woensdag, 2 mei 2012

Paul Vermast

Paul Vermast

Hyves Linkedin Twitter Youtube Flickr GR

Herdenken

In weblog, 4 mei herdenking, herdenking, oorlog, tweede wereldoorlog, 4 mei, burgers, de, discussie, en meer.

Met enige verwondering zie ik deze dagen een discussie woeden over de vier mei herdenking en of daar wel of geen Duisters, dan wel Nederlandse overlopers (mogen) worden herdacht. Zie hier, hier en daar.

Op wikipedia vind ik het volgde over de 4 mei herdenking: “Men herdenkt tijdens de Nationale Herdenking allen – burgers en militairen – die in het Koninkrijk der Nederlanden of waar ook ter wereld zijn omgekomen sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog (men gaat hierbij uit van 10 mei 1940), in oorlogssituaties en bij vredesoperaties.”
In deze definitie wordt geen onderscheid gemaakt aan welke ‘kant’ iemand stond tijdens de oorlogssituatie waarin men slachtoffer werd. Ik vind het echt wonderlijk dat er niet ook mensen kunnen worden herdacht die in onze ogen, een half mensenleven ná de oorlog, aan de verkeerde kant stonden.

Voor mij, maar dat is wellicht persoonlijk, staat voorop dat we ieder mensenleven herdenken dat verloren is gegaan in de zinloosheid van oorlog en gewapende conflicten. Dat we stil staan bij de vrijheid die wij iedere dag en dat het ons (in vergelijking met heel velen in de wereld) verschrikkelijk goed gaat in dit land.

In Dronten herdenken we ieder jaar in het bijzonder de Airgunners, de boordschutters van de Engelse luchtmacht, waarvan er vele zijn omgekomen toen ze in de zee storten die onze gemeente toen nog was. Na het Wilhelmus klinkt ieder jaar ook meteen het Britse God save the Queen dat evenzeer uit volle borst wordt meegezongen. Dat vind ik ieder jaar weer een ontroerend moment.

Het zou voor mij een wens zijn dat we bij de herdenking naast ons eigen Wilhelmus ook het Europese “Alle Menschen werden Brüder” (Ode an die Freude) gaan spelen. Het volkslied van de Europese Unie die ons al 60 jaar vrede, veiligheid en welvaart heeft gebracht met de oude vijanden van weleer waarmee we nu ‘gebroederlijk’ samenleven. Met hen delen we deze verschrikkelijke geschiedenis. Het zou goed zijn deze ook met hen te gedenken vanuit dezelfde gedachte waarmee ooit de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal werd opgericht: “nie wieder krieg”.

Paul Vermast

Paul Vermast

Hyves Linkedin Twitter Youtube Flickr GR

Herdenken

In weblog, 4 mei herdenking, herdenking, oorlog, tweede wereldoorlog, 4 mei, de, discussie, duisters, en meer.

Met enige verwondering zie ik deze dagen een discussie woeden over de vier mei herdenking en of daar wel of geen Duisters, dan wel Nederlandse overlopers (mogen) worden herdacht. Zie hier, hier en daar.

Op wikipedia vind ik het volgde over de 4 mei herdenking: “Men herdenkt tijdens de Nationale Herdenking allen – burgers en militairen – die in het Koninkrijk der Nederlanden of waar ook ter wereld zijn omgekomen sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog (men gaat hierbij uit van 10 mei 1940), in oorlogssituaties en bij vredesoperaties.”
In deze definitie wordt geen onderscheid gemaakt aan welke ‘kant’ iemand stond tijdens de oorlogssituatie waarin men slachtoffer werd. Ik vind het echt wonderlijk dat er niet ook mensen kunnen worden herdacht die in onze ogen, een half mensenleven ná de oorlog, aan de verkeerde kant stonden.

Voor mij, maar dat is wellicht persoonlijk, staat voorop dat we ieder mensenleven herdenken dat verloren is gegaan in de zinloosheid van oorlog en gewapende conflicten. Dat we stil staan bij de vrijheid die wij iedere dag en dat het ons (in vergelijking met heel velen in de wereld) verschrikkelijk goed gaat in dit land.

In Dronten herdenken we ieder jaar in het bijzonder de Airgunners, de boordschutters van de Engelse luchtmacht, waarvan er vele zijn omgekomen toen ze in de zee storten die onze gemeente toen nog was. Na het Wilhelmus klinkt ieder jaar ook meteen het Britse God save the Queen dat evenzeer uit volle borst wordt meegezongen. Dat vind ik ieder jaar weer een ontroerend moment.

Het zou voor mij een wens zijn dat we bij de herdenking naast ons eigen Wilhelmus ook het Europese “Alle Menschen werden Brüder” (Ode an die Freude) gaan spelen. Het volkslied van de Europese Unie die ons al 60 jaar vrede, veiligheid en welvaart heeft gebracht met de oude vijanden van weleer waarmee we nu ‘gebroederlijk’ samenleven. Met hen delen we deze verschrikkelijke geschiedenis. Het zou goed zijn deze ook met hen te gedenken vanuit dezelfde gedachte waarmee ooit de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal werd opgericht: “nie wieder krieg”.

dinsdag, 1 mei 2012

Hans Groen

Hans Groen

Twitter

Alternatief voor 3% begrotingsregel.

In economie, europa, maatschappij, klimaat, milieu, politiek, vrijheid, de, discussie, en meer.
Met het lenteakkoord laait de discussie op over de effectiviteit van een indicator die gebaseerd is op het BNP[=BNI] of op het BBP. Menig econoom maar ook GroenLinks pleit al langer voor het hanteren van een bredere duurzaamheidsindex die meer recht doet aan de ontwikkeling van maatschappij en milieu in relatie tot onze economie. Wat [...]

maandag, 30 april 2012

Harrie Winteraeken

Harrie Winteraeken

GR

Bezuinigen op studenten: meer thuis studeren en dubbel terugbetalen studiekosten?

In politiek, algemeen, arbeid, belasting, betalen, bezuinigen, bezuinigingen, crisis, de, en meer.

In het bestrijden van de economische crisis dreigen ook studerenden bovenmatig te moeten bijdragen. Er dreigen bezuinigingen op de beurzen en de openbaar vervoerregeling. Het lijkt erop dat men ernaar streeft dat er meer vanuit thuis wordt gestudeerd.
Hoewel de meeste volwassenen eigenlijk het ouderlijk huis willen verlaten, wordt waarschijnlijk gedacht dat thuis studeren niet zo’n probleem hoeft te zijn voor de Randstad. Daar is met relatief korte afstanden volop aanbod van onderwijs, in alle vormen en maten. Maar gaan die bezuinigingen niet extra problemen veroorzaken in de buitenprovincies? Want daar is het aanbod minder gevarieerd en zijn de afstanden groter.
Zo kan het bovenmatig bezuinigen op studenten ook voor Limburg en in het bijzonder Maastricht een probleem worden. Er zullen minder studenten van ‘verder weg uit Nederland’ komen. Die tendens is nu al duidelijk zichtbaar. Het aantal buitenlandse studenten neemt wel toe, omdat Maastricht een aantrekkelijke studiestad is. Maar inmiddels staat ook de compensatie voor buitenlandse studenten ter discussie.

Een van de geopperde varianten om te bezuinigen is een volledige leenbeurs. Je zal je maatschappelijke carrière maar beginnen met een nog grotere schuld. Ook een extra probleem als je als starter een hypotheek wil hebben. Tegenwoordig is dat al een grote last voor de meeste studenten.
De leenbeurs wordt vaak vergoelijkt met het perspectief op een hoger inkomen: “Later verdienen die studenten toch genoeg.” En waarschijnlijk is er ook een positief verband tussen de mate van genoten onderwijs en de inkomsten uit arbeid. Maar als men een relatief hoog inkomen heeft, dan betaalt men over het algemeen ook fors meer belasting. Zo betalen de gestudeerden indirect toch al de kosten van hun studie terug. Dan hoeft men er rechtstreeks niet nog meer voor te betalen?

zondag, 29 april 2012

Gerben Kappert

Gerben Kappert

Linkedin

Oranje in 2012 (deel 10; april 2012)

In oranje in 2012, voetbalzondag, nederlands elftal, oekraïne, oranje, polen, voetbal, voetbalzondag, de, en meer.

Keepers: Geen probleem

Verdedigers: Flink probleem. Urby op links lijkt me nog de meest logische optie, ook al speelt hij daar in Milaan bijna nooit. Vlaar en Boula hebben tegen Engeland toch laten zien dat we erg kwetsbaar zijn achterin.

Middenveld: Affelay net op tijd fit. Wijnaldum heeft dus een probleem.

Voor: Van Nistelrooy definitief niet, net bevestigd door Van Marwijk. Was op deze site allang te lezen.

De kampioen (vandaag?) is het enige team dat constant speelt de afgelopen maanden. Profiteren spelers daarvan? Is Van Rhijn de meest logische backup van Van der Wiel (en het centrum!), mag zelfs Blind hopen? Is Anita inderdaad zo belangrijk? Is Boerrigter op tijd fit?

Totaal: 17 namen zijn zo goed als zeker. Pieters als hij fit is ook, hoe vreemd dat ook is. Het gaat dus om de laatste vijf. Mijn gok op dit moment: Anita, Emmanuelson, Affelay, Boerrigter en toch Boulahrouz.

Doel
Maarten Stekelenburg 90
Michel Vorm 90
Tim Krul 90

Kenneth Vermeer 30

Verdediging
Gregory van der Wiel 90
John Heitinga 90
Joris Mathijsen 90
Jeffrey Bruma 90
Vurnon Anita 70
Erik Pieters 60
Khalid Boulahrouz 60

Edson Braafheid 40
Ron Vlaar 30
Hedwiges Maduro 20
Ricardo van Rhijn 20
Daley Blind 10
Ryan Donk 10
Kelvin Leerdam 10
Stefan de Vrij 10

Middenveld
Mark van Bommel 90
Wesley Sneijder 90
Rafael van der Vaart 90
Kevin Strootman 90
Nigel de Jong 90
Urby Emmanuelson 60
Ibrahim Affelay 60

Georgino Wijnaldum 50
Stijn Schaars 50
Adam Maher 10
Leroy Fer 10
Siem de Jong 10

Aanval
Dirk Kuyt 90
Klaas Jan Huntelaar 90
Robin van Persie 90
Arjen Robben 90
Luuk de Jong 90
Derek Boerrigter 30

Ola John 30
Luciano Narsingh 30
Bas Dost 20
Jeremain Lens 20
Ricky van Wolfswinkel 10
Ryan Babel 10

Oranje in 2012. Een maandelijkse serie waarin de kansen van de mogelijke Oranje-kandidaten worden ingeschat. Mijn persoonlijke voorkeur heeft er dus niets mee te maken. Nog 43 kandidaten voor 23 plekken. De discussie is open. Suggesties, op- en aanmerkingen zijn welkom.


vrijdag, 27 april 2012

Diederik ten Cate

Diederik ten Cate

Twitter DWARS

Wat staat er eigenlijk in het Stabiliteitsprogramma?

In uncategorized, aankoop, agenda, akkoord, alexander, algemeen, allochtonen, aow, arbeidsmarkt, en meer.

Kunduz-coalitie, wandelgangakkoord, SASJA (Sybrand, Alexander, Stef, Jolande en Arie) of lenteakkoord; hoe je het noemt geeft eigenlijk al aan wat je ervan vindt. Het stabiliteitsprogrammma voor 2013 dat gistermiddag door GroenLinks, D66, ChristenUnie, de VVD en het CDA werd gepresenteerd.

De gedoogcoalitie onderhandelde er zonder succes zeven werken over in het Catshuis. Maar vijf partijen in de Tweede Kamer hadden aan 48 uur genoeg om een akkoord in elkaar te timmeren. De media schrijven vandaag vol lof over het het huzarenstukje, waarin vier maanden voor de verkiezingen, vijf moedige politieke leiders ‘over hun eigen schaduw heen sprongen.’ Of zoals Volkskrant-collumniste Sheila Sitalsing schrijft: “Eerst gaan we ons laven aan de wilde gedachte dat tussen alle politieke versplintering, al het cynisme, al die roeptoeterende clowns en operettefiguren aan de flanken, Nederland nog steeds Nederland is. Een bestuurbaar land waar je met ouderwets polderen en een vleugje durf bergen kan verzetten. Waar de mensen, wanneer het water komt, eendrachtig een treintje maken en zandzakken gaan stapelen.”

Iedereen heeft er een mening over. Had Samsom wel mee moeten doen, of juist niet?  Wat vinden de kiezers ervan? Wie heeft er een strategische fout gemaakt? In alle politieke commotie dreigt de inhoud weer eens overschaduwt te worden. Want wat staat er eigenlijk in het stabiliteitsprogramma? Hoe komt het dat GroenLinks haar handtekening hier onder heeft kunnen zetten en wat is daar volgens de PvdA en de SP zo op tegen?

Terugdraaien bezuinigingen op kwetsbare groepen (o.a. op het PGB en Passend Onderwijs)

GroenLinks, D66 en ChristenUnie hebben flink oppositiegevoerd tegen een aantal pijnlijke maatregelen van dit kabinet. Het stabiliteitsprogramma bevat een aantal maatregelen om de overheidsbegroting op orde te krijgen, maar de partijen wilden ook duidelijk maken dat zij heel andere keuzes maken dan de VVD en het CDA met de PVV konden maken. De meest besproken bezuinigingen van het kabinet Rutte I worden daarom teruggedraaid. Hoofdlijn van het stabiliteitsprogramma is dat kwetsbare groepen meer worden ontzien en dat in plaats van de kaasschaafmethode, Nederland een aantal grote hervormingen zal ondergaan.

Jolande Sap noemde in het Kamerdebat van dinsdag al dat de bezuinigingen op natuur, het Passend Onderwijs en de de Persoonsgebonden Budgetten (PGB’s) van tafel moesten, wilde GroenLinks voor een begroting voor 2013 tekenen. Uiteindelijk heeft ze nog  veel meer binnengehaald, maar het terugdraaien van deze bezuinigingen zijn een belangrijk kenmerk. De PGB’s, waarmee zorgbehoevende een budget krijgen waarmee ze zelf zorg kunnen inkopen, werden in de originele kabinetsplannen vrijwel geheel geschrapt. Dat gaat nu niet door.

Ook de bezuinigingen op het passend onderwijs gaat niet door. Het gaat dan om de bezuinigingen die het kabinet wilde invoeren op bijzonder onderwijs en begeleiding voor leerlingen met gedrags-  of leerproblemen. Dit zou leidden tot verlies van veel banen in het bijzonder onderwijs, maar ook tot grotere klassen, wachtlijsten voor het bijzonder onderwijs en zorgleerlingen die in het regulier onderwijs hun hoofd boven water moeten zien te houden zonder geld voor extra begeleiding.

De bezuiniging op griffierechten, waarmee het een stuk duurder wordt om een zaak voor de rechter te brengen, wordt eveneens teruggedraaid. Ook de cultuursector wordt iets gecompenseerd voor de harde bezuinigingen waar zij mee te maken hebben gekregen: uitvoerende kunst komt weer in het lage BTW-tarief.

De huishoudinkomenstoets, waarmee mensen hun uitkering verliezen als een inwonend familielid, bijvoorbeeld een kind, een inkomen verwerft, wordt ook teruggedraaid. Met name wethouders van de grote steden maakten zich om deze maatregel grote zorgen. Ook de 100 miljoen bezuinigingen op preventieve/palliatieve zorg worden teruggedraaid, net zoals er 40 miljoen bezuinigingen via de eigen bijdrage voor de GGZ.

Een andere bezuinigingspost van het kabinet, het openbaar vervoer, wordt ook gespaard door het stabiliteitsprogramma. Tot slot gaan ook de bezuinigingen van Bleker op natuur niet door. In het natuurakkoord dat de staatssecretaris met provincies heeft gesloten staat dat zij verantwoordelijk worden voor het natuurbeleid, maar dat zij daar wel fors minder geld voor krijgen dan het rijk nu aan natuurbeleid uitgeeft. Natuurorganisaties reageerden vandaag positief doordat het stabiliteitsprogramma meld dat er in 2013 200 miljoen extra voor natuur beschikbaar komt.

De zware bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking die tijdens de Catshuisonderhandelingen dreigden zijn nog niet doorgevoerd, maar het was duidelijk dat er met de PVV geen akkoord te maken viel, zonder een hele  forse korting op de uitgaven voor ontwikkelingssamenwerking. Dat is nu ook van de baan, Nederland blijft 0,7% van haar BNP aan ontwikkelingssamenwerking uitgeven.

Groene Agenda

In het stabiliteitsprogramma zit bovendien een hele indrukwekkende groene agenda, door een combinatie van maatregelen. Het belastingstelsel wordt ingrijpend vergroent door vervuilende energie zwaarder te belasten. Het stabiliteitsprogramma noemt in dit kader de aardgasheffing, kolenbelasting, rode diesel, leidingwater en eurovignet. De onbelaste reiskostenvergoeding, inclusief het onbelaste privégebruik van lease-auto’s wordt afgeschaft, waardoor het aantrekkelijker wordt om dichter bij je werkt te gaan wonen.

Daarnaast wordt er  280 miljoen uitgegeven voor verduurzaming van de economie, onder meer voor woningisolatie. Er is sprake van dat zonnepanelen onder het lage BTW-tarief van 6% gaan vallen. En zoals gezegd wordt 200 miljoen die het kabinet wilde bezuinigen op natuur teruggedraaid.

Pensioenleeftijd

Na een lange discussie kwamen op 10 juni 2011 vakbonden, werkgevers en het kabinet een pensioenakkoord overeen. Het pensioenakkoord verscheurde de FNV en leidde uiteindelijk tot haar ondergang – op dit moment wordt gewerkt aan de vorming van een nieuwe vakbond. In het oorspronkelijke pensioenakkoord gaat in 2020 de AOW-leeftijd omhoog naar 66 jaar en groeit vanaf dan de pensioenleeftijd mee met de groei van de levensverwachting, waardoor in 2025 de AOW-leeftijd 67 jaar zou worden.

Het stabiliteitsprogramma breekt met dit pensioenakkoord en gaat eerder de pensioenleeftijd verhogen. Al in 2013 zal de AOW-leeftijd met 1 maand omhoog gaan en zal vervolgens in stappen verder verhoogt worden zodat in 2019 de AOW leeftijd om 66 jaar ligt en in 2024 op 67 jaar. Vanaf 2024 wordt de AOW aan de levensverwachting gekoppeld.

Volgens partijen als D66 en GroenLinks is een snellere stijging van de pensioenleeftijd te rechtvaardigen als je kijkt naar de stijging van de levensverwachting die sinds de invoering van de AOW-leeftijd heeft plaatsgevonden. Bovendien benadrukken zij de solidariteit tussen generaties: de huidige en aankomende groep gepensioneerden heeft veelal riante pensioenregelingen. Nu de vergrijzing er aan komt moeten de generaties na hen met veel minder mensen de AOW gaan opbrengen voor een veel grotere groep ouderen. De PvdA is tegen aanpassing van het moeizame compromis dat via het originele pensioenakkoord tot stand is gekomen en de SP is sowieso tegen elke verhoging van de pensioenleeftijd.

Arbeidsmarkt

Nog zo’n onderwerp waar de politiek al jaren tegenaan hikt is de aanpassing van de ontslagbescherming. De huidige ontslagbescherming zorgt er volgens een partij als GroenLinks voor dat mensen met een vast contract zo goed beschermt zijn dat een werkgever wel oppast om mensen een vast contract te geven. Het gevolg is een tweedeling tussen insiders en outsiders op de arbeidsmarkt: insiders met een vast contract zijn goed beschermd en voor hen gelde riante regelingen met betrekking tot hypotheekverstrekking en pensioenopbouw. De outsiders zitten in flexibele contracten of worden als zzp-er bij een bedrijf aangenomen. Jongeren en allochtonen zijn oververtegenwoordigd in deze groep. Als economisch de wind tegen zit zijn dit de groep mensen die er het eerst uitvliegen. GroenLinks pleit er al veel langer voor dat deze tweedeling op de arbeidsmarkt doorbroken moet worden. Van werkgevers moeten we niet vragen om hoge ontslagvergoedingen te betalen aan een groep die er toch al goed voorstaat, werkgevers zouden veel meer moeten investeren in het bieden van kansen aan haar werknemers, bijvoorbeeld via scholing. De arbeidsmarkt moet er niet op gericht zijn dat niemand meer zijn baan kwijt raakt, dat is in de geglobaliseerde economie onmogelijk geworden. De arbeidsmarkt moet erop gericht zijn dat, wanneer ontslagen, iedereen vervolgens weer ergens anders aan de slag kan.

Ook op dit punt van de ontslagbescherming is er een doorbraak bereikt. De ontslagvergoedingen worden beperkt, al is nog niet uitgewerkt op welke manier dit moet gebeuren. Daar staat tegenover dat de eerste zes maanden van de Werkloosheidsuitkering door de werkgever betaald moeten worden. Bovendien gaat het geld dat werkgevers niet meer hoeven te investeren in ontslagvergoedingen naar scholing voor hun werknemers en werk-naar-werk trajecten. Dit zorgt er dus voor dat het voor een werkgever aantrekkelijk is om ook gedurende het dienstverband in zijn werknemers te blijven investeren en dat, als hij gedwongen is om mensen te ontslaan, het voordelig is om een actieve rol te spelen zodat zij ergens anders snel weer aan de slag kunnen.

Deze arbeidsmarktwijziging past dus heel goed in het verhaal van GroenLinks en ook D66 dat mensen nieuwe zekerheden geboden moet worden: niet langer de zekerheid op een vaste baan staat centraal, maar de zekerheid op het vinden van nieuw werk. SP en in mindere mate de PvdA geloven hier niet in en vinden dat bestaande zekerheden worden afgebroken. Net als op het issue van de pensioenleeftijd is echter de PvdA hier ook de afgelopen jaren voorzichtig wat op gaan draaien en vormt ook dit onderwerp daarom een lastig campagnethema voor Samsom.

Woningmarkt

Het derde belangrijke dossier waarop in Den Haag al jaren gesteggeld wordt is de hypotheekrenteaftrek. Ook op dit thema is een voorzichtige doorbraak geboekt. Mensen kunnen enkel nog hypotheekrenteaftrek voor nieuwe hypotheken krijgen indien ze een hypotheek hebben die ze binnen 30 jaar aflossen. Fiscale subsidiëring van aflossingsvrije hypotheken behoort dus tot het verleden.

Daar staat tegenover dat ook de huurmarkt hervormd wordt. De laagste inkomens worden inzien, maar de huren voor mensen met een inkomen in de categorie 33 000 tot 43 000 mogen 1 procentpunt sneller stijgen dan de inflatie.

In de discussie over de Nederlandse woningmarkt wil links de hypotheekrenteaftrek aanpakken, terwijl rechts wil dat de huren meer marktconform worden. In het akkoord moeten beide kanten water bij de wijn doen en vind er een door links gewenste hervorming op de hypotheekrenteaftrek plaats als een door rechts gewenste hervorming op de huurmarkt.

Zorg

Begrotingstechnisch is de financiering van de gezondheidszorg één van de grootste hoofdpijndossiers. De kosten van de zorg lopen al jaren enorm op en het ziet er naar uit dat met de aanstaande vergrijzing deze kostenpost nog veel groter zal gaan worden. Bezuinigen op de zorg zijn impopulair, maar lijken onoverkomelijk.

In het stabiliteitsprogramma is afgesproken dat mensen meer zelf moeten gaan bijdragen in de kosten voor de Algemene Wet Bijzonder Ziektekosten. Lage inkomens zullen worden gecompenseerd doordat ze een hogere zorgtoeslag krijgen. Het plan van de Catshuisonderhandelaars dat patiënten per medicijn 9 euro zelf moeten bijdragen is wel van tafel.

De SP en de PVV proberen zich te profileren als de partijen die pal staan voor de zorg. Bezuinigingen voor de zorg liggen daarom ook zeer gevoelig bij deze partijen, en voor de SP lijkt dit een natuurlijk campagnethema.

Nullijn voor ambtenaren

Een makkelijke manier om geld te besparen is als de overheid minder geld gaat uitgeven aan ambtenarensalarissen. Bezuinigen op de bureaucratie is juist één van de weinige populaire maatregelen die er zijn om geld te besparen. Maar de maatregel komt ineens in een ander daglicht te staan nu met name de PvdA benadrukt dat het ook gaat om leraren en politieagenten. Zij zullen volgens het stabiliteitsprogramma te maken krijgen met een nullijn: hun salaris zal, ondanks de inflatie, in absolute zin gelijk blijven. Omdat er al een tekort voor personeel in de zorg dreigt, zal deze nullijn niet voor zorgpersoneel gaan gelden. Overigens worden ook de uitkeringen niet bevroren.

BTW-verhoging

Eén van de maatregelen die mensen meteen gaan voelen is de verhoging van de BTW. Volgens het stabiliteitsprogramma gaat in oktober het hoge BTW-tarief met 2% omhoog van 19 naar 21%. Dat betekend dat over iedere aankoop die je doet je 2% meer belasting moet betalen. Met andere woorden: alles zal 2% duurder worden. In de woorden van Diederik Samsom: mensen zullen dit direct in hun boodschappenmandje voelen.  Doordat de accijnzen op tabak, frisdrank en alcohol worden verhoogd zullen deze producten een extra scherpe prijsstijging meemaken.

Uit onderzoek blijkt dat lage inkomens relatief een groter deel van hun inkomen aan consumptie uitgeven dan hogere inkomens, omdat zij minder geld hebben om te sparen. Een BTW-verhoging raakt daarom lage inkomens extra hard. Om de pijn te verzachten schrijft het stabiliteitsprogramma dat de BTW-verhoging vanaf 2013 in toenemende mate wordt gecompenseerd door een lagere inkomstenbelasting, in het bijzonder voor werkenden met een lager inkomen.

Dat past in een trend die GroenLinks al veel langer bepleit. GroenLinks wil dat bedrijven zwaarder worden belast voor de vervuiling die zij veroorzaken, en minder hoeven te betalen aan belasting over arbeidskosten. Dat leidt ertoe dat er milieuvriendelijker zal worden geproduceerd en meer banen worden gecreëerd. Omdat consumptie over het algemeen vervuilend is heeft deze combinatie van maatregelen gedeeltelijk een zelfde effect. Consumeren wordt duurder, maar werken gaat meer opleveren.

Hoge Inkomens

In het Kamerdebat gister verweet Samsom de vijf partijen dat ze niets doen om ook van hoge inkomens een bijdrage te vragen. Dat is niet geheel waar. Behalve dat op verschillende punten lage inkomens worden ontzien, staan er ook maatregelen in die expliciet een bijdrage van de hoogste inkomensgroepen vragen. Hoge inkomens en bonussen krijgen in 2013 te maken met een belasting (‘crisisheffing’) die een half miljard moeten opbrengen. Daarnaast worden excessieve vertrekbonussen niet langer belast met 30%, maar met 75%.

Interessant in deze context is dat er ook een versobering van de wachtgeldregeling voor politici in het stabiliteitsprogramma zit. De maximumduur dat een politicus recht heeft op wachtgeld wordt gelijkgesteld aan de maximale WW-duur.

Ook bedrijfsleven en banken komen niet weg. Bijna een half miljard aan geplande lastenverlichting voor het bedrijfsleven gaat niet door en de bankenbelasting wordt verdubbeld.

Overig

Al met al zijn de bezuinigingen niet geheel pijnloos. Dat is ook niet mogelijk als je ineens vele miljarden minder moet gaan uitgeven. Wel is duidelijk dat het stabiliteitsprogramma poogt een stuk socialer beleid te voeren dan Kabinet Rutte 1 en dat er een flinke groene agenda aan is toegevoegd. In plaats van de kaasschaaf over veel posten heen te halen, wordt er gekozen voor een aantal forse hervormingen in de Nederlandse publieke sector, gecombineerd met een aantal stevige lastenverzwaringen.

De SP en de PvdA hebben hun handtekening niet onder dit akkoord gezet en zullen daarom oppositie voeren tegen dit pakket. Opvallend is dat in het Kamerdebat gisteren Samsom niet al zijn pijlen richtten op plannen waar de partijen in het akkoord bewust voor kiezen, maar dat hij op zoek was naar andere manieren om het SASJA/FC Kunduz moeilijk te maken. Zo ontstond er onduidelijk over een zin uit het stabiliteitsprogramma die spreekt van ‘diverse taakstellingen op de Rijksbegroting’ die 0,875 miljard moeten opleveren.

Ook bevroeg Samsom GroenLinks-leider Jolande Sap vinnig op de Wet Werken naar Vermogen (WWNV). De WWNV is een wet die de uitkering voor jonggehandicapten (Wajong), de Sociale Werkvoorziening (SZW) en de bijstand bij elkaar voegt in één regeling en daarbij flinke bezuinigingen doorvoert op de SZW en de Wajong. De WWNV is een wet die nog niet is ingevoerd en waar GroenLinks zich altijd tegen heeft verzet. Hij staat niet genoemd in het Stabiliteitsprogramma, en met de opmerking van Sap dat deze maar controversieel verklaart zou moeten worden en daarmee  tot aan de verkiezingen nog niet in behandeling zou moeten worden genomen nam Samsom zichtbaar geen genoegen. Maar zoals Sap hem toewierp: als je mee had onderhandeld, dan hadden we er samen nog meer uit kunnen slepen.


maandag, 23 april 2012

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Wat ik zou zeggen in het geschrapte debat over cultuurbeleid

In eerste kamer, politiek, kinderen, kritisch, kunst, kunst en cultuur, lezen, licht, liefde, en meer.

(door de val van het kabinet gaat op 24.04 het debat over cultuurbeleid niet door in de Eerste Kamer. Dit was mijn inbreng voor dat debat:)

Voorzitter, het lijkt niet zo heel erg nuttig om vandaag met elkaar te spreken over de principiële kanten van het cultuurbeleid. Niet alleen lijken er belangrijker onderwerpen te bestaan, maar het handelingsperspectief van deze staatssecretaris is het afgelopen weekeinde een heel stuk korter geworden. Heeft het dan zin om in deze Kamer te debatteren over fundamentele visies? Waar moet het heen met kunst en cultuur in ons land en komen we daar wel met het nu ingezette beleid en de draconische bezuinigingen? Wezenlijke vragen, maar met een vleugellamme staatssecretaris schiet dat niet op.

Als we er dan toch over spreken, dan moet het maar in het licht van de toekomst. Waar gaan we naartoe ná het tijdperk Zijlstra? Wat staat er als stip op de horizon en wat moeten we vandaag doen of nalaten om te voorkomen dat we heel ergens anders uitkomen? Welke bijsturing kan niet wachten op een nieuw kabinet? Natuurlijk raakt dat aan de bezuinigingen, maar tegelijk is die financiële discussie enkel het sluitstuk. Het begint ergens anders.

De eerste wezenlijke vraag bij cultuurbeleid betreft het doel. Waar is cultuur eigenlijk goed voor en wat is er nodig om dat te stimuleren? In de beleidsnota Meer dan kwaliteit lezen we dan: “Cultuur staat zowel voor binding, identiteit en traditie als voor dynamiek, creativiteit en vernieuwing.” En verder gaat het in de nota dan de hele tijd over hoe dat georganiseerd moet worden. Het gaat dan ook binnen de kortste keren over het economische rendement. En zo wordt over cultuureducatie gezegd: “De spontaniteit en verbeelding die cultuur losmaakt, zijn in onze tijd niet alleen gevraagd, maar vaak ook vereist: ’A firm needs more than an efficient manufacturing process, cost-control and a good technological base to remain competitive’.” Dat is natuurlijk zo, maar wie heeft er in hemelsnaam bedacht dat we een bedrijfskundige redenering nodig hebben om cultuureducatie te verantwoorden?

Het valt dan ook op dat de hele beleidsnota draait om ‘meer dan kwaliteit’, maar dat die kwaliteit zelf nergens ter sprake komt of beschreven wordt. Die wordt kennelijk als vanzelfsprekend beschouwd en vervolgens draait het hele beleid om andere zaken: meer publiek aantrekken, meer eigen geld verdienen, participatie en educatie, erfgoedbeheer, en regionale spreiding. Ik wil er wel bij zeggen dat ik die doelen allemaal niet verkeerd vind, maar de onderliggende vraag naar kwaliteit wordt angstvallig vermeden.

Misschien heeft dat ermee te maken dat de staatssecretaris vanuit zijn eigen opleiding kwaliteit vooral benadert in marketingtermen. Kwaliteit is dan voldoen aan de verwachtingen van de klant. Er is echter ook een andere definitie, die veel meer het hart raakt: kwaliteit is de mate waarin de intrinsieke eigenschappen van een goed tot uitdrukking worden gebracht. Bij de intrinsieke eigenschappen van kunst horen in elk geval zaken als schoonheidsbeleving, het vermogen om mensen in beweging te brengen, te ontroeren, te verrassen, aan het denken te zetten, enzovoorts. Hoe meer dit gebeurt, des te gelaagder en geslaagder de kunst. En als we het over het bredere veld van cultuur hebben, dan horen bij de intrinsieke eigenschappen in elk geval het construeren, communiceren en innoveren van traditie en identiteit. Of het nu gaat om hoge cultuur, volkscultuur of populaire cultuur, kwaliteit heeft direct te maken met dergelijke intrinsieke eigenschappen en ik vraag de staatssecretaris waarom hij daar geen woord aan wijdt. Zonder een dergelijk principieel ankerpunt is het namelijk onmogelijk vast te stellen of de andere doelen die hij met zijn beleid nastreeft, sporen met deze kwaliteit.

Hier ligt dus ook een belangrijke vraag bij de samenhang van de beleidsdoelen. Wat doet de staatssecretaris als kwaliteit, het bereiken van het publiek, regionale spreiding, internationaal bereik en het aantrekken van externe financiering niet samenvallen? Hoe weegt hij dan de verschillende aspecten? Gaat dan de regionale spreiding voor kwaliteit of andersom? Ik zou hier graag nader toelichting over horen. Ik vind het namelijk van groot belang dat zo veel mogelijk mensen toegang hebben tot kunst en cultuur, maar ook dat er ruimte is voor het kleine en bijzondere.

Het grote risico van de benadering van de staatssecretaris is een instrumentalisering van kunst en cultuur. Zo krijgt de creatieve industrie een speciale plaats omdat het bijdraagt aan de economische topsectoren, is cultuureducatie goed om kinderen voor te bereiden op het bedrijfsleven en de internationale wereld, en is culturele internationalisering behulpzaam bij de buitenlandse betrekkingen en “het Nederlands economisch belang, door verbanden tussen cultuur, handel en economie te benadrukken.” En zo gaat het door. De beleidsnota begint met een paragraaf over markt en overheid, Cultuur in beeld rekent ons precies voor wat het kost en opbrengt, enzovoorts. Tamelijk obligaat staat het er dan in een tussenzin: “Vanzelfsprekend laat de waarde van cultuur zich niet alleen in cijfers uitdrukken.” Maar dat is te weinig. Als cultuur nuttig moet zijn voor iets anders, dan ondermijnt dat rechtstreeks de eigen ruimte die kunst en cultuur moeten hebben. Dat bedenk ik niet alleen; ook de Telderstichting schrijft in haar recente advies: “Leg in de legitimering van cultuursubsidies niet te veel nadruk op de instrumentele waarde van cultuur, maar rechtvaardig de rol van de overheid vanuit de intrinsieke waarde van kunst en cultuur.” Ik vraag de staatssecretaris hoe hij denkt over dit advies van zijn partijgenoten. En als hij toch bezig is, ben ik ook benieuwd naar zijn visie op de inbreng van zijn partijgenoot De Liefde in het debat aan de overzijde die suggereerde dat van de zeven leden van cultuursubsidiecommissies drie zich zouden moeten buigen over artistieke kwaliteit en de andere vier over communicatie, marketing, ondernemerschap en financiën. Is de staatssecretaris het met mij eens dat daarmee cultuur ondergeschikt wordt gemaakt aan commercie.

Voorzitter, ik kom daarmee aan een tweede punt. De beleidsnota Meer dan kwaliteit zet in met de vraag naar de verhouding tussen markt en overheid. We hebben het dan over de verantwoordelijkheidstoedeling in het stelsel. Wie is verantwoordelijk voor welk deel? Geconstateerd wordt dat een belangrijk deel van de 18 miljard omzet in de cultuursector op de vrije markt wordt gerealiseerd. Ongeveer een zesde daarvan is afhankelijk van overheidssubsidies. Het lijkt dan alsof het terugbrengen van die overheidssubsidie op het totaal niet zoveel uitmaakt, maar dat is natuurlijk niet zo. Klopt mijn beeld, zo vraag ik de staatssecretaris, dat bij het marktdeel van de cultuursector ook allerlei commercieel sterke onderdelen zitten? Klopt het dat bij de gemeenten vooral ook breedtecultuur en de bijbehorende huisvestingskosten een groot beslag leggen? En klopt het dat de Rijksoverheid juist verantwoordelijk is voor specifieke onderdelen die de markt en de lagere overheden niet dekken? Kortom: zou de staatssecretaris eens wat inhoudelijker zichtbaar kunnen maken wat de markt wel en niet gefinancierd en georganiseerd krijgt en hoe de verschillende overheden hun verantwoordelijkheid oppakken? Dan wordt namelijk ook zichtbaar hoe groot de werkelijke effecten van de bezuinigingen en andere maatregelen zijn.

De regering lijkt van mening dat haar eigen verantwoordelijkheid nog wel wat kleiner kan. Zij subsidieert nu ongeveer 5,5 % van de cultuursector, maar daar kan nog een heel procentpunt af. De sponsors, fondsen en mecenassen staan immers in de rij om het over te nemen. Maar helaas, zo simpel ligt het niet. Er is inderdaad op dit punt veel in ontwikkeling, maar de staatssecretaris rekent zich voorlopig alleen maar rijk. De Amerikaanse situatie die hij als voorbeeld lijkt te hebben, staat in veel opzichten ver af van de onze en dat verandert niet zomaar als hij de geldkraan dichtdraait. Het is opvallend dat het grote voorbeeld van het cultuurmecenaat, de VandenEnde Foundation, nogal kritisch is op dit Amerikaanse voorbeeld, bijvoorbeeld bij het jaarverslag 2010. De continuïteit van de cultuurfinanciering staat sterk onder druk van teruglopende giften; de grote financiers neigen ertoe de elitaire kunst te stimuleren terwijl juist de emancipatoire kunst van niches, avantgarde en minderheidsgroepen snel in het gedrang komt, en de nadruk op projectfinanciering leidt tot kortetermijndenken en niet tot opbouw van de sector. Ik concludeer dat het beleid van de staatssecretaris precies onder deze kritiek valt: teruglopende financiering, nadruk op elitaire topcultuur en projectfinanciering. Hoe ziet de staatssecretaris dit? Denkt hij echt dat – midden in een economische crisis – de gaten die hij slaat, worden opgevuld door mecenaat en sponsoring? En heeft hij daar meer argumenten voor dan zijn neoliberale marktnaïviteit?

Ten slotte nog een principieel punt. De beleidsnota stelt als uitgangspunt: “Culturele instellingen moeten minder afhankelijk worden van de overheid en daardoor flexibeler en krachtiger worden. Daarom bezuinigt het kabinet op cultuur.” Dat is natuurlijk een gotspe. Dit – zo goed als voorbije – kabinet bezuinigt op cultuur uit economische motieven en populistische rancune. Maar dan nog. Dergelijke zinnen verraden een gevaarlijke visie op de overheid. Ze suggereren dat de overheid een noodzakelijk kwaad is en dat subsidie alleen maar verlamt. Is niet, zo vraag ik de staatssecretaris, de overheid de belichaming van het collectief van de samenleving? En zijn niet subsidies een belangrijke manier om publieke goederen en collectieve waarden te ondersteunen? Is het daarom niet essentieel om het levend houden van cultuur en traditie ook op collectief niveau te borgen? Ik roep de staatssecretaris op om niet langer mee te werken aan het ondermijnen van de overheid die namens ons allen zorg draagt voor het in stand houden van een samenleving waarin kunst en cultuur gedijen en ons allen ten goede komen.

Voorzitter, ik sluit af. Volgens Plato zijn er drie kernwaarden die een rol zouden moeten spelen in onze afwegingen: het ware, het goede en het schone. Dit kabinet lijkt een vierde te hebben toegevoegd: het goedkope. Ik vrees dat dat ons allen duur komt te staan.


Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Wat ik zou zeggen in het geschrapte debat over cultuurbeleid

In eerste kamer, politiek, amerikaanse, bedrijfsleven, belangrijk, beleid, bezig, bezuinigingen, cijfers, en meer.

(door de val van het kabinet gaat op 24.04 het debat over cultuurbeleid niet door in de Eerste Kamer. Dit was mijn inbreng voor dat debat:)

Voorzitter, het lijkt niet zo heel erg nuttig om vandaag met elkaar te spreken over de principiële kanten van het cultuurbeleid. Niet alleen lijken er belangrijker onderwerpen te bestaan, maar het handelingsperspectief van deze staatssecretaris is het afgelopen weekeinde een heel stuk korter geworden. Heeft het dan zin om in deze Kamer te debatteren over fundamentele visies? Waar moet het heen met kunst en cultuur in ons land en komen we daar wel met het nu ingezette beleid en de draconische bezuinigingen? Wezenlijke vragen, maar met een vleugellamme staatssecretaris schiet dat niet op.

Als we er dan toch over spreken, dan moet het maar in het licht van de toekomst. Waar gaan we naartoe ná het tijdperk Zijlstra? Wat staat er als stip op de horizon en wat moeten we vandaag doen of nalaten om te voorkomen dat we heel ergens anders uitkomen? Welke bijsturing kan niet wachten op een nieuw kabinet? Natuurlijk raakt dat aan de bezuinigingen, maar tegelijk is die financiële discussie enkel het sluitstuk. Het begint ergens anders.

De eerste wezenlijke vraag bij cultuurbeleid betreft het doel. Waar is cultuur eigenlijk goed voor en wat is er nodig om dat te stimuleren? In de beleidsnota Meer dan kwaliteit lezen we dan: “Cultuur staat zowel voor binding, identiteit en traditie als voor dynamiek, creativiteit en vernieuwing.” En verder gaat het in de nota dan de hele tijd over hoe dat georganiseerd moet worden. Het gaat dan ook binnen de kortste keren over het economische rendement. En zo wordt over cultuureducatie gezegd: “De spontaniteit en verbeelding die cultuur losmaakt, zijn in onze tijd niet alleen gevraagd, maar vaak ook vereist: ’A firm needs more than an efficient manufacturing process, cost-control and a good technological base to remain competitive’.” Dat is natuurlijk zo, maar wie heeft er in hemelsnaam bedacht dat we een bedrijfskundige redenering nodig hebben om cultuureducatie te verantwoorden?

Het valt dan ook op dat de hele beleidsnota draait om ‘meer dan kwaliteit’, maar dat die kwaliteit zelf nergens ter sprake komt of beschreven wordt. Die wordt kennelijk als vanzelfsprekend beschouwd en vervolgens draait het hele beleid om andere zaken: meer publiek aantrekken, meer eigen geld verdienen, participatie en educatie, erfgoedbeheer, en regionale spreiding. Ik wil er wel bij zeggen dat ik die doelen allemaal niet verkeerd vind, maar de onderliggende vraag naar kwaliteit wordt angstvallig vermeden.

Misschien heeft dat ermee te maken dat de staatssecretaris vanuit zijn eigen opleiding kwaliteit vooral benadert in marketingtermen. Kwaliteit is dan voldoen aan de verwachtingen van de klant. Er is echter ook een andere definitie, die veel meer het hart raakt: kwaliteit is de mate waarin de intrinsieke eigenschappen van een goed tot uitdrukking worden gebracht. Bij de intrinsieke eigenschappen van kunst horen in elk geval zaken als schoonheidsbeleving, het vermogen om mensen in beweging te brengen, te ontroeren, te verrassen, aan het denken te zetten, enzovoorts. Hoe meer dit gebeurt, des te gelaagder en geslaagder de kunst. En als we het over het bredere veld van cultuur hebben, dan horen bij de intrinsieke eigenschappen in elk geval het construeren, communiceren en innoveren van traditie en identiteit. Of het nu gaat om hoge cultuur, volkscultuur of populaire cultuur, kwaliteit heeft direct te maken met dergelijke intrinsieke eigenschappen en ik vraag de staatssecretaris waarom hij daar geen woord aan wijdt. Zonder een dergelijk principieel ankerpunt is het namelijk onmogelijk vast te stellen of de andere doelen die hij met zijn beleid nastreeft, sporen met deze kwaliteit.

Hier ligt dus ook een belangrijke vraag bij de samenhang van de beleidsdoelen. Wat doet de staatssecretaris als kwaliteit, het bereiken van het publiek, regionale spreiding, internationaal bereik en het aantrekken van externe financiering niet samenvallen? Hoe weegt hij dan de verschillende aspecten? Gaat dan de regionale spreiding voor kwaliteit of andersom? Ik zou hier graag nader toelichting over horen. Ik vind het namelijk van groot belang dat zo veel mogelijk mensen toegang hebben tot kunst en cultuur, maar ook dat er ruimte is voor het kleine en bijzondere.

Het grote risico van de benadering van de staatssecretaris is een instrumentalisering van kunst en cultuur. Zo krijgt de creatieve industrie een speciale plaats omdat het bijdraagt aan de economische topsectoren, is cultuureducatie goed om kinderen voor te bereiden op het bedrijfsleven en de internationale wereld, en is culturele internationalisering behulpzaam bij de buitenlandse betrekkingen en “het Nederlands economisch belang, door verbanden tussen cultuur, handel en economie te benadrukken.” En zo gaat het door. De beleidsnota begint met een paragraaf over markt en overheid, Cultuur in beeld rekent ons precies voor wat het kost en opbrengt, enzovoorts. Tamelijk obligaat staat het er dan in een tussenzin: “Vanzelfsprekend laat de waarde van cultuur zich niet alleen in cijfers uitdrukken.” Maar dat is te weinig. Als cultuur nuttig moet zijn voor iets anders, dan ondermijnt dat rechtstreeks de eigen ruimte die kunst en cultuur moeten hebben. Dat bedenk ik niet alleen; ook de Telderstichting schrijft in haar recente advies: “Leg in de legitimering van cultuursubsidies niet te veel nadruk op de instrumentele waarde van cultuur, maar rechtvaardig de rol van de overheid vanuit de intrinsieke waarde van kunst en cultuur.” Ik vraag de staatssecretaris hoe hij denkt over dit advies van zijn partijgenoten. En als hij toch bezig is, ben ik ook benieuwd naar zijn visie op de inbreng van zijn partijgenoot De Liefde in het debat aan de overzijde die suggereerde dat van de zeven leden van cultuursubsidiecommissies drie zich zouden moeten buigen over artistieke kwaliteit en de andere vier over communicatie, marketing, ondernemerschap en financiën. Is de staatssecretaris het met mij eens dat daarmee cultuur ondergeschikt wordt gemaakt aan commercie.

Voorzitter, ik kom daarmee aan een tweede punt. De beleidsnota Meer dan kwaliteit zet in met de vraag naar de verhouding tussen markt en overheid. We hebben het dan over de verantwoordelijkheidstoedeling in het stelsel. Wie is verantwoordelijk voor welk deel? Geconstateerd wordt dat een belangrijk deel van de 18 miljard omzet in de cultuursector op de vrije markt wordt gerealiseerd. Ongeveer een zesde daarvan is afhankelijk van overheidssubsidies. Het lijkt dan alsof het terugbrengen van die overheidssubsidie op het totaal niet zoveel uitmaakt, maar dat is natuurlijk niet zo. Klopt mijn beeld, zo vraag ik de staatssecretaris, dat bij het marktdeel van de cultuursector ook allerlei commercieel sterke onderdelen zitten? Klopt het dat bij de gemeenten vooral ook breedtecultuur en de bijbehorende huisvestingskosten een groot beslag leggen? En klopt het dat de Rijksoverheid juist verantwoordelijk is voor specifieke onderdelen die de markt en de lagere overheden niet dekken? Kortom: zou de staatssecretaris eens wat inhoudelijker zichtbaar kunnen maken wat de markt wel en niet gefinancierd en georganiseerd krijgt en hoe de verschillende overheden hun verantwoordelijkheid oppakken? Dan wordt namelijk ook zichtbaar hoe groot de werkelijke effecten van de bezuinigingen en andere maatregelen zijn.

De regering lijkt van mening dat haar eigen verantwoordelijkheid nog wel wat kleiner kan. Zij subsidieert nu ongeveer 5,5 % van de cultuursector, maar daar kan nog een heel procentpunt af. De sponsors, fondsen en mecenassen staan immers in de rij om het over te nemen. Maar helaas, zo simpel ligt het niet. Er is inderdaad op dit punt veel in ontwikkeling, maar de staatssecretaris rekent zich voorlopig alleen maar rijk. De Amerikaanse situatie die hij als voorbeeld lijkt te hebben, staat in veel opzichten ver af van de onze en dat verandert niet zomaar als hij de geldkraan dichtdraait. Het is opvallend dat het grote voorbeeld van het cultuurmecenaat, de VandenEnde Foundation, nogal kritisch is op dit Amerikaanse voorbeeld, bijvoorbeeld bij het jaarverslag 2010. De continuïteit van de cultuurfinanciering staat sterk onder druk van teruglopende giften; de grote financiers neigen ertoe de elitaire kunst te stimuleren terwijl juist de emancipatoire kunst van niches, avantgarde en minderheidsgroepen snel in het gedrang komt, en de nadruk op projectfinanciering leidt tot kortetermijndenken en niet tot opbouw van de sector. Ik concludeer dat het beleid van de staatssecretaris precies onder deze kritiek valt: teruglopende financiering, nadruk op elitaire topcultuur en projectfinanciering. Hoe ziet de staatssecretaris dit? Denkt hij echt dat – midden in een economische crisis – de gaten die hij slaat, worden opgevuld door mecenaat en sponsoring? En heeft hij daar meer argumenten voor dan zijn neoliberale marktnaïviteit?

Ten slotte nog een principieel punt. De beleidsnota stelt als uitgangspunt: “Culturele instellingen moeten minder afhankelijk worden van de overheid en daardoor flexibeler en krachtiger worden. Daarom bezuinigt het kabinet op cultuur.” Dat is natuurlijk een gotspe. Dit – zo goed als voorbije – kabinet bezuinigt op cultuur uit economische motieven en populistische rancune. Maar dan nog. Dergelijke zinnen verraden een gevaarlijke visie op de overheid. Ze suggereren dat de overheid een noodzakelijk kwaad is en dat subsidie alleen maar verlamt. Is niet, zo vraag ik de staatssecretaris, de overheid de belichaming van het collectief van de samenleving? En zijn niet subsidies een belangrijke manier om publieke goederen en collectieve waarden te ondersteunen? Is het daarom niet essentieel om het levend houden van cultuur en traditie ook op collectief niveau te borgen? Ik roep de staatssecretaris op om niet langer mee te werken aan het ondermijnen van de overheid die namens ons allen zorg draagt voor het in stand houden van een samenleving waarin kunst en cultuur gedijen en ons allen ten goede komen.

Voorzitter, ik sluit af. Volgens Plato zijn er drie kernwaarden die een rol zouden moeten spelen in onze afwegingen: het ware, het goede en het schone. Dit kabinet lijkt een vierde te hebben toegevoegd: het goedkope. Ik vrees dat dat ons allen duur komt te staan.


Hans Kuipers

Hans Kuipers

Hyves Twitter GR

Provinciale Staten bezoeken Eerste Kamer

In groenlinks-drenthe, natuur, werkbezoek, zorg, eerste kamer, natuur, zorg, april, bezoek, en meer.

Coat of arms of the Eerste Kamer of the States General of the Netherlands Provinciale Staten bezoeken Eerste KamerKomende donderdag bezoeken we met Provinciale Staten uit de noordelijke provincies de Eerste Kamer. Ik mag daar een inleiding houden over zorg. Ik heb gekozen voor het thema bereikbaarheid van zorg in relatie tot fusies, met als actueel voorbeeld het verdwijnen van de afdeling acute verloskunde uit Meppel. De Eerste Kamer verstuurde het volgende persbericht:

Een delegatie van Gedeputeerde en Provinciale Staten van Groningen, Friesland en Drenthe discussieert donderdag 26 april aanstaande in en met de Eerste Kamer over de thema’s natuur en zorg.

Op het terrein van het natuurbeleid gaat de delegatie met leden van de Eerste Kamer in gesprek over de huidige gang van zaken op het gebied van natuurbescherming en de manier waarop de provinciën deze bevoegdheden ervaren. Daarbij kan de invloed van de nationale regelgeving worden betrokken, maar ook bijvoorbeeld de implementatie van de uitgebreide Europese regelgeving. Voorzitter van de fractie van GroenLinks uit Friesland, mevrouw Irona Groeneveld en Senator Janny Vlietstra (PvdA) zullen over het thema natuur een inleiding houden.

Bij het thema zorg zal de discussie zich richten op de bezuinigingen in de zorgsector en de consequenties voor de kwaliteit van de zorg. Daarnaast is de bereikbaarheid van zorg in dunbevolkte gebieden ook een gespreksonderwerp van de delegatie en de leden van de Eerste Kamer.  Mevrouw Grietje Uuldriks van de fractie van de PvdA uit Groningen en de heer Hans Kuipers van de fractie van GroenLinks uit Drenthe zullen over het thema zorg een inleiding verzorgen.

Het bezoek van de staten van Groningen, Friesland en Drenthe aan de Eerste Kamer is het eerste in een nieuwe reeks van provinciebezoeken. Op initiatief van de Eerste Kamer zijn in de vorige Kamerperiode alle provincies uitgenodigd om in en met de senaat te discussiëren over diverse onderwerpen. De senaat besloot in de Kamerperiode 2011–2015 alle provincies opnieuw uit te nodigen. De Eerste Kamer wil met deze bezoeken de banden met de provincies aanhalen en haar zichtbaarheid bij deze voor hen zo belangrijke doelgroep vergroten.

zondag, 22 april 2012

Toine van de Ven

Toine van de Ven

Hyves Twitter GR DWARS

Eigen kracht en zelfredzaamheid

In vughtse politiek, armoedebeleid, bezuinigingen, vught, aow, begroting, beleid, boodschap, coalitie, en meer.

Op woensdag 21 maart organiseerde PvdA-GroenLinks een info- en discussieavond over stapelingseffecten. Bij de behandeling van de begroting in november 2011 had de fractie al gepleit voor een sociaal reparatiefonds, maar dat werd toen te vroeg gevonden. Zijn stapelingseffecten nu al wel merkbaar in Vught?

“Crisis: kan iedereen nog meedoen in Vught?” was de centrale vraag. Want de bezuinigingen in crisistijd komen voor een groot deel terecht op de schouders van de zwaksten in onze samenleving. De huishoudtoets in de WWB, hogere zorgkosten, hogere kosten voor kinderopvang, minder huurtoeslag, minder zorgtoeslag, meer eigen bijdrages etc. Ook in Vught wordt bijna 80 procent van de bezuinigingen op de programma’s behaald door te korten op armoede, WMO/zorg en welzijn. Het resultaat van de crisis en de bezuinigingen van het rijk en lokaal is een stapeling van nadelige effecten voor de mensen die al moeilijk kunnen rondkomen. En ondertussen pleit de regering voor “werk, werk, werk” als de oplossing om uit de armoede te komen.

Om de avond in te leiden waren er twee sprekers: René Bouwman (Stichting Leergeld) en voormalig wethouder van Tilburg Jan Hammingh. Beide sprekers spraken over de kracht van mensen in armoede. Niks zielig, doorzetten en oplossen. Bouwman presenteerde onder andere de resultaten van het armoedeonderzoek van het Vughtse armoede overleg. Hierin wordt uitgesproken van ‘pamperen’ naar ‘empowerment’ te gaan. Mensen helpen om een stevig fundament te vinden in de balans tussen privé, sociaal en maatschappij. Hammingh sprak over het doorbreken van allerlei loketten en het eenvoudig houden. Na 100 koffiegesprekken met mensen in een armoedesituatie in het najaar 2011 was hij ervan overtuigd dat het overgrote deel van deze mensen daar weer uit zou komen. Positief dus!

Maar Hammingh gaf ook aan dat ‘werk, werk, werk’ slechts voor een beperkt aantal mensen de oplossing is (ervan uitgaande dat er werk voor deze mensen te vinden is). Want 40% van de mensen in armoede zit in de AOW en bijna 10% is arbeidsongeschikt. Daarnaast werkt 20% als werknemer en bijna 10% als zelfstandige! Slechts 20-25% is dus gebaat bij ‘werk, werk, werk’. Hammingh hamerde ook op blijven inzetten op preventie.

Deze boodschap was bij de discussie na de pauze echter snel vergeten. Een sociaal vangnet werd voor de aanwezige VVD-raadsleden al snel een luxe hangmat. En ook wethouder Seuren bleef bij de vaste mantra van de coalitie dat iedereen ‘eigen kracht’ heeft. De inbreng van mensen die in armoede hebben geleefd én van maatschappelijke organisaties dat zeker niet iedereen kan terugvallen op een sociaal netwerk, werd ongeloofwaardig geacht. Maar de ‘eigen kracht’ dat iedereen echt zelf wel iets kan, moet ook zeker niet worden aangezien voor zelfredzaamheid. Het onderzoek van het armoedeoverleg geeft aan dat mensen minimaal op twee ‘benen’ moeten kunnen staan in de balans tussen privé, sociaal en maatschappij. Helaas verkeerd niet iedereen in die situatie.

Het is dus te kort door de bocht om te stellen dat iedereen het wel zelf kan. Juist nu volgens prognoses de armoede toeneemt, dient de gemeente een sterk beleid te voeren gericht op preventie én het ondersteunen van mensen die alsnog in armoede terecht komen. Daarom moet Vught de stapelingseffecten voor haar bevolking in beeld brengen om te bepalen of er alsnog sociale reparaties nodig zijn.

woensdag, 18 april 2012

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Langstudeer-deeltijders: de toezeggingen van Zijlstra

In eerste kamer, onderwijs, politiek, kant, kort, motie, debat, discussie, de, en meer.

Gisteren hadden we in de Eerste Kamer een mondeling overleg met Halbe Zijlstra over de langstudeerboete voor deeltijdstudenten. Toen de langstudeerwet vorig jaar – tot mijn spijt – werd aangenomen, heb ik een motie ingediend die de regering vroeg om disproportionele gevolgen voor deeltijdstudenten te voorkomen. De motie werd kamerbreed gesteund en we waren dan ook erg benieuwd hoe de staatssecretaris dat ging regelen.

Inmiddels zijn de plannen duidelijk. Zijlstra wil het hele deeltijdonderwijs op de schop nemen. Het moet flexibeler en meer aansluiten bij de mogelijkheden en behoeften van studenten. Dat wil hij bereiken door een vouchersysteem. Een interessante denkrichting, maar helaas wil hij die vouchers alleen gaan bieden voor bepaalde maatschappelijk relevante opleidingen (zorg, onderwijs, techniek bijvoorbeeld). Dat is dom (want de overheid kan dat helemaal niet plannen) en oneerlijk tegenover studenten met andere studiewensen. En zo zitten er nog heel veel haken en ogen aan.

Dit debat zal eerst volop in de Tweede Kamer gevoerd worden, maar het werpt zijn schaduw vooruit. Als het namelijk die kant opgaat, krijgen deeltijdstudenten sowieso niet meer met de langstudeerboete te maken. Maar daarmee is er nog geen oplossing voor de komende jaren en voor de huidige deeltijdstudenten. Over hun positie ging ons overleg met Zijlstra.

Profileringsfonds

De oplossing waar hij mee gekomen is, houdt in dat deeltijdstudenten vanaf nu ook een beroep mogen doen op het profileringsfonds om zo een compensatie te krijgen voor de langstudeerboete. Tot nu toe was het profileringsfonds alleen voor voltijdstudenten. Bovendien kon men tot nu toe alleen een bijdrage vragen voor persoonlijke omstandigheden. Daar wordt nu aan toegevoegd dat ook vertraging door de vormgeving van de opleiding een grond kan zijn.

In lijn met de discussie vorig jaar en met mijn motie ben ik blij dat de staatssecretaris in beweging is gekomen, maar had ik nog wel wat bezwaren tegen deze oplossing. Zo blijft er een verschil tussen voltijdstudenten die een uitloopjaar hebben voordat ze een boete krijgen en deeltijdstudenten voor wie dat jaar vaak al nodig is voor het studieprogramma zelf. Die hebben dus nog steeds geen uitloop. Dat is een geval van rechtsongelijkheid en dat is in formele zin niet echt weggenomen.

Daarnaast is het de vraag of studenten nu recht hebben op compensatie als ze door de studieprogrammering officieel langstudeerders zijn, of dat het een gunst is van de instelling om die compensatie te geven. Hier gaat het om de rechtszekerheid. Op dit punt zegde Zijlstra toe de instellingen duidelijk te maken dat deze studenten gewoon de compensatie moesten krijgen. Als bijvoorbeeld je Bachelor-opleiding 5 jaar duurt, dan krijg je gewoon compensatie voor de langstudeerboete.

De staatssecretaris vond eigenlijk dat de opleidingen dan maar moesten worden ingekort of gecomprimeerd, maar de Kamer heeft hem duidelijk gemaakt dat dat de verkeerde weg is. Daarmee zijn diploma-inflatie en kwaliteitsverlies bijna gegarandeerd. Er zijn beroepsverdiepende deeltijdstudies (vooral in het HBO) die korter kunnen zijn als mensen al werkervaring en zo hebben. Maar wie bijvoorbeeld in deeltijd rechten gaat doen, die zal vaak gewoon de hele opleiding moeten doen en dan zijn vrijstellingen veel minder mogelijk.

Het hele probleem is ontstaan omdat de regering continu stelt dat het aantal studiejaren van voltijd- en deeltijdstudies gelijk moet zijn omdat de wet geen onderscheid maakt. Wat in de wet echter vooral geregeld wordt, is het aantal studiepunten. Dat moet gelijk zijn en dat heeft alles met diplomagelijkheid en kwaliteit te maken. Het verschil in lengte (in jaren) was tot voor kort geen probleem, maar omdat nu de bekostiging anders geregeld is en de langstudeermaatregel is ingevoerd, gaat het wringen. Daar lag het probleem van de staatssecretaris en zolang hij in jaren denkt en niet in studiepunten blijft dat een probleem. Zijn toekomstplannen gaan wat dat betreft wel de goede kant op omdat ze de hele deeltijdopleiding flexibiliseren.

Blijft de vraag of het nu goed geregeld is voor deeltijdstudenten. Zijn de ‘disproportionele gevolgen’ zoals mijn motie het noemde nu voorkomen? Niet volledig. In formele zin is er rechtsongelijkheid omdat zij geen uitloopjaar hebben en dus eerder een langstudeerboete krijgen opgelegd. Feitelijk wordt dat echter gecompenseerd via het profileringsfonds wanneer het een gevolg is van  hun studieprogramma. En ook als ze door persoonlijke omstandigheden vertraging oplopen, kunnen ze een beroep doen op het profileringsfonds. Ik ben dus niet helemaal tevreden, maar in elk geval hebben deeltijdstudenten door het ingrijpen van de Eerste Kamer veel meer kans gekregen om de langstudeerboete te ontlopen en gewoon hun studie af te maken.


Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Langstudeer-deeltijders: de toezeggingen van Zijlstra

In eerste kamer, onderwijs, politiek, boete, de, debat, discussie, dom, eerste, en meer.

Gisteren hadden we in de Eerste Kamer een mondeling overleg met Halbe Zijlstra over de langstudeerboete voor deeltijdstudenten. Toen de langstudeerwet vorig jaar – tot mijn spijt – werd aangenomen, heb ik een motie ingediend die de regering vroeg om disproportionele gevolgen voor deeltijdstudenten te voorkomen. De motie werd kamerbreed gesteund en we waren dan ook erg benieuwd hoe de staatssecretaris dat ging regelen.

Inmiddels zijn de plannen duidelijk. Zijlstra wil het hele deeltijdonderwijs op de schop nemen. Het moet flexibeler en meer aansluiten bij de mogelijkheden en behoeften van studenten. Dat wil hij bereiken door een vouchersysteem. Een interessante denkrichting, maar helaas wil hij die vouchers alleen gaan bieden voor bepaalde maatschappelijk relevante opleidingen (zorg, onderwijs, techniek bijvoorbeeld). Dat is dom (want de overheid kan dat helemaal niet plannen) en oneerlijk tegenover studenten met andere studiewensen. En zo zitten er nog heel veel haken en ogen aan.

Dit debat zal eerst volop in de Tweede Kamer gevoerd worden, maar het werpt zijn schaduw vooruit. Als het namelijk die kant opgaat, krijgen deeltijdstudenten sowieso niet meer met de langstudeerboete te maken. Maar daarmee is er nog geen oplossing voor de komende jaren en voor de huidige deeltijdstudenten. Over hun positie ging ons overleg met Zijlstra.

Profileringsfonds

De oplossing waar hij mee gekomen is, houdt in dat deeltijdstudenten vanaf nu ook een beroep mogen doen op het profileringsfonds om zo een compensatie te krijgen voor de langstudeerboete. Tot nu toe was het profileringsfonds alleen voor voltijdstudenten. Bovendien kon men tot nu toe alleen een bijdrage vragen voor persoonlijke omstandigheden. Daar wordt nu aan toegevoegd dat ook vertraging door de vormgeving van de opleiding een grond kan zijn.

In lijn met de discussie vorig jaar en met mijn motie ben ik blij dat de staatssecretaris in beweging is gekomen, maar had ik nog wel wat bezwaren tegen deze oplossing. Zo blijft er een verschil tussen voltijdstudenten die een uitloopjaar hebben voordat ze een boete krijgen en deeltijdstudenten voor wie dat jaar vaak al nodig is voor het studieprogramma zelf. Die hebben dus nog steeds geen uitloop. Dat is een geval van rechtsongelijkheid en dat is in formele zin niet echt weggenomen.

Daarnaast is het de vraag of studenten nu recht hebben op compensatie als ze door de studieprogrammering officieel langstudeerders zijn, of dat het een gunst is van de instelling om die compensatie te geven. Hier gaat het om de rechtszekerheid. Op dit punt zegde Zijlstra toe de instellingen duidelijk te maken dat deze studenten gewoon de compensatie moesten krijgen. Als bijvoorbeeld je Bachelor-opleiding 5 jaar duurt, dan krijg je gewoon compensatie voor de langstudeerboete.

De staatssecretaris vond eigenlijk dat de opleidingen dan maar moesten worden ingekort of gecomprimeerd, maar de Kamer heeft hem duidelijk gemaakt dat dat de verkeerde weg is. Daarmee zijn diploma-inflatie en kwaliteitsverlies bijna gegarandeerd. Er zijn beroepsverdiepende deeltijdstudies (vooral in het HBO) die korter kunnen zijn als mensen al werkervaring en zo hebben. Maar wie bijvoorbeeld in deeltijd rechten gaat doen, die zal vaak gewoon de hele opleiding moeten doen en dan zijn vrijstellingen veel minder mogelijk.

Het hele probleem is ontstaan omdat de regering continu stelt dat het aantal studiejaren van voltijd- en deeltijdstudies gelijk moet zijn omdat de wet geen onderscheid maakt. Wat in de wet echter vooral geregeld wordt, is het aantal studiepunten. Dat moet gelijk zijn en dat heeft alles met diplomagelijkheid en kwaliteit te maken. Het verschil in lengte (in jaren) was tot voor kort geen probleem, maar omdat nu de bekostiging anders geregeld is en de langstudeermaatregel is ingevoerd, gaat het wringen. Daar lag het probleem van de staatssecretaris en zolang hij in jaren denkt en niet in studiepunten blijft dat een probleem. Zijn toekomstplannen gaan wat dat betreft wel de goede kant op omdat ze de hele deeltijdopleiding flexibiliseren.

Blijft de vraag of het nu goed geregeld is voor deeltijdstudenten. Zijn de ‘disproportionele gevolgen’ zoals mijn motie het noemde nu voorkomen? Niet volledig. In formele zin is er rechtsongelijkheid omdat zij geen uitloopjaar hebben en dus eerder een langstudeerboete krijgen opgelegd. Feitelijk wordt dat echter gecompenseerd via het profileringsfonds wanneer het een gevolg is van  hun studieprogramma. En ook als ze door persoonlijke omstandigheden vertraging oplopen, kunnen ze een beroep doen op het profileringsfonds. Ik ben dus niet helemaal tevreden, maar in elk geval hebben deeltijdstudenten door het ingrijpen van de Eerste Kamer veel meer kans gekregen om de langstudeerboete te ontlopen en gewoon hun studie af te maken.


dinsdag, 17 april 2012

Jan van der Meer

Jan van der Meer

Hyves Linkedin Twitter

‘Starterslening als smeerolie in de woningmarkt’

In wonen, aantallen, almere, betalen, bewust, crisis, de, discussie, fout, en meer.

startersleningTot nu toe zijn er in Nijmegen 150 nieuwbouwwoningen verkocht met Starterslening. Voor de gemeente Nijmegen is de Starterslening dan ook het crisisinstrument bij uitstek om tempo in de woningmarkt te houden.  Markpartijen betalen mee. Een interview in de nieuwsbrief van de SVN.

Net als iedere andere gemeente is het voor de gemeente Nijmegen in deze tijden van vraaguitval moeilijk om grondexploitaties sluitend te krijgen. Maar, zegt wethouder Wonen Jan van der Meer, Nijmegen is niet in de valkuil getrapt die andere steden nu in de problemen hebben gebracht. ‘Wij hebben niet de fout gemaakt om verwachte inkomsten uit het grondbedrijf in te zetten voor andere zaken.’ Bovendien laten de bevolkingsprognoses zien dat Nijmegen nog steeds groei kan verwachten. Van der Meer: ‘Er is hier niet zozeer sprake van vraaguitval, maar van uitgestelde vraag. Dat geeft meer comfort. Je ziet dan ook dat projectontwikkelaars nog steeds geloven in onze uitlegprojecten zoals de Waalsprong. Maar het blijft momenteel zeker moeilijk om woningen verkocht te krijgen.’

Tempo

Tot 2020 is er zeker nog behoefte aan 1.000 woningen extra per jaar. Ondanks de crisis worden die aantallen ook daadwerkelijk gehaald. Van der Meer: ‘In 2011 werden er 800 woningen opgeleverd; dit jaar verwachten we zelfs 1.200 afgebouwde woningen. Dat is vreemd genoeg in de afgelopen twintig jaar na 2005 het beste jaar. Je ziet dus dat de behoefte er nog steeds is.’ Omdat de marktvraag tegelijkertijd voor een groot deel stil ligt, ontstaat er vooral bij de groep starters een grote druk. Vandaar dat een deel van het nieuwbouwprogramma wordt toegespitst op starters, in plaats van op doorstromers. Dat betekent goedkopere, kleinere woningen bouwen. Van der Meer: ‘Om het tempo in de woningmarkt te houden hebben we bewust gekozen voor prioriteit bij de doelgroep starters.’

Om deze groep zo veel mogelijk te stimuleren heeft Nijmegen recent besloten om opnieuw budget in te gaan zetten voor de Starterslening. De crux om de productie gaande te houden en aan de behoefte te kunnen voldoen ligt volgens de gemeente bij de starters en de Starterslening van SVn kan daarbij fungeren als ‘smeerolie’. Door het fonds voor de Starterslening te financieren met een lening kan de gemeente met een budget van 6 ton voor de gemaakte rentekosten 150 leningen financieren. De gemeente zelf neemt daarvan 4 ton voor eigen rekening, de overige 2 ton wordt middels co-financiering opgebracht door marktpartijen in de Waalsprong. 100 leningen worden verstrekt voor nieuwbouwwoningen in de Waalsprong en 50 leningen zijn bedoeld voor woningen in de rest van de stad. In de Waalsprong komt het er dus op neer dat de verkopende marktpartijen per lening de helft voor hun rekening nemen. Op deze manier krijgt de Starterslening een extra prikkel, meent Van der Meer. ‘Ontwikkelaars kunnen met de Starterslening de boer op, het is een extra verkoopargument voor de woningen. We zien met het succes van vorig jaar dat er veel belangstelling voor is. De startersmarkt is de enige niche in de markt die nog verkoopt, en met de Starterslening gaat het dus sneller.’

Gering risico

Binnen de gemeente is voorafgaand aan de herintroductie van de Starterslening een discussie gevoerd over de rol van de gemeente en of zij wel ‘voor bank’ zou moeten spelen. Van der Meer: ‘Mijn standpunt is: ‘Juist bij starters is er sprake van een zeer gering risico. Het is immers een groep die in inkomen gaat stijgen, zeker in zo’n stad als Nijmegen met allemaal net-afgestudeerde studenten van de universiteit. Sterker nog, je voorkomt juist al bij voorbaat dat ze in de toekomst scheef gaan wonen en met hun gestegen inkomen huurwoningen bezet houden die voor lagere inkomensgroepen zijn bedoeld. De praktijk wijst overigens uit dat het risico inderdaad te verwaarlozen is. Statistisch gezien zou er vorig jaar van de 150 reeds uitgegeven Startersleningen 0,2 huishouden in de problemen moeten zijn gekomen bij het afbetalen van de lening en waar de Nationale Hypotheek Garantie dan bij moet springen. Maar dat is geen enkele keer voorgekomen. Het risico voor de gemeente is dus minimaal.’

Sterker nog, stelt Van der Meer, de Starterslening voorkómt juist nog grotere risico’s, zoals onverkoopbare woningen in de Waalsprong. ‘Het risico van onverkoopbaarheid in de uitleglocaties is in deze markt reëel. Met de Starterslening zetten we meer woningen af in de Waalsprong. Zo voorkom je dus risico’s op een ander vlak.’ Vanwege het succes wil Nijmegen de Starterslening ook gaan inzetten voor een andere niche in de markt: de zelfbouwwoningen. Van der Meer: ‘We hebben gekeken naar het succes van het programma ‘Ik bouw betaalbaar’(IBB) van Almere, voor particulier opdrachtgeverschap. Met IBB hebben we vervolgens een vergelijkbaar product ontwikkeld dat is gericht op betaalbaar zelfbouwen. De koper kiest een woning uit een catalogus en kan er een aanvullende lening bij krijgen. Mocht hij de woning met meerwaarde verkopen, dan romen wij een deel daarvan af waardoor de kosten van de financiering zijn gedekt. Een heel interessant product, want we zien dat ook zelfbouw een niche is waar belangstelling voor is.’

Bewezen succes

Met enerzijds de geringe risico’s en anderzijds het bewezen succes van verkochte woningen, is de Starterslening voor Nijmegen een effectief instrument dat in deze crisis de bouwproductie en de woningmarkt aan de gang houdt. Wethouder Van der Meer vindt de Starterslening dan ook voor andere gemeenten een zeer aan te bevelen product. ‘De Starterslening is vrijwel het enige instrument voor een gemeente om het benodigde tempo in de woningmarkt te kunnen realiseren. Er is veel vraag naar starterswoningen, daar kun je als gemeente met de Starterslening heel veel in betekenen. Ik zou zeggen, ga dus op zoek naar budget en durf het in te zetten. Het middel is een bewezen stimulans en dempt bovendien de risico’s op een ander vlak. Met name voor steden met veel pas-afgestudeerden en groei-gemeenten is de Starterslening aan te bevelen.’

De doorstroming op de woningmarkt zit vast, dat is een realiteit waar vrijwel alle gemeenten mee te maken hebben. De duurdere koop vindt geen afzet meer, maar in de startersmarkt zit nog wél beweging. Jan van der Meer: ‘Dan moet je voor de onderkant bouwen, het is even niet anders. Onze opgave als bestuurders is om dat te doen met weliswaar goedkopere, maar goede concepten. Om vooral niet in te boeten op kwaliteit, want je wilt uiteraard niet de achterstandswijken van de toekomst bouwen. De Starterslening past goed bij ons ambitieniveau, omdat daarmee ook het financiële plaatje compleet is te maken.’

Willem de Gelder

Willem de Gelder

Blogreacties: Theo Brand

Houd God buiten de discussie over godslastering

In politiek, artikelen, bijbel, de, discussie, donner, god, handhaving, in het nieuws, en meer.

Ophef in het nieuws, ophef op Twitter. De VVD besloot gisteren afstand te nemen van het wetsvoorstel om het verbod op godslastering uit de wet te schrappen. De discussie lijkt puur om God te draaien, maar dit valt wel mee. Hij draait veel meer om mensen.

De ‘Wet inzake smalende godslastering’ (artikel 147) bestaat al sinds 1932. Een reeks godslasterlijke artikelen en prenten in een communistische tijdschrift zorgde voor veel ophef en onrust waarop Jan Donner, Minister van Justitie én de opa van, besloot de wet in het leven te roepen. Dit deed hij niet om kritiek op God te verbieden, maar om uitingen te verbieden die “een honen van de persoon Gods bevatten.” In het wetboek van strafrecht wordt godslastering geschaard onder misdrijven tegen de openbare orde[1]: voor sommigen is God zo belangrijk dat de openbare orde in het geding is als hij beledigd word, dus daarom is het verboden.

Het verbod op godslastering wordt door sommigen gezien als een inperking van de individuele vrijheid. Het individu mag immers niet meer zijn mening uiten: als hij God maar een klootzak vindt, mag hij dat niet zeggen. Wat men echter vergeet is dat bescherming van de openbare orde het doel van de wet is. Godslastering kán namelijk voor een boel ordeverstoring zorgen. God is voor veel mensen de reden en het diepste doel van hun bestaan. Het lasteren van God is voor veel mensen een directe lastering van henzelf. Probeer dan maar eens niet diepbedroefd of kwaad te worden. Je kunt je voorstellen dat als veel mensen tegelijk diepbedroef of kwaad zijn, dit tot de nodige commotie kan leiden. Je hoeft maar naar de vele incidenten in het Midden-Oosten te kijken.

Daarnaast kun je hieruit opmaken dat het verbod op godslastering geen inperking van het individu is, maar juist een bescherming. Dit vloeit natuurlijk automatisch voort uit de openbare orde (bij verstoring hiervan komen mensen in gevaar), maar er zit meer in. Zoals in de vorige alinea werd gesteld is God voor veel mensen minstens net zo belangrijk als hun individu. Sterker nog: die twee zijn één. God is in de mens, de mens is in God. Hij stuurt hen, geeft hen existentie. Het beledigen van God staat dan gelijk met het beledigen van het individu, iets wat in Nederland ook verboden is. Dit staat los van het beschermen van de openbare orde, maar slaat op bescherming van de waardigheid van een individu in Nederland. Mag iedereen maar nodeloos gekwetst worden?

Hier kan tegenin worden gebracht dat als de bescherming van het individu al gewaarborgd is door de wet die belediging verbiedt, waardoor een aparte wet tegen godslastering niet nodig is. God is echter geen rechtssubject, dus hij valt niet onder de bescherming van deze wet. Het beledigen van God kan echter als grote belediging voelen voor mensen die wél onder deze wet vallen. Een belangrijke vraag in dezen is: valt een dergelijke indirecte belediging onder de wet, of niet? De aparte wet tegen godslastering voorkomt dat deze vraag gesteld hoeft te worden en schept duidelijkheid. Mensen indirect beledigen door hun God te beledigen mag niet.

Door sommigen wordt het beeld geschetst dat de Nederlandse overheid, met de SGP voorop, nu op de bres staat voor God. Hij wil immers niet gelasterd worden, staat in de Bijbel, dus daarom dwingt de SGP handhaving van het verbod af. Ik weet niet wat er in het hoofd van Kees van de Staaij omgaat, maar ik neig ernaar om te denken dat dit beeld slechts een karikatuur is. Kees weet immers dat God de heilige rechter is die zal oordelen en dat hij daar geen Nederlandse staat voor nodig heeft. Voor een goede discussie kan men God het best buiten beschouwing laten. Deze discussie gaat namelijk om mensen: hun gevoelens, hun integriteit. De afgelopen alinea’s laten zien dat er genoeg argumenten zijn om de discussie op basis hiervan te voeren. De Nederlandse wet is er voor het individu, niet voor God, die gaf zijn wetten al aan Mozes.

De vraag is, wat is belangrijker: de vrijheid van meningsuiting of de openbare orde en de waardigheid van het individu? Het is een moeilijke vraag, waar ik niet zo één-twee-drie het antwoord op weet. Afsluitend wil ik echter iedereen oproepen om te onthouden dat deze discussie dus om mensen gaat. Met woorden is veel pijn te doen. Is die pijn jouw vrijheid van meningsuiting waard?


[1] Voor een ieder die het interessant vindt: alle wetten om de openbare orde te waarborgen zijn hier te vinden. http://www.uwwet.nl/wetten-en-regelingen/strafrecht/wetboek-van-strafrecht/18-misdrijf-tegen-de-openbare-orde.htm#titel 5


vrijdag, 6 april 2012

John Jorna

John Jorna

De toekomst van GroenLinks

In column van de week, abortus, arbeidsmarkt, arbeidsverhoudingen, beslissing, de, diefstal, discussie, euthanasie, en meer.

DIRIGISME VERSUS LIBERALISME

Van GroenLinks wordt beweerd, dat het een links-liberale partij is. Femke Halsema zou de partij als een liberale partij hebben achtergelaten, toen zij het stokje overdroeg aan Jolande Sap. Is dat nu werkelijk zo? Altijd was er in sociaal-cultureel opzicht een tendens naar vrije opvattingen ten aanzien van waarden en normen. Iedereen moet naar de mening van GroenLinks zelf kunnen bepalen hoe hij zijn leven inricht, welke keuzes hij maakt. Iedereen moet zijn eigen gewetensbeslissingen kunnen nemen en niemand hoort hem of haar tot een bepaalde beslissing te dwingen. Overigens is dat ook bij de christelijke kerken uitgangspunt al kan de sociale druk soms groot zijn. De moderne conservatieve bisschoppen en priesters hebben grote moeite met persoonlijke vrijheid, vooral waar het hun ondergeschikten betreft. Met deze GL opvatting over vrijheid heb ik geen moeite.

Het liberale kan ook in economisch opzicht worden opgevat. GroenLinks wil de arbeidsmarkt hervormen en daarbij vooral het ontslagrecht en de hoogte en de duur van de werkloosheidsuitkering. Uitgangspunt is, dat mensen zo snel mogelijk weer aan het werk moeten, want dat maakt hen zelfstandig en onafhankelijk. Mensen moeten niet jarenlang in een uitkeringssituatie worden opgesloten. Jonge GroenLinksers hechten niet zo aan een vaste baan. Ze hoppen van de ene naar de andere job en gaan steeds beter verdienen. Of dat in de huidige crisissituatie ook nog lukt is maar de vraag. Maar een grotere arbeidsmobiliteit hoeft niet perse te worden afgewezen. Toch hebben veel ouderen moeite met deze liberale arbeidsverhoudingen. Zouden zij zich bij de SP meer thuis voelen?

Er is heel veel mis in ons financieel-economisch systeem. Af en toe krijg ik de indruk, dat oplichting en beroven en plunderen als het maar in het groot door banken en fondsen gebeurt, gewoon is toegestaan. Een fonds koopt een bedrijf, verkoopt de aantrekkelijke onderdelen met veel winst, zadelt het bedrijf op met enorme schulden en laat het leeg geroofde bedrijf dan vallen na veel geld geïncasseerd te hebben. Goede en slechte hypotheken worden bij elkaar gestopt en als zogenaamde aantrekkelijke inkomstenbronnen doorverkocht. Als dan blijkt, dat op veel hypotheken verlies wordt geleden is er niets aan de hand. Maar het is je reinste oplichting en het zou zwaar bestraft moeten worden. Voorraden voedsel of grondstoffen worden opgekocht en tijdelijk uit de markt genomen. Door het krappe aanbod stijgen de prijzen. Consumenten zijn het slachtoffer. Dat heet dan een legale vorm van handel, maar is eerder diefstal te noemen. Er wordt gespeculeerd tegen een land, dat failliet dreigt te gaan en vooral daardoor gaat het failliet en velen vervallen tot bittere armoede. De waarde van aandelen stijgt de ene dag en de volgende dag storten de koersen weer in en zo komen pensioenfondsen in de problemen en dus de gepensioneerden en de premiebetalers. Dat is het moderne economische liberalisme en ik kan mij niet voorstellen, dat GroenLinks of welke partij ook in Nederland daar niets tegen wil doen. Maar zie; er gebeurt vrijwel niets. Van enige discussie binnen de Nederlandse politieke partijen is weinig te merken, ook niet binnen GroenLinks. De macht van het internationale kapitaal lijkt onaantastbaar.

Eigenlijk heeft dit alles te maken met waarden en normen. Als je voor jezelf absolute vrijheid opeist, maak je minder gemakkelijk de keus om samen al die economische narigheid te bestrijden. Je kunt er voor kiezen mee te profiteren. Je zelf duur te verkopen. Tsja, maar dan hoor je eigenlijk niet thuis bij GroenLinks.

Bij al die levensbeschouwelijke zaken eisen wij die vrijheid ook. Onlangs werd in de Partijraad hulp bij een zelfgekozen levenseinde besproken. Daar werd beweerd, dat GroenLinks als liberale partij daarmee weinig moeite zou hebben. Mij stemt het niet tot vreugde, maar zoals bij andere ethisch thema’s als abortus provocatus en euthanasie zou je kunnen zeggen, dat in onze pluriforme maatschappij de mogelijkheid daartoe zou kunnen worden geboden. Zo is ook het “homohuwelijk” mogelijk geworden.  Wat mij nu opvalt is dat bij dergelijke ethisch vraagstukken de voorstanders steeds dogmatischer gaan denken en er steeds grotere moeite mee hebben, dat er ook mensen zijn, die er niet zo blij mee zijn. Dan komen bij deze liberale denkers plotseling zeer dirigistische tendensen naar voren en worden mensen gedwongen niet langer overeenkomstig  hun eigen standpunt te leven en te handelen. Dat is nu liberaal zijn, zolang het in de eigen kraam te pas komt maar tegelijk anderen die vrijheid niet te gunnen. Dat is de worsteling tussen dirigisme en liberalisme. Lastig hè!

Jaargang 5, Nr. 209.

Paul Vermast

Paul Vermast

Hyves Linkedin Twitter Youtube Flickr GR

Herrie, stank en overlast

In weblog, alderstafel, dronten, geluidsoverlast, herrie, lelystad airport, luchthaven lelystad, randstad, schiphol, en meer.

De afgelopen dagen heb ik deze woorden bijna eindeloos herhaald over de plannen voor de uitbreiding van Luchthaven Lelystad in de verschillende media en tijdens gesprekken met inwoners. Sinds vorige week het advies van de Alderstafel openbaar is geworden wordt er een discussie gevoerd over de gevolgen van deze plannen waarbij er over acht jaar 25.000 vliegbewegingen en ruim 2 miljoen passagiers op Lelystad moeten worden afgehandeld. De routes zijn nog niet vastgesteld, maar aanvliegen op een landingsbaan kan maar op één manier en dat is er recht op af. Dat betekend dat de vliegtuigen rakelings langs (en zeer waarschijnlijk in de praktijk deels over) de Drontense wijk De Gilden zullen vliegen.

Veel gehoorde argumenten voor deze uitbreiding is het aantal banen dat het zal opleveren. Werkgelegenheid is belangrijk in deze tijden van economische crisis en zeker voor een regio waar naar verhouding nog niet zo veel werkgelegenheid is. Toch mag je jezelf de vraag stellen of die banen er letterlijk ten koste van alles moeten komen. Want in veel economische studies wordt er gesteld dat er hier een goed vestigingsklimaat is door de kernkwaliteiten rust, ruimte en groen. Met name die rust wordt zeer ernstig aangetast.

Nu is geluidsoverlast iets subjectiefs, natuurlijk. Vandaag op Goede Vrijdag heb ik de Matthäus-Passion luid uit mijn boxen klinken en vindt dat schitterend. Wellicht vinden mijn buren die regelmatig loei hard Frans Bauer op hebben staan dit wel ondragelijke overlast. Verschil is dat ik niet alle dagen van het jaar en 3 keer per uur deze overlast veroorzaak, maar slechts op Goede Vrijdag.

Wat daarbij wordt gezegd is dat de overlast in Flevoland relatief beperk is. Dat is natuurlijk prachtige vaagtaal om te vertellen dat we hier gewoon in de herrie komen te zitten, maar omdat er in vergelijking met de regio Schiphol minder mensen wonen de overlast (voor het aantal mensen dat er last van heeft) minder groot is. Maar de herrie zal effectief hetzelfde zijn. Vliegtuigen worden niet plots veel stiller als ze op Lelystad zullen landen en als bewoner van De Gilden zou het mij niet veel interesseren dat ik ‘relatief’ minder gehinderd wordt omdat ik ‘relatief’ weinig buren heb. In tegenstelling tot Schiphol en Eindhoven (waar ook een Alderstafel is en veel naar wordt verwezen om te vertellen hoe goed het is) is de herrie hier nieuwe herrie; nieuwe overlast.

Natuurlijk wonen er veel mensen net naast Schiphol en vinden die dat niet erg. Daar is ook helemaal niets mis mee. Veel van deze mensen werken op of bij de luchthaven en algemeen bekend is dat je van hetgeen waarvan je voordeel hebt ook minder overlast wordt ervaren. Een varkenshouder vindt zijn stal ook niet stinken terwijl de meeste mensen daar anders over denken. Maar er zijn ook mensen die de regio rond Schiphol wel hebben verlaten omdat ze van de rust (van het platteland) willen genieten en niet in de herrie willen zitten. Deze mensen hebben zich voor een deel in Flevoland en Dronten gevestigd omdat het hier nog stil is en je toch snel in de Randstad zit.

Toch hebben ook mensen in de Randstad soms even de rust en ruimte nodig om bij te kunnen komen van de drukte en de herrie van de stad. Die rust en ruimte hebben we hier in de Polder. Wij komen graag in de Randstad werken zodat we hier de rust behouden en de drukke Randstedeling hier kan ontspannen en tot rustkomen. Dronten biedt daar graag de ruimte voor zodat we niet van heel Nederland een Herrieland maken.

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Rabbijn: Kosher slachten = Eco kweken

In religie en politiek, rituele slacht, boek, conservatief, de, dieren, discussie, freedom, geschiedenis, en meer.

In de discussie over ritueel slachten zijn vaak zorg voor dieren en godsdienstvrijheid tegenover elkaar gezet. Dat die twee elkaar niet uitsluiten, blijkt uit de woorden van de liberaal-joodse rabbijn Menno ten Brink:

“What do we need as Progressive, living and thriving Jewish community in our own European countries in the decades to come? We are facing an Europe that has opened its borders, where the distance between peoples and communities is made shorter. We face an increasing secular and individualized society, a tendency to move away from religion, rituals and being different. In the Netherlands at least, we have the discussions about shechita [...]. But Tzaar baalee chajim, is a basic principle in Judaism, caring for the animals, Freedom of Religion, is also a basic right, and we should stand firm in this. Progressive Jews should actively find new methods, to slaughter kosher, but with enough guarantee for the rights of animals; but also, we should stimulate eco-kashrut, where meat is only kosher if the animals are treated well before they die to be our food. Fair trade, kosher wood and products that came from sources where there is no child labor and slavery, and no oppression, because, we know the slavery and oppression ourselves. Moshe took us out there. That is what Jews should do, care about the world where we live.”

Religieuze tradities hebben een lange geschiedenis van aandachtig leven en verantwoordelijkheid nemen voor medemens en natuur. Vandaag de dag staan ze vaak per definitie te boek als conservatief en ongevoelig voor het lijden van mens en dier. Juist de progressief-religieuze stemmen laten echter zien dat spirituele inspiratie en religieuze tradities kunnen – nee, moeten – leiden tot een mens- en diervriendelijke levenshouding.


Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Rabbijn: Kosher slachten = Eco kweken

In religie en politiek, rituele slacht, leiden, liberaal, lijden, medemens, natuur, discussie, freedom, en meer.

In de discussie over ritueel slachten zijn vaak zorg voor dieren en godsdienstvrijheid tegenover elkaar gezet. Dat die twee elkaar niet uitsluiten, blijkt uit de woorden van de liberaal-joodse rabbijn Menno ten Brink:

“What do we need as Progressive, living and thriving Jewish community in our own European countries in the decades to come? We are facing an Europe that has opened its borders, where the distance between peoples and communities is made shorter. We face an increasing secular and individualized society, a tendency to move away from religion, rituals and being different. In the Netherlands at least, we have the discussions about shechita [...]. But Tzaar baalee chajim, is a basic principle in Judaism, caring for the animals, Freedom of Religion, is also a basic right, and we should stand firm in this. Progressive Jews should actively find new methods, to slaughter kosher, but with enough guarantee for the rights of animals; but also, we should stimulate eco-kashrut, where meat is only kosher if the animals are treated well before they die to be our food. Fair trade, kosher wood and products that came from sources where there is no child labor and slavery, and no oppression, because, we know the slavery and oppression ourselves. Moshe took us out there. That is what Jews should do, care about the world where we live.”

Religieuze tradities hebben een lange geschiedenis van aandachtig leven en verantwoordelijkheid nemen voor medemens en natuur. Vandaag de dag staan ze vaak per definitie te boek als conservatief en ongevoelig voor het lijden van mens en dier. Juist de progressief-religieuze stemmen laten echter zien dat spirituele inspiratie en religieuze tradities kunnen – nee, moeten – leiden tot een mens- en diervriendelijke levenshouding.


donderdag, 5 april 2012

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Onderwijskwaliteit

In politiek, onderwijs, basisonderwijs, bedrijfsleven, beleid, burgerschap, christelijk, de, de wereld, en meer.

‘Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.’ Die woorden uit de Grondwet zijn de afgelopen tijd meer dan waar geworden: het onderwijs leidt bij de regering tot ernstig hoofdkrabben. En dan vooral waar het gaat over de kwaliteit van het onderwijs. De ‘deugdelijkheid’, zoals de Grondwet zegt. Hoe staat het daarmee op de Hogescholen die onwaardige diploma’s afgeven, universiteiten met genadezesjes, teruglopende slagingspercentages in het middelbaar onderwijs, en tekortschietende opbrengsten in het primair onderwijs?

De minister van onderwijs hanteert als motto ‘de basis op orde, de lat omhoog’. Een hogere kwaliteit van het onderwijs is noodzakelijk en dat moet met heldere resultaten kunnen worden aangetoond. Het basisonderwijs krijgt een landelijke eindtoets. De kernvakken taal en rekenen staan centraal. En in bijvoorbeeld het hoger onderwijs betekent het dat studenten zoveel mogelijk het voorgeprogrammeerde pakket moeten volgen en binnen de vastgestelde termijn moeten zijn afgestudeerd.

Maar wat is eigenlijk kwaliteit? Marketingmensen zeggen dan zoiets als ‘voldoen aan de verwachtingen van de klant’. Voor het onderwijs zou het dan gaan om de verwachtingen die leven bij ouders, leerlingen en samenleving. Met name bij het beroepsonderwijs speelt deze gedachte vaak een rol: bedrijven en instellingen willen dat het onderwijs maximaal aansluit bij hun behoeften.

Het woord ‘kwaliteit’ heeft echter ook een andere, veel oudere betekenis: de wezenlijke eigenschappen van een zaak of persoon. Afhankelijk van hoe sterk die eigenschappen aanwezig zijn, is er dan een hoge of lage kwaliteit. Zo onderscheiden ‘kwaliteitskranten’ zich door hun kerneigenschap van journalistieke onafhankelijkheid en diepgravende analyses. En bij een kwaliteitsrestaurant is het culinaire niveau hoger dan bij een snackbar, terwijl ze beide ‘voldoen aan de verwachtingen van de klant’.

Onderwijskwaliteit zou veel meer moeten uitgaan van deze betekenis van kwaliteit. Niet per se de verwachtingen van de klant, maar vooral recht doen aan de wezenlijke eigenschappen van het onderwijs. Maar precies op dat punt schiet het huidige beleid te kort omdat er eigenlijk geen visie is op die wezenlijke eigenschappen. Natuurlijk zijn taal en rekenen een onmisbare basis, maar waar doen we het eigenlijk voor? Daar horen we de minister eigenlijk niet over.

Misschien kan ik haar een handje helpen. De wezenlijke eigenschap van onderwijs is volgens mij dat het een leerruimte schept waarbinnen mensen (en vooral jongeren) zich zo ontwikkelen dat ze zelfstandig en authentiek in de samenleving kunnen participeren. Dus geen leerfabriek met gestandaardiseerde processen waarin productie wordt gemaakt, maar ruimte voor groei en vorming. Onderwijskwaliteit begint met de pedagogische opdracht om aan te sluiten bij de eigenheid van de leerling (kind of volwassene) en vormen aan te bieden die uitdagen tot ontwikkeling. In die ontwikkeling gaat het om een stimuleren van authenticiteit en vrijheid en dus van kritisch en creatief nadenken. Talentontwikkeling hoort daarbij: leerlingen moeten zich ook in hun unieke talenten kunnen ontwikkelen, ook als die op een ander vlak liggen dan de verwachtingen van de samenleving, het bedrijfsleven of de ouders.

Voor het zelfstandig participeren in de samenleving is het natuurlijk ook nodig dat mensen vaardigheden ontwikkelen. Dat is de ambachtelijke kant van het onderwijs. Of het nu gaat om timmerlieden, verzorgenden of wetenschappers, in elk beroep vinden we vaardigheden, inzichten en beroepshoudingen die duidelijk maken wat een goede beroepsbeoefenaar onderscheidt van een slechte. Het is een taak van het onderwijs om leerlingen in die ambachtelijkheid te vormen. Dat begint met basisvaardigheden als taal en rekenen, maar het gaat natuurlijk om veel meer.

En voor het zelfstandig participeren is ten slotte nodig dat mensen leren om te gaan met de huidige samenleving. Die is ingewikkeld en veelkleurig en daarom moet het onderwijs ertoe bijdragen dat mensen daarin kunnen leven. Dat betekent aandacht voor burgerschap en diversiteit en vorming die erop gericht is dat mensen verantwoordelijkheid nemen voor zichzelf, elkaar, de wereld.

Als dat de wezenlijke eigenschappen zijn van onderwijs, dan moet de discussie over onderwijskwaliteit dus ook veel breder en dieper worden gevoerd. Want onderwijsbeleid is uiteindelijk geen technische kwestie, maar gaat over visie.

Column in Christelijk Weekblad 24.03.2012


Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Onderwijskwaliteit

In politiek, onderwijs, kant, kort, kritisch, minister, nadenken, beleid, burgerschap, en meer.

‘Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.’ Die woorden uit de Grondwet zijn de afgelopen tijd meer dan waar geworden: het onderwijs leidt bij de regering tot ernstig hoofdkrabben. En dan vooral waar het gaat over de kwaliteit van het onderwijs. De ‘deugdelijkheid’, zoals de Grondwet zegt. Hoe staat het daarmee op de Hogescholen die onwaardige diploma’s afgeven, universiteiten met genadezesjes, teruglopende slagingspercentages in het middelbaar onderwijs, en tekortschietende opbrengsten in het primair onderwijs?

De minister van onderwijs hanteert als motto ‘de basis op orde, de lat omhoog’. Een hogere kwaliteit van het onderwijs is noodzakelijk en dat moet met heldere resultaten kunnen worden aangetoond. Het basisonderwijs krijgt een landelijke eindtoets. De kernvakken taal en rekenen staan centraal. En in bijvoorbeeld het hoger onderwijs betekent het dat studenten zoveel mogelijk het voorgeprogrammeerde pakket moeten volgen en binnen de vastgestelde termijn moeten zijn afgestudeerd.

Maar wat is eigenlijk kwaliteit? Marketingmensen zeggen dan zoiets als ‘voldoen aan de verwachtingen van de klant’. Voor het onderwijs zou het dan gaan om de verwachtingen die leven bij ouders, leerlingen en samenleving. Met name bij het beroepsonderwijs speelt deze gedachte vaak een rol: bedrijven en instellingen willen dat het onderwijs maximaal aansluit bij hun behoeften.

Het woord ‘kwaliteit’ heeft echter ook een andere, veel oudere betekenis: de wezenlijke eigenschappen van een zaak of persoon. Afhankelijk van hoe sterk die eigenschappen aanwezig zijn, is er dan een hoge of lage kwaliteit. Zo onderscheiden ‘kwaliteitskranten’ zich door hun kerneigenschap van journalistieke onafhankelijkheid en diepgravende analyses. En bij een kwaliteitsrestaurant is het culinaire niveau hoger dan bij een snackbar, terwijl ze beide ‘voldoen aan de verwachtingen van de klant’.

Onderwijskwaliteit zou veel meer moeten uitgaan van deze betekenis van kwaliteit. Niet per se de verwachtingen van de klant, maar vooral recht doen aan de wezenlijke eigenschappen van het onderwijs. Maar precies op dat punt schiet het huidige beleid te kort omdat er eigenlijk geen visie is op die wezenlijke eigenschappen. Natuurlijk zijn taal en rekenen een onmisbare basis, maar waar doen we het eigenlijk voor? Daar horen we de minister eigenlijk niet over.

Misschien kan ik haar een handje helpen. De wezenlijke eigenschap van onderwijs is volgens mij dat het een leerruimte schept waarbinnen mensen (en vooral jongeren) zich zo ontwikkelen dat ze zelfstandig en authentiek in de samenleving kunnen participeren. Dus geen leerfabriek met gestandaardiseerde processen waarin productie wordt gemaakt, maar ruimte voor groei en vorming. Onderwijskwaliteit begint met de pedagogische opdracht om aan te sluiten bij de eigenheid van de leerling (kind of volwassene) en vormen aan te bieden die uitdagen tot ontwikkeling. In die ontwikkeling gaat het om een stimuleren van authenticiteit en vrijheid en dus van kritisch en creatief nadenken. Talentontwikkeling hoort daarbij: leerlingen moeten zich ook in hun unieke talenten kunnen ontwikkelen, ook als die op een ander vlak liggen dan de verwachtingen van de samenleving, het bedrijfsleven of de ouders.

Voor het zelfstandig participeren in de samenleving is het natuurlijk ook nodig dat mensen vaardigheden ontwikkelen. Dat is de ambachtelijke kant van het onderwijs. Of het nu gaat om timmerlieden, verzorgenden of wetenschappers, in elk beroep vinden we vaardigheden, inzichten en beroepshoudingen die duidelijk maken wat een goede beroepsbeoefenaar onderscheidt van een slechte. Het is een taak van het onderwijs om leerlingen in die ambachtelijkheid te vormen. Dat begint met basisvaardigheden als taal en rekenen, maar het gaat natuurlijk om veel meer.

En voor het zelfstandig participeren is ten slotte nodig dat mensen leren om te gaan met de huidige samenleving. Die is ingewikkeld en veelkleurig en daarom moet het onderwijs ertoe bijdragen dat mensen daarin kunnen leven. Dat betekent aandacht voor burgerschap en diversiteit en vorming die erop gericht is dat mensen verantwoordelijkheid nemen voor zichzelf, elkaar, de wereld.

Als dat de wezenlijke eigenschappen zijn van onderwijs, dan moet de discussie over onderwijskwaliteit dus ook veel breder en dieper worden gevoerd. Want onderwijsbeleid is uiteindelijk geen technische kwestie, maar gaat over visie.

Column in Christelijk Weekblad 24.03.2012


Socrates Schouten

Socrates Schouten

Linkedin DWARS

Intrinsieke waarde (1)

In filosofie en ethiek, nederlands, claim, de, discussie, feit, filosofie, gewoon, natuur, en meer.

Al vroeg in mijn studietijd passeerde het begrip ‘intrinsieke waarde’, waarbij het betrekking had op de natuur. Vooral individuele dier- en plantensoorten wordt intrinsieke waarde toegedicht, maar ook hele ecosystemen en de biotische en abiotische natuur als geheel.

Vanaf dat moment had ik grote moeite met ‘intrinsieke waarde’. De schijnbare claim was dat de natuur een waarde heeft die op zichzelf staat, los van de waardering door de mens. Volgens mij trekt de mens te veel eer naar zich toe als zij veronderstelt dat waarde die zij zelf, woordelijk, aan (levende) objecten toekent, buiten zichzelf staat en tot een absolutisme verheft. Die waardering is gewoon de onze, en daarmee niet ‘eigen’ aan het beschouwde.

(In discussies met gewaardeerde vrienden heb ik enige vrede gekregen met een genuanceerdere visie, waarin het begrip ‘intrinsiek’ wordt gebruikt om ons menselijke gevoel te verwoorden dat alle soorten bestaansrecht hebben. Inderdaad is mijn nadruk op het ontbreken van een absolute waarheid wellicht meer een dooddoener dan een interessante filosofie.)

In een boeiend essay (1995) heeft de Amerikaanse milieufilosoof J. Baird Callicott de verschillende pogingen om de natuur intrinsieke waarde toe te kennen, uitgepluisd. Het essay heeft me de discussie omtrent het onderwerp doen waarderen, en graag vat ik daarom de twee punten die ik uit Callicotts essay haal, even samen – in mijn eigen woorden.

1. De beste pogingen om intrinsieke waarde toe te kennen aan ‘de natuur’ (nochtans vaak aan individuele soorten, maar uiteindelijk streeft de discussie naar het grotere geheel), komen erop neer dat de waarde voortkomt uit de waardering die het leven voor zichzelf heeft. Die waarde wordt herkend in het feit dat leven (soorten, natuur) zichzelf in stand ‘wil’ houden. Daaruit volgt, met een paar kwinkslagen, de intrinsieke waarde van de natuur. De minder verstrekkende versie, die rekening houdt met het feit dat filosofie mensenwerk is, is dat de gemeenschappelijke ervaring van mensen dat de natuur in zichzelf waarde heeft, geobjectiveerd mag worden tot ‘intrinsieke waarde’. Maar die conclusie mist een definitieve onderbouwing, merkt ook Callicott op.

2. Het beste aan ‘intrinsieke waarde’ is, in een amusante paradox, de instrumentele waarde van het begrip. Want hoewel de filosofische onderbouwing niet verder komt dan het niveau-luchtkasteel (ziet er mooi uit maar is niet solide), wordt het gevoel breed gedeeld onder de mensen. De discussie over de intrinsieke waarde van de natuur komt immers voort, betoogt Callicott, uit de zoektocht naar een milieuethiek die, indien deze voet aan de grond krijgt, het bestaansrecht van de natuur kan doen verankeren in de wet. Over de kans van slagen laat de auteur zich niet uit, maar dit zou de ‘bewijslast’ bij milieuschadelijke handelingen verschuiven van een handvol activisten naar de veroorzakers van de schade. En dat maakt een wereld van verschil.


zaterdag, 31 maart 2012

Claire Vaessen

Claire Vaessen

Twitter GR

Wat doet de regio?

In raad, regio, regio rivierenland, beleid, blog, burgemeester, burgers, college, communicatie, en meer.

Vast onderdeel van de Culemborgse raadsvergadering is punt 8: informatie uit gemeenschappelijke regelingen. Regio Rivierenland is zo’n gemeenschappelijke regeling.

De terugkoppeling uit ‘de regio’ is mager. Meestal wordt de regio afgedaan als de plek waar al door de lokale gemeenteraad vastgesteld beleid wordt verlengd en uitgevoerd. Dat is zo, maar soms op het randje. Een voorbeeldje: bij het besluit dat  in 2020 regionaal 10% duurzame energie moet worden opgewekt is de Culemborgse raad niet betrokken geweest. En over wat over ‘werk en inkomen’ in de regio wordt besproken en besloten krijgt de gemeenteraad regelmatig een keurige nieuwsbrief; alleen, ik heb een andere opvatting over de taak van een gemeenteraadslid dan slechts geïnformeerd te worden.

Toen de voorzitter van de raad (die niet alleen burgemeester van Culemborg, maar ook voorzitter van Regio Rivierenland is) gisteren in de raadsvergadering dit punt wilde afhameren was het tijd om in te grijpen en te vragen naar terugkoppeling uit het Algemeen Bestuur van de regio.

Lichtelijk geïrriteerd over dit oponthoud vertelde Van Schelven dat het AB van de regio een besluit had genomen over de riolering van het regiokantoor. De ondertoon had onmiskenbaar de boodschap dat je je als raadslid niet druk zou moeten maken over dit soort futiliteiten.

In De Gelderlander van 17 maart was echter al te lezen geweest dat de Burense wethouder Sander van Alfen in het AB van de regio een serie voorstellen had gepresenteerd die tot doel hadden meer openheid te betrachten en de raadsleden in de regio actiever te informeren. Een burgemeester zou in die discussie gezegd hebben: “De participatie en informatie van de gemeenteraden gaan niet goed”.

Het geeft te denken dat het Culemborgse college het niet de moeite waard vond deze in het AB van de regio gevoerde discussie met de raad te delen.

Bij monde van wethouder Van Oorschot kwam er vervolgens een wat onwillig en halfslachtig antwoord op mijn terugkoppelingsvraag: voordat je aan de gang ging met het ‘verkopen’ van je regio, moest eerst gezorgd worden dat de interne communicatie in orde was. Daar zou nu aan gewerkt gaan worden. En niet Culemborg in haar eentje moest nu aan de slag met het actiever informeren van raad en burgers, maar alle regiogemeenten zou eerst op één lijn moeten komen.

Dat riekt naar stroperigheid.
Waarom zouden de Culemborgse bestuurders hun raad en bevolking niet netjes informeren? Waarom zou je daarvoor moeten wachten op andere gemeenten in de regio?

Met moeite ontfutselde ik van het college de toezegging dat de Culemborgse raad de beschikking zou krijgen over de concrete voorstellen van de Burense wethouder om raad en burgers beter te informeren.

Participatie, democratie, transparantie: of deze begrippen voor het Culemborgse college wel altijd zo vanzelfsprekend zijn….?

dinsdag, 27 maart 2012

Christian Jongeneel

Christian Jongeneel

Hyves Linkedin Twitter Youtube

Het misverstand over Wilders’ connectie met Israël

In sargasso, de, discussie, israël, kamp, mening, pvv, wilders, wonen, en meer.
1819

Goed, we gaan de komende dagen of misschien wel weken een grote storm krijgen over een vermeend antisemitische cartoon in de Volkskrant. Wie de discussie tot nu gevolgd heeft, zal moeten constateren dat het kamp Wilders het weer gelapt heeft: een giftige mening over de schimmige financiering van de PVV is omgebogen naar een discussie of de boodschapper wel kosher is. Wilders’ tegenstanders zitten weer in het defensief.

Waar het helemaal niet meer over gaat is of de suggestie van een wat al te innige band tussen Wilders en Israël terecht is. Natuurlijk, het is aannemelijk dat het grootste deel van de PVV donaties uit de VS komen, want daar wonen nu eenmaal meer en rijkere mensen (waaronder een grote groep die vanwege etnische verwantschap ook zeer warme gevoelens voor de Joodse staat voelt). Maar dat Wilders steun uit Israël geniet, is ook geen geheim. De vraag is vooral in hoeverre Wilders daadwerkelijk aangestuurd wordt vanuit Tel Aviv of daaromtrent.
(...)
Lees verder in Het misverstand over Wilders’ connectie met Israël (nog 223 woorden)

Maria Trepp

Maria Trepp

Twitter

De verboden wetenschapsmonologen/ er ontbreekt: Nasr Abu Zayd

In moslims/islam, religie, moraal, humanisme& atheïsme, nasr abu zayd, verboden wetenschapsmonologen, afghanistan, algemeen, arbeid, artikelen, automatisch, en meer.

De Verboden Wetenschapsmonologen (muzikaal theater) vertellen de aangrijpende verhalen van academici die in hun eigen land vervolgd werden en in Nederland een veilige werkplek vonden.

De monologen zijn gebaseerd op echte verhalen van gevluchte wetenschappers.

Ik keek benieuwd naar de namen van de wetenschappers die figureren in de voorstelling, en miste een belangrijke naam:

De Egyptenaar, liberale moslim en balling Nasr Abu Zayd, oud-Cleveringahooglerar aan de Universiteit Leiden, overleden in 2010.

nasr De verboden wetenschapsmonologen/ er ontbreekt: Nasr Abu Zayd

Hij was sinds 1995 balling in Nederland nadat hij in Egypte tot geloofsafvallige werd bestempeld. Hij beschouwde de Koran als een zowel religieus alsook mythisch en literair werk.

Wikipedia: “Abu Zayd gold als groot kenner van de islamitische stromingen in de islamitische wetenschappen en stelde zich tot doel een te ontwikkelen die moslims in staat stelt hun eigen tradities te verbinden met de moderne wereld van
vrijheid, gelijkheid, mensenrechten en democratie. Op basis van kritisch onderzoek van de Koran en de hadiethliteratuur kwam Abu Zayd onder meer tot de conclusie dat de juridische positie van de vrouw gelijk dient te zijn aan die van de man.”

Uit mijn eerdere blogs over hem: 

 

Nasr Abu Zayd kritisch op de Arabische Wereld én op het Westen (November 2009)

 

Nasr Abu Zayd over wie ik eerder veel heb geschreven levert in de NRC harde kritiek op de Arabische wereld én op het Westen.

Typisch Nasr om tegen beide partijen tegelijk aan te schoppen.

Nasr houdt altijd een interessante balans tussen pessimisme en optimisme; of tussen realisme en idealisme.

Uit het interview:

“Verandering [in Egypte en in de Arabische wereld] , zegt Abu Zayd, is noch in het belang van de staat, noch in het belang van de Moslimbroederschap. ,,Noch, ben ik bang, van het Westen.”

Waarom niet?

,,Omdat het Westen enorme economische belangen bij de regimes heeft. Het doet er niet toe wat die regimes doen met vrouwen of vrijheid of democratie, zolang die belangen maar worden beschermd.”

Verandering is alleen mogelijk als het gebied wordt overgelaten aan zijn eigen dynamiek. ,,De voortdurende buitenlandse interventies” – Abu Zayd doelt op het kolonialisme, en nu de oorlogen in Afghanistan en Irak en het Israëlisch-Palestijnse conflict – ,,staan een gezonde ontwikkeling in de weg. Godsdienst is de enige toevlucht voor de mensen om zich te beschermen.”

[...]

,,Als geleerde, als dromer moet ik ook optimistisch zijn. Hoe kan een wetenschapper die zijn droom over de toekomst verliest zijn werk voortzetten? Je moet geloven in de mogelijkheid van mensen om hun leven te veranderen, in welke maatschappij ze ook leven.”

 ———————————————————————————

 

Hoe rechts stelselmatig de liberale islam onderuit haalt

Juist omdat ik weet dat rechts alles op alles zet om de liberale islam tegen te werken, bijvoorbeeld ook in zijn meest democratische gedaante zoals Nasr Abu Zayd,  ben ik uiterst wantrouwig tegenover rechts dat nu een enorm grote grote bek trekt.

Terwijl de Leidse professoren Bolkestein en Ellian een voortrekkersrol spelen in de strijd tegen Ramadan, hebben de Leidse neocon-professoren Cliteur en Ellian een voortrekkersrol vervuld in de buitengewoon aanstootgevende strijd tegen hun Leidse collega Nasr Abu Zayd.

In twee uitgebreide artikelen in Civis mundi[1] heeft Paul Cliteur  de moeite genomen de Leidse oud-Cleveringa-hoogleraar en inmiddels WRR-auteur, de liberale moslim Nasr Abu Zayd, als moslim en als wetenschapper onderuit te halen. Cliteur schrijft over Abu Zayd, die in Egypte door de moslimfundamentalisten werd vervolgd:

“Het is natuurlijk wrang wanneer iemand die in zijn eigen land zoveel problemen heeft ondervonden met moslim-fundamentalisme in zijn nieuwe gastland te horen krijgt dat de fundamentalisten in zekere zin gelijk hadden. Toch moet ik dat doen.” (Civis mundi 41, p. 221)

Cliteur weigert Abu Zayd als gelovige moslim te beschouwen. Voor Cliteur is Abu Zayd een afvallige en een atheïst- en het maakt voor hem niet uit wat Abu Zayd zelf hierover zegt. (p.222). Ook kunnen “wij” volgens Cliteur Abu Zayd niet serieus nemen als wetenschapper (p. 225) . Cliteur baseert overigens zijn kritiek op één autobiografisch boek; hij haalt de wetenschappelijke publicaties van Abu Zayd niet aan.

In het tweede artikel When in Rome… herhaalt Cliteur zijn vijandige argumentatie tegen Abu Zayd. Maar deze keer heeft hij ook een Goede Moslim aan te bieden, die hij als kontrast tegenover de Slechte Moslim Abu Zayd kan stellen: Afshin Ellian. Wat Cliteur bij Ellian zo bevalt, dat is het feit dat hij bij Ellian een kritiek “op de islam an sich” aantreft- “niet alleen op de verschillende interpretaties van de islam […] ”. “Dat [de kritiek op de islam an sich] betekent kennelijk dat de zaak niet helemaal hopeloos is .” ( p. 21)   De Goede Moslim Ellian is de volledig geseculariseerde moslim die bovendien slecht spreekt over de islam. Ellian over de islam: “De islam is een structurele wantoestand die al ruim veertienhonderd jaar alle aspecten van opvoeding, cultuur, economie, politiek en omgangsvormen overheerst. [....] Het lijkt op de pest: waar de islam ook komt overheerst armoede, gebrekkige ontwikkeling, analfabetisme, onderdrukking, corruptie, frustratie en vooral geweld.”[2]

Oud-marxist Ellian vervalt hier in een typische denktrant van oud-marxisten: in plaats van de economie als allesbepalende factor, wordt nu de religie als allesbepalende factor gezien. De Parijse hoogleraar arabistiek Mohammed Arkoun: “De overvloedige politieke literatuur vervalt in dezelfde fouten [als het marxisme] als zij van de verdinglijkte, verstarde, tijdloze en gebanaliseerde islam de belangrijkste en onoverkomelijke bron maakt voor alle ideologische afwijkingen, geweld, intolerantie en mislukking in al die samenlevingen waar deze ‘religie’wordt aangehangen.”[3]

Paul Cliteurs kritiek op Nasr Abu Zayd is opmerkelijk, zowel inhoudelijk alsook formeel. Om te beginnen met formele aspecten: Cliteur heeft nooit contact of dialoog gezocht met Abu Zayd. Hij spreekt niet met hem, hij schrijft over zijn Leidse collega. Een subject wordt tot object gemaakt. Mohammed Arkoun, de Parijse hoogleraar Arabisch zegt: “De islam is geen uitdaging van het andere, geen bron van reflectie, geen gesprekspartner, geen samenwerkingspartner voor de Europeaan, het blijft deze derde persoon, het object waarover men spreekt, dat men onder de microscoop legt, reïficeert, opblaast of banaliseert tot er en ideologisch monster overblijft […] “[4]

Arkoun heeft het hier niet eens over een mens, hij heeft het over de islam, die hij graag als gesprekspartner behandeld zou willen zien. Maar Abu Zayd is eens mens en een wetenschapper die van Cliteur tot belachelijk en verachtelijk object wordt gemaakt. Cliteur baseert zijn kritiek op één boek van Abu Zayd. Hij noemt Abu Zayd een balling, maar vertelt er niet bij, dat Abu Zayd professor is in Leiden, en zelfs Cleveringa-hoogleraar was. Het verzwijgen van deze relevante context-informatie heeft een beledigend karakter, te meer omdat Cliteur Abu Zayd de wetenschappelijke competentie meent te kunnen ontzeggen. Het is bijna komisch te noemen, dat Cliteur zich achter de veroordeling van de fundamentalisten stelt, en deze inzake Abu Zayd gelijk geeft. Daarmee geeft Cliteur zichelf als fundamentalist – verlichtingsfundamentalist- te kennen. Mohammed Arkouns opmerking over fundamentalistische intellectuelen treft ook Cliteur: “[…] elke verwijzing naar de leer van de geschapen koran [wordt] krachtig verworpen door de huidige bewakers van de ‘orthodoxie’.  Heel wat intellectuelen zijn medeverantwoordelijk voor deze verwerping omdat ze geen theoretisch belang zien in de modernisering van het islamitische denken en de heropening van het zeer rijke theologische en antropologische debat.”[5]

 


[1] God houdt niet van vrijzinnigheid , In: Civis mundi; vol. 41 (2002), afl. 4, en When in Rome, do as the Romans do In: Civis mundi; vol. 42 (2003), afl. 1.

[2] Wie is die vrolijke ketter? In: Brieven van een Pers, p. 227.

[3] Bolkestein en Arkoun: Islam en de democratie, 1994, p. 14.

[4] Bolkestein en Arkoun: Islam en de democratie, 1994, p. 13.

[5] Bolkestein en Arkoun: Islam en de democratie, 1994, p. 38.

 

———————————————————————————————————————

Paul Scheffer en Hans Jansen over Nasr Abu Zayd

 

Vandaag schrijft Hans Jansen weer over Nasr Abu Zayd ( zie ook mijn vorige Jansen/Abu Zayd blog). Hij haalt Paul Scheffer aan, die in Het land van aankomst schrijft over Nasr Abu Zayd.

Hans Jansen:  ”Scheffer heeft gemerkt dat deze man [Abu Zayd] zijn weldoeners en asielverleners in zijn geschriften regelmatig als ‘de vijand’ aanduidt. Niet de moslimactivisten die hem wegens vermeende afvalligheid van de islam naar het leven staan zijn voor Abu-Zayd de vijand, maar degenen die hem toevlucht verschaffen.”

Scheffer geeft in Het land van aankomst geen paginanummers voor de door hem gebruikte citaten, maar ik heb een passage gevonden in het boek “Vernieuwing in het islamitisch denken”, die vermoedelijk bedoelt is. Ik citeer hier de hele passage, zoadat iedereen zich ervan kan overtuigen of dit de bewijs is dat Abu Zayd “de niet-moslims als de vijand [blijft] beschouwen” zoals Jansen schrijft.

Mij, niet-moslim, beschouwt Abu Zayd in ieder geval niet als vijand.

Ik zal in een  vervolg-blog ingaan op de door Abu Zayd voorgestelde vernieuwing van het islamitisch denken.

Als met citaten wordt gesmeten, en bovendien niet eens wordt vermeld waar deze citaten vandaan komen, lijkt het me belangrijk even eerst te beginnen de tekst goed te lezen die bedoeld wordt:

Abu Zayd: “De culturele uitdaging waarmee onze islamitische gemeen­schap zeven eeuwen geleden geconfronteerd werd heeft de wij­ze bepaald waarop de geleerden schreven en compileerden; zij verzamelden alles wat in engere of ruimere zin met de Tekst ver­band hield onder de noemer van koranwetenschappen. De uit­daging waarmee wij vandaag geconfronteerd worden, vereist dat wij een andere weg inslaan. Vandaag is ons probleem niet meer dat wij ons erfgoed voor de ondergang of onze cultuur voor versplintering moeten behoeden. Al is dat een probleem dat altijd voor alle gemeenschappen belangrijk is, toch zijn we van mening dat het op dit moment, waarop het bestaan zelf be­dreigd wordt, niet het allerbelangrijkste probleem is. Niemand kan de ogen sluiten voor het verbond van de externe vijand, be­lichaamd in het wereldimperialisme en het Israëlische zionis­me, met de reactionaire krachten die in het binnenland de heer­schappij voeren. En zo zijn wij vandaag in de situatie terechtge­komen dat wij zelf ons eigen voortbestaan moeten verdedigen, nu de vijand er vrijwel in geslaagd is door onze gelederen heen te breken om voor eens en voor altijd te proberen ons van ons ware bewustzijn te beroven en het door middel van zijn culture­le instellingen en media te vervangen door een vals bewustzijn dat moet bewerkstelligen dat wij ons uiteindelijk bij zijn bedoe­lingen met ons neerleggen en ons volledig onderwerpen. De schriftgeleerden in het verleden hebben de uitdaging aangeno­men waarmee zij geconfronteerd werden en zij zijn er tot op ze­kere hoogte in geslaagd het erfgoed voor teloorgang te behoe­den. Het erfgoed dat zij hebben bewaard had niettemin een re­actionair karakter, zoals we eerder hebben aangeduid. [p.59]

Wat zouden wij nu als wetenschappers moeten doen om de uitdaging van tegenwoordig aan te kunnen? Op deze vraag zijn ongetwijfeld verschillende antwoorden mogelijk, omdat weten­schappers verschillende visies hebben op de werkelijkheid waarin wij leven, met al haar invloeden en conflicten. Zij heb­ben immers ook verschillende, uit hun eigen opvattingen en prioriteiten voortvloeiende, visies op de problemen, de dilem­ma’s en de structurering van onze werkelijkheid. Sommigen bij­voorbeeld denken dat onze ware redding te vinden is in de te­rugkeer naar de islam onder toepassing van zijn voorschriften en door de islam ons gehele economische, sociale en politieke leven tot in de kleinste details van het individuele en maat­schappelijke bestaan te laten beheersen. [...] Tegenover het tegenwoordige religieuze discours staat de stroming van de vernieuwing. Dat is een stroming die vindt dat wij van de ouden niet alles klakkeloos kunnen overnemen. De ouden leefden immers in hun tijd, waarin zij hun mening vormden, de basis legden voor allerlei wetenschappen, een be­schaving stichtten, een filosofie samenstelden en een denkwijze vormgaven. De som van dit alles is het erfgoed dat zij ons nage­laten hebben. Het is een erfgoed dat nog steeds deel uitmaakt van ons bewustzijn en dat bewust of onbewust invloed op ons gedrag heeft. Wij kunnen dit erfgoed niet buiten beschouwing laten, maar wij kunnen het evenmin aanvaarden zoals het is; wij moeten het opnieuw vormgeven, afstand nemen van wat niet meer bij onze tijd past, de positieve kanten ervan bevestigen en het opnieuw vormgeven in een taal die bij onze tijd past. Deze vernieuwing is onontkoombaar als we onze huidige crisis te bo­ven willen komen. Zij verbindt namelijk onze oorsprong met het heden en het nieuwe met het overgeërfde [...]  “

“Zijn weldoneres en asielverleners” valt Abu Zayd hier niet aan, zoals Jansen beweert.
Hij verzet zich tegen imperialisme en zionisme, net als vele Westerse intellectuelen.

———————————————————————————————————————

Verlichting in het Islamitisch denken: Nasr Abu Zayd

 

Nasr Abu Zayd heeft veel geschreven over verlichting en Islam. Zijn meest recente tekst Reformation of Islamic thought (2006)  is op internet te vinden, net als zijn Leidse oratie als Cleveringa-hoogleraar The Qur’an : God and man in communication. Verder is in de laatste jaren nog verschenen Rethinking the Qu’ran (2004) . Eind augustus schreef Abu Zayd een artikel in de Volkskrant “De gematigde islam bestaat niet alleen, maar wint ook aan invloed”.

Abu Zayd gaat vrij ver in zijn kritiek op de islam, veel verder dan andere liberale moslims:
“Er zijn bijvoorbeeld li­berale islamistische intellectuelen, die een vorm van civil society en dus ook van de­mocratie bepleiten, binnen de context van een politieke islam. Waar zij vooral voor terugschuwen is de scheiding van staat en religie, dus een seculiere maatschappij, omdat het Arabische begrip almaniah (secularisme), lange tijd met atheïsme is geas­socieerd. Mijns inziens is secularisme in de zin van de scheiding tussen kerk en staat noodzakelijk voor de opbouw van een civil society, en moet dus ook het meer libera­le islamisme worden bekritiseerd. [Dit slaat bijvoorbeeld ook als kritiek op Tariq Ramadan, M.T]“

Abu Zayd keert zich tegen een orthodoxe interpretatie van de islam, en probeert aan te tonen dat de islam ook andere denkers dan orthodoxe heeft gekend:
“De koran is Gods woord. Alle moslims hebben dit door de eeuwen heen onder­schreven. De discussie ging over de kwestie of de koran eeuwig was, of tijdelijk en geschapen. Dit leidde tot hevige debatten en zelfs tot de vervolging van de aanhan­gers van één van beide posities. De orthodoxe notie van een eeuwige koran leidt er automatisch toe dat de letterlijke betekenis van de tekst de enige ware is. Deze na­druk op de onfeilbaarheid van de heilige tekst is de logische conclusie uit het idee dat de tekst de precieze, woordelijke uitdrukking is van de absolute goddelijke wer­kelijkheid. En terwijl dit idee binnen het christendom als een extremistische doctri­ne werd gezien, omdat de theologie daar gebaseerd was op vier verschillende evange­liën, is het in de islamitische theologie altijd de meest gangbare leer geweest [...] . Deze intellectuele strijd tussen islamitische theologen over de precie­ze aard van de koran werd uiteindelijk beslecht in het voordeel van de orthodoxen tegenover de heterodoxen.”

Zelf is Abu Zayd een “heterodoxe” islamitische denker.
“Andere [niet-orthodoxe] scholen in de geschiedenis van het islamitische denken, die een meer rationele interpretatie van de islam voorstonden, zijn steeds meer terzijde geschoven. De orthodoxe theologie is de algemene politieke ideologie geworden van de meeste moslimstaten, enkel en alleen omdat ze gehoorzaamheid als een religieuze plicht ziet en politieke leiders graag wor­den gezien als de representanten van Gods gezag op aarde. “

De koraninterpretatie die Abu Zayd afwijst omschrijft hij als volgt:
“Aangezien verzet tegen intellectueel absolutisme een belangrijke bedreiging vormt voor politieke dictaturen, probeert men in de islamitische wereld nog altijd om de waarde van vrijheid te ondermijnen door religie als haar tegenstander voor te stellen. Daarom worden begrippen als gedachtenvrijheid, secularisme en Verlichting tot ‘sa­tanische’ begrippen bestempeld. Omdat deze begrippen bovendien allemaal pro­ducten van de westerse cultuur en Europese beschaving zijn, wordt gesuggereerd dat ze de essentiële kenmerken van de islamitische cultuur en beschaving tegenspreken. Daarom moeten ze worden afgewezen, opdat de moslims hun eigen identiteit niet verliezen, en niet alleen voor altijd gedomineerd zullen worden door hun historische vijanden, maar ook cultureel aan hen vastgeklonken zullen zijn. Om de gewone moslims ervan te overtuigen dat er geen enkele uitweg is behalve het vasthouden aan de zuivere islamitische identiteit, wordt de koran gebruikt en uitgelegd als de enige bron van Licht en daarmee ook als de enige bron van Verlichting.”

Dit wijst Abu Zayd af.

Verder legt Abu Zayd uit dat de islam zowel een historische als ook een universele dimensie heeft, die hij als volgt omschrijft:
“De is­lam heeft, net als elke andere godsdienst, meer dan één dimensie. De eerste is de his­torische dimensie, die haar specifieke leer over geloof, ethiek en vroomheid ontleent aan de context van de zevende eeuw. De tweede dimensie is universeler en vertegen­woordigt meer algemeen-menselijke, in zekere zin: verlichte, waarden, die tijd en plaats overstijgen. Deze twee dimensies van de islam zijn telkens onderwerp van dis­cussie geweest.

De historische dimensie wordt door met name rechtsgeleerden als de meest wezenlijke beschouwd, omdat zij met de realiteit, met het handelen van indi­viduen in de maatschappij te maken hebben, en ze er aldus toekwamen de meest wezenlijke doelstellingen van de islam uit de rechtspraktijk af te leiden. Via hun in­ductieve methode leidden zij de volgens hen vijf meest wezenlijke doelstellingen van de islam af: bescherming van het leven, van het nageslacht, van eigendom, van de geestelijke gezondheid, en van de godsdienst. Het is niet moeilijk in te zien dat deze vijf doelstellingen hoofdzakelijk afgeleid zijn uit het islamitisch strafrecht. De eerste is afgeleid uit de straf op moord, omdat vergelding volgens de koran in feite de bescherming van het leven beoogt (koran n, 178-179). De tweede doelstelling is afgeleid uit de straf op overspel. De derde doel­stelling houdt niets anders in dan de straf op diefstal: het afhakken van de handen van de dief. De vierde doelstelling heeft te maken met het verbod op alcohol. In de koran wordt weliswaar geen straf voor alcoholgebruik genoemd maar dit is later ­na de dood van de profeet – wel strafbaar gesteld. De bescherming van de gods­dienst is een principe dat afgeleid lijkt uit de doodstraf op godsdienstige afvalligheid, die later aan de traditie is toegevoegd. Deze straf werd uitgevonden door de rechtsgeleerden: in de koran wordt geen wereldlijke straf genoemd voor hen die de islam de rug toekeren nadat zij zich er eerst toe hadden bekeerd. De doodstraf werd ingevoerd om hoofdzakelijk politieke redenen, toen de bescherming van politiek ge­zag werd gelijkgesteld aan die van de islam.

Een andere lezing van de islamitische heilige teksten zou andere, meer universele doelstellingen van de islam opleveren. Ten eerste zou men dan zeggen dat de leer van de ene transcendente God tegenover het polytheïsme en tegenover de verering van  idolen, als voortbrengselen van de mensen zelf, bedoeld was om de mensen te be­vrijden van het heidendom en om de weg te openen naar rationaliteit. Het tweede doel zou volgens deze lezing het ontstaan van een gemeenschap van gelovigen zijn die niet langer op stamverbanden was gebaseerd. Het derde zou de vestiging zijn van rationeel menselijk gedrag in plaats [...] onwetendheid [...] . Onwetendheid in die zin, dat iemand zo onderdanig is tegenover de gedragscode die door de stam is opgelegd, dat hij niet kan handelen naar menselijk rationeel be­grip. De islam introduceerde dus rationeel gedrag om [onwetendheid] te vervangen. Ten vierde zou men vanuit deze interpretatie zeggen dat het erom gaat dat sociale recht­vaardigheid in de gemeenschap der gelovigen totstandkomt, wat in de historische context van de vroege islam door het geven van aalmoezen werd bewerkstelligd. Het vijfde doel zou volgens deze optiek het ontwikkelen van menselijk rationeel denken zijn, van reflectie in plaats van het blindelings navolgen van tradities uit het verle­den.

Abu Zayd is een voorstander van het kritisch denken:
“1. kritische kennis behoort de traditie niet klakkeloos na te volgen, omdat dit een onkritische omgang met de doctrines van een school en zijn tradities is die als onge­wenst wordt beschouwd. Deze kritiek op het traditionalisme was natuurlijk gericht tegen de orthodoxe school binnen de theologie, die de letterlijke interpretatie van de hele koran verdedigde. De adepten van deze school meenden zelfs dat al Gods ei­genschappen, alle eschatologische beelden, zelfs het idee dat God door mensenogen gezien zal worden, deel uitmaken van de letterlijk bestaande werkelijkheid. 2. traditionalisme en de letterlijke interpretatie van de heilige teksten die daaruit volgt is geen religieuze plicht; het is zelfs de verzaking van die plicht. God heeft het juist tot een mensenplicht gemaakt om ware kennis te verwerven, en dat is onmoge­lijk als men een traditie onkritisch navolgt. Elke vorm van traditionalisme impli­ceert dat er fouten worden gemaakt, omdat er slechts twee mogelijkheden zijn: of men volgt alle tradities na, ongeacht hoe contradictoir die zijn, of men kiest voor een bepaalde traditie en verwerpt daarmee een andere. Echter, als men een keuze maakt kan men er nooit zeker van zijn dat het de goede was, omdat daar geen enkel criterium voor is. Zelfs God vraagt niet om blinde navolging van zijn boodschap, hij bewijst die via de rede en via wonderen.
3. ten derde moet het idee van consensus of van de waarheid van de toevallige mening van de meerderheid verworpen worden, omdat die niet van zichzelf waar hoeft te zijn. Mohammeds volgelingen waren bijvoorbeeld in de minderheid toen de islam net ontstond en toch is hun overtuiging de ware. Noch het gezag van de meerderheid, noch dat van een of ander traditionalisme kan de redelijkheid van conformering aan een traditie garanderen . “
(citaten uit:  Abu Zayd, Verlichting in het Islamitisch denken, in Krisis, Tijdschrift voor Filosofie, 74, 1999)

Abu Zayd baseert zich sterk op de rationalistische Islamitische filososoof Ibn Rushd (Averroes), op de Westerse hermeneutische traditie en op de Duitse filosoof Habermas. Ik wil nog even opmerken dat dit, bij alle respect voor Abu Zayd, niet samenvalt met mijn eigen positie, die ik als veel minder rationalistisch zou willen omschrijven.
Maar dat maakt niet uit, Nasr Abu Zayd is voor mij een zeer interessante dialoogpartner.

Nasr Abu Zayd heeft zich uitgebreid bezig gehouden met de hermeneutiek; moderne tekstinterpretatie dus.

In zijn boek Het heilig vuur,Over de strijd tussen jodendom, christendom en islam schrijft Peter Sloterdijk indringend over de noodzaak tot vernieuwing in de monotheïstische religies. For Sloterdijk is de hermeneutiek een belangrijk middel om de religie te verzachten en “meerwaardig denken” aan te moedigen. [Meerwaardig denken is het tegenovergestelde van zwart/wit denken of dogmatisch denken] .

Sloterdijk:

“De vormen van hermeneutiek, zoals die in de omgang met de heilige geschriften ontwikkeld worden, kunnen eveneens gelden als leerschool voor meerwaardig denken. Dit komt vooral door de omstandigheid dat de beroepsmatige schriftuitleggers zich met een gevaarlijk alternatief geconfronteerd zien. Het handwerk van het interpreteren vraagt uit zichzelf alom derde wegen, want zo­dra het goed en wel begonnen is, komt het voor de onaanvaardbare keuze te staan om de goddelijke boodschap ofwel te goed, ofwel te slecht te begrijpen. Beide opties zouden noodlottige consequenties met zich meebrengen. Zou de uitlegger het heilige boek zo goed begrijpen als alleen de schrijver dat zou kunnen, dan zou hij de in­druk wekken God op de schouder te willen kloppen en verklaren het geheel met hem eens te zijn -een pretentie die de hoeders van heilige tradities niet bepaald appreciëren. Zou hij het daarentegen in strijd met de consensus begrijpen, of sterker nog het boek vol­strekt duister of onzinnig vinden, dan zou er wel eens demonische verstoktheid in het spel kunnen zijn. In beide gevallen voldoet de uitlegger niet aan de norm en stelt hij zich bloot aan de reactie van de orthodoxie, die zoals bekend nooit kleinzerig was wanneer het erop aankwam ketters te laten zien wat de grenzen zijn. De religi­euze hermeneutiek is dan ook a priori op het tussengebied tussen twee vormen van godslastering aangewezen en moet zich daar in evenwicht zien te houden. In geen andere situatie is er een beter motief om voor een derde mogelijkheid te kiezen. Als je niet zo­danig met de bedoelingen van de schrijver mag versmelten dat je de indruk wekt hem beter te begrijpen dan hij zichzelf bij het dic­teren van de tekst begreep, maar ook zijn boodschap niet zo mag miskennen alsof hij een vreemde was die ons niets te zeggen heeft, dan is het uitwijken naar een middenpositie voorspelbaar. Het tus­senrijk van de uitlegging is de vertrouwde omgeving voor het zoe­ken naar een juist begrip van de heilige tekens; principiële onvol­maaktheid biedt voor zulk begrip alle kans. Ik hoef niet omstandig uit te leggen dat deze arbeid in de schemering van een altijd slechts gedeeltelijk onthulde betekenis bij uitstek geschikt is om het extre­misme te breken “( p 112/113)

 

Maria Trepp

 

 

zondag, 25 maart 2012

Gerben Kappert

Gerben Kappert

Linkedin

Oranje in 2012 (deel 9; Maart 2012)

In oranje in 2012, voetbal, voetbalzondag, nederlands elftal, oekraïne, oranje, polen, voetbal, voetbalzondag, en meer.

Het wordt steeds duidelijker dat de backs het grootste probleem van Van Marwijk zijn. Van der Wiel en Pieters zijn eerste keus, geen topverdedigers, maar we hebben niet beter. Maar daarachter is het helemaal behelpen. Dit biedt ook kansen voor onverwachte namen. Maar wie wordt de reserveback in de Oekraïne?

Op het middenveld is de strijd voor de bank ook nog open. Oudgedienden Janssen en De Zeeuw lijken af te vallen. Kiest de bondscoach veilig voor Siem de Jong en de niet fitte Affelay of kunnen Fer en Clasie zich er nog tussen wurmen?

Voorin zijn Narsingh en John de namen die iedereen verraste vorige maand. Maar de altijd scorende Van Wolfswinkel zou toch ook nog een kans verdienen, net als de topscorer van de eredivisie Dost?

Doel
Maarten Stekelenburg 90
Michel Vorm 90
Tim Krul 90
Kenneth Vermeer 20
Jelle ten Rouwelaar 10
 

Verdediging
Gregory van der Wiel 90
John Heitinga 90
Joris Mathijsen 90
Jeffrey Bruma 90
Erik Pieters 80
Vurnon Anita 60
Khalid Boulahrouz 50
Hedwiges Maduro 40
Edson Braafheid 40
Ron Vlaar 30
Jeffrey Gouweleeuw 10
Gianni Zuiverloon 10
Ryan Donk 10
Kelvin Leerdam 10

Middenveld
Mark van Bommel 90
Wesley Sneijder 90
Rafael van der Vaart 90
Kevin Strootman 90
Nigel de Jong 90
Ibrahim Affelay 60
Georgino Wijnaldum 50
Urby Emmanuelson 50
Stijn Schaars 50
Adam Maher 10
Leroy Fer 10
Siem de Jong 10
Jordy Clasie 10

Aanval
Dirk Kuyt 90
Klaas Jan Huntelaar 90
Robin van Persie 90
Arjen Robben 90
Luuk de Jong 90
Luciano Narsingh 30
Ola John 30
Jeremain Lens 20
Ricky van Wolfswinkel 20
Ryan Babel 10
Bas Dost 10
Derek Boerrigter 10
Eljero Elia 10
Roy Beerens 10

Oranje in 2012. Een maandelijkse serie waarin de kansen van de mogelijke Oranje-kandidaten worden ingeschat. Mijn persoonlijke voorkeur heeft er dus niets mee te maken. Nog 46 kandidaten voor 23 plekken. De discussie is open. Suggesties, op- en aanmerkingen zijn welkom.


vrijdag, 23 maart 2012

John Swelsen

John Swelsen

Hyves Linkedin Twitter Youtube

Teleurstellend debat werken naar vermogen

De commissie CEESS  van de Arnhemse gemeenteraad vergaderde afgelopen maandag over de vertaling van het Arnhems college van B&W van de Wet werken naar vermogen en het 1100 banenplan. Alhoewel, van het laatste was in de discussie niets meer te beluisteren. Een teleurstellend debat was het gevolg waarin zelfs de vervangende wethouder nat ging met onwaarheden.

 

Ik mag hopen dat er weinig uitvoerders uit het werkveld van bemiddeling en sociale zekerheid het debat hebben gevolgd afgelopen maandag want die zouden terstond het vertrouwen in hun vertegenwoordigers en bestuurders hebben opgegeven. Het leek aardig te beginnen, Ria Peters van GroenLinks benoemde een aantal zorgpunten vanuit haar fractie die ook binnen het bereik van het gemeentelijk beleid liggen. Laat voorop staan, in de nieuwe Wet werken naar vermogen, waarvan de ingangsdatum gepland is op 1 januari 2012, is die ruimte beperkt. Het kabinet heeft het geheel redelijk dichtgetimmerd en levert een beperkte financiële bijdrage. Dat is ook de reden dat de Vereniging van Nederlandse Gemeenten hierover met het kabinet geen bestuursakkoord heeft gesloten.

Na Peters ontstond langzamerhand de verwarring. Desiree Egberts van de SP onderschreef de kritische kanttekeningen van GroenLinks en voegde nog een paar sneren aan het adres van de regering toe. Niet relevant maar tot dan nog geen onwaarheden. Vervolgens echter vloog men links en rechts uit de bocht. Waar Peters en Egberts de voorwaarde van aanvulling tot het minimumloon wilden regelen ontstond een discussie over het instrument loondispensatie. Dit wordt nu al op grote schaal toegepast binnen de Wajong-doelgroep en is een zinvol instrument om werkgevers te compenseren voor de niet-geleverde produktiviteit van mensen met een arbeidshandicap. Feitelijk werkt het systeem van de Sociale Werkvoorziening ook zo, mensen werken tegen een CAO-loon maar de overheid legt geld bij. Het verschil is alleen dat loondispensatie zowel binnen de overheid als het bedrijfsleven kan worden toegepast. Het argument van Nico Wiggers (Zuid Centraal) dat er tweederangswerkgevers en -werknemers ontstaan is dan ook onterecht. Van Burgstede (CDA) leek op de goede weg met haar betoog dat het kansen biedt aan mensen die anders niet aan de slag zouden komen maar helaas liet ze de zorgpunten die er wel degelijk in dit wetsvoorstel zitten achterwege. Toen wethouder Leisink, als vervanger van de eigenlijke portefeuillehouder wethouder Van Wessem de fout inging ontspoorde de discussie helemaal. Onterecht suggereerde Leisink dat er waarschijnlijk geen mogelijkheden zijn om mensen het minimumloon te betalen. De memorie van toelichting op de Wet  zegt het volgende:

 

De gemeente vult het inkomen van mensen die werken met loondispensatie en die recht hebben op een WWNV-uitkering via een aanvullende uitkering aan tot maximaal 100 procent van het minimumloon. Het loon en de aanvulling samen kunnen tijdelijk minder zijn dan 100 procent van het minimumloon. Dit stimuleert mensen om zich verder te ontwikkelen. De financiële prikkel maakt meer werken lonend. Een hogere productiviteit leidt immers tot een hoger inkomen.

 

Daaruit is geen verplichting op te maken, hier zit nou juist de (beperkte) gemeentelijke beleidsvrijheid. Overigens zou bij een eventuele verplichting van een tijdelijke aanloopperiode waarin maar tot een x-percentage van het minimumloon zou mogen worden aangevuld een symbolische termijn van 1 maand in de gemeentelijke verordening kunnen worden opgenomen.
Het is maar hoe serieus de gemeenteraad zichzelf neemt en of de bereidheid er is om de randen op te zoeken. Het gebrek aan inhoudelijke kennis van de materie, bij een deel van de commissie, doet echter het ergste vermoeden. De surrealistische discussie over de loondispensatie maakte dat er over het 1100 banenplan geen woord werd gewisseld. Is het realistisch, haalbaar? Gaat het over 1100 minder uitkeringsgerechtigden of 1100 banen (een groot verschil), wordt de aandacht verlegd naar de meest kansrijken binnen Wwb en Wwnv? Heel veel vragen zijn over dit plan nog te stellen.

 

Dit artikel van mijn hand verscheen afgelopen woensdag op ArnhemDichtbij.

Teleurstellend debat werken naar vermogen is a post from John Swelsen.

Robert Giesberts

Robert Giesberts

Feest!

In samenleving algemeen, feest, vng, begroting, burgemeester, de, discussie, feit, fictie, en meer.

Honderdjarigen hebben de gewoonte het rustig aan te doen. Er is wat familie, de burgemeester komt langs en misschien is er ook nog ruimte voor een journalist of fotograaf. Zo gaat dat bij personen. Bij organisaties is het beeld vaak tegengesteld. Het bereiken van de honderd stuwt de feestroes op tot nog niet verkende hoogten. De Vereniging Nederlandse Gemeenten heeft de verleiding ook niet weerstaan. Er is een bonte feestavond georganiseerd om het heuglijke feit straks met tout gemeenteland en partners te vieren. Daar is niks mis mee. Jorritsma, de voorzitter, heeft in het verleden bewezen een musicalster in-de-dop te zijn. En er zijn vast wel enkele raadsleden te vinden die een gelegenheids-muziekband kunnen formeren. En als we toch bezig zijn: waarom niet een toneelstuk van enkele burgemeesters of wethouders, bijvoorbeeld Het Verjaardagsfeest van Harold Pinter. Passend. Zo kan het, maar zo gebeurt het natuurlijk niet. Honderdjarige organisaties laten zich graag fêteren door Bekende Mensen. Die daarvoor natuurlijk betaald worden. En dat doet wat met de kosten en de prijs van het toegangskaartje. Als een organisatie zich dat kan veroorloven is dat geen probleem. En voor veel bedrijven is het bij uitstek een moment om de marketing een extra energiestoot te geven. Maar ‘veroorloven’ voor maatschappelijke organisaties gaat verder dan alleen de platte financiële afweging. Het bestrijkt ook een verraderlijk reliëf van begrip en draagvlak. Financieel veroorloven is één, maatschappelijk veroorloven is twee.

Dat laatste is zo verraderlijk omdat het gaat om inschattingen die vooraf gemaakt moeten worden. is en Freek de Jonge over the top of zal men zijn optreden als verrijkend en passend vinden? En als we daarbij dan Golden Earring programmeren, is dat niet te veel ‘toppers’  bij elkaar? Het is de kunst aan de goede kant van de lijn te blijven, helaas voor de feestroezende plannenmakers, is die eerder behoudend dan uitbundig. Wie de lijn vergeet maakt zich zeer kwetsbaar voor negatieve kritiek. De beeldvorming schiet zonder veel moeite in het verhaal dat hier overdreven dik wordt gedaan met gemeenschapsgeld. Feit en fictie zijn dan al snel minder relevant.

De VNG heeft het over zich afgeroepen: aangestoken door wethouder Eerdmans van Capelle is het feest tot en met de Amsterdamse gemeenteraad onderwerp van kritiek: daar associeer je je niet mee, nee, daar distantieer je je van. De VNG heeft het ‘veroorloven’ te eenzijdig benaderd en compleet gemist dat de bezuinigende gemeenten zich niet kunnen of willen associeren met een feest dat in beeld als grotesk wordt neergezet. Het verweer van de organisatie bestrijdt nu amechtig dat de kosten extravagant zijn, maar de teerling is geworpen.

Het is treurig. De VNG schaadt haar imago terwijl het jubileum juist een moment is om de onderlinge verbondenheid te verstevigen. Vooroordelen bij de leden over een organisatie die te gemakkelijk met geld omspringt bevestigt ze. Had ze een vorm gekozen om, bijvoorbeeld via de lokale afdelingen, het feestprogramma voor te bespreken, dan was het wellicht anders gelopen. Want dat valt wel op: het is nu in de discussie Jorritsma en Pans tegen de rest. Er is in de wording van het feestprogramma geen medestand opgebouwd die zich nu makkelijk laat mobiliseren. Als twee collega-wethouders Eerdmans direct van repliek hadden gediend was de discussie vanaf de start minder zwart/ wit gevoerd.

Jorritsma en Pans hebben onderschat hoe zwaar gemeenten, hun leden, het momenteel hebben om de touwtjes bij elkaar te houden. Dan mag er ook best feest worden gevierd, maar een reflectie van de benarde tijden op de opzet van het feest had gepast. Als dit wel is gebeurd zou de VNG dit als de wiedeweerga duidelijk moeten maken. Alleen de begroting toelichten, zeggen dat de kosten niet overdreven zijn en de rest afdoen als stemmingmakerij, is niet voldoende meer om het negatieve beeld te kantelen.

donderdag, 22 maart 2012

Margreet de Boer

Margreet de Boer

Hyves Linkedin Twitter

Het belang van slachtoffers

In slachtoffers, strafrecht, adres, algemeen, belangrijk, beperking, beslissingen, bewust, conclusie, en meer.
Zoals ik net op twitter schreef: "Het kan verkeren, ineens buitelen partijen over elkaar heen voor slachtofferrechten. Mooi, maar pas op voor scheppen irreele verwachtingen."En "Als er iets fnuikend is voor slachtoffers: verwachtingen wekken die niet waargemaakt worden. #secundairevictimisatie" Met daarbij een link naar een onderzoek dat ik twee jaar geleden samen met Marjan Wijers heb gedaan naar secundaire victimisatie in het strafproces (het verergeren van het slachtofferschap door het strafproces). Omdat het wel relevant is voor de huidge discussie, hierbij de slotconclusie van dat onderzoek:

De conclusie lijkt gerechtvaardigd dat secundaire victimisatie van slachtoffergetuigen door het strafproces met enige regelmaat voorkomt. Daarbij lijkt het vooral te gaan om negatieve effecten op het vertrouwen van het slachtoffer in zichzelf, de toekomst, de wereld en het rechtssysteem, en in mindere mate om re-traumatisering, dat wil zeggen verergering van de post traumatische stressreacties als gevolg van het oorspronkelijk misdrijf bij slachtoffers die aan PTSS lijden. Slachtofferondersteuners noemen daarnaast secundaire victimisatie in de vorm van belemmering van herstel; dit komt ook in de interviews met slachtoffers naar voren. Extra schade door een nieuw, tweede trauma veroorzaakt door het strafproces wordt slechts bij uitzondering genoemd.

Secundaire victimisatie speelt niet alleen bij het verhoor van het slachtoffer als getuige door de RC of op de zitting. Ook de onevenwichtigheid tussen de positie van de verdachte en die van het slachtoffer, de lange duur van het strafproces, gebrek aan informatie, bejegeningsfactoren en onvrede met de uitkomst spelen een rol.

Centrale begrippen bij het voorkomen van secundaire victimisatie lijken voorspelbaarheid, controle/beheersbaarheid, veiligheid en rechtvaardigheid te zijn. Hoe hoger het strafproces hierop ‘scoort’, hoe kleiner de kans op secundaire victimisatie. Of het slachtoffer daadwerkelijk extra schade of leed ondervindt door het strafproces hangt echter niet alleen af van factoren binnen het strafproces, maar ook van de ernst en aard van het misdrijf, persoonlijke kenmerken van het slachtoffer en de sociale context. Ook deze factoren 'scoren' op de dimensies veilig of onveilig, voorspelbaar of onvoorspelbaar, et cetera. Bij persoonlijke kenmerken gaat het dan vooral om kenmerken die de behoefte aan voorspelbaarheid, veiligheid etc. groter kunnen maken, zoals eerdere traumatische ervaringen of een verstandelijke beperking. Voor het strafproces is dit relevant, omdat het betekent dat sommige slachtoffers (gezien de aard van het delict, hun persoonlijke eigenschappen of omgevingsfactoren) extra kwetsbaar of vatbaar zijn voor secundaire victimisatie.

Vanuit het oogpunt van voorspelbaarheid vormen vooral de informatieverschaffing aan slachtoffers, de gang van zaken rondom het verhoor bij de RC of op de zitting en de lange duur van het strafproces knelpunten. Gebrek aan controle speelt vooral ten aanzien van beslissingen met betrekking tot vervolging, voorlopige hechtenis en de wijze van afdoening. De wensen en belangen van het slachtoffer spelen hierin slechts zeer beperkt een rol. Een duidelijk knelpunt vormt het verkrijgen van een afschrift van/inzage in de eigen aangifte en het strafdossier, al dan niet via de slachtofferadvocaat. Knelpunten met betrekking tot veiligheid zijn de keuze voor de plaats waar de aangifte wordt opgenomen, de geheimhouding van adres- en persoonlijke gegevens, het opvragen van informatie bij derden, met name het feit dat het slachtoffer zich er van bewust moet zijn dat alle informatie in het dossier wordt opgenomen en dus kenbaar is voor de verdachte, en het verhoor bij de RC of ter zitting, en dan vooral de behandeling door de advocaat van de verdachte. Ook is onduidelijk bij wie de verantwoordelijkheid ligt voor de voorbereiding van het slachtoffer op het verhoor en willen er nog wel eens dingen fout lopen rondom de zitting, zoals slachtoffers en verdachten die bij elkaar in de wachtkamer of naast elkaar in de zittingszaal worden geplaatst. Waar het gaat om rechtvaardigheid ervaren slachtoffers vooral de onevenwichtigheid in de positie van verdachte en slachtoffer als onrechtvaardig: naar hun gevoel heeft de verdachte alle rechten en zij niets. Hieronder valt ook het gegeven dat de verdachte toegang heeft tot het gehele strafdossier met alle informatie over het slachtoffer, terwijl het slachtoffer vaak niet eens de eigen aangifte krijgt. Andere punten vanuit het perspectief van rechtvaardigheid zijn een goede motivering van het vonnis, hetgeen nu vaak ontbreekt – als slachtoffers het vonnis al krijgen -, en de uitkomst van de strafzaak. Met betrekking tot dit laatste valt op dat alle geïnterviewde slachtoffers het voorkomen van herhaling als belangrijk element noemen.

Over de positie van het slachtoffer in het strafproces denken vooral officieren van justitie, RC’s en rechters zeer verschillend, variërend van ‘het is goed zo en moet zo blijven’ tot ‘het moet anders’. Men lijkt zich nauwelijks bewust te zijn van de implicaties van de nieuwe Wet versterking positie slachtoffers. Dit geldt vooral waar het gaat om de invoering van een met de ‘onschuldpresumptie’ voor de daders vergelijkbare presumptie voor slachtoffers: een slachtoffer moet als slachtoffer worden beschouwd totdat het tegendeel komt vast te staan. Ook de opvattingen over de eigen taak met betrekking tot de bescherming van de belangen van het slachtoffer lopen zeer uiteen. Een gedeelde visie hierop lijkt vooral bij de rechtelijke macht te ontbreken. Over het algemeen zijn de verschillende respondenten wel bereid om de belangen van het slachtoffer mee te wegen. Dit gaat echter niet vanzelf. De indruk bestaat dat niet alle respondenten zich bij hun beslissingen steeds bewust zijn van slachtofferbelangen. Vrijwel nooit nemen respondenten het initiatief om het slachtoffer zelf in de belangenafweging te betrekken. Slachtofferbelangen worden vooral meegenomen zolang zij niet te veel kosten en niet strijdig zijn met de belangen van de verdachte of van het strafproces.

Tenslotte valt op dat nauwelijks (empirisch) onderzoek is gedaan naar secundaire victimisatie van slachtoffers als gevolg van het strafproces. Voor eventueel vervolgonderzoek is van belang dat dit zich niet alleen zou moeten richten op slachtoffers van juridisch ernstige delicten en dat bijzondere aandacht wordt besteed aan groepen die extra kwetsbaar zijn voor secundaire victimisatie. Hierbij gaat het niet alleen om kinderen en mensen met een verstandelijke beperking, maar ook om groepen die om andere redenen extra kwetsbaar zijn voor secundaire victimisatie.

Het hele onderzoek vind je hier

maandag, 19 maart 2012

Henk Spaan

Henk Spaan

Groene economie

In uncategorized, agenda, arbeid, debat, discussie, duurzaam, duurzaamheid, economie, economische groei, en meer.

Groene economie staat op de agenda van de partijraadvergadering van aanstaande zaterdag. Ik heb al geschreven dat ik daarvan weinig verwacht door de manier waarop de discussie georganiseerd is. Dat zou ook anders kunnen. We moeten zoeken naar de dilemma’s voor GroenLinks en vanzelfsprekendheden vermijden, bijvoorbeeld dat de economie duurzaam moet zijn of dat er meer gerecycled moet worden. Wat ligt moeilijk voor GroenLinks?
En als we een debatpartij willen zijn, moeten we dat debat voeren in termen die ook voor buitenstaanders begrijpelijk zijn, dus we moeten niet te gauw zeggen dat we iets al eerder hebben besproken of dat we ergens al lang uit zijn.

Bijvoorbeeld het dilemma:
- GroenLinks is tegen economische groei, of
- GroenLinks is niet tegen groei maar vindt dat groei met name duurzaam moet zijn.
Voor beide opvattingen zijn argumenten te bedenken en dat wil ik zichtbaar maken. Ik ben ervóór, in een eventueel (verkiezings-) programma te vermelden dat GroenLinks die discussie voert. Zoek in de partij mensen die bereid zijn een van de beide mogelijkheden te beargumenteren en zorg dat iedereen die argumenten kan terugvinden ergens op een website. Voer die discussie met regelmaat, want het is aktueel en zal dat nog heel lang blijven.

Een ander dilemma is tussen het milieu en de laagstbetaalden en gaat dus over de verhouding groen en links. Als het erop aan komt, zal GroenLinks dan kiezen voor de milieuprincipes of voor de linkse principes of vinden we dat een schijntegenstelling?
Ook hier ligt een dilemma en zijn er respectabele argumenten voor verschillende opvattingen. Ik wil dat GroenLinks dat vaststelt en de discussie zichtbaar voor de buitenwereld voert. Ik vrees dat een ruime meerderheid binnen GroenLinks dit een schijntegenstelling vindt, maar tegelijkertijd denk ik dat veel potentiele aanhangers van GroenLinks hier wel degelijk een dilemma zien. GroenLinks wordt begrijpelijker en aantrekkelijker door het voeren van deze discussie.

Dan komen we op de vraag hoe ernstig bedreiging van het milieu, het klimaat en het zeewaterpeil zijn. Pakt GroenLinks milieuproblemen grondig genoeg aan of blijkt GroenLinks teveel hangen in overheidsbeleid en in wettelijke maatregelen. Er is in 2007 gezegd in “Scoren in de linkerbovenhoek” dat GroenLinks de urgentie van de ecologische kwestie bij de kiezer onvoldoende overbrengt”. Is dat nu beter dan vijf jaar geleden of zijn de problemen minder urgent geworden?

Er zijn meer dilemma’s te bedenken, bijvoorbeeld de vraag of duurzaamheid en zuinigheid niet hetzelfde zijn of zouden moeten. We kunnen ook praten over een wenselijke relatie tussen schaalvergroting, verkeersstromen, gebruik van fossiele brandstoffen en menselijke arbeid, kortom welke soorten van technische vooruitgang vinden wij wenselijk.
Het maakt niet veel uit. In feite zijn het allemaal deuren die leiden tot dezelfde ruimte. We moeten alleen zorgen dat het begin van de discussie pluriform is en het einde ook. De winst zal zijn dat het einde anders is dan het begin.
Zo krijg je een “debatpartij”, een partij met meerdere meningen, waar minderheidsmeningen ook een volwaardige plaats krijgen, in het partijbestuur, in de fractie, op de partijraad, op congressen en in GroenLinks-magazine.

 

 


vrijdag, 16 maart 2012

Toine van de Ven

Toine van de Ven

Hyves Twitter GR DWARS

Commissie Ruimte: geen ruimte voor sociale woningen

In commissie ruimte, vughtse politiek, de koepel, stadhouderspark, vught, woonvisie, cda, cijfers, coalitie, en meer.

De coalitie van GB-VVD-D66 gaat uit van ‘verdienbehoefte in plaats van woonbehoefte’. Dat vat kort de discussie over woningbouw samen. Sociale woningen moeten het veld ruimen om overal dure koopwoningen te bouwen. En dat terwijl de markt voor dure woningen verzadigt is en er een tekort is aan huurwoningen…

Vorige periode werd een inhaalslag ingezet om meer sociale woningen in Vught te bouwen. Sociale woningbouw was al enkele jaren verwaarloost, dus werd daar flink op ingezet door SP en PvdA-GroenLinks. Met als resultaat verschillende plannen voor sociale woningbouw. Maar van planontwikkeling tot overdracht van de sleutel is een proces van lange adem… En terwijl nu al die sociale woningen opgeleverd zouden moeten worden, draait de huidige coalitie de plannen vakkundig de nek om. De fase van Stadhouderspark waar sociale woningen zouden komen zijn uitgesteld tot na 2020. Plan De Koepel voor 90 woningen – waarvan 45 sociale sector – zijn afgekocht voor € 2,8 miljoen euro om er dure villa’s te bouwen. Aan het Versterplein zijn de starterswoningen geschrapt. En gisteravond werd helder dat ook in Mariaoord de sociale woningen het veld moeten ruimen op verzoek van de ontwikkelaar.

Het is crisis én dus moet er geld verdient worden! En dat heet dan bij de coalitie ‘bouwen naar behoefte’. Maar de behoefte van de coalitie is vooral gericht op het verdienen van geld, het is immers crisis. Dat hiermee niet tegemoet wordt gekomen aan de woonwensen en dat Vught hiermee een nog groter overschot van dure woningen bouwt lijkt geen probleem. Gisteravond werd gesteld dat nu al 1 op de 20 woningen te koop staat. De koopmarkt staat onder druk, woningen worden moeilijk verkocht. En dus is het maar zeer de vraag of het toevoegen van extra woningen in hetzelfde segment winst oplevert. Als de geplande kavels op De Koepel (ca € 7,5 ton per stuk voor alleen de grond!!) niet snel worden verkocht, dan kan dat plan om winst te maken wel eens een grote kostenpost worden. Want waar voorheen werd gesproken over dikke winst (miljoenen!), moeten nu al extra kavels worden toegevoegd om mogelijk € 1,1 miljoen winst te maken.

De coalitie laat mensen met een kleine portemonnee aan hun lot over. De komende vier jaar zijn de geplande woningen voor 48% (!) dure koop!!In de meerjarenplanning zijn de opgeleverde woningen uit 2010 en 2011 nog meegenomen. Toen zijn 85 sociale woningen (65% van totale bouw) opgeleverd dankzij de coalitie van SP, PvdA-GroenLinks en CDA. Dat trekt de cijfers nog iets op, maar voor de periode tot 2020 zijn de huidige plannen waardeloos. Van de verwachte 678 woningen zijn nog maar 117 sociale woningen gepland, oftewel 17%! En dat terwijl de behoefte groot is.

Bouwen naar behoefte is bouwen voor de woonwens van de inwoners en niet om de portemonnee te spekken door te gokken op de verkoop van dure woningen die er al in overschot zijn. Alle raadsleden die gisteravond tijdens de commissie volop spraken over bouwen naar behoefte, duurzaam bouwen, zorgwoningen en bouwen voor de vergrijzende bevolking moeten bij zichzelf nog eens goed nagaan of de nu voorliggende plannen ook die resultaten opleveren. Ik denk het niet!

Aantal berichten op deze pagina: 30. De berichten op deze pagina zijn niet ouder dan 1394 uur (58,1 dagen). Berichtgemiddelde: 0,5 bericht per dag, 3,6 per week.

Volgende pagina

Pagina: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10