maandag, 30 april 2012

Hans Feddema

Hans Feddema

Een geprangde samenleving

In 2012, april, bezuinigingen, cda, donner, jongeren, macht, nederland, de, en meer.
30 april 2012 Het gemiddelde CDA-lid is 67 jaar oud. De macht vergrijst. Dat betekent een uitdaging voor jongeren, zeker nu bezuinigingen mede op hen lijken te worden afgewenteld. Maar er is meer. De rechtsstaat Nederland staat onder druk, volgens Piet Hein Donner in zijn eerste publieke optreden als vicepresident van de Raad van State. [...]

maandag, 23 april 2012

Jeroen van Rossum

Jeroen van Rossum

Twitter

Leve de PVV!

Nu het Catshuisoverleg – en daarmee het voortbestaan van het kabinet – om zeep is geholpen, worden uit hele land weer ‘talking heads’ Hilversum ingedragen om daar een mening of voorspelling over te geven. Zo zat gisteravond Kay van der Linde aan tafel bij Brandpunt. Hoewel ik deze meewaai-spindoctor niet erg serieus placht te nemen, had hij een boodschap die ik verontrustend vond, en niet geheel onwaarschijnlijk. Volgens Kay zou deze breuk met het kabinet het begin van het einde kunnen betekenen voor de PVV. Ook politicoloog André Krouwel  kwam met een dergelijke boodschap rond het opstappen van Hero Brinkman. Volgens hem zou de levensduur van een partij als de PVV zo’n kabinetsperiode of vier zijn.

Hoewel ik afgelopen zaterdag geproost heb op de val van het visieloze gedoogwrak Rutte-Verhagen, zou het einde van de PVV mij niet erg vreugdevol stemmen. Want ondanks dat ik vind dat Geert Wilders onophoudelijk rancuneuze onwaarheden over ons uitstort, hebben de laatste jaren wel bewezen dat het politieke spectrum nu eenmaal niet compleet is zonder populistische ‘ontevreden-mensen-partij’. Zonder PVV is het verhaal dus niet compleet. Dat er telkens een nieuwe vox populi opstaat, bewijst dat des te meer. Toen Fortuyn lafhartig van het leven werd beroofd, kwam er vanzelf een nieuwe voorvechter van de Henk-en-Ingrid’s van ons land. Met IJzeren Rita en Geert Wilders hadden we er zelfs even twee tegelijk…

Ik moet er niet aan denken, dat de PVV zou verdwijnen, ten bate van bijvoorbeeld Hero Brinkman met een verse partij vol ongeleide projectielen. Of een geheel nieuw figuur, die het nog een tandje bonter maakt wanneer we een buitenlands staatshoofd over de vloer hebben. Wat dat betreft zou het de voorkeur hebben als de PVV een stabiele partij blijkt, die voorlopig de politieke arena niet verlaat. Want voor je het weet hebben we weer een bak LPF-praktijken aan de hand, omdat de volgende grofgebekte anti-establishment-politicus met zetelwinst beloond moet worden met een jaartje regeringsdeelname. Na regeren met de LPF en nu de PVV, mag ik toch hopen dat de ‘oude’ partijen dat voorlopig uit hun hoofd laten. Zeker de huidige tijdsgeest vraagt om een beetje stabiliteit in politiek Nederland. De kiezers zijn zelf al grillig genoeg.

Wat dat betreft ben ik blij dat Geert Wilders weer lekker zichzelf is. Lekker fulmineren over Europa, lekker campagne voeren, lekker schoppen tegen links. Zonder zich druk te maken over de stabiliteit van zijn kabinet, of het functioneren van Gerd Leers, heeft Geert zijn handen weer vrij om de boze mensen naar de mond te praten. Laten we hopen dat niet alle kiezers bij hem weglopen. Laat ze alsjeblieft op Geert en de zijnen stemmen. Leve de PVV.

 

 

Deze column is ook verschenen op www.volkskrant.nl.


dinsdag, 17 april 2012

Willem de Gelder

Willem de Gelder

Blogreacties: Theo Brand

Houd God buiten de discussie over godslastering

In politiek, bijbel, discussie, donner, god, handhaving, in het nieuws, integriteit, leiden, en meer.

Ophef in het nieuws, ophef op Twitter. De VVD besloot gisteren afstand te nemen van het wetsvoorstel om het verbod op godslastering uit de wet te schrappen. De discussie lijkt puur om God te draaien, maar dit valt wel mee. Hij draait veel meer om mensen.

De ‘Wet inzake smalende godslastering’ (artikel 147) bestaat al sinds 1932. Een reeks godslasterlijke artikelen en prenten in een communistische tijdschrift zorgde voor veel ophef en onrust waarop Jan Donner, Minister van Justitie én de opa van, besloot de wet in het leven te roepen. Dit deed hij niet om kritiek op God te verbieden, maar om uitingen te verbieden die “een honen van de persoon Gods bevatten.” In het wetboek van strafrecht wordt godslastering geschaard onder misdrijven tegen de openbare orde[1]: voor sommigen is God zo belangrijk dat de openbare orde in het geding is als hij beledigd word, dus daarom is het verboden.

Het verbod op godslastering wordt door sommigen gezien als een inperking van de individuele vrijheid. Het individu mag immers niet meer zijn mening uiten: als hij God maar een klootzak vindt, mag hij dat niet zeggen. Wat men echter vergeet is dat bescherming van de openbare orde het doel van de wet is. Godslastering kán namelijk voor een boel ordeverstoring zorgen. God is voor veel mensen de reden en het diepste doel van hun bestaan. Het lasteren van God is voor veel mensen een directe lastering van henzelf. Probeer dan maar eens niet diepbedroefd of kwaad te worden. Je kunt je voorstellen dat als veel mensen tegelijk diepbedroef of kwaad zijn, dit tot de nodige commotie kan leiden. Je hoeft maar naar de vele incidenten in het Midden-Oosten te kijken.

Daarnaast kun je hieruit opmaken dat het verbod op godslastering geen inperking van het individu is, maar juist een bescherming. Dit vloeit natuurlijk automatisch voort uit de openbare orde (bij verstoring hiervan komen mensen in gevaar), maar er zit meer in. Zoals in de vorige alinea werd gesteld is God voor veel mensen minstens net zo belangrijk als hun individu. Sterker nog: die twee zijn één. God is in de mens, de mens is in God. Hij stuurt hen, geeft hen existentie. Het beledigen van God staat dan gelijk met het beledigen van het individu, iets wat in Nederland ook verboden is. Dit staat los van het beschermen van de openbare orde, maar slaat op bescherming van de waardigheid van een individu in Nederland. Mag iedereen maar nodeloos gekwetst worden?

Hier kan tegenin worden gebracht dat als de bescherming van het individu al gewaarborgd is door de wet die belediging verbiedt, waardoor een aparte wet tegen godslastering niet nodig is. God is echter geen rechtssubject, dus hij valt niet onder de bescherming van deze wet. Het beledigen van God kan echter als grote belediging voelen voor mensen die wél onder deze wet vallen. Een belangrijke vraag in dezen is: valt een dergelijke indirecte belediging onder de wet, of niet? De aparte wet tegen godslastering voorkomt dat deze vraag gesteld hoeft te worden en schept duidelijkheid. Mensen indirect beledigen door hun God te beledigen mag niet.

Door sommigen wordt het beeld geschetst dat de Nederlandse overheid, met de SGP voorop, nu op de bres staat voor God. Hij wil immers niet gelasterd worden, staat in de Bijbel, dus daarom dwingt de SGP handhaving van het verbod af. Ik weet niet wat er in het hoofd van Kees van de Staaij omgaat, maar ik neig ernaar om te denken dat dit beeld slechts een karikatuur is. Kees weet immers dat God de heilige rechter is die zal oordelen en dat hij daar geen Nederlandse staat voor nodig heeft. Voor een goede discussie kan men God het best buiten beschouwing laten. Deze discussie gaat namelijk om mensen: hun gevoelens, hun integriteit. De afgelopen alinea’s laten zien dat er genoeg argumenten zijn om de discussie op basis hiervan te voeren. De Nederlandse wet is er voor het individu, niet voor God, die gaf zijn wetten al aan Mozes.

De vraag is, wat is belangrijker: de vrijheid van meningsuiting of de openbare orde en de waardigheid van het individu? Het is een moeilijke vraag, waar ik niet zo één-twee-drie het antwoord op weet. Afsluitend wil ik echter iedereen oproepen om te onthouden dat deze discussie dus om mensen gaat. Met woorden is veel pijn te doen. Is die pijn jouw vrijheid van meningsuiting waard?


[1] Voor een ieder die het interessant vindt: alle wetten om de openbare orde te waarborgen zijn hier te vinden. http://www.uwwet.nl/wetten-en-regelingen/strafrecht/wetboek-van-strafrecht/18-misdrijf-tegen-de-openbare-orde.htm#titel 5


donderdag, 23 februari 2012

Selçuk Akinci

Selçuk Akinci

Twitter Youtube GR

De Sabbat en het Recht

Raam in de Schneider-synagoge in Galata, Istanbul

Mijn oog viel op een onschuldig ogend berichtje op pagina 6 van het NRC-Handelsblaadje van gisteren. Het OM gaat in beroep tegen een vonnis waarin een orthodoxe Jood is vrijgesproken van een boete van 60 euro voor het tijdens de Sabbat niet bij zich dragen van een id-bewijs. Het bericht eindigt met een citaat van GroenLinks-Kamerlid Tofik Dibi, die het vonnis „de omgekeerde wereld” noemt. Volgens Dibi wordt ‘religie begrensd door de wet’ en niet andersom. Met die uitspraak begaat hij een dubbele denkfout.

Het vonnis van de Haagse kantonrechter dateert eigenlijk al van een week geleden, maar is door de carnavalsdrukte aan mijn aandacht ontsnapt. Wat is er nu precies aan de hand? Op een bewuste vrijdagavond is na zonsopgang een orthodoxe man gevraagd zijn id-bewijs te tonen. De man kon dit niet, aangezien de orthodox-joodse leefregels voorschrijven dat het tijdens de Sabbat niet is toegestaan iets anders bij je te dragen dan de kleding die je aan hebt. Dit voorschrift komt uit het eerste van twaalf tractaten van de Seder Mo’eed, waarin staat voorgeschreven hoe men zich dient te gedragen op bijzondere dagen in het jaar. In dit eerste tractaat, Sjabbat geheten, staat als laatste van de 39 verboden dat het een Jood niet is toegestaan voorwerpen van het private domein naar het publieke domein te dragen, of andersom.

De Joodse man heeft de politie vervolgens toestemming gegeven thuis zijn rijbewijs op te halen en daarmee zijn identiteit vast te stellen. Desondanks kreeg hij later een boete van 60 euro voor het overtreden van de wet op de identificatieplicht. De man tekende daartegen bezwaar aan en uiteindelijk kwam de zaak voor de Haagse kantonrechter. Die oordeelde dat de Joodse man de politie in de gelegenheid had gesteld zijn identiteit gemakkelijk en binnen een uur te controleren en sprak hem vrij van verdere vervolging. Het gevolg: ophef in de Kamer, een OM dat in hoger beroep gaat en onder meer deze reactie van Tofik Dibi: „Het lijkt de omgekeerde wereld. Elke religie is begrensd door de wet en de wet wordt niet begrensd door religieuze overtuigingen”.

Die uitspraak is maar ten dele waar. Allereerst garandeert Artikel 6a van onze grondwet iedereen het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden. Daar voegt datzelfde artikel wel aan toe dat dit recht geldt behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Bij een brede wetsinterpretatie kun je stellen dat hiermee bedoeld wordt dat het een ieder vrij staat een godsdienst te belijden zolang hiermee de rechtsorde maar niet in gevaar gebracht wordt. De Haagse kantonrechter meent dat aan die verantwoordelijkheid, het respecteren van de rechtsorde, tegemoet gekomen is, doordat de man de politie binnen een redelijke termijn in de gelegenheid stelde zijn identiteit te controleren. De rechter: „Van belang hierbij is uiteraard ook dat het wettelijk voorschrift dat de verdachte heeft overtreden slechts een overtreding betreft (dus geen misdrijf) en dat de identiteit van de verdachte op zijn aanwijzing op gemakkelijke wijze binnen een uur kon worden vastgesteld.”

De denkfout die Dibi maakt, is dat het gedrag van mensen, dus ook hun religieuze handelen weliswaar is begrensd door de wet, maar dat deze begrenzing nooit in absolute termen opgelegd mag en kan worden. In het Nederlandse rechtssysteem is de rechter er immers niet alleen om de wetsteksten te interpreteren en toe te passen, maar ook om de omstandigheden van een overtreding mee te wegen. Zou een rechter dit niet doen, kunnen we voortaan net zo goed een computer alle rechterlijke vonnissen laten uitschrijven. Hier is dus geen sprake van een ‘omgekeerde wereld’, maar van twee botsende werkelijkheden waarbij het aan een rechter is om tot een genuanceerd oordeel te komen. Dibi zou dit als geen ander moeten begrijpen, aangezien juist hij, terecht, pleit voor soepele toepassing van de wet als het gaat om bijvoorbeeld, een kinderpardon voor langdurig in Nederland wonende minderjarige asielzoekers. Te meer aangezien bij de behandeling van de wet op de identificatieplicht in de Tweede Kamer het probleem voor orthodoxe Joden al aan de orde is gekomen en door toenmalig Minister Donner is toegezegd dat de politie in de handhaving van de wet wel rekening zou houden met de speciale positie van deze groep („Er zijn wel uitzonderingen. We hebben het gehad over de problematiek van orthodoxe joden op de sabbat. In dat soort situaties kan ik me voorstellen dat je die mogelijkheid nog geeft bij de handhaving”).

De tweede fout van Dibi is wellicht nog veel belangrijker. Met zijn reactie scheert Dibi namelijk langs, en stapt hij wellicht zelfs over de voor de democratie zo belangrijke scheidingsgrens tussen de machten. Het is, of was in ieder geval lange tijd, usance om als volksvertegenwoordiger geen commentaar te leveren op uitgesproken vonnissen. Dit goed gebruik is in een toenemend gepolariseerd klimaat bij velen weliswaar niet meer erg in de mode, maar van een GroenLinks-politicus verwacht ik beter.

Dibi zou nog kunnen beargumenteren dat zijn commentaar niet was gericht op het vonnis, maar op een kennelijk niet voldoende dwingend omschreven tekst in de wet op de identificatieplicht. Hoewel dit argument op basis van de wetsteksten moeilijk hard te maken is, zou Dibi, mocht dat het geval zijn, dus pleiten voor een strenger omschreven id-plicht. Ook dat is ongeloofwaardig, aangezien GroenLinks bij uitstek de partij is die juist grote moeite heeft gehad met de invoering van deze wet.

Overigens was het niet alleen Dibi die in zijn commentaar op dit vonnis een in mijn ogen dubieuze positie innam. Een Kamermeerderheid van VVD, PvdA, PVV, D66 en GroenLinks heeft opheldering gevraagd aan de minister. Met de tweet van D66-Kamerlid Boris van der Ham als voorlopig dieptepunt: „God boven de wet? Nee. Godsdienst is niets meer dan een van de vele meningen, en is begrensd door zelfde overheidswetten.”

In het huidige politieke klimaat lijkt de seculiere meerderheid een religie gelijk te stellen aan een mening. Terwijl religie gelijk gesteld dient te worden aan een levensovertuiging die verder gaat dan een persoonlijke opinie. Het gaat immers ook om een aangenomen set gedragsregels die in dit geval hun oorsprong vinden in een dieperliggend godsgeloof. De samenleving, en daarmee de wet, dient rekening te houden met en ruimte te bieden aan mensen met een levensopvatting deze na te leven. Daar gaat artikel 6 in de grondwet ook over. Daarmee hoeft aanhangers van religie niet méér rechten of méér vrijheden te worden toegekend dan anderen. Maar erkenning van de benodigde ruimte te kunnen leven volgens de eigen regels, zonder dat daarmee de rechtsorde wordt aangetast, zou niet te veel gevraagd mogen zijn. Zeker niet voor een land waarin de vrijheid van godsdienst zo’n beetje is uitgevonden.


dinsdag, 7 februari 2012

John Swelsen

John Swelsen

Hyves Linkedin Twitter Youtube

Politieke visie en dienstverlening

In medezeggenschap, politiek, uwv, dienstverlening, oc, werk, arbeidsmarkt, beleid, crisis, en meer.

Column voor Nieuwsbrief OC WERKbedrijf 7 februari 2012

Bij het opruimen van het materiaal wat ik de afgelopen twee jaren heb verzameld als lid van de Onderdeelscommissie kwam ik de evaluatie ‘van 8-8 actief op de Werkpleinen’ tegen. Dit stuk van januari 2010 is dus net twee jaren oud maar lijkt in zijn visie en uitkomst wel iets uit de oudheid. In de afgelopen anderhalf jaar is de visie van het UWV WERKbedrijf, maar met name zoals vanuit de overheid tegen de dienstverlening die wij moeten verlenen aangekeken, 180 graden gedraaid.

Van een visie die uitging van zoveel mogelijk klantcontact via meerdere kanalen, inclusief verlengde openstelling transformeren we tot een beleid waarin het e-kanaal de standaard is en waarbij alleen nog ‘doelgroepen’ persoonlijke dienstverlening krijgen op 30 regiovestigingen.

Maar dat hoort nou eenmaal bij ons werk, als uitvoeringsorgaan. Het is in wezen nooit anders geweest. Het ligt eigenlijks ook voor de hand dat we ons meer inzetten voor de kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt. Echter, het grote probleem in tegenstelling tot eerdere beleidswisselingen is dat er wel heel fors op de budgetten wordt ingegrepen waardoor er nauwelijks nog speelruimte zit in de wijze waarop de dienstverlening vorm gegeven kan worden. Zo kan het WERKbedrijf straks nog maar 10% van de WW-populatie in persoonlijke gesprekken voorzien. Ik hoef hier niemand te vertellen dat dat wel heel beperkt is en dat daarmee niet eens de digibeten kunnen worden geholpen.

Ik ben ook benieuwd hoe de discussie rondom begeleiding van werkzoekenden zich politiek gaat ontwikkelen nu de crisis zich verdiept. We zagen bij de vorige crisis dat door minister Donner snel extra middelen in de vorm van deeltijd-WW en geld voor vorming van mobiliteitscentra vrij werd gemaakt. We wachten af.

Politieke visie en dienstverlening is a post from John Swelsen.

dinsdag, 29 november 2011

Harmen Binnema

Harmen Binnema

Linkedin Last.fm Twitter PS

Leve het stadsparlement?

In groenlinks, politiek, weblog, amsterdam, bestuur, bezig, de, democratie, discussie, en meer.

Terwijl Donner onder invloed van het adagium “hoe minder bestuurders, hoe beter” bezig was de botte bijl in de stadsdelen te zetten, broedde GroenLinks Amsterdam op een alternatief. Vandaag kwam het initiatiefvoorstel voor een stadsparlement naar buiten, gemaakt in samenwerking tussen raadsfractie en stadsdeelwethouders.

Het is te prijzen dat GroenLinks op deze manier niet lijdzaam afwacht, maar de tegenaanval inzet. Er is veel voor te zeggen om een vorm van lokale democratie in de stadsdelen te handhaven en op die manier bestuur in de buurt voort te zetten. Het aantal politici wordt, net zoals het kabinet wil, flink teruggebracht.  Het voorstel voorkomt ook een gemeenteraad na 2014 die, nog meer dan nu al het geval is, alleen maar uit leden van binnen de ring bestaat.

Ik voorzie alleen wel een probleem als gevolg van de samenstelling en de manier van kiezen van de leden van de districtsraden en het stadsparlement. Omdat hetzelfde mensen zijn die in hun eigen district én op het stadsniveau besluiten nemen en controleren, is het conflict van loyaliteit en belangen in het systeem ingebakken. Dit hangt ook samen met de onmogelijkheid om tot een vaste afbakening van taken en bevoegdheden te komen.

Een tweede onduidelijkheid zit in de overgang naar de Metropoolregio Amsterdam. In het voorstel wordt gesteld dat met het stadsparlement de omschakeling naar zo’n model te maken is. Wanneer dat idee serieus wordt genomen, moet er een gekozen vertegenwoordiging in plaats van de Stadsregio komen, waarin ook de gemeenten om Amsterdam heen opgaan. Betekent dat vervolgens het einde van het stadsparlement? Houdt dat in dat de districtsraden dan alsnog op hetzelfde niveau komen als de gemeenteraden van bijvoorbeeld Amstelveen of Purmerend?

Kortom, een mooie voorzet voor een discussie die hoognodig gevoerd moet worden. Maar dan moet nog wel meer nagedacht worden over de verhouding tussen districtsraden en stadsparlement. Bovendien, zeg ik dan maar als provinciaal, wordt het ook tijd dat GroenLinks Amsterdam over de stadsgrenzen kijkt en in overleg treedt met de gemeenten in de omgeving.

dinsdag, 15 november 2011

Jeroen van Rossum

Jeroen van Rossum

Twitter

Dissidenten (2)

In politiek, politiek, verhagen, wilders, vvd, cda, pvv, hero brinkman, kabinet, en meer.

Het is weer dissidententijd. De twee CDA-exemplaren waren weer volop in het nieuws: Ad ‘Zeeuwse polderheld’ Koppejan en Kathleen ‘ontwikkelingshulpridder’ Ferrier haalden weer bakken zendtijd binnen met de Mauro-affaire. Oh, wat waren die boos. De kwestie deed de twee dwarsliggers nog zuurder en zuiniger kijken dan normaal al het geval is. Wat was het weer spannend. Als ze nu maar niet de stekker uit de gedoogsteun gingen trekken…

Maar dat gebeurde natuurlijk niet. Zelfs de kranten waren te lui om er nog een sensatieverhaaltje van te maken. Eén bezoekje van Maxime Verhagen, feestvarken op zijn eigen feestje van de democratie, en Ferrier en Koppejan waren gewoon weer ‘trotse christendemocraten’. En als dat niet genoeg was geweest, hadden ze Donner nog klaarstaan in de coulissen, onwrikbaar en gewapend tot zijn tanden, als altijd. De betekenis van het woord christendemocraat is dan ook behoorlijk aan devaluatie onderhevig de laatste tijd.

Aankomend dissidententalent Hero Brinkman haalde ook weer de media vandaag. Na anderhalf jaar aan het lijntje te zijn gehouden, heeft de fractie hem nu dan toch maar eindelijk verteld, dat hij zijn PVV-jongerendag op zijn buik kan schrijven. Hero was er nog van overtuigd dat van twee keer uitstel geen afstel zou komen. Daar hebben Martin Bosma, Fleur Agema en Geert Wilders met z’n drietjes vast smakelijk om gelachen. Maar, Hero ziet geen reden om uit de PVV te stappen, hij laat zich niet wegpesten.

Van al dat geschuur en gedraai ga ik me wel afvragen wanneer er eentje breekt. Ferrier, Koppejan en Brinkman kunnen alle drie een plekje op de volgende kandidatenlijst vast vergeten, dus tenzij ze nog een politieke stunt uithalen, gaan ze roemloos de schaduw in aan het einde van de kabinetsrit. Tot die tijd worden ze getergd en vernederd, om altijd weer met een glimlach vol boerenkiespijn hun fractie te steunen. Telkens weer staan ze vol vuur de pers te woord om hun eigen ideeën te verdedigen, om vervolgens gedoofd en verslagen weer terug te krabbelen. Terug de ijzeren fractiediscipline in.

Vergeleken met deze drie fopdissidenten, is excuusminister Gerd Leers nog een stevige, daadkrachtige held om rekening mee te houden. Het moet toch een keer te veel worden als je telkens je eigen ruggengraat maar thuis moet laten. Dus laten we een weddenschapje aangaan; wie breekt het eerst? Wie breekt er met de duimschroeven van Maxime of Geert, en misschien zelfs met het kabinet? Welk van deze weekdieren blijkt toch een politieke tijger? Ik zet mijn geld op Hero, van het CDA verwacht ik niks meer…

Klik hier voor Dissidenten (1)


maandag, 14 november 2011

John Jorna

John Jorna

Klokkenluiders

In column van de week, bedrijf, bedrijfsleven, burgers, donner, huis, inkomen, integer, mensen, en meer.

KLOKKENLUIDERS BESCHERMEN DE
 MAATSCHAPPIJ DUS BESCHERMEN WIJ DE KLOKKENLUIDERS

Klokkenluiders stellen misstanden aan de kaak binnen hun bedrijf of instelling, maar ook bij de overheid of een vereniging. Daarbij lopen ze een groot risico, want hun baas zal het vaak niet op prijs stellen, dat de zaak negatief in het nieuws komt. Daarom wordt een geval van klokkenluiden vaak gezien als een arbeidsconflict, terwijl het in feite gaat om aangifte van een strafbaar feit. Desondanks komt de klokkenluider vaak ernstig in de problemen. Hij wordt ontslagen of overgeplaatst of arbeidsongeschikt, zelfs psychisch gestoord verklaard of in rang gedegradeerd. Alles is er op gericht om de misstand verborgen te houden. Daarom is het van groot belang klokkenluiders te beschermen en eventueel geleden schade te vergoeden.

Bekende klokkenluiders hebben bijvoorbeeld de bouwfraude aanhangig gemaakt. Door onderlinge afspraken zorgden aannemers ervoor, dat overheidsopdrachten voor een veel te hoog bedrag werden aanbesteed. In een ander geval weigerde een maatschappelijk werker de ware gang van zaken bij een dodelijk ongeval tijdens een militaire oefening verborgen te houden voor de nabestaanden.

Je zou denken, dat de rijksoverheid het fenomeen van klokkenluiden van harte toejuicht en alle maatregelen neemt om het te bevorderen en de klokkenluiders te beschermen tegen wraakzuchtige meerderen. De Tweede Kamer heeft middels een motie in 2007 daarop aangedrongen. Intussen gebeurt er niets. Een regeling van minister Donner lijkt er meer op gericht het klokkenluiden zoveel mogelijk te beperken. “In de top van de overheid zitten veel mensen die bang zijn, dat ze onder vuur komen te liggen, wanneer misstanden naar buiten kunnen worden gebracht.” Dat zegt Ronald van Raak, Tweede Kamerlid van de SP, die dezer dagen een initiatief wetsvoorstel indient, samen met andere partijen. Ik hoop van harte, dat GroenLinks  een van die partijen is.

Het wetsvoorstel beoogt een ‘huis voor klokkenluiders’ op te richten, ondergebracht bij de Nationale ombudsman. Die heeft evenals anderen ook geadviseerd bij het tot stand komen van het wetsontwerp. Het ‘huis voor klokkenluiders’ is een huis, dat de klokkenluider veiligheid biedt zolang het onderzoek door de Nationale Ombudsman naar de zaak loopt. Het beschermt hem tegen ontslag en tegen verlies van inkomen. Vanzelfsprekend zijn er kosten verbonden aan dit ‘huis voor klokkenluiders’, maar het voortbestaan van misstanden zal in de meeste gevallen ook geld kosten. Denk maar aan de bouwfraude.

Dit initiatief beschouw ik als uitermate waardevol. De regeling gaat niet alleen gelden voor de overheid, maar ook voor het bedrijfsleven. Wat mij betreft zou het wenselijk zijn, dat de door mij al vaker gesignaleerde misstand van het naar de opdrachtgever gewenste conclusie toeschrijven in onderzoeksrapporten eens duidelijk aan de kaak worden gesteld. Voor de werknemers van dergelijke onderzoeksbureaus moet er brood op de plank komen. Burgers moeten echter kunnen vertrouwen op integer onderzoek of het nu om ruimtelijke plannen of milieuvergunningen of bouwvergunningen gaat. Ik wens Ronald van Raak alle succes met zijn initiatief wetsontwerp.

Jaargang 4, Nr. 187.

maandag, 7 november 2011

Ewoud Butter

Ewoud Butter

Hyves Linkedin Last.fm Twitter Flickr

Is specifiek beleid voor Marokkaanse en Antilliaanse jongeren succesvol?

In nieuws uit allochtonië, politiek, roept u maar, antilliaanse jongeren, criminaliteit, grote steden, marokkaanse jongeren, onderzoek, overlast, en meer.

In maart van dit jaar suggereerde het actualiteitenprogramma Eénvandaag in twee enigszins schreeuwerige uitzendingen dat het Marokkanenbeleid in 22 Nederlandse gemeenten mislukt zou zijn.
Die conclusie leek voorbarig. De uitzendingen maakten weliswaar duidelijk dat er veel subsidie ging naar de gemeenten zonder dat er duidelijke prestatieafspraken waren gemaakt, maar harde cijfers die aantoonden dat het beleid mislukt is, waren er niet. Harde cijfers dat het beleid gelukt zou zijn, waren er trouwens ook niet.

Inmiddels zijn er wel cijfers. Niet alleen over ‘Marokkanengemeenten’, maar ook over ‘Antillianengemeenten’. Minister Donner heeft eind oktober de rapportages Marokkaanse Nederlanders 2011 en Antilliaanse Nederlanders 2011 naar de Kamer gestuurd. Hierin worden de resultaten in gemeenten waar specifiek beleid voor Marokkaanse en Antilliaanse jongeren wordt gevoerd, vergeleken met cijfers van een jaar geleden toen voor het eerst een meting werd verricht.


Hieruit blijkt dat het nog niet gelukt is het aantal schoolverlaters en werklozen onder jongeren van Marokkaanse en Antilliaanse afkomst te verminderen. Het aantal voortijdig schoolverlaters in deze groep is zelfs licht gestegen, evenals het aantal werklozen. Op het meest gevoelige terrein, de bestrijding van criminaliteit en overlast, is volgens de gemeenten echter wel sprake van enige verbetering.

Het ministerie benadrukt in een begeleidende brief dat het niet reeel is na een jaar beleid al veel concrete verbetering te verwachten. Zichtbare vooruitgang op basis van de cijfers was in deze rapportages over het eerste jaar nog niet te verwachten, schrijft het ministerie in een toelichting. “Veel maatregelen zijn in 2010 ingevoerd en kunnen nog nauwelijks in de resultaten tot uitdrukking komen.”

Rapport ‘hoe specifiek is regulier beleid (en andersom)?

Over het algemeen hebben gemeenten meer geinvesteerd in tegengaan van ‘overlast’ en ‘criminaliteit’ dan in ‘school’ en ‘werk’. Dat concludeert het gemeentelijk samenwerkingsverband Marokkaans-Nederlandse risicojongeren na een inventarisatie van de inspanningen en resultaten in de betrokken gemeenten. De resultaten van deze inventarisatie zijn gepresenteerd in het rapport ‘hoe specifiek is regulier beleid (en andersom)?’. Dit rapport is ook door Donner naar de Kamer gestuurd.

Bij de thema’s ‘voortijdig schoolverlaten’ en ‘werk’ wordt volgens dit rapport niet veel aandacht besteed aan een specifieke aanpak voor de Marokkaans-Nederlandse doelgroep. Gemeenten verwijzen op die thema’s vaak naar de reguliere activiteiten van bijvoorbeeld sociale diensten of jongerenloketten.

Op grond van de inventarisatie in de betrokken gemeenten, concludeert het rapport;

  •  “Gemeenten beseffen dat het voor een effectieve aanpak nodig is te beginnen met het doorbreken van de anonimiteit van de risicojongeren. Daarom zetten zij, liefst permanent maar in ieder geval tijdens de kritieke uren van de week, functionarissen in die zich ophouden waar ook de jongeren zich bevinden. Het zijn de ‘extra ogen en oren’ op straat.
  • Door de inzet in de wijk en dichtbij de jongeren, signaleren gemeenten sneller waar het met een jongere of groepen jongeren fout kan gaan en kunnen zij eerder en doeltreffender optreden.
  • Voor het benaderen van (jongeren binnen) groepen, ontwikkelen zij een specifieke ‘groepsaanpak’.
  • Voorwaarde voor een doeltreffende aanpak is dat, naast alerte signaleerders in de wijk, voldoende en professionele achtervang van alle relevante partners in de aanpak beschikbaar is. Dat lijkt het geval.
  • Meestal zijn deze partners georganiseerd in een casusoverleg. De jongeren die door de straatcoaches of andere professionals in de wijk zijn gesignaleerd, worden daar ingebracht ter bespreking.“

Prestatie- en resultaatafspraken

Kritiek is er ook: “Gemeenten formuleren de doelen voor de aanpak van Marokkaans-Nederlandse risicojongeren vaak in abstracte termen (bevorderen, versterken, tegengaan, verhogen, etc.). In enkele gevallen worden ambities in concrete percentages genoemd. Gemeenten maken prestatieafspraken met uitvoeringsorganisaties voor wat betreft verwachte inspanningen, maar slechts incidenteel geven gemeenten aan ook te verlangen dat de interventies een bepaald (maatschappelijk of individueel) en meetbaar effect moeten behalen.”

Vergelijkbare kritiek kwam ook al naar voren in de eerdergenoemde uitzendingen van EénVandaag. Het ontbreken van prestatieafspraken en (afspraken over) meetbare resultaten gaat overigens niet alleen bij deze problematiek op. Uit een in september gepresenteerd onderzoek blijkt dat tweederde van de gemeenten moeite heeft met het maken van concrete en meetbare afspraken met gesubsidieerde instellingen en vaak worden deze afspraken überhaupt niet gemaakt.

Onderzoek

Alle gemeenten hanteren wel vormen van onderzoek voorafgaande aan, tijdens of na uitvoering van interventies en/ of trajecten. Ook geven sommige gemeenten volgens het rapport veel aandacht aan de evaluatie of monitoring van interventies die zich specifiek op de doelgroep richten. Hierop baseren zij vervolgens ook hun nieuwe beleid. Kleinere gemeenten kiezen eerder voor erkende (evidence-based) interventies waardoor ze niet zelf hun interventies met werkzame bestanddelen hoeven te ontwerpen en testen.

Specifiek of regulier beleid

Volgens het rapport ‘Hoe specifiek is regulier beleid (en andersom)?’ heeft het ‘Marokkanenbeleid’ in de uitvoering meestal niet geleid tot specifiek beleid, maar tot het introduceren van specifieke aandacht voor de doelgroep binnen het reguliere beleid. ”Veel meer dan van ‘specifiek beleid’ kan daarom gesproken worden van het versterkenvan ‘cultuursensitiviteit’ binnen het reguliere beleid.”

Conclusie

In het rapport wordt geconcludeerd dat het beleid in de 22 gemeenten “ veel positieve inzet heeft opgeleverd”. De ‘cultuursensiviteit’ die de gemeenten vanuit de ‘Marokkanen-aanpak’ in hun beleid hebben geintroduceerd, zal ook andere niet-Westerse groepen ten goede komen en uiteindelijk de effectiviteit van het totale beleid.

Of het beleid op korte termijn tot resultaten zal leiden is volgens het rapport moeilijk te zeggen. “Het gaat om jongeren (en omgeving) met complexe problemen. Bovendien is het realiseren van een trendbreuk niet alleen afhankelijk van op de doelgroep gerichte interventies maar ook van de invloeden van andere zaken als algemene, maatschappelijke ontwikkelingen die los van deze doelgroep staan maar deze soms wel extra hard raken. Gemeenten hebben daar weinig invloed op, evenals op de inzet van de concrete, individuele professional wiens persoon in belangrijke mate bepalend is voor het al dan niet vinden van de juiste aansluiting bij de jongeren en gezinnen. Dit laat onverlet dat het aannemelijk is dat de gezamenlijke inspanningen positieve effecten zullen hebben.”

Alle 22 gemeenten willen die kennis en ervaring, op enigerlei wijze, implementeren in hun reguliere aanpak. De verwachting is echter dat vanwege de grote bezuinigingen bij het Rijk en de gemeenten, de toekomstige middelen niet zullen volstaan om alle nieuwe ontwikkelingen in het reguliere beleid te kunnen opnemen. Daarover maken sommige gemeenten zich volgens het rapport zorgen. De angst bestaat dat waardevol gebleken, maar te kostbare interventies zullen verdwijnen.

De betrokken gemeenten ontvangen tot eind 2012 geld voor de extra aanpak. Daarna stopt de subsidie. Donner schrijft dat de betrokken gemeenten resultaten zien van het geïntensiveerde beleid en dat zij daarom bereid zijn te blijven investeren in de ontwikkelde aanpak.

Vanaf 2012 wordt het beleid voor speciale doelgroepen afgeschaft, zoals vastgelegd in de Integratiebrief. De aanpak en de daarop gebaseerde maatregelen moeten daarom vanaf 2012 voor iedereen gaan gelden. “Afkomst speelt daarbij geen rol” schrijft Donner.

Wanneer het specifieke beleid verdwijnt en er ook geen resultaatafspraken worden gemaakt, zal het waarschijnlijk gissen blijven of het specifieke projecten voor Marokkaanse en Antilliaanse jongeren succesvol zijn geweest of niet. Discussies over het onderwerp zullen gevoerd blijven worden op grond van ‘beelden’ en minder op grond van ‘feiten’.

Ewoud Butter is freelance onderzoeker en schrijver en hoofdredacteur van Republiek Allochtonië

Lees of bekijk ook::

Links naar de rapporten (alle links verwijzen naar de website van het ministerie van Binnenlandse Zaken); 

Gemeenten met Antiiliaanse en Marokkaanse Nederlanders

Gemeenten met Marokkaanse Nederlanders

Gemeenten met Antilliaanse Nederlanders


zondag, 6 november 2011

Krispijn Beek

Krispijn Beek

Hyves Last.fm Twitter

Green Deal: Meer met minder

In economie, nederland, bouw, duurzaam bouwen, green deal, hypotheek, hypotheekrenteaftrek, koophuis, woningmarkt, en meer.

Bezorg huiseigenaren wat meer schuld met minder energieverbruik, dat is de strekking van de oproep die de banken (verenigd in het ‘Beraad Groenfondsen’ van de Nederlandse Vereniging van Banken) en bouw-, installatie- en energiebedrijven samen aan de ministers Verhagen en Donner deden. De bedrijven willen dit vormgeven in een Green Building Deal. Tegelijkertijd begint ook De Nederlandse Bank wakker te worden en zich zorgen te maken over de verhouding tussen de gemiddelde waarde van het huis en de hoogte van de hypotheekschuld. Uiteraard heeft de uitspraak van Knot de gebruikelijke kommer en kwel reacties opgeroepen in de media.

Green Building Deal

Vorige week hebben de banken, bouw-, installatie, en energiebedrijven een plan gelanceerd om bestaande woningen te verduurzamen. Kern daarvan is dat installateurs en bouwers de maatregelen uitvoeren en dat banken dat financieren via de fiscale groenregeling. De maatregelen betalen zich terug door een lagere energierekening en door gebruik te maken van de fiscale groenregeling betaalt de huiseigenaar een lagere rente.

Het voordeel voor de huiseigenaar is dat zijn woonlasten gelijk blijven, terwijl  de energierekening daalt. Bovendien zijn energiezuinigere woningen meer in trek en behouden ze in een dalende markt beter hun waarde dan energieslurpers. Het nadeel van het plan voor huiseigenaren is dat ze met nog hogere schulden worden opgezadeld.

Het voordeel van het plan voor banken is dat de huizen (onderpand voor een enorme berg hypotheekschuld) hun waarde behouden en dat ze een goede (en relatief veilige) bestemming hebben voor het aangetrokken spaargeld. Voor installateurs en bouwbedrijven levert het werk op. Waarom de energiebedrijven meedoen weet ik niet, mogelijjk dat ze bang zijn voor verplichtingen uit het Haagse?

De sluipende hypotheekcrisis

Zowel Trouw (Huizenbezitters, pak uw tent en Occupy het Binnenhof, pagina 17 papieren editie 5-11-201) als Sargasso beschrijven goed wat het huidige probleem van de huizenmarkt is. Door de hypotheekrenteaftrek lossen Nederlands weinig van hun lening af. Dat maakt de Nederlandse banken bij een dalende huizenmarkt of bij gebrekkig vertrouwen tussen banken onderling kwestbaar. Nederlandse banken verstrekken hoge hypotheekleninge, waar weinig spaargeld tegenover staat. Het gat wordt door banken afgedekt door een beroep te doen op andere financiers. Door het gebrek aan vertrouwen tussen banken wordt dat moeilijker. Tegelijkertijd wordt het onderpand door de dalende huizenprijzen minder waard. Dat zorgt voor problemen op de balans van banken, die sinds de vorige crisis van 2008 nog steeds niet allemaal uitblinken van degelijkheid.

Het voorstel van Arjen Siegmann om de hypotheekrenteaftrek af te schaffen in combinatie met compensatie en verplichte aflossing van de hypotheekschuld zou dit probleem aanpakken.Huiseigenaren krijgen een lagere schuld en banken zien de verhouding tussen hypotheeklening en onderpand verbeteren. In het voorstel van Siegman is de hoogte van de compensatie afhankelijk van het moment van aankoop (hoe langer geleden, hoe lager de compensatie). De financiering hiervan kan de overheid doen via de kapitaalmarkt.

Het CPB heeft eerder al voorgesteld om de huidige hypotheekrenteafrek te vervangen door een aflossingsaftrek. Zelf heb ik in 2008 voorgesteld om de hypotheekrenteaftrek te koppelen aan vergroening van je huis. Dat was behoud van werkgelegenheid voor de bouw- en installatiebranche en tegelijkertijd kon de overheid haar doelstellingen voor energiebesparing in de gebouwde omgeving dichterbij brengen.

Creatief combineren

Inmiddels zijn de marktomstandigheden fors gewijzigd en zijn mensen voorzichtiger met investeren in hun huis. Of preciezer gezegd: ik wil mijn huis graag verder vergroenen, maar ik ben niet bereid me dieper in de schulden te steken. Zelfs niet als ik via een Green Building Deal goedkoop kan lenen. Daarom zie ik meer in een combinatie van de Green Building Deal en het voorstel van Arjen Siegman.

Schaf de hypotheekrenteaftrek af of geef mensen de keuze om de hypotheekrenteaftrek in één keer op te nemen. In beide gevallen mag het geld maar voor 2 zaken gebruikt worden: aflossen van de hypotheekschuld of verduurzaming van de woning. Het deel van de eenmalige uitkering dat mensen willen gebruiken voor verduurzaming van de woning wordt op een bouwdepot gestald. Waarna de huiseigenaar 12 maanden krijgt om een plan van aanpak te maken om te komen tot verduurzaming van de woning. Een meetbaar deel daarvan is het Energieprestatie Certificaat (EPC). Dat is niet perfect, maar beter dan niks. Een andere mogelijkheid is afgaan op het gas- en elektriciteitsverbruik. Die zijn tenslotte ook bekend door de via het energiebedrijf afgedragen energiebelasting.

De groenbanken komen in zicht als blijkt dat zij een lagere rente bieden dan de hypotheekrente. Een huiseigenaar zal er op dat moment namelijk voor kiezen om zijn hypotheekschuld verder af te lossen en een nieuwe lening af te sluiten bij een groenbank. De verlaging van de energierekening zal in beide gevallen gebruikt  Welke wijze van financiering ook gekozen wordt.

Het voordeel van de huiseigenaar: een lagere hypotheekschuld, die vooral voor mensen die recent gekocht hebben onder de waarde van de woning zal komen te liggen. Daarnaast krijgen huiseigenaren de (financiële) mogelijkheid om hun energierekening verder omlaag te brengen, met de bijbehorende comfortvoordelen.

Het voordeel voor de bank: de verhouding tussen hypotheeklening en onderpand wordt beter. Waardoor het makkelijker wordt om financiering van elders aang te trekken. Bovendien wordt de balans van banken versterkt door de aflossingen, waardoor ze minder kapitaal hoeven aan te trekken om aan de kapitaalseisen van toezichthouders te voldoen.

Het voordeel voor de overheid: een eind aan de hypotheekrenteaftrek met kansen op forse energiebesparing in de gebouwde omgeving. En mogelijk zelfs een stukje duurzame energieopwekking. In beide gevallen komt het doel van 14% duurzame energie in 2020 weer een stukje dichterbij (en dat door afschaffing van subsdie…).

maandag, 24 oktober 2011

Theo Brand

Theo Brand

Zaak weigerambtenaren vraagt om een overgangsregeling

In gerechtigheid, politiek, tolerantie, homohuwelijk, weigerambtenaren, linker wang, religie, artikel, de linker wang, en meer.

Auteurs: Theo Brand en Willem de Gelder (iets bewerkt verschenen in de Volkskrant van 24 oktober 2011).

De ministers Donner en Van Bijsterveldt stelden eerder deze maand dat gemeenten ambtenaren in dienst mogen nemen die geen homoseksuelen willen trouwen. De gemeenten moeten dan wel zorgen dat mensen van het gelijke geslacht met elkaar in het huwelijk kunnen treden door bijvoorbeeld tenminste één trouwambtenaar in dienst te hebben die geen bezwaren heeft. De bewindslieden willen de beslissing om weigerambtenaren aan te stellen bij de afzonderlijke gemeenten laten liggen.

In alle Nederlandse gemeenten kunnen homo’s en lesbo’s met elkaar trouwen. Wat is dan nog het probleem? Het ongerijmde is dat een uitvoerend ambtenaar een andere norm en een smallere interpretatie hanteert van wat het huwelijk inhoudt en voor wie het bedoeld is, dan de nationale wetgever doet op basis van democratische besluitvorming. Die ongerijmdheid moet je niet willen oplossen door elke afzonderlijke gemeente zijn eigen beleid te laten formuleren zoals nu het geval is.

De Commissie Gelijke Behandeling oordeelde in 2008 dat een gemeente mag weigeren een ambtenaar aan te stellen die alleen hetero’s wil huwen. Dat betekent dat de ene gemeente wel weigerambtenaren in dienst neemt en andere gemeenten juist niet. De situatie is ook  dat gemeenten die nu nog ruimte bieden aan weigerambtenaren, zelfstandig kunnen beslissen dat niet langer te doen. Dat komt de rechtszekerheid van gewetensbezwaarde trouwambtenaren niet ten goede.

Rekening houden met gevoeligheden is een goede zaak, maar wel in de geest van de wet. Een landelijke overgangsregeling verdient daarom de voorkeur. Deze regeling kan bijvoorbeeld inhouden dat vanaf 1 januari 2012 – elf jaar na de openstelling van het huwelijksregister voor stellen van hetzelfde geslacht – geen nieuwe weigerambtenaren meer mogen worden aangenomen terwijl de huidige weigerambtenaren hun termijn mogen volmaken.

De richting is dan helder en alle nieuwe trouwambtenaren hebben zich te voegen naar de wettelijke ruimte die het huwelijk volgens democratische besluitvorming aan mensen biedt. Omdat trouwambtenaar worden een vrije keuze is, worden mensen op basis van deze overgangsregeling niet gedwongen om handelingen te verrichten die zij liever niet doen of die tegen hun geweten in gaan.

Het is niet de individuele ambtenaar die bepaalt voor wie het huwelijk bedoeld is, maar de wetgever die in 2001 het huwelijksregister heeft opengesteld voor mensen van hetzelfde geslacht. Tegelijk verdienen zittende ambtenaren die moeite hebben met deze verandering enige souplesse zonder dat zij plotseling geconfronteerd kunnen worden met nieuwe inzichten van hun eigen gemeenteraad. Een landelijke overgangsregeling zoals in dit artikel voorgesteld, is daarom voor alle betrokkenen de meest solide en ruimhartige oplossing.

Theo Brand (politicoloog) en Willem de Gelder (student politicologie) zijn redacteuren van De Linker Wang, tijdschrift voor religie en politiek verbonden met GroenLinks.


vrijdag, 21 oktober 2011

Ulbe Spaans

Ulbe Spaans

Twitter

1…2…3…,”oeps” .., “HELP !”…… , ”verzin een list”!

In politiek, list, minister donner, politiek, ro, commissie ruimte, beleid, coalitie, discussie, en meer.

Ooit was er een goed idee.
Al die ruimtelijke plannen en procedures duren zo lang en het zijn er zo veel.
“Kan dat niet sneller” ?
Als er eens een commissie van specialisten wordt benoemd die dat doorakkeren. Scheelt tijd. Tijd is kostbaar en bovendien zitten burgers en ondernemers vaak met smart te wachten op toestemming.
Als men dan ook in zo’n bestuurscommissie kan besluiten of zo’n plan er “door komt” dan gaat alles sneller en wordt de gemeenteraad ontlast.
Tot zover nog steeds een goed idee.

Toen ging de coalitie tellen.
1…2…3……oeps …HELP !!!!!

Wat was het geval.
De oppositie had meer leden in de bestuurscommissie ruimte.

“Oh jee”
….
“ Maar………,dan kan de oppositie het beleid op ruimtelijk gebied bepalen”. 

Een “groot gevaar” lag voor het Westland op de loer.
Al die toekomstige solex toerbedrijven,……. tapijthallen,……siertegel-showrooms,caravan stallingen……al die projecten die; al dan niet bij hoge uitzondering, in het  buitengebied nog  “zouden moeten gerealiseerd kunnen worden” lopen zo een enorm groot gevaar.
Want de oppositie kan dat dan tegenhouden.

 “VERZIN EEN LIST”!!!!        “Als we nu het aantal zetels in de raad laten bepalen hoe zwaar een stem telt in die bestuurscommissie”.
( “Gewogen stemmen”, heet dat zo mooi.)

“ Jaaaaaaaa, dan zijn we weer de baas.”

“Mag dat wel” ???

 ”Nou” ……

In 2008 was er eens een brief van Minister Donner langsgekomen waarin hij aangaf dat het niet is toegestaan om ”een systeem van  gewogen stemmen in de raadscommissie te hanteren”.

 “Jaha…. maar daar staat raadscommissie en niet bestuurscommissie”.
 
“Dus het mag”…… “echt”……….? 

Na een discussie in de raad, waar de oppositie aangaf dat dit natuurlijk niet mogelijk was, besloot men het aan de Minister te gaan vragen. ( Ja, serieus)

En zo werd er een brief aan Minister Donner geschreven .
Beste Minister, ………..mag dit wel? … of zoiets.          

Ambtenaren van het ministerie hadden na ontvangst van de brief voor de zekerheid nog even contact met de gemeente Westland opgenomen.Waarschijnlijk om te controleren of het géén grap was maar werkelijk een serieus verzoek. Toen men in de gaten had dat dit dus inderdaad een serieus verzoek was ging men aan het werk. Wat zullen ze een plezier gehad hebben tijdens hun vrijdagmiddagborrel.

Recent is het antwoord van de minister binnengekomen.
Is het een erg grote verrassing als ik u vertel dat de Minister aangaf :
                                     “dat het niet mag”?

Maar…. hoe zit het nu met die bestuurscommissie?
Dat was toch een goed idee?

Nou, ……….er is een nieuw vergadersysteem ingevoerd.
En daarmee is er weer een commissie Ruimte ingevoerd.
En daarmee zijn er ook weer regels ingevoerd.
En één regel luidt:
“In een commissie wordt niets besloten.”
“Besluiten worden  in de raad genomen”

 En in die raad tellen de coalitiepartijen:  …1….2….3……….HOERA!
( “Pfff…..wat een opluchting……..heerlijk, die fractiediscipline” )

Ulbe


vrijdag, 14 oktober 2011

Jeroen van Rossum

Jeroen van Rossum

Twitter

Verjaardagsfeestje

In politiek, bezuinigingen, blok, cda, coen, d66, de jager, democratie, dissidenten, en meer.

Nu het kabinet Rutte-Verhagen zijn eerste verjaardag viert, en rechts Nederland zijn vingers gretig aflikt bij de sobere taart, gooit Geert Wilders alvast een subtiel bommetje op. In een interview met het AD stelt hij dat het afgelopen jaar een ‘schaduw zal zijn’ ten opzichte van het komende. Hij heeft het over ‘meer beren op de weg’ dan we tot nu toe zagen. Volgens de Volkskrant van vandaag zegt Wilders bovendien dat een motie van wantrouwen niet ondenkbaar is, als er extra bezuinigingen komen met oog op de eurocrisis.

Stef Blok zit de vier jaar echter graag uit met Geert Wilders en zijn PVV. En daarna mogen er nog wel vier jaar bij, als het aan hem ligt. Hij geeft de collega’s van D66 op nu.nl nog een fijne sneer door op te tekenen dat zelfs de vrouwonvriendelijke mannenbroeders van SGP nog hervormingsgezinder zijn dan zij. Nee, hoor, dit kabinet is toch stukken beter dan Paars+ was geweest. Alle overboord gegooide liberale principes – zoals koopzondagen, hervormingen op de arbeidsmarkt en wat niet meer – vindt Stef Blok slechts onderhandelingsschade.

Ook het CDA lijkt dit kabinet nog wel even uit te willen zingen. De zogenaamde dissidenten Ferrier en Koppejan zijn al maanden zo muisstil, dat ik af en toe moet kijken of ze nog wel in de Kamer zitten. Ondanks alle stoere prietpraat van een jaar geleden, zijn ze mak en onzichtbaar. Ze zouden zich dood moeten schamen, maar draaien handig om alle journalistieke vraagstukken heen. Voila; de vertegenwoordiging van 30% tegenstemmers binnen het CDA. Die Ferrier en Koppejan, daar heb je wat aan. Wat een volksvertegenwoordigers!

Ondertussen kunnen de CDA-ministers heerlijk hun christelijke gang gaan, en zelfs de SGP nog trots maken. Marja van Bijsterveld durft deze week nota bene te zeggen dat weigerambtenaren ook een vorm van emancipatie zijn. De overheid is er dus voor iedereen, maar niet voor iedereen evenveel. Exact het betuttelende, christelijke toontje waartegen de paarse VVD (een van de architecten van het homohuwelijk) in het verzet kwam. Maar dat was toen. Nu lijkt het bijna alsof de zelfzekere houding van het CDA-smaldeel in het kabinet groeit, in plaats van krimpt, ondanks het aanhoudende gegrom en geblaf van bedrijfspitbull Wilders. Geen wonder dat het zwakke gekef van Cohen geen indruk maakt. Dat is liftmuziek in de oren van Verhagen en zijn collega’s.

De ministers van het CDA maakt het allemaal niet uit. Ze zitten na een halvering toch op het pluche. Alle hondsberoerde peilingen en stijgend intern gemor ten spijt, ze zitten er maar mooi. Geen Slangenburger die daar nu wat aan doet, het CDA zal Rutte-Verhagen niet laten vallen. Daar zorgt Maxime Verhagen, geflankeerd door Piet Hein ‘duimschroef’ Donner en Gerd ‘excuustruus’ Leers wel voor. Maxime viert zijn eigen feestje van democratie. En vandaag een stuk taart extra, want het is ook nog ’s een verjaardagsfeestje…


woensdag, 12 oktober 2011

Margreet de Boer

Margreet de Boer

Hyves Linkedin Twitter

Maidenspeech over de ID kaart

In id-kaart, vingerafdrukken, eerste kamer, identificatieplicht, misbruik, lief, minister, akkoord, algemeen, en meer.
Gisteren mocht ik mij maidenspeech houden in de Eerste Kamer.
Hieronder de belangrijkste passages. De hele tekst vind je op de site van de GroenLinks Eerste Kamerfractie.

Mijnheer de voorzitter,

Ik ben niet arrogant, ik ben pedant. Een betweter. Zo omschreef de bekende culinair journalist Johannes van Dam zichzelf in een interview met het Parool van afgelopen weekend. Het onderscheid zat er wat hem betreft in dat je arrogant bent wanneer je je beter voelt dan een ander, terwijl je wanneer je het echt beter weet, en dat wilt laten zien, slechts pedant bent.
Zonder uitgebreid te willen ingaan op het verschil tussen betweterigheid en arrogantie, durf ik wel te stellen dat het kabinet zich met dit wetsvoorstel zowel betweterig als arrogant toont: het kabinet denkt het beter te weten én lijkt zich daarbij verheven te voelen boven zorgvuldigheidsnormen en gezaghebbende oordelen.
(..)
Dit wetsvoorstel is in een periode van drie weken langs de Raad van State en de beide kamers van de Staten Generaal gejast. Met stoom en kokend water. En waarom? Omdat de minister blijkbaar niet voorbereid was op de uitspraak van de Hoge Raad, terwijl deze gelijkluidend was aan de uitspraak van het Hof Den Bosch, nu een jaar geleden. En omdat de minister blijkbaar koste wat het kost de gevolgen van de uitspraak teniet wil doen, zo nodig zonder inhoudelijke discussie. Het gevolg is dat het debat vooral gaat over de formele juridische vraag of het wetsvoorstel juridisch in orde is; of op basis van een andere heffingsgrondslag wel leges kan worden geheven voor de ID-kaart.
(..)
Wat hierbij overigens opvalt is dat de gierende spoed die de regering aan de dag legt naar aanleiding van de Hoge Raad uitspraak alleen de financiële gevolgen van de uitspraak betreft. Want waarom, voorzitter, gaat de minister niet met dezelfde spoed te werk om een eind te maken aan de verplichte afname van vingerafdrukken ten behoeve van de identiteitskaart, nu deze kaart ingevolge de uitspraak van de Hoge Raad niet in de eerste plaats gezien mag worden als reisdocument? Is het niet zo dat daarmee de grondslag van het verplicht afnemen van vingerafdrukken ten behoeve van de ID-kaart is weggevallen?
(..)
De terugwerkende kracht die aan het wetsvoorstel wordt verbonden is wat de GroenLinks fractie betreft onbehoorlijk. Een betrouwbare overheid legt niet met terugwerkende kracht belastende maatregelen op aan burgers. In zeer uitzonderlijke gevallen kan een uitzondering gemaakt worden op dit uitgangspunt, maar dan moet daar een zeer goede reden voor zijn. In zijn antwoord aan deze kamer doet de minister het voorkomen alsof het onderhavige wetsvoorstel voldoet aan alle criteria waarop het gerechtvaardigd kán zijn terugwerkende kracht aan een belastingmaatregel toe te kennen. Er zou sprake zijn van een regeling die beoogt misbruik of oneigenlijk gebruik tegen te gaan; snel ingrijpen zou nodig zijn voor een rechtvaardige belastingheffing; er zou sprake zijn van een evidente omissie in een wet die leidt tot duidelijk onbedoelde gevolgen; terugwerkende kracht zou nodig zijn omdat burgers anders maatregelen treffen waardoor de regeling haar beoogde effect ontbeert, et cetera.
Alsof burgers die een gratis ID-kaart aanvragen halve criminelen zijn die de andere, brave burgers opzadelen met de enorme financiële gevolgen van hun oneigenlijk gebruik.
En het is nogal wat om de consequentie van het onverbindend verklaren van een wettelijke bepaling door de Hoge Raad te betitelen als een evidente omissie in de wetgeving.
Je zou het arrogant kunnen noemen.
(..)

Het kabinet denkt het beter te weten dan de Hoge Raad. Met een formele, technische reparatiewet wil het de gevolgen van de uitspraak van de Hoge Raad teniet doen. De inhoudelijke argumentatie van de Hoge Raad wordt daarbij genegeerd. (..) (de minister lijkt) een insteek te kiezen die diametraal tegenover het oordeel van de Hoge Raad staat. In zijn antwoorden aan deze kamer stelt de minister zonder meer dat de kaart wordt verstrekt ten behoeve van de aanvrager, terwijl de Hoge Raad nu juist had geoordeeld dat niet kan worden aangenomen dat de aanvraag van een ID-kaart naar zijn aard in overheersende mate verband houdt met een individualiseerbaar belang, nu deze hoofdzakelijk ten dienste staat aan de algemene draag- en toonplicht, en daarmee aan het algemeen belang. En waar de Hoge Raad tot de conclusie komt dat het verstrekken van een ID-kaart niet als een dienst kan worden beschouwd , spreekt de minister weliswaar niet van een dienst, maar wel van een product, waarmee wederom de suggestie wordt gewekt dat de kaart er ten dienste van de burgers is in plaats van ten dienste van het algemeen belang.

Voorzitter, ik kom bij de hamvraag. Is het gerechtvaardigd dat de overheid – en daarmee de belastingbetaler- de kosten van het verstrekken van de ID-kaart draagt? Laat ik vooropstellen dat het diametraal tegenover elkaar zetten van de aanvrager die profiteert van een gratis ID-kaart en de belastingbetaler die moet opdraaien van de kosten miskent dat we het hier grosso modo over een en dezelfde burger hebben.

Maar ook wanneer het niet om een en dezelfde burger gaat is er veel te zeggen voor het kosteloos verstrekken van de kaart. Want wie schiet er wat mee op dat bijvoorbeeld een dakloze- die op basis van zijn leefwijze meer dan gemiddeld gevraagd zal worden zich te legitimeren- keer op keer wordt beboet omdat hij geen geld heeft om een identiteitsbewijs aan te schaffen en zich dus niet kan legitimeren? Niet alleen zijn de kosten van de handhaving in dit soort gevallen vele malen hoger dan de kosten van het verstrekken van een gratis ID-kaart, ook worden mensen nodeloos gecriminaliseerd.

En ook de zogenaamde darkspot jongeren, die geen toegang hebben tot werk of inkomen omdat ze geen ID-kaart hebben, en geen ID kaart hebben omdat ze geen geld hebben, zouden erg geholpen zijn met een gratis ID-kaart.

Maar ook afgezien van het belang voor deze bijzondere kwetsbare groepen is het antwoord op de vraag of de belastingbetaler moet opdraaien voor de kosten van de ID-kaart een volmondig ja. Dat is namelijk wat we in dit land doen met kosten die ten behoeve van het algemeen belang gemaakt worden: die worden uit de algemene middelen betaald, en opgebracht door de belastingbetaler. (..) Als we dat niet willen is er een eenvoudige oplossing: het afschaffen van de algemene identificatieplicht. GroenLinks vindt u daarvoor aan uw zijde. Een ieder die de algemene identificatieplicht wil handhaven, zal daarvan echter de consequenties moeten aanvaarden, en de kosten ervan voor lief moeten nemen.

Mijnheer de voorzitter,

Net als Johannes van Dam vind ik mijzelf niet arrogant.
Maar op het gevaar af dat ik reeds naar aanleiding van mijn maidenspeech als pedant of betweterig wordt gezien, durf ik wel te stellen dat ik het in dit geval beter weet: dit is geen goed wetsvoorstel.


Helaas ging de SGP, die zich eerder op hetzelfde principiele standpunt leek te stellen als de rest van de oppositie, aan het einde van het debat akkoord met een toezegging van minister Donner dat de paspoortwet uiterlijk de eerste helft van 2012 bij de Tweede Kamer zal worden ingediend. In de paspoortwet moet de status van de ID-kaart definitief geregeld worden, en daarbij zal ook de discussie over de financiering weer aan de orde kunnen komen. Dat is ook het moment waarop de basis voor het afnemen van vingerafdrukken komt te vervallen, aldus de minister. Maar zoals ik in het debat al zei: als GroenLinks fractie denken wij dat de minsiter daar nu al stappen in kan zetten. Mogelijk komen we op dat punt binnenkort dan ook met schriftelijke vragen.

zaterdag, 8 oktober 2011

Harmen Binnema

Harmen Binnema

Linkedin Last.fm Twitter PS

Een hoop drukte om bestuurlijke drukte

In politiek, weblog, groenlinks, tweede kamer, twitter, utrecht, werk, ambtenaren, bestuur, en meer.

Op twitter zag ik al de naam Flutholland voorbij komen als naam voor de provincie die zou ontstaan uit de fusie van Flevoland, Utrecht en Noord-Holland. In de Tweede Kamer is het enthousiasme voor deze opschaling niet erg groot, mag de voorzichtige conclusie zijn. Tegelijk lijkt het kabinet door te zetten, waarbij ik me dan afvraag op welke gelegenheidsgedogers Rutte en Donner dit keer hun zinnen hebben gezet. Het is niet ondenkbaar dat GroenLinks en D66 – zie ook hun verkiezingsprogramma’s – voor dit idee te porren zijn, maar daarmee is er nog geen Kamermeerderheid.

Intussen begint de discussie over het middenbestuur, de rol van provincies of landsdelen en de wenselijkheid van opschaling, alle trekken te vertonen van datgene wat zogenaamd bestreden zou moeten worden: bestuurlijke drukte. Het is al bijna 10 jaar geleden dat de commissie-Geelhoed het fraaie rapport Op schaal gewogen presenteerde, waarin onder andere werd gepleit voor ‘een herschikking van de provinciegrenzen op de noordvleugel van de Randstad’. Dat is bestuurlijke taal voor het samenvoegen van de drie provincies zoals het kabinet nu ook voorstelt. Overigens werd daar terecht aan toegevoegd dat dit ook consequenties moest hebben voor de samenwerking van andere provincies, evenals  de waarschuwing dat culturele en sociale grenzen niet altijd met provinciegrenzen samenvallen.

In 2005 riep de ‘Holland Acht’, gevormd door de vier burgemeester van de grote steden en de vier Commissarissen van de Koningin in de Randstad, op tot bestuurlijke herschikking en slagvaardiger bestuur. De reactie van het toenmalige kabinet was het instellen van de commissie-Kok, die begin 2007 adviseerde om één Randstadbestuur in te stellen. Met als belangrijke kanttekening dat het nieuwe bestuur niet op de stoel van de gemeenten moest gaan zitten en er ook geen extra taken vanuit het Rijk bij zou gaan krijgen, maar de bestaande provinciale taken moest gaan bundelen.

Naast deze rapporten zijn tientallen andere rapporten, visies, documenten, opinies en vragen verschenen, die allemaal iets over de bestuurlijke drukte in de Randstad te melden hadden en mogelijke oplossingen daarvoor aandroegen. Het heeft volksvertegenwoordigers, bestuurders, ambtenaren en zeker ook consultants al heel wat jaren flink aan het werk gehouden. Aan plekken om je druk te maken over bestuurlijke drukte was en is geen gebrek. Maar wat het heeft opgeleverd?

Ik pleit er zeker niet voor dat provincies in de huidige vorm en het huidige aantal moeten blijven bestaan. Er zijn inderdaad problemen in de Randstad die provinciegrenzen overstijgen. En na al die politiek-bestuurlijke bezigheidstherapie kan het misschien geen kwaad eens een knoop door te hakken. Maar het zou zo jammer zijn als dat gaat op basis van het visiearme en matig onderbouwde voorstel van dit kabinet. Daar worden Noord-Holland, Utrecht en Flevoland niet beter van.

vrijdag, 30 september 2011

Ria Damhof

Ria Damhof

GR

Herindelingen provinciaal voorgesteld

In gemeenten, provincie groningen, herindeling, college, donner, motie, visie, de, plan.
Afgelopen woensdag werd in de provinciale statenvergadering een motie over herindeling van gemeenten aangenomen. Plan is dat het college van gedeputeerden binnen een half jaar met een visie komen over hoe er binnen 3-5 jaar kan worden toegeleid naar herindelingen bij gemeenten. Minister Donner was helder op dat punt: herindeling van gemeenten moet van onderop: als men dat wil dan graag maar de

donderdag, 28 juli 2011

Camiel van Altenborg

Camiel van Altenborg

Last.fm Youtube

Het anti-Nederlandse kabinet

In de, donner, minister, wereld, weer, de wereld, rechts.
Het stof rondom de Integratienota die minister Donner 16 juni jl. de wereld in stuurde, is inmiddels wel weer neergedwarreld. Uit allerlei hoeken kwam kritiek: te rechts, te bekrompen, te negatief ove...

dinsdag, 26 juli 2011

Theo Brand

Theo Brand

Wijsheid en liefde kunnen niet regeren met haat als hun gedoogpartner

In gerechtigheid, politiek, cda, coalitie, islam, piet hein donner, populisme, rechtsstaat, religie, en meer.

Ook na de massamoord in Noorwegen neemt Geert Wilders geen afstand van haatzaaien en het demoniseren van de Islam. Alle eerdere uitspraken laat hij overeind staan. Ook die over het deporteren van miljoenen moslims uit Europa. Afstand nemen van Breiviks monsterlijke daden, zoals Wilders doet, is prima maar ligt wel erg voor de hand. Nederland zou anders domweg over Wilders heen vallen. En dat zou de bijl aan de wortel van de PVV zijn. Er is echt méér nodig dan zo’n rituele dans.

Uitsluitend afstand nemen komt voort uit politiek lijfsbehoud en ervaar ik als volstrekt ontoereikend omdat de rechts-radicale terrorist zich mede door Wilders en zijn ideeën liet inspireren om meer dan tachtig mensen – overwegend jonge socialisten – koelbloedig te vermoorden. 

Is Geert Wilders medeplichtig aan de afgrijselijke daad van Breivik? Nee, dat gaat me te ver en is feitelijk onjuist. Is hij medeverantwoordelijk voor het maatschappelijke klimaat waarin gewelddadig extremisme in Europa een grotere voedingsbodem krijgt? Ja, het feit dat Breivik Wilders uitgebreid benoemt en citeert laat hierover geen twijfel bestaan.

Ontken ik met deze stelling het bestaansrecht van de PVV?  Nee. Anderhalf miljoen kiezers hebben op deze extreem-rechtse politieke partij gestemd. Maar de gebeurtenissen in Noorwegen zouden Wilders – als onderdeel van de politieke elite en als lid van ons nationale parlement – tot inkeer en reflectie moeten brengen.

Haatzaaien en demoniseren zijn niet onschuldig. Het zou Wilders sieren als hij over zijn eigen schaduw heen springt en dat toegeeft. De PVV kan zich dan ontwikkelen tot een rechts-nationalistische partij zoals de Vooruitgangspartij in Noorwegen. Deze partij heeft zeer rechtse standpunten maar zich nooit verlaagd tot het kwalijke niveau van de PVV. Juist dit zou daarom het moment voor Wilders moeten zijn om door de zure appel heen te bijten. Hij zou moeten terugkeren naar de tijd dat hij zich afsplitste van de VVD: uiterst rechts maar binnen de grenzen en de vertrouwde moraal van onze liberale democratie. Maar ja, een diepe knieval past niet bij zijn onverschrokken imago en electoraal succesvolle pose.    

Door geen afstand te nemen van eerdere uitspraken blijft ‘haat’ het centrale thema en ‘angst’ de electorale motor. En zelfkritiek de grote blinde vlek. Hoe kunnen het CDA en de VVD zichzelf nog langer in het zadel houden door een man zonder reflectievermogen?

Zeker iemand als de jurist Piet Hein Donner zou - beter laat dan nooit – in deze nieuwe fase moeten beseffen dat de weg met de PVV nu echt doodloopt. Jarenlang genoot deze gezagsdrager veel aanzien van links tot rechts, maar die tijd lijkt nu definitief voorbij te gaan. Wordt dus wakker, klassieke christen-democraat. Want van Maxime en de VVD hoeven we dat inzicht waarschijnlijk niet als eerste te verwachten. Wijsheid en liefde kunnen niet regeren met haat als hun gedoogpartner. Lees de Psalmen van David er maar op na, meneer Donner.


zaterdag, 18 juni 2011

Rosita Custers

Rosita Custers

Hyves GR

Hollandse waarden…

In maatschappij, politiek, donner, holland, hollandse waarden, multi-culti, de, nederland.

Minister Donner wil dat we voortaan de Hollandse waarden laten preveleren boven de multi-culturele uitingen in Nederland. Ik breek mijn hoofd over wat nu eigenlijk de Hollandse waarden zijn…….

Hieronder alvast enkele voorbeelden.


zondag, 5 juni 2011

Jan Hoek

Jan Hoek

Linkedin GR

Degelijk driedelig grijs

In ambtenaren, arbeidsmarkt, bestuursakkoord, discussie, donner, handelen, idee, kabinet, klimaat, en meer.
Vanmiddag bij Buitenhof had minister Donner weer eens zijn degelijke driedelig grijs aangetrokken en geoefend op een mooi sonoor gereformeerd stemgeluid. Alles was er op gericht de kijker te laten weten dat hier een man sprak die weet waarover hij het heeft en die je wel moet vertrouwen.

Wat moesten we zoal van hem aannemen? Nou, dat de discussie over het bestuursakkoord eigenlijk alleen gaat over de verandering van de Sociale Werkvoorziening. En dat wethouders die het bestuursakkoord afwijzen, politiek bedrijven op een plek waar dat niet hoort en zo het land onbestuurbaar maken. O, en die directeur-generaal die vertrok omdat ze niet in een door de PVV politiek verziekt klimaat wil werken? Het zou wat worden als alle ambtenaren zomaar vertrokken omdat de ideeën van een kabinetspartner of –gedoger hen niet aanstaan.

Ja kijk, dan helpen kledingkeuze en dictie natuurlijk niet meer. De discussie over het bestuursakkoord gaat niet alleen over de Sociale Werkvoorziening. Dat weet Donner heus wel. Die discussie gaat er over de het Kabinet een wet verzint om mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt aan het werk te krijgen, maar voor dat goede idee zo ontzettend weinig geld ter beschikking stelt, dat het beetje dat nog wel komt, vrijwel helemaal op gaat aan de Sociale Werkvoorziening. En is afwijzen van het bestuursakkoord dan politiek bedrijven? Een bestuurder die met de pet in de hand dankjewel zegt omdat hij een regeling moet gaan uitvoeren die onuitvoerbaar is, is geen knip voor de neus waard. In dit geval is nee zeggen louter bestuurlijk handelen, waar geen politiek aan te pas komt. En dan de directeur-generaal. Dat Donner niet zegt dat ze er gedachten op na houdt die in zijn eigen partij ook bestaan, dat kan ik me nog voorstellen. Maar dat hij echt niks beters weet te verzinnen dan dat de directeur-generaal politiek bedrijft, duidt erop dat hij het gedachtegoed van de PVV inmiddels ook een mening vindt als iedere ander.

vrijdag, 27 mei 2011

Femke Halsema

Femke Halsema

Hyves Twitter TK

Leonardolezing: Politiek in de jaren nul

In speeches, leiden, politiek, taal, tweede kamer, afhankelijkheid, agema, agenda, algemeen, en meer.

Website van de Leonardo-leerstoelLeonardolezing, uitgesproken 26 mei 2011 op de Universiteit van Tilburg

Dames en heren,

Goedemiddag,

De politiek verlaten veroorzaakt een forse breuk in je bestaan. Eén die je ook nauwelijks kan voorvoelen, zolang je er deel van uitmaakt. Dat geldt òòk als er geen sprake is van een overhaaste aftocht na de val van een kabinet, een incident of een misstap en je jezelf plotseling en in shock terugvindt achter de geraniums.
Ik had mijn vertrek grondig voorbereid en ook wel tussen de bedrijven door nagedacht over de periode erna. Maar veel verder dan uitslapen, boeken lezen, met mijn kinderen spelen en vrienden zien, kwam ik niet. De allesoverheersende gedachte was ‘vrij zijn’ van dwang, druk en het heilige moeten. Maar wat je je onvoldoende realiseert, is dat ‘vrij zijn’ een geestesgesteldheid is die je als politicus juist grondig afleert.

Politici zijn onvrij, èn laten zich onvrij maken, en dat heeft een aantal redenen.
Er is de drukte die veel beroepen op hoog niveau kenmerkt: de agenda wordt door iemand anders gevuld, werkdagen van 12 uur zijn bepaald geen uitzondering en vanaf het opstaan tot het slapengaan jaagt de adrenaline door je bloed.
Ik merkte bijvoorbeeld – en heel simpel – dat ik de krant opnieuw moest leren lezen. Het obsessieve, gespannen scannen van het binnenlandse nieuws op je eigen naam, die van je collega’s en je tegenstanders, het in no-time willen inschatten van de politieke gevaren en risico’s die de krant herbergt, verworden geleidelijk tot een gewoonte. PVV-kamerlid Fleur Agema vertelde ooit bij Pauw & Witteman dat zij elke zaterdag om 6 uur opstond om bij het benzinestation de Telegraaf te kopen. Zodoende wist zij zeker dat zij als eerste van alle Kamerleden mondelinge vragen kon indienen over willekeurig welk incident. Hoe absurd misschien ook het voorbeeld, de onrust en drift waarvan Agema getuigt is geen enkele politicus vreemd.
En zo zijn er meer ingesleten gewoonten: tv-kijken betekent zappen; gesprekken voer je kort en dikwijls instrumenteel, met het oog op het te boeken resultaat; zoals de boeken die je leest vooral ‘nuttig’ moeten zijn voor je politieke handelen. Multitasken is verheven tot een hogere kunst van gelijktijdig telefoneren, internetten, medewerkers instrueren, een debat voorbereiden enzovoort.

Wat het politieke bestaan, als tweede, in hoge mate onvrij maakt is de permanente publieke druk, en de noodzaak èn wil om zichtbaar te zijn. Warren Beaty merkte ooit op over zijn toenmalige minnares Madonna dat zij niet bestond als de camera’s niet draaiden: ‘Why would you say something if it’s off-camera? What point is there existing?’
Politici, zeker de toonaangevende, worden regelmatig en, niet onterecht, bespot omdat ze opduiken in de meest wonderlijke talkshows, RTL-boulevard presenteren en hun oordeel geven over elke denkbare, triviale gebeurtenis. Maar – behalve vanzelfsprekend ijdelheid – hebben zij daarvoor ook goede redenen. Blijvende bekendheid & populariteit zijn namelijk harde voorwaarden voor verkiezingswinst, het kunnen realiseren van je opvattingen en idealen, en de eventuele deelname aan de macht.
Bijvoorbeeld. Toen ik eind 2002, krap 2 maanden voor de verkiezingen, aantrad als nieuwe lijsttrekker, was het grootste probleem mijn geringe naamsbekendheid. Minder dan 30% van de bevolking wist van mijn bestaan. Om ook maar enige rol van betekenis te kunnen spelen tijdens de verkiezingen moest dat razendsnel omhoog naar minimaal 80% en dat betekende een slopende gang langs koffieprogramma’s en vrouwenbladen.
Maar ook jaren daarna, toen ik over bekendheid weinig te klagen had, bleef de noodzaak om zichtbaar te zijn even groot. De meeste kiezers bepalen hun voorkeur namelijk maar deels op politieke opvattingen. Minstens zo belangrijk is hun intuïtieve voorkeur voor de waarden die een politicus vertegenwoordigt, zijn betrouwbaarheid & zijn aardigheid. Opvattingen, levensstijl, humor of de ontroering waarvan een politicus blijk geeft, moeten met elkaar in overeenstemming, en consequent zijn. Zo betekenden in mijn geval de bekende journaalbeelden waarin ik hevig debatteerde met bijv. Rita Verdonk of Geert Wilders ook een gebrekkig electoraal imago van bijterigheid (dan zeg ik het mild).
Het beeld van een politicus dat kiezers opbouwen bestaat uit korte fragmenten, waarbij juist de negatieve het beste beklijven. Reparatie van een onplezierig of onhandig imago kost tijd – televisietijd – en wint aan kracht door herhaling. Voor mij gold in ieder geval dat ik zeker 2 jaar talkshows als ‘Barend & Van Dorp bij elkaar gelachen had, voordat het kwartje viel bij veel kiezers dat ik niet alleen fel kon debatteren, maar misschien ook gewoon een aardige vrouw was aan wie je je kostbare stem kon toevertrouwen.

De druk èn de wil om geregisseerd en beheerst maar ook onophoudelijk zichtbaar te zijn, is niet alleen tijdrovend, maar het beperkt ook je uitingsvrijheid als politicus.
Elke politicus kan getuigen van een slip of the tongue die tot vervelens toe op televisie en op internet zijn herhaald. Balkenende denkt wellicht met weinig plezier terug aan zijn uitspraak tegen mij over de VOC-mentaliteit: ‘Laten we blij zijn met elkaar. Nederland kan het weer! (..) Toch?’ Maar het beëindigde niet voortijdig zijn carrière, wat wel gebeurde met VVD-kamerlid Arend Jan Boekestijn die vooral naam maakte met onhandige opmerkingen, zogenaamde ‘Boekestijntjes’.

De belangrijkste reden waardoor politici onvrij zijn is de tirannie van de tijd en de maatschappelijke omgeving. Daarmee bedoel ik het volgende. Het is voor politici bijna onmogelijk om een bezonken en beredeneerd oordeel te vellen over het politieke bestel waarin zij hun werk doen. Of de maatschappelijke cultuur te analyseren en te bekritiseren waarvan zij tegelijkertijd de drager zijn, waar zij uit voortkomen en hun populariteit aan ontlenen. Politici worden geacht mee te varen op de stroom van maatschappelijke en culturele sentimenten, de tijdsgeest aan te voelen en deze te vertolken. Doen zij dat niet of bekritiseren zij juist de tijdsgeest, dan riskeren zij kiezers, populariteit en uiteindelijk hun positie. Kortom, dan dreigen zij ineffectief te worden.
Maar vrijwel alle politici die ik de afgelopen jaren heb leren kennen, worstelen er ook mee dat ‘de waan van de dag’, zo dikwijls de koers van een debat en de richting van een besluit dicteert. Met de ‘waan’ bedoel ik niet het laatste incidentje uit de Telegraaf dat bij de wekelijkse mondelinge vragen de boventoon voert – hoewel dat ook ergerlijk is. Ik bedoel dat de woorden en onderwerpen die politici kiezen aan maatschappelijke en politieke modes onderhevig zijn en dat die modes dwingend zijn. Simpel gezegd. Geen zichzelf respecterende politicus wil op dit moment thee drinkend en al ‘multiculturaliserend’ in een moskee betrapt worden, ook al zouden daar goede redenen voor zijn. Thee drinken staat voor slapte. Zoals ook geen politicus nu met groot enthousiasme lagere straffen verdedigt, hogere belastingen, gescheiden zwemmen, de vrije verkoop van Mein Kampf enzovoort. Er is een grote omloopsnelheid in de populariteit van politieke onderwerpen. Tegen de dominantie van een kulonderwerp kun je je verzetten, je kan media in hun eenzijdige belangstelling tot de orde willen roepen, maar dan strand je meestal als roepende in de woestijn. Het is bijna onvermijdelijk om je te voegen naar de onderwerpen die gelden als het meest urgent, het meest ernstig – en daarbinnen de variatie te zoeken. Dat is niet uit lafheid of opportunisme maar uit noodzakelijk en gezond lijfsbehoud.

Mocht u na deze inleiding denken dat ik somber ben over de kwaliteit en kracht van politici: nee, geenszins. Wat ik zo-even opsomde zijn de disciplinerende, onvrij makende mechanismen van moderne politiek, mechanismen die – zo zal ik verderop betogen – alleen maar sterker en dwingender worden, en waaraan politici zich slechts met moeite en risico’s kunnen onttrekken.

Maar vandaag verdedig ik ook de stelling dat cultuurkritiek en het opnieuw beoordelen van het politieke bestel en handelen hard nodig zijn. Dat het meedeinen op het tij van maatschappelijke en culturele verandering – niet volstaat. Dat kon misschien in eerdere perioden in onze naoorlogse geschiedenis – waar bijvoorbeeld een oud-politicus zoals Marcel van Dam hoog over opgeeft – nog wel. Maar toen volstond ook om, tegenover de dreiging van de Russen een bataljon tanks aan onze oostgrens te plaatsen. Nu is de maatschappelijke deining te groot en is te onbestemd waar en hoe de golven op de kust slaan.

_____________

Sinds begin februari hebben mijn studenten en ik onderzoek gedaan naar wat ik in de opdracht van de Leonardo-masterclass heb beschreven als ‘De politieke betekenis van de jaren nul’ (de eerste 10 jaar van deze eeuw).

Maar laat me ze eerst even aan u voorstellen: Juliette Barendse, Linde Gasseling, Sabine Geers, Suzanne Keurntjes, Loes Mahieu, Madelene Munnik, Vera Nijveld, Michael Suurendonk, Pauline Verstraten en Eefje Wielders.

Zij hebben de afgelopen maanden literatuurstudie verricht en gesprekken gevoerd – variërend van Mark Rutte tot Hans Laroes, van Herman Tjeenk Willink tot Paul Scheffer. Zij hebben een middag meegelopen bij de redactie van Nieuwsuur, aangezeten bij de fractievergadering van een niet nader te noemen politieke partij en de Haagse sociëteit Nieuwspoort verkend. Zij hebben – aan de hand van eigen stellingen – een debat georganiseerd met studenten van de Tilburgse ROC. En uiteindelijk hebben zij twee keer, in groepjes van drie, een essay geschreven.

Wat ik hier vertel is ook gebaseerd op hun analyses, conclusies en aanbevelingen, wat niet wegneemt dat anekdotes en – zeker – de drastischer opvattingen en conclusies wel degelijk voor mijn eigen rekening komen.

De afgelopen jaren (bijvoorbeeld ook in mijn afscheidsbundel ‘Zoeken naar vrijheid’) heb ik vaak opgemerkt het gevoel te hebben getuige te zijn van een historische politieke tijd. Aantredend als Kamerlid in de tweede Paarse periode in 1998, kenmerkten de politiek en samenleving zich door een grote bezadigdheid. Politiek betekende wat schaven en lasten verlichten en nog eind 2001, toen Pim Fortuyn al heel populair was, bleek uit onderzoek dat de Nederlandse bevolking zeldzaam tevreden was. Er leken – eigenlijk tot de aanslag op de Twin Towers in september 2001 – weinig maatschappelijke en politieke voorbodes voor het tumult dat volgde.

De gedachte getuige te zijn van een historische politieke tijd ontleende ik aan het boek van Ido de Haan over de Nederlandse constitutie: ‘Het beginsel van leven en wasdom’ Hij betoogt daarin dat Nederland tussen 1848 en 1920 in het teken stond van constitutionele politiek. Volgens De Haan draaide het toen niet zozeer om een faire uitvoering van de politieke regels, als wel om het vaststellen van de regels zelf. In die periode werd bijvoorbeeld de staatssoevereiniteit vastgesteld, de scheiding tussen kerk en staat, het vrouwenkiesrecht en de vrijheid van onderwijs. Na 1920 brak een lange periode aan van zgn. ‘normale politiek’. Onze constitutie stond als een huis en werd door politici van alle gezindten als begrenzing geaccepteerd. Zelfs in de jaren zestig en zeventig, jaren van grote maatschappelijke onrust, concentreerde het politieke en maatschappelijke debat zich vooral op de herverdeling van welvaart en rechtvaardigheid, binnen de normatieve grenzen van de grondwet.
Volgens De Haan is pas aan het einde van Paars, versneld door de aanslag op de Twin Towers, de lange periode van ‘normale politiek’ ten einde gekomen en zijn wij opnieuw aangeland in een periode van constitutionele politiek. Of zoals de Haan het somber opsomt: ‘We hebben te maken met een partijenstelsel dat niet langer de verdeeldheid in de samenleving weerspiegelt, een parlement dat zijn centrale plaats daarin verliest en een staat die vastdraait in zijn ambities van herverdeling en rechtvaardigheid. De staat en de samenleving zullen zich opnieuw moeten grondvesten.’ (Tot dusver Ido de Haan)

Terugkijkend op de afgelopen 13 jaar, zijn onmiskenbaar de grootste en hevigste debatten ‘constitutioneel’ geweest. Beginnend wellicht met het venijnige conflict dat volgde op de uitspraken van Pim Fortuyn over artikel 1 van de grondwet: het discriminatieverbod, als sta-in-de-weg van de vrije meningsuiting. Wat volgden waren talloze debatten over de reikwijdte van de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van onderwijs.
Zo kon het gebeuren dat het parlement debatten voerde over de noodzaak en de plicht elkaar de hand te schudden, omdat dit niet langer werd beschouwd als een vriendelijke gewoonte – en het afwijken ervan als een rariteit -maar als een nationale testcase voor onze tolerantie, vrouwvriendelijkheid en ons gelijkheidsdenken. En in dit geval legde het recht van vrije expressie – in de opvatting van de dienstdoende minister Verdonk – het genadeloos af tegen het discriminatieverbod (dat zij op andere momenten met hartstocht relativeerde).
Nieuw was ook het bediscussiëren van de betekenis van godsdienst, en in het bijzonder de Islam, in het parlement zelf. De dominante uitleg van de scheiding tussen kerk en staat was voordien dat politici geen oordelen vellen over geloof. Ook de verhouding in de Trias Politica wijzigde zich, sinds politici zich actief bemoeien met lopende rechtszaken en de benoeming van rechters niet langer beschouwen als een hamerstuk maar tot inzet maken van partijpolitieke strijd (zoals de nieuwe Raadsheer Ybo Buruma overkwam). En hetzelfde kan gezegd worden over de positie van het staatshoofd, die vorige zomer hardhandig buitenspel is gezet bij de vorming van een minderheidskabinet.

Ik denk dat mijn studenten en ik er niet over van mening verschillen dat we inderdaad een periode van maatschappelijke en politieke turbulentie doormaken.
Wel hebben wij samen het idee begraven dat er sprake is van een harde omslag in de politieke geschiedenis die zich concentreert in 1 decennium en is veroorzaakt door de aanslag op de Twin Towers en de politieke moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh. Maatschappelijke en culturele verwarring lijkt eerder het gevolg van geleidelijker, maar evenzeer ingrijpende veranderingen. Veranderingen waarvan de politieke moorden in Nederland en 9/11 in de Verenigde Staten wel machtige symbolen zijn.

Samen, de studenten en ik, hebben we er drie grote en geleidelijke veranderingen uitgelicht die naar onze opvatting met name de afgelopen 10 jaar groot effect hebben gehad op de politieke verhoudingen en het politieke handelen. Deze veranderingen, als ook de effecten op de politiek, hebben de studenten onderzocht en in hun essays beschreven.

1.
De eerste grote verandering is globalisering en de definitieve vestiging van een risicomaatschappij. Deze is de afgelopen decennia in tientallen studieboeken beschreven en de vaststelling dat Nederland onderdeel is geworden van een internationale, globale en kwetsbare risicomaatschappij is bepaald niet nieuw.
Nieuw is wel de hardhandigheid waarmee globalisering de afgelopen jaren onze huiskamers en het parlement is binnengewalst. Als student leerde ik aan het einde van de jaren tachtig al over de ‘risicomaatschappij’ die het gevolg was van globalisering, waarbij de kernramp in Tsjernobyl het meest tot de verbeelding sprekende voorbeeld was. Maar afgezien van een enkele dioxinekoe, leek het met de aanwezigheid van onbeheersbare, wereldwijde risico’s wel mee te vallen.
Die illusie van relatieve veiligheid zijn wij inmiddels wel kwijt.
Inmiddels hebben we hardhandig de gevolgen ondervonden van een aantal
wereldwijde, financiële en economische crises.
Ik kan me goed herinneren dat over de Algemene Beschouwingen van 2008 de dreiging hing van een aanstormende financiële crisis. Maar zelfs toen vlak daarna de Amerikaanse Bank Lehman Brothers omviel, was van groot alarm in de Haagse politiek en in de samenleving nog geen sprake. Het beperkte zich tot een droge notie van risico’s waarop de Nederlandse regering, mocht er iets gebeuren, ‘adequaat’ – in het betere Haagse jargon – zou reageren. Dat is overigens ook gebeurd.
Maar ik kan niet verhullen dat het dreigende omvallen van Nederlandse banken en de duizelingwekkende bedragen die de Nederlandse regering vervolgens beschikbaar moest stellen, ook voor mij een schokkende eye-opener van internationale kwetsbaarheid waren. De razendsnel oplopende staatsschuld, de toenemende werkloosheid in Nederland door onverantwoord gedrag van bankiers en hypothecairs in de Verenigde Staten, was en bleef een nauwelijks te bevatten samenloop van gebeurtenissen en omstandigheden.
En kwetsbaarheid voor internationale risico’s heeft zich niet beperkt tot de financiële markt en de economie. De afgelopen jaren zijn we geconfronteerd met de
razendsnelle verspreiding van ook voor mensen gevaarlijke dierziekten en heeft de wereldwijde klimaatverandering bijvoorbeeld moeten leiden tot een kostbaar plan voor dijkverhoging en dijkbewaking. De aanslag op de Twin Towers en daarop volgend die in Madrid en Londen hebben de zekerheid te leven in een relatief geweldsloze en veilige samenleving voor veel mensen ondermijnd. Internationaal conflict en geweld houden zich ook in onze achtertuin op, worden hier geboren en groot gebracht: zoveel werd vooral bij de moord op Theo van Gogh duidelijk.

Om een beter zicht te krijgen op het effect van internationale crises en risico’s op de Nederlandse politiek hebben de studenten onderzocht hoe in Nederland is omgegaan met de Mexicaanse griep. Dit griepvirus, eerst de varkensgriep genoemd, kreeg vanaf het voorjaar van 2009 delen van de wereld in de greep, zeker toen bleek dat door besmetting niet alleen dieren maar ook mensen dood konden gaan. Inmiddels staat de teller wereldwijd op bijna 19.000 slachtoffers. In Nederland heeft de regering, onder verantwoordelijkheid van minister Klink, snel en ingrijpend gereageerd. Er waren folders en internetsites, risicogroepen kregen het advies zich preventief te vaccineren en er zijn 34 miljoen griepvaccins aangeschaft. Uiteindelijk heeft de Mexicaanse griep in Nederland nooit werkelijk huisgehouden.

Terugkijkend op de politieke besluitvorming valt vooral de grote en oncontroleerbare rol op die deskundigen spelen. Minister en parlement ontbeerden de specialistische kennis die inschatting van de gezondheidsrisico’s vergde en moesten zich in het geheel verlaten op de Gezondheidsraad, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en de World Health Organisation (WHO). Het waren ook de deskundigen die de minister en vervolgens de kamer voor een keuze plaatsten. Men kon 1. ‘afwachtend beleid’ voeren maar dit had een ‘risico voor de nationale gezondheid’ of men kon 2. ‘preventief beleid’ voeren, dat een financieel risico droeg.
Zo geformuleerd hoeft het weinig verbazing te wekken dat Nederland – als één van heel weinige landen – overging tot de peperdure aanschaf van een astronomisch aantal griepvaccins. De keuze was dan ook eigenlijk geen keuze maar een fait accompli omdat geen verantwoordelijk politicus uiteindelijk geld boven de gezondheid van de bevolking zal plaatsen.
Achteraf is er discussie ontstaan over de onbevooroordeeldheid van de deskundigen, de mogelijke rol van de farmaceutische industrie, en het oordeelsvermogen van politici. Dat vind ik terecht.

Meer in het algemeen kun je stellen dat globalisering en internationale crises politici in heel grote mate afhankelijk maken van deskundigen, wier achtergronden, motieven en belangen – anders dan die van politici – dikwijls slecht controleerbaar zijn. Waarvan op het moment dat zij dwingende adviezen geven ook nauwelijks bekend is dat zij zelf over de juiste en noodzakelijk informatie beschikken. De President van de Nederlandse Bank, de heer Wellink, heeft bijvoorbeeld achteraf aangegeven dat ook de Nederlandse Bank en hij zelf onvoldoende op de hoogte waren van de financiële producten waarin banken handelden en de risico’s die deze in zich hadden. Toch voer de regering volledig op de Nederlandse Bank.

2.
Globalisering is niet de enige grote, geleidelijke verandering die de politiek beheerst. Even ingrijpend is – om het eens in chique wetenschappelijke termen te zeggen – het gewijzigde paradigma van multiculturalisme.
Kort gezegd, is multiculturalisme in Nederland lang het bewijs geweest van vrijheid. In ons vrije, democratische land zou ruimte zijn voor andersdenkenden, andere tradities en gebruiken. Door de kracht van onze rechtsstaat, door onze tolerante inborst, ons democratisch bestel en de maatschappelijke mogelijkheden voor sociale stijging, zouden wij ook de komst van grote groepen vreemdelingen gemakkelijk kunnen opvangen. En belangrijker nog, binnen de grenzen van de rechtsstaat werd heb alle ruimte gegeven om hun eigen gang te gaan.
Inmiddels wordt multiculturalisme niet meer beschouwd als een bewijs van vrijheid, maar als een regelrechte bedreiging van onze vrijheid. Tolerantie is niet langer een deugd die geprezen wordt maar synoniem geworden met ‘plooien, schikken en afkopen’ van eigenlijk onoverkomelijke verschillen, tegenstellingen en botsingen.

Het verdwijnen van het geloof in multiculturalisme is een gevolg van de hardnekkigheid van integratieproblemen en het dreigende ontstaan van een allochtone onderklasse (met overmatige criminaliteit en overlast onder allochtone jongeren). Het is ook een gevolg van de angst voor gewelddadig, Islamitisch fundamentalisme dat door de aanslagen is gevoed en ertoe leidt dat in Nederland levende en werkende moslims inmiddels achterdochtig worden beschouwd als wolven in schaapskleren.
Maar beide problemen – de hardnekkige integratieachterstanden en de zorg om gewelddadig Islamitisch fundamentalisme – zijn ook een dankbare voedingsbodem gebleken voor snel populair wordende populisten. Dat multiculturalisme inmiddels een scheldwoord is geworden, is in belangrijke mate hun verdienste. Dit zeg ik wel met enige ironie.

De studenten hebben de afgelopen maanden als casus studie gemaakt van de incidenten die er de afgelopen jaren zijn geweest rond Imams die weigerden de hand te schudden van, in de eerste plaats Minister Verdonk. Vooral de eerste keer dat een Imam, zichtbaar en publiek weigerde de minister de hand te schudden groeide snel uit tot een nationale rel. De minister vond dat er onvoldoende respect was voor het instituut ‘minister’ en voor haar als vrouw en liet weten dat handen schudden een Nederlandse plicht was.

Op basis van hun onderzoek naar het veranderde oordeel over multiculturalisme en de incidenten rond handen schudden merken de studenten op dat politici en het politieke debat zich los lijken te hebben gezongen van de rechtstatelijke kaders waarbinnen zij opereren. Bij de beoordeling van het gedrag van individuele en groepen burgers stellen zij zich minder de vraag ‘is dit onwettig’ maar veeleer de vraag ‘is dit onprettig’. Afwijkend gedrag wordt in toenemende mate als on-Nederlands en onprettig bestempeld en veroordeeld.
Veel burgers, veel media ook, zijn gecharmeerd van de daadkracht en flinkheid die spreekt uit deze stevige oordelen: met name populistische politieke stromingen die van het veroordelen van onprettig, on-Nederlands gedrag hun handelsmerk hebben gemaakt, hebben dan ook een grote electorale vlucht gemaakt
Tegenover de symbolische kracht van harde normatieve oordelen over soms kleine incidenten staat echter een grote politieke en beleidsmatige onmacht. Politici zijn namelijk wel degelijk gehouden en gebonden aan de grenzen van de democratische rechtsstaat, waar deze rechtstreeks voortvloeien uit de mensenrechtenverdragen. Ongeacht retoriek en vertoon van flinkheid kent het integratiebeleid de afgelopen 10 jaar nauwelijks verandering maar een grote stroperige continuïteit en traagheid. De problemen rond integratie, sociale achterstand en criminaliteit zijn de afgelopen jaren niet werkelijk verminderd.
Het zichtbare verschil tussen zeggen en doen in het debat over de multiculturele samenleving levert – zo voeg ik daar aan toe – politici en het politieke bestel inmiddels een serieus geloofwaardigheidsprobleem op.

3.
Als je de gevolgen van de grote maatschappelijke veranderingen rond globalisering en multiculturalisme bij elkaar optelt, dan kun je vaststellen dat politici zich in een lastig parket bevinden, of – wellicht beter – in een lastig parket hebben gemanoeuvreerd.
De grootste maatschappelijke problemen kennen dikwijls een internationale oorsprong, oplossing of vermindering ervan onttrekt zich daardoor vaker aan het handelingsvermogen van gewone Nederlandse politici. Daarbij zijn zij in toenemende mate afhankelijk van specialistische deskundigen, waarbij zij de belangen en de juistheid van deskundige meningen niet altijd even goed overzien. De verleiding van een vlucht in symbolische daadkracht, in flinkheid bij incidenten is levensgroot en deze route wordt dan ook regelmatig genomen.
Het parket wordt nog lastiger als de derde grote verandering van de afgelopen jaren in ogenschouw wordt genomen: de fragmentatie en verveelvoudiging van media en de groeiende invloed van nieuwe media, van internet, weblogs en twitter.

De opvallendste vaststelling van de studenten in het onderzoek dat zij hebben gedaan naar de invloed van de mediacratie op het politieke handelen is dat wordt onderschat dat media zelf in toenemende mate ten prooi zijn aan grote commerciële en economische belangen.
Tijdens een debat gisteravond bij DWDD tussen een vertegenwoordiger van ‘dode- bomen’ media en webloggers – waar de studenten en ik toevallig aanwezig waren -
werd die dwang van commercie nog eens zichtbaar.
De meest gelezen onderwerpen op weblogs en de digitale pagina’s van kranten variëren van ‘condooms met tandjes’ tot de borsten en billen van Kim Kardashian. Serieuze onderzoeksjournalistiek, analyses van ingewikkelde economische problemen leggen het in de lezersaandacht altijd af tegen relletjes met overspel, zich misdragende BN’ers, moord en doodslag. En waar de lezersaandacht minder is, verdwijnt ook de belangstelling van adverteerders, uitgevers en mediabedrijven. Hoofdredacteuren en journalisten staan onder grote druk om lezers – en daarmee adverteerders – waar voor hun geld te geven.

Voor politiek nieuws betekent dit dat ruzies en conflicten, swingende, harde uitspraken over bijvoorbeeld Islamitisch stemvee of Grieks wangedrag, veel makkelijker hun weg vinden in de media dan – ik noem maar wat – de achtergronden van de financiële crisis.

Ik begon deze lezing met de vaststelling dat politici onvrij zijn. Een politicus die langer meewil verhoudt zich tot de tijdsgeest en tot de onderwerpen die zijn kiezers en de media het meeste lijken bezig te houden.
Nu weet ik dat u stiekem denkt: ‘ja hoor eens, een moedige politicus kiest natuurlijk altijd zijn eigen weg, ongeacht de risico’s’. Natuurlijk, dat is ook zo. En er zijn talloze voorbeelden van moderne, moedige politici die dagelijks impopulaire onderwerpen agenderen en verdedigen. Politici die werk maken van onderwerpen als Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen, de noodzaak van nieuwe duurzame energiepolitiek, wereldwijde voedselzekerheid enzovoort, ondanks dat hen dit zo goed als onzichtbaar maakt in de media en daarmee voor kiezers. Zoals ook de moderne politiek talloze voorbeelden kent van politici die dwars tegen de voorspellingen in van peilingen – waar ik overigens ook nog een betoog zou kunnen opbouwen – electoraal risicovolle beslissingen nemen omdat zij een grote innerlijke noodzaak voelen. Mijn opvolger gaf bijvoorbeeld meteen na aantreden een visitekaartje af.

Ik verzet mij hevig tegen de gemakkelijke gedachte dat de kwaliteit van politici de afgelopen decennia minder is geworden of dat de politiek oppervlakkiger en vluchtiger is. Deze nostalgische gedachte die nog wel eens door oude politieke mastodonten wordt geuit, miskent eenvoudig dat de maatschappelijke en politieke omgeving waarin politici hun werk doen met name het afgelopen decennium ingewikkelder en risicovoller is geworden.

Dit neemt niet weg dat er alle reden is om de staat van de politiek en het handelen van politici opnieuw goed en hardhandig te doordenken.
Als ik terugkeer naar Ido de Haan en zijn analyse van ‘constitutionele politiek’ dan denk ik dat je inderdaad kan vaststellen dat, als een gevolg van globalisering, de grote problemen in de multiculturele samenleving en komst van een mediacratie, samenleving en politiek zich opnieuw – moeten – grondvesten.

Politici, gekozen vertegenwoordigers van het volk, zullen daarin onvermijdelijk leiding moeten nemen. Zij dragen wel degelijk de verantwoordelijkheid om oplossingen aan te reiken voor grote maatschappelijke problemen. Of het nu gaat om het verminderen van de werkloosheid die voortkomt uit de internationale economische crisis, het op orde brengen van de staatshuishouding, het verminderen van de sociale en integratieproblemen, het beter beheersbaar en controleerbaar maken van het bureaucratische pandemonium (zoals Volkskrantcolumnist Bert Wagendorp deze week zo mooi opmerkte) of het aanpakken van klimaat- en energieproblemen

In het tweede deel van de masterclass heb ik de studenten gevraagd om – met achterlating van al hun theoretische kennis – eens na te denken over de noodzakelijke veranderingen in het politieke bestel en het handelen van politici.

Ik geef u eerst twee heel alledaagse observaties van de studenten door, waar ik even om moest lachen maar die ook onmiskenbaar veelzeggend zijn.
Na gesprekken met politici en een bezoek aan het parlement, verzuchtten de studenten om beurten dat zij het in het parlement interessanter en ook gezelliger vonden dan zij dachten en dat politici aardiger, welwillender en ook redelijker waren dan hun beeld van hen was.
En vorige week meldde een student dat zij, bezig met de opmaak van het slotessay, eindeloos op Google had gezocht naar foto’s van samenwerkende, vriendelijk met elkaar pratende politici en dat zij die niet had kunnen vinden.

Moderne politici zijn dagelijks verwikkeld in een harde overlevingsstrijd, een strijd om media- en publieke aandacht, in een strijd om het behagen en binden van hun kiezers. Politici zijn met handen en voeten gebonden aan kiezersverwachtingen, populariteitsvereisten en politieke mores. Het maakt hen onvrij om met wat meer afstand de grote problemen van deze tijd te aanschouwen. Het kan hen ook in een isolement brengen van eigendunk en zelfgenoegzaamheid, zo lang het ze goed gaat.

Maar niet alleen zijn de internationale problemen en risico’s, en de afhankelijkheid van derden bij het begrijpen en beheersen ervan, te groot; de vlucht in symbolische daadkracht, symbolische debatten over vooral de multiculturele samenleving die – ondanks daadkrachtige en soms oorlogszuchtige taal – niet leiden tot verbetering van het dagelijkse leven van mensen, ondermijnen de geloofwaardigheid en uiteindelijke effectiviteit van politici. En dit gevaar van politieke machteloosheid en ineffectiviteit op de lange termijn bedreigt alle politici, ook de populisten die zich vooral verheugen over de electorale winst op de korte termijn.

Politieke samenwerking over partijpolitieke grenzen heen, kent een grote noodzaak. Het vermeerdert de gedeelde kennis, het vergemakkelijkt het sluiten van de noodzakelijke compromissen en van het samen regeren.
De studenten hebben bedacht dat het goed zou zijn om kiezers bij de verkiezingen niet meer enkel op de eerste partij van hun voorkeur te laten stemmen maar ook een tweede en een derde voorkeursstem te laten uitbrengen: een zogenaamd ‘songfestivalsysteem’. Het dwingt politici zich beter rekenschap te geven van de politieke ‘umwelt’ waarin ze opereren en al in campagnetijd actief naar coalities te zoeken en deze te verdedigen, waarmee zij na de verkiezingen zouden willen regeren. Afgelopen zomer leidde de vergaande polarisatie tussen politici tot een gefragmenteerde verkiezingsuitslag en een bijna onbestuurbaar land. De ervaringen van de formatie en de idiotie van de totstandkoming van het huidige minderheidskabinet, zouden zich niet moeten herhalen.
Een zelfde milde dwang tot samenwerking zou uit kunnen gaan van het bij de gewone verkiezingen mogen uitbrengen van een adviserende stem op een voorkeurscoalitie. Ook dan geldt dat politici minder uitgedaagd worden om het conflict te zoeken met de electorale concurrenten (zoals Mark Rutte tijdens de laatste verkiezingen deed met Jan Peter Balkenende) maar al tijdens de campagne publiek samenwerking te zoeken met de latere en meest gewenste regeringspartner.
Daarbij lijkt het ons goed als de partijdiscipline en de onderlinge partijtegenstellingen verminderen. Een voorstel van de studenten is om Kamerleden in het parlement niet meer gegroepeerd naar partij te laten plaatsnemen maar bijvoorbeeld op alfabetische volgorde waardoor zij vaker samen optrekken en samenwerken.
Zelf voeg ik daar nog een suggestie naar Italiaans voorbeeld aan toe. Daar kiezen de leden van de verschillende oppositiepartijen samen één oppositieleider. Ook dat leidt onvermijdelijk tot betere samenwerking: de leiders zullen minder geneigd zijn elkaar vliegen af te vangen of elkaar te herhalen. Daarbij verandert het de verhouding tussen de grote en de kleinere oppositiepartijen. Denkt u zich eens in: het zal lang niet altijd vanzelfsprekend zijn dat de leider van de grootste oppositiepartij ook de oppositieleider wordt, bij de andere, kleinere partijen zijn wellicht beter gekwalificeerde kandidaten.
Veel politici maken zich zorgen over de zogenaamde kloof tussen politiek en burgers. Zij gaan eens in de zoveel tijd ostentatief (met een camera op hun nek) in koffiehuizen zitten, de deuren langs om te flyeren en beleggen bijeenkomsten waar burgers hun gal kunnen spuien. Al deze, dikwijls symbolische ontmoetingen betekenen niet werkelijk dat er met burgers wordt samengewerkt. Burgers bezitten veel kennis over, en dagelijkse ervaring met maatschappelijke en bureaucratische problemen, vaker dan nu gebeurt kunnen zij politici helpen oplossingen te formuleren. Met de komst van internet kan de kennis van burgers beter toegankelijk worden gemaakt, gebundeld en geselecteerd (zie bijvoorbeeld de ontwikkeling met ‘crowdsourcing’, waar in NL ook Maurice de Hond zich mee bezighoudt).
Een aantal jaren geleden heeft Rita Verdonk een ‘Ritawiki’ geïntroduceerd: burgers werden uitgenodigd om op haar site mee te schrijven aan haar verkiezingsprogramma. Het initiatief ging al snel kapot aan ‘reaguurders’ die site kaapten. Dat neemt niet weg dat het een goed idee was. Een idee van de studenten is om, verbonden aan de site van de Tweede Kamer, een ‘politieke wiki’ te starten waarop burgers oplossingen voor dringende en grote maatschappelijke problemen kunnen aanreiken. Vergelijkbaar met ‘wikipedia’ moet ook het debat over de inbreng van verschillende burgers zichtbaar kunnen zijn en moet zichtbaar kunnen zijn wie deelnemen aan een debat. Om te verhinderen dat de site gekaapt wordt, zou het een idee kunnen zijn dat burgers zich inschrijven met hun ‘digid’ die dan wel bekend is bij de Tweede Kamer maar niet zichtbaar is. Wel moet nagegaan worden of dit privacyproblemen geeft.

Onderlinge, harde competitie en concurrentie tussen politici en tussen parlementariërs en regering is slecht voor de openbaarheid. Angst voor misstappen en voor publieke vernedering leidt ertoe dat politici terugdeinzen voor het geven van inzicht in hun beweegredenen en in de wijze waarop zij tot een besluit zijn gekomen, met wie zij hebben gesproken en welke rol bijvoorbeeld lobbyisten hebben gespeeld. Het voorstel van Minister Donner om de Wet Openbaarheid Bestuur (WOB) verder in te perken en journalisten die de gangen van een minister willen nagaan, verder op achterstand te zetten, is een teken aan de wand.
Het is een misvatting dat een ‘cultuur van heimelijkheid’ de kwetsbaarheid van politici zou verminderen; het vergroot juist de achterdocht en de behoefte om politici hard af te rekenen als blijkt dat zij oneigenlijk informatie achterhouden.
Openbaarheid van informatie is een teken van politieke kracht, het versterkt de samenwerking met burgers en vergroot daarmee uiteindelijk ook de legitimiteit van beslissingen.
Het zou goed zijn als de Wet Openbaarheid Bestuur juist wordt verruimd en het aantal ‘uitzonderingsgronden’ voor het ter beschikking stellen van informatie aan journalisten en anderen, wordt verminderd
Naar mate beslissingen ingewikkelder worden (zoals bijvoorbeeld bij de Mexicaanse griep) zou het ook goed zijn als politici vaker laten zien ‘hoe’ zij tot een beslissing zijn gekomen, en niet enkel burgers ermee confronteren ‘dat’ zij een beslissing hebben genomen. Samen met de studenten pleit ik ervoor om vergelijkbaar met de Rekenkamer (die de doelmatigheid en rechtmatigheid van overheidsbestedingen onderzoekt) een onafhankelijke Besluitvormingskamer in te stellen die nagaat hoe een grote politieke beslissing tot stand is gekomen, op welke feiten en onderzoek deze is gebaseerd, welke derden daarbij een grote rol hebben gespeeld en wat hun belangen en motieven zijn.

Ervan uitgaand dat er sprake is van constitutionele politiek waarbij politiek en samenleving zich opnieuw grondvesten, zou het logisch zijn dat onze constitutie daarin ook een grote rol speelt. En dan bedoelen wij niet enkel in de schreeuwerige verdediging van een enkel grondrecht, zoals de vrijheid van meningsuiting of de vrijheid van godsdienst. Het kenmerk, maar ook de schoonheid, van onze constitutie is de gelijkwaardige botsing van grondrechten, van burgerlijke waarden, die erdoor op een vreedzame manier mogelijk wordt gemaakt. De grondwet constitueert daarmee ook heel letterlijk onze samenleving.
Betere kennis en een meer actieve verdediging van onze grondwet door politici, helpt wellicht ook burgers om met wat meer distantie, wat meer abstractie, politiek en maatschappelijk conflict en meningsverschil te beoordelen. Dit vereist echter wel dat de grondwet wordt vereenvoudigd en wordt verduidelijkt. Onze grondrechten zijn te cryptisch beschreven omdat ze tegelijkertijd ruimte laten voor uitzonderingsbepalingen door de overheid vast te stellen. Wij zijn voorstander van een nieuwe, moderne grondwet die eenvoudig en aantrekkelijk is en die daarmee ook een goed instrument in het onderwijs en in het politieke debat kan zijn.
Daarnaast is het hoog tijd om constitutionele toetsing in te voeren (diegenen die mijn werk van de afgelopen jaren kennen weten dat dit niet de eerste keer is dat ik hiervoor pleit). Niet alleen geeft het burgers een grotere mate van rechtsbescherming tegenover overheidsmacht, het brengt de grondwet ook tot leven omdat deze niet langer ‘een gesloten deur’ is voor burgers, zoals Thorbecke het ruim anderhalve eeuw geleden al omschreef.
Als samenleving en politiek een nieuw grondvest zoeken voor gezamenlijk handelen dan hopen wij dat die wordt gevonden in het zachtaardige, rechtstatelijke patriottisme dat onze constitutie biedt

Gisteravond kreeg ik bij DWDD de vraag, waarom komt u er nou mee, nu u aan de kant staat.
Aan de kant staan is ook reinigend en noodzakelijk om de politiek – waarvan ik houd – met wat meer distantie, wat minder politieke belangen, wat minder koortsachtig te kunnen gadeslaan en te beoordelen.

Ik dank de Universiteit van Tilburg, en in het bijzonder Hans van Driel en zijn staf voor de gelegenheid die zij mij hebben geboden. Ik dank vooral de Leonardostudenten voor het waardevolle onderzoek dat zij de afgelopen maanden hebben verricht en de vele levendige gesprekken en discussies die wij samen hebben gevoerd.

Dank u wel.

 

NB: Mevrouw Yvon de Witte meldt via twitter dat zij het idee voor een ‘songfestivalsysteem’ eerder op Facebook heeft voorgesteld en heeft vastgelegd bij de belastingdienst. Zij hecht aan vermelding daarvan: bij deze.

'Mevrouw Yvon de Witte meldt via twitter dat zij het idee voor een 'songfestivalsysteem' eerder op Facebook heeft voorgesteld en heeft vastgelegd bij de belastingdienst. Zij hecht aan vermelding daarvan: bij deze.

woensdag, 18 mei 2011

Tineke Strik

Tineke Strik

EK

Regering zegt privacy impact assements toe

In politiek, burger, burgers, cda, de, debat, donner, eerste, eerste kamer, en meer.

Gisteren kruisten de Eerste Kamer en minister Donner en staatssecretaris Teeven de degens over de privacy. De Eerste Kamer wil in meerderheid een zorgvuldiger afweging bij wetgeving: welk effect heeft een wet op de privacy, en is een inbreuk op de privacy echt nodig? Op dit punt lijkt de regering zich iets van onze volhardendheid aan te trekken. Voortaan zal ze bij relevante wetten in de Memorie van Toelichting ingaan op het effect op de privacy. Dat is grote winst, dat betekent een helderder debat en afweging.

Verder drong de Senaat aan op meer regie bij de burger zelf, en ook meer verantwoordelijkheid door de overheid voor een zorgvuldige omgang met persoonsgegevens. Dat laatste vormde nog het grootste conflictpunt. Donner, normaal niet vies van regels en kaders stellen, vond dat hij niet het bedrijfsleven kon dwingen tot maatregelen om de privacy van burgers te garanderen. Het zou het bedrijfsleven te veel geld kosten. Absurd, als je technologie kunt gebruiken om een inbreuk te maken, kun je dat ook om de privacy te beschermen. Als je daar bij het ontwerpen van een systeem al aan denkt, is dat echt niet een rib uit het lijf van het bedrijfsleven.

Ook was Donner niet van plan om veel met horizonbepalingen te gaan werken, wetten dus die na een aantal jaren vanzelf ophouden. Een wet wordt dan alleen verlengd als die noodzakelijk en deugdelijk is gebleken. Hier bleek enige spanning tussen CDA en VVD. In het regeerakkoord en in het kabinetsstandpunt staat het namelijk wél opgenomen. Wij willen dat in de concrete voorstellen terugzien.

De Eerste Kamer heeft het debat in elk geval aangegrepen om het kabinet te voorzien van kaders waarbinnen het de concrete voorstellen gaat uitwerken. Hopelijk voorkomt deze werkwijze een tweede debacle zoals het EPD. Het kabinet hoeft zich een volgende keer niet verrast te tonen bij een tegenstem als wij onze uitgangspunten niet terugzien. Hopelijk gaat de Tweede Kamer zich nu ook meer van de privacy van hun kiezers aantrekken.

Zie hieronder mijn eerste en tweede termijn

Tineke Strik

Tineke Strik

EK

GroenLinks bereidt privacydebat in Eerste Kamer voor

In politiek, april, beleid, blog, burgers, de, debat, donner, eerste, en meer.

Gisteren onderhield de Eerste Kamer zich met minister Donner en staatssecretaris Teeven over de wijze waarop dit kabinet met onze privacy omgaat. De privacy passages in het regeerakkoord waren lichtpuntjes vergeleken met de overige duistere teksten.

Ter voorbereiding van dit debat, organiseerde de privacywerkgroep en ik een bijzonder boeiende expertmeeting in de Eerste Kamer. Binnen GroenLinks is weinig verschil van mening: burgers moeten meer greep op hun eigen data krijgen. Nu nog even het beleid aanpassen. Hieronder mijn inleiding van 29 april. De volgende blog dan het resultaat in de Kamer

zondag, 8 mei 2011

Laura Punt

Laura Punt

Hyves Linkedin Twitter GR

De nieuwe media

Zaterdag 7 mei 2011 in de colomn van Jaap Kiers, statenverslaggever bij de Drentse Staten voor het Dagblad van het Noorden, een stuk over het gebruik van de social media en dan met name twitter. Hij steekt daar de draak met mijn twitter over de aangereden kat en dat in mijn rol als fractievoorzitter van GroenLinks. Nu kan en mag dat gelukkig in een land als Nederland waar wij afgelopen woensdag nog uitgebreid de Dag van de Persvrijheid hebben gevierd. Terecht is de verontwaardiging groot binnen Nederland over de bijdrage van minister Donner en de Wet Openbaarheid van Bestuur, de WOB. Terug naar de colomn van Jaap waarin hij twijfelt of hij wel zal gaan twitteren, omdat hij bang is te snel dingen te twitteren waar hij beter even over had kunnen nadenken. Altijd lastig als je beroep je parten speelt. Zeker als je niet precies weet hoe het social medium twitter werkt. Je kan namelijk altijd een twitter deleten, mensen volgen of blocken als je het niet interessant meer vindt wat ze twitteren. Heel veel journalisten van gerenommeerde nationale en internationale dagbladen zijn Jaap Kiers van het Dagblad al voor gegaan en niet bang hun meningen op twitter te zetten. Maar zoals alles, dringen dit soort “nieuwerwetse” dingen langzaam door in het Noord Nederlandse. Dat heet koudwatervrees. Ook binnen de journalisten van het Dagblad. Maar een troost, Jaap, je bent niet de enige in Assen die twitter “eng” vindt. Het college van Assen twittert ook niet, ondanks de Iphones, met 1 uitzondering: Jaap Kuin heeft weer toestemming gekregen van bestuurscommunicatie om zich afentoe te laten horen op twitter. Chapeau! Gedeputeerde Staten van Drenthe twittert ook niet en inderdaad, Jaap heeft gelijk, ook de meeste Statenleden niet meer. Al betrekkelijk lang zit ik op twitter, in ieder geval al van ver voor de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2010 en de statenverkiezingen van 2011. Ik twitter niet alleen politiek maar ook prive, net als ik een prive blog heb, deze, en een politiekblog op de website van assen.groenlinks.nl Ik zit op facebook, hyves, linkedin, maar niet op msn, er zijn grenzen. Ik heb de whatsapp van de Iphone en ook op mijn Ipad ben ik bereikbaar via de social media groepen. Als ik mensen vraag waarom zij niet op de social media te vinden zijn, krijg ik steevast als antwoord, dat dat komt omdat ik uit het westen kom, opgegroeid in de randstad, een stadsmeisje en dus schijnbaar beter op de hoogte ben van deze mogelijkheden of minder bang! Dat ik slechts tot mijn 18 in Amsterdam en Amstelveen heb gewoond en daarna de periferie van Nederland in ben getrokken met als laatste standplaats, nu 15 jaar, Assen, doet allang niet meer ter zake. Een Iphone en een Ipad zijn natuurlijk wel makkelijk. Als Jaap dan zijn ijsbeerpad gaat lopen om te roken, kan hij dit ook aangeven op twitter. Weten we hem altijd te vinden. Een korte cursus twitter is geen probleem, Jaap. @kovester kan je die geven, @geasmithbults @hermanbeerda @ErikvanEekelen en natuurlijk ondergetekende.


maandag, 25 januari 2010

Heleen de Boer

Heleen de Boer

Twitter GR

Draagvlak

In politiek, donner, eurlings, klink, minister, aow, de, buitenhof, manier.
Met slappe knieën en zonder ruggengraat verklaart Eurlings dat het doorgaan van de kilometerheffing wat hem betreft afhangt van de uitslag van een enquête onder ANWB-leden.

Misschien kan Donner dan het doorgaan van de verhoging van de AOW-leeftijd afhankelijk maken van een enquête onder ANBO-leden?

Hij zei het niet direct in Buitenhof, maar volgens mij vond minister Klink deze nieuwe manier van politiek bedrijven ook lichtelijk bezopen...

Maar goed, toch maar even stemmen (je hoeft geeneens lid te zijn; wel veel vragen beantwoorden...)

vrijdag, 20 november 2009

Paul Pama

Paul Pama

Balkenende for president

In de, de pers, donner, eerste, eu, europese, kamerleden, post.
Met de soap rondom de EU-presidentsverkiezingen wordt eens te meer het bewijs geleverd voor de stelling dat onze Tweede Kamerleden oliedom zijn en onze pers opportunistisch onbetrouwbaar.Minster Donner legde het vandaag nog eens haarfijn uit. Niet Balkende maar de pers heeft gesuggereerd dat JP in de race was voor de post van eerste Europese president. Balkende zelf heeft dit meermalen ontkend;

Aantal berichten op deze pagina: 26. De berichten op deze pagina zijn niet ouder dan 21583 uur (899,3 dagen). Berichtgemiddelde: 0 bericht per dag, 0,2 per week.

Pagina: 1