vrijdag, 30 maart 2012

Reinier van der Hulst

Reinier van der Hulst

Twitter DWARS

De Tarbaanse Oorlog: 1

In fictie, bidden, blok, boek, de, dood, eerste, eten, gasten, en meer.

AfbeeldingHij werd wakker, stond op. De man liep naar de spiegel en keek erin. Hij keek naar zichzelf: een man van rond de vijftig, een hoofd in de vorm van een afgeronde rechthoek met zwart haar. Niet alleen als hoofdhaar, maar ook als snor. Omdat hij zich nog niet geschoren had groeiden er stoppeltjes over zijn hele gezicht. Duf keek de man rond in de kamer: deze was vrij groot. In het midden van de vrijwel vierkante kamer stond een tweepersoonsbed tegen de achterwand. Zijn vrouw was al op. Links van het bed, ook tegen een wand, stond een massale, bruine klerenkast. Een vierkante. De man zelf stond voor de spiegel aan de voorwand. Aan zijn voeten lag een kleed wat een groot deel van de vloer vanaf de voorwand bedekte. Na een minuutje ontwaakte de man uit zijn dagdroom; hij ging zich maar aankleden.

Na het aankleden liep hij de gang in: een recht pad wat uitmondde in een bruine wenteltrap naar beneden. Van beneden hoorde de man zijn vrouw.
“Schat, we gaan eten.”
Hij pakte de trapleuning en zwierde zich van de trap af. Met een plof kwam hij neer op de grond en vrijwel direct kwam een lange, magere, blonde vrouw op hem af. Ze was ongeveer vijf jaar jonger dan hij. Ze droeg een wit T-shirt met een blauw vestje erover; dit boven een spijkerrok. Ze kuste hem.
“Wat zie je er goed uit,” zei ze
  “Jij ook schat. Mooie combinatie heb je aan,” antwoordde hij liefkozend.
Hij kuste haar ook. Ze keken elkaar lief in de ogen. Zij pakte hem bij zijn stropdas en hield het ermee spelend tussen haar rechterduim en wijsvinger. De stropdas was blauw, net als het colbertje wat hij droeg. Dit colbertje had gouden ringen aan de polsen. Onder het jasje droeg hij een lichtblauw overhemd. De zwarte riem met gouden gesp, donkerblauwe broek en goudgeringde zwarte laarzen maakten het helemaal af. Terwijl ze hun armen bij elkaar om de schouders gooiden liepen ze de woonkamer in.

Daar, aan een zware tafel, zat een vrij jonge man – een jaar of twintig – met een blauw vestje aan over een wit overhemd. Zodra hij het stel binnen zag komen stond hij op. Nu was zijn gezicht ook duidelijk te zien: het was bijna ovaal te noemen. Hij had een bril op, waarvan de glazen niet omrand waren. Met zijn blonde haar zag hij er een beetje bekakt uit. Zodra hij bij het paar was sloeg hij zijn armen om hun nekken.
“Dag mam, dag pap. Lekker geslapen?”
Liefdevol kuste de vrouw hem.
“Ja. Jij ook lekker geslapen jongen?” vroeg de man terwijl hij met zijn hand door het haar van de jongen ging.
Toen ging de telefoon.

De vrouw nam op.
“Met Albertina Aras. Wat is er Abzjardon? Wát? Het is niet waar! We komen eraan!”
Albertina gebaart haar zoon even de kamer uit te gaan. Daarna gebaarde ze haar man te gaan zitten en zelf nam ze ook een fauteuil.
“Abzjardan, dat was je vader.”
  “Wat vertelde hij?”
“Hij heeft heel bijzonder nieuws…”
Albertina stokte.
“… Ik raak er door van slag. Jouw vader heeft bezoek gekregen; van jullie voorvader.”
Abzjardan zijn mond viel open van verbazing.
“Wat? De voorvader van onze familie? Maar dat kan helemaal niet! Hij is de eerste generatie van de familie en ik hoor bij de vijfde, dus hij is al ongeveer honderd jaar dood, zo niet nog langer.”
  “Toch is het zo.”
De echtgenoot keek zijn vrouw aan, schudde toen een paar keer zijn hoofd en zei dat Frans Willem er ook van moest weten.
Dus haalde Albertina haar zoon de kamer in. Samen vertelden ze Frans Willem dat ze naar zijn opa gingen. Hij ging akkoord. Wat kon hij anders?

De oudere Aras woonde in een landhuis in een van de rijkere wijken van de stad. Het bestond uit vier verdiepingen. Niet zo gek: in dit huis woonde ooit een gezin bestaande uit negen man. Nu woonde de ex-commissaris er samen met zijn vrouw, Cabrona. Ook overnachtte zijn vader er regelmatig.
De woning bestond uit twee aan elkaar geplakte blokken. Het eerste was de woning zelf en het tweede stond aan de achterkant van het eerste blok. Dit was de garage, waar Abzjardon vaak in te vinden was. Knutselend aan zijn oldtimers. De deuren van de garage waren groot, groen en massief. Ze waren ovaal van vorm, met een spitsige top. Verder waren beide blokken bijna gelijk aan elkaar: de eerste en tweede verdieping werden gekenmerkt door de ramen, die strak in rij ingemetseld waren. Alleen de begane grond had een groter raam, wat uitzicht bood op een met gras gevulde voortuin. Hier was aan de binnenkant de woonkamer.
Daar stonden de grootouders met hun drie gasten. Abzjardan leek aardig op zijn vader, alleen was zijn vader wat forser en misschien iets ruiger. Ook gebruikte hij meer rood in zijn kleding dan zijn zoon.

“Hoezo is de voorvader gekomen? Dat kan toch alleen maar in een legende gebeuren?”
  “Ja, Abzjardan, maar toch is het gebeurd. Ik zal het je laten zien.”
Zo liepen vader en zoon de trap op, op weg naar de zolder van het huis. Op de zolder – gemaakt uit houten planken – stond een boek op een standaard. Voor dat boek lag een kleedje, gedecoreerd met blauwe en gouden strepen.
“Kijk, zoon, dit is mijn bidplek.”
  “Bidplek?”
“Ja, het is een traditie in onze familie om voor de voorvaderen te bidden. Hierdoor blijven ze ons gunstig gezind. Het bidden gaat echter alleen op voor de directe familie. Zo bid ik voor mijn vader en zijn voorouders.”
  “Aha. En hoe kwam Arabas dan tevoorschijn?”
“Ik was aan het bidden, maar tijdens het bidden werd er ineens op mijn schouder getikt. En daar stond hij dan, de stichter van de Arassen.”
 Juist op het moment dat Abzjardon dat zei begon het boek te gloeien. Het leek alsof het aan het veranderen was. Dit werd al snel gevolgd door een straal licht wat uit het boek scheen. De lichtbundel raakte de grond aan en er werd steeds meer gestalte in zichtbaar. De gestalte van een man. Zodra het licht gedoofd was stond er een vrij forse man; een kruising tussen Abzjardon en Abzjardan. Het was Arabas Aras.


vrijdag, 23 maart 2012

Reinier van der Hulst

Reinier van der Hulst

Twitter DWARS

Only Taller

In fictie.

Looking over the garden’s grass
I remember the small boy I once was,
Over all those years, did I change a bit?
Yes, I grew taller, but that’s about it.
Pets, friends and women, they all let me down,
I tried to keep my feet on the ground;
Tried to let the merry go round.
However, one day, she will reach to me and conquer my heart,
And I’ll enjoy life, as I did at the start.


Reinier van der Hulst

Reinier van der Hulst

Twitter DWARS

Only Taller

In fictie.

Looking over the garden’s grass
I remember the small boy I once was,
Over all those years, did I change a bit?
Yes, I grew taller, but that’s about it.
Pets, friends and women, they all let me down,
I tried to keep my feet on the ground;
Tried to let the merry go round.
However, one day, she will reach to me and conquer my heart,
And I’ll enjoy life, as I did at the start.


Robert Giesberts

Robert Giesberts

Feest!

In samenleving algemeen, feest, vng, begroting, burgemeester, kunst, marketing, fictie.

Honderdjarigen hebben de gewoonte het rustig aan te doen. Er is wat familie, de burgemeester komt langs en misschien is er ook nog ruimte voor een journalist of fotograaf. Zo gaat dat bij personen. Bij organisaties is het beeld vaak tegengesteld. Het bereiken van de honderd stuwt de feestroes op tot nog niet verkende hoogten. De Vereniging Nederlandse Gemeenten heeft de verleiding ook niet weerstaan. Er is een bonte feestavond georganiseerd om het heuglijke feit straks met tout gemeenteland en partners te vieren. Daar is niks mis mee. Jorritsma, de voorzitter, heeft in het verleden bewezen een musicalster in-de-dop te zijn. En er zijn vast wel enkele raadsleden te vinden die een gelegenheids-muziekband kunnen formeren. En als we toch bezig zijn: waarom niet een toneelstuk van enkele burgemeesters of wethouders, bijvoorbeeld Het Verjaardagsfeest van Harold Pinter. Passend. Zo kan het, maar zo gebeurt het natuurlijk niet. Honderdjarige organisaties laten zich graag fêteren door Bekende Mensen. Die daarvoor natuurlijk betaald worden. En dat doet wat met de kosten en de prijs van het toegangskaartje. Als een organisatie zich dat kan veroorloven is dat geen probleem. En voor veel bedrijven is het bij uitstek een moment om de marketing een extra energiestoot te geven. Maar ‘veroorloven’ voor maatschappelijke organisaties gaat verder dan alleen de platte financiële afweging. Het bestrijkt ook een verraderlijk reliëf van begrip en draagvlak. Financieel veroorloven is één, maatschappelijk veroorloven is twee.

Dat laatste is zo verraderlijk omdat het gaat om inschattingen die vooraf gemaakt moeten worden. is en Freek de Jonge over the top of zal men zijn optreden als verrijkend en passend vinden? En als we daarbij dan Golden Earring programmeren, is dat niet te veel ‘toppers’  bij elkaar? Het is de kunst aan de goede kant van de lijn te blijven, helaas voor de feestroezende plannenmakers, is die eerder behoudend dan uitbundig. Wie de lijn vergeet maakt zich zeer kwetsbaar voor negatieve kritiek. De beeldvorming schiet zonder veel moeite in het verhaal dat hier overdreven dik wordt gedaan met gemeenschapsgeld. Feit en fictie zijn dan al snel minder relevant.

De VNG heeft het over zich afgeroepen: aangestoken door wethouder Eerdmans van Capelle is het feest tot en met de Amsterdamse gemeenteraad onderwerp van kritiek: daar associeer je je niet mee, nee, daar distantieer je je van. De VNG heeft het ‘veroorloven’ te eenzijdig benaderd en compleet gemist dat de bezuinigende gemeenten zich niet kunnen of willen associeren met een feest dat in beeld als grotesk wordt neergezet. Het verweer van de organisatie bestrijdt nu amechtig dat de kosten extravagant zijn, maar de teerling is geworpen.

Het is treurig. De VNG schaadt haar imago terwijl het jubileum juist een moment is om de onderlinge verbondenheid te verstevigen. Vooroordelen bij de leden over een organisatie die te gemakkelijk met geld omspringt bevestigt ze. Had ze een vorm gekozen om, bijvoorbeeld via de lokale afdelingen, het feestprogramma voor te bespreken, dan was het wellicht anders gelopen. Want dat valt wel op: het is nu in de discussie Jorritsma en Pans tegen de rest. Er is in de wording van het feestprogramma geen medestand opgebouwd die zich nu makkelijk laat mobiliseren. Als twee collega-wethouders Eerdmans direct van repliek hadden gediend was de discussie vanaf de start minder zwart/ wit gevoerd.

Jorritsma en Pans hebben onderschat hoe zwaar gemeenten, hun leden, het momenteel hebben om de touwtjes bij elkaar te houden. Dan mag er ook best feest worden gevierd, maar een reflectie van de benarde tijden op de opzet van het feest had gepast. Als dit wel is gebeurd zou de VNG dit als de wiedeweerga duidelijk moeten maken. Alleen de begroting toelichten, zeggen dat de kosten niet overdreven zijn en de rest afdoen als stemmingmakerij, is niet voldoende meer om het negatieve beeld te kantelen.

zondag, 18 maart 2012

Simon Otjes

Simon Otjes

Last.fm Twitter

725 and counting

In arbeid, cpn, democratie, dierenrechten, evp, fictie, groenen, groenlinks, homo, en meer.

725 blogs heb ik geschreven in de laatste vijf jaar. Dat is wel heel veel. Wat is de centrale boodschap? Wat zijn de beste stukjes? Ik schrijf over vier (aan elkaar gerelateerde) onderwerpen: GroenLinks, Nederlandse politiek, politieke filosofie en politieke fictie. In mijn ogen heb ik daar wel een consistente lijn in: vanwege mijn eigenzinnige links-liberale politieke filosofie voel ik me verbonden met de progressief-linkse partij GroenLinks die een bijzondere plek in het politieke landschap heeft. De vijf artikelen met een (*) worden bijzonder aangeraden.

1. GroenLinks
GroenLinks is gevormd als een fusie van de links-socialistische dissidentenpartij PSP, de proto-groene PPR, de communistische emancipatiepartij CPN en de progressief-Christelijke EVP. GroenLinks lijkt ideologisch sterk op de PPR, maar heeft veel oud-PSP’ers in zijn gelederen, heeft een vergelijkbare ontwikkeling doorgemaakt als de Deense PSP en heeft een vergelijkbare partijcultuur als de PSP. Van de CPN is weinig zichtbaar. De naam GroenLinks was een compromis tussen de PPR-leden die een vernieuwende groene beweging wilden vormen en de PSP-leden die machtsblok links van de PvdA wilde vormen. Het groene profiel van GroenLinks was deels een strategische zet (* – luister ook naar dit debat op radio 1). Het progressieve profiel dat GroenLinks zich in de laatste jaren heeft aangemeten staat in spanning en in lijn met de vrijzinnig-Christelijke en links-socialistische traditie waar GroenLinks uit voorkomt. Het progressieve profiel van GroenLinks is deels gekomen door een veranderende politieke realiteit, maar is ook aangemeten om GroenLinks een geloofwaardige coalitiepartner te maken. De opvallendste draai: GroenLinks was de grootste tegenstander van Paars maar nu de partij van Paars+.

De discussies binnen GroenLinks gaan vaak over samenwerking met andere linkse partijen, terwijl andere partijen niet noodzakelijkerwijs met GroenLinks willen. GroenLinks is een van de weinige groene partijen in Europa die nog niet heeft geregeerd. En hoewel, GroenLinks nog nooit aan de macht geweest is, zijn de schandalen van de laatste jaren, schandalen van de macht. GroenLinks moet niet gaan regeren met CDA, VVD en D66 of toch wel?

GroenLinks wordt soms verweten een moraliserende elitepartij te zijn, dat lijkt me niet het geval: GroenLinks is een radicale systeempartij (*). Ik heb het GroenLinks-prisma ontwikkeld om na te denken over de positionering van GroenLinks op verschillende onderwerpen: democratie, kunst, sport en veiligheid. GroenLinks moet haar Kamerleden balanceren tussen groene Europarlementariers, tolerante Senatoren en linkse Tweede Kamerleden.

GroenLinks moet zich niet richten op het electorale midden. GroenLinks is uitgesproken sociaal, tolerant en groen, maar op ieder van die onderwerpen niet de meest uitgesproken partij. GroenLinks moet zich als groene partij profileren en niet als tolerante partij. GroenLinks moet meer oog hebben voor de dagelijkse problemen van gewone mensen.

In de politiek worden, de cruciale beslissingen genomen door de mensen achter de schermen en daar lijkt politiek verdacht veel op het echte leven.

2. Politiek
Het Nederlandse politieke landschap is aan verandering onderhevig: wat ooit links was, is nu rechts en vice versa. Maar die analyse is misschien iets te simplistisch: er ontstaat een nieuwe tegenstelling over economische en Europese onderwerpen tussen progressief en populistisch, terwijl de links/rechts tegenstelling steeds meer gaat over culturele onderwerpen (naast economische en ecologische) (*). En juist progressieven moeten kiezen tussen links en rechts. Dat populisme is niet nieuw: zowel de sociaal-democraten als Christen-democraten hebben hun wortels als populistische bewegingen.

John Locke

3. Politieke filosofie
Centraal in mijn politieke filosofie staat het socratische idee van aporeia. De erkenning dat we fundamentele kennis missen. Ik noem mijn filosofie daarom ook wel epistemisch liberalisme: omdat we het niet eens zijn wat het goede leven is, moeten we kiezen voor een neutrale overheid (*); omdat er inkomen is dat niemand verdiend heeft, moeten we kiezen voor verdelende rechtvaardigheid (*); en omdat we het niet eens zijn over wat rechtvaardig is, moeten we kiezen voor een democratische overheid. Dat idee van aporeia moet ik wel iets nuanceren als ik geloof in mijn eigen ethische normen.

John S. Mill

Op culturele thema’s ben ik uitermate liberaal: juist omdat godsdienst meer is dan een mening, hecht ik aan godsdienstvrijheid en daarom ben ik bijvoorbeeld voor het verbod op ritueel slachten, maar juist tegen een verbod op het rijden door rouwstoeten. Als liberaal ben ik skeptisch over een idee als de ‘ontspannen samenleving‘, omdat dit utilisitsch en niet liberaal isPaternalistisch optreden van de overheid is alleen maar gerechtvaardigd om individuele vrijheid te vergroten. Zo zijn herkenbare homoseksuele rolmodellen goed voor homo-emancipatie. We moeten oppassen voor diegenen die ons met kleine stootjes de juist kant op willen sturen, want wie bepaalt waar heen we gestuurd worden? Ook op sociaal-economische onderwerpen, moet neutraliteit uit het uitgangspunt zijn.

Karl Popper

Ik beschouw mijzelf als heel links, maar ik ben daarom tegen het minimumloon, tegen het aanpakken van topinkomens en tegen kunstsubsidie (daarover heb ik niet altijd even subtiel geschreven). Ik ben voor privatisering van de publieke omroep, van het onderwijs (dat moet overigens gericht worden op individuele ontplooing) en van de zorg. Al die (links-)liberale verhalen ten spijt, betekent dat niet dat ik me niet ook verbonden voel met het socialisme. Want uiteindelijk zijn socialisten consequente liberalen.

 

John Rawls

Ook milieubeleid is uiteindelijk liberaal gerechtvaardigd, dat geldt zeker voor dierenrechten. Overheidsingrijpen is voor milieubescherming wel noodzakelijk, daarbij zou ik kernenergie niet uitsluiten.

Ik heb de laatste tijd ook geschreven over veiligheid: ik vind straffen vanwege vergelding barbaars en zie meer in herstelrecht en in grotere openbaarheid van het strafproces. Als liberaal ben ik een groot voorstander van liberale democratie en dus tegen radicale democratie (en dat zou GroenLinks ook moeten zijn).

Phillippe van Parijs

Het is filosofisch toch het leukste om een verhaal van iemand anders uit te pellen en de interne contradicties weer te geven: neem Dick Pels over het basisinkomen of Rutger Claassen over de consumptiemaatschappij. FIlosofisch gezien heb ik niets met Nietzsche, die wel hecht aan vrijheid, maar niet aan gelijkheid en met mensen die vinden dat je alles correct moet spellen.

4. Politieke fictie
Ik vind politieke fictie fascinerend. Ik onderscheid hierbij drie genres: science fiction, wat een mogelijkheid geeft tot social science fiction het uitwerken van politieke utopieen. Mooi gedaan in Star Trek: Deep Space Nine. Politiek drama, wat de mogelijkheid geeft om politiek achter de schermen te laten zien. The West Wing kwam wel heel dicht bij de werkelijkheid. En alternative history: een kleine stap had de geschiedenis van GroenLinks een heel andere kant op kunnen sturen.

En als we het dan toch over fictie hebben, minder politiek, maar niet minder geniaal, Wes Anderson: “When one man, for whatever reason, has an opportunity to lead an extraordinary life, he has no right to keep it to himself

vrijdag, 16 maart 2012

Reinier van der Hulst

Reinier van der Hulst

Twitter DWARS

Nowhere Man

In fictie, chat, cool, goal, hand, kind, greet, jet, water.

I walked into the wall again. Nobody around me noticed it; it’s still invisible. But I did notice it, although I did not want to. It appeared in a concrete space filled with the smells of sweat and beer and with the beat of what some might call music. The people around me talked and laughed amongst each other. I barely knew them; some only by face, some not at all. The music was too loud to talk so I kept silent. One of them, a girl-next-door, asked me to join the group, but why didn’t she drag me into the conversation? Because I have to drag myself in. The problem was I couldn’t.
“Do you want another drink?” she asked me.
“No, I think I’ll just go home.”
Why?
“I’m tired, it’s too crowded and I don’t like the music. And it’s so hot in here.”
I didn’t lie.
“You’re right. Okay, sleep well.”
“Thanks. Enjoy the night.”

Staring at the coat rack I was unable to find my coat. Various coats passed by, all having something in common with mine. Nobody helped me.
Then he suddenly stood there. George.
Good morning, good morning.”
“You’re right, it is morning. It’s half past twelve,” he said, looking at his watch. “Wow, you’re sharp.”
“Even now that I’m so tired.”
He laughed.
“What are you doing here?” he asked me.
“I wanna go home. It’s getting too crowded.”
“Yeah, that sucks.”
“The only problem is; I can’t find my coat.”
He started looking for it.
“Which one?”
“The one with the furry white collar.”
George nodded.
He kept on looking for five minutes, then he suddenly walked away.
“Where are you going?” but before he answered I noticed a second coat rack somewhat closer to the exit.
“I think I found it,” George said, as he grabbed a leather coat with a furry white collar.
“Yes, that’s it. Thanks!”
“Ah, you’re welcome.”
“You’ll be staying here?”
“Yes. I think I’ll hang around here for an hour before I go home.”
“Thanks for bringing me in.”
“You’re welcome.”
I turned around and walked up the stairs, back home.
The wall disappeared.

As I turned to the right I took my iPod out of my pocket and put the earphones in. After some touching of the screen I turned on Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band, to raise my morale again. As the sounds of my ideal pub slowly filled my imagination I started to walk. It would only take ten minutes.

I gradually started to walk more confidently. However, this gained confidence immediately disappeared after I heard the first sounds of With A Little Help From My Friends. I really loved the song, but ‘Friends…’ They were what I lacked. I had some people who I could call friends. George was one of them. But were they real friends? I don’t know. They seem to be. Why would they otherwise invite me to go to the pub? I don’t know. Probably not because they don’t like me. But what is friendship about? Only thoughts about friendship filled my head. “What do I do when my love is away? Does it worry you to be alone?” Yes, I nodded, it does. At least the Beatles had friends, didn’t they? Or was I just wondering again? If so, why didn’t I? “Are you sad because you’re on your own? No, I get by…” YES! I am sad! Why doesn’t anyone see it? After a miserable life at high school one should be worrying. I was, at least. That’s why I thought as I went to university that I had to get the most out of myself and had to find some friends. During high school they all went away. I didn’t know why. I blamed them for that, but they also might be blaming me. To prevent my head from exploding I tried to think of something else. While Ringo still sang his tune out of tune I tried to think of capitals and countries. This distraction made me at least a bit more relaxed.

Thanks to this stupid wall I never have really been able to make any friends. With one exception: primary school. Primary school children can be either cruel or caring. I experienced both, though they were mostly caring. Of course, there always were children who bullied or tried to. But if I wanted I always had someone to play with. This changed dramatically during my high school period. One of the best friends I had until then, Stuart, tried to become popular and dropped me like a hot coal. His sister had already indoctrinated him with being cool from the moment it was clear that he would go to high school. I can still recall the moment he dumped me as if it was yesterday. We had our gym class and went back to school. In the dressing room I was bullied again; I’ve never been good at sports and the number one rule in high school society is, no sports, no chances. And I clearly showed I had no chance at all. Stu knew these rules and saw it happening. I didn’t, at least not really. I heard some talking, some laughing and some people said my name, but I didn’t bother. I noticed it was about me when Stu and I were on our way back to school.
“You know they were talking about you, don’t you?”
“I had some suspicion.”
“Well, they really were talking about you.”
I accepted it. We turned to our left.
“You don’t seem to care?”
“Why should I care? Because I’m bad at sports?”
“Number one rule in every high school: no sports, no friends.”
“Why should I bother about sports?”
“Everybody here bothers.”
“But I don’t.”
“Then you won’t be able to get any friends, you know.”
“I know. But I don’t care about sports, nor do I care about everyone here.”
“Then you’ll have a bloody awful time here.”
“So what?”
“Well, you’ll have to manage without me.”
“Why?”
“I’m sorry, but I can’t allow myself to be seen with you at high school anymore.”
I did not know what to say. In fact, up until I came home I didn’t even see it as such a disastrous thing. I told my parents and they were furious. I did not know why, until they explained to me that he in fact wanted to blow off the friendship. Needless to say I was furious as well. We did not see each other at school, but afterwards we saw each other twice, at my place. With our parents. They tried to fix the friendship. Recalling it, it seems to me as a sort of Security Council meeting: the two boys waiting in the kitchen, while the parents hurried to force a repair. It failed. I sometimes saw him at school, but we never spoke afterwards.

I halted and stared at a lamppost. I felt some water burning in my eyes. It was painful to go through all of this again. Ringo had stopped singing and I heard an organ. In less than a second I visualised a ruby. Then I heard the wonderful high pitched voice of John Lennon who asked me to picture myself in the landscape of Lewis Carroll. I did, but at the same moment my feet started to move me forward again. I obeyed them. There was still a long way to go.

The confrontation with Stu was the first one with myself. Well, not really. At second glance the first confrontation in which I really noticed I was different was two years before. That was in primary school, seventh grade. A girl from my class organised a birthday party and all class mates were invited. All my friends asked me whether I would come or not. I had to answer I was not invited. My friends said they were sorry but they didn’t go on about it. Nobody ever asked the girl in question to send me an invitation.
“Cellophane flowers of yellow and green, towering over your head…”
On the night of the party I sat down with my parents in our living room when I brought up the topic again.
“Mom, everyone is going to her party. Everyone but me. Why?”
“They think you are a little different than they are.”
“Yes, I like my own music and dress myself neatly. But what’s wrong then?”
“Well. Uhm, it’s a bit hard to explain.”
She stopped and thought for a while.
“Okay, I’ll tell you.”
And she told me. She told me everything she knew. She told about the hospital we went to do some tests. I could recall them. I could even recall the present I got with my chocolate egg. She told the results weren’t clear, but that according to the results this would be most plausible.
“That’s it,” she said.
“So that’s why I’m different?”
“Yes. Come on, don’t worry.”
My cheeks ran wet.
“It is so unfair. Is it my fault? Did I do something wrong?”
“Of course not, honey. The children in your class may not like you, find you different, but remember one thing: we will always be there for you. They don’t know what they’re missing when they ignore you.”
A smile appeared on my face as a watery sun through the rainy tears.
“I hope so.”
“Don’t be so shy! Come on. Keep your chin up and just enjoy your own life.”

“Foodeehoo.”
Since that conversation I was aware of the wall around me and I knew I had to fight it to be able to break through it. This wall, this goddamn wall, had appeared to me just a couple of minutes ago. George and I went to the pub. He invited me to join and I went with him. The start was nice. I had a beer and we played some pool. Although I found it already hard to score just a single point – in the end I’d score two complete points – I enjoyed it. However, the pub got more and more crowded. All these people had to breathe and therefore the air got hotter and hotter. This and the fact that I was very tired made it unavoidable that I somehow would collapse and that my so-called friend, the wall, would appear again. And so it did.

Since Stu dumped me, my high school became one dull period. The best friends I had were my teachers. This may not seem logical, but it’s true. They were people I was at least able to trust. I started to develop a serious passion for music. There only was one problem: the music did not fit the high school expectations. A common dialogue on music would go like this:
“What music do you like?” I would say to the one sitting next to me (if there would be).
“I like Britney Spears and the Top40-thingies. And you?”
“The Beatles! And I also like Queen, Supertramp and Billy Joel.”
“Oh, Queen and The Beatles…”
“You know their music then?” I’d always asked hopefully.
“Yeah, that’s what my father listens to.”
Silence.
At certain moments during high school I seriously thought I had some friends, but in the end we used each other to entertain ourselves with during classes. There was nothing serious about it in the end. I had three of them: Paul and I formed a duo during my first two grades, but when we turned out to have different preferences on courses he moved to another class. Then Richard came into my life. We sat next to each other during one year. After this year the contact weakened, but we still had classes together. During these years Julia was the one I laughed with during our classes. Suddenly she turned me down and I was alone. And still some people say high school was the best period in their lives.

“And it stops my mind from wandering, where it will go-o…” I tapped the rhythm on my legs as I walked through the cold night. From here on it would still take ten minutes. Unconsciously I had stopped while overlooking my high school period. My cheeks were wet already. “Silly people run around they worry me and never ask me why they don’t get past my door.” I really liked the harpsichord in this song, maybe because it is not hard to play but remains original. McCartney did a good job there and George taught me how to play it.

I came to live here, to study at the university. But I also had a second goal, which for me was even more important than passing the studies. I saw the upcoming period as a revenge for my high school misery. In the beginning, as usual, everything was scary and big and I regularly bumped against the wall. I wonder why there still aren’t any cracks in it. I loved my room: it was nice, not so tidy, but had a warm atmosphere and I had almost everything I desired. However, quickly after I came to live here I met this guy, Sean. We gamed ourselves through university, shared our secrets and talked a lot. However, after a year he started to distance himself from me; I didn’t and still don’t know why. That semester was a real struggle. Of course, I chatted with people and enjoyed myself, but I missed a sort of big brother or someone to share every single problem, joke or secret with. He left university and I felt deserted. He did not even say goodbye. Then George came along.

“We were talking, about the space between us all. And the people, who hide themselves behind a wall.” I had a book with me, one of my first classes after the Sean-period. It was a biography of John Lennon. I participated in class and during the break I opened my book and went on reading.
“Hey, you’re reading about John Lennon. Cool man!”
That was George. He was pretty small and had jet-black hair. Excitement sparkled from his eyes.
“Which page are you on?”
I started to tell him and dug up some nice anecdotes. From that time on we would only greet one another with “Good morning good morning”.
George and I spent nights in my room listening to all kind of records. The Beatles were our favourite band. He liked Revolver, while I loved Sgt. Pepper’s. We shared everything. I shared my secrets while he shared his. He did not have compassion – that is the wrong word – but he wanted to have an insight into how I felt and what it meant for me. He knew I would not go out on my own. The fear to have no-one to talk to and to stand there alone in a corner and to be cocooned by the wall was and is too overwhelming for me. He understood this. Finally I had someone apart from my parents who really knew what I felt. It was such a relief.

The songs played on. “Will you still need me? Will you still feed me, when I’m sixty-four?” Then this horrid night came. George and I had played our games and listened to our music. It was eleven o’clock in the evening. He was about to leave as he turned around.
“I think I’ll go to the pub. Wanna join?”
I immediately said yes.
So we went to the pub, the walk took about ten minutes, and we got ourselves a drink. As I told you earlier we played our game of pool. Then he went out to get us another drink. Because I saw no-one I knew, I sat down on the radiator (it was a chairless pub) and just watched. I could feel the cocoon crawling over me again, but to some extent I didn’t mind: in just a minute or two George would be back with a drink and we would chat on. He did not come back. I started to panic because I still saw nobody I knew. Just at the moment I nearly reached the point at which I did not know what to do the girl from next door stepped towards me.
“Hey! You? In a pub?”
I nodded.
“That’s new. Are you on your own?”
“No. I’m here with George.”
“Where’s he then?”
“He’s getting us a drink.”
“Why won’t you join us then for a while? That will kill some time.”
So there I stood, in a group of six people. I was the only guy. At the start I felt excited as I stepped into the group. They were talking about something I did not know anything about and nobody showed any interest in me. If the music would be alright I surely would have enjoyed it, but the music was something like techno-noise or rap, which I don’t like. It was getting more crowded and hotter. Without even noticing I took a step backward, and another one, so I stood out of the circle which the group formed. The wall, where it had broken by the request to stand with the group, returned and I wanted to get out. I felt claustrophobic. Come on! This is my chance! I always told myself to grab every chance I get. Now that I’ve got the chance, I really have to take it. But the wall blocked me. I didn’t know what to do. I wanted to get out of this place. Let me out! Get me out! Please, anybody, talk to me! Take me out of my cocoon! But the wall got the upper hand and before I knew it George and I were looking for my coat.

I cried. I couldn’t help it. It kept on going. I quickly crossed the street and sat myself down on the first bench I saw. How stupid have you just been? You got a one in a million chance and you did not grab it. And look at George and the girl from next door, how they’re disappointed now! They offered you these chances and you basically fled. Idiot! I was ashamed. Was it this aim for friendship and being like others which took me down? Or did I flee because of the music, warmth and the crowd? ‘But in normal life I’m doing quite well now. I see a lot of people, have a chat, and have fun with them.’ ‘Yes, but the friends I always desired are not there. I’ve still got only one friend, George. I spend a lot of time with only him. So my whole social life is based on him. By the way, is he such a good friend? Wasn’t he going to return with a beer in “just a minute”? It took him hours and the next time I saw him was when he was looking for my coat with me.’ ‘At least he helped me! I’m sure that if I’d tell him about tonight he definitely would have felt sorry and I am pretty sure he otherwise would have helped me out. And by the way, it was so crowded that he was not able to get us a drink in “just a minute”. And talking about these circumstances, they were the cause. I mean, I had alcohol, it was hot, crowded and the music was too hectic. And, the most important thing: I was tired.’ ‘Yes, that’s true. I was tired and I still am. But I’d better keep out of the pub in general, especially in a state like this.’

I tried to draw conclusions from my discussion. I was nearly back home. I turned to the left to enter the building I lived in. This night had at least one positive consequence; I was not made to go to the pub. I knew it before, but I could only confirm my point of view with each step I took. I walked on; happy I was nearly in my own comfy world. I opened the door and ordered one of the elevators on my right to come down. It obeyed. Lovely Rita banged through my ears and finally I could somehow enjoy the music, especially John’s panting at the end. I laughed at the panting and enjoyed the animal farm intro of the following song. As the elevator reached my floor I got out and in less than a minute I was back in my room. I turned on the lights and though it was late I sat behind my laptop, still wearing my coat, to play a geography game. I just had to empty my head. This time I chose Capitals of the World. I only could not come up with St. John’s (Antigua and Barbuda), St. George’s (Grenada) and Castries (St. Lucia). It made me feel a little better. I checked the results of the international football games which were played this night. They absorbed me as I absorbed them. One day they might be of some use. It took me fifteen minutes to read them all, piece by piece and with precision. I logged off from my laptop and shut it down.
I was about to turn off all the lights as an idea enlightened my embarrassed mind. What if George and the others noticed I acted strangely? They might call me a fool now. You should go to them tomorrow and offer them your apologies for acting so weird. This was what I would do. By knowing what to do tomorrow I immediately felt the peace returning to my head. Satisfied I went on switching off the lights.
Suddenly there was a knock on the door.
“Yes?” I asked. I was scared. Did not know what to do. My exhausted mind could not think properly anymore. What if there were a criminal at my door? Someone to steal everything I owned? With my heart nearly beating in my head I waited to hear what the person at the other side of my door would say.
“John? Won’t you come out to play?”


Reinier van der Hulst

Reinier van der Hulst

Twitter DWARS

Nowhere Man

In fictie, chat, goal, kind, cool, greet, hand, jet, up, en meer.

I walked into the wall again. Nobody around me noticed it; it’s still invisible. But I did notice it, although I did not want to. It appeared in a concrete space filled with the smells of sweat and beer and with the beat of what some might call music. The people around me talked and laughed amongst each other. I barely knew them; some only by face, some not at all. The music was too loud to talk so I kept silent. One of them, a girl-next-door, asked me to join the group, but why didn’t she drag me into the conversation? Because I have to drag myself in. The problem was I couldn’t.
“Do you want another drink?” she asked me.
“No, I think I’ll just go home.”
Why?
“I’m tired, it’s too crowded and I don’t like the music. And it’s so hot in here.”
I didn’t lie.
“You’re right. Okay, sleep well.”
“Thanks. Enjoy the night.”

Staring at the coat rack I was unable to find my coat. Various coats passed by, all having something in common with mine. Nobody helped me.
Then he suddenly stood there. George.
Good morning, good morning.”
“You’re right, it is morning. It’s half past twelve,” he said, looking at his watch. “Wow, you’re sharp.”
“Even now that I’m so tired.”
He laughed.
“What are you doing here?” he asked me.
“I wanna go home. It’s getting too crowded.”
“Yeah, that sucks.”
“The only problem is; I can’t find my coat.”
He started looking for it.
“Which one?”
“The one with the furry white collar.”
George nodded.
He kept on looking for five minutes, then he suddenly walked away.
“Where are you going?” but before he answered I noticed a second coat rack somewhat closer to the exit.
“I think I found it,” George said, as he grabbed a leather coat with a furry white collar.
“Yes, that’s it. Thanks!”
“Ah, you’re welcome.”
“You’ll be staying here?”
“Yes. I think I’ll hang around here for an hour before I go home.”
“Thanks for bringing me in.”
“You’re welcome.”
I turned around and walked up the stairs, back home.
The wall disappeared.

As I turned to the right I took my iPod out of my pocket and put the earphones in. After some touching of the screen I turned on Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band, to raise my morale again. As the sounds of my ideal pub slowly filled my imagination I started to walk. It would only take ten minutes.

I gradually started to walk more confidently. However, this gained confidence immediately disappeared after I heard the first sounds of With A Little Help From My Friends. I really loved the song, but ‘Friends…’ They were what I lacked. I had some people who I could call friends. George was one of them. But were they real friends? I don’t know. They seem to be. Why would they otherwise invite me to go to the pub? I don’t know. Probably not because they don’t like me. But what is friendship about? Only thoughts about friendship filled my head. “What do I do when my love is away? Does it worry you to be alone?” Yes, I nodded, it does. At least the Beatles had friends, didn’t they? Or was I just wondering again? If so, why didn’t I? “Are you sad because you’re on your own? No, I get by…” YES! I am sad! Why doesn’t anyone see it? After a miserable life at high school one should be worrying. I was, at least. That’s why I thought as I went to university that I had to get the most out of myself and had to find some friends. During high school they all went away. I didn’t know why. I blamed them for that, but they also might be blaming me. To prevent my head from exploding I tried to think of something else. While Ringo still sang his tune out of tune I tried to think of capitals and countries. This distraction made me at least a bit more relaxed.

Thanks to this stupid wall I never have really been able to make any friends. With one exception: primary school. Primary school children can be either cruel or caring. I experienced both, though they were mostly caring. Of course, there always were children who bullied or tried to. But if I wanted I always had someone to play with. This changed dramatically during my high school period. One of the best friends I had until then, Stuart, tried to become popular and dropped me like a hot coal. His sister had already indoctrinated him with being cool from the moment it was clear that he would go to high school. I can still recall the moment he dumped me as if it was yesterday. We had our gym class and went back to school. In the dressing room I was bullied again; I’ve never been good at sports and the number one rule in high school society is, no sports, no chances. And I clearly showed I had no chance at all. Stu knew these rules and saw it happening. I didn’t, at least not really. I heard some talking, some laughing and some people said my name, but I didn’t bother. I noticed it was about me when Stu and I were on our way back to school.
“You know they were talking about you, don’t you?”
“I had some suspicion.”
“Well, they really were talking about you.”
I accepted it. We turned to our left.
“You don’t seem to care?”
“Why should I care? Because I’m bad at sports?”
“Number one rule in every high school: no sports, no friends.”
“Why should I bother about sports?”
“Everybody here bothers.”
“But I don’t.”
“Then you won’t be able to get any friends, you know.”
“I know. But I don’t care about sports, nor do I care about everyone here.”
“Then you’ll have a bloody awful time here.”
“So what?”
“Well, you’ll have to manage without me.”
“Why?”
“I’m sorry, but I can’t allow myself to be seen with you at high school anymore.”
I did not know what to say. In fact, up until I came home I didn’t even see it as such a disastrous thing. I told my parents and they were furious. I did not know why, until they explained to me that he in fact wanted to blow off the friendship. Needless to say I was furious as well. We did not see each other at school, but afterwards we saw each other twice, at my place. With our parents. They tried to fix the friendship. Recalling it, it seems to me as a sort of Security Council meeting: the two boys waiting in the kitchen, while the parents hurried to force a repair. It failed. I sometimes saw him at school, but we never spoke afterwards.

I halted and stared at a lamppost. I felt some water burning in my eyes. It was painful to go through all of this again. Ringo had stopped singing and I heard an organ. In less than a second I visualised a ruby. Then I heard the wonderful high pitched voice of John Lennon who asked me to picture myself in the landscape of Lewis Carroll. I did, but at the same moment my feet started to move me forward again. I obeyed them. There was still a long way to go.

The confrontation with Stu was the first one with myself. Well, not really. At second glance the first confrontation in which I really noticed I was different was two years before. That was in primary school, seventh grade. A girl from my class organised a birthday party and all class mates were invited. All my friends asked me whether I would come or not. I had to answer I was not invited. My friends said they were sorry but they didn’t go on about it. Nobody ever asked the girl in question to send me an invitation.
“Cellophane flowers of yellow and green, towering over your head…”
On the night of the party I sat down with my parents in our living room when I brought up the topic again.
“Mom, everyone is going to her party. Everyone but me. Why?”
“They think you are a little different than they are.”
“Yes, I like my own music and dress myself neatly. But what’s wrong then?”
“Well. Uhm, it’s a bit hard to explain.”
She stopped and thought for a while.
“Okay, I’ll tell you.”
And she told me. She told me everything she knew. She told about the hospital we went to do some tests. I could recall them. I could even recall the present I got with my chocolate egg. She told the results weren’t clear, but that according to the results this would be most plausible.
“That’s it,” she said.
“So that’s why I’m different?”
“Yes. Come on, don’t worry.”
My cheeks ran wet.
“It is so unfair. Is it my fault? Did I do something wrong?”
“Of course not, honey. The children in your class may not like you, find you different, but remember one thing: we will always be there for you. They don’t know what they’re missing when they ignore you.”
A smile appeared on my face as a watery sun through the rainy tears.
“I hope so.”
“Don’t be so shy! Come on. Keep your chin up and just enjoy your own life.”

“Foodeehoo.”
Since that conversation I was aware of the wall around me and I knew I had to fight it to be able to break through it. This wall, this goddamn wall, had appeared to me just a couple of minutes ago. George and I went to the pub. He invited me to join and I went with him. The start was nice. I had a beer and we played some pool. Although I found it already hard to score just a single point – in the end I’d score two complete points – I enjoyed it. However, the pub got more and more crowded. All these people had to breathe and therefore the air got hotter and hotter. This and the fact that I was very tired made it unavoidable that I somehow would collapse and that my so-called friend, the wall, would appear again. And so it did.

Since Stu dumped me, my high school became one dull period. The best friends I had were my teachers. This may not seem logical, but it’s true. They were people I was at least able to trust. I started to develop a serious passion for music. There only was one problem: the music did not fit the high school expectations. A common dialogue on music would go like this:
“What music do you like?” I would say to the one sitting next to me (if there would be).
“I like Britney Spears and the Top40-thingies. And you?”
“The Beatles! And I also like Queen, Supertramp and Billy Joel.”
“Oh, Queen and The Beatles…”
“You know their music then?” I’d always asked hopefully.
“Yeah, that’s what my father listens to.”
Silence.
At certain moments during high school I seriously thought I had some friends, but in the end we used each other to entertain ourselves with during classes. There was nothing serious about it in the end. I had three of them: Paul and I formed a duo during my first two grades, but when we turned out to have different preferences on courses he moved to another class. Then Richard came into my life. We sat next to each other during one year. After this year the contact weakened, but we still had classes together. During these years Julia was the one I laughed with during our classes. Suddenly she turned me down and I was alone. And still some people say high school was the best period in their lives.

“And it stops my mind from wandering, where it will go-o…” I tapped the rhythm on my legs as I walked through the cold night. From here on it would still take ten minutes. Unconsciously I had stopped while overlooking my high school period. My cheeks were wet already. “Silly people run around they worry me and never ask me why they don’t get past my door.” I really liked the harpsichord in this song, maybe because it is not hard to play but remains original. McCartney did a good job there and George taught me how to play it.

I came to live here, to study at the university. But I also had a second goal, which for me was even more important than passing the studies. I saw the upcoming period as a revenge for my high school misery. In the beginning, as usual, everything was scary and big and I regularly bumped against the wall. I wonder why there still aren’t any cracks in it. I loved my room: it was nice, not so tidy, but had a warm atmosphere and I had almost everything I desired. However, quickly after I came to live here I met this guy, Sean. We gamed ourselves through university, shared our secrets and talked a lot. However, after a year he started to distance himself from me; I didn’t and still don’t know why. That semester was a real struggle. Of course, I chatted with people and enjoyed myself, but I missed a sort of big brother or someone to share every single problem, joke or secret with. He left university and I felt deserted. He did not even say goodbye. Then George came along.

“We were talking, about the space between us all. And the people, who hide themselves behind a wall.” I had a book with me, one of my first classes after the Sean-period. It was a biography of John Lennon. I participated in class and during the break I opened my book and went on reading.
“Hey, you’re reading about John Lennon. Cool man!”
That was George. He was pretty small and had jet-black hair. Excitement sparkled from his eyes.
“Which page are you on?”
I started to tell him and dug up some nice anecdotes. From that time on we would only greet one another with “Good morning good morning”.
George and I spent nights in my room listening to all kind of records. The Beatles were our favourite band. He liked Revolver, while I loved Sgt. Pepper’s. We shared everything. I shared my secrets while he shared his. He did not have compassion – that is the wrong word – but he wanted to have an insight into how I felt and what it meant for me. He knew I would not go out on my own. The fear to have no-one to talk to and to stand there alone in a corner and to be cocooned by the wall was and is too overwhelming for me. He understood this. Finally I had someone apart from my parents who really knew what I felt. It was such a relief.

The songs played on. “Will you still need me? Will you still feed me, when I’m sixty-four?” Then this horrid night came. George and I had played our games and listened to our music. It was eleven o’clock in the evening. He was about to leave as he turned around.
“I think I’ll go to the pub. Wanna join?”
I immediately said yes.
So we went to the pub, the walk took about ten minutes, and we got ourselves a drink. As I told you earlier we played our game of pool. Then he went out to get us another drink. Because I saw no-one I knew, I sat down on the radiator (it was a chairless pub) and just watched. I could feel the cocoon crawling over me again, but to some extent I didn’t mind: in just a minute or two George would be back with a drink and we would chat on. He did not come back. I started to panic because I still saw nobody I knew. Just at the moment I nearly reached the point at which I did not know what to do the girl from next door stepped towards me.
“Hey! You? In a pub?”
I nodded.
“That’s new. Are you on your own?”
“No. I’m here with George.”
“Where’s he then?”
“He’s getting us a drink.”
“Why won’t you join us then for a while? That will kill some time.”
So there I stood, in a group of six people. I was the only guy. At the start I felt excited as I stepped into the group. They were talking about something I did not know anything about and nobody showed any interest in me. If the music would be alright I surely would have enjoyed it, but the music was something like techno-noise or rap, which I don’t like. It was getting more crowded and hotter. Without even noticing I took a step backward, and another one, so I stood out of the circle which the group formed. The wall, where it had broken by the request to stand with the group, returned and I wanted to get out. I felt claustrophobic. Come on! This is my chance! I always told myself to grab every chance I get. Now that I’ve got the chance, I really have to take it. But the wall blocked me. I didn’t know what to do. I wanted to get out of this place. Let me out! Get me out! Please, anybody, talk to me! Take me out of my cocoon! But the wall got the upper hand and before I knew it George and I were looking for my coat.

I cried. I couldn’t help it. It kept on going. I quickly crossed the street and sat myself down on the first bench I saw. How stupid have you just been? You got a one in a million chance and you did not grab it. And look at George and the girl from next door, how they’re disappointed now! They offered you these chances and you basically fled. Idiot! I was ashamed. Was it this aim for friendship and being like others which took me down? Or did I flee because of the music, warmth and the crowd? ‘But in normal life I’m doing quite well now. I see a lot of people, have a chat, and have fun with them.’ ‘Yes, but the friends I always desired are not there. I’ve still got only one friend, George. I spend a lot of time with only him. So my whole social life is based on him. By the way, is he such a good friend? Wasn’t he going to return with a beer in “just a minute”? It took him hours and the next time I saw him was when he was looking for my coat with me.’ ‘At least he helped me! I’m sure that if I’d tell him about tonight he definitely would have felt sorry and I am pretty sure he otherwise would have helped me out. And by the way, it was so crowded that he was not able to get us a drink in “just a minute”. And talking about these circumstances, they were the cause. I mean, I had alcohol, it was hot, crowded and the music was too hectic. And, the most important thing: I was tired.’ ‘Yes, that’s true. I was tired and I still am. But I’d better keep out of the pub in general, especially in a state like this.’

I tried to draw conclusions from my discussion. I was nearly back home. I turned to the left to enter the building I lived in. This night had at least one positive consequence; I was not made to go to the pub. I knew it before, but I could only confirm my point of view with each step I took. I walked on; happy I was nearly in my own comfy world. I opened the door and ordered one of the elevators on my right to come down. It obeyed. Lovely Rita banged through my ears and finally I could somehow enjoy the music, especially John’s panting at the end. I laughed at the panting and enjoyed the animal farm intro of the following song. As the elevator reached my floor I got out and in less than a minute I was back in my room. I turned on the lights and though it was late I sat behind my laptop, still wearing my coat, to play a geography game. I just had to empty my head. This time I chose Capitals of the World. I only could not come up with St. John’s (Antigua and Barbuda), St. George’s (Grenada) and Castries (St. Lucia). It made me feel a little better. I checked the results of the international football games which were played this night. They absorbed me as I absorbed them. One day they might be of some use. It took me fifteen minutes to read them all, piece by piece and with precision. I logged off from my laptop and shut it down.
I was about to turn off all the lights as an idea enlightened my embarrassed mind. What if George and the others noticed I acted strangely? They might call me a fool now. You should go to them tomorrow and offer them your apologies for acting so weird. This was what I would do. By knowing what to do tomorrow I immediately felt the peace returning to my head. Satisfied I went on switching off the lights.
Suddenly there was a knock on the door.
“Yes?” I asked. I was scared. Did not know what to do. My exhausted mind could not think properly anymore. What if there were a criminal at my door? Someone to steal everything I owned? With my heart nearly beating in my head I waited to hear what the person at the other side of my door would say.
“John? Won’t you come out to play?”


donderdag, 15 maart 2012

Reinier van der Hulst

Reinier van der Hulst

Twitter DWARS

Welkom!

Welkom! Dit is de blog van Reinier van der Hulst. Hier plaats ik vrijwel iedere week een weblog over een politiek onderwerp. Deze zijn te vinden onder het kopje ‘Home’, net zoals de stukken fictie die ik heb geplaatst. Om deze stukken fictie gemakkelijker te bekijken, klik dan gerust eens op het kopje ‘Fictie.’


Reinier van der Hulst

Reinier van der Hulst

Twitter DWARS

Welkom!

Welkom! Dit is de blog van Reinier van der Hulst. Hier plaats ik vrijwel iedere week een weblog over een politiek onderwerp. Deze zijn te vinden onder het kopje ‘Home’, net zoals de stukken fictie die ik heb geplaatst. Om deze stukken fictie gemakkelijker te bekijken, klik dan gerust eens op het kopje ‘Fictie.’


woensdag, 14 maart 2012

Christian Jongeneel

Christian Jongeneel

Hyves Linkedin Twitter Youtube

Realistische fictie

In column, de, literatuur, nederlands, nieuw, tweede wereldoorlog, circus, vertrouwen.
1812

Nou heb ik in de loop der jaren best het nodige gezocht naar literatuur door en over ingenieurs, maar toch was mij al die tijd het complete oeuvre van Nevil Shute ontgaan. Als er in een Londense boekhandel niet een heel rijtje had gestaan dat puur door zijn omvang mijn aandacht trok, zou ik nog steeds niet van de man gehoord hebben. Een paar van zijn romans zijn in het Nederlands vertaald, maar al lang niet meer verkrijgbaar.

Ik kocht ‘No highway’, omdat dit blijkens de achterflap een nerd in de hoofdrol had. Theodore Honey heet hij, en hij is ingenieur bij het Britse nationale luchtvaartlaboratorium, ergens vlak na de Tweede Wereldoorlog. Zelfs de andere ingenieurs vinden hem raar, met zijn interesse voor kwantumtheorie en exotische berekeningen aan de Egyptische piramiden.

Met zijn toepassing van de kwantumtheorie op de breukmechanica berekent hij echter wel dat bij een nieuw type vliegtuig na ongeveer 1400 vlieguren een staartstuk zal afbreken wegens metaalmoeheid. Dat zet een heel circus in gang. Zijn baas snapt de berekening niet, maar heeft een rotsvast vertrouwen in Honey, dus kaart het probleem aan bij de autoriteiten. Die willen meer bewijs zien. De gerenommeerde ontwerper van het vliegtuig gaat door het lint om de beschuldiging. De vliegtuigmaatschappij weigert toestellen aan de grond te houden op grond van vage sommen. Ondertussen tikt de tijd.

(...)
Lees verder in Realistische fictie (nog 413 woorden)

woensdag, 15 februari 2012

Jolanda de Vreede

Jolanda de Vreede

Twitter

Politiek, journalistiek en feiten

In de maatschappij dat zijn wij!, media, algemeen, belangrijk, betalen, de, de punt, debat, delen, en meer.

 

 

Rob Wijnberg: “Het nieuws voedt ons elke dag met het exceptionele, absurde en groteske –net zo lang tot ze het doodnormale lijken. Niet de regels maar de uitzonderingen bepalen het publieke debat”.

NRC-next heeft sinds vorige maand een geheel nieuwe opzet. Hoofdredacteur Rob Wijnberg legde op 19 januari zelf uit waarom zijn krant voortaan voor feitenonderzoek gaat. Dragen meer feiten bij aan het politieke debat, vraag ik mij af.

Het leuke is dat hij daarbij socioloog Dick Houtman aanhaalt die spreekt over factfree politics. Volgens Houtman kan een politicus niet anders. Volgens Wijnberg handelt de politicus factfree omdat vooral de indruk die hij neerzet, telt. Politici profileren zich met oneliners en Kamervragen. Niet met veel dossierkennis.

Factfree politicus

Ik erger mij groen en geel aan de slechte kwaliteit van het werk van veel journalisten. In vraaggesprekken blijft de interviewer steken in niet-inhoudelijke vragen als ‘of de coalitiepartner geen scheuren in de gelederen vertoont’, of ‘de premier niet eens wat moet zeggen van een website van de gedoogpartner’, ‘wat de premier ervan vindt dat de leider van een oppositiepartij wellicht de volgende premier wordt’ en ‘of de minister van Financiën aan het volk kan uitleggen dat de lening aan Griekenland misschien niet wordt terugbetaald’. Is er geen inhoud? Waar wil Nederland in de wereld staan over 30 jaar, hoe komen we daar, wat is tegen die tijd het haalbare welvaartsniveau voor ons, hoe verdelen we die welvaart en hoe beschermen we wat we hebben? Om maar wat te noemen.

Goed, ik zou zeggen dat een beetje volksvertegenwoordiger zelf elke kans grijpt om zijn beleid inhoudelijk uit te leggen, maar een visie blijkt lastig. Houtman geeft aan dat een politicus visie moet hebben, kennis toepast in nieuwe situaties, en vandaar uit gaat handelen. Feiten, wetenschappelijk vastgesteld, gelden tot het tegendeel bewezen is, een visie is blijvend. We kunnen het de politicus niet kwalijk nemen op visie te werken en niet op feiten. En daar zit wel een risico in. Aan de journalisten de taak te achterhalen of de politicus ons gebakken lucht verkoopt of werkelijk een serieuze weg heeft gekozen. Een journalist moet achterhalen of de plannen gebaseerd zijn op reële verwachtingen. Kennis helpt daarbij.

Mensen willen, zo krijg ik de indruk, niet per se de grote lijnen horen. De punt aan de horizon zien. Willen niet horen hoe belangrijk Europa is voor Nederland, hoe groot de rest van de wereld is waarvan wij de speelbal zullen zijn. We willen nu horen dat we nu minder euro’s hoeven te betalen aan wat dan ook. Factfree dus eigenlijk.

Aangenaam eenvoudig

Dan komen we op het tweede punt dat gemaakt wordt. Wijnberg: “Journalistiek wordt zo meer op commercieel succes afgerekend dan op maatschappelijke relevantie”. We willen lezen hoe we willen zijn en hoe we het willen hebben. We willen het nieuws in het algemeen ook niet te ingewikkeld maar in hapklare brokken die in één keer naar binnen kunnen. Op een verjaardag verschaffen statements als ‘nu de euro afschaffen’ of ‘Griekenland eruit’ toch al snel meer begrip en bijval dan ingewikkelde beschouwingen over de geopolitieke situatie in het nabije en verre Oosten ten opzichte van Europa.

Dit komt overeen met wat mediasocioloog Henri Beunders stelt. TV zou een venster op de wereld worden. We zouden informatie kunnen delen. Maar behalve de sport, blijkt het allemaal fictie. De meest populaire programma’s, ook die uit het verleden, laten onszelf zien hoe we het zouden willen. Niet hoe het is. TV is een feelgoodinstrument. Dat geldt ook voor andere media. Factfree.

Kritischer publiek

Dus: het grote publiek wil geen ingewikkelde feiten, de visionaire politicus heeft ze per definitie niet –want de toekomst is nog geen feit -, de krant wil ze wel. En terecht. Journalistiek is een grote controleur van de politiek. Agendasetting is nog steeds belangrijk. De kiezer wil het gevoel hebben te bepalen welke kant we op gaan met dit land. Dat stelt hogere eisen aan lezers en aan journalisten dan de eenvoudige berichten.

 “Niet de regels maar de uitzonderingen bepalen het publieke debat”. Ja, helaas. Feiten verhogen de kwaliteit van elk debat. Geldt dit ook voor het politieke debat? Voor de korte termijnoplossingen wel. Voor de lange termijn is daar visie voor nodig. En dat vraagt om doortastende journalisten als gesprekspartner.

donderdag, 26 januari 2012

Erik de Graaf

Erik de Graaf

GR

Torenval in Warffum

In warffum, reis door mijn boekenkast, energie, groningen, actie, afval, auto, bibliotheek, de, en meer.

Eerder deze week schreef ik over de bezetting van een boortoren van de Nederlandse Aardolie Maatschappij, de NAM, op 25 januari 1977. De sensationele actie, die veel publiciteit kreeg, wordt beschreven in een hoofdstuk van de roman Torenval van Jan Folkerts. Vijfendertig jaar geleden was Folkerts de journalist van de Nieuwe Revu, die als een van de vijf actievoerders een dag in de 34 meter hoge boortoren zat. Gisteren was hij opnieuw in Warffum om in de bibliotheek uit zijn debuutroman voor te lezen.

Atoomtegenstanders vermoedden in 1977 dat de NAM vanuit een proefboorlocatie in Warffum onderzoek deed naar opslagmogelijkheden voor radioactief afval in de zoutkoepels onder Pieterburen, een kilometer of acht westwaarts. Vijf actievoerders klommen met proviand voor een dagenlang verblijf in de 34 meter hoge boortoren, tot stomme verbazing van de NAM-werknemers en de plaatselijke autoriteiten. In het Provinciehuis in Groningen werd een crisiscentrum opgericht onder leiding van Commissaris van de Koningin Toxopeus. “Voor vijf mensen met vreedzame bedoelingen in een boortoren tuigen ze de boel wel heel erg op”, schamperden de actievoerders in de roman.

Afgelopen zondag schreef ik al dat het mij niet altijd duidelijk was waar de roman op waargebeurde feiten berustte en waar de fictie begon. Een volgens de roman gebeurd ongeluk met grote gevolgen kon niet in overeenstemming met de werkelijkheid zijn, want dan lag dat nog veel verser in de collectieve Warffumer herinnering.

Wie zou ik kunnen vragen om de regionale versie te horen? Ik besloot oud-burgemeester Ayolt Kloosterboer van Warffum te bellen. De inmiddels 96 jaar oud-bestuurder herinnerde zich de actie nog als de dag van gisteren. Zo vaak was er tenslotte niet zoiets aan de hand in het 2500 inwoners tellende dorp. Hij vertelde me over de risico’s, die de actievoerders hadden gelopen. Ze wisten bijvoorbeeld niet dat de NAM elk moment op twee kilometer oer het aardoppervlak het gas kon bereiken, vertelde Kloosterboer. "Als het boorgat dan niet op tijd zou worden toegedekt bestond er een gevaar op een zogenaamde blow out, waarbij gas aan het aardoppervlak komt”, aldus Kloosterboer. Dat was de reden dat het crisisteam de actie zo snel mogelijk wilde beëindigen. Of de arbeiders van de NAM zich van dat gevaar bewust waren valt te betwijfelen als je op oude filmpjes ziet hoe ze naast het boorgat staan te roken.

In Groningen werd enkele uren na het begin van de actie besloten om de bezetters met een brandspuit uit de boortoren te jagen. Kloosterboer weigerde dat bevel op te volgen. Hij wist dat dat met de kou en de snijdende wind op een smalle, 34 meter hoge toren te gevaarlijk was. Ter plekke werd op zijn initiatief een hoogwerker in elkaar gelast, waarmee de bezetters in de loop van de avond naar beneden werden gehaald. Toen Kloosterboer ’s avonds bij het crisiscentrum in Groningen verscheen begroette Commissaris van de Koning Toxopeus hem met de woorden “daar is de man die mijn bevel niet heeft opgevolgd”. Kloosterboer antwoordde dat het wél goed was afgelopen, waarop Toxopeus hem feliciteerde en zei dat hij het goed had gedaan.

De boortorenbezetters werden de volgende ochtend vrijgelaten. Dezelfde dag bereikte de NAM het gas onder Warffum. Volgens Kloosterboer had het slecht kunnen aflopen als dat tijdens de bezetting was gebeurd. De actievoerders waren zich daarvan niet bewust. In de roman komt het niet aan de orde.

Erik de Graaf

zondag, 22 januari 2012

Erik de Graaf

Erik de Graaf

GR

Occupy in Warffum 1977

In warffum, energie, actie, afval, agenda, bibliotheek, de, fictie, journalist, en meer.


Occupy in Warffum. Deze week is het 35 jaar geleden dat ten noorden van Warffum een boortoren van de Nederlandse Aardolie Maatschappij, de NAM, door actievoerders werd bezet. Op 25 januari 1977 beklommen vijf actievoerders, waaronder een journalist en een fotograaf van de Nieuwe Revu, het bouwwerk, op de grond ondersteund door enkele tientallen actievoerders.

In de jaren zeventig overwoog het kabinet-Den Uyl (1974-1977) serieus om radioactief afval op te slaan in zoutkoepels in Noord-Nederland. Behalve de Drentse plaatsen Anloo, Schoonloo en Gasselte waren ook de Groningse dorpen Onstwedde en Pieterburen in beeld. De bevolking in Noord-Nederland was fel tegen. Gemeenteraden en Provinciale Staten keerden zich tegen de kabinetsplannen. De anti-atoombeweging floreerde.

Atoomtegenstanders uit Pieterburen vermoedden dat de NAM vanuit een proefboorlocatie in Warffum stiekem onderzoek deed naar de opslagmogelijkheden voor radioactief afval in de zoutkoepels onder Pieterburen, een kilometer of acht westwaarts. De vijf actievoerders klommen met proviand voor een dagenlang verblijf in de 34 meter hoge boortoren, tot stomme verbazing van de NAM-werknemers en de plaatselijke autoriteiten. Na een bezetting van tien uur in regen en windkracht 9 stapten ze in een hoogwerker van de Mobiele Eenheid. Actie ten einde.

Eind 2011 verscheen de roman Torenval van Jan Folkerts. Folkerts was de journalist, die in 1977 de boortoren bezette. De huidige gemeentesecretaris van het Friese Littenseradiel beschrijft in zijn debuutroman zijn werkzaamheden voor de linkse familieweekblad Nieuwe Revu, dat in die jaren veel aandacht schonk aan de anti-atoombeweging en niet terugdeinsde voor “participerende journalistiek”.

Torenval biedt een mooi beeld van de activistische sfeer van de tweede helft van de jaren zeventig. De roman leest als een sleutelroman, waarin voor de “gemiddelde milieuactivist uit Warffum en omgeving”(pff, wie is dat?) wel een paar hoofdpersonen “ontsleuteld” kunnen worden. Wat dan opvalt is de continuïteit. Niet alleen deelt de anti-atoomonderzoeker Marc van Dam nog steeds zijn enorme kennis over energievraagstukken met de milieubeweging, maar dan onder eigen naan. Ook Pieterburen voert in feite nog dezelfde actie. Nu tegen de Franse energiegigant EDF, die de zoutkoepels onder het dorp voor gasopslag wil misbruiken.

Frappant is dat ook de huidige Pieterbuurster actievoerders vrezen dat EDF met een dubbele agenda werkt en in werkelijkheid radioactief afval onder het dorp wil opslaan. Pieterburen Tegengas als erfgenaam van de Atoom Alarmgroep Pieterburen.

Niet overal in Torenval is duidelijk waar de factie eindigt en de fictie begint. Op donderdag 25 januari komt Jan Folkerts in de bibliotheek in Warffum om de 35e verjaardag van Occupy Warffum met een lezing te vieren.

Erik de Graaf

donderdag, 19 januari 2012

Saskia van der Werff

Saskia van der Werff

Twitter

Uitgedaagde sukkel! #WOT 3

In filosofie, humor, uitdagen, wot, gesprek, inzicht, #wot, auto, fictie, en meer.
Mijn hond Valentino beheerst de kunst van het uitdagen tot in de puntjes van zijn pootjes. Met zo’n schattig scheef koppie kijken, zijn frisbee naast me op de grond leggen,  zijn neus voorzichtig tegen mijn been duwen, luidruchtig gelukkig zijn als mijn auto richting bos afslaat….. En ik ben zo’n sukkel die daar op ingaat. Eigenlijk tegen beter in, want de wetten van de Mechelse herder staan als een rode vlag in mijn geheugen gegrift. Maar wat doe ik als ik geconfronteerd wordt met regel 10 “Als ik iets aan stukken scheur, zijn alle stukjes van mij’? Ik kan mijn lachen niet inhouden. Met mijn lachen daag ik Valentino nog meer uit en vele stukjes plastic vliegen om mijn hoofd. Beiden breed lachend! Waarom toch laat ik me door een hond uitdagen?
      Deze vraag prikkelt mij op zoek te gaan naar de kracht van het uitdagen.  Wat doet Valentino toch zo goed? Waarom val ik als een sukkel voor zijn geblaf, gepiep, gekwispel, gestaar? Omdat hij mij in mijn hart raakt, en mijn hart laat zich makkelijk verleiden. Maar wil dit dan zeggen dat als iemand mij niet in mijn hart raakt, een uitdager geen voet aan de grond krijgt? Er zijn meerdere manieren om iemand uit te dagen naast verleiding. Humor kan dat ook. Ik weet niet precies waar humor mij raakt, maar de lach bevrijdt en prikkelt tegelijkertijd. Een klein grapje ter illustratie:

“Een multinationale onderneming zoekt per advertentie een secretaresse. Een mechelse herder solliciteert, komt door de typetekst en krijgt een gesprek. ‘Spreekt u ook een of andere buitenlandse taal?’ vraagt de personeelschef. ‘Miauw’ antwoordt de hond.” (uit Plato en zijn kornuiten van Cathcart&Klein)
      Wat dit grapje voor mij zo interessant maakt is de eenvoudige vermenging van werkelijkheid en fictie. Iedereen weet dat honden niet kunnen typen, noch miauwen, en zeker geen personeelsadvertenties kunnen lezen. Toch daagt een grapje uit. Het kan het begin zijn van een ‘Wat als…..’. gedachte-experiment. Dit grapje is voor mij interessant omdat het veel overeenkomsten vertoont met de filosofie. Zowel het grapje als filosofie zijn erop gericht ons in verwarring te brengen. Wat voor de moppentapper de clou is, is voor de filosoof inzicht. En daarom houd ik zo van filosofie: het daagt mijn geest uit paden te bewandelen waar ik niet eerder ben geweest. Mag ik je uitdagen: wandel met mij mee in de wereld van de sukkels!
 

Mijn hond Valentino leeft regel 10 na
* #WOT Write On Thursday. Dat is waar #WOT voor staat. Een initiatief van Karin Ramaker. Iedere donderdag presenteert zij een woord waarmee vele bloggers aan de slag gaan. Deze week het woord "Uitdagen".

dinsdag, 10 januari 2012

Robert Giesberts

Robert Giesberts

Wet op Uitgestelde Teleurstelling

In samenleving algemeen, wat was en wat komt, 2012, hoop, teleurstelling, actualiteit, blog, cda, communistische, en meer.

Zal 2012 het jaar worden waarin Poetin alsnog van het politieke toneel in Rusland verdwijnt en dit toneel meer werkelijkheid en minder fictie gaat kennen? En zal in 2012 in Egypte de lente wel definitief doorbreken, evenals in Libië en Tunesië? Wordt Obama herkozen? En nemen de Chinezen via Weibo definitief afscheid van de tucht en orde die ‘hun’ communistische partij hen oplegt? En is eind 2012 de eurocrisis vooral een akelige herinnering, net als het kabinet van CDA, VVD en PVV?

We zijn geneigd altijd te optimistisch te zijn. Ik tenminste. Dus als ik de vragen zou vervangen door stellige overtuigingen neem ik een zware hypotheek op mijn persoonlijke gemoedsrust. En zware hypotheken zijn ongezond. Dat hebben de afgelopen jaren me wel geleerd. Konden we de toekomstverwachting maar op huurbasis aannemen en medio 2012, als het tegenvalt of juist meevalt, verkassen naar een nieuwe verwachting. In gelul schijn je niet te kunnen wonen, maar in verwachtingen is het soms goed toeven. Daar kun je aardig gesust door worden. Tot het gordijn van Actualiteit ruw open gaat en je je verwachting ziet verdwijnen als mist opgejaagd door de zon.

Maar goed, dit alles is hypothetisch en metagnomie is niet mijn ding. Op 2012 zal ik waarschijnlijk met net zo veel wrevel en teleurstelling terugkijken als 2011. Dat weet ik bijna als een wetmatigheid omdat voor 2011 zich jaren heb neergelegd die eenzelfde soort van gevoelens en gedachten achter hebben gelaten. En toch klinkt me dat ook weer te somber. Want al telt elk jaar afzonderlijk toch weer zijn dikke zware randen: decenniumgewijs voel ik me toch positief gestemd. Dat lijkt een vreemde tegenspraak. De som van de grijze delen is een soort van wit. Dat klinkt naar de geheime toverformule waar Keuringsdienst van Waren onlangs naar zocht toen ze wilde verklaren hoe uit massa’s grijs gerecycled papier stralend wit WC-papier gefabriceerd wordt. Filteren, filteren en filteren, zei de fabriek. Een stiekem afgeluisterd telefoongesprek wees uit dat dat niet alles was. Misschien dat mijn toverformule in het geheugen ligt en de wens om hoop te hebben. Daardoor kan ik me elk jaar nooit onttrekken aan teleurstelling over wat er wel en juist niet is gebeurd, terwijl over een groter tijdsvlak beschouwd ik allerlei hoopgevende ontwikkelingen zie.

Maar wie weet (zegt die hoopvolle stem in mij) breekt 2012 de Wet op de Uitgestelde Teleurstelling en zie ik over 12 maanden mooie antwoorden op al die boeiende vragen waar ik mijn blog mee begon.

dinsdag, 3 januari 2012

Simon Otjes

Simon Otjes

Last.fm Twitter

Wat is goed politiek drama?

In denenmarken, fictie, politiek, verenigd koninkrijk, verenigde staten van amerika, vergelijkende politiek, oppositie, opvallende, overheid, en meer.

Goed politiek drama slaat een ongemakkelijke balans slaan tussen drie dingen: politiek realisme, een intrigerend plot en meeslepend politiek idealisme. De schets van hoe politiek werkt, moet kloppen, anders gaat het wringen. We zetten de televisie uit als het niet klopt. Maar wil een politiek drama ons meenemen, dan moet er iets gebeuren, we moeten mee genomen worden in een verhaal. Politiek biedt daar mooie mogelijkheid voor: grote belangen, slimme strategen en intrige op het hoogste niveau. Ten slotte wordt een politiek drama alleen echt interessant als we ons met de karakters kunnen identificeren: als zij zich vol idealisme inzetten voor een betere wereld. Ik wil vanuit dit perspectief naar een aantal verschillende politieke drama’s kijken.

Ideal(istisch)e Politici

The West Wing (1999-2006, wiki, een van de vele prachtige scenes) is de touch stone van political drama. Het volgt President Bartlet, de ideale president: een man met de charme van Clinton, de intelligentie van Keynes en de compassie van Carter. Het team om hem heen, zijn woordvoerders, chief of staff, en speechwriters, doen hun best om van dit Presidentschap een succes te maken. De politieke realiteit is weerbarstig, de Democratische President staat tegenover een Republikeins Congres. Ze weten politieke successen te boeken, maar moeten nationaal en internationaal tegenslagen weerstaan. Alle politici hebben het hart op de juiste plek, maar moeten soms vuile handen maken om meerderheden voor hun wetten te vinden en om de wereld veilig te houden. De serie is geprezen om het realistisch beeld dat het geeft van het Amerikaanse politieke stelsel. De serie komt het meest op gang in de laatste seizoenen als de focus wordt verlegd naar de race om het presidentschap tussen een oude, maar onafhankelijk denkende Republikein en een jonge Democratische kandidaat met een etnische afkomst. Vier jaar voor de verkiezing van Obama weet de serie een boel correcte voorspellingen te doen: zelfs de voorspelling dat de Democratische kandidaat uiteindelijk een tegenstrever zou kiezer voor de post van Secretary of State.

Ik denk dat de grote kracht van The West Wing ligt in de combinatie van twee dingen: een realistisch beeld hoe politiek in Amerika eigenlijk werkt, een aanstekelijk politiek idealisme van de hoofdpersonen die geloven dat ze het land de goede kant op kunnen krijgen. Maar het geniale schrijf- en camerawerk maakt het af: door de snelle dialogen en voortdurend bewegend opgenomen scenes wordt je meegezogen in een dynamische politieke wereld die je wel moet volgen. Het enige minpunt is het overall plot: in de eerste seizoenen zijn er veel “political problem of the week”-afleveringen, het grote plot komt pas met de onthulling dat de President ziek is, maar dit niet heeft vertelt. De makers probeerden een Lewinsky-achtige affaire in hun verhaal te verweven: een President die liegt en daarover verantwoording moet afleggen, en zo zijn presidentschap zwaar beschadigt, maar daar zit een stuk minder intrige achter dan je zou verwachten. In de latere seizoenen de race om The White House, niet zo zeer spannend maar wel enthousiasmerend.

"I may be your archnemesis, but I'll come over for Thanksgiving"

Commander-in-Chief (2005-2006, wiki, eerste scene) probeert het succes van The West Wing te kopieren: een onafhankelijke vice-president van de Verenigde Staten wordt president als de Republikeinse president doodgaat. Ze vindt een vijandig Congres tegenover zich en woelt zich door familieproblemen. Ik heb al eerder geschreven dat deze serie een slechte kopie is.

Seks en Politiek

De Lewinsky-affaire is een grote inspiratie voor filmmakers, veel zoeken de relatie op tussen seks en politiek: de nieuwe film The Ides of March (2011, wiki, trailer) van George Clooney verslaat de primary-verkiezing van een linkse Amerikaanse presidentskandidaat door de ogen van een van zijn jonge, ambitieuze, idealistische aides: die stuit op een politieke schandaal. De kandidaat heeft een kind verwekt bij een campagnemedewerker. De aide helpt de medewerker bij een abortus, maar de druk wordt haar te veel: ze pleegt zelfmoord. De aide gebruikt die informatie uiteindelijk om zelf zijn positie in de campagne zeker te stellen. De film lijkt sterk op Primary Colors (1998, wiki, trailer). De plotten vallen min-of-meer samen: een seksueel schandaal, een aide die het geheim houdt. En zo verliest een jonge politicus zijn naiviteit. De herhaling van deze verhalen is ook niet raar, want President Clinton werd door zulke seksuele schandalen achter volgt. Het fundamentele verschillen tussen de twee verhalen is dat in The Ides of March iedereen alles voor zijn eigenbelang inzet, in Primary Colors komt de politieke volwassenwording heel hard aan, maar verandert de naieve jongeling niet in een slag in een berekende Machiavelli. Dat geeft duidelijk een plus aan Primary Colours voor realisme en idealisme.

"I'll be president in four years, sir"

The American President (1995, wiki, trailer) geeft een veel romantischer beeld van de verhouding tussen macht en liefde. The American President gaat over de opbloeiende relatie tussen de Democratische Amerikaanse President, een wedunaar, en een milieulobbyiste. Hun liefde komt onder politieke druk te staan als het wordt gebruikt door de Republikeinen die het als een test zien van de moraliteit van de president. Uiteraard: in deze romantische komedie overwint de liefde alles. De waarheid over macht en liefde zal wel ergens tussen de cynische thriller Ides of March en de zoetsappige romantische komedie The American President in liggen. Het meest interessante aan deze flim is dat hij vier jaar voor The West Wing is gemaakt en dat een aantal acteurs op opvallende plaatsen opduiken: President Bartlet is nu Chief of Staff.

The Contender (2000, wiki, trailer) focust op ook een seksschandaal, dat weer wordt gebruikt als de toetssteen van de moraliteit van een Democratische politicus: nu van de eerste vrouwelijke kandidaat-vice-president van de Verenigde Staten. De kandidaat wordt door de Republikeinen ervan beticht tijdens haar studietijd seks te hebben gehad om lid te worden van een studentenvereniging. De kandidaat zwijgt. Dit brengt haar kandidatuur in groot gevaar. We komen erachter dat ze het niet heeft gedaan, maar dat ze vindt dat politiek hier niet over mag gaan. Een klassieke clash tussen het idealisme van een Democratische kandidaat en het cynisme van het Republikeinse establishment. Maar geeft een realistisch beeld van hoe schandalen worden gebruikt om kandidaten te breken.

Post-Lewinsky cinema kunnen we het wel noemen. Maar ook andere recente gebeurtenissen hebben ook hun weerslag gehad: de legendarische presidentschappen van Nixon en Kennedy zijn ook verfilmd.

Historisch Realisme

The Kennedys (2011, wiki, trailer) reconstrueert de Amerikaanse politieke machine: de Kennedys. Vader Joe Kennedy heeft maar een ambitie: zelf President van de Verenigde Staten worden. Als dat niet lukt, concentreert zijn ambitie zich op zijn oudste zoon. Als die omkomt in de Tweede Wereldoorlog, dan richt hij zich op zijn een-na-oudste zoon: John F. Kennedy. Kennedy heeft dezelfde krachten en zwakten als zijn vader: een politiek genie, maar in de relatie met vrouwen uitermate onbetrouwbaar. Alle middelen, inclusief keiharde verkiezingsmanipulatie, worden ingezet om verkozen te worden: zelfs de maffia steunt hen. JFK schopt het tot president. We volgen het presidentschap van Kennedy: statesmanship in de Cuban Missle Crisis (ook mooi verslagen in Thirteen Days (2000, wiki, trailer)). De communicatie tussen de wereldleiders gaat in punten en komma’s van officiele verklaringen. En uiteraard het politiek idealisme in de strijd tegen segregatie. We weten dat het presidentschap van Kennedy bloedig eindigt. Zijn broer Bobby neemt de fakel over en betaalt dat ook met zijn leven.

Over het realisme van zulk politiek drama wordt vaak gezeverd: maar dat gaat over kleine details. Het algemene beeld van politiek dat er geschetst wordt klopt. De Kennedys werden gedreven door hun ambitie om seksuele en politieke veroveringen te boeken en om Amerika iets eerlijker te maken. Daarvoor waren alle middelen geaccepteerd. De nationale politieke realiteit blijkt weerbarstig, maar de internationale politieke realiteit is nog weerbarstiger. We delen de politieke ambities van de Kennedys in de strijd tegen segregatie, maar de alle middelen zijn geaccepteerd-mentaliteit gaat soms te ver.

Een alle middelen zijn geaccepteerd-mentaliteit staat ook centraal in All the President’s Men (1976, wiki, trailer) dit volgt de journalisten die het Watergate schandaal ontdekten. Het is misschien niet zozeer een politiek drama als een journalistieke thriller. Ze stuiten via een simpele inbraak in een hotelcomplex op een samenzwering rond de Republikeinse Amerikaanse president Nixon om met het  Democratische hoofdkwartier af te luisteren. Om hun macht te behouden zijn politici tot alles in staat. De journalisten zijn echter oprecht op zoek naar de waarheid … en een goed politiek verhaal. In Frost/Nixon (2008, wiki, trailer) legt Nixon verantwoording af bij de journalist Frost. De interviews

"I'll be prime-minister of Britain one day, I promise"

hebben echt plaats gevonden, maar de verfiliming geeft de context realistisch weer: een sluw politiek genie die een tweede rangs-journalist wil gebruiken om zijn onschuld te bewijzen, en een jonge journalist die zich graag wil bewijzen door een zo groot mogelijke scoop te halen.

Het grote nadeel van zulke films is dat we het einde al weten: je weet dat in de laatste scene van The Kennedys RFK wordt doodgeschoten, je weet dat de wereld niet is vergaan tijdens de Cuban Missiles Crisis en je weet dat, hoe hij het ook probeert te ontkennen, Nixon een crook is.

Maar ook de recente geschiedenis inspireert: Too Big to Fail (2011, wiki, trailer) verslaat een episode uit de Amerikaanse bankencrisis, namelijk hoe in een heel korte tijd de grote banken van Amerika gered moeten worden (het is zo een interessant zusje van de financiele thriller Margin Call (2011, wiki, trailer) over de nacht dat een bank instort). Too Big to Fail geeft een mooi inzicht in hoe de besluitvorming loopt: met niet-meewerkende bankiers, eigenwijze senatoren en grote belangen.

Brits Cynisme

Welke is echte echt en welke een kopie?

De Amerikaanse politiek staat uiteindelijk veraf van wat wij in Europa gewend zijn: een parlementair stelsel met een premier en onafhankelijke professionele bureaucratie. Politici hebben niet het vermogen om de wereld te veranderen, noch de intelligentie daarvoor. Politiek is wat er gebeurt op televisie, terwijl ambtenaren de dienst uit maken. Dat is in elk geval de indruk die we krijgen van de Britse serie Yes, Minister/Yes, Prime Minister (1980-1984, wiki, een klassieke scene). Dit is een klassieke Britse sitcom uit de jaren ’80: een catchphrase, hoge grapdichtheid en niet meer dan drie karakters: de politicus die denkt hij iemand is, maar dat niet is, de sluwe topambtenaar en de aangever, de persoonlijke secretaris van de minister. Maar daar achter zit een cynisch-realistisch beeld van de politiek. Een minister weet in een periode van vier jaar niets te bereiken, de echte macht ligt bij de honderden ambtenaren die er jaren zitten, en in het bijzonder de topambtenaren. Het was de favoriete serie van de toenmalige premier Margaret Thatcher zelf, die een even cynisch beeld had van de overheid.

De VPRO heeft, overigens, recentelijk geprobeerd de serie te kopieren, zonder succes (Sorry Minister, 2009, wiki, een overduidelijk gekopieerde scene).

Yes, I'm Evil

Nog cynischer dan Yes (Prime) Minister is de serie House of Cards (1990, wiki, klassieke scene), To Play the King (1993, wiki, nog zo’n klassieke scene) en The Final Cut (1995, wiki, een laatste klassieke scene). Ik schreef hier al eerder over. Het volgt de fictieve politieke carriere van Francis Urquhart (F.U.) een machiavellistische politicus. Urquhart wil alles doen om zijn macht te vergroten. In House of Cards elimineert hij een-voor-een zijn mogelijke concurrenten als conservatieve partijleider door seksschandalen te creeeren en reputaties van mensen te vernietigen. Het kost uiteindelijk het leven van zijn politieke assistent. Urquhart begint een relatie met een jonge journaliste die geintrigeerd is door het charisma van de macht. Ze komt achter zijn plannen. Urqhart vermoordt ook haar. In To Play the King is Urquhart premier geworden aan gaat hij de strijd om de macht aan met de idealistische koning, die zich verzet tegen het rechtse beleid van de regering. Urqhart dwingt hem uiteindelijk af te treden voor zijn nog zeer jonge zoon. In The Final Cut probeert Urquhart zijn pensioen zeker te stellen door in de laatste dagen van zijn premierschap een oliedeal te regelen waar hij zelf voordeel van heeft. Als dit dreigt uit te komen, laat zijn vrouw, die in de hele serie een soort Lady Macbeth is geweest, hem vermoorden om zijn reputatie te bewaren. Dit niveau van intrige gaat veel verder dan echte politiek, of zelfs de Amerikaanse politieke thrillers. Waar in het begin de kijker, net als de jonge journaliste geintrigeerd is door de machtpoliticus Urquhart, eindigt hij als een karikatuur. Deze triologie is een interessante studie van absolute macht, maar staat wel ver van de politieke realiteit.

"I told you I'd prime-minister one day."

Blair werd voor 2003 gezien als een politicus van een ander slag dan de cynische conservatieven. Een man die als geen ander kan communiceren, mensen enthousiast kan maken voor een progressief verhaal. In het drieluik The Deal (2003, wiki, laatste scene), The Queen (2006, wiki, trailer) en The Special Relationship (2010, wiki, trailer) zien we hoe Tony Blair, een jonge ambitieuze hervormer, begint aan een politieke carriere onder mentorschap van de norse Gordon Brown, die door Blair wordt gezien als de natuurlijke partijleider. Hij groeit uiteindelijk boven Brown uit. Blair kan premier worden. De relatie verzuurt: in de politieke realiteit is The Deal nodig tussen de twee. Eerst acht jaar Blair, dan de kans voor Brown. The Queen begint met het aantreden van Blair, die zich tegenover de Britse Koningin moet verhouden. Het opent met een prachtige scene waarin de Koningin een jonge Blair, die net de verkiezingen heeft gewonnen, terecht wijst over het protocol: Blair mag de Koningin niet vragen hem te benoemen als premier. De Koningin moet hem vragen premier te worden. De dood van Prinses Diana is een schakelpunt: Blair weet het publieke sentiment na de dood van Diana veel beter in te schatten dan de koele afstandelijke Koningin. Blair moet de Koningin overtuigen menselijkheid te tonen. The Special Relationship focust op de relatie tussen Blair en Bill Clinton. Clinton nodigt de Blair, als leider van de oppositie uit in het Witte Huis. Hij ziet in Blair een mooie mogelijkheid om een gelijkgezinde centre-left progressive politicus aan de macht te helpen. Clinton geeft Blair advies als hij eenmaal premier is geworden. De twee leiders komen in conflict over Kosovo. Blair wil veel harder ingrijpen dan Clinton. Dat wil hij uit politiek idealisme: de wereld moet vrij worden gemaakt van dictatuur. Hij forceert Clinton, die ondertussen door seksschandalen politiek is verzwakt, om in te grijpen. Twee jaar later is een verzuurde Clinton president af en zoekt Blair een nieuwe relatie met Bush. De politieke kernboodschap van de drie films is dat politiek niet over grote idealen of grote schandalen, maar over persoonlijke relaties gaat. Blair groeit iedere keer als leerling boven zijn meester uit, wat de relaties onder druk zet.

"Another actor to play Blair, how dare you."

Een aanzienlijk cynischer beeld van het premierschap van Blair spreekt uit uit de Amerikaanse film the Ghost Writer (2010, wiki, trailer). De film gaat over een ghost writer die de memoires moet schrijven van een voormalige Britse premier. De premier, een duidelijke kopie van Blair, was heel populair in eigen land en bij de Amerikaanse regering. Zijn reputatie is echter onder druk gekomen vanwege zijn steun aan de War against Terror. De schrijver komt erachter dat de premier letterlijk door de Amerikanen aan de macht geholpen is: in zijn studietijd is hij gekoppeld aan een vrouw die hem stimuleerde om premier te worden en daar het Amerikaanse belang te dienen. Een vermakelijke speculatie, maar geen diepzinnige politieke analyse. Een soort Manchurian Prime Minister eigenlijk (cf. Manchurian Candidate 1962, 2004, wiki, wiki, trailer, trailer)

Van Eigen Bodem

Twee Bernhards

In Nederland hebben we het ook geprobeerd: politiek drama van onze eigen bodem. Den Uyl en de Affaire Lockheed (2010, wiki, trailer) volgt de Nederlandse premier Den Uyl die probeert een schandaal rond de Kroon te voorkomen. Het conflict tussen de linkse idealen van Den Uyl en de politieke realiteit worden mooi weergegeven door Den Uyl zowel te volgen in zijn eigen familie, waar zijn eigen zoon Den Uyl veroordeelt voor het creeeren van een doofpot en op het Paleis, waar hij keihard met de politieke realiteit wordt geconfronteerd. De affaire en Den Uyl spelen een bijrol in Bernhard, Schavuit van Oranje (2010, wiki, trailer). Dit legt vrij realistisch het politieke leven van Bernhard langs het politieke leven Maxima. Bernhard, geniaal gespeeld door Daan Schuurmans, vindt zichzelf eigenlijk te groot voor Nederland: tijdens de Tweede Wereldoorlog werkt hij mee met staatslieden, in het na-oorlogse Nederland wordt zijn positie steeds marginaler. Maar de sluwe vos weet, zo speculeert de serie op basis van het script van Thomas Ross, een laatste zet te maken: hij haalt Maxima naar Nederland om de zwakke kroonprins bij te staan, zoals ook hij ooit naar Nederland is gehaald om de zwakke kroonprinses bij te staan.

Dat is wel een hele subtiele verwijzing.

Een stuk zwakker is Vox Populi (2008, wiki, trailer). Het volgt de politiek leider van RoodGroen (ja, dat is een heel subtiele verwijzing), Jos Fransen, die in een midlife crisis is beland. Via de nieuwe vriend van zijn dochter komt hij in contact met “gewone burgers”. Hij merkt dat hij het goed doet in de peilingen als hij de taal van deze gewone burgers uitslaat op televisie. Maar daarmee breekt hij wel met zijn eigen politieke programma. De peilingen en zijn affaire met een stagaire slaan hem naar de bol. En uiteindelijk besluit hij te migreren. De film is weinig realistisch: het gaat uit van populistisch idee dat er een kloof tussen burger en bestuur is en dat kiezers naar iedere politicus neigen die daarover heen stapt. Wat de film precies wil zeggen over politiek is mij onduidelijk: het lijkt me eerder een film over een man in een midlife crisis die toevallig politicus is. Het enige interessante is het hoge aantal cameo’s van ‘echte’ politici, journalisten en opiniemakers.

De Burcht

Een Nederlandse The West Wing is er dus niet. Het meest dichtbij komt Borgen (vanaf 2010, wiki, bijbehorende website). Borgen volgt de Deense politica Birgitte Nyborg, die onverwacht premier wordt. We volgen de complexe relaties tussen politici, de media en voorlichters en de reprecussies van politieke carrieres op het thuisfront. Nyborg, de leider van de sociaal-liberale partij Moderate wordt onverwacht premier, als de leider van de grote sociaal-democratische partij en de leider van de grote liberale partij verwikkeld raken in een moddergevecht over politieke schandalen op de laatste dagen van de verkiezingen. Nyborg vormt een minderheidskabinet van groenen, sociaal-democraten en sociaal-liberalen dat soms steun moet vinden bij de uiterste linkse Solidarisk Samling en soms bij de centrum-rechtse Ny Nojre. Binnen de coalitie staan de weinig sympathieke sociaal-democraten, die zich als de natuurlijke machtspartij zien, klaar om Nyborg een dolk in de rug te steken. Het partijenstelsel is overduidelijk gebaseerd op het Deense, maar doet sterk denken aan het Nederlandse stelsel: van rechtse xenofobe populisten tot regenteske sociaal-democraten, het is wel heel herkenbaar. De serie wordt soms gezien als politiek naief omdat Nyborg nogal amateuristisch is en er vaak alleen voor lijkt te staan, maar Nederlandse politici zijn allemaal amateurs. Tegelijkertijd volgt het plot de jonge journaliste Fonsmark, wiens carriere een plotseling sprong maakt. Zij probeert haar onafhankelijke journalistieke positie te beschermen tegen de druk van de politieke macht en niet altijd welwillende collega’s. Ze worden verbonden door Kasper Juul, de sluwe spindokter van de premier: een echte machtspoliticus die prachtige speeches kan schrijven en die een relatie had met Fonsmark.

De serie is gemaakt door de makers van The Killing, een politiethriller. En dat is het enige nadeel: er is een grote neiging om lijken naar beneden te gooien als een soort Deus Ex Machina. De serie opent met de politiek assistent van de liberale premier die sterft in de kamer van Fonsmark (met wie hij een relatie heeft) en voor zijn baas belastend bewijs achterlaat voor Juul om te vinden. En zo zitten er wel meer weinig realistische thriller-achtige twists en turns in.

Veel realistischer is de weergave van de relatie tussen seks en macht. De premier en haar man groeien uit elkaar: hij moet zijn carriere opgeven voor haar. Zij heeft het veel te druk om intiem te zijn met hem. Het huwelijk valt uitelkaar: niets geen spannende one-night-stands maar een opdrogend huwelijk.

We zien een prachtig en herkenbaar beeld van politiek achter de schermen in een parlementair stelsel. Hierin probeert de premier trouw te blijven aan haar sociaal-liberale idealen, terwijl de media en haar coalitiepartners dat proberen te dwarsbomen. Een prachtige serie dus, het enige probleem is dat de schrijvers denken dat ze bovenop alle politiek ook nog een extra dramatisch plot nodig hebben, dat niet bijdraagt aan het politieke verhaal.

In Conclusion

De meest realistische films zijn de historische drama’s. Het minst realistisch zijn volgens mij Vox Populi en The Manchurian Candidate. Het meest idealistisch zijn The Contender en The West Wing. Een hele serie films en series zijn uitermate cynisch. Het spannendst is The Contender, samen met Primary Colors, Ides of March en House of Cards. Daarin kan je echt niet voorspellen hoe het plot zich ontwikkeld. Commander in Chief, Yes, Prime Minister/Sorry, Minister en Vox Populi zijn aanzienlijk voorspelbaarder. Dat geeft een tie aan de top (The Contender/The West Wing) en een duidelijke verliezer: Vox Populi.

maandag, 2 januari 2012

Alicia Hobbel

Alicia Hobbel

Hyves Twitter

Gelezen in 2011

In boek, boeken, dagelijks leven, discriminatie, emancipatie, eten, fans, fictie, film, en meer.

Ieder jaar neem ik me voor meer te lezen. Ik kan zeggen dat dat in 2011 gelukt is, maar dat kwam dan vooral omdat ik in 2010 helemaal schandalig weinig boeken opengeslagen heb.

De teller is blijven hangen op… *tromgeroffel*…. 11

Gelukkig waren het wel bijna allemaal boeken die enigszins de moeite waard waren. Niets zo erg als 300 pagina’s door een boek ploegen en je constant afvragen wanneer het nou gaat komen. Daar had ik dit jaar gelukkig weinig last van. En de boeken waarbij dat het geval was, heb ik gewoon weer opzij gelegd.

1. The woman who walked into doors - Roddy Doyle

Lang geleden heb ik The Snapper gelezen van Doyle en ik vond het verschrikkelijk. Waarschijnlijk was ik toen ook nog te jong om het sociale aspect van het boek helemaal te begrijpen. Doyle heeft met dit boek nog een herkansing gekregen. Hij schrijft over een vrouw die door haar man mishandeld wordt en over hoe ze hem er uiteindelijk uit zet. Het was aardig om te lezen, maar niet meer dan dat.

 Hoe een vrouw zo ver komt om zo’n leven te accepteren werd me er niet duidelijker door, al te veel emotionele diepgang kon ik er niet in ontdekken en qua schrijfstijl is Doyle niet bijzonder. Het leest vlot weg, maar daar is dan ook alles mee gezegd. Ik geloof niet dat ik snel nog een boek van Doyle op zou pakken.

2. Alleen maar nette mensen van Robert Vuijsje.

Na alle ophef over het boek, was ik nieuwsgierig. Ik hou niet van hypes, maar wilde uiteindelijk toch weten of het echt zo fout was als het klonk. Ik moet eerlijk bekennen dat ik het boek met plezier gelezen heb. Het is grappig geschreven. De scène waar de hoofdpersoon met zijn upperclass ouders gaat eten bij zijn vriendin thuis, is me bijvoorbeeld bijgebleven. Zijn  moeder vraagt haar hoe het gerecht wat ze eten heet.

“Is dit Surinaams? Hoe heet dit?”

“Kip met rijst en groente.”

“Ja maar hoe heet het?”

“Kip… met rijst en groente.”

Dit soort humor maakt in alle eenvoud toch duidelijk in wat voor verschillende werelden mensen leven en dat vind ik positief aan dit boek. Wie vindt dat de auteur discrimineert en vrouwonvriendelijk is, weet niet waar de grens ligt tussen fictie en werkelijkheid. Het is misschien geen Mulisch met vier verschillende verhaallagen, maar het lijkt me een goed boek om jongeren op middelbare scholen te laten lezen; een mooie opening om het te hebben over discriminatie, emancipatie, klasse, liefde en seks.

3. De Wetten –  Connie Palmen

Ik vind Connie Palmen, die verderop nog een keer op mijn lijst voorkomt, een intrigerend mens. Ik herken veel van mezelf in haar en haar boeken, zelfs in haar schrijfstijl. Ik vond De Wetten echter een net niet-boek. Het concept is leuk: verschillende mannen in het leven van de hoofdpersoon, die allemaal hun eigen wetten hanteren om het leven te structureren en begrijpen. Niet alle hoofdstukken komen echter goed uit de verf en de karakters missen vaak diepgang. Storend vind ik soms de focus op de reflectie van de hoofdpersoon op haar relaties met al deze mannen. Dat haalt het niveau van het boek een beetje naar beneden, alsof je de brievenrubriek van de Viva zit te lezen. En de schrijfstijl van Palmen is ook zoals altijd eentje die me net niet helemaal ligt: ik hou altijd het gevoel dat haar woorden net niet helemaal soepel uit de pen vloeien.

4. Turks Fruit - Jan Wolkers

Door vele jongens gelezen bij gebrek aan pornoboekjes. Dat belooft wat… Maar afgezien van de soms wat geforceerde shockelementen, de ‘vieze woorden’, vond ik het heel mooi geschreven. Eenvoudig, vloeiend, gedetailleerd en niet emotieloos.

5. De Vriendschap - Connie Palmen

In tegenstelling tot De Wetten wist De Vriendschap me wel te boeien. De manier waarop de hoofdpersoon omgaat met vriendschap, haar manier van gehecht raken aan mensen, haar relatie met fysieke intimiteit en haar positie op school zijn allemaal herkenbaar. Relaties en intimiteit zijn een terugkerend thema in Palmen en is vermoedelijk waarom ze me zo fascineert, omdat ik er net zo mee worstel.

6. De ruimte van Sokolov - Leon de Winter

Het verhaal moet even op gang komen, maar dan wordt het ook wel spannend. Sokolov werkt in de ruimtevaart in Rusland en door een ongeluk met een raket raakt hij zijn aanzien en positie kwijt. Hij glijdt af en vlucht uiteindelijk naar Israël, waar hij door een vroegere klasgenoot en ex-collega uit de goot getrokken wordt en in een crimineel web terecht komt. Het boek bevat wat aardige elementen, vragen met betrekking tot klasse, identiteit en het conflict tussen normen en waarden enerzijds en zelfbehoud anderzijds. Uiteindelijk is voornamelijk een literaire thriller - een boek voor op het strand voor de literaire snob. 

7. De Harm en Miepje Kurk Story - Remco Campert

Zo’n lichtgewicht dat ik me letterlijk niet meer kan herinneren waar het over gaat.

8. Daisy Miller - Henry James

Het gaat over een man die tijdens zijn reis een jongedame ontmoet, Daisy Miller, die zich niet houdt aan de conventies van die tijd. De hoofdpersoon heeft een onsympathiek karakter – voor zover sprake is van enig karakter – en het boekje is voornamelijk een omschrijving van handelingen en gedachten zonder al te veel diepgang. Kort samengevat vindt hij Daisy interessant zolang ze aandacht aan hem besteedt, maar zodra ze met een ander uit wandelen gaat, rent hij er onder invloed van anderen achteraan om haar te waarschuwen dat dat echt niet kan. De belevingswereld van Daisy blijft een mysterie en Daisy sterft uiteindelijk aan een ziekte die zij opliep tijdens een avondwandeling met een man, na daarvoor gewaarschuwd te zijn door de hoofdpersoon. Straf voor haar wangedrag, zou je denken. Het boekje is symbolisch voor de relatie tussen oude wereld (hoofdpersoon Winterbourne) en de nieuwe wereld (Daisy Miller) en verwijst naar plaatsen die vroeger belangrijke rollen speelden in de literatuur en literaire werken die nu niet meer bekend zijn. Daardoor is het echter niet bepaald een tijdloos werk en is het moeilijk te waarderen als iets anders dan een onderdeel van de literaire geschiedenis.

9 & 10. Eragon en Eldest - Christopher Paolini

Een mens heeft af en toe ontspanning nodig of een mogelijkheid om te ontsnappen aan het dagelijks leven. Na het zien van een slechte verfilming van Eragon



 en het lezen van de reacties van fans, dat – zoals gebruikelijk – het boek beter was dan de film, besloot ik het boek te bestellen. 

Christopher Paolini was pas 15 toen hij de eerste versie van Eragon op papier zette. Misschien was de hoofdpersoon daarom ook een jongen van die leeftijd, maar afgezien daarvan is het bijna niet voor te stellen dat zo’n jong iemand zo’n boek kan schrijven. Het verhaal zit goed in elkaar en er is veel aandacht besteed aan de namen en de verschillende talen van de karakters in het boek. Paolini heeft bijzonder veel aandacht voor details, dat maakt het levendig.

11. Sexing the Cherry - Jeanette Winterson.

Absoluut mijn favoriete boek van het
afgelopen jaar. Wintersons stijl heeft veel weg van die van Angela Carter. Het boek bevat veel fantastische elementen, speelt met tijd, ruimte en gender. Een must-read voor liefhebbers van Carter en voor feministische boekenwurmen.


zondag, 16 oktober 2011

Frank Hemmes

Frank Hemmes

Europese identiteit in tijden van crisis

In politiek, burger, schuldencrisis, solidariteit, europese, grieken, identiteit, idee, burgerschap, en meer.
Nu dankzij voortduren van de Europese schuldencrisis Europese solidariteit onder druk komt te staan, dringt het vraagstuk van een Europese identiteit zich op. Voelen we ons voldoende Europees burger om ook de Europeanen buiten onze grenzen te helpen? Of is het idee van een Europees burgerschap een fictie, en zijn we niets anders dan Grieken, [...]

donderdag, 30 juni 2011

Pepijn Oomen

Pepijn Oomen

Hyves Twitter GR

Gelezen: fictie

In gelezen, algemeen, antisemitisme, humor, tweede wereldoorlog, de, fictie, geschiedenis, boek, en meer.
Lezen. Wat doe je anders op huwelijksreis? Nu even de fictie, volgende week de rest!

Jenna Blum, Het familieportret
Geen groots en meeslepend boek, wel een ingetogen familiegeschiedenis. Hoofdpersoon is de dochter van een naar de VS geëmigreerde Duitse, die geobsedeerd raakt met de rol die Duitse vrouwen in het algemeen en haar moeder in het bijzonder in de Tweede Wereldoorlog speelden. Ook wel: hoe WOII ook bij de tweede generatie tot trauma's leidt.

Thea Beckman, Stad in de storm
Had ik nog steeds niet gelezen, blij dat ik het - zij het twintig jaar te laat - toch heb gedaan. Het rampjaar 1672 en de nasleep (de "storm" uit de titel slaat ook op de storm van 1674 waarbij de Dom naar beneden kwam vallen) beleefd door de ogen van een jongen op de drempel van volwassenheid met de belangrijkste levensles die de mens kan hebben: er is geen goed en kwaad.

Jonas Jonasson, De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween
Forrest Gump meets The World According to Garp, en dan nog iets meer. Erg vermakelijk boek dat een groot deel van de politieke geschiedenis van de twintigste eeuw omvat en belachelijk maakt.

Howard Jacobson, De Finkler-kwestie
Had vanwege de obsessie van de hoofdpersoon Treslove voor zijn vriend Finkler de Jood eigenlijk een roman van Grunberg kunnen zijn. Met veel humor maar ook met een aantal waarschuwingen naar antisemitisme en doorslaan in rouw. Herlezen waard!

maandag, 2 mei 2011

Alice Karen

Alice Karen

Blogbericht over bloggen

In diaries, philosophies, |2011, twitter, blogs, huis, persoonlijk, politiek, blog, en meer.

Een kijkje achter de virtuele schermen

Bestaat er zoiets als een ‘blogetiquette’, een set van regels waaraan je je als blogger dient te houden?
Nee, mijn blog is sowieso niet conformistisch. Natuurlijk zal ik geen mensen bij name beledigen of dood en verderf schreeuwen, maar dat geldt sowieso voor gedrag in het algemeen en niet alleen voor het schrijven op een blog in het bijzonder. Verder zie ik absoluut geen limitaties in wat voor een content ik hier op plaats. Mijn schrijfstijl zelf lijkt me sowieso niet te aanstootgevend te zijn.

Kan je het als blogger echt over alles hebben?
Ik ben niet van de taboes, ben open wat dat betreft. Wel zijn sommige zaken meer privé dan andere, en dat blijkt uit het feit dat ik hier sommige berichten wachtwoordbeveiligd heb gemaakt. Deze onderwerpen zijn het waard om uitgewerkt te worden, maar zo persoonlijk dat ik ze niet voor het hele wereld wijde web beschikbaar stel. In plaats daarvan kan het wachtwoord op verzoek worden opgevraagd en dan beslis ik of diegene het krijgt. Het is maar een select groepje dat kan inloggen bij deze beveiligde berichten.

Publiceer je wel eens een ouder postje opnieuw, of is dat not done?
Als een blogpostje opnieuw gepubliceerd wordt alleen maar vanwege een ziekelijke neiging tot zo veel mogelijk volgers, vind ik het een beetje achterlijk, eerlijk gezegd. Bloggers moeten dat zelf weten, maar ikzelf publiceer niet gauw een oud postje opnieuw. Ik val niet graag in de herhaling, maar ontwikkel graag verder. Een andere manier is om de datum van een al bestaande post te wijzigen, maar de vraag is dan natuurlijk wel hoe actueel dat bericht of het onderwerp dan nog is. En of er niet nog iets nieuws over gezegd kan worden, want dat kan ik wel waarderen.

Wat maakt je blog boeiend, of omgekeerd waaraan herken je een saaie blog?
Saaie blogs kennen te weinig variatie en doen ook niet echt iets unieks, maar soms wel aan een overdosis aan promotie. Ik sta eigenlijk helemaal niet stil bij de vraag of mijn blog boeiend is voor anderen. Voor mij is hij boeiend genoeg omdat ik er mijn gang kan gaan en het voor mij een persoonlijke geschiedenis vormt ook, al die berichten bij elkaar, als een soort peiler van mijn persoonlijke groei, waarin mijn referentiekader dynamisch is gebleken met de tijd, en waarop berichten zijn geplaatst die niet getekend zijn door een perceptie van een later tijdstip, tenzij het flashbacks betreft, hoewel ik niet zeer vatbaar ben voor vertekening. Mijn blog is verder als een verzamelplek voor inzichten, als een manier om writing skills op peil te houden. Dagboeken, korte verhalen, poëzie, essays. Realiteit, dromen en fictie, maar ook research. Lange verhalen zijn er ook, maar dan in de maak, en op aanvraag zijn daarvan fragmenten te lezen.

Is je schrijfstijl belangrijk om lezers aan je blog te binden?
In mijn schrijfstijl zullen sommige mensen zich vast kunnen vinden, maar anderen ook niet, denk ik. Het is soms vrij specifiek. Dat is mijn manier van schrijven. Hier geldt dat ik niet actief bezig ben met de kwestie: wat moet ik doen om mijn blog vooral voor een zo breed mogelijk publiek toegankelijk en boeiend te maken, mede door de schrijfstijl te versimpelen of uitsluitend populaire onderwerpen te kiezen. Ik schrijf datgene wat in me opkomt. En dat gebeurt in vlagen en impulsief, kan soms rauw zijn en scherpe randjes hebben, maar ik ben een voorstander van het specifieke, dat ik verkies boven een zeer brede toegankelijkheid, die het mijn inziens alleen maar oppervlakkiger zal maken. Dat past niet bij mij.

Hoe houd je de discussie op gang zonder te provoceren?
Ik ben scherp, kritisch, rauw, maar weet ook mijn grenzen van hoe ver ik wil gaan. Ik ben geen beroepscynicus en zal dat ook niet worden. Discussies moeten niveau hebben, en doordat mijn blog niet de meest laagdrempelige is, gebeurt dat vanzelf wel.

Vraag je toestemming aan de eigenaar wanneer je diens blog wil toevoegen aan je blogroll?
De linksectie. Dat ligt eraan hoe kwetsbaar iemand zich op zijn of haar blog opstelt. Acht ik iemand kwetsbaar, dan zal ik dat zeker vragen. Wil iemand vooral veel lezers, dan vraag ik dat niet, maar dan betwijfel ik ook weer of het iets toevoegt aan mijn blog, om de link naar betreffende blog in mijn blogroll te plaatsen.

Hoe stimuleer je lezers om te reageren?
Het valt wel mee hoe veel reacties ik krijg. Wel krijg ik van een select groepje trouwe lezers frequent reacties. Dat kan ik erg waarderen. Ook hier geldt dat het me niet zozeer om de veelheid aan reacties te doen is, maar eerder om inhoudelijkheid, of mate van aanmoediging door dat selecte groepje mensen. Dat motiveert ook weer.

Is commentaar van lezers welkom op je blog of juist niet, wat is voor jou een reden om een lezerscommentaar niet te publiceren?
Commentaar, kritische kanttekeningen. Natuurlijk, zo lang het maar niet doelbewust een poging is om mij te beledigen. Ik weet heel goed welke stappen in dan zal ondernemen. Weigeren is een optie. Bij ernstig misbruik lijkt me dat niet voldoende, zeker niet bij oude bekenden. Maar kritische kanttekeningen die verder geen persoonlijke aanval vormen, zal ik gewoon toestaan.

Reageer je op elke commentaar van elke lezer? Wat was de leukste reactie die je ooit kreeg op een stukje?
Zeker, mede als blijk van waardering. De meeste reacties zijn ook erg leuk, ik noem geen specifieke reacties. Het is helemaal zo dat veel bloggers maar wat langs elkaar heen bloggen, in de zin van dat ik niets terug hoor op een reactie van mij op andermans blog, in de zin van een tegenreactie daar of een reactie terug op mijn blog. Daar kom ik dan niet meer terug. Die mensen moeten maar bij anderen zijn om aan hun trekken te komen van bezoekersaantallen, als ze daar zo verslaafd aan zijn.

Wat zijn de manieren om je blog te promoten zonder het van de daken te schreeuwen of al te opdringerig over te komen?
Ik vind het eerlijk gezegd een beetje wanhopig of sneu overkomen wanneer bloggers een instelling hebben als het van de daken schreeuwen en opdringerig overal aanwezig trachten te zijn. Sommige bloggers willen, om vooral altijd in de schijnwerpers te staan, per se elke dag een bericht schrijven. Dat vind ik allicht de grootste dooddoener aan een blog. Soms is er gewoon even geen nieuws, of geen ander boeiend onderwerp om op een inspirerende wijze over te schrijven. Dan laat ik het gewoon. Zo komt het voor dat ik twee weken nagenoeg niets plaats, en dan weer zes berichten binnen een week. Dan moest er blijkbaar veel opgeschreven worden. Huis-tuin-en-keuken-bloggers zijn er meer dan genoeg, en spreken meestal wel meer mensen aan door uitsluitend concrete gebeurtenissen en zaken te beschrijven waarin meer mensen zich herkennen, liefst elke dag. Ik doe het juist met alle plezier net even wat anders. Ik maak ook geen deel uit van een hecht groepje bloggers dat elkaar steevast volgt en terug volgt. Misschien is dat ietwat eigenzinnige, onaangepaste een eigenschap die het maakt dat mijn blog veel mensen enerzijds totaal niet boeit en anderzijds een select groepje trouwe lezers trekt. Ik ben nou eenmaal geen hielenlikker van de eeuwige meerderheid. Daar ligt voor anderen misschien een uitdaging in, maar voor mij allerminst. Sommige dagen vormen uitzonderingen waarbij de statistieken ineens pieken vertonen. Maar ik ben niet verslaafd aan de statistieken van mijn blog. Die pieken bestaan dan grotendeels uit browsers die geen blijvertjes zijn, die mijn blog toevallig vinden op een bepaalde zoekterm in google, en er dan doorheen bladeren.
Concrete promotiemiddelen gebruik ik vrij weinig. Mijn blog staat op de feed van Planeetgroenlinks aangesloten, maar ik weet niet of ik dat wel wil blijven doen, hoewel het concept daarvan okee is. Er wordt zo langs elkaar heen geblogd. Dat wil ik mijn blog niet aandoen. En ik heb het lang niet altijd over politiek, alleen soms over algehele trends die ik waarneem. Ik ben het helemaal niet altijd met die partij eens, maar het is wel de enige partij die zo een blog heeft die eigenlijk is opgebouwd uit feeds van vele blogs die erop zijn aangesloten. Dat vind ik slim bedacht. Ik ben van geen enkele politieke partij lid. Ik baseer mezelf veelal op common sense, zou nooit een foto van mijn hoofd met daaronder een partijlogo als avatar gebruiken. Dat gaat mij veel te ver, en het impliceert een doorgedraaide volgzaamheid, dunkt me. Verder, alle respect voor de mensen die uitdragen waarvoor ze oprecht staan. Ik geef het eerlijk toe als ik niet oprecht ergens achter sta, of niet meer sta. Ik waan mij weer partijloos, maar heb absoluut mijn standpunten, en zal telkens kijken welke partij het beste bij me aansluit wanneer er weer verkiezingen zijn, en ook zeker stemmen. Maar wat ik beslist niet kan, is iets uitdragen, promoten, waar ik het van binnen eigenlijk niet mee eens ben, evenals over zaken waar ik dan weer niet alles van weet continu een ongezouten mening te spuien. Zeker niet op mijn blog. In dit geval ben ik ervan overtuigd dat ik genoeg referenties heb.
Ik heb mijn Twitter-account opgeheven, dat ik eerder vrijwel uitsluitende gebruikte om automatisch shortlinks naar blogartikelen te genereren wanneer ik weer iets nieuws had geschreven. Ik vond het vreemd klinken toen het een hype werd, wat kan je nou met zo een netwerksite, waar smartphonende politici en andere ogenschijnlijk heel belangrijke figuren zich naar de lazarus twitteren? Wonen ze al hun debatten dan nog wel bij, of zitten ze gewoon te tweeten omdat hun baan zo onwaarschijnlijk saai lijkt? Enfin, ik heb mij dat natuurlijk afgevraagd, en besloot toch om een account aan te maken en te testen wat dat nou precies is, Twitter. Anders vind ik niet dat ik het recht heb om er mijn mening overheen te laten gaan. Ik heb het account aangemaakt, er mijn blogfeed op aangesloten zodat er elke keer een shortlink zichtbaar werd zodra ik een blogbericht plaatste. Wederom promotie. Deze verzopen echter een beetje in de tweets van velen die circa elke tien minuten een tweet laten – vergelijk met de scheet, voor beiden geldt dat iets minder frequent prettiger is. En ik heb uiteraard enkele sociale experimenten uitgevoerd met behulp van mijn Twitter-account. Dat kon ik niet laten. Gewoon om te kijken welke belangrijke politieke bollebozen me terug zouden followen, en om te kijken wat er gebeurt als ik iets zeg met daar achteraan de tag #PVV. Maar nu heb ik gezien wat er gebeurde, en gelachen om de uitkomst van mijn zeer subtiel uitgevoerde experimenten, en daarmee verder ook besloten dat behalve dit lolletje Twitter geen enkele toegevoegde waarde heeft voor mij en mijn blog.
Eigenlijk zijn de enige zinnige actieve promoties die ik nu nog maak het af en toe handmatig plaatsen van een link naar een van mijn blogposts op Facebook, als ik denk dat er daar een zinnige discussie uit kan voortkomen, en het regelmatig deelnemen aan een Blogkermis. Dat is een nieuw concept waarbij een initiator via die website een bepaald thema aandraagt, waar vervolgens verschillende andere bloggers op kunnen reageren door een link te sturen naar een daaraan gerelateerd blogbericht. Die worden vervolgens in een verzamelbericht op het blog van de initiatiefnemer geplaatst, die het tot een geheel maakt.
Ik kan publiceren en toch zelf een beetje anoniem blijven, juist door sommige zaken universeler te maken. Misschien hebben anderen daar ook wat aan, ik weet het niet. Al met al vind ik het fijner dat dit door een select groepje nadenkende mensen wordt gelezen en niet door een boel oppervlakkige – huis, tuin en keuken en dat is dan de hele leefwereld – figuren. Dit blog heeft überhaupt niet als doel om oppervlakkig te zijn. Mede daarom promoot ik het nauwelijks nog – het is zonder dat sterk genoeg. Overigens zie ik in dat de mate van promotie ook afhangt van het doel dat iemand voor ogen heeft met het blog. Hierin moet men zich echter niet verliezen, dan komt het wanhopig over.

Sta je open voor gastbloggers op je blog en hoe pak je dat aan?
Mijn blog is een onderdeel van mijn persoon geworden. Een soort territorium. Een ander zou beter een eigen blog kunnen beginnen. Een gastblogger zou bovendien behoorlijk wat content moeten aanleveren om niet te verzuipen in mijn blogberichten. De kleur, de uniciteit van dit blog wil ik graag waarborgen, en ook aanmoedigen bij anderen. Mocht ik in een groepje willen bloggen, dan zou ik een ander blog starten. Maar mijn blog zou hiervoor nooit opgeheven worden, dit is mijn online plekje.


Gearchiveerd onder:Diaries

Aantal berichten op deze pagina: 20. De berichten op deze pagina zijn niet ouder dan 8932 uur (372,2 dagen). Berichtgemiddelde: 0,1 bericht per dag, 0,4 per week.

Volgende pagina

Pagina: 1