zondag, 22 april 2012

Simon Otjes

Simon Otjes

Last.fm Twitter

Pragmatisme versus idealisme

In d66, groenlinks, politiek, ppr, psp, pvda, sp.

Ideeënpartijen op zoek naar macht. Is dat een paradox? Zijn idealisme en pragmatisme onverenigbaar? Is dat altijd schipperen tussen twee uitersten? Dit is een permanent debat in GroenLinks. In de provincie Utrecht bijvoorbeeld, GroenLinks zit in het college met ChristenUnie, D66, VVD en CDA. Kan zij vanuit dit college haar linkse programma realiseren? Of moet ze teveel compromissen maken juist op groene onderwerpen als mega-stallen, natuur en verkeer?

Idealen, ambten en stemmen

We kunnen de doelen van politieke partijen bekijken vanuit het perspectief van de Noorse politicoloog Strøm. Hij maakt een onderscheid tussen idealen (policy), ambten (office) en stemmen (votes). Grofweg kan een partij ernaar streven haar programma in de praktijk te brengen. Zulk idealisme maakt het lastig om compromissen te sluiten. Ze kan een baantjesmachine worden. Om minister te worden zul je wat in moeten leveren aan de andere partijen. Partijen kunnen zich ook richten op het vergaren van zoveel mogelijk stemmen. Dit kan vervallen tot het napraten van de kiezer en electoraal opportunisme.

Deze drie doelen hangen samen: een partij heeft bepaalde idealen. Die vertaalt ze naar beloften aan de kiezer. Vanwege die beloften zal een kiezer op de partij stemmen. Alleen als je genoeg stemmen hebt verzameld kan je mee doen met de formatie van een kabinet. En in de regering kan je je idealen in de praktijk brengen.

Getuigenispolitiek

Idealistische politiek zit GroenLinks in de genen. De PSP, een van de vier oprichters van GroenLinks bedreef links-socialistische getuigenispolitiek. Zij wilde geen compromissen sluiten. Zelfs het kabinet Den Uyl, het linkste kabinet uit de Nederlandse geschiedenis was voor de PSP een soort burgemeester in oorlogstijd, die compromissen moest sluiten met de kapitalisten in het parlement, op het beursplein en in Washington. Met deze houding plaatste de PSP zich in de woorden van PPR-politicus De Gaay-Fortman, radicaal buiten spel.

We kennen deze politieke stijl nog steeds: bijvoorbeeld in de PvdD. Die partij hoopt door haar verhaal van duurzaamheid en compassie uit te dragen in de Tweede Kamer de bestaande partijen herinneren aan de goede voornemens in haar verkiezingsprogramma’s. Zelf wil de PvdD geen verantwoordelijkheid dragen. Maar misschien is het meest klassieke voorbeeld van een getuigenispartij nog wel de SGP, dat is voor 2010. In de ruim negentig jaar dat de SGP in de Tweede Kamer zit heeft ze weinig anders gedaan het getuigen van haar orthodox-Gereformeerde verhaal in een langszaam seculariserend land. Maar zelfs deze partij wil nu wel compromissen sluiten met Rutte: steunen wij jullie bezuinigingen, doen jullie niets aan homo-rechten, vrouwenrechten en het zelfgekozen levenseinde.

Populisme

Populisme wordt vaak gelijkgesteld aan het nastreven van zoveel mogelijk steun van de kiezers. En hier zit ook wel een kern van waarheid in. Voor de populisten heeft het volk altijd gelijk. En dat betekent dat Wilders zijn radicaal-rechtse economische programma liet varen toen bleek dat het volk wilde dat de verzorgingsstaat behouden werd. Wilders werd in een nacht van een marktliberale hervormer de kampioen van de verzorgingsstaat. Ook de SP heeft een zekere flexibiliteit getoond, als knieval voor de kiezer: ze schrapte het voorstel om de monarchie af te schaffen uit haar programma, omdat de kiezer van het koningshuis houdt.

Verantwoordelijkheid nemen

De belangrijkste politieke ambten zijn in Nederland te vinden in het kabinet. Partijen nemen daar deel aan de macht. Ze nemen verantwoordelijkheid. Hiervoor moet je in Nederland, consensusland, coalities sluiten met andere partijen: uitruilen, compromissen vinden. Om aan de macht te komen moet een partij dus soms haar stokpaardjes laten varen. De ChristenUnie komt voort uit de orthodox-Christelijke traditie in Nederland. Dit was een partij die zich altijd verzette tegen abortus, euthanasie en het homohuwelijk. Het Paarse kabinet had dit allemaal in wetten had vastgelegd. In 2003 merkte de ChristenUnie dat het met zo’n programma lastig was om aan de macht te komen. Onder haar eigen kiezers waren deze thema’s uitermate belangrijk. In 2006 verlegde de partij de nadruk van abortus en euthanasie naar jeugd en gezin. Dit sloot veel beter aan bij de programma’s van de centrumpartijen.  In 2007 werd Rouvoet vice-premier.

Conflicten tussen doelen

Deze drie doelen staan soms met elkaar op gespannen voet: in de regering is het niet altijd mogelijk om je programma te realiseren. Neem GroenLinks Leiden. Sinds 1986 had GroenLinks zonder onderbreking in het Leidse college gezeten. Ze had heel wat bereikt, maar ook heel wat moeten slikken met name van de VVD, zoals de bebouwing van de laatste groene polder van Leiden. De aanleg van de zoveelste parkeergarage was de druppel die de emmer deed overlopen. Uiteindelijk besloot GroenLinks dat zij beter in de oppositie kon zitten.

Progressief-linkse politici geloven volgens mij in hun hart allemaal in de multiculturele samenleving, Europese samenwerking en ontwikkelingshulp. Alleen sinds Fortuyn is het lastig omdat uit te dragen. In 2000 stond GroenLinks nog op 15 zetels in de peilingen. Toen kwam Fortuyn op. Vanuit het hart ging GroenLinks vol tegen dit anti-immigratiegeluid in. GroenLinks hield tien zetels over in 2002 en ging -electoraal gezien- een lastig decennium in. De PvdA maakte ook een harde smak in 2002. Onder Bos koos de PvdA voor een populistischere lijn. Harder op integratie, Euroskeptischer. Het signaal van de kiezer was begrepen.

Regeren kan ook gevaarlijk zijn voor steun onder de kiezers. Iedere keer dat D66 regeerde heeft ze een electorale crisis doorgemaakt van existentiële grootte. In 1974 hield D66 twee eigen zetels over in alle provinciale staten van Nederland. Ze had drie bewindspersonen in het kabinet Den Uyl. In 1982 hield D66 6 zetels over nadat ze minder dan twee jaar had geregeerd in het twee kabinet Van Agt. In 1994 had 24 zetels. Na vier jaar Paars was dat 14. Na nog vier jaar Paars was dat 7. D66 zette door: ze regeerde ook in het tweede kabinet-Balkenende: drie zetels bleven over in 2006. Sindsdien zeggen ze bij D66: ‘Regeren is halveren.’

Hand in hand

Maar idealen en ambten kunnen ook samengaan. De SDAP was de principiële vooroorlogse voorganger van de PvdA. Op lokaal niveau leerde ze dat ze heel wat kon bereiken. Drees in Den Haag en Wibaut in Amsterdam. Ze maakte de leefomstandigheden van veel mensen beter door sloppewijken opruimen en grote werkgelegenheidsprojecten te beginnen. In die lijn van wethouderssocialisme staat ook Andrée van Es. Als jonge vrouw zat zij in de Tweede Kamer voor de PSP. Ze kreeg welgeteld één motie aangenomen.  Als wethouder van Amsterdam kan ze dagelijks het verschil maken voor Islamitische meisjes en voor illegalen. Het blijft niet alleen bij mooie woorden. In Amsterdam maakt GroenLinks het waar.

En verantwoordelijkheid dragen hoeft niet electoraal desastreus te zijn. De Duitse Groenen wonnen onder Joschka Fischer verkiezingen. Deze minister van Buitenlandse Zaken maakte van de kleine nichepartij een brede partij door te laten zien dat ze verantwoordelijkheid aan konden. In Nederland kennen we het fenomeen premiersbonus: het beste voorbeeld komt uit 1977. Na de val van het vechtkabinet Den Uyl won de PvdA tien zetels met de leus: ‘kies de minister-president.’ De VVD doet het nu zo goed in de peilingen omdat ze met Mark Rutte een herkenbaar boegbeeld hebben. Een politicus die ook in lastige tijden verantwoordelijkheid wil nemen voor de boekhouding.

Idealistische politiek hoeft ook niet in de marges van politiek te blijven. De Renaissance van de Duitse Groenen die we nu zien, komt omdat kiezers de Duitse groenen herkennen als de milieupartij van Duitsland. Haar anti-kernenergieactivisme was na Fukushima een aantrekkelijke eigenschap. De Duitse groenen zijn consistent in hun groene oriëntatie, of het nu electoraal goed ligt of niet: in 1990 vielen de Groenen uit het parlement met de leus iedereen praat over hereniging, wij praten over dat weer.

Maar ook dichterbij zijn er voorbeelden van electoraal succesvolle idealistische politici. Ik denk dan bijvoorbeeld van Paul Smeulders in Brabant. Het verhaal over een diervriendelijke landbouw zit hem diep. Hij voerde in Brabant fel campagne tegen de mega-stallen voor de gezonde landbouw. Hij won -tegen de electorale wind van GroenLinks in- een extra zetel in de staten.

Compromissen sluiten een coalitieland

Natuurlijk moet een regeringspartij compromissen sluiten in een coalitieland. Alleen dan kan je je eigen idealen ook echt realiseren. Je moet goed kiezen op welke onderwerpen je je rug recht houdt en op welke onderwerpen je buigt. Je moet de onderwerpen die voor je eigen kiezers en leden belangrijk zijn niet zo maar opgeven. Als je als groene partij ervoor kiest om de laatste groene polder te bouwen, een de bouw van kolencentrale tolereert, megastallen laat aanleggen, bij milieuschandalen blijft zitten, dan moet je niet verbaasd op kijken als er bij de verkiezingen minder kiezers komen opdagen en ook je vrijwilligers thuis blijven.

vrijdag, 6 april 2012

John Jorna

John Jorna

De toekomst van GroenLinks

DIRIGISME VERSUS LIBERALISME

Van GroenLinks wordt beweerd, dat het een links-liberale partij is. Femke Halsema zou de partij als een liberale partij hebben achtergelaten, toen zij het stokje overdroeg aan Jolande Sap. Is dat nu werkelijk zo? Altijd was er in sociaal-cultureel opzicht een tendens naar vrije opvattingen ten aanzien van waarden en normen. Iedereen moet naar de mening van GroenLinks zelf kunnen bepalen hoe hij zijn leven inricht, welke keuzes hij maakt. Iedereen moet zijn eigen gewetensbeslissingen kunnen nemen en niemand hoort hem of haar tot een bepaalde beslissing te dwingen. Overigens is dat ook bij de christelijke kerken uitgangspunt al kan de sociale druk soms groot zijn. De moderne conservatieve bisschoppen en priesters hebben grote moeite met persoonlijke vrijheid, vooral waar het hun ondergeschikten betreft. Met deze GL opvatting over vrijheid heb ik geen moeite.

Het liberale kan ook in economisch opzicht worden opgevat. GroenLinks wil de arbeidsmarkt hervormen en daarbij vooral het ontslagrecht en de hoogte en de duur van de werkloosheidsuitkering. Uitgangspunt is, dat mensen zo snel mogelijk weer aan het werk moeten, want dat maakt hen zelfstandig en onafhankelijk. Mensen moeten niet jarenlang in een uitkeringssituatie worden opgesloten. Jonge GroenLinksers hechten niet zo aan een vaste baan. Ze hoppen van de ene naar de andere job en gaan steeds beter verdienen. Of dat in de huidige crisissituatie ook nog lukt is maar de vraag. Maar een grotere arbeidsmobiliteit hoeft niet perse te worden afgewezen. Toch hebben veel ouderen moeite met deze liberale arbeidsverhoudingen. Zouden zij zich bij de SP meer thuis voelen?

Er is heel veel mis in ons financieel-economisch systeem. Af en toe krijg ik de indruk, dat oplichting en beroven en plunderen als het maar in het groot door banken en fondsen gebeurt, gewoon is toegestaan. Een fonds koopt een bedrijf, verkoopt de aantrekkelijke onderdelen met veel winst, zadelt het bedrijf op met enorme schulden en laat het leeg geroofde bedrijf dan vallen na veel geld geïncasseerd te hebben. Goede en slechte hypotheken worden bij elkaar gestopt en als zogenaamde aantrekkelijke inkomstenbronnen doorverkocht. Als dan blijkt, dat op veel hypotheken verlies wordt geleden is er niets aan de hand. Maar het is je reinste oplichting en het zou zwaar bestraft moeten worden. Voorraden voedsel of grondstoffen worden opgekocht en tijdelijk uit de markt genomen. Door het krappe aanbod stijgen de prijzen. Consumenten zijn het slachtoffer. Dat heet dan een legale vorm van handel, maar is eerder diefstal te noemen. Er wordt gespeculeerd tegen een land, dat failliet dreigt te gaan en vooral daardoor gaat het failliet en velen vervallen tot bittere armoede. De waarde van aandelen stijgt de ene dag en de volgende dag storten de koersen weer in en zo komen pensioenfondsen in de problemen en dus de gepensioneerden en de premiebetalers. Dat is het moderne economische liberalisme en ik kan mij niet voorstellen, dat GroenLinks of welke partij ook in Nederland daar niets tegen wil doen. Maar zie; er gebeurt vrijwel niets. Van enige discussie binnen de Nederlandse politieke partijen is weinig te merken, ook niet binnen GroenLinks. De macht van het internationale kapitaal lijkt onaantastbaar.

Eigenlijk heeft dit alles te maken met waarden en normen. Als je voor jezelf absolute vrijheid opeist, maak je minder gemakkelijk de keus om samen al die economische narigheid te bestrijden. Je kunt er voor kiezen mee te profiteren. Je zelf duur te verkopen. Tsja, maar dan hoor je eigenlijk niet thuis bij GroenLinks.

Bij al die levensbeschouwelijke zaken eisen wij die vrijheid ook. Onlangs werd in de Partijraad hulp bij een zelfgekozen levenseinde besproken. Daar werd beweerd, dat GroenLinks als liberale partij daarmee weinig moeite zou hebben. Mij stemt het niet tot vreugde, maar zoals bij andere ethisch thema’s als abortus provocatus en euthanasie zou je kunnen zeggen, dat in onze pluriforme maatschappij de mogelijkheid daartoe zou kunnen worden geboden. Zo is ook het “homohuwelijk” mogelijk geworden.  Wat mij nu opvalt is dat bij dergelijke ethisch vraagstukken de voorstanders steeds dogmatischer gaan denken en er steeds grotere moeite mee hebben, dat er ook mensen zijn, die er niet zo blij mee zijn. Dan komen bij deze liberale denkers plotseling zeer dirigistische tendensen naar voren en worden mensen gedwongen niet langer overeenkomstig  hun eigen standpunt te leven en te handelen. Dat is nu liberaal zijn, zolang het in de eigen kraam te pas komt maar tegelijk anderen die vrijheid niet te gunnen. Dat is de worsteling tussen dirigisme en liberalisme. Lastig hè!

Jaargang 5, Nr. 209.

zondag, 11 maart 2012

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Wanneer mag een mens sterven?

(Opinie op Joop.nl, geschreven samen met Linda Voortman)

Afgelopen week vond het plenaire debat plaats over het burgerinitiatief Voltooid Leven. De indieners vragen om het wettelijk mogelijk te maken dat mensen stervenshulp krijgen als ze hun leven voltooid achten. Het is een ingewikkelde kwestie, die uiteindelijk draait om de vraag wanneer een mens mag sterven en wie dat mag bepalen.

Het antwoord begint met de eenvoudige vaststelling dat uiteindelijk alleen de persoon zelf kan beslissen over het eigen leven. Er is immers geen plicht om te leven en deze meest fundamentele keuze kan niemand anders voor je maken. Dat geldt, als je verder doordenkt, niet alleen voor de groep ouder dan 70, die Voltooid Leven noemt. In het initiatief vervagen de grenzen tussen euthanasie en hulp bij zelfdoding en dan is er geen principiële basis voor een leeftijdsgrens.

Maar er speelt natuurlijk meer. Om te beginnen de vraag of het inderdaad gaat om een werkelijke en vrijwillige doodswens. Die vraag zou je ook mogen stellen bij de wens om te leven, maar hier is het nijpender. Mensen mogen zich niet gedwongen voelen voor de dood te kiezen, bijvoorbeeld omdat ze denken dat ze hun kinderen in de weg zitten of omdat ze zich eenzaam voelen. En als we de (medische? sociale?) reden waarom iemand wil sterven kunnen wegnemen, dan heeft dat de voorkeur. Begeleiding vanaf het eerste verzoek tot de laatste adem is dan ook een cruciale voorwaarde.

Het is ook de vraag wie die begeleiding moet geven. Is (willen) sterven eigenlijk wel een medische kwestie? Dat is nog duidelijk bij euthanasie, omdat het daar gaat om ondraaglijk en terminaal lijden. Het is aan artsen om dat vast te stellen, hoe moeilijk dat ook is. Het sterven zelf en de wens daartoe zijn echter geen medische zaken maar existentiële. Dat alleen al is een reden om artsen niet te verplichten mee te werken, maar ook om te zorgen dat mensen met een doodswens wel de begeleiding vinden die ze nodig hebben. Mensen in nood moeten niet van het kastje naar de muur gestuurd worden.

Is het dan een taak voor de geestelijke gezondheidszorg? Psychiaters en psychologen kunnen onderzoeken of zo’n doodswens diepgaand en vrijwillig is. Dat wil nog niet zeggen dat de hele begeleiding daar moet liggen, want dan wordt de doodswens eenzijdig als probleem gedefinieerd. Existentiële wensen en morele vragen zijn nog geen psychische problemen. Misschien zijn hier andere beroepsgroepen nodig, zoals counselors of  geestelijk verzorgers die kunnen begeleiden bij de keuze over leven en dood.

Individu, geen eenling

Toch ontbreekt hier nog een wezenlijke schakel. De mens, ook de mens die dood wil, is geen los atoom maar maakt deel uit van een netwerk met andere mensen, familie, omstanders. Er zijn (problematische) uitzonderingen, maar in principe zijn mensen sociale wezens. Dat betekent dat ook de doodswens geen puur individuele kwestie is. We zijn ook deel van het leven van anderen, spelen een rol in hun leven en dat betekent dat onze keuzes ook anderen aangaan. Zeker deze keuzes. Daarom moet, als het maar enigszins kan, het netwerk van degene die sterven wil bij de begeleiding betrokken worden. Dat wil niet zeggen dat anderen zeggenschap over de keuze krijgen. Vrijwilligheid en de eigen keuze staan voorop. Maar eigen regie is niet hetzelfde als totale autonomie. En – tegen de draad van de huidige cultuur in misschien – autonomie is niet hetzelfde als kwaliteit van leven of menselijke waardigheid. De mens die kiest, is een relationeel mens en dat betekent dat sterven ook een relationele kwestie is.

Daarom gaat het bij het vrijwillige levenseinde vooral om goede zorg. Niet alleen, zoals sommigen denken, omdat slechte zorg de reden zou kunnen zijn voor een doodswens. Natuurlijk moeten we ons als land schamen als dat de reden zou zijn. Maar veel belangrijker is het dat eigen regie en goede zorg hand in hand gaan. Betere zorg draagt bij aan kwaliteit van leven en aan de vrijheid eigen keuzes te maken. Minder bureaucratie, meer aandacht. Minder regels, meer ruimte voor wat het leven én het sterven waardevol kan doen zijn. Bij de meest fundamentele levensvragen verdienen mensen goede zorg.

Ook als de zorg optimaal zou zijn, en ook als er volop aandacht is voor het sociale netwerk waarin mensen leven, zijn er mensen die kiezen voor een einde aan hun leven. Dat vraagt goede begeleiding om de vrijwilligheid en menswaardigheid te waarborgen. Uiteindelijk kan niemand anders die keuze maken dan de persoon zelf. Eigen regie geldt ook bij het sterven. De samenleving moet niet die keuze onmogelijk maken, maar bij die ultieme keuze goede zorg bieden. Alles is beter dan mensen alleen te laten op de eenzame en pijnlijke weg van ophanging of vergiftiging.

Wanneer mag een mens sterven? Het complexe antwoord op die vraag moet recht doen aan de keuzevrijheid van mensen, aan de zorg voor hen en hun omgeving, en aan de zorgvuldigheid in de begeleiding: medisch, psychologisch, existentieel. GroenLinks kiest voor goede zorg, en een vrijwillig levenseinde kan daar deel van uitmaken. Van het huidige kabinet kunnen we geen stappen in deze tegelijk liberale én sociale richting verwachten. Laten we dan in elk geval deze tijd gebruiken om de behoeften en afwegingen goed te onderzoeken.


Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Wanneer mag een mens sterven?

In politiek, keuzes, keuzevrijheid, kinderen, lijden, muur, autonomie, cultuur, debat, en meer.

(Opinie op Joop.nl, geschreven samen met Linda Voortman)

Afgelopen week vond het plenaire debat plaats over het burgerinitiatief Voltooid Leven. De indieners vragen om het wettelijk mogelijk te maken dat mensen stervenshulp krijgen als ze hun leven voltooid achten. Het is een ingewikkelde kwestie, die uiteindelijk draait om de vraag wanneer een mens mag sterven en wie dat mag bepalen.

Het antwoord begint met de eenvoudige vaststelling dat uiteindelijk alleen de persoon zelf kan beslissen over het eigen leven. Er is immers geen plicht om te leven en deze meest fundamentele keuze kan niemand anders voor je maken. Dat geldt, als je verder doordenkt, niet alleen voor de groep ouder dan 70, die Voltooid Leven noemt. In het initiatief vervagen de grenzen tussen euthanasie en hulp bij zelfdoding en dan is er geen principiële basis voor een leeftijdsgrens.

Maar er speelt natuurlijk meer. Om te beginnen de vraag of het inderdaad gaat om een werkelijke en vrijwillige doodswens. Die vraag zou je ook mogen stellen bij de wens om te leven, maar hier is het nijpender. Mensen mogen zich niet gedwongen voelen voor de dood te kiezen, bijvoorbeeld omdat ze denken dat ze hun kinderen in de weg zitten of omdat ze zich eenzaam voelen. En als we de (medische? sociale?) reden waarom iemand wil sterven kunnen wegnemen, dan heeft dat de voorkeur. Begeleiding vanaf het eerste verzoek tot de laatste adem is dan ook een cruciale voorwaarde.

Het is ook de vraag wie die begeleiding moet geven. Is (willen) sterven eigenlijk wel een medische kwestie? Dat is nog duidelijk bij euthanasie, omdat het daar gaat om ondraaglijk en terminaal lijden. Het is aan artsen om dat vast te stellen, hoe moeilijk dat ook is. Het sterven zelf en de wens daartoe zijn echter geen medische zaken maar existentiële. Dat alleen al is een reden om artsen niet te verplichten mee te werken, maar ook om te zorgen dat mensen met een doodswens wel de begeleiding vinden die ze nodig hebben. Mensen in nood moeten niet van het kastje naar de muur gestuurd worden.

Is het dan een taak voor de geestelijke gezondheidszorg? Psychiaters en psychologen kunnen onderzoeken of zo’n doodswens diepgaand en vrijwillig is. Dat wil nog niet zeggen dat de hele begeleiding daar moet liggen, want dan wordt de doodswens eenzijdig als probleem gedefinieerd. Existentiële wensen en morele vragen zijn nog geen psychische problemen. Misschien zijn hier andere beroepsgroepen nodig, zoals counselors of  geestelijk verzorgers die kunnen begeleiden bij de keuze over leven en dood.

Individu, geen eenling

Toch ontbreekt hier nog een wezenlijke schakel. De mens, ook de mens die dood wil, is geen los atoom maar maakt deel uit van een netwerk met andere mensen, familie, omstanders. Er zijn (problematische) uitzonderingen, maar in principe zijn mensen sociale wezens. Dat betekent dat ook de doodswens geen puur individuele kwestie is. We zijn ook deel van het leven van anderen, spelen een rol in hun leven en dat betekent dat onze keuzes ook anderen aangaan. Zeker deze keuzes. Daarom moet, als het maar enigszins kan, het netwerk van degene die sterven wil bij de begeleiding betrokken worden. Dat wil niet zeggen dat anderen zeggenschap over de keuze krijgen. Vrijwilligheid en de eigen keuze staan voorop. Maar eigen regie is niet hetzelfde als totale autonomie. En – tegen de draad van de huidige cultuur in misschien – autonomie is niet hetzelfde als kwaliteit van leven of menselijke waardigheid. De mens die kiest, is een relationeel mens en dat betekent dat sterven ook een relationele kwestie is.

Daarom gaat het bij het vrijwillige levenseinde vooral om goede zorg. Niet alleen, zoals sommigen denken, omdat slechte zorg de reden zou kunnen zijn voor een doodswens. Natuurlijk moeten we ons als land schamen als dat de reden zou zijn. Maar veel belangrijker is het dat eigen regie en goede zorg hand in hand gaan. Betere zorg draagt bij aan kwaliteit van leven en aan de vrijheid eigen keuzes te maken. Minder bureaucratie, meer aandacht. Minder regels, meer ruimte voor wat het leven én het sterven waardevol kan doen zijn. Bij de meest fundamentele levensvragen verdienen mensen goede zorg.

Ook als de zorg optimaal zou zijn, en ook als er volop aandacht is voor het sociale netwerk waarin mensen leven, zijn er mensen die kiezen voor een einde aan hun leven. Dat vraagt goede begeleiding om de vrijwilligheid en menswaardigheid te waarborgen. Uiteindelijk kan niemand anders die keuze maken dan de persoon zelf. Eigen regie geldt ook bij het sterven. De samenleving moet niet die keuze onmogelijk maken, maar bij die ultieme keuze goede zorg bieden. Alles is beter dan mensen alleen te laten op de eenzame en pijnlijke weg van ophanging of vergiftiging.

Wanneer mag een mens sterven? Het complexe antwoord op die vraag moet recht doen aan de keuzevrijheid van mensen, aan de zorg voor hen en hun omgeving, en aan de zorgvuldigheid in de begeleiding: medisch, psychologisch, existentieel. GroenLinks kiest voor goede zorg, en een vrijwillig levenseinde kan daar deel van uitmaken. Van het huidige kabinet kunnen we geen stappen in deze tegelijk liberale én sociale richting verwachten. Laten we dan in elk geval deze tijd gebruiken om de behoeften en afwegingen goed te onderzoeken.


donderdag, 8 maart 2012

Simon Otjes

Simon Otjes

Last.fm Twitter

Het einde van de autoriteit

In liberalisme, populisme, abortus, euthanasie, god, klimaat, lichaam, links, macht, en meer.

De fouten van klimaatwetenschappers bij het IPCC worden breed uitgemeten in de Tweede Kamer. Progressieve politici worden bij GeenStijl voor gek gezet. Als een rechter iemand vrij spreekt vanwege vormfouten volgen dikke koppen in de Telegraaf. Rechts valt steeds vaker autoriteiten aan, omdat deze te links zouden zijn.

Nog geen veertig jaar geleden was het andersom: toen was het links die met veel enthousiasme begon te zagen aan de poten van traditionele rechtse autoriteiten, zoals de kerk, het koningshuis, het leger. Tot midden jaren ’60 stonden de leraar en de arts  in het dorp op de sokkel. Het land werd bestuurd door staatslieden, geadviseerd door professoren, bisschoppen en vakbondsleiders. De jaren ’70 vormden anti-autoritaire revolutie. Een nieuwe generatie geloofde niet meer in de autoriteit van de oude instituties. Nu zien we die periode als een van bevrijding en emancipatie: ze vormde het einde van knellende verbanden. Vrouwen hoefden niet meer naar de dominee te luisteren, maar mochten zelf beslissen over hun eigen lichaam.

In de jaren ’00 ontstond een nieuwe anti-autoritaire revolte, in de vorm van het populisme. Veel van de anti-autoritaire progressieven hadden zelf de lange mars door de instituties gemaakt en waren nu autoriteiten in their own right geworden. Rechts-populisten vielen deze nieuwe autoriteiten aan: in de politiek, bij de publieke omroep en in de rechterlijke macht. Maar ook andere maatschappelijke autoriteiten kwamen onder aanval: de wetenschap in het bijzonder.

Het is een wonderlijke ontwikkeling: in de jaren ’50 waren alle autoriteiten nog onbetwijfeld. Links wilde af van de autoriteiten die in de weg stonden van hun visie op een eerlijker en vrijer land. En nu trekt populistisch rechts de laatste linkse autoriteiten van hun sokkel. Welke autoriteit blijft erover?

Het is voor weldenkende linkse mensen schokkend om te zien hoe rechts de autoriteit van onze argumenten in twijfel trekt: het is wetenschappelijk bewezen dat het klimaat verandert omdat we teveel koolstofdioxide produceren. Nederland wordt veiliger en harder straffen heeft geen zin: law & order politiek slaat dus nergens op. Het is frusterend dat zulke feiten er niet meer te doen, omdat rechts steeds minder in feitelijke politiek gelooft.

Maar bedenk eens hoe het is geweest voor een predikant om te zien dat zijn kerk leegliep omdat niemand meer in zijn argumenten geloofde. Abortus en euthanasie zijn overal geaccepteerd, terwijl dat recht tegen het vijfde gebod in gaat. Natuurlijk, ik vind het als linkse atheist veel minder erg dat mensen niet meer in God geloven, dan dat ze niet in de wetenschap geloven, maar helaas dat is de maatschappelijke realiteit.

Het is onderdeel van de vrije samenleving die in de jaren ’70 werd gevormd, dat er aan autoriteit getwijfeld kan worden. Als links het recht wil om aan rechtse autoriteiten te twijfelen, zal ze moeten accepteren dat rechts aan haar autoriteiten zal twijfelen. Het heeft geen zin om terug te verlangen naar een tijd waar professoren en rechters nog als onbetwijfelbare autoriteiten golden: er zijn eeuwenlang autoriteiten geweest die geloofden dat homoseksualiteit fout was en vrouwen inferieur. Dat linkse autoriteiten niet meer worden vertrouwd is, in mijn ogen, de prijs die we betalen om ervoor te zorgen dat rechtse autoriteiten ook niet meer klakkeloos worden geloofd.

vrijdag, 2 maart 2012

Selçuk Akinci

Selçuk Akinci

Twitter Youtube GR

Babymoord

In opinie en commentaar, abortus, baby, ethiek, euthanasie, kinderen, de, de wereld, dragen, en meer.



Waar blijft de morele verontwaardiging? Ik vraag het me al twee dagen af. Maar het is rustig op twitter en op de opiniepagina;’s van de kranten. En dat vind ik verontrustend. Als twee ethici in een artikel naar voren brengen dat postnatale abortus zou kunnen worden toegestaan, verwacht ik een spontane uitbraak van volkswalging.

In het artikel ‘After-birth abortion: why should the baby live?’ schrijven  bio-ethicus Alberto Giubilini en ethicus Francesca Minerva kort gezegd dat er geen noemenswaardig moreel verschil zit in het aborteren van een foetus en  een pasgeboren baby. In beide gevallen gaat het om potentieel leven, zo stellen de acteurs, maar nog niet om een volwaardig persoon. Die volwaardigheid koppelen ze aan zelfbewustzijn. Wie niet zelfbewust is, is geen ‘echte persoon’.

Het artikel begint met een situatieschets waarin een ernstig defect, een ziekte, pas na de geboorte wordt geconstateerd. Was deze constatering eerder gedaan, stellen de schrijvers, had gekozen kunnen worden voor een abortus. Waarom zou, wanneer de ‘verborgen gebreken’ pas na de geboorte geconstateerd worden, niet alsnog tot postnatale abortus overgegaan kunnen worden? Nu is deze vraag an sich nog legitiem, al zou ik het dilemma eerder willen scharen onder euthanasie.

Het artikel wordt onsmakelijk, wanneer de schrijvers andere redenen opsommen die mensen kunnen hebben voor het plegen van abortus. Bijvoorbeeld wanneer het syndroom van Down wordt geconstateerd. Ook al kunnen kinderen met een dergelijke handicap zeer gelukkig leven in het verschiet hebben, vormt de opvoeding van deze kinderen een zware last voor de ouders en de samenleving die de economische kosten moet dragen, zo schrijven de auteurs.

Om vervolgens zelfs te claimen dat zelfs zonder dat er sprake is van een handicap, postnatale abortus mogelijk moet zijn. Immers, zo claimen zij, de status van de pasgeboren baby is gelijk aan die van een foetus, er is sprake van potentieel persoon, niet een echt persoon. En aangezien een pasgeboren baby ook geen toekomstambities heeft, is er in feite ook niemand beknot in zijn ontwikkelingsmogelijkheden.

Wat de schrijvers in feite doen is het creëren van een onderscheid tussen de waarde van kinderen en volwassenen enerzijds, en baby’s anderzijds. Baby’s zijn minder waard en mogen dus worden vermoord, wanneer zij een te zware last worden voor de ouders. Letterlijk schrijven ze: het veronderstelde recht van individuen zoals foetussen en pasgeborenen om hun potentieel te bereiken, is ondergeschikt aan de belangen van echte mensen. Het belang van echte mensen kan worden bedreigd door een nieuw kind, zelfs wanneer het kerngezond is, omdat het energie, geld en zorg nodig heeft. Dit maakt levensbeëindiging van een pasgeboren baby legitiem.

Wat bij het lezen het meest in het oog springt, is de onnauwkeurigheid waarmee de centrale stelkling wordt onderbouwd. In tegenstelling tot wat de auteurs als uitgangspunt nemen, is er nergens in de wereld regelgeving waarin abortus gedurende de gehele draagperiode van negen maanden is toegestaan. Zelfs in één van de meest liberale landen op dit punt, Nederland, geldt dat dit tot maximaal 24 weken in de zwangerschap is toegestaan. Deze grens is gebaseerd op het moment waarop de foetus buiten de baarmoeder levensvatbaar is. De waarde van het leven wordt dus niet gekoppeld aan de aanwezigheid van zelfbewustzijn of het kunnen hebben van een eigen ambitie, maar op levensvatbaarheid. Aangezien een pasgeborene ook levensvatbaar is, zou een vergelijking van een pasgeborene met een levensvatbare foetus dus opleveren dat in beide gevallen levensbeëindiging onacceptabel is.

Maar het is uiteindelijk niet eens deze onzorgvuldigheid in de redeneertrant van de wetenschappers die een intense en diepgrondige walging bij me oproept. Het is uiteindelijk vooral de laconieke manier waarop gedacht en geschreven wordt over de waarde van het leven die ik abject vind. En ondertussen vraag ik me af waar de maatschappelijke verontwaardiging blijft. De collectieve afkeer. De massale walging.


dinsdag, 13 december 2011

Ashley North

Ashley North

Hyves DWARS

Een vrijwillig levenseinde?

In groenlinks, hulp bij zelfdoding, sociaal, zorg, euthanasie, vrijwillig levenseinde, belangrijk, burgerinitiatief, de, en meer.

Aanstaande zaterdag, 17 december, komt de Partijraad van GroenLinks bijeen over de onderwerpen euthanasie en hulp bij een vrijwillig levenseinde. Centraal staat het burgerinitiatief van Uit Vrije Wil. Dit is een verbond dat strijdt voor een waardig zelfgekozen levenseinde van ouderen met een voltooid leven. Kijk voor het volledige burgerinitiatief op de site van de initiatiefnemers. De vraag die aan de partijraad van GroenLinks voorligt is of de Kamerfractie al dan niet steun moet geven aan het initiatief. Ongeveer 80 leden van de partij buigen zich over deze kwestie.

De Partijraad maakt een fout die vaak voorkomt: euthanasie en hulp bij een vrijwillig levenseinde als synoniemen van elkaar beschouwen. De medische wereld maakt echter een duidelijk onderscheid tussen beide handelingen. Het is belangrijk dat onderscheid helder te hebben. Euthanasie is de hulp bij zelfdoding van hevig lijdende, ongeneeslijk zieke mensen. Hulp bij een vrijwillig levenseinde betreft daarentegen de hulp bij zelfdoding van gezonde mensen die om persoonlijke redenen een einde aan hun leven willen maken. Een andere vergissing die gemakkelijk in ons progressieve kamp gemaakt wordt, is dat er overwegend vanuit het perspectief van de patiënt wordt geredeneerd. De positie van de arts is vaak onderbelicht. Hieronder zullen wij dieper ingaan op de beide hier aangesneden kwesties.

Euthanasie hulp bij vrijwillig levenseinde

Het onderscheid tussen euthanasie en hulp bij een vrijwillig levenseinde moet gemaakt blijven worden. Het gaat hier om twee wezenlijk verschillende aangelegenheden. Te beginnen met euthanasie. Zoals we hierboven al aangaven gaat het hierbij om medische hulp bij zelfdoding van ongeneeslijk zieke mensen die ernstig lijden. Daarnaast moet de patiënt een duurzame wens tot sterven hebben, die door twee artsen beoordeeld wordt. Als aan alle zorgvuldigheidseisen wordt voldaan kan de arts overgaan tot euthanasie. Nadat hij de euthanasiezaak heeft voorgebracht bij de Toetsingscommissie, kan hij met zuiver handelen niet vervolgd worden. Dit gebeurt dan ook praktisch nooit. Euthanasie is dan ook een grote verworvenheid. Mensen die ondraaglijk lijden moeten met behulp van medische expertise hieruit verlost kunnen worden.

Hulp bij een vrijwillig levenseinde betreft echter het leven beëindigen van fysiek gezonde mensen. Het gaat hierbij veelal om ouderen die hun leven als voltooid beschouwen of om mensen die aan depressies lijden. Op wetenschappelijk niveau is er nog veel discussie over de vraag of mensen met een doodswens psychisch gezond kunnen zijn. Deze discussie betreft met name het geval van depressieve personen. Een kernsymptoom van depressie is namelijk geen zin meer in het leven hebben. Zeker in deze gevallen is het dus moeilijk om te bepalen of iemand voor zichzelf “het leven voltooid heeft” of dat er sprake is van een behandelbare depressie. Het is zodoende van groot belang dat bij deze vrijwillig levenseinde-zaken de behandelingsmogelijkheden nauwkeurig in acht worden genomen. Blijkt het inderdaad een psychische ziekte te zijn die bovendien onbehandelbaar is, dan is euthanasie een optie. Let wel, hierbij is er dus sprake van hevig lijden en een ongeneeslijke ziekte, waardoor dergelijke zaken niet als hulp bij een vrijwillig levenseinde gelden, maar voor de wet als euthanasie.

En dat is precies het belangrijke onderscheid. Het is van grote betekenis dat zowel de Partijraad als de fractie van GroenLinks het onderscheid tussen euthanasie en hulp bij een vrijwillig levenseinde goed maken. Hulp bij zelfdoding impliceert namelijk altijd dat er derden actief betrokken zijn bij de dood van degene met een doodswens. Voor deze hulpverleners is het belangrijk dat ze goed beschermd worden door de wet en dat ze niet gedwongen kunnen worden tot de hulp bij de dood van een persoon waar zij in die specifieke casus niet persoonlijk ten volle achterstaan.

Het perspectief van de arts

Dat brengt ons bij het perspectief van de arts. Dit is immers de aangewezen persoon tot het uitvoeren van euthanasie en eventuele hulp bij een vrijwillig levenseinde. De discussies over de twee onderwerpen in kwestie worden vaak gevoerd vanuit het perspectief van de patiënt. Welke rechten heeft deze en hoe moeten die invulling gegeven worden? De vragen over wat hulp bij zelfdoding met de arts doet en hoe artsen tegenover verdere versoepeling van de wetgeving staan komen daarentegen veel minder vaak aan bod.

Vooropgesteld, natuurlijk zijn er voldoende artsen die weinig morele druk ondervinden bij het uitvoeren van euthanasie en hulp bij zelfdoding. Voor veel van hun collega’s drukken deze zaken zwaarder op het geweten. Zij willen er 100% zeker van zijn dat ze voor zichzelf kunnen verantwoorden dat ze per specifiek geval al dan niet bijdragen aan de hulp bij zelfdoding. Kortaf gezegd is de arts namelijk wel medeplichtig aan de dood van een medemens. De strafbaarstelling van euthanasie en hulp bij een vrijwillig levenseinde geldt dan ook voor veel medici als een stok achter de deur en geeft hen innerlijke rust. Als een arts nu namelijk voor zichzelf niet de medewerking bij de doodswens van een persoon kan verantwoorden, kan hij tegen bijvoorbeeld een druk zettende familie van de patiënt het volgende argument aandragen: “Als ik overga tot medewerking, pleeg ik wel een strafbaar feit”. Veel artsen biedt deze huidige uitweg gewetensrust. Op het moment dat hulp bij een vrijwillig levenseinde wordt gelegaliseerd kunnen artsen niet meer onder medewerking uit.

Dat blijkt namelijk uit de mogelijkheden die er zijn om hulp bij een vrijwillig levenseinde toe te passen. De eerste mogelijkheid is dat de arts de persoon in kwestie ‘een spuitje geeft’. Dit is uiterst onwenselijk, omdat de uiteindelijke beslissende daad tot levenseinde, zoals in de regel ook bij euthanasie het geval is, het beste bij de persoon zelf kan liggen. Dat is dan ook de tweede mogelijkheid: toezicht van de middelen verstrekkende arts bij de zelf uitgevoerde zelfdoding van de persoon. Dit is van groot belang. Lang niet altijd is de eerste dosering voldoende en moet de arts met een extra dosering bijspringen om de dood daadwerkelijk te doen intreden. In deze beide gevallen is de arts dus actief betrokken bij de doding van een ander persoon. Hij kan er niet onderuit, tenzij een arts niet meer de aangewezen persoon is om hulp bij een vrijwillig levenseinde te verlenen.

In dat geval dienen zich twee nieuwe opties aan: artsen verstrekken alleen de medische middelen, om de zelfdoding vervolgens zonder toezicht door de persoon in kwestie zelf uit te laten voeren of de arts geeft slechts advies over hoe de persoon op een relatief ‘goede’ wijze zelfdoding kan uitvoeren. Beide zijn echter geen wenselijke situaties, doordat de kans op mislukking van de zelfdoding groot is, wat dramatische gevolgen voor de persoon en diens familie heeft. Deze mogelijkheden uitgesloten, blijft het dus zo dat bij hulp bij een vrijwillig levenseinde de arts altijd zijn verantwoordelijkheid moet nemen, of hij nou voor zichzelf ethisch kan verantwoorden of niet.

Conclusie

De vraag is dus gerezen of hulp bij een vrijwillig levenseinde daadwerkelijk gelegaliseerd moet worden of dat het net als euthanasie in het wetboek van strafrecht moet komen. In dat laatste geval wordt het via de gedoogconstructie dus wel degelijk mogelijk gemaakt, maar kan de arts voor zichzelf uitmaken of hij medewerking aan het levenseinde wil verlenen. Hij kan zich dan namelijk nog altijd beroepen op het gegeven dat hij niet verplicht is tot de uitvoering van een strafbaar feit.

Al met al blijkt de discussie over hulp bij een vrijwillig levenseinde en eventuele overname van de oproep van Uit Vrije Wil een zeer complexe te zijn. Wij zijn dan ook erg blij dat de Partijraad van GroenLinks zich uitgebreid wil buigen over dit onderwerp en gedegen tot een bepaald standpunt zal komen. Dit artikel schrijven wij om in die discussie de Partijraad op het hart te drukken met de hierboven aangehaalde aspecten rekening te houden bij de opinievorming. In het kort achtereenvolgens nogmaals:

  • euthanasie is niet hetzelfde als hulp bij een vrijwillig levenseinde

  • hulp bij een vrijwillig levenseinde betreft gezonde mensen

  • het perspectief van de arts is even belangrijk in de discussie over hulp bij een vrijwillig levenseinde als die van de hulpvragende.

Wij wensen de Partijraad komende zaterdag veel succes met het vormen van een standpunt en hebben vertrouwen in een goed resultaat.

Dit artikel is geschreven door Ashley North (politiek secretaris Sociaal en vicevoorzitter politiek) en Anne Zeven (voorzitter subcommissie Zorg) van DWARS, GroenLinkse jongeren.


woensdag, 16 november 2011

Rob Alberts

Rob Alberts

en toen

In , euthanasie, recht, ruzie, tweede kamer, tweede, wens, de, leven, en meer.
 En toen.Een griepje gaat over, een ruzie kan bijgelegd worden. Binnenkort wordt in de Tweede Kamer gesproken over Euthanasie. Als dit onderwerp ter spake komt wens ik iedereen in moeilijke situaties zelf het recht toe om de juiste beslissing te nemen. Maar doordenkend kom ik er voor mijzelf nooit uit. Hoe moet ik de details beschrijven zodat anderen weten dat ik niet verder wil leven. Kan ik nu a...

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Nogmaals de weigerambtenaar

In religie en politiek, homoseksualiteit, tolerantie, ambtenaren, boodschap, burgers, commissie, debat, emancipatie, en meer.

Toch nog onverwachts stemde de Tweede Kamer in met de motie van Ineke van Gent die het kabinet oproept met een wettelijke regeling een einde te maken aan het fenomeen van de weigerambtenaar. Ik ben daar – alles afwegend – blij mee, maar uit de kritische reacties blijkt dat niet iedereen dat zo ziet. Is het niet juist tolerant om te accepteren dat er ook mensen zijn die hier anders over denken? Misschien zelfs een vorm van emancipatie, zoals de minister zei? Is het niet voldoende om het pragmatisch te regelen zodat elk trouwlustig stel aan de bak kan, ook als sommige ambtenaren niet elk stel willen trouwen? Hoeveel ruimte is er nog voor gewetensbezwaren van mensen en religieuze minderheden? Is dit niet de zoveelste uitwas van seculiere gelijkhebberij die de oprechte overtuigingen van gelovigen aantast?

Ik snap de gevoeligheden, maar bij mij valt de afweging anders uit. Ik heb in een eerdere blog al eens geschreven dat het wezenlijke probleem volgens mij ergens anders ligt, namelijk bij het feit dat we de ambtenaar van de burgerlijke stand een rituele rol hebben toegedicht die niet past. Als we het burgerlijk huwelijk van deze rituele extraatjes ontdoen, zullen ambtenaren ook niet zo gauw last van hun geweten krijgen. In verschillende kranten las ik vergelijkbare pleidooien, onder meer van Tom Mikkers (Volkskrant) en Marco Derks (Nederlands Dagblad).

Ik zie dat echter niet zo gauw gebeuren en daarom ligt de vraag naar de positie van de weigerambtenaar nog vol op tafel. Het is hoe dan ook goed dat daar duidelijkheid over komt, en volgens mij kan die duidelijkheid alleen maar inhouden dat er uiteindelijk geen ruimte is voor weigerambtenaren. Ik zal uitleggen waarom.

1. Het principe moet hoe dan ook zijn dat ambtenaren uitvoerders zijn van overheidsbeleid en bewakers van de wet. Alleen in uitzonderingssituaties kan er ruimte worden gemaakt om daarvan af te wijken. Die afwijking kan wel betekenen dat iemand bepaalde taken niet uitvoert, maar niet dat iemand bepaalde wetten overtreedt. Het is dus de vraag welk van de twee hier aan de orde is.

2. Niet elk beroep op gewetensbezwaren wordt gehonoreerd. Het moet bijvoorbeeld praktisch op te vangen zijn in de organisatie en het moet aansluiten bij een traditie. Dat is hier allebei wel het geval, dus in die zin is een beroep op gewetensbezwaren op zich terecht.

3. Het grote probleem met weigerambtenaren is echter niet dat ze een bepaalde taak niet willen uitvoeren, maar dat ze dat voor bepaalde burgers wel en voor andere burgers niet willen doen. Dat is fundamenteel anders dan bij andere gewetensbezwaren. Een brugwachter die niet op zondag wil werken, lijkt mij geen probleem. Onaanvaardbaar is een brugwachter die voor sommige schepen op zondag de brug wel bedient en voor andere niet. Een arts die geen euthanasie wil plegen, kan ik begrijpen. Onacceptabel is een arts die dat (in vergelijkbare situaties) wel wil doen bij sommige patiënten maar niet bij anderen.

4. Wij hebben in Nederland niet twee soorten huwelijk, waarbij je voorstander kunt zijn van het ene en tegenstander van het andere. Er is maar één huwelijk en dat is opengesteld voor MV-, MM- en VV-stellen. Daar kan een ambtenaar niet willekeurig in shoppen. Bij het uitvoeren van de wet maakt de ambtenaar geen onderscheid tussen burgers. Doet hij of zij dat wel, dan is dat onwettig.

5. Het argument dat elke homo toch wel kan trouwen, klopt maar is niet overtuigend. Waar elk heterostel een ambtenaar naar keuze kan uitzoeken, daar moet een homokoppel rekening houden met de mogelijkheid dat de gekozen ambtenaar hen niet wil. De boodschap is dat de gemeente een dergelijk onwettig onderscheid accepteert en kennelijk het ene huwelijk toch anders vindt dan het andere huwelijk. Op het gevaar af dat de vergelijking mank gaat: Tot de jaren zestig mochten zwarten gewoon met de bus in Amerika, maar dan wel achterin…

6. De rechten van huwelijksambtenaren worden volgens mij niet wezenlijk geschonden. Er is geen recht op het zijn van trouwambtenaar. Wie bezwaar heeft tegen een gelijkgeslachtelijk huwelijk, kan op allerlei andere plaatsen in de ambtenarij werken. Overigens zijn veel trouwambtenaar BABS, buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand, en dus externe freelancers. Dat betekent dat er helemaal geen arbeidsrechtelijk probleem is.

7. Ook als de overheid zelf de wet neutraal uitvoert en alle ambtenaren alle huwelijken gelijk behandelen (dus: ook als er geen weigerambtenaren meer zijn), is er nog volop ruimte voor pluraliteit. Iedereen mag in principe buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand worden. Of men nu christen of atheïst, liberaal of conservatief, homo of hetero. Niemand wordt gediscrimineerd, maar ook niemand mag – in die functie – zelf discrimineren.

En met die overwegingen kom ik tot de conclusie dat het goed is dat de regering moet komen met een wettelijke regeling die een einde maakt aan het fenomeen van de weigerambtenaar. Bij de openstelling van het huwelijk in April 2001 is ruimte gelaten voor ambtenaren met gewetensbezwaren. Dat vond ik voor dat moment een goede keuze, ook al was en is het een vreemd compromis (om de redenen hierboven). Het is niet vreemd om dat na tien jaar te heroverwegen, en dat is precies de oproep tot meer duidelijkheid geweest van de Commissie Gelijke Behandeling in 2008.

Misschien is er een overgangsregeling nodig voor zittende ambtenaren, maar het aanstellen van nieuwe ambtenbaren met gewetensbezwaren lijkt mij in elk geval niet kunnen. Ik heb er geen probleem mee dat mensen moeite hebben met homoseksualiteit. Ik vind het prima als ze een huwelijk tussen twee mannen of twee vrouwen geen echt huwelijk vinden. Ik ga daar graag het debat over aan, maar zal ook verdedigen dat mensen deze overtuiging mogen hebben. Maar juist in een plurale samenleving mag de overheid niet zelf – via haar ambtenaren – onderscheid maken tussen burgers.

En verder herhaal ik mijn pleidooi om het burgerlijk huwelijk te deritualiseren en de verdere ceremonie aan de rituele markt over te laten. De hedendaagse BABS-en kunnen zich daar met dezelfde overgave en voldoening beschikbaar stellen voor een mooie trouwdag, maar dan niet namens de overheid. Als een van hen dan geen homo’s, hetero’s, of roodharigen wil bedienen, heb ik daar veel minder moeite mee dan wanneer ze dat doen als dienaar van de overheid.


woensdag, 9 november 2011

Theo Brand

Theo Brand

Waar staat D66 eigenlijk voor?

In duurzaamheid, gerechtigheid, politiek, coalitie, d66, groenlinks, klimaat, pvda, sp, en meer.

D66 doet het goed in de peilingen. En als ik Joop-opiniemaker Kisten Verdel mag geloven, zijn de  D66-congresgangers een stuk jonger dan die van de PvdA. ‘De PvdA moet kiezen’, zegt ze. Maar waar de sociaal-democraten nou precies tussen moeten kiezen, blijft in haar betoog volstrekt in de lucht hangen. En waar kiest D66 eigenlijk voor? De trendy partij kiest voor het politieke midden en daarmee de macht als het ultieme doel.

Met kwesties als abortus, euthanasie en weigerambtenaren is het duidelijk. Je weet waar D66 voor staat. Maar hoe we in ons land de publieke sector overeind kunnen houden, hoe we de groeiende kloof tussen rijk en arm aanpakken en de vrije markteconomie in duurzame en sociale banen kunnen leiden? Over deze kwesties vind ik dat D66 sinds haar oprichting verschillende kanten opwaait en alles behalve klare wijn schenkt.

Genuanceerd zijn en pragmatisch denken, zo heet het dan. Natuurlijk is het goed om niet gevangen te blijven in oude linkse reflexen. Zo kan flexibilisering van de arbeidsmarkt kansen bieden aan mensen die nu nog outsider zijn. Het Rijnlandmodel en de vakbeweging kunnen best een opfrisbeurt gebruiken door elementen uit het Scandinavische model over te nemen. Maar let wel op. Voordat je het weet belanden we in een situatie waarin werknemers minder invloed uitoefenen en waarin het kapitaal zich steeds minder aantrekt van de factor arbeid: de mensen die tegen een geringe vergoeding de handen uit de mouwen steken.

Wie de politieke geschiedenis kent, weet dat D66 even makkelijk met CDA en VVD kan gaan regeren als met de PvdA. En waren de paarse kabinetten waar D66 zo mee in zijn nopjes was, niet de regeringen bij uitstek die het economisch neoliberalisme in een stroomversnelling brachten? Binnen de PvdA kijkt men op deze periode inmiddels al wat kritischer terug, maar of dat binnen D66 ooit het geval zal zijn?

Op 15 november overhandigt het Platform Duurzame en Sociale Economie met tal van deskundigen in perscentrum Nieuwspoort een plan aan de partijleiders van PvdA, SP, GroenLinks en ChristenUnie. Maar waar is Alexander Pechtold bij de overhandiging van dit fundamentele plan? Stelt hij die dag andere prioriteiten? Of hebben de initiatiefnemers zo weinig vertrouwen in een consistente visie van D66 dat ze hem niet hebben uitgenodigd?   

In het geseculariseerde Nederland van deze eeuw lijkt D66 de politieke middenpositie van het CDA over te gaan nemen. D66 ruikt de macht en buigt “niet te ver naar links en ook niet te ver naar rechts”, zoals CDA-leider Dries van Agt dat ooit uitdrukte (inmiddels buigt het CDA trouwens wel ongegeneerd naar rechts). In diezelfde tijd maakte D66-er Hans Gruijters het grapje dat je je vingers moet natellen als je een christen-democraat een hand hebt gegeven. Je zou weleens een vinger kunnen missen na zo’n hartelijke begroeting.

Wanneer D66 groter wordt dan de PvdA dan vrees ik dat deze politieke grap als een boemerang kan gaan werken en D66 de ultieme politieke Januskop wordt. Maar misschien hoeft het zover niet te komen en positioneert D66 zich samen met GroenLinks én de PvdA nu eindelijk eens wat sterker als ‘het redelijk alternatief’ voor het niets ontziende neoliberalisme, waarbij de SP als mogelijke coalitiepartner niet bij voorbaat in de ban wordt gedaan.


zondag, 25 september 2011

Ashley North

Ashley North

Hyves DWARS

Heldenschets: Hans van Mierlo

In d66, heldenschetsen, partij van de arbeid, pvda, vvd, algemeen, politiek, groenlinks, homohuwelijk, en meer.

Het einde van de week is daar. Zondag. En dat betekent: een nieuwe heldenschets! Eerder kwamen Andrée van Es en Jan Schaefer aan bod. Wie zal dit keer met heroïsche flegmatiek het digitale toneel betreden? Ook vandaag weer een nieuwe held voor de groene, linkse en/of progressieve politiek.

Hij begon zijn loopbaan als journalist voor het Algemeen Handelsblad. Daar leerde hij Hans Gruijters kennen, destijds politicus namens de VVD. Beiden afkomstig uit Brabant besloten zij als belangrijkste initiatiefnemers in 1966 een nieuwe partij op te richten: Democraten ’66. Als langdurig voorman van deze progressieven groeide de held van deze week uit tot één van de meest populaire politici van de twintigste eeuw. Namens D66 was hij fractieleider in de Tweede Kamer, Eerste Kamerlid, minister van Defensie, minister van Buitenlandse Zaken en vicepremier. Deze imposante carrière sloot hij af met de eretitel van Minister van Staat. Een titel die hij verkreeg vanwege zijn grote diensten voor de Nederlandse politiek. Zo was hij medeverantwoordelijk voor de meest progressieve regeringen die Nederland heeft gehad: de twee Paarse kabinetten en het kabinet-Den Uyl. Tot en met zijn dood in 2010 behoorde hij tot Nederlands’ meest gerespecteerde staatsmannen. De held van deze week is: Hans van Mierlo.

Vorig jaar lente overleed Hans van Mierlo op 78-jarige leeftijd in Amsterdam. Met zijn dood nam Nederland afscheid van één van haar meest welbespraakte politici van de voorbije eeuw. Gevleugelde uitspraken lieten hem triomferen in de politieke arena. “Macht bestaat in de fantasie van mensen die het niet hebben” en “Oorlog is niet één drama van miljoenen. Oorlog is miljoenen malen het drama van één” zijn slechts twee van zijn verbale hoogstandjes. Ook voor mij was Hans van Mierlo een icoon. Het schoolvoorbeeld van een oprecht, integer en charismatisch politicus.

In 1966 begon het succesverhaal van Hans van Mierlo in de nationale politiek. Met drieënveertig gelijkgestemden besloot hij tot de oprichting van een nieuwe, progressieve partij: D66. Het jongste kindje van het Nederlandse partijenstelsel moest via de ‘ontploffingstheorie’ de binnenlandse politiek drastisch democratiseren. Burgemeesters en premiers rechtstreeks kiezen, een districtenstelsel en grootschalige invoering van referenda: dat waren de kroonjuwelen van de vernieuwingspartij. Het klonk zowaar revolutionair! Met deze standpunten en zijn charmante uitstraling sloten Van Mierlo en D66 uitstekend aan bij de opvattingen van de zich uit de zuilenmaatschappij worstelende jeugd. Bij de Tweede Kamerverkiezingen kreeg de partij dit dan ook terugbetaald. Met 7 zetels bestormde D66 het parlement. Een ongekend hoog aantal voor het nog verstijfde, verzuilde Nederland.

Onder leiding van Hans van Mierlo groeide D66 uit tot een van de bepalende gezichten in de progressieve hoek. De Bredanaar zocht nadrukkelijk de samenwerking op met de Partij van de Arbeid en de PPR, een voorloper van GroenLinks. Zo beklonken deze drie partijen, mede op initiatief van Van Mierlo, de samenwerking in 1971 door een schaduwkabinet te vormen tegen het kabinet-Biesheuvel. De Nederlanders moest hiermee gewezen worden op het (betere) alternatief dat ze te kiezen hadden. Met Van Mierlo als vicepremier in deze silhouetregering bleek dit de opmaat voor de linkse overwinning van 1972. Voor het eerst in de Nederlandse geschiedenis werd er met Joop den Uyl als premier een progressief kabinet gevormd. Alhoewel Van Mierlo een geesteskindje geboren zag worden, was de verkiezingsuitslag bitterzoet. Dankzij de overwinningen van PvdA en PPR kon de formatie beginnen. Zijn eigen D66 zakte echter van 11 zetels terug naar 6. Toen daarbij de PvdA in 1977 het idee voor een grote Progressieve Volkspartij, waarin de genoemde drie partijen verenigd zouden zijn, definitief liet varen, verliet Van Mierlo teleurgesteld de nationale politiek.

Niet voor lang, bleek al snel. Begin jaren ’80 werd HAFMO (de koosnaam die Van Mierlo kreeg door hem alleen bij zijn initialen te noemen) namelijk voor het eerst minister. Defensie werd zijn portefeuille in de kortdurige kabinetten-Van Agt II en III. Naast een bevlogen politicus trad Van Mierlo nu ook toe tot de bestuurlijke politieke top van Nederland.

Dit was de vooravond van zijn grootste wapenfeit. In 1986 keerde Hans van Mierlo terug als politiek leider van D66. De partij stond destijds, onder leiding van Maarten Engwirda, op nog slechts twee zetels in de peilingen en had naarstig behoefte aan het Van Mierlo-effect. De terugkeer van de grote man werd een succes. Dat jaar nog behaalde D66 negen zetels in de Tweede Kamer. En de groei hield niet op. Uiteindelijk resulteerde dit in het recordaantal zetels van 24 voor D66 in 1994. De democraten verkregen zo een machtige onderhandelingspositie bij de kabinetsformatie. Hans van Mierlo wist dat het nu moest gebeuren: een kabinet zonder confessionele partijen. Ondanks tegenwerking van zowel de PvdA als de VVD, slaagde de Brabantse sterpoliticus. De vorming van Paars lukte! Met Wim Kok als minister-president namen D66, PvdA en VVD in de zomer van 1994 zitting. Voor het eerst had Nederland een kabinet zonder deelname van christen-democraten.

Zelf zat Hans van Mierlo alleen als minister in Kok I. Als bedenker van de paarse kabinetten gaat een groot deel van de eer voor de geweldige mijlpalen van deze regeringen niettemin eveneens naar de meesterretoricus. Het homohuwelijk, euthanasie en opschorting van de dienstplicht zijn slechts enkele hoogtepunten waar menig progressief hart een salto om maakt. Hans van Mierlo en D66 bewezen met deze verworvenheden en de creatie van de kabinetten-Paars definitief hun waarde voor de Nederlandse politiek.

Ditmaal tevreden nam Hans van Mierlo in 1998 definitief afscheid van de landelijke politiek. Minister van Volksgezondheid Els Borst nam zijn rol over als politiek leider van D66. Alhoewel Van Mierlo een graag geziene gast bleef in politieke bladen en programma’s, verdiepte hij zich steeds meer in de literaire en intellectuele wereld. Daar leerde hij schrijfster Connie Palmen kennen. Met haar had hij vanaf 1999 een relatie en trad hij een jaar voor zijn overlijden in het huwelijksbootje.

Hans van Mierlo. Met D66 maakte hij de pieken en dalen van de politiek mee. Een ding staat als een paal boven water: dankzij hem kreeg progressief Nederland een duidelijke boost en zijn verworvenheden binnengehaald die anders ondenkbaar zouden zijn geweest. Een politicus waarvan er maar weinigen zijn geweest in Nederland. Hans van Mierlo: een held!

De toegift van vandaag is het eerste verkiezingsfilmpje van D66. Hans van Mierlo heeft de hoofdrol en maakte zich met deze unieke opname in een slag immens populair.


maandag, 25 juli 2011

Jeroen van Rossum

Jeroen van Rossum

Twitter

De Angst voor Paars

In politiek, achterban, angst, aow, arbeidsmarkt, belasting, bezuinigingen, cda, christendemocratie, en meer.

Na een korte onderbreking om de plannen van de Jager voor Griekenland te bespreken, is het zomerreces van de Tweede Kamer nu dan toch echt van start gegaan. En naast tijd voor vakantie en werkbezoeken, is het dan blijkbaar ook tijd om (anoniem) het afgelopen politieke jaar eens te bekijken. Want waar de deelnemers aan de formatie van Paars Plus maanden hun kaken stijf op elkaar hielden, kwam NRC afgelopen weekend met een uitgebreid relaas over deze formatie en het mislukken daarvan.

En wat blijkt? Mark Rutte heeft gejokt. De onderhandelingen liepen volgens hem vast op de hervorming van het ontslagrecht en de WW, waarover de PvdA niet wilde praten, aldus zijn verklaring daags nadat de stekker uit de formatie was getrokken.  Nu blijkt echter, dat de PvdA hier best over wilde praten. Ook de starre houding van de VVD ten opzichte van de hoogte van de bezuinigingen heeft de drie andere partijen niet op de kast gekregen. Hoewel D66 en GroenLinks beduidend enthousiaster waren dan de onderhandelaars van de PvdA, blijken de onderhandelaars en financieel specialisten van de vier Paarse partijen al een heel eind te zijn gekomen in een maand onderhandelingstijd.

Sterker nog, als we NRC mogen geloven, had het viertal ambitieuze plannen, waaronder een aantal liberale pareltjes als verruiming van de euthanasiewetgeving, een verbod op het weigeren van homohuwelijken en zondags winkelen. Maar ook werd er gesproken over een boerkaverbod, een grootscheepse herziening van het belastingstelsel en een ministersploeg van slechts acht ministers, die tezamen op het ministerie van Algemene Zaken zitting zouden krijgen. En ook voor de hervorming van het ontslagrecht en de WW waren de financieel specialisten een prachtig voorstel aan het uitwerken.

Al met al kunnen we heus stellen dat de vier partijen op financieel vlak nog best wat hadden  te onderhandelen. Echter, op sociaal-cultureel vlak vonden ze elkaar heel snel. Sterker nog, de plannen die in één luttele maand op papier zijn gezet, waren ontzettend ambitieus. En plannen met kunstbezuinigingen, terughoudendheid met arbeidsmarkthervormingen of SGP-pleasende maatregelen rond abortus of zondagsrust kwamen in deze plannen zeker niet voor.

Bovendien blijkt nu, volgens anonieme VVD’ers, dat de buigzaamheid van Geert Wilders erg tegenviel. Geen verhoging van de AOW-leeftijd, geen verregaande hervormingen in de zorg, geen bezuinigingen zonder lastenverzwaringen. Allemaal zaken die in de Paarse variant wel aanwezig waren… Maar ja, wel een rechts kabinet. Want dat is natuurlijk waar de Paarse onderhandelingen op stuk zijn gelopen. Angst voor een rechtse oppositie van PVV en CDA.

En dat is jammer. Na jaren christelijke, betuttelende kabinetten te hebben gehad, was Nederland wat mij betreft wel weer toe aan een wat liberaler en meer technocratisch bewind. Maar Mark Rutte en zijn VVD zijn gezwicht voor de boze achterban en de angstaanjagende peilingen van Maurice de Hond. Terwijl met een beetje dapperheid meer van hun verkiezingsprogramma terecht was gekomen, dan nu het geval is. Laten we hopen dat de volgende verkiezingen wat politieke moed met zich meebrengen.


woensdag, 2 maart 2011

Mark Berck

Mark Berck

Twitter

Stemadvies op de valreep

In dagelijks nieuws, interesses, mening, politiek, 2011, abortus, dronken, euthanasie, geregistreerd, en meer.
Recent is er een nieuwe partij op gestaan: Nederland Compleet Risico Vrij. Nederland is een van de veiligste landen ter wereld en wij willen dit zo houden. Neo-liberaal beleid gooit deze verworvenheden te grabbel. Sta dit niet toe en stem NCRV! Zorg dat deze partij wat in de pap te brokkelen krijgt, ze hebben hele goede punten! Continue reading


zaterdag, 3 april 2010

Mieke van der Vegt

Mieke van der Vegt

Twitter DWARS

Van twee walletjes eten: werken en studeren

In dagelijks leven, academie, burger, college, de, dragen, minister, euthanasie, geert, en meer.

Dit artikel is eerder geplaatst in de carrierespecial van Bulletineke Justitia

Hier op de gang hoor ik rinkelende telefoons, pratende collega’s. Harm Brouwer (de voorzitter van het College van procureurs-generaal en daarmee de hoogste baas van het Openbaar Ministerie) loopt even binnen omdat hij informatie wil hebben voor een overleg morgen met de minister van Justitie. Ik schrijf een brief waarin ik een burger schadevergoeding toeken omdat de politie achteraf onterecht zijn deur heeft ingeramd.

Ik luister naar een van de advocaten die voor de landsadvocaat werkt. Hij vertelt over procedures die hij voor de Staat heeft gevoerd over de Wet Openbaar van Bestuur. Naast mij zit iemand die bij de Nederlandse Mededingingsautoriteit werkt, voor mij zit een medewerker van het ministerie van Onderwijs en er zitten nog 17 andere klasgenoten van mij in de zaal.

Dat zijn zomaar twee momenten uit het leven van een overheidsjurist. Sinds een paar maanden werk ik op de afdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken van het parket-generaal van het OM. Door onszelf ook wel eens “de incidentenfabriek” genoemd. Hier worden de politiek gevoelige strafzaken gemeld om de minister te informeren,Kamervragen te beantwoorden en het College van p-g’s te adviseren over het eventueel bijsturen van officieren van justitie. Bij dit soort zaken kan je denken aan het sprekende voorbeeld van de zaak tegen Geert Wilders, maar ook zaken als die tegen Holleeder, terrorismezaken of zaken wegens onzorgvuldig handelen bij euthanasie komen hier voorbij.

Ik behandel verder onder andere schadezaken, maar ook klachten via de Nationale Ombudsman en WOB -verzoeken. Het is ontzettend leuk om met zoveel terreinen van het recht bezig te zijn. En door het werken bij de overheid heb ik echt het gevoel iets bij te dragen aan de samenleving.

Maar anderhalve dag in de week zit ik in elk geval niet achter mijn bureau, maar in een collegezaal bij de Academie voor overheidsjuristen. De Rijksoverheid geeft mij de kans om nog een extra mastertitel te halen. Het leuke is dat we allerlei verschillende docenten hebben: advocaten die bij de Landsadvocaat werken, hoogleraren, (oud-)ambtenaren enz. De meesten vertellen veel over hoe de hazen lopen binnen de overheidsorganisatie. Dingen waar je in je werk soms tegenaan loopt kan je gelijk aan hen voorleggen. Omgekeerd kan ik wat ik bij de Academie leer gelijk bij het OM gebruiken. Niet alleen krijgen we in onze opleiding een stukje extra juridische verdieping en politiek-bestuurlijke sensitiviteit, we werken ook aan onze persoonlijke ontwikkeling op het gebied van pleiten, schrijven, presenteren en adviseren.

De afwisseling tussen studeren en werken is erg prettig. Op mijn werk heb ik gelijk veel verantwoordelijkheid gekregen. Ik heb mijn eigen zaken, die ik regelmatig bespreek met mijn patroon of met andere collega’s. Maar anderhalve dag in de week heb ik het gevoel dat ik nog een kleine verlenging ben ingegaan van mijn studententijd. Ik eet van twee walletjes en dat kan ik iedereen aanraden!

Aantal berichten op deze pagina: 14. De berichten op deze pagina zijn niet ouder dan 18509 uur (771,2 dagen). Berichtgemiddelde: 0 bericht per dag, 0,1 per week.

Volgende pagina

Pagina: 1