig hebben, is dit niet bepaald de manier om het te doen. Het zorgt er alleen maar voor dat ik me afvraag in wat voor vreemde wereld zij leeft dat geen geld voor een dure fitness en wekelijks naar Pathe blijkbaar de eerste voorbeelden zijn die haar te binnen schieten om duidelijk te maken dat gesubsidieerde culturele instellingen nodig zijn. Het zorgt er niet bepaald voor dat ik meteen denk: ja! revolutie! alle jongeren hebben recht op een filmabonnement!

Ze maakt een vergelijking tussen een wijk in London en Rotterdam Zuid. Ik ken die wijk in Londen niet, dus kan niet zeggen of de vergelijking logisch is. Maar ze roept een beeld op van een Rotterdam Zuid waarin arm en rijk gesegregeerd leven: ze plaatst ze in haar artikel letterlijk tegenover elkaar, de duurdere woningen op de Kop van Zuid en de armeren in de Peperklip. Het is een suggestief voorbeeld, wat voor de rest van Rotterdam Zuid wat mij betreft niet opgaat. Voor mijn eigen buurt kan ik niet eens bedenken waar hier de ‘rijken’ wonen of de ‘armen’. Er wonen hier gewoon mensen, en allerlei soorten door elkaar. In mijn straat wonen mensen die huren en mensen die gekocht hebben door elkaar, zelfs in hetzelfde flat. Mensen die chronisch ziek zijn, mensen die werken, mensen die klaar zijn met werken; mensen met kinderen en mensen die daar al uit zijn of er nooit aan zijn begonnen;allochtoon en autochtoon; er zitten woningen tussen voor mensen die niet zelfstandig kunnen wonen; en mensen die hier een huis hebben gekocht omdat het voordelig is en ze niet zo’n behoefte hebben aan een groot huis met hoge maandlasten, ook al kunnen ze dat betalen. Ook waar ik eerder woonde, in Vreewijk, heb ik nooit het gevoel gehad in een gesegregeerde samenleving te wonen (behalve dan toen de vrijwel geheel blanke Nieuwe Dalenwijk in het nieuws kwam omdat Janmaat goed scoorde bij de verkiezingen en ik me afvroeg hoe dat was voor mijn overbuurvrouw, de enige zwarte vrouw in de straat volgens mij). Daarnaast zegt fysieke locatie niet per se iets: in de VINEX-wijk Carnisselande, waar ik helaas zo’n zes jaar heb gewoond, staan dure woningen vlakbij sociale huurwoningen, maar ik heb nooit de illusie gehad dat de miljonairs daar gezellig op de thee gingen bij hun minder rijke overburen.

Uiteindelijk sluit BSB af met het verhaal dat ze hoopt dat het smsje dat een vriendin kreeg, met een oproep tot rellen, van een rare eenling was. Dat ze hoopt dat het er niet van komt. Dat het eng is dat er mensen zijn die eraan denken. “En dat tegen de achtergrond van een tijd waarin de media steeds gretiger roept dat het hier ook kan gebeuren.” Het getuigt wel van lef om dat te zeggen als je artikel geplaatst wordt onder de kop “Rotterdam ruikt naar rellen” en je net duizend woorden hebt gewijd aan een beeld van een angstaanjagende Rotterdamse ghetto waar rellen net zo waarschijnlijk zijn als in Londen.

Journalisten zonder zelfreflectie die suggestieve, ongefundeerde pulp uitbraken en dan doen alsof het aan een ander ligt. Gelukkig hoeven we daar tegenwoordig in ieder geval geen bomen meer voor om te hakken, dat scheelt in ieder geval een paar slachtoffers. En nu ga ik ontbijten, en hopen op een mooie revolutie, beginnend met een protest van bejaarde lesbische kunstenaars die hun PGB kwijt dreigen te raken. Die gun ik wel een plasmascherm, of een filmabonnement.


dinsdag, 9 augustus 2011

Harrie Winteraeken

Harrie Winteraeken

GR

Legalisering softdrugs beter dan alle soorten pasjes.

In politiek, limburg, politie, regels, bezuinigingen, criminaliteit, idee, nederlanders, onderzoek, en meer.
Reactie op: ‘ban Franse drugtoerist’, gelezen in Dagblad De Limburger en Limburgs Dagblad van 4 augustus 2011.

Alleen Nederlanders, Belgen en Duitsers toelaten in koffieshops?

Het is het zoveelste verkeerde plan. Weer een idee dat het hypocriete softdrugsbeleid in stand houdt. Het wordt hoog tijd dat softdrugs gelijk worden behandeld als alcohol en tabak. Onderzoek van een half jaar geleden door de econoom Martijn Boermans van de Hogeschool van Utrecht wees uit dat de legalisatie van cannabis de staatskas jaarlijks netto 850 miljoen oplevert. (Veel geld in deze tijd van bezuinigingen.) Haal softdrugs uit de criminaliteit en de georganiseerde misdaad heeft op dit gebied geen bestaansrecht meer, wat enorm bespaart op politie en justitie. Bindt de teelt en handel van wiet net zoals iedere andere product aan er op toegesneden regels en hef er behoorlijk accijns over. Maar de conservatieve Nederlandse politiek reageert vooralsnog zoals de Engelsen zeggen: “I made up my mind so don’t bother me with the facts.”

Lees de compilatie van reacties in de kranten van 9 augustus 2011.

vrijdag, 5 augustus 2011

Michel Klijmij-van der Laan

Michel Klijmij-van der Laan

Hyves Linkedin Last.fm Twitter Youtube Flickr GR DWARS

Kaasrate

In algemeen, bezuinigen, gouda, allochtone, begroting, belangrijk, beleid, cijfers, criminaliteit, en meer.

Al zo’n vijf jaar worden overal in het land vechtsportactiviteiten gebruikt om met name allochtone jongeren te betrekken bij sportclubs, integratie te bevorderen en sociale problemen te voorkomen. Dit kwam voort uit een programma van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de evaluatie hiervan was positief:

Zowel de harde cijfers als de inzichtgevende verhalen uit interviews en observaties laten zien dat vechtsport een belangrijke bijdrage kan leveren aan weerbaarheid, agressiebeteugeling en persoonlijke groei. Juist voor maatschappelijk kwetsbare jeugd biedt vechtsport mogelijkheden tot het verbeteren van hun psychosociale welzijn en maatschappelijke (re)integratie. Gekwalificeerde vechtsporttrainers met sportinhoudelijke én pedagogische kennis en vaardigheden vormen hierbij een sleutelrol. De opgetekende ‘harde’ en ‘zachte’ resultaten laten zien dat vechtsport geen wondermiddel is dat altijd werkt, maar tonen vooral ook de inspirerende persoonlijke én maatschappelijke beloften van vechtsport.

Genoten van karate?

Ergens in maart werd bedacht om met deze ervaren organisatie in zee te gaan om probleemjongeren discipline bij te brengen op een manier die bij hun beleveniswereld aansluit. Dat past helemaal in het veiligheidsbeleid (preventie en perspectief bieden), waarbij criminelen worden bestraft maar je probeert om te voorkomen dat jongeren tot criminaliteit afglijden. Je zou het zelfs kunnen zien als een onorthodoxe maatregel. Aangezien de meeste overlast wordt veroorzaakt door Marokkaans-Nederlandse jongeren zijn die de doelgroep die prioriteit krijgt hierbij. Ook dat is beleid, en dat wordt breed gedragen – van Trots op Nederland tot en met GroenLinks.

Het NIVM (Nederlands Instituut voor Vechtsport en Maatschappij) krijgt de opdracht en brengt dit eind juli naar buiten. Ook op Forum Gouda kwam het nieuws langs, waarna het een week lang stil bleef. Geen reactie, geen verontruste politici, helemaal niets. Tot het AD kopte over Marokkaanse probleemjongeren, met de melding dat het niet voor criminele jongeren bedoeld is. GeenStijl denkt “dat kan sappiger” en verzint er fietsendieven en verkrachters bij die graties naar de karate mogen. En all hell breaks loose.

Ineens worden er vragen gesteld, ineens ontploffen de Goudse twitteraccounts. Want je moet wel laten zien als politicus dat je “not amused” bent. En natuurlijk wordt er schande gesproken hierover. Dat het al op andere plekken in het land gebeurt doet er niet toe. Het gaat over Marokkanen en Gouda, dus het is totale gekte. Of het effectief is wordt al bijna niet meer gevraagd in de publieke opinie, het gaat alleen nog maar over “voor hun is het graties en voor ons niet”. En dat terwijl we moeten bezuinigen!

Om die laatste ballon maar gelijk lek te prikken: zo simpel is het niet. Ja, we moeten bezuinigen. Maar omdat veiligheid nou eenmaal een belangrijk issue is in Gouda is afgesproken dat op veiligheid niet wordt bezuinigd. In die pot geld zit bovendien nog wat geld van het Rijk dat alleen maar aan veiligheid mag worden uitgegeven, naar aanleiding van een busoverval in 2008. Dat geld kan dus niet naar armoede, zorg of de gewone sportsubsidies. Dus gaat het naar een project dat de veiligheid kan verbeteren. En ja, Marokkaans-Nederlandse jongeren hebben prioriteit omdat daar meer problemen zijn, dus dan wordt het daaraan besteed.

Ja maar, waarom voor hun gratis en niet voor mij? Ook simpel. Er gaan jaarlijks al miljoenen euro’s naar alle Goudse kinderen, via sportclubs, onderwijs, culturele instellingen, enzovoort. Het geld zit verspreid over allerlei potjes dus vergeef me dat ik het exacte bedrag niet weet, maar reken maar op tientallen tot honderden euro’s per Gouds kind (de volledige begroting is zo’n 2500 euro per Gouwenaar) voor zaken waar ieder kind gebruik van kan maken. Plus potjes als de Geld-Terug-Regeling zodat je je kind ook kan laten sporten als je niet zoveel geld hebt.

Een hoop gedoe dus om een plan dat op meerdere plaatsen voorkomt, past in ons beleid en niet ten koste gaat van de gewone Gouwenaar. Dat wordt verziekt in de media door halve waarheden, aannames en tendentieuze berichtgeving, waardoor het enige criterium waarop je dit af moet rekenen (hoe effectief is het? en zelfs Theo Krins is daar positief over) uit het oog verdwijnt. De ironie is ook dat de bevolking enerzijds vraagt om de veiligheid te verbeteren, met name waar het gaat om de problemen met Marokkaans-Nederlandse jongeren, maar als dat dan daadwerkelijk gebeurt de eerste reactie is “waarom wordt er voor hun nou wel wat gedaan?”.

Je zou er haast agressief van worden. Is daar een cursus voor?

maandag, 1 augustus 2011

Herman Folkerts

Herman Folkerts

Twitter

Doorleren is voor de elite, werkelijkheid of mythe?

In jeugd, doorleren is voor de elite, tegengeluid, hoe kan dat nou?, college, criminaliteit, dames, de, delfzijl, en meer.
Ik heb niet de slechtst betaalde baan binnen de overheid en toch slaat mij als vader van een groot gezin aan het begin van het nieuwe schooljaar de schrik steevast om het hart. Voor twee van onze kinderen kon dit jaar de vlag uit worden gestoken omdat zij met goed gevolg hun opleiding hadden afgesloten. Hartstikke mooi natuurlijk en wat waren we in mei apetrots op hen! Voor de jongste van 15, die als vroege leerling zijn VMBO kaderopleiding op het Scheepvaart & Transport College in Rotterdam heeft afgerond, is het nu zaak zijn scheepvaartopleiding in Delfzijl voort te gaan zetten. Immers, hij is gemotiveerd en wil dus graag doorleren en bovendien moet hij gewoon doorleren, omdat de wet voorschrijft dat iedere scholier minimaal een startkwalificatie op MBO 2 niveau dient te behalen. Opzich is dat een goede zaak, immers daarmee wordt het aantal jongens en meisjes, welke zonder een diploma van enige waarde de school verlaten, sterk teruggebracht. Dat is zondermeer winst voor de maatschappij als geheel*!


Omdat een scheepvaartopleiding een gespecialiseerde opleiding is, wordt deze niet standaard op iedere MBO-school gegeven en moet er dus vanaf september dagelijks 40 km gereisd gaan worden tussen Winschoten en Delfzijl en weer terug. Dat gold voor onze oudste dochter tot voor kort ook, echter die was inmiddels 18 jaar toen ze aan een studie in Groningen begon waardoor ze met haar van Rijkswege verstrekte OV-kaart keurig zonder bijkomende kosten, kon gaan reizen. R is echter te jong, waardoor wij maandelijks zo'n 150 euro neer dienen te gaan tellen voor het noodzakelijke busabonnement. Immers hij moet dan wel verplicht doorleren, wij willen hem ook graag de opleiding geven die aansluit op zijn vooropleiding en die zijn uiteindelijke dromen waar moet gaan maken. Dromen van verre kusten, exotische havens en waarschijnlijk ook heel veel mooie dames.

De boekenlijst valt op de mat. Het Noorderpoortcollege, waarvan de zeevaartschool in Delfzijl deel uitmaakt, heeft bepaald dat er voor 1152 euro boeken moeten worden aangeschaft. Aangezien het hier om een vervolgstudie gaat is de gratis verstrekking van schoolboeken niet meer van toepassing en komt de rekening dus bij ons op het stapeltje. Een schoolboekenfonds is er niet. In een begeleidende brief worden we er op gewezen dat er eveneens een overall, veiligheidsbril en schoenen, een verplichte internationale keuring en een monsterboekje aangeschaft dienen te worden. Alles bij elkaar ook nog een kleine 400 euro. Alleen al voor R moeten we in de maand augustus zo'n 1700 euro ophoesten om hem per september naar school te kunnen laten gaan.
Natuurlijk hebben we recht op kinderbijslag maar of die ruim 200 euro per kwartaal redelijkerwijze deze kosten kunnen compenseren, dat lijkt mij toch echt niet. Dan heb ik het nog niet eens over de te bestellen boeken voor G en M gehad. Die liggen er ook nog. Ik heb hier over de nodige hoofdbrekers momenteel en begrijp werkelijk niet hoe andere mensen, die het in financieel opzicht minder breed hebben als wij, dit in godsnaam kunnen rooien.


De wetgever stelt terecht dat leerlingen verplicht een startkwalificatie moeten gaan behalen maar leggen de kosten van deze maatregel, voor de groep kinderen die aan een MBO vervolgstudie beginnen en nog geen 18 jaar zijn geworden, volledig bij de ouders neer. Dat maakt dat voor een grote groep kinderen, waarvan de ouders minder draagkrachtig zijn, het doorleren weer een elitair gebeuren is geworden.

* Gekwalificeerde studenten leiden tot minder werkeloosheid, een betere spreiding van het arbeidsaanbod over de beschikbare banen en minder criminaliteit en overlast door rondhangende kansloze jongeren.

donderdag, 23 juni 2011

Herman Folkerts

Herman Folkerts

Twitter

De relatieve waarheid van statistische cijfers – Een beschouwing van een ranglijst.

In mosterd na de maaltijd, hoe kan dat nou?, cijfers, criminaliteit, dagblad, de, delen, euro, gemeente, en meer.
Elk jaar zo rond mei/juni komt het Algemeen Dagblad met de uitslag van haar veiligheidsmonitor, een lijst waarbij de gemeentes onderling worden gerangschikt op de registratie van voltooide misdaden binnen hun grondgebied. Helaas had Winschoten, als zelfstandige gemeente in deze lijst de twijfelachtige eer om in de top mee te presteren als een van de meest onveilige gemeenten in Nederland. Met een jaarlijkse score van meer dan 80 misdrijven per 1000 inwoners heeft de publicatie in het AD de gemoederen binnen de gemeenteraad menig jaar beroerd. Ook in de beeldvorming heeft de steeds negatief terugkerende statistiek de stad geen goed gedaan. De rest van Nederland heeft doorgaans toch al geen hoge pet op van de Oost-Groninger regio met haar krimp, hoge werkloosheid en de gemiddeld laagste prijzen die neer moeten worden geteld voor een koopwoning. Ook het mislukken van de woningbouwontwikkeling in de Blauwestad, waarbij de provincie voor zo’n krappe 30 miljoen euro de teil is ingegaan, blijft hangen in de hoofden van de mensen. Kortom, we hebben een imagoprobleem, zo dus ook op het gebied van criminaliteit en veiligheid in Winschoten. Dat laatste met dank aan het AD.

We hebben het altijd geweten maar nooit adequaat kunnen weerleggen, de cijfers waarmee de rekenmeesters van het AD aan de slag gaan mogen dan kloppen, de berekeningswijze is een structureel foutieve geweest waardoor de uitkomst van de score ook jaar in – jaar uit een onjuiste is geweest. Dat heeft het imago van Winschoten als onverbeterlijk onveilige stad geen goed gedaan. Totdat de gemeente Winschoten met haar directe buurgemeenten is gaan fuseren tot de grotere gemeente Oldambt. Alle in gang gezette maatregelen ten spijt, de fusie is het meest effectieve instrument gebleken tegen de criminaliteit en onveiligheid in onze stad.

Winschoten was tot voor kort (1 januari 2010) een zelfstandige gemeente met ruim 19.000 inwoners maar welke gelijktijdig een verzorgingsgebied van ruim 80.000 burgers moest bedienen. In de weekeinden komt het stapvolk vanuit het gehele ommeland een biertje pakken op ons recent gerevitaliseerde Marktplein. Dan wordt er natuurlijk ook wel eens stevig geknokt, hetgeen vervolgens weer leidt tot een stapeltje aangiften bij Oom Hermandad. De rekenmeesters van het AD delen vervolgens het aantal werkelijk gepleegde misdrijven door het aantal inwoners van de gemeente, hetgeen verklaart dat een stad als Winschoten met structureel zoveel “vreemd volk” over de vloer, een hoge en dus ongunstige score krijgt toebedeelt. Na 1 januari 2010telt de gemeente Oldambt echter bijna 40.000 inwoners, waar bij een verondersteld gelijkblijvend aantal misdrijven in de stad - dezelfde rekenexercitie, echter nu met een noemer in de deelsom die ruim twee keer zo groot is geworden een resultaat oplevert welke eveneens twee keer zo laag uitvalt. Het gevolg is dan ook dat in de onlangs gepubliceerde cijfers over 2010 het AD de gemeente Oldambt niet meer in de top van de meest criminele gemeenten heeft gezet maar ons nu een respectabele 101e plaats op de ranglijst heeft toegewezen (weliswaar op een totaal van 418 gemeenten). In mijn stellige overtuiging is deze plek nog steeds te hoog weergegeven, omdat nu een gemeente van 40.000 inwoners het potentieel van zo’n 80.000 inwonende en bezoekende burgers in haar misdrijvenstatistiek moeten meetorsen. Dat is uiteraard wederom nog niet terecht.

Door de onjuiste wijze waarop het AD haar cijfers meerjarig heeft gepubliceerd heeft de stad Winschoten onterecht imagoschade opgelopen. Nu door de herindeling dit anders blijkt te liggen, is wellicht een klein excuus van het Algemeen Dagblad toch wel op haar plaats.

maandag, 20 juni 2011

Rosita Custers

Rosita Custers

Hyves GR

Reactie op Hollandse waarden… door hetgoedezaad

In criminaliteit, geweld, de, leven.

Tegenwoordig mag en kan alles. Er is veel geweld, criminaliteit, verslavingen en onzedelijkheden. De mens heeft Jezus/God nodig in hun leven. Fijne middag en avond. De groeten Patricia

vrijdag, 27 mei 2011

Femke Halsema

Femke Halsema

Hyves Twitter TK

Leonardolezing: Politiek in de jaren nul

In speeches, afhankelijkheid, agema, agenda, algemeen, algemene beschouwingen, allochtone, amerikaanse, analyse, en meer.

Website van de Leonardo-leerstoelLeonardolezing, uitgesproken 26 mei 2011 op de Universiteit van Tilburg

Dames en heren,

Goedemiddag,

De politiek verlaten veroorzaakt een forse breuk in je bestaan. Eén die je ook nauwelijks kan voorvoelen, zolang je er deel van uitmaakt. Dat geldt òòk als er geen sprake is van een overhaaste aftocht na de val van een kabinet, een incident of een misstap en je jezelf plotseling en in shock terugvindt achter de geraniums.
Ik had mijn vertrek grondig voorbereid en ook wel tussen de bedrijven door nagedacht over de periode erna. Maar veel verder dan uitslapen, boeken lezen, met mijn kinderen spelen en vrienden zien, kwam ik niet. De allesoverheersende gedachte was ‘vrij zijn’ van dwang, druk en het heilige moeten. Maar wat je je onvoldoende realiseert, is dat ‘vrij zijn’ een geestesgesteldheid is die je als politicus juist grondig afleert.

Politici zijn onvrij, èn laten zich onvrij maken, en dat heeft een aantal redenen.
Er is de drukte die veel beroepen op hoog niveau kenmerkt: de agenda wordt door iemand anders gevuld, werkdagen van 12 uur zijn bepaald geen uitzondering en vanaf het opstaan tot het slapengaan jaagt de adrenaline door je bloed.
Ik merkte bijvoorbeeld – en heel simpel – dat ik de krant opnieuw moest leren lezen. Het obsessieve, gespannen scannen van het binnenlandse nieuws op je eigen naam, die van je collega’s en je tegenstanders, het in no-time willen inschatten van de politieke gevaren en risico’s die de krant herbergt, verworden geleidelijk tot een gewoonte. PVV-kamerlid Fleur Agema vertelde ooit bij Pauw & Witteman dat zij elke zaterdag om 6 uur opstond om bij het benzinestation de Telegraaf te kopen. Zodoende wist zij zeker dat zij als eerste van alle Kamerleden mondelinge vragen kon indienen over willekeurig welk incident. Hoe absurd misschien ook het voorbeeld, de onrust en drift waarvan Agema getuigt is geen enkele politicus vreemd.
En zo zijn er meer ingesleten gewoonten: tv-kijken betekent zappen; gesprekken voer je kort en dikwijls instrumenteel, met het oog op het te boeken resultaat; zoals de boeken die je leest vooral ‘nuttig’ moeten zijn voor je politieke handelen. Multitasken is verheven tot een hogere kunst van gelijktijdig telefoneren, internetten, medewerkers instrueren, een debat voorbereiden enzovoort.

Wat het politieke bestaan, als tweede, in hoge mate onvrij maakt is de permanente publieke druk, en de noodzaak èn wil om zichtbaar te zijn. Warren Beaty merkte ooit op over zijn toenmalige minnares Madonna dat zij niet bestond als de camera’s niet draaiden: ‘Why would you say something if it’s off-camera? What point is there existing?’
Politici, zeker de toonaangevende, worden regelmatig en, niet onterecht, bespot omdat ze opduiken in de meest wonderlijke talkshows, RTL-boulevard presenteren en hun oordeel geven over elke denkbare, triviale gebeurtenis. Maar – behalve vanzelfsprekend ijdelheid – hebben zij daarvoor ook goede redenen. Blijvende bekendheid & populariteit zijn namelijk harde voorwaarden voor verkiezingswinst, het kunnen realiseren van je opvattingen en idealen, en de eventuele deelname aan de macht.
Bijvoorbeeld. Toen ik eind 2002, krap 2 maanden voor de verkiezingen, aantrad als nieuwe lijsttrekker, was het grootste probleem mijn geringe naamsbekendheid. Minder dan 30% van de bevolking wist van mijn bestaan. Om ook maar enige rol van betekenis te kunnen spelen tijdens de verkiezingen moest dat razendsnel omhoog naar minimaal 80% en dat betekende een slopende gang langs koffieprogramma’s en vrouwenbladen.
Maar ook jaren daarna, toen ik over bekendheid weinig te klagen had, bleef de noodzaak om zichtbaar te zijn even groot. De meeste kiezers bepalen hun voorkeur namelijk maar deels op politieke opvattingen. Minstens zo belangrijk is hun intuïtieve voorkeur voor de waarden die een politicus vertegenwoordigt, zijn betrouwbaarheid & zijn aardigheid. Opvattingen, levensstijl, humor of de ontroering waarvan een politicus blijk geeft, moeten met elkaar in overeenstemming, en consequent zijn. Zo betekenden in mijn geval de bekende journaalbeelden waarin ik hevig debatteerde met bijv. Rita Verdonk of Geert Wilders ook een gebrekkig electoraal imago van bijterigheid (dan zeg ik het mild).
Het beeld van een politicus dat kiezers opbouwen bestaat uit korte fragmenten, waarbij juist de negatieve het beste beklijven. Reparatie van een onplezierig of onhandig imago kost tijd – televisietijd – en wint aan kracht door herhaling. Voor mij gold in ieder geval dat ik zeker 2 jaar talkshows als ‘Barend & Van Dorp bij elkaar gelachen had, voordat het kwartje viel bij veel kiezers dat ik niet alleen fel kon debatteren, maar misschien ook gewoon een aardige vrouw was aan wie je je kostbare stem kon toevertrouwen.

De druk èn de wil om geregisseerd en beheerst maar ook onophoudelijk zichtbaar te zijn, is niet alleen tijdrovend, maar het beperkt ook je uitingsvrijheid als politicus.
Elke politicus kan getuigen van een slip of the tongue die tot vervelens toe op televisie en op internet zijn herhaald. Balkenende denkt wellicht met weinig plezier terug aan zijn uitspraak tegen mij over de VOC-mentaliteit: ‘Laten we blij zijn met elkaar. Nederland kan het weer! (..) Toch?’ Maar het beëindigde niet voortijdig zijn carrière, wat wel gebeurde met VVD-kamerlid Arend Jan Boekestijn die vooral naam maakte met onhandige opmerkingen, zogenaamde ‘Boekestijntjes’.

De belangrijkste reden waardoor politici onvrij zijn is de tirannie van de tijd en de maatschappelijke omgeving. Daarmee bedoel ik het volgende. Het is voor politici bijna onmogelijk om een bezonken en beredeneerd oordeel te vellen over het politieke bestel waarin zij hun werk doen. Of de maatschappelijke cultuur te analyseren en te bekritiseren waarvan zij tegelijkertijd de drager zijn, waar zij uit voortkomen en hun populariteit aan ontlenen. Politici worden geacht mee te varen op de stroom van maatschappelijke en culturele sentimenten, de tijdsgeest aan te voelen en deze te vertolken. Doen zij dat niet of bekritiseren zij juist de tijdsgeest, dan riskeren zij kiezers, populariteit en uiteindelijk hun positie. Kortom, dan dreigen zij ineffectief te worden.
Maar vrijwel alle politici die ik de afgelopen jaren heb leren kennen, worstelen er ook mee dat ‘de waan van de dag’, zo dikwijls de koers van een debat en de richting van een besluit dicteert. Met de ‘waan’ bedoel ik niet het laatste incidentje uit de Telegraaf dat bij de wekelijkse mondelinge vragen de boventoon voert – hoewel dat ook ergerlijk is. Ik bedoel dat de woorden en onderwerpen die politici kiezen aan maatschappelijke en politieke modes onderhevig zijn en dat die modes dwingend zijn. Simpel gezegd. Geen zichzelf respecterende politicus wil op dit moment thee drinkend en al ‘multiculturaliserend’ in een moskee betrapt worden, ook al zouden daar goede redenen voor zijn. Thee drinken staat voor slapte. Zoals ook geen politicus nu met groot enthousiasme lagere straffen verdedigt, hogere belastingen, gescheiden zwemmen, de vrije verkoop van Mein Kampf enzovoort. Er is een grote omloopsnelheid in de populariteit van politieke onderwerpen. Tegen de dominantie van een kulonderwerp kun je je verzetten, je kan media in hun eenzijdige belangstelling tot de orde willen roepen, maar dan strand je meestal als roepende in de woestijn. Het is bijna onvermijdelijk om je te voegen naar de onderwerpen die gelden als het meest urgent, het meest ernstig – en daarbinnen de variatie te zoeken. Dat is niet uit lafheid of opportunisme maar uit noodzakelijk en gezond lijfsbehoud.

Mocht u na deze inleiding denken dat ik somber ben over de kwaliteit en kracht van politici: nee, geenszins. Wat ik zo-even opsomde zijn de disciplinerende, onvrij makende mechanismen van moderne politiek, mechanismen die – zo zal ik verderop betogen – alleen maar sterker en dwingender worden, en waaraan politici zich slechts met moeite en risico’s kunnen onttrekken.

Maar vandaag verdedig ik ook de stelling dat cultuurkritiek en het opnieuw beoordelen van het politieke bestel en handelen hard nodig zijn. Dat het meedeinen op het tij van maatschappelijke en culturele verandering – niet volstaat. Dat kon misschien in eerdere perioden in onze naoorlogse geschiedenis – waar bijvoorbeeld een oud-politicus zoals Marcel van Dam hoog over opgeeft – nog wel. Maar toen volstond ook om, tegenover de dreiging van de Russen een bataljon tanks aan onze oostgrens te plaatsen. Nu is de maatschappelijke deining te groot en is te onbestemd waar en hoe de golven op de kust slaan.

_____________

Sinds begin februari hebben mijn studenten en ik onderzoek gedaan naar wat ik in de opdracht van de Leonardo-masterclass heb beschreven als ‘De politieke betekenis van de jaren nul’ (de eerste 10 jaar van deze eeuw).

Maar laat me ze eerst even aan u voorstellen: Juliette Barendse, Linde Gasseling, Sabine Geers, Suzanne Keurntjes, Loes Mahieu, Madelene Munnik, Vera Nijveld, Michael Suurendonk, Pauline Verstraten en Eefje Wielders.

Zij hebben de afgelopen maanden literatuurstudie verricht en gesprekken gevoerd – variërend van Mark Rutte tot Hans Laroes, van Herman Tjeenk Willink tot Paul Scheffer. Zij hebben een middag meegelopen bij de redactie van Nieuwsuur, aangezeten bij de fractievergadering van een niet nader te noemen politieke partij en de Haagse sociëteit Nieuwspoort verkend. Zij hebben – aan de hand van eigen stellingen – een debat georganiseerd met studenten van de Tilburgse ROC. En uiteindelijk hebben zij twee keer, in groepjes van drie, een essay geschreven.

Wat ik hier vertel is ook gebaseerd op hun analyses, conclusies en aanbevelingen, wat niet wegneemt dat anekdotes en – zeker – de drastischer opvattingen en conclusies wel degelijk voor mijn eigen rekening komen.

De afgelopen jaren (bijvoorbeeld ook in mijn afscheidsbundel ‘Zoeken naar vrijheid’) heb ik vaak opgemerkt het gevoel te hebben getuige te zijn van een historische politieke tijd. Aantredend als Kamerlid in de tweede Paarse periode in 1998, kenmerkten de politiek en samenleving zich door een grote bezadigdheid. Politiek betekende wat schaven en lasten verlichten en nog eind 2001, toen Pim Fortuyn al heel populair was, bleek uit onderzoek dat de Nederlandse bevolking zeldzaam tevreden was. Er leken – eigenlijk tot de aanslag op de Twin Towers in september 2001 – weinig maatschappelijke en politieke voorbodes voor het tumult dat volgde.

De gedachte getuige te zijn van een historische politieke tijd ontleende ik aan het boek van Ido de Haan over de Nederlandse constitutie: ‘Het beginsel van leven en wasdom’ Hij betoogt daarin dat Nederland tussen 1848 en 1920 in het teken stond van constitutionele politiek. Volgens De Haan draaide het toen niet zozeer om een faire uitvoering van de politieke regels, als wel om het vaststellen van de regels zelf. In die periode werd bijvoorbeeld de staatssoevereiniteit vastgesteld, de scheiding tussen kerk en staat, het vrouwenkiesrecht en de vrijheid van onderwijs. Na 1920 brak een lange periode aan van zgn. ‘normale politiek’. Onze constitutie stond als een huis en werd door politici van alle gezindten als begrenzing geaccepteerd. Zelfs in de jaren zestig en zeventig, jaren van grote maatschappelijke onrust, concentreerde het politieke en maatschappelijke debat zich vooral op de herverdeling van welvaart en rechtvaardigheid, binnen de normatieve grenzen van de grondwet.
Volgens De Haan is pas aan het einde van Paars, versneld door de aanslag op de Twin Towers, de lange periode van ‘normale politiek’ ten einde gekomen en zijn wij opnieuw aangeland in een periode van constitutionele politiek. Of zoals de Haan het somber opsomt: ‘We hebben te maken met een partijenstelsel dat niet langer de verdeeldheid in de samenleving weerspiegelt, een parlement dat zijn centrale plaats daarin verliest en een staat die vastdraait in zijn ambities van herverdeling en rechtvaardigheid. De staat en de samenleving zullen zich opnieuw moeten grondvesten.’ (Tot dusver Ido de Haan)

Terugkijkend op de afgelopen 13 jaar, zijn onmiskenbaar de grootste en hevigste debatten ‘constitutioneel’ geweest. Beginnend wellicht met het venijnige conflict dat volgde op de uitspraken van Pim Fortuyn over artikel 1 van de grondwet: het discriminatieverbod, als sta-in-de-weg van de vrije meningsuiting. Wat volgden waren talloze debatten over de reikwijdte van de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van onderwijs.
Zo kon het gebeuren dat het parlement debatten voerde over de noodzaak en de plicht elkaar de hand te schudden, omdat dit niet langer werd beschouwd als een vriendelijke gewoonte – en het afwijken ervan als een rariteit -maar als een nationale testcase voor onze tolerantie, vrouwvriendelijkheid en ons gelijkheidsdenken. En in dit geval legde het recht van vrije expressie – in de opvatting van de dienstdoende minister Verdonk – het genadeloos af tegen het discriminatieverbod (dat zij op andere momenten met hartstocht relativeerde).
Nieuw was ook het bediscussiëren van de betekenis van godsdienst, en in het bijzonder de Islam, in het parlement zelf. De dominante uitleg van de scheiding tussen kerk en staat was voordien dat politici geen oordelen vellen over geloof. Ook de verhouding in de Trias Politica wijzigde zich, sinds politici zich actief bemoeien met lopende rechtszaken en de benoeming van rechters niet langer beschouwen als een hamerstuk maar tot inzet maken van partijpolitieke strijd (zoals de nieuwe Raadsheer Ybo Buruma overkwam). En hetzelfde kan gezegd worden over de positie van het staatshoofd, die vorige zomer hardhandig buitenspel is gezet bij de vorming van een minderheidskabinet.

Ik denk dat mijn studenten en ik er niet over van mening verschillen dat we inderdaad een periode van maatschappelijke en politieke turbulentie doormaken.
Wel hebben wij samen het idee begraven dat er sprake is van een harde omslag in de politieke geschiedenis die zich concentreert in 1 decennium en is veroorzaakt door de aanslag op de Twin Towers en de politieke moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh. Maatschappelijke en culturele verwarring lijkt eerder het gevolg van geleidelijker, maar evenzeer ingrijpende veranderingen. Veranderingen waarvan de politieke moorden in Nederland en 9/11 in de Verenigde Staten wel machtige symbolen zijn.

Samen, de studenten en ik, hebben we er drie grote en geleidelijke veranderingen uitgelicht die naar onze opvatting met name de afgelopen 10 jaar groot effect hebben gehad op de politieke verhoudingen en het politieke handelen. Deze veranderingen, als ook de effecten op de politiek, hebben de studenten onderzocht en in hun essays beschreven.

1.
De eerste grote verandering is globalisering en de definitieve vestiging van een risicomaatschappij. Deze is de afgelopen decennia in tientallen studieboeken beschreven en de vaststelling dat Nederland onderdeel is geworden van een internationale, globale en kwetsbare risicomaatschappij is bepaald niet nieuw.
Nieuw is wel de hardhandigheid waarmee globalisering de afgelopen jaren onze huiskamers en het parlement is binnengewalst. Als student leerde ik aan het einde van de jaren tachtig al over de ‘risicomaatschappij’ die het gevolg was van globalisering, waarbij de kernramp in Tsjernobyl het meest tot de verbeelding sprekende voorbeeld was. Maar afgezien van een enkele dioxinekoe, leek het met de aanwezigheid van onbeheersbare, wereldwijde risico’s wel mee te vallen.
Die illusie van relatieve veiligheid zijn wij inmiddels wel kwijt.
Inmiddels hebben we hardhandig de gevolgen ondervonden van een aantal
wereldwijde, financiële en economische crises.
Ik kan me goed herinneren dat over de Algemene Beschouwingen van 2008 de dreiging hing van een aanstormende financiële crisis. Maar zelfs toen vlak daarna de Amerikaanse Bank Lehman Brothers omviel, was van groot alarm in de Haagse politiek en in de samenleving nog geen sprake. Het beperkte zich tot een droge notie van risico’s waarop de Nederlandse regering, mocht er iets gebeuren, ‘adequaat’ – in het betere Haagse jargon – zou reageren. Dat is overigens ook gebeurd.
Maar ik kan niet verhullen dat het dreigende omvallen van Nederlandse banken en de duizelingwekkende bedragen die de Nederlandse regering vervolgens beschikbaar moest stellen, ook voor mij een schokkende eye-opener van internationale kwetsbaarheid waren. De razendsnel oplopende staatsschuld, de toenemende werkloosheid in Nederland door onverantwoord gedrag van bankiers en hypothecairs in de Verenigde Staten, was en bleef een nauwelijks te bevatten samenloop van gebeurtenissen en omstandigheden.
En kwetsbaarheid voor internationale risico’s heeft zich niet beperkt tot de financiële markt en de economie. De afgelopen jaren zijn we geconfronteerd met de
razendsnelle verspreiding van ook voor mensen gevaarlijke dierziekten en heeft de wereldwijde klimaatverandering bijvoorbeeld moeten leiden tot een kostbaar plan voor dijkverhoging en dijkbewaking. De aanslag op de Twin Towers en daarop volgend die in Madrid en Londen hebben de zekerheid te leven in een relatief geweldsloze en veilige samenleving voor veel mensen ondermijnd. Internationaal conflict en geweld houden zich ook in onze achtertuin op, worden hier geboren en groot gebracht: zoveel werd vooral bij de moord op Theo van Gogh duidelijk.

Om een beter zicht te krijgen op het effect van internationale crises en risico’s op de Nederlandse politiek hebben de studenten onderzocht hoe in Nederland is omgegaan met de Mexicaanse griep. Dit griepvirus, eerst de varkensgriep genoemd, kreeg vanaf het voorjaar van 2009 delen van de wereld in de greep, zeker toen bleek dat door besmetting niet alleen dieren maar ook mensen dood konden gaan. Inmiddels staat de teller wereldwijd op bijna 19.000 slachtoffers. In Nederland heeft de regering, onder verantwoordelijkheid van minister Klink, snel en ingrijpend gereageerd. Er waren folders en internetsites, risicogroepen kregen het advies zich preventief te vaccineren en er zijn 34 miljoen griepvaccins aangeschaft. Uiteindelijk heeft de Mexicaanse griep in Nederland nooit werkelijk huisgehouden.

Terugkijkend op de politieke besluitvorming valt vooral de grote en oncontroleerbare rol op die deskundigen spelen. Minister en parlement ontbeerden de specialistische kennis die inschatting van de gezondheidsrisico’s vergde en moesten zich in het geheel verlaten op de Gezondheidsraad, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en de World Health Organisation (WHO). Het waren ook de deskundigen die de minister en vervolgens de kamer voor een keuze plaatsten. Men kon 1. ‘afwachtend beleid’ voeren maar dit had een ‘risico voor de nationale gezondheid’ of men kon 2. ‘preventief beleid’ voeren, dat een financieel risico droeg.
Zo geformuleerd hoeft het weinig verbazing te wekken dat Nederland – als één van heel weinige landen – overging tot de peperdure aanschaf van een astronomisch aantal griepvaccins. De keuze was dan ook eigenlijk geen keuze maar een fait accompli omdat geen verantwoordelijk politicus uiteindelijk geld boven de gezondheid van de bevolking zal plaatsen.
Achteraf is er discussie ontstaan over de onbevooroordeeldheid van de deskundigen, de mogelijke rol van de farmaceutische industrie, en het oordeelsvermogen van politici. Dat vind ik terecht.

Meer in het algemeen kun je stellen dat globalisering en internationale crises politici in heel grote mate afhankelijk maken van deskundigen, wier achtergronden, motieven en belangen – anders dan die van politici – dikwijls slecht controleerbaar zijn. Waarvan op het moment dat zij dwingende adviezen geven ook nauwelijks bekend is dat zij zelf over de juiste en noodzakelijk informatie beschikken. De President van de Nederlandse Bank, de heer Wellink, heeft bijvoorbeeld achteraf aangegeven dat ook de Nederlandse Bank en hij zelf onvoldoende op de hoogte waren van de financiële producten waarin banken handelden en de risico’s die deze in zich hadden. Toch voer de regering volledig op de Nederlandse Bank.

2.
Globalisering is niet de enige grote, geleidelijke verandering die de politiek beheerst. Even ingrijpend is – om het eens in chique wetenschappelijke termen te zeggen – het gewijzigde paradigma van multiculturalisme.
Kort gezegd, is multiculturalisme in Nederland lang het bewijs geweest van vrijheid. In ons vrije, democratische land zou ruimte zijn voor andersdenkenden, andere tradities en gebruiken. Door de kracht van onze rechtsstaat, door onze tolerante inborst, ons democratisch bestel en de maatschappelijke mogelijkheden voor sociale stijging, zouden wij ook de komst van grote groepen vreemdelingen gemakkelijk kunnen opvangen. En belangrijker nog, binnen de grenzen van de rechtsstaat werd heb alle ruimte gegeven om hun eigen gang te gaan.
Inmiddels wordt multiculturalisme niet meer beschouwd als een bewijs van vrijheid, maar als een regelrechte bedreiging van onze vrijheid. Tolerantie is niet langer een deugd die geprezen wordt maar synoniem geworden met ‘plooien, schikken en afkopen’ van eigenlijk onoverkomelijke verschillen, tegenstellingen en botsingen.

Het verdwijnen van het geloof in multiculturalisme is een gevolg van de hardnekkigheid van integratieproblemen en het dreigende ontstaan van een allochtone onderklasse (met overmatige criminaliteit en overlast onder allochtone jongeren). Het is ook een gevolg van de angst voor gewelddadig, Islamitisch fundamentalisme dat door de aanslagen is gevoed en ertoe leidt dat in Nederland levende en werkende moslims inmiddels achterdochtig worden beschouwd als wolven in schaapskleren.
Maar beide problemen – de hardnekkige integratieachterstanden en de zorg om gewelddadig Islamitisch fundamentalisme – zijn ook een dankbare voedingsbodem gebleken voor snel populair wordende populisten. Dat multiculturalisme inmiddels een scheldwoord is geworden, is in belangrijke mate hun verdienste. Dit zeg ik wel met enige ironie.

De studenten hebben de afgelopen maanden als casus studie gemaakt van de incidenten die er de afgelopen jaren zijn geweest rond Imams die weigerden de hand te schudden van, in de eerste plaats Minister Verdonk. Vooral de eerste keer dat een Imam, zichtbaar en publiek weigerde de minister de hand te schudden groeide snel uit tot een nationale rel. De minister vond dat er onvoldoende respect was voor het instituut ‘minister’ en voor haar als vrouw en liet weten dat handen schudden een Nederlandse plicht was.

Op basis van hun onderzoek naar het veranderde oordeel over multiculturalisme en de incidenten rond handen schudden merken de studenten op dat politici en het politieke debat zich los lijken te hebben gezongen van de rechtstatelijke kaders waarbinnen zij opereren. Bij de beoordeling van het gedrag van individuele en groepen burgers stellen zij zich minder de vraag ‘is dit onwettig’ maar veeleer de vraag ‘is dit onprettig’. Afwijkend gedrag wordt in toenemende mate als on-Nederlands en onprettig bestempeld en veroordeeld.
Veel burgers, veel media ook, zijn gecharmeerd van de daadkracht en flinkheid die spreekt uit deze stevige oordelen: met name populistische politieke stromingen die van het veroordelen van onprettig, on-Nederlands gedrag hun handelsmerk hebben gemaakt, hebben dan ook een grote electorale vlucht gemaakt
Tegenover de symbolische kracht van harde normatieve oordelen over soms kleine incidenten staat echter een grote politieke en beleidsmatige onmacht. Politici zijn namelijk wel degelijk gehouden en gebonden aan de grenzen van de democratische rechtsstaat, waar deze rechtstreeks voortvloeien uit de mensenrechtenverdragen. Ongeacht retoriek en vertoon van flinkheid kent het integratiebeleid de afgelopen 10 jaar nauwelijks verandering maar een grote stroperige continuïteit en traagheid. De problemen rond integratie, sociale achterstand en criminaliteit zijn de afgelopen jaren niet werkelijk verminderd.
Het zichtbare verschil tussen zeggen en doen in het debat over de multiculturele samenleving levert – zo voeg ik daar aan toe – politici en het politieke bestel inmiddels een serieus geloofwaardigheidsprobleem op.

3.
Als je de gevolgen van de grote maatschappelijke veranderingen rond globalisering en multiculturalisme bij elkaar optelt, dan kun je vaststellen dat politici zich in een lastig parket bevinden, of – wellicht beter – in een lastig parket hebben gemanoeuvreerd.
De grootste maatschappelijke problemen kennen dikwijls een internationale oorsprong, oplossing of vermindering ervan onttrekt zich daardoor vaker aan het handelingsvermogen van gewone Nederlandse politici. Daarbij zijn zij in toenemende mate afhankelijk van specialistische deskundigen, waarbij zij de belangen en de juistheid van deskundige meningen niet altijd even goed overzien. De verleiding van een vlucht in symbolische daadkracht, in flinkheid bij incidenten is levensgroot en deze route wordt dan ook regelmatig genomen.
Het parket wordt nog lastiger als de derde grote verandering van de afgelopen jaren in ogenschouw wordt genomen: de fragmentatie en verveelvoudiging van media en de groeiende invloed van nieuwe media, van internet, weblogs en twitter.

De opvallendste vaststelling van de studenten in het onderzoek dat zij hebben gedaan naar de invloed van de mediacratie op het politieke handelen is dat wordt onderschat dat media zelf in toenemende mate ten prooi zijn aan grote commerciële en economische belangen.
Tijdens een debat gisteravond bij DWDD tussen een vertegenwoordiger van ‘dode- bomen’ media en webloggers – waar de studenten en ik toevallig aanwezig waren -
werd die dwang van commercie nog eens zichtbaar.
De meest gelezen onderwerpen op weblogs en de digitale pagina’s van kranten variëren van ‘condooms met tandjes’ tot de borsten en billen van Kim Kardashian. Serieuze onderzoeksjournalistiek, analyses van ingewikkelde economische problemen leggen het in de lezersaandacht altijd af tegen relletjes met overspel, zich misdragende BN’ers, moord en doodslag. En waar de lezersaandacht minder is, verdwijnt ook de belangstelling van adverteerders, uitgevers en mediabedrijven. Hoofdredacteuren en journalisten staan onder grote druk om lezers – en daarmee adverteerders – waar voor hun geld te geven.

Voor politiek nieuws betekent dit dat ruzies en conflicten, swingende, harde uitspraken over bijvoorbeeld Islamitisch stemvee of Grieks wangedrag, veel makkelijker hun weg vinden in de media dan – ik noem maar wat – de achtergronden van de financiële crisis.

Ik begon deze lezing met de vaststelling dat politici onvrij zijn. Een politicus die langer meewil verhoudt zich tot de tijdsgeest en tot de onderwerpen die zijn kiezers en de media het meeste lijken bezig te houden.
Nu weet ik dat u stiekem denkt: ‘ja hoor eens, een moedige politicus kiest natuurlijk altijd zijn eigen weg, ongeacht de risico’s’. Natuurlijk, dat is ook zo. En er zijn talloze voorbeelden van moderne, moedige politici die dagelijks impopulaire onderwerpen agenderen en verdedigen. Politici die werk maken van onderwerpen als Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen, de noodzaak van nieuwe duurzame energiepolitiek, wereldwijde voedselzekerheid enzovoort, ondanks dat hen dit zo goed als onzichtbaar maakt in de media en daarmee voor kiezers. Zoals ook de moderne politiek talloze voorbeelden kent van politici die dwars tegen de voorspellingen in van peilingen – waar ik overigens ook nog een betoog zou kunnen opbouwen – electoraal risicovolle beslissingen nemen omdat zij een grote innerlijke noodzaak voelen. Mijn opvolger gaf bijvoorbeeld meteen na aantreden een visitekaartje af.

Ik verzet mij hevig tegen de gemakkelijke gedachte dat de kwaliteit van politici de afgelopen decennia minder is geworden of dat de politiek oppervlakkiger en vluchtiger is. Deze nostalgische gedachte die nog wel eens door oude politieke mastodonten wordt geuit, miskent eenvoudig dat de maatschappelijke en politieke omgeving waarin politici hun werk doen met name het afgelopen decennium ingewikkelder en risicovoller is geworden.

Dit neemt niet weg dat er alle reden is om de staat van de politiek en het handelen van politici opnieuw goed en hardhandig te doordenken.
Als ik terugkeer naar Ido de Haan en zijn analyse van ‘constitutionele politiek’ dan denk ik dat je inderdaad kan vaststellen dat, als een gevolg van globalisering, de grote problemen in de multiculturele samenleving en komst van een mediacratie, samenleving en politiek zich opnieuw – moeten – grondvesten.

Politici, gekozen vertegenwoordigers van het volk, zullen daarin onvermijdelijk leiding moeten nemen. Zij dragen wel degelijk de verantwoordelijkheid om oplossingen aan te reiken voor grote maatschappelijke problemen. Of het nu gaat om het verminderen van de werkloosheid die voortkomt uit de internationale economische crisis, het op orde brengen van de staatshuishouding, het verminderen van de sociale en integratieproblemen, het beter beheersbaar en controleerbaar maken van het bureaucratische pandemonium (zoals Volkskrantcolumnist Bert Wagendorp deze week zo mooi opmerkte) of het aanpakken van klimaat- en energieproblemen

In het tweede deel van de masterclass heb ik de studenten gevraagd om – met achterlating van al hun theoretische kennis – eens na te denken over de noodzakelijke veranderingen in het politieke bestel en het handelen van politici.

Ik geef u eerst twee heel alledaagse observaties van de studenten door, waar ik even om moest lachen maar die ook onmiskenbaar veelzeggend zijn.
Na gesprekken met politici en een bezoek aan het parlement, verzuchtten de studenten om beurten dat zij het in het parlement interessanter en ook gezelliger vonden dan zij dachten en dat politici aardiger, welwillender en ook redelijker waren dan hun beeld van hen was.
En vorige week meldde een student dat zij, bezig met de opmaak van het slotessay, eindeloos op Google had gezocht naar foto’s van samenwerkende, vriendelijk met elkaar pratende politici en dat zij die niet had kunnen vinden.

Moderne politici zijn dagelijks verwikkeld in een harde overlevingsstrijd, een strijd om media- en publieke aandacht, in een strijd om het behagen en binden van hun kiezers. Politici zijn met handen en voeten gebonden aan kiezersverwachtingen, populariteitsvereisten en politieke mores. Het maakt hen onvrij om met wat meer afstand de grote problemen van deze tijd te aanschouwen. Het kan hen ook in een isolement brengen van eigendunk en zelfgenoegzaamheid, zo lang het ze goed gaat.

Maar niet alleen zijn de internationale problemen en risico’s, en de afhankelijkheid van derden bij het begrijpen en beheersen ervan, te groot; de vlucht in symbolische daadkracht, symbolische debatten over vooral de multiculturele samenleving die – ondanks daadkrachtige en soms oorlogszuchtige taal – niet leiden tot verbetering van het dagelijkse leven van mensen, ondermijnen de geloofwaardigheid en uiteindelijke effectiviteit van politici. En dit gevaar van politieke machteloosheid en ineffectiviteit op de lange termijn bedreigt alle politici, ook de populisten die zich vooral verheugen over de electorale winst op de korte termijn.

Politieke samenwerking over partijpolitieke grenzen heen, kent een grote noodzaak. Het vermeerdert de gedeelde kennis, het vergemakkelijkt het sluiten van de noodzakelijke compromissen en van het samen regeren.
De studenten hebben bedacht dat het goed zou zijn om kiezers bij de verkiezingen niet meer enkel op de eerste partij van hun voorkeur te laten stemmen maar ook een tweede en een derde voorkeursstem te laten uitbrengen: een zogenaamd ‘songfestivalsysteem’. Het dwingt politici zich beter rekenschap te geven van de politieke ‘umwelt’ waarin ze opereren en al in campagnetijd actief naar coalities te zoeken en deze te verdedigen, waarmee zij na de verkiezingen zouden willen regeren. Afgelopen zomer leidde de vergaande polarisatie tussen politici tot een gefragmenteerde verkiezingsuitslag en een bijna onbestuurbaar land. De ervaringen van de formatie en de idiotie van de totstandkoming van het huidige minderheidskabinet, zouden zich niet moeten herhalen.
Een zelfde milde dwang tot samenwerking zou uit kunnen gaan van het bij de gewone verkiezingen mogen uitbrengen van een adviserende stem op een voorkeurscoalitie. Ook dan geldt dat politici minder uitgedaagd worden om het conflict te zoeken met de electorale concurrenten (zoals Mark Rutte tijdens de laatste verkiezingen deed met Jan Peter Balkenende) maar al tijdens de campagne publiek samenwerking te zoeken met de latere en meest gewenste regeringspartner.
Daarbij lijkt het ons goed als de partijdiscipline en de onderlinge partijtegenstellingen verminderen. Een voorstel van de studenten is om Kamerleden in het parlement niet meer gegroepeerd naar partij te laten plaatsnemen maar bijvoorbeeld op alfabetische volgorde waardoor zij vaker samen optrekken en samenwerken.
Zelf voeg ik daar nog een suggestie naar Italiaans voorbeeld aan toe. Daar kiezen de leden van de verschillende oppositiepartijen samen één oppositieleider. Ook dat leidt onvermijdelijk tot betere samenwerking: de leiders zullen minder geneigd zijn elkaar vliegen af te vangen of elkaar te herhalen. Daarbij verandert het de verhouding tussen de grote en de kleinere oppositiepartijen. Denkt u zich eens in: het zal lang niet altijd vanzelfsprekend zijn dat de leider van de grootste oppositiepartij ook de oppositieleider wordt, bij de andere, kleinere partijen zijn wellicht beter gekwalificeerde kandidaten.
Veel politici maken zich zorgen over de zogenaamde kloof tussen politiek en burgers. Zij gaan eens in de zoveel tijd ostentatief (met een camera op hun nek) in koffiehuizen zitten, de deuren langs om te flyeren en beleggen bijeenkomsten waar burgers hun gal kunnen spuien. Al deze, dikwijls symbolische ontmoetingen betekenen niet werkelijk dat er met burgers wordt samengewerkt. Burgers bezitten veel kennis over, en dagelijkse ervaring met maatschappelijke en bureaucratische problemen, vaker dan nu gebeurt kunnen zij politici helpen oplossingen te formuleren. Met de komst van internet kan de kennis van burgers beter toegankelijk worden gemaakt, gebundeld en geselecteerd (zie bijvoorbeeld de ontwikkeling met ‘crowdsourcing’, waar in NL ook Maurice de Hond zich mee bezighoudt).
Een aantal jaren geleden heeft Rita Verdonk een ‘Ritawiki’ geïntroduceerd: burgers werden uitgenodigd om op haar site mee te schrijven aan haar verkiezingsprogramma. Het initiatief ging al snel kapot aan ‘reaguurders’ die site kaapten. Dat neemt niet weg dat het een goed idee was. Een idee van de studenten is om, verbonden aan de site van de Tweede Kamer, een ‘politieke wiki’ te starten waarop burgers oplossingen voor dringende en grote maatschappelijke problemen kunnen aanreiken. Vergelijkbaar met ‘wikipedia’ moet ook het debat over de inbreng van verschillende burgers zichtbaar kunnen zijn en moet zichtbaar kunnen zijn wie deelnemen aan een debat. Om te verhinderen dat de site gekaapt wordt, zou het een idee kunnen zijn dat burgers zich inschrijven met hun ‘digid’ die dan wel bekend is bij de Tweede Kamer maar niet zichtbaar is. Wel moet nagegaan worden of dit privacyproblemen geeft.

Onderlinge, harde competitie en concurrentie tussen politici en tussen parlementariërs en regering is slecht voor de openbaarheid. Angst voor misstappen en voor publieke vernedering leidt ertoe dat politici terugdeinzen voor het geven van inzicht in hun beweegredenen en in de wijze waarop zij tot een besluit zijn gekomen, met wie zij hebben gesproken en welke rol bijvoorbeeld lobbyisten hebben gespeeld. Het voorstel van Minister Donner om de Wet Openbaarheid Bestuur (WOB) verder in te perken en journalisten die de gangen van een minister willen nagaan, verder op achterstand te zetten, is een teken aan de wand.
Het is een misvatting dat een ‘cultuur van heimelijkheid’ de kwetsbaarheid van politici zou verminderen; het vergroot juist de achterdocht en de behoefte om politici hard af te rekenen als blijkt dat zij oneigenlijk informatie achterhouden.
Openbaarheid van informatie is een teken van politieke kracht, het versterkt de samenwerking met burgers en vergroot daarmee uiteindelijk ook de legitimiteit van beslissingen.
Het zou goed zijn als de Wet Openbaarheid Bestuur juist wordt verruimd en het aantal ‘uitzonderingsgronden’ voor het ter beschikking stellen van informatie aan journalisten en anderen, wordt verminderd
Naar mate beslissingen ingewikkelder worden (zoals bijvoorbeeld bij de Mexicaanse griep) zou het ook goed zijn als politici vaker laten zien ‘hoe’ zij tot een beslissing zijn gekomen, en niet enkel burgers ermee confronteren ‘dat’ zij een beslissing hebben genomen. Samen met de studenten pleit ik ervoor om vergelijkbaar met de Rekenkamer (die de doelmatigheid en rechtmatigheid van overheidsbestedingen onderzoekt) een onafhankelijke Besluitvormingskamer in te stellen die nagaat hoe een grote politieke beslissing tot stand is gekomen, op welke feiten en onderzoek deze is gebaseerd, welke derden daarbij een grote rol hebben gespeeld en wat hun belangen en motieven zijn.

Ervan uitgaand dat er sprake is van constitutionele politiek waarbij politiek en samenleving zich opnieuw grondvesten, zou het logisch zijn dat onze constitutie daarin ook een grote rol speelt. En dan bedoelen wij niet enkel in de schreeuwerige verdediging van een enkel grondrecht, zoals de vrijheid van meningsuiting of de vrijheid van godsdienst. Het kenmerk, maar ook de schoonheid, van onze constitutie is de gelijkwaardige botsing van grondrechten, van burgerlijke waarden, die erdoor op een vreedzame manier mogelijk wordt gemaakt. De grondwet constitueert daarmee ook heel letterlijk onze samenleving.
Betere kennis en een meer actieve verdediging van onze grondwet door politici, helpt wellicht ook burgers om met wat meer distantie, wat meer abstractie, politiek en maatschappelijk conflict en meningsverschil te beoordelen. Dit vereist echter wel dat de grondwet wordt vereenvoudigd en wordt verduidelijkt. Onze grondrechten zijn te cryptisch beschreven omdat ze tegelijkertijd ruimte laten voor uitzonderingsbepalingen door de overheid vast te stellen. Wij zijn voorstander van een nieuwe, moderne grondwet die eenvoudig en aantrekkelijk is en die daarmee ook een goed instrument in het onderwijs en in het politieke debat kan zijn.
Daarnaast is het hoog tijd om constitutionele toetsing in te voeren (diegenen die mijn werk van de afgelopen jaren kennen weten dat dit niet de eerste keer is dat ik hiervoor pleit). Niet alleen geeft het burgers een grotere mate van rechtsbescherming tegenover overheidsmacht, het brengt de grondwet ook tot leven omdat deze niet langer ‘een gesloten deur’ is voor burgers, zoals Thorbecke het ruim anderhalve eeuw geleden al omschreef.
Als samenleving en politiek een nieuw grondvest zoeken voor gezamenlijk handelen dan hopen wij dat die wordt gevonden in het zachtaardige, rechtstatelijke patriottisme dat onze constitutie biedt

Gisteravond kreeg ik bij DWDD de vraag, waarom komt u er nou mee, nu u aan de kant staat.
Aan de kant staan is ook reinigend en noodzakelijk om de politiek – waarvan ik houd – met wat meer distantie, wat minder politieke belangen, wat minder koortsachtig te kunnen gadeslaan en te beoordelen.

Ik dank de Universiteit van Tilburg, en in het bijzonder Hans van Driel en zijn staf voor de gelegenheid die zij mij hebben geboden. Ik dank vooral de Leonardostudenten voor het waardevolle onderzoek dat zij de afgelopen maanden hebben verricht en de vele levendige gesprekken en discussies die wij samen hebben gevoerd.

Dank u wel.

 

NB: Mevrouw Yvon de Witte meldt via twitter dat zij het idee voor een ‘songfestivalsysteem’ eerder op Facebook heeft voorgesteld en heeft vastgelegd bij de belastingdienst. Zij hecht aan vermelding daarvan: bij deze.

'Mevrouw Yvon de Witte meldt via twitter dat zij het idee voor een 'songfestivalsysteem' eerder op Facebook heeft voorgesteld en heeft vastgelegd bij de belastingdienst. Zij hecht aan vermelding daarvan: bij deze.

maandag, 11 april 2011

Robert Slijfer

Robert Slijfer

Twitter

Overlast in de buurt

In criminaliteit, enquête, samenleving, buren, de.
Iedereen heeft wel eens te maken met overlast in zijn eigen buurt/wijk. Dit varieert van geluidsoverlast bij de buren tot criminaliteit. Er zijn uiteraard -tig vormen van overlast op te noemen, maar om het overzichtelijk te houden heb ik het … Continue reading

vrijdag, 1 april 2011

Robert Slijfer

Robert Slijfer

Twitter

Een oude documentaire van ZEMBLA over Wilders (2010)

In criminaliteit, islam, politiek, samenleving, de, youtube.
Heel toevallig stuitte ik via youtube op deze documentaire van ZEMBLA “Wilders, profeet van de angst”. Ik heb hem goed bekeken en wat moet ik ervan zeggen…. tja… ik zelf dacht er al zo over maar deze documentaire bevestigde deze … Continue reading

donderdag, 17 maart 2011

Robert Slijfer

Robert Slijfer

Twitter

De Wietpas: Wel of niet in Venlo

In criminaliteit, politiek, samenleving, venlo, de, eerste, gemeente, gestart, persoonlijk.
Als de Gemeente Venlo de wietpas gaat introduceren dan vrees ik persoonlijk het ergste. In 2001 is Venlo gestart met het project Hektor, speciaal in het leven geroepen om de overlast van drugscriminaliteit aan te pakken. De eerste alinea uit … Continue reading

Aantal berichten op deze pagina: 30. De berichten op deze pagina zijn niet ouder dan 10109 uur (421,2 dagen). Berichtgemiddelde: 0,1 bericht per dag, 0,5 per week.

Volgende pagina

Pagina: 1 2