zaterdag, 28 april 2012

Harmen Binnema

Harmen Binnema

Linkedin Last.fm Twitter PS

We zijn los!

In groenlinks, politiek, weblog, agenda, akkoord, bezuinigingen, boeken, facebook, gemeenten, en meer.

Als de zure reacties van een lange stoet PvdA’ers op het akkoord van de moedige vijf iets laat zien, is het wel dat zij nog erg moeten wennen aan een GroenLinks dat eigenwijze eigen keuzes maakt. Sommigen lijken GroenLinks nog steeds te zien als de ten onrechte verzelfstandigde groene of linkse vleugel van de PvdA. Het idee dat die zelf plannen zouden kunnen maken, coalities kunnen sluiten en resultaten boeken, dringt na al die jaren nog steeds moeizaam door. Het is als een vader die ontdekt dat zijn dochter volwassen is geworden en zelf wel bepaalt met wie zij wil zoenen…

Als er één partij is die aan de linkse samenwerking heeft getrokken, dan is het GroenLinks. Maar wij hebben ook steeds moeten constateren dat als het er echt op aan kwam, de PvdA ons in de steek liet. Niet zo verwonderlijk dus een andere koers te wagen. De steeds klemmendere omhelzing van PvdA en SP maakte het bovendien ook niet makkelijk tot échte hervormingen te komen. Om nog maar te zwijgen van de houding van ‘het zal een PvdA-akkoord zijn, of het zal niet zijn’  die voor onderhandelingen van geven en nemen niet echt bevorderlijk is.

In ons omringende landen hebben groene partijen al lang gekozen voor een eigen, zelfstandige koers, met een progressieve en optimistische agenda. Soms met, soms zonder de sociaal-democraten. In eigen land zijn er in heel wat gemeenten en provincies goede ervaringen opgedaan met coalities waar de PvdA eens een keer niet in zat. Zelf denk ik nog altijd met veel plezier terug aan de Noord-Hollandse combinatie VVD-CDA-GL-D66 waar ik tussen 2003 en 2007 deel van uit mocht maken.

Eindelijk lijken we het motto ‘ideeënpartij op zoek naar macht’ serieus te nemen. Natuurlijk moet je dan ook forse tegenvallers slikken en er blijven bezuinigingen staan die voor GroenLinks bepaald niet fijn zijn. Maar de PvdA snapt toch ook dat je nooit alles kunt binnenhalen en alles wat ongewenst is kunt terugdraaien – remember Balkenende-IV. De moed die mijn partij de afgelopen week heeft getoond en de positieve reacties die daarop volgden, maken mij trots GroenLinkser te zijn. Ik hoop van harte dat we dit in de komende campagne kunnen laten zien en na september dit in regeringsdaden kunnen gaan omzetten. Want wij zijn er klaar voor. Nu de PvdA nog.

donderdag, 26 april 2012

Hans Kuipers

Hans Kuipers

Hyves Twitter GR

Toespraak Eerste Kamer: Elke zorg op goede afstand!

In groenlinks-drenthe, werkbezoek, zorg, eerste kamer, verloskunde, burgemeester, burgers, gemeenten, gevallen, en meer.

Vandaag vond het werkbezoek plaats van de Noordelijke Staten aan de Eerste Kamer. Rond het thema “bereikbaarheid van zorg” hield ik de volgende inleiding in de plenaire zaal:

Inleiding “fusies zorginstellingen (in dunbevolkte gebieden)”
Bereikbaarheid van de zorg in relatie tot fusies: Elke zorg op goede afstand!

Belangrijk bij zorg zijn de zogenaamde 4 B’s: Beschikbaarheid, Bereikbaarheid, Betaalbaarheid & Betrouwbaarheid.

Ik wil daar vandaag het thema “Bereikbaarheid” even uitlichten, omdat gebleken is dat daar problemen ontstaan in dunbevolkte gebieden. Ik zal eerst een korte inleiding geven over de bevolkingssamenstelling in Drenthe, en vervolgens een oplossingsrichting presenteren waar we gezamenlijk, als provinciale en Rijksoverheid aan moeten denken om bereikbaarheid van zorg te garanderen voor onze burgers. Ten slotte zal ik de sluiting van de afdeling acute verloskunde in Meppel kort weergeven als casus waar een aantal lessen uit te trekken is.

ArbXQKqCEAA2EqP.jpg large 300x225 Toespraak Eerste Kamer: Elke zorg op goede afstand!Bevolkingssamenstelling
De kwaliteit van zorg in brede zin, bereikbaar voor iedereen, is onlosmakelijk verbonden met het thema leefbaarheid in Drenthe. Krimpregio’s zijn vaak ook vergrijzende regio’s. Ouderen willen graag thuis blijven wonen en jongeren trekken van het landelijk gebied naar de steden. Het aantal 65-plussers zal in Drenthe tot 2040 met 62.500 sterk toenemen, een toename van 72%. Hun aandeel in de totale bevolking zal stijgen van 18 naar 31%.
De relatief sterke vergrijzing in combinatie met de ontgroening zetten extra druk op de beschikbaarheid en bereikbaarheid van zorgvoorzieningen en daarmee de leefbaarheid in dunbevolkte regio’s. Dit is waarom Drenthe dit thema vandaag naar voren heeft geschoven.

Spreiding
Maak een landelijk plan van zorgvoorzieningen. Als je afwacht sluit er hier een ambulancepost, daar een verloskundigenpost en heb je straks een gatenkaas van zorgvoorzieningen. Balans tussen concentratie en bereikbaarheid. Concentratie van zorg kan leiden tot kwaliteitsverbetering, maar het maximaal oprekken van de bereikbaarheidsnormen kan geen wenselijke situatie opleveren. Er dient dus een goede leidraad te zijn waarmee een herstructurering wordt opgezet.

“Zorgwinkelcentrum” als oplossing
Mobiliteit van burgers neemt al jaren toe en dat zal nog wel even doorgaan. Daarmee zijn zorgvragers ook steeds meer bereid om zorg van verder weg te halen.

De Sociaal-Economische Raad heeft eerder geadviseerd om op toegankelijkheid te letten en waar mogelijk te combineren. Te denken is dan aan huisartsenposten plus: waar gespecialiseerde huisartsen zitten met gespecialiseerde verpleegkundigen, “superverpleegkundigen”, en eventueel een paar ziekenhuisbedden. Allerlei technische apparatuur tot zijn beschikking zoals röntgenapparatuur, een onderzoeks- en behandelkamer maar ook een snelle internetverbinding met specialistische professionals op afstand voor consultatie en feedback. Dergelijke posten kunnen taken overnemen van ziekenhuizen. Denk bijvoorbeeld aan hartcontroles. Zorgbelang Drenthe noemt dit een “zorgwinkelcentrum”.

Vijf typen zorgvragen
Zij onderscheiden vijf typen zorgvragen. Elk type vraag heeft zijn eigen behoefteniveau en de schaal waarop dit het best kan worden ingericht verschilt ook per type. Dit biedt mogelijkheden om én efficiënter te werken en tóch de zorg zo nabij te organiseren als de zorgvrager dat verlangt.

1. Algemene informatieve (zorg)vragen
Informatieve vragen over algemene zorgonderwerpen (bv. wat is de ziekte van Alzheimer? hoe is het stelsel van de gezondheidszorg ingericht? waar kan ik terecht met vragen over de thuiszorg?). Telefonisch of via internet bij zorgwinkelcentrum. Kwaliteit van de informatie en de organisatie van de beschikbaarheid zijn aandachtspunten.

2. Preventieve zorgvragen
Vragen over dingen die men ‘kunnen’ overkomen (wat te doen bij een dreigende griepepidemie, mogelijke gevolgen van straling na een ramp met een kerncentrale e.d.) hoe zij moeten leven in een bepaalde fase van hun leven waarvoor zij preventieve maatregelen willen nemen. Hiervoor kunnen zij ook telefonisch of digitaal terecht en dan zo nodig worden doorgeleid naar de basiszorgarts of allerlei andere specialistische centra.

3. Enkelvoudige zorgvragen
Het gaat hierbij om enkelvoudige zorgproblemen die een individuele afhandeling vereisen, dichtbij in het zorgwinkelcentrum. Het kan ook gaan om vragen over aandoeningen die diepgaander diagnose, mogelijk meer onderzoek en behandeling vereisen. Hiervoor kan men het beste fysiek of interactief terecht bij een van de basiszorgartsen die in het primaire zorgwinkelcentrum hun praktijk hebben.

4. Acute zorgvragen
Acute ‘zorgvragen’ die geen uitstel dulden. In Nederland is het bij wet zo geregeld dat wanneer 112 gebeld wordt er altijd binnen vijftien minuten een ambulance ter plaatse moet zijn die acute hulp kan verlenen. De norm van vijftien minuten aanrijdtijd voor spoedzorg impliceert dat er over een provincie als Drenthe een heel netwerk van ambulancezorg is uitgelegd dat centraal via de regionale meldkamer wordt aangestuurd. Uitgaande van de wens om ook een dekkend netwerk te hebben voor de basiszorg is wenselijk dat de spoedzorg geïntegreerd wordt met de gewenste zorgwinkelcentra.

5. Complexe en chronische zorgvragen
Dat betekent concreet dat de ziekte of aandoening langer gaat duren en niet meer overgaat. Dat kan op iedere leeftijd voorkomen maar gezien de menselijke levensloop hebben ouderen per definitie meer chronische zorgvragen. Behandeling kan bestaan uit standaardbezoeken, leefstijladviezen en zelfmanagement. Vaak ook een psychische en sociale kant. Deze zorgvragen vereisen antwoorden die het domein van de fysieke zorg overstijgen en meestal te maken hebben met het totale welzijn van de patiënt.

Het idee dat iedere soort zorg op een juist niveau dient te worden verzorgd klinkt vrij logisch. Toch moet met het inrichten hiervan zorgvuldig worden omgegaan. De bevolking heeft – terecht of onterecht – al snel het idee dat de zorg in de regio er op achteruit gaat. Een voorbeeld van hoe het niet moet, is de sluiting van de acute verloskunde in Meppel.

photo 300x224 Toespraak Eerste Kamer: Elke zorg op goede afstand!Verloskunde
Het Diaconessenhuis Meppel is een middelgroot streekziekenhuis (~330 bedden), waar nagenoeg alle specialismen vertegenwoordigd zijn. Regiofunctie: Meppel, Staphorst, Steenwijkerland, Westerveld, De Wolden en Zwartewaterland.

Na een fusie tussen de maatschappen gynaecologie in Meppel en Zwolle, volgde het plan om de afdeling acute verloskunde in Meppel te sluiten. Er zouden te weinig gynaecologen zijn om 24-uursdiensten mogelijk te kunnen maken, en te weinig bevallingen om het aantrekken van extra gynaecologen te rechtvaardigen.

Onduidelijk waren op dat moment de consequenties voor algemene spoedeisende hulp en de 24-uurszorg door kinderartsen. Ook vreesde men voor langere aanrijtijden en meer thuisbevallingen en “bermbaby’s”, vanwege de dan langere rijtijden. Dit leidde tot grote maatschappelijke onrust.

Maximale norm voor verloskunde is 45 minuten, en CdK Tichelaar noemde Drenthe in een open brief aan premier Rutte al schertsend een “45-minuten-provincie”.

Er was op dat moment reeds overleg gaande om tot een gezamenlijke regiovisie op de zorg te komen, die dient als advies aan de minister. Een kader om te komen tot realisatie van goede, bereikbare, zorg. De eenzijdige aankondiging van het sluiten van de afdeling verloskunde doorkruisde dat proces.

Regie
De grote vraag rond bereikbaarheid van zorg blijft de regierol. Wie moet op welke manier een rol spelen om die bereikbaarheid ook daadwerkelijk tot stand te brengen en/of te behouden?

Grotere zorgwinkelcentra zijn een wenkend perspectief, een stip op de horizon. Maar hoe garandeer je bereikbaarheid van de zorg, ook voor mensen die minder mobiel en minder zelfredzaam zijn?

Den Haag. Bindende normen.
De systeemverantwoordelijkheid voor de zorg ligt bij het Rijk, maar gemeenten en provincies hebben er vanuit het oogpunt van leefbaarheid belang bij dat de zorgvoorzieningen in de regio optimaal ingericht zijn. Beschikbaarheid van ziekenhuiszorg staat onder druk.

Regiovisie
Gisteren vond een overleg plaats in de Havixhorst, geïnitieerd door Commissaris der Koningin Tichelaar en Burgemeester Westmaas met alle betrokken partijen rond de afdeling verloskunde in Meppel, een overleg dat in de volksmond al snel het “Ooievaarsberaad” gedoopt werd. Regionaal overleg met ketenpartners én bevolking. Nu datum 1 juli toch weer ingetrokken. Over veertien dagen overleg met alle partners. Feitelijk is iedereen het er wel over eens dat dit overleg gevoerd had moeten worden aan het begín van het traject, en niet nadat men voor een voldongen feit was geplaatst.

Lokaal maatwerk
Zou “moeten” bij fusies zorginstellingen in dunbevolkte gebieden. Blij dat iedereen dat nu inziet. Laat Meppel en Drenthe een voorbeeld zijn en in gelijksoortige gevallen in de rest van Nederland iedereen gelijk om tafel gaan. De vraag is: hoe regelen we dit?

maandag, 23 april 2012

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Wat ik zou zeggen in het geschrapte debat over cultuurbeleid

In eerste kamer, politiek, kinderen, kritisch, kunst, kunst en cultuur, lezen, licht, liefde, en meer.

(door de val van het kabinet gaat op 24.04 het debat over cultuurbeleid niet door in de Eerste Kamer. Dit was mijn inbreng voor dat debat:)

Voorzitter, het lijkt niet zo heel erg nuttig om vandaag met elkaar te spreken over de principiële kanten van het cultuurbeleid. Niet alleen lijken er belangrijker onderwerpen te bestaan, maar het handelingsperspectief van deze staatssecretaris is het afgelopen weekeinde een heel stuk korter geworden. Heeft het dan zin om in deze Kamer te debatteren over fundamentele visies? Waar moet het heen met kunst en cultuur in ons land en komen we daar wel met het nu ingezette beleid en de draconische bezuinigingen? Wezenlijke vragen, maar met een vleugellamme staatssecretaris schiet dat niet op.

Als we er dan toch over spreken, dan moet het maar in het licht van de toekomst. Waar gaan we naartoe ná het tijdperk Zijlstra? Wat staat er als stip op de horizon en wat moeten we vandaag doen of nalaten om te voorkomen dat we heel ergens anders uitkomen? Welke bijsturing kan niet wachten op een nieuw kabinet? Natuurlijk raakt dat aan de bezuinigingen, maar tegelijk is die financiële discussie enkel het sluitstuk. Het begint ergens anders.

De eerste wezenlijke vraag bij cultuurbeleid betreft het doel. Waar is cultuur eigenlijk goed voor en wat is er nodig om dat te stimuleren? In de beleidsnota Meer dan kwaliteit lezen we dan: “Cultuur staat zowel voor binding, identiteit en traditie als voor dynamiek, creativiteit en vernieuwing.” En verder gaat het in de nota dan de hele tijd over hoe dat georganiseerd moet worden. Het gaat dan ook binnen de kortste keren over het economische rendement. En zo wordt over cultuureducatie gezegd: “De spontaniteit en verbeelding die cultuur losmaakt, zijn in onze tijd niet alleen gevraagd, maar vaak ook vereist: ’A firm needs more than an efficient manufacturing process, cost-control and a good technological base to remain competitive’.” Dat is natuurlijk zo, maar wie heeft er in hemelsnaam bedacht dat we een bedrijfskundige redenering nodig hebben om cultuureducatie te verantwoorden?

Het valt dan ook op dat de hele beleidsnota draait om ‘meer dan kwaliteit’, maar dat die kwaliteit zelf nergens ter sprake komt of beschreven wordt. Die wordt kennelijk als vanzelfsprekend beschouwd en vervolgens draait het hele beleid om andere zaken: meer publiek aantrekken, meer eigen geld verdienen, participatie en educatie, erfgoedbeheer, en regionale spreiding. Ik wil er wel bij zeggen dat ik die doelen allemaal niet verkeerd vind, maar de onderliggende vraag naar kwaliteit wordt angstvallig vermeden.

Misschien heeft dat ermee te maken dat de staatssecretaris vanuit zijn eigen opleiding kwaliteit vooral benadert in marketingtermen. Kwaliteit is dan voldoen aan de verwachtingen van de klant. Er is echter ook een andere definitie, die veel meer het hart raakt: kwaliteit is de mate waarin de intrinsieke eigenschappen van een goed tot uitdrukking worden gebracht. Bij de intrinsieke eigenschappen van kunst horen in elk geval zaken als schoonheidsbeleving, het vermogen om mensen in beweging te brengen, te ontroeren, te verrassen, aan het denken te zetten, enzovoorts. Hoe meer dit gebeurt, des te gelaagder en geslaagder de kunst. En als we het over het bredere veld van cultuur hebben, dan horen bij de intrinsieke eigenschappen in elk geval het construeren, communiceren en innoveren van traditie en identiteit. Of het nu gaat om hoge cultuur, volkscultuur of populaire cultuur, kwaliteit heeft direct te maken met dergelijke intrinsieke eigenschappen en ik vraag de staatssecretaris waarom hij daar geen woord aan wijdt. Zonder een dergelijk principieel ankerpunt is het namelijk onmogelijk vast te stellen of de andere doelen die hij met zijn beleid nastreeft, sporen met deze kwaliteit.

Hier ligt dus ook een belangrijke vraag bij de samenhang van de beleidsdoelen. Wat doet de staatssecretaris als kwaliteit, het bereiken van het publiek, regionale spreiding, internationaal bereik en het aantrekken van externe financiering niet samenvallen? Hoe weegt hij dan de verschillende aspecten? Gaat dan de regionale spreiding voor kwaliteit of andersom? Ik zou hier graag nader toelichting over horen. Ik vind het namelijk van groot belang dat zo veel mogelijk mensen toegang hebben tot kunst en cultuur, maar ook dat er ruimte is voor het kleine en bijzondere.

Het grote risico van de benadering van de staatssecretaris is een instrumentalisering van kunst en cultuur. Zo krijgt de creatieve industrie een speciale plaats omdat het bijdraagt aan de economische topsectoren, is cultuureducatie goed om kinderen voor te bereiden op het bedrijfsleven en de internationale wereld, en is culturele internationalisering behulpzaam bij de buitenlandse betrekkingen en “het Nederlands economisch belang, door verbanden tussen cultuur, handel en economie te benadrukken.” En zo gaat het door. De beleidsnota begint met een paragraaf over markt en overheid, Cultuur in beeld rekent ons precies voor wat het kost en opbrengt, enzovoorts. Tamelijk obligaat staat het er dan in een tussenzin: “Vanzelfsprekend laat de waarde van cultuur zich niet alleen in cijfers uitdrukken.” Maar dat is te weinig. Als cultuur nuttig moet zijn voor iets anders, dan ondermijnt dat rechtstreeks de eigen ruimte die kunst en cultuur moeten hebben. Dat bedenk ik niet alleen; ook de Telderstichting schrijft in haar recente advies: “Leg in de legitimering van cultuursubsidies niet te veel nadruk op de instrumentele waarde van cultuur, maar rechtvaardig de rol van de overheid vanuit de intrinsieke waarde van kunst en cultuur.” Ik vraag de staatssecretaris hoe hij denkt over dit advies van zijn partijgenoten. En als hij toch bezig is, ben ik ook benieuwd naar zijn visie op de inbreng van zijn partijgenoot De Liefde in het debat aan de overzijde die suggereerde dat van de zeven leden van cultuursubsidiecommissies drie zich zouden moeten buigen over artistieke kwaliteit en de andere vier over communicatie, marketing, ondernemerschap en financiën. Is de staatssecretaris het met mij eens dat daarmee cultuur ondergeschikt wordt gemaakt aan commercie.

Voorzitter, ik kom daarmee aan een tweede punt. De beleidsnota Meer dan kwaliteit zet in met de vraag naar de verhouding tussen markt en overheid. We hebben het dan over de verantwoordelijkheidstoedeling in het stelsel. Wie is verantwoordelijk voor welk deel? Geconstateerd wordt dat een belangrijk deel van de 18 miljard omzet in de cultuursector op de vrije markt wordt gerealiseerd. Ongeveer een zesde daarvan is afhankelijk van overheidssubsidies. Het lijkt dan alsof het terugbrengen van die overheidssubsidie op het totaal niet zoveel uitmaakt, maar dat is natuurlijk niet zo. Klopt mijn beeld, zo vraag ik de staatssecretaris, dat bij het marktdeel van de cultuursector ook allerlei commercieel sterke onderdelen zitten? Klopt het dat bij de gemeenten vooral ook breedtecultuur en de bijbehorende huisvestingskosten een groot beslag leggen? En klopt het dat de Rijksoverheid juist verantwoordelijk is voor specifieke onderdelen die de markt en de lagere overheden niet dekken? Kortom: zou de staatssecretaris eens wat inhoudelijker zichtbaar kunnen maken wat de markt wel en niet gefinancierd en georganiseerd krijgt en hoe de verschillende overheden hun verantwoordelijkheid oppakken? Dan wordt namelijk ook zichtbaar hoe groot de werkelijke effecten van de bezuinigingen en andere maatregelen zijn.

De regering lijkt van mening dat haar eigen verantwoordelijkheid nog wel wat kleiner kan. Zij subsidieert nu ongeveer 5,5 % van de cultuursector, maar daar kan nog een heel procentpunt af. De sponsors, fondsen en mecenassen staan immers in de rij om het over te nemen. Maar helaas, zo simpel ligt het niet. Er is inderdaad op dit punt veel in ontwikkeling, maar de staatssecretaris rekent zich voorlopig alleen maar rijk. De Amerikaanse situatie die hij als voorbeeld lijkt te hebben, staat in veel opzichten ver af van de onze en dat verandert niet zomaar als hij de geldkraan dichtdraait. Het is opvallend dat het grote voorbeeld van het cultuurmecenaat, de VandenEnde Foundation, nogal kritisch is op dit Amerikaanse voorbeeld, bijvoorbeeld bij het jaarverslag 2010. De continuïteit van de cultuurfinanciering staat sterk onder druk van teruglopende giften; de grote financiers neigen ertoe de elitaire kunst te stimuleren terwijl juist de emancipatoire kunst van niches, avantgarde en minderheidsgroepen snel in het gedrang komt, en de nadruk op projectfinanciering leidt tot kortetermijndenken en niet tot opbouw van de sector. Ik concludeer dat het beleid van de staatssecretaris precies onder deze kritiek valt: teruglopende financiering, nadruk op elitaire topcultuur en projectfinanciering. Hoe ziet de staatssecretaris dit? Denkt hij echt dat – midden in een economische crisis – de gaten die hij slaat, worden opgevuld door mecenaat en sponsoring? En heeft hij daar meer argumenten voor dan zijn neoliberale marktnaïviteit?

Ten slotte nog een principieel punt. De beleidsnota stelt als uitgangspunt: “Culturele instellingen moeten minder afhankelijk worden van de overheid en daardoor flexibeler en krachtiger worden. Daarom bezuinigt het kabinet op cultuur.” Dat is natuurlijk een gotspe. Dit – zo goed als voorbije – kabinet bezuinigt op cultuur uit economische motieven en populistische rancune. Maar dan nog. Dergelijke zinnen verraden een gevaarlijke visie op de overheid. Ze suggereren dat de overheid een noodzakelijk kwaad is en dat subsidie alleen maar verlamt. Is niet, zo vraag ik de staatssecretaris, de overheid de belichaming van het collectief van de samenleving? En zijn niet subsidies een belangrijke manier om publieke goederen en collectieve waarden te ondersteunen? Is het daarom niet essentieel om het levend houden van cultuur en traditie ook op collectief niveau te borgen? Ik roep de staatssecretaris op om niet langer mee te werken aan het ondermijnen van de overheid die namens ons allen zorg draagt voor het in stand houden van een samenleving waarin kunst en cultuur gedijen en ons allen ten goede komen.

Voorzitter, ik sluit af. Volgens Plato zijn er drie kernwaarden die een rol zouden moeten spelen in onze afwegingen: het ware, het goede en het schone. Dit kabinet lijkt een vierde te hebben toegevoegd: het goedkope. Ik vrees dat dat ons allen duur komt te staan.


Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Wat ik zou zeggen in het geschrapte debat over cultuurbeleid

In eerste kamer, politiek, beleid, bezuinigingen, cijfers, communicatie, creativiteit, crisis, cultuur, en meer.

(door de val van het kabinet gaat op 24.04 het debat over cultuurbeleid niet door in de Eerste Kamer. Dit was mijn inbreng voor dat debat:)

Voorzitter, het lijkt niet zo heel erg nuttig om vandaag met elkaar te spreken over de principiële kanten van het cultuurbeleid. Niet alleen lijken er belangrijker onderwerpen te bestaan, maar het handelingsperspectief van deze staatssecretaris is het afgelopen weekeinde een heel stuk korter geworden. Heeft het dan zin om in deze Kamer te debatteren over fundamentele visies? Waar moet het heen met kunst en cultuur in ons land en komen we daar wel met het nu ingezette beleid en de draconische bezuinigingen? Wezenlijke vragen, maar met een vleugellamme staatssecretaris schiet dat niet op.

Als we er dan toch over spreken, dan moet het maar in het licht van de toekomst. Waar gaan we naartoe ná het tijdperk Zijlstra? Wat staat er als stip op de horizon en wat moeten we vandaag doen of nalaten om te voorkomen dat we heel ergens anders uitkomen? Welke bijsturing kan niet wachten op een nieuw kabinet? Natuurlijk raakt dat aan de bezuinigingen, maar tegelijk is die financiële discussie enkel het sluitstuk. Het begint ergens anders.

De eerste wezenlijke vraag bij cultuurbeleid betreft het doel. Waar is cultuur eigenlijk goed voor en wat is er nodig om dat te stimuleren? In de beleidsnota Meer dan kwaliteit lezen we dan: “Cultuur staat zowel voor binding, identiteit en traditie als voor dynamiek, creativiteit en vernieuwing.” En verder gaat het in de nota dan de hele tijd over hoe dat georganiseerd moet worden. Het gaat dan ook binnen de kortste keren over het economische rendement. En zo wordt over cultuureducatie gezegd: “De spontaniteit en verbeelding die cultuur losmaakt, zijn in onze tijd niet alleen gevraagd, maar vaak ook vereist: ’A firm needs more than an efficient manufacturing process, cost-control and a good technological base to remain competitive’.” Dat is natuurlijk zo, maar wie heeft er in hemelsnaam bedacht dat we een bedrijfskundige redenering nodig hebben om cultuureducatie te verantwoorden?

Het valt dan ook op dat de hele beleidsnota draait om ‘meer dan kwaliteit’, maar dat die kwaliteit zelf nergens ter sprake komt of beschreven wordt. Die wordt kennelijk als vanzelfsprekend beschouwd en vervolgens draait het hele beleid om andere zaken: meer publiek aantrekken, meer eigen geld verdienen, participatie en educatie, erfgoedbeheer, en regionale spreiding. Ik wil er wel bij zeggen dat ik die doelen allemaal niet verkeerd vind, maar de onderliggende vraag naar kwaliteit wordt angstvallig vermeden.

Misschien heeft dat ermee te maken dat de staatssecretaris vanuit zijn eigen opleiding kwaliteit vooral benadert in marketingtermen. Kwaliteit is dan voldoen aan de verwachtingen van de klant. Er is echter ook een andere definitie, die veel meer het hart raakt: kwaliteit is de mate waarin de intrinsieke eigenschappen van een goed tot uitdrukking worden gebracht. Bij de intrinsieke eigenschappen van kunst horen in elk geval zaken als schoonheidsbeleving, het vermogen om mensen in beweging te brengen, te ontroeren, te verrassen, aan het denken te zetten, enzovoorts. Hoe meer dit gebeurt, des te gelaagder en geslaagder de kunst. En als we het over het bredere veld van cultuur hebben, dan horen bij de intrinsieke eigenschappen in elk geval het construeren, communiceren en innoveren van traditie en identiteit. Of het nu gaat om hoge cultuur, volkscultuur of populaire cultuur, kwaliteit heeft direct te maken met dergelijke intrinsieke eigenschappen en ik vraag de staatssecretaris waarom hij daar geen woord aan wijdt. Zonder een dergelijk principieel ankerpunt is het namelijk onmogelijk vast te stellen of de andere doelen die hij met zijn beleid nastreeft, sporen met deze kwaliteit.

Hier ligt dus ook een belangrijke vraag bij de samenhang van de beleidsdoelen. Wat doet de staatssecretaris als kwaliteit, het bereiken van het publiek, regionale spreiding, internationaal bereik en het aantrekken van externe financiering niet samenvallen? Hoe weegt hij dan de verschillende aspecten? Gaat dan de regionale spreiding voor kwaliteit of andersom? Ik zou hier graag nader toelichting over horen. Ik vind het namelijk van groot belang dat zo veel mogelijk mensen toegang hebben tot kunst en cultuur, maar ook dat er ruimte is voor het kleine en bijzondere.

Het grote risico van de benadering van de staatssecretaris is een instrumentalisering van kunst en cultuur. Zo krijgt de creatieve industrie een speciale plaats omdat het bijdraagt aan de economische topsectoren, is cultuureducatie goed om kinderen voor te bereiden op het bedrijfsleven en de internationale wereld, en is culturele internationalisering behulpzaam bij de buitenlandse betrekkingen en “het Nederlands economisch belang, door verbanden tussen cultuur, handel en economie te benadrukken.” En zo gaat het door. De beleidsnota begint met een paragraaf over markt en overheid, Cultuur in beeld rekent ons precies voor wat het kost en opbrengt, enzovoorts. Tamelijk obligaat staat het er dan in een tussenzin: “Vanzelfsprekend laat de waarde van cultuur zich niet alleen in cijfers uitdrukken.” Maar dat is te weinig. Als cultuur nuttig moet zijn voor iets anders, dan ondermijnt dat rechtstreeks de eigen ruimte die kunst en cultuur moeten hebben. Dat bedenk ik niet alleen; ook de Telderstichting schrijft in haar recente advies: “Leg in de legitimering van cultuursubsidies niet te veel nadruk op de instrumentele waarde van cultuur, maar rechtvaardig de rol van de overheid vanuit de intrinsieke waarde van kunst en cultuur.” Ik vraag de staatssecretaris hoe hij denkt over dit advies van zijn partijgenoten. En als hij toch bezig is, ben ik ook benieuwd naar zijn visie op de inbreng van zijn partijgenoot De Liefde in het debat aan de overzijde die suggereerde dat van de zeven leden van cultuursubsidiecommissies drie zich zouden moeten buigen over artistieke kwaliteit en de andere vier over communicatie, marketing, ondernemerschap en financiën. Is de staatssecretaris het met mij eens dat daarmee cultuur ondergeschikt wordt gemaakt aan commercie.

Voorzitter, ik kom daarmee aan een tweede punt. De beleidsnota Meer dan kwaliteit zet in met de vraag naar de verhouding tussen markt en overheid. We hebben het dan over de verantwoordelijkheidstoedeling in het stelsel. Wie is verantwoordelijk voor welk deel? Geconstateerd wordt dat een belangrijk deel van de 18 miljard omzet in de cultuursector op de vrije markt wordt gerealiseerd. Ongeveer een zesde daarvan is afhankelijk van overheidssubsidies. Het lijkt dan alsof het terugbrengen van die overheidssubsidie op het totaal niet zoveel uitmaakt, maar dat is natuurlijk niet zo. Klopt mijn beeld, zo vraag ik de staatssecretaris, dat bij het marktdeel van de cultuursector ook allerlei commercieel sterke onderdelen zitten? Klopt het dat bij de gemeenten vooral ook breedtecultuur en de bijbehorende huisvestingskosten een groot beslag leggen? En klopt het dat de Rijksoverheid juist verantwoordelijk is voor specifieke onderdelen die de markt en de lagere overheden niet dekken? Kortom: zou de staatssecretaris eens wat inhoudelijker zichtbaar kunnen maken wat de markt wel en niet gefinancierd en georganiseerd krijgt en hoe de verschillende overheden hun verantwoordelijkheid oppakken? Dan wordt namelijk ook zichtbaar hoe groot de werkelijke effecten van de bezuinigingen en andere maatregelen zijn.

De regering lijkt van mening dat haar eigen verantwoordelijkheid nog wel wat kleiner kan. Zij subsidieert nu ongeveer 5,5 % van de cultuursector, maar daar kan nog een heel procentpunt af. De sponsors, fondsen en mecenassen staan immers in de rij om het over te nemen. Maar helaas, zo simpel ligt het niet. Er is inderdaad op dit punt veel in ontwikkeling, maar de staatssecretaris rekent zich voorlopig alleen maar rijk. De Amerikaanse situatie die hij als voorbeeld lijkt te hebben, staat in veel opzichten ver af van de onze en dat verandert niet zomaar als hij de geldkraan dichtdraait. Het is opvallend dat het grote voorbeeld van het cultuurmecenaat, de VandenEnde Foundation, nogal kritisch is op dit Amerikaanse voorbeeld, bijvoorbeeld bij het jaarverslag 2010. De continuïteit van de cultuurfinanciering staat sterk onder druk van teruglopende giften; de grote financiers neigen ertoe de elitaire kunst te stimuleren terwijl juist de emancipatoire kunst van niches, avantgarde en minderheidsgroepen snel in het gedrang komt, en de nadruk op projectfinanciering leidt tot kortetermijndenken en niet tot opbouw van de sector. Ik concludeer dat het beleid van de staatssecretaris precies onder deze kritiek valt: teruglopende financiering, nadruk op elitaire topcultuur en projectfinanciering. Hoe ziet de staatssecretaris dit? Denkt hij echt dat – midden in een economische crisis – de gaten die hij slaat, worden opgevuld door mecenaat en sponsoring? En heeft hij daar meer argumenten voor dan zijn neoliberale marktnaïviteit?

Ten slotte nog een principieel punt. De beleidsnota stelt als uitgangspunt: “Culturele instellingen moeten minder afhankelijk worden van de overheid en daardoor flexibeler en krachtiger worden. Daarom bezuinigt het kabinet op cultuur.” Dat is natuurlijk een gotspe. Dit – zo goed als voorbije – kabinet bezuinigt op cultuur uit economische motieven en populistische rancune. Maar dan nog. Dergelijke zinnen verraden een gevaarlijke visie op de overheid. Ze suggereren dat de overheid een noodzakelijk kwaad is en dat subsidie alleen maar verlamt. Is niet, zo vraag ik de staatssecretaris, de overheid de belichaming van het collectief van de samenleving? En zijn niet subsidies een belangrijke manier om publieke goederen en collectieve waarden te ondersteunen? Is het daarom niet essentieel om het levend houden van cultuur en traditie ook op collectief niveau te borgen? Ik roep de staatssecretaris op om niet langer mee te werken aan het ondermijnen van de overheid die namens ons allen zorg draagt voor het in stand houden van een samenleving waarin kunst en cultuur gedijen en ons allen ten goede komen.

Voorzitter, ik sluit af. Volgens Plato zijn er drie kernwaarden die een rol zouden moeten spelen in onze afwegingen: het ware, het goede en het schone. Dit kabinet lijkt een vierde te hebben toegevoegd: het goedkope. Ik vrees dat dat ons allen duur komt te staan.


woensdag, 18 april 2012

Klaas Woltinge

Klaas Woltinge

Hyves Twitter Youtube

Digitaal voorzetje werken naar vermogen

In actie, amersfoort, debat, den haag, foto, gemeenten, gesprek, huis, hulp, en meer.
Afgelopen maandag ging hier vrij vroeg de wekker 5:15, vanuit het CNV(j) Wajong werkt promo team & de Realisten werd ik verwacht op het Plein in Den Haag. Wij kregen een ‘laatste’ kans om in actie te komen tegen de nieuwe wet werken naar vermogen.

Vanuit mij persoonlijk gezien had en heeft het ‘geen’ zin om er tegen te zijn want daar gaat toch niets meer aan veranderen, betreffende wet komt er wel (helaas).
Wat wij wel zouden kunnen bereiken met deze actie is het inzichtelijk maken waar men met de nieuwe wet werken naar vermogen tegenaan zal gaan lopen.

(er volgt nog een uitgebreider verslag mijnerzijds)

Nadat ik mijn nest uit was knalde ik als eerste mijn PC aan, voorzag mezelf van een bak koffie, scoorde wat nicotine en groette mijn twitter vrienden. Ondertussen ging ik ook even goed ontbijten, las nogmaals even goed door wat ik van plan was etc; en controleerde nog 1x NS.nl. Schrik, wanneer ik via Zwolle naar Den Haag wilde zou ik een half uurtje vertraging oplopen.

Als een speer vloog ik de douche in, ging mezelf even opfrissen, smeerde wat broodjes en sprong op de fiets om de trein van 7:44 te kunnen halen i.p.v. 8:08. 7:40 kwam ik op het juiste perron aan en zag dat ik in de trein zat naar Schiphol die o.a. langs Zwolle en Amersfoort zou gaan. Tijdens het instappen sprak ik meteen even een conducteur aan met de vraag:”ik wil naar Den Haag centraal”,”wat is de snelste route?” Als antwoord kreeg ik terug:”via Amersfoort meneer.”

Het wordt nodig tijd dat ik het spoorwegen netwerk een beetje uit mijn hoofd ga leren als vervent trein reiziger, wanneer NS.nl aanbeveelt om bijvoorbeeld via Zwolle te reizen kan ik zelfstandig inschatten dat het via bijvoorbeeld Amersfoort in deze sneller gaat. Hoezo Pietje precies!

Mede dankzij de versnelde route kwam ik tegen 10:00 i.p.v. 11:00 aan op locatie, een mooi moment om alvast de omgeving te verkennen en wat foto’s te maken.


Met de ‘mooie’ nieuwe plannen van de wet werken naar vermogen worden problemen doorgeschoven naar gemeenten, iedereen kan na gaan dat gemeenten hier ook niets mee kunnen waardoor nog meer mensen een enkeltje naar huis krijgen, achter de geraniums gedrukt gaan worden en zelfs recht op ondersteuning verliezen (uitgebreide toelichting volgt in de volgende blog).


Zoals op bovenstaande foto te zien is ligt er een leuk gereedschapskistje met een hulp vraag, vraag was en is nu nog steeds wat gaat er met het gereedschap gebeuren?

Diverse Kamerleden mochten ons uit de kooi bevrijden mits zij het gereedschap wisten te gebruiken, het was de aanwezigen gelukt en een meerderheid had onze boodschap ook goed begrepen en zou het meenemen naar hen debat wat erop volgde.

Na vrijlating uit de kooi raakte ik in gesprek met diverse politici waarover ik nog een stuk wil gaan bloggen, was heel leuk om te doen maar daar verklik ik nu nog even niets over.

dinsdag, 17 april 2012

Jan van der Meer

Jan van der Meer

Hyves Linkedin Twitter

‘Starterslening als smeerolie in de woningmarkt’

In wonen, almere, crisis, discussie, gemeente, gemeenten, groei, hypotheek, inkomen, en meer.

startersleningTot nu toe zijn er in Nijmegen 150 nieuwbouwwoningen verkocht met Starterslening. Voor de gemeente Nijmegen is de Starterslening dan ook het crisisinstrument bij uitstek om tempo in de woningmarkt te houden.  Markpartijen betalen mee. Een interview in de nieuwsbrief van de SVN.

Net als iedere andere gemeente is het voor de gemeente Nijmegen in deze tijden van vraaguitval moeilijk om grondexploitaties sluitend te krijgen. Maar, zegt wethouder Wonen Jan van der Meer, Nijmegen is niet in de valkuil getrapt die andere steden nu in de problemen hebben gebracht. ‘Wij hebben niet de fout gemaakt om verwachte inkomsten uit het grondbedrijf in te zetten voor andere zaken.’ Bovendien laten de bevolkingsprognoses zien dat Nijmegen nog steeds groei kan verwachten. Van der Meer: ‘Er is hier niet zozeer sprake van vraaguitval, maar van uitgestelde vraag. Dat geeft meer comfort. Je ziet dan ook dat projectontwikkelaars nog steeds geloven in onze uitlegprojecten zoals de Waalsprong. Maar het blijft momenteel zeker moeilijk om woningen verkocht te krijgen.’

Tempo

Tot 2020 is er zeker nog behoefte aan 1.000 woningen extra per jaar. Ondanks de crisis worden die aantallen ook daadwerkelijk gehaald. Van der Meer: ‘In 2011 werden er 800 woningen opgeleverd; dit jaar verwachten we zelfs 1.200 afgebouwde woningen. Dat is vreemd genoeg in de afgelopen twintig jaar na 2005 het beste jaar. Je ziet dus dat de behoefte er nog steeds is.’ Omdat de marktvraag tegelijkertijd voor een groot deel stil ligt, ontstaat er vooral bij de groep starters een grote druk. Vandaar dat een deel van het nieuwbouwprogramma wordt toegespitst op starters, in plaats van op doorstromers. Dat betekent goedkopere, kleinere woningen bouwen. Van der Meer: ‘Om het tempo in de woningmarkt te houden hebben we bewust gekozen voor prioriteit bij de doelgroep starters.’

Om deze groep zo veel mogelijk te stimuleren heeft Nijmegen recent besloten om opnieuw budget in te gaan zetten voor de Starterslening. De crux om de productie gaande te houden en aan de behoefte te kunnen voldoen ligt volgens de gemeente bij de starters en de Starterslening van SVn kan daarbij fungeren als ‘smeerolie’. Door het fonds voor de Starterslening te financieren met een lening kan de gemeente met een budget van 6 ton voor de gemaakte rentekosten 150 leningen financieren. De gemeente zelf neemt daarvan 4 ton voor eigen rekening, de overige 2 ton wordt middels co-financiering opgebracht door marktpartijen in de Waalsprong. 100 leningen worden verstrekt voor nieuwbouwwoningen in de Waalsprong en 50 leningen zijn bedoeld voor woningen in de rest van de stad. In de Waalsprong komt het er dus op neer dat de verkopende marktpartijen per lening de helft voor hun rekening nemen. Op deze manier krijgt de Starterslening een extra prikkel, meent Van der Meer. ‘Ontwikkelaars kunnen met de Starterslening de boer op, het is een extra verkoopargument voor de woningen. We zien met het succes van vorig jaar dat er veel belangstelling voor is. De startersmarkt is de enige niche in de markt die nog verkoopt, en met de Starterslening gaat het dus sneller.’

Gering risico

Binnen de gemeente is voorafgaand aan de herintroductie van de Starterslening een discussie gevoerd over de rol van de gemeente en of zij wel ‘voor bank’ zou moeten spelen. Van der Meer: ‘Mijn standpunt is: ‘Juist bij starters is er sprake van een zeer gering risico. Het is immers een groep die in inkomen gaat stijgen, zeker in zo’n stad als Nijmegen met allemaal net-afgestudeerde studenten van de universiteit. Sterker nog, je voorkomt juist al bij voorbaat dat ze in de toekomst scheef gaan wonen en met hun gestegen inkomen huurwoningen bezet houden die voor lagere inkomensgroepen zijn bedoeld. De praktijk wijst overigens uit dat het risico inderdaad te verwaarlozen is. Statistisch gezien zou er vorig jaar van de 150 reeds uitgegeven Startersleningen 0,2 huishouden in de problemen moeten zijn gekomen bij het afbetalen van de lening en waar de Nationale Hypotheek Garantie dan bij moet springen. Maar dat is geen enkele keer voorgekomen. Het risico voor de gemeente is dus minimaal.’

Sterker nog, stelt Van der Meer, de Starterslening voorkómt juist nog grotere risico’s, zoals onverkoopbare woningen in de Waalsprong. ‘Het risico van onverkoopbaarheid in de uitleglocaties is in deze markt reëel. Met de Starterslening zetten we meer woningen af in de Waalsprong. Zo voorkom je dus risico’s op een ander vlak.’ Vanwege het succes wil Nijmegen de Starterslening ook gaan inzetten voor een andere niche in de markt: de zelfbouwwoningen. Van der Meer: ‘We hebben gekeken naar het succes van het programma ‘Ik bouw betaalbaar’(IBB) van Almere, voor particulier opdrachtgeverschap. Met IBB hebben we vervolgens een vergelijkbaar product ontwikkeld dat is gericht op betaalbaar zelfbouwen. De koper kiest een woning uit een catalogus en kan er een aanvullende lening bij krijgen. Mocht hij de woning met meerwaarde verkopen, dan romen wij een deel daarvan af waardoor de kosten van de financiering zijn gedekt. Een heel interessant product, want we zien dat ook zelfbouw een niche is waar belangstelling voor is.’

Bewezen succes

Met enerzijds de geringe risico’s en anderzijds het bewezen succes van verkochte woningen, is de Starterslening voor Nijmegen een effectief instrument dat in deze crisis de bouwproductie en de woningmarkt aan de gang houdt. Wethouder Van der Meer vindt de Starterslening dan ook voor andere gemeenten een zeer aan te bevelen product. ‘De Starterslening is vrijwel het enige instrument voor een gemeente om het benodigde tempo in de woningmarkt te kunnen realiseren. Er is veel vraag naar starterswoningen, daar kun je als gemeente met de Starterslening heel veel in betekenen. Ik zou zeggen, ga dus op zoek naar budget en durf het in te zetten. Het middel is een bewezen stimulans en dempt bovendien de risico’s op een ander vlak. Met name voor steden met veel pas-afgestudeerden en groei-gemeenten is de Starterslening aan te bevelen.’

De doorstroming op de woningmarkt zit vast, dat is een realiteit waar vrijwel alle gemeenten mee te maken hebben. De duurdere koop vindt geen afzet meer, maar in de startersmarkt zit nog wél beweging. Jan van der Meer: ‘Dan moet je voor de onderkant bouwen, het is even niet anders. Onze opgave als bestuurders is om dat te doen met weliswaar goedkopere, maar goede concepten. Om vooral niet in te boeten op kwaliteit, want je wilt uiteraard niet de achterstandswijken van de toekomst bouwen. De Starterslening past goed bij ons ambitieniveau, omdat daarmee ook het financiële plaatje compleet is te maken.’

Hans Kuipers

Hans Kuipers

Hyves Twitter GR

Position paper windenergie

In groenlinks-drenthe, klimaat & energie, statenfractie, co₂, omgevingsbeleid, position paper, windenergie, april, beperking, en meer.

Voor GroenLinks Drenthe schreef ik een position paper windenergie. Hieronder de volledige tekst.

Clipart Cartoon Design 02 Position paper windenergie1. Aanleiding
Dit memo geeft in de positie en uitgangspunten van de GroenLinks-Statenfractie in Drenthe (voorts: GroenLinks) weer met betrekking tot het dossier windenergie. Dit position paper is door de Statenfractie geaccordeerd in haar vergadering d.d. 11 april 2012.

2. Windenergie algemeen
Als fractie van GroenLinks staan we vooralsnog op het standpunt dat een mix van duurzame energieopwekking nodig is om duurzaam te leven (ook volgende generaties een leefbare wereld na te laten) en minder CO2 uit te stoten – daar hoort ook wind op land bij. Drenthe levert van de 6000 megawatt die landelijk opgewekt wordt, als het aan ons ligt, daarvan een beperkte hoeveelheid, onder meer omdat er aan de kust meer wind is. Het zoekgebied dat is aangewezen in de omgevingsvisie is voor ons leidend – dat betekent kortom dat we vinden dat er in de Veenkoloniën windenergie opgewekt moet worden. Voorwaarde voor ons is daarbij wel, dat initiatiefnemers in gesprek gaan met omwonenden en hen de mogelijkheid bieden mee te denken over plaats en vormgeving en ook de mogelijkheid bieden om te participeren en voordeel te hebben van de molens. Randvoorwaarden zijn uiteraard dat overlast door slagschaduw in huis en door geluid voorkomen wordt.

3. Omgevingsvisie Provincie Drenthe
In de Omgevingsvisie1 hebben Provinciale Staten een zoekgebied vastgelegd binnen de provincie waar grootschalige opwekking van windenergie mogelijk wordt gemaakt.

Het Rijk wil dat in 2020 14% van de  energie gehaald wordt uit duurzame bronnen, onder andere windenergie. Hiervoor dient 6000 MW windenergie op land geraliseerd te worden. De provincies hebben dit in IPO-verband onderling verdeeld en voor Drenthe betekent dat in 2020 200 – 280 MW gerealiseerd moet zijn. In de Omgevingsvisie is echter expliciet géén maximum aantal MW aan windenergie in de provincie benoemd.

Het aanleggen van windmolenparken zou volgens GroenLinks overal gestimuleerd moeten worden waar dit landschappelijk inpasbaar is. Ook is in de Omgevingsvisie expliciet opgenomen dat na 2020 bouw van windmolens buiten het zoekgebied niet uitgesloten is.

4. Inpassing met draagvlak
Een goede inpassing mét draagvlak betekent voor GroenLinks: een juiste balans tussen behalen van maximaal rendement en maximale beperking in overlast, en participatie door de bevolking.

Beleving van geluidsoverlast bij windmolens is groter als je er geen goed gevoel bij hebt en als je er niets over te zeggen hebt: zoeken naar mogelijkheden de bevolking te betrekken is belangrijk om de overlast te beperken. Geen stroboscoopeffect of slagschaduw in huis, en liefst ook niet in de tuin. De inpassing voldoet minimaal aan het Activiteitenbesluit bij de Wet milieubeheer (geluidsnorm en minimale afstand). Wenselijk is om de overlast zo veel mogelijk te beperken.

Het rendement kan bevordert worden door de molens in de juiste formatie te positioneren. Dit kan conflicten opleveren met landschappelijke inpasbaarheid (zichtlijnen) en directe overlast voor omwonenden. Een goede balans hierin dient te worden gevonden.

Participatie vanuit bevolking is voor GroenLinks een belangrijke voorwaarde voor goede inpassing. Dit kan participatie mét zeggenschap (coöperatie) of zonder zeggenschap (lagere tarieven, aandelen, obligaties, leningen) zijn.

5. Proces: Gebiedsvisie
“Samen met de gemeenten Aa en Hunze, Borger-Odoorn, Coevorden en Emmen en de provincie Drenthe wordt er een gebiedsvisie windenergie opgesteld, met als doel het aangewezen zoekgebied te verfijnen. In de gebiedsvisie zal zo concreet mogelijk worden geformuleerd waar en onder welke voorwaarden windmolen geplaatst kunnen worden. Bij het opstellen van de gebiedsvisie worden ook de inwoners en initiatiefnemers betrokken.”

De gebiedsvisie wordt opgesteld in gezamenlijkheid tussen provincie en gemeenten. Voor GroenLinks is daarbij van groot belang dat de gebiedsvarianten uitgebreid met de bevolking worden besproken.

In het meest gunstige scenario worden de gemeenten het onderling eens over de invulling van de gebiedsvisie. Gemeenten moeten wel hun verantwoordelijkheid nemen binnen de provinciale doelstelling, zodat een gelijkwaardige verdeling van lusten en lasten over het zoekgebied gemaakt kan worden. Emmen en Coevorden zullen waarschijnlijk een groter deel voor hun rekening moeten nemen dan zij tot op heden gedaan hebben.

Enige manier om te zorgen dat het Rijk ons serieus neemt, is als Drenthe (voor en tegen) samen een gebeidsvisie maken, die gedragen wordt, anders gaat het Rijk zijn eigen gang.

6. Rijkscoördinatieregeling
De rijkscoördinatieregeling (RCR) biedt de rijksoverheid de mogelijkheid om bij projecten van nationaal belang de besluitvorming te coördineren. De bedoeling is de procedures te verkorten en te stroomlijnen, waardoor projecten sneller kunnen worden gerealiseerd. Windenergieprojecten vanaf 100 MW opgesteld vermogen vallen verplicht onder de rijkscoördinatieregeling.

In Drenthe zijn inmiddels een aantal initiatieven bekend die onder de RCR vallen, windpark de Drentse Monden (300 – 450 MW) en windpark Oostermoer (120 tot 150 MW).

In principe is de RCR een goede regeling: het geeft het Rijk mogelijkheden om in te grijpen in provincies die hun verantwoordelijkheid in de windopgave niet nemen. Drenthe heeft dat wél gedaan en vastgelegd in haar omgevingsvisie. GroenLinks is dan ook van mening dat het Rijk hier ook daadwerkelijk de verantwoordelijkheid van de provincie moet respecteren.

7. Samenvattend:

  1. GroenLinks onderschrijft het vastgelegde zoekgebied voor grootschalige windenergie zoals vastgelegd in de Omgevingsvisie.
    GroenLinks onderschrijft de taakstelling om voor 2020 minimaal 200 MW en maximaal 280 MW aan grootschalige windenergie te realiseren in Drenthe.
  2. GroenLinks is van mening dat het opwekken van windenergie ook buiten het zoekgebied (kleinschalig en decentraal) mogelijk moet zijn waar dit op een verantwoorde wijze landschappelijk inpasbaar is.
  3. De gebiedsvisie wordt in gezamenlijkheid opgesteld door provincie en gemeenten, waarbij wat GroenLinks betreft nadrukkelijk ook de bevolking, tegenstanders en initiatiefnemers worden betrokken;
  4. GroenLinks hanteert de volgende toetsingscriteria voor verantwoorde inpassing:
    • Voldoende participatie door bevolking;
    • Stroboscoop-effect: geen effect in woningen en geen slagschaduw langs ramen, liever niet in tuinen;
    • Geluid en minimale afstand: wettelijke norm. Aantoonbaar maximale beperking overlast;
  5. Drenthe heeft bewezen haar verantwoordelijkheid te nemen in het dossier windenergie. GroenLinks is van mening dat het Rijk bij het toepassen van de Rijkscoördinatieregeling de door de provincie en gemeenten in gezamenlijkheid opgestelde gebiedsvisie als leidend moet hanteren.

Meppel, 11 april 2012
STATENFRACTIE GROENLINKS DRENTHE

donderdag, 12 april 2012

Walter van Peijpe

Walter van Peijpe

Hyves Last.fm Twitter Youtube

In Holland Rijnland staat een leeg kantoor.

In foto's, politiek, herbestemmen, holland rijnland, kantoren, kantorenleegstand, leegstand, leiden, 2.0, en meer.

12-04-2012 In april 2010 was één van mijn eerste vergaderingen als ‘nieuw’ raadslid voor GroenLinks, een ‘benen op tafel bijeenkomst’ over ‘Focus 2014’, de strategische agenda van Holland Rijnland. Ik was behoorlijk nerveus toen ik opmerkte dat ik de 415.000 m2 aan geplande nieuwe kantoorruimte in de regio wat aan de hoge kant vond. Mijn zorg werd weliswaar serieus genomen, maar helaas nog door weinigen gedeeld.

Nu, twee jaar later, wordt de ’Regionale kantorenstrategie Holland Rijnland’ in de verschillende gemeenteraden in de regio besproken. Iedereen is het over één ding eens: Holland Rijnland heeft te maken met problematische, structurele leegstand van kantoren. Zonder ingrijpen zal de leegstand de komende jaren toenemen van de huidige 11% naar 25% in 2015, terwijl een zogenaamde frictieleegstand van 5-8% acceptabel is. De nieuwe kantorenstrategie zal dus met een heel goed antwoord moeten komen op de vraag hoe de kantorenmarkt in de regio weer gezond kan worden.

De oplossingen die in de kantorenstrategie worden genoemd zijn niet opzienbarend: planreductie, renovatie en transformatie. Dit zijn de veelgebruikte en inderdaad noodzakelijke instrumenten. Maar de vraag is natuurlijk: hoe reduceer, renoveer en transformeer je? Wie gaat dat doen en wie betaalt dat? Welke harde afspraken worden gemaakt en welke ‘offers’ worden gebracht om binnen de regio werkelijk effectief te zijn in de bestrijding van kantorenleegstand?

Terecht constateert de ‘Regionale kantorenstrategie Holland Rijnland’ dat renovatie en transformatie ingewikkelde processen zijn waarbij de overheid slechts een beperkte rol kan spelen. De eigenaar van een leegstaand kantoor moet immers wel bereid zijn om zijn pand te renoveren, te transformeren en af te boeken op de waarde van zijn bezit. In de kantorenstrategie wordt afgesproken dat gemeenten eigenaren zullen helpen door soepeler met procedures en bouw- en regelgeving om te gaan. Verder zullen verouderde kantoorlocaties binnen twee jaar in kaart gebracht worden. Ook wordt er een ‘ambtelijke projectgroep Transformatie’ ingesteld die concrete herbestemmingsinitiatieven gaat bespreken en hierbij zal helpen als dat nodig is.

Het is overduidelijk dat renovatie en transformatie van verouderde kantoren niet genoeg zal zijn om het leegstandspercentage in Holland Rijnland terug te brengen naar de gewenste 5-8%. Planreductie is absoluut noodzakelijk. In de kantorenstrategie wordt daarom onderscheid gemaakt tussen de ‘lokale’ en de ‘regionale’ vraag. De regionale vraag wordt alleen nog maar gefaciliteerd op aangewezen, duurzame, kantorenlocaties, zoals bijvoorbeeld het stationsgebied in Leiden en het Bio Science Park. Daarnaast komt er een voorverhuureis van minimaal 70% bij nieuwe ontwikkelingen en wordt de SER-ladder toegepast. Dit betekent dat nieuwbouw alleen wordt toegestaan als is aangetoond dat binnen de bestaande voorraad geen geschikte huisvesting mogelijk is. Er is besloten geen quotum voor nieuw kantooroppervlak vast te stellen.

Hoewel het natuurlijk goed is dat de ”Regionale kantorenstrategie Holland Rijnland’ er is en er zeker zinvolle voorstellen in staan, zijn er toch behoorlijk wat kanttekeningen bij te plaatsen. Het lijkt een beetje alsof de bestrijding van kantorenleegstand in de regio gezien wordt als een noodzakelijk kwaad waaraan alle gemeenten zich toch proberen te onttrekken om hun lokale economie te beschermen.

Bij het schrijven van de kantorenstrategie zijn de bestaande plannen voor kantoorontwikkelingen in de regio in beeld gebracht. Voor reguliere kantorenlocaties staat nu maar liefst 280.600 m2 gepland. Daar komen nog kantoren op themalocaties, zoals het Bio Science Park bij [totaal 352.000m2 inclusief laboratoria] Het is dus duidelijk dat er geschrapt zal moeten worden in de plannen maar of de gemeenten dit daadwerkelijk zullen doen is maar helemaal de vraag. Vaak zijn de plannen al als positief resultaat opgenomen in de grondexploitatie en schrappen kost de gemeenten dus veel geld.

Een voorbeeld is de W4 locatie langs de A4 in Zoeterwoude en Leiderdorp met een plancapaciteit van 87.500m2. Een bizarre ontwikkeling waarin absoluut geschrapt zou moeten worden. Dit zou echter het failliet van Leiderdorp en Zoeterwoude betekenen. Dus is de W4 locatie aangewezen als regionale, duurzame ontwikkellocatie. Een duidelijk politieke keuze maar wel één die de kantorenleegstand in de regio negatief zal beïnvloeden. Als deze locatie ooit vol komt, wat valt te betwijfelen, dan betekent dat ook dat een groot gedeelte van deze 87.500m2 ergens anders in de regio leegkomt en getransformeerd zal moeten worden. Een vrijwel onmogelijke opgave.

Dit voorbeeld toont aan dat lokale en regionale belangen niet altijd goed samengaan. Dit wordt ook duidelijk in het onderscheid dat in de kantorenstrategie gemaakt wordt tussen de lokale en regionale vraag naar kantoren. Tot 2500 m2 wordt een kantoorlocatie bestempeld als lokaal. Gemeenten mogen deze vraag dus gewoon op eigen grondgebied blijven faciliteren. Ook geldt de voorverhuureis van 70% niet voor de lokale vraag. Dit is onbegrijpelijk. In een kantoorpand van 2500 m2 kunnen ongeveer 100 mensen werken. Het is niet vol te houden dat zo’n kantoor een lokale functie heeft, zoals bijvoorbeeld een makelaars- of notariskantoor. Het grootste gedeelte van de leegstaande kantoren in de regio is kleiner dan 2500 m2 en juist hier is dus een effectieve regionale aanpak nodig waarin de lokale economie van ondergeschikt belang zou moeten zijn.

Omdat er geen quotum op nieuwe kantoorlocaties is en er nog veel kantoren in de regio gepland staan zal de herbestemmingsopgave in de komende jaren enorm zijn. Dit is een buitengewoon lastige opgave die door de regio niet onderschat moet worden. Leiden heeft een eigen, lokale kantorenstrategie opgesteld, die binnenkort wordt vastgesteld. Het zou verstandig zij als  andere gemeenten in Holland Rijnland dit ook zouden doen.

Namens GroenLinks heb ik drie amendementen ingediend bij de behandeling van de ‘Regionale kantorenstrategie Holland Rijnland’ in de Leidse gemeenteraad. Het eerste amendement bepleit een ‘kantorenloods’ voor Holland Rijnland aan te stellen, die actief vastgoedeigenaren stimuleert en faciliteert bij het omzetten van hun leegstaande kantoorpanden naar andere functies. Het tweede amendement bepleit om in één jaar in plaats van in twee jaar, verouderde kantoorlocaties in kaart te brengen. Het derde amendement bepleit de vastgoedvraag als lokaal te bestempelen als het bruto vloeroppervlak minder dan 1000 m2 bedraagt en de vastgoedvraag naar kantoren als regionaal te bestempelen als het bruto vloer oppervlak meer dan 1000 m2. De amendementen, meeondertekend door D66, zijn alle drie in de raadsvergadering van 05-04-2012 aangenomen en worden als Leids standpunt meegenomen in de vergadering van het Algemeen Bestuur van Holland Rijnland, bij de definitieve vaststelling van de kantorenstrategie Holland Rijnland. Het is te hopen dat deze drie verbeteringen hierin overgenomen worden.

De strijd tegen kantorenleegstand zal met veel inzet, doorzettingsvermogen, creativiteit, flexibiliteit, ambtelijke capaciteit en regionale solidariteit gevoerd moeten worden. Ik zal  namens GroenLinks Leiden deze strijd kritisch blijven volgen.


donderdag, 5 april 2012

Frank Pels

Frank Pels

Hyves

Vermast: 'uitbreiding Lelystad Airport komt er nooit'

In adverteren, alders, college, gemeente, gemeenten, groen, lelystad airport, bestuur, de, en meer.
Paul Vermast (gemeenteraadslid Dronten voor GroenLinks) legt het in Binnenlands Bestuur nog even helder uit:


Want hoe kon het gebeuren dat een jarenlange voorwaarde over toegestaan vliegtuiglawaai van Lelystad Airport zomaar van tafel is verdwenen?[..] Volgens Vermast had het college de raad moeten informeren over dat zij en andere gemeenten aan de Alders Tafel buiten de vastgestelde kaders uit 2004 voor vliegtuiglawaai aan het spreken waren. ‘Door die kaders los te laten is een veelvoud van het aantal vluchten mogelijk’, aldus Vermast. Afgelopen vrijdag presenteerde kabinetsadviseur Hans Alders zijn advies over de toekomst van Lelystad Airport na overleg met betrokkenen aan de Alders Tafel. Hij adviseerde van Lelystad Airport een toeristische luchthaven te maken met maximaal 45.000 vluchten per jaar.[..]
Onverkoopbare woningen   Volgens Vermast krijgt de gemeente Dronten bij deze uitbreiding te maken met een onverantwoorde hoeveelheid overlast. ‘Een aanvliegroute zou over een Drontense woonwijk in ontwikkeling komen. Die wordt daardoor minder aantrekkelijk. We adverteren met rust, ruimte en groen, maar die eerste term kan dan worden geschrapt. Het zal de verkoop van woningen geen goed doen en de woningen van mensen die er al wonen worden onverkoopbaar.’ [..]
Herrie, stank en overlast    Toch verwacht Vermast niet dat de uitbreiding van Lelystad Airport er ooit gaat komen. Hij denkt dat onder meer de uitbreiding van vliegveld Charles de Gaulle in Parijs een grote bedreiging wordt voor Schiphol. ‘Als daardoor het aantal passagiers op Schiphol afneemt, zal de noodzaak voor verplaatsing van vluchten naar Lelystad ook afnemen.’ Volgens Vermast leidt uitbreiding van Lelystad Airport enkel tot ellende. ‘Herrie, stank en overlast is het enige dat Dronten ervan terugziet. Iedereen die iets anders zegt, praat onzin.’

dinsdag, 3 april 2012

René Kerkwijk

René Kerkwijk

Hyves Linkedin Last.fm Twitter Youtube GR

Nederland Regelland zit in de weg

In default, de, eindhoven, gemeenten, nederland, manier.
Steeds meer gemeenten en instellingen worstelen met de manier waarop zij zijn georganiseerd. Het aanbodgerichte karakter van instellingen is echt achterhaald, het bouwen in Nederland ligt voor een flink deel stil en veranderingen in het “sociale domein” vragen aan iedereen om een omslag. In Eindhoven zie ik goede discussies en bewegingen die proberen een antwoord op [...]

zaterdag, 31 maart 2012

Claire Vaessen

Claire Vaessen

Twitter GR

Wat doet de regio?

In raad, regio, regio rivierenland, beleid, blog, burgemeester, burgers, college, communicatie, en meer.

Vast onderdeel van de Culemborgse raadsvergadering is punt 8: informatie uit gemeenschappelijke regelingen. Regio Rivierenland is zo’n gemeenschappelijke regeling.

De terugkoppeling uit ‘de regio’ is mager. Meestal wordt de regio afgedaan als de plek waar al door de lokale gemeenteraad vastgesteld beleid wordt verlengd en uitgevoerd. Dat is zo, maar soms op het randje. Een voorbeeldje: bij het besluit dat  in 2020 regionaal 10% duurzame energie moet worden opgewekt is de Culemborgse raad niet betrokken geweest. En over wat over ‘werk en inkomen’ in de regio wordt besproken en besloten krijgt de gemeenteraad regelmatig een keurige nieuwsbrief; alleen, ik heb een andere opvatting over de taak van een gemeenteraadslid dan slechts geïnformeerd te worden.

Toen de voorzitter van de raad (die niet alleen burgemeester van Culemborg, maar ook voorzitter van Regio Rivierenland is) gisteren in de raadsvergadering dit punt wilde afhameren was het tijd om in te grijpen en te vragen naar terugkoppeling uit het Algemeen Bestuur van de regio.

Lichtelijk geïrriteerd over dit oponthoud vertelde Van Schelven dat het AB van de regio een besluit had genomen over de riolering van het regiokantoor. De ondertoon had onmiskenbaar de boodschap dat je je als raadslid niet druk zou moeten maken over dit soort futiliteiten.

In De Gelderlander van 17 maart was echter al te lezen geweest dat de Burense wethouder Sander van Alfen in het AB van de regio een serie voorstellen had gepresenteerd die tot doel hadden meer openheid te betrachten en de raadsleden in de regio actiever te informeren. Een burgemeester zou in die discussie gezegd hebben: “De participatie en informatie van de gemeenteraden gaan niet goed”.

Het geeft te denken dat het Culemborgse college het niet de moeite waard vond deze in het AB van de regio gevoerde discussie met de raad te delen.

Bij monde van wethouder Van Oorschot kwam er vervolgens een wat onwillig en halfslachtig antwoord op mijn terugkoppelingsvraag: voordat je aan de gang ging met het ‘verkopen’ van je regio, moest eerst gezorgd worden dat de interne communicatie in orde was. Daar zou nu aan gewerkt gaan worden. En niet Culemborg in haar eentje moest nu aan de slag met het actiever informeren van raad en burgers, maar alle regiogemeenten zou eerst op één lijn moeten komen.

Dat riekt naar stroperigheid.
Waarom zouden de Culemborgse bestuurders hun raad en bevolking niet netjes informeren? Waarom zou je daarvoor moeten wachten op andere gemeenten in de regio?

Met moeite ontfutselde ik van het college de toezegging dat de Culemborgse raad de beschikking zou krijgen over de concrete voorstellen van de Burense wethouder om raad en burgers beter te informeren.

Participatie, democratie, transparantie: of deze begrippen voor het Culemborgse college wel altijd zo vanzelfsprekend zijn….?

vrijdag, 23 maart 2012

John Jorna

John Jorna

Grensoverschrijdende samenwerking

In column van de week, amsterdam, boeken, cultuur, duitsland, europese, geld, gemeente, gemeenten, en meer.

GRENZEN BLIJVEN GRENZEN

Zo’n veertig jaar geleden zagen we de Europese integratie vooral als het wegvallen van grenzen tussen de nationale staten. Die grenzen zouden even onopvallend worden als de grenzen tussen onze provincies of onze gemeenten. Daar zie je soms een bord met welkom in de provincie Utrecht of de gemeente Houten. Soms verandert het wegdek als je een gemeentegrens passeert of krijgt de weg een andere naam. Zo wordt het Bunnikse Oostromsdijkje in Houten het Oostrumsdijkje. De grens tussen de provincies Utrecht en Noord-Holland is bij Hollandse Rading (Rading betekent grens) kaarsrecht, maar je moet echt op de grenspalen letten om de grens ook echt te zien.

Maar de grens tussen Nederland en Duitsland is ondanks het wegvallen van de grenscontrole toch duidelijk waarneembaar. Iets andere verkeersborden, andere plaatsnaamborden, andere wegwijzers, maar ook andere huizen met een andere baksteen, kleinere ramen, dikkere muren en vaak wat andere daken. Bij de autosnelwegen zijn de verschillen minder, maar toch aanwezig.

Anderhalve eeuw geleden waren de grenzen van weinig betekenis. Het waren staatkundige grenzen met aan weerszijden een ander politiek-juridisch systeem en een ander staatkundig gezag. Er was nog weinig internationale handel en nauwelijks toerisme, dus weinig grensoverschrijdend verkeer en ook weinig grensoverschrijdende spoorlijnen, verharde straatwegen of kanalen. Aan beide zijden werd hetzelfde dialect gesproken. Men bezocht elkaars kermissen en schuttersfeesten en bijgevolg werd er ook over de grens getrouwd en zocht men aan beide zijden naar werk.

Dat veranderde met de Industriële Revolutie. Massafabricage betekende behoefte aan veel grondstoffen en steenkool voor de stoomaandrijving van de machines en behoefte aan een grotere afzetmarkt. De internationale handel nam sterk toe. Alles vroeg een politiek antwoord met wetgeving op economisch gebied. Scholing van de beroepsbevolking werd steeds meer nodig. Er kwam volksonderwijs en in Nederland werd ABN en in Duitsland Hoogduits onderwezen. Grenzen werden economisch van betekenis en werden taalgrenzen. De omvang van de overheid nam en neemt toe, want er moet steeds meer geregeld en gecontroleerd worden. Aan beide zijden van de grens ontstond een geheel verschillende ambtelijke cultuur met eigen regelgeving. Dat gaat nog steeds door. Zeer veel terreinen van wetgeving blijven voorbehouden aan de nationale staten en daar waar Europese richtlijnen worden omgezet in nationale wet- en regelgeving heeft ieder land toch weer een andere bestuursstijl en een ander wetgevingssysteem. Europese integratie heeft er niet toe geleid, dat de verschillen verdwijnen.

In de grensgebieden van de EU bestaan zogenaamde Euregio ’s. Ze krijgen een beperkt budget van de EU om de samenwerking te faciliteren, maar grensoverschrijdende projecten kunnen er niet uit betaald worden. Bij een bijeenkomst van de Europawerkgroep in Nijmegen hoorden we van Florian Gödderz hoe moeilijk samenwerking kan zijn. Een gezamenlijke bijeenkomst van ouderen is moeilijk doordat er in Duitsland geen ouderenbonden met plaatselijke afdelingen zijn. Discriminatiebeleid is in Duitsland over allerlei instanties verdeeld, bij de Kreis of zelfs bij de Bond. Een praktisch voorbeeld is de poging om de vroeger zeer belangrijke spoorlijn Amsterdam-Amersfoort-Rhenen-Kesteren-Nijmegen-Kleef tussen Nijmegen en Kleef te reactiveren. Dat zou als tram of als tramtrein of als kleine trein kunnen. Studenten reizend naar station Nijmegen Heyendaal zouden ervan kunnen profiteren. Of er vanuit Groesbeek, Kranenburg en Kleef veel vraag naar is, werd niet zo duidelijk, maar er zijn rapporten over. De kosten zijn niet erg hoog in vergelijking met andere infrastructurele projecten, dertig miljoen. Het zou een manier zijn om meer grensoverschrijdende interactie te krijgen. Eigenlijk had ik daarover veel meer willen horen.

Er is wel een opvallend verschijnsel. Veel Nederlanders gaan in Duitsland wonen, waar de huizenprijzen veel lager zijn. In Kranenburg zijn het er zoveel, dat het onderwijs op de Volksschule tweetalig is geworden. Maar als de kinderen naar het Nederlandse secundair onderwijs willen, krijgen zij de boeken niet gratis. Dat wordt dus een dure liefhebberij. De Nederlanders in Kranenburg doen al veel mee met het dorpsleven. Ze zijn lid van sportclubs en een Nederlandse vrouw is lid van de gemeenteraad.

Samenwerken met de Grünen blijkt hier moeilijk, maar in Twente vinden actiegroepen aan weerszijden van de grens elkaar wel. In Kurort Bentheim zullen ze net zo goed last hebben van een opwaardering van vliegveld Twente. Daar hebben ze ook last van een militair oefenterrein, waar men piloten traint in het afwerpen van bommen. Over en weer bezoekt men elkaars demonstraties.

Een Luchthaven Twente zou veel werkgelegenheid opleveren. Het bedrijfsleven stimuleert het sterk. Oad zou er vakantievluchten kunnen laten vertrekken. Maar op geringe afstand zijn er concurrerende luchthavens. Er zouden zich bedrijven kunnen vestigen, die de laatste montage doen aan elektronica, maar probeer maar eens te concurreren met Schiphol, dat veel meer intercontinentale verbindingen heeft. Ik herinner mij ons zomerkamp in 1949 in Lonneker. De eerste dag zeiden sommige jongens, dat ze het wel leuk vonden, dat er steeds Meteor straaljagers over kwamen. De rest van de week vervloekten ze het lawaai. Zo zouden de vele toeristen ook uit Twente weg kunnen blijven en dat zou een groot verlies aan werkgelegenheid opleveren. Doordrammen van de luchthavenplannen zou Twente wel eens veel geld kunnen kosten en weinig opbrengst opleveren.

Mijn conclusie voor deze avond was, dat grensoverschrijdende samenwerking soms leuke dingen oplevert, maar dat er nog zoveel hinderpalen zijn. Op allerlei niveaus moet daaraan gewerkt worden.

Jaargang 5, Nr. 207.

John Swelsen

John Swelsen

Hyves Linkedin Twitter Youtube

Teleurstellend debat werken naar vermogen

De commissie CEESS  van de Arnhemse gemeenteraad vergaderde afgelopen maandag over de vertaling van het Arnhems college van B&W van de Wet werken naar vermogen en het 1100 banenplan. Alhoewel, van het laatste was in de discussie niets meer te beluisteren. Een teleurstellend debat was het gevolg waarin zelfs de vervangende wethouder nat ging met onwaarheden.

 

Ik mag hopen dat er weinig uitvoerders uit het werkveld van bemiddeling en sociale zekerheid het debat hebben gevolgd afgelopen maandag want die zouden terstond het vertrouwen in hun vertegenwoordigers en bestuurders hebben opgegeven. Het leek aardig te beginnen, Ria Peters van GroenLinks benoemde een aantal zorgpunten vanuit haar fractie die ook binnen het bereik van het gemeentelijk beleid liggen. Laat voorop staan, in de nieuwe Wet werken naar vermogen, waarvan de ingangsdatum gepland is op 1 januari 2012, is die ruimte beperkt. Het kabinet heeft het geheel redelijk dichtgetimmerd en levert een beperkte financiële bijdrage. Dat is ook de reden dat de Vereniging van Nederlandse Gemeenten hierover met het kabinet geen bestuursakkoord heeft gesloten.

Na Peters ontstond langzamerhand de verwarring. Desiree Egberts van de SP onderschreef de kritische kanttekeningen van GroenLinks en voegde nog een paar sneren aan het adres van de regering toe. Niet relevant maar tot dan nog geen onwaarheden. Vervolgens echter vloog men links en rechts uit de bocht. Waar Peters en Egberts de voorwaarde van aanvulling tot het minimumloon wilden regelen ontstond een discussie over het instrument loondispensatie. Dit wordt nu al op grote schaal toegepast binnen de Wajong-doelgroep en is een zinvol instrument om werkgevers te compenseren voor de niet-geleverde produktiviteit van mensen met een arbeidshandicap. Feitelijk werkt het systeem van de Sociale Werkvoorziening ook zo, mensen werken tegen een CAO-loon maar de overheid legt geld bij. Het verschil is alleen dat loondispensatie zowel binnen de overheid als het bedrijfsleven kan worden toegepast. Het argument van Nico Wiggers (Zuid Centraal) dat er tweederangswerkgevers en -werknemers ontstaan is dan ook onterecht. Van Burgstede (CDA) leek op de goede weg met haar betoog dat het kansen biedt aan mensen die anders niet aan de slag zouden komen maar helaas liet ze de zorgpunten die er wel degelijk in dit wetsvoorstel zitten achterwege. Toen wethouder Leisink, als vervanger van de eigenlijke portefeuillehouder wethouder Van Wessem de fout inging ontspoorde de discussie helemaal. Onterecht suggereerde Leisink dat er waarschijnlijk geen mogelijkheden zijn om mensen het minimumloon te betalen. De memorie van toelichting op de Wet  zegt het volgende:

 

De gemeente vult het inkomen van mensen die werken met loondispensatie en die recht hebben op een WWNV-uitkering via een aanvullende uitkering aan tot maximaal 100 procent van het minimumloon. Het loon en de aanvulling samen kunnen tijdelijk minder zijn dan 100 procent van het minimumloon. Dit stimuleert mensen om zich verder te ontwikkelen. De financiële prikkel maakt meer werken lonend. Een hogere productiviteit leidt immers tot een hoger inkomen.

 

Daaruit is geen verplichting op te maken, hier zit nou juist de (beperkte) gemeentelijke beleidsvrijheid. Overigens zou bij een eventuele verplichting van een tijdelijke aanloopperiode waarin maar tot een x-percentage van het minimumloon zou mogen worden aangevuld een symbolische termijn van 1 maand in de gemeentelijke verordening kunnen worden opgenomen.
Het is maar hoe serieus de gemeenteraad zichzelf neemt en of de bereidheid er is om de randen op te zoeken. Het gebrek aan inhoudelijke kennis van de materie, bij een deel van de commissie, doet echter het ergste vermoeden. De surrealistische discussie over de loondispensatie maakte dat er over het 1100 banenplan geen woord werd gewisseld. Is het realistisch, haalbaar? Gaat het over 1100 minder uitkeringsgerechtigden of 1100 banen (een groot verschil), wordt de aandacht verlegd naar de meest kansrijken binnen Wwb en Wwnv? Heel veel vragen zijn over dit plan nog te stellen.

 

Dit artikel van mijn hand verscheen afgelopen woensdag op ArnhemDichtbij.

Teleurstellend debat werken naar vermogen is a post from John Swelsen.

Robert Giesberts

Robert Giesberts

Feest!

In samenleving algemeen, feest, vng, begroting, burgemeester, discussie, fictie, geld, gemeenten, en meer.

Honderdjarigen hebben de gewoonte het rustig aan te doen. Er is wat familie, de burgemeester komt langs en misschien is er ook nog ruimte voor een journalist of fotograaf. Zo gaat dat bij personen. Bij organisaties is het beeld vaak tegengesteld. Het bereiken van de honderd stuwt de feestroes op tot nog niet verkende hoogten. De Vereniging Nederlandse Gemeenten heeft de verleiding ook niet weerstaan. Er is een bonte feestavond georganiseerd om het heuglijke feit straks met tout gemeenteland en partners te vieren. Daar is niks mis mee. Jorritsma, de voorzitter, heeft in het verleden bewezen een musicalster in-de-dop te zijn. En er zijn vast wel enkele raadsleden te vinden die een gelegenheids-muziekband kunnen formeren. En als we toch bezig zijn: waarom niet een toneelstuk van enkele burgemeesters of wethouders, bijvoorbeeld Het Verjaardagsfeest van Harold Pinter. Passend. Zo kan het, maar zo gebeurt het natuurlijk niet. Honderdjarige organisaties laten zich graag fêteren door Bekende Mensen. Die daarvoor natuurlijk betaald worden. En dat doet wat met de kosten en de prijs van het toegangskaartje. Als een organisatie zich dat kan veroorloven is dat geen probleem. En voor veel bedrijven is het bij uitstek een moment om de marketing een extra energiestoot te geven. Maar ‘veroorloven’ voor maatschappelijke organisaties gaat verder dan alleen de platte financiële afweging. Het bestrijkt ook een verraderlijk reliëf van begrip en draagvlak. Financieel veroorloven is één, maatschappelijk veroorloven is twee.

Dat laatste is zo verraderlijk omdat het gaat om inschattingen die vooraf gemaakt moeten worden. is en Freek de Jonge over the top of zal men zijn optreden als verrijkend en passend vinden? En als we daarbij dan Golden Earring programmeren, is dat niet te veel ‘toppers’  bij elkaar? Het is de kunst aan de goede kant van de lijn te blijven, helaas voor de feestroezende plannenmakers, is die eerder behoudend dan uitbundig. Wie de lijn vergeet maakt zich zeer kwetsbaar voor negatieve kritiek. De beeldvorming schiet zonder veel moeite in het verhaal dat hier overdreven dik wordt gedaan met gemeenschapsgeld. Feit en fictie zijn dan al snel minder relevant.

De VNG heeft het over zich afgeroepen: aangestoken door wethouder Eerdmans van Capelle is het feest tot en met de Amsterdamse gemeenteraad onderwerp van kritiek: daar associeer je je niet mee, nee, daar distantieer je je van. De VNG heeft het ‘veroorloven’ te eenzijdig benaderd en compleet gemist dat de bezuinigende gemeenten zich niet kunnen of willen associeren met een feest dat in beeld als grotesk wordt neergezet. Het verweer van de organisatie bestrijdt nu amechtig dat de kosten extravagant zijn, maar de teerling is geworpen.

Het is treurig. De VNG schaadt haar imago terwijl het jubileum juist een moment is om de onderlinge verbondenheid te verstevigen. Vooroordelen bij de leden over een organisatie die te gemakkelijk met geld omspringt bevestigt ze. Had ze een vorm gekozen om, bijvoorbeeld via de lokale afdelingen, het feestprogramma voor te bespreken, dan was het wellicht anders gelopen. Want dat valt wel op: het is nu in de discussie Jorritsma en Pans tegen de rest. Er is in de wording van het feestprogramma geen medestand opgebouwd die zich nu makkelijk laat mobiliseren. Als twee collega-wethouders Eerdmans direct van repliek hadden gediend was de discussie vanaf de start minder zwart/ wit gevoerd.

Jorritsma en Pans hebben onderschat hoe zwaar gemeenten, hun leden, het momenteel hebben om de touwtjes bij elkaar te houden. Dan mag er ook best feest worden gevierd, maar een reflectie van de benarde tijden op de opzet van het feest had gepast. Als dit wel is gebeurd zou de VNG dit als de wiedeweerga duidelijk moeten maken. Alleen de begroting toelichten, zeggen dat de kosten niet overdreven zijn en de rest afdoen als stemmingmakerij, is niet voldoende meer om het negatieve beeld te kantelen.

woensdag, 21 maart 2012

Eric Leltz

Eric Leltz

Twitter GR

Een kostbaar feestje

In bezuinigen, bestuur, college, congres, crisis, de, feest, fractie, gemeente, en meer.

eric leltz

Mijn fractie heeft raadsvragen gesteld over het jubileumfeestje van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) op 5 en 6 juni aanstaande in verband met haar 100-jarig bestaan. Burgemeesters, wethouders en gemeenteraadsleden kunnen deelnemen aan dit congres voor een inschrijfgeld van € 795,--.

Uit een artikel van 19 maart 2012 in het weekblad Binnenlands Bestuur blijkt dat de kosten van het congres ruim €3 miljoen bedragen.  Aan het congres zal onder andere medewerking worden verleend door de popgroep Golden Earring, cabaretier Freek de Jonge, ex-voetballer Johan Cruijff en presentator Matthijs van Nieuwkerk. En natuurlijk beseffen we dat het congres ieder jaar wordt gehouden en dat er dus ieder jaar kosten aan zijn verbonden. Maar dit jaar gaat het om extra kosten omdat het feest nog iets uitbundiger wordt gevierd. Dat is dan een mooi moment om de invulling van het congres, met het oog op de recessie, tegen het licht te houden

Een van de te houden workshops op het congres met de titel “Slim omgaan met de schuldencrisis en de lokale belastingen” geeft het congres overigens een ietwat cynische ondertoon.

We hebben hierover de volgende vragen aan het college van B&W gesteld:

  1. Bent u, samen met de fractie van GroenLinks/PE, van mening dat in deze tijden van economische crisis die niet voorbijgaat aan gemeenten en dus ook niet aan de gemeente Ede, een uitgave van ruim €3 miljoen, zijnde gemeenschapsgeld, ten behoeve van vernoemd congres voorbijgaat aan de economische werkelijkheid?
  2. Gaat u deelnemen aan het betreffende congres?
  3. Zo ja, betaalt u de inschrijfkosten privé of bent u van mening dat u gemeenschapsgeld kunt besteden aan een dergelijk congres?
  4. Voelt u er voor om een krachtig signaal af te geven richting VNG dat u afstand neemt van een dergelijke besteding van gemeenschapsgelden?
  5. Zo ja, gaat u het congres ook boycotten?


vrijdag, 16 maart 2012

Liesbeth Tettero

Liesbeth Tettero

Hyves Linkedin Twitter GR

Zesjescultuur in de gemeenteraad

In gemeentepolitiek, politiek, gemeenteraad, agenda, amsterdam, burgemeester, burgers, debat, de, en meer.

Een mager zesje krijgen raadsleden voor hun werk, is de uitkomst uit bestuurskundig onderzoek. Het is een voldoende, maar wel met de hakken over de sloot. Doet dit cijfer recht aan de inspanningen van de raadsleden? Dat hangt ervan af denk ik, of je kijkt naar kwaliteit of kwantiteit van de inspanning.

Het raadslidmaatschap kost veel tijd. Veel leeswerk vooral en veel vergadertijd. In Amsterdam is volop discussie over de duur van de vergaderingen, er zijn raadsleden van mening dat lange vergaderingen er gewoon bij horen. Pech van de laatste tram en de oppas die naar huis moet, je blijft zitten omdat de agenda nog niet af is. Dat zou misschien nog wel legitiem zijn, als de vergaderingen efficiënt verliepen. En dat zal vast her en der het geval zijn, maar ik vrees dat het gros van de vergaderingen best wat strakker kan verlopen.

Ik mis het raadslidmaatschap best, maar niet de vergaderingen. En wat ik begrijp is de raad van Stichtse Vecht niet bepaald een verbetering ten opzichte van die van Maarssen. Maar goed, dat is vanaf de zijlijn geredeneerd. Door de bril van de lokale verslaggevers en via twitter. Onze eigen ‘Vechtse Leaks’ lieten zien dat de burgemeester een oproep heeft gedaan aan de raadsleden voor een constructiever vergaderklimaat. “Doe even normaal” op lokaal niveau. Triestigheid…

Ondertussen zijn achter de schermen de voorbereidingen voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2014 alweer begonnen. Volgens het genoemde onderzoek zou 7% van de burgers willen overwegen om zich verkiesbaar te stellen. Dat is goed nieuws voor de scouts. Het raadswerk gaat namelijk echt ergens over. Het kabinet decentraliseert zich suf, zodat steeds meer zorgtaken de verantwoordelijkheid worden van gemeenten. Dat het geld niet mee-gedecentraliseerd worden, maakt dat juist raadsleden heel scherp moeten zijn!

Senator Tof Thissen hield vorige week een GroenLinks-Gedachtegoedcollege over ‘Een Sociaal Land’. Hij verwoorde het als volgt*: ‘We gaan nu over van een centraal geleide verzorgingsstaat naar de ondersteunende stad. Dat vereist een investering in de kwaliteit van onze raadsleden. In de lokale volksvertegenwoordiging, daar zal het echte werk plaats vinden. Lokaal moeten we het debat aangaan over wat wij sociaal en solidair vinden. Kortom, het sociale zekerheidstelsel, met grootse nationale ideeën, landt langzaam in lokale discussies. Daar is het van belang dat we de juiste keuzes maken, niet alleen in de Tweede Kamer.’

*Met dank aan Simon Otjes van Bureau de Helling voor het verslag.


Liesbeth Tettero

Liesbeth Tettero

Hyves Linkedin Twitter GR

Zesjescultuur in de gemeenteraad

In gemeentepolitiek, politiek, gemeenteraad, agenda, amsterdam, burgemeester, burgers, debat, discussie, en meer.

Een mager zesje krijgen raadsleden voor hun werk, is de uitkomst uit bestuurskundig onderzoek. Het is een voldoende, maar wel met de hakken over de sloot. Doet dit cijfer recht aan de inspanningen van de raadsleden? Dat hangt ervan af denk ik, of je kijkt naar kwaliteit of kwantiteit van de inspanning.

Het raadslidmaatschap kost veel tijd. Veel leeswerk vooral en veel vergadertijd. In Amsterdam is volop discussie over de duur van de vergaderingen, er zijn raadsleden van mening dat lange vergaderingen er gewoon bij horen. Pech van de laatste tram en de oppas die naar huis moet, je blijft zitten omdat de agenda nog niet af is. Dat zou misschien nog wel legitiem zijn, als de vergaderingen efficiënt verliepen. En dat zal vast her en der het geval zijn, maar ik vrees dat het gros van de vergaderingen best wat strakker kan verlopen.

Ik mis het raadslidmaatschap best, maar niet de vergaderingen. En wat ik begrijp is de raad van Stichtse Vecht niet bepaald een verbetering ten opzichte van die van Maarssen. Maar goed, dat is vanaf de zijlijn geredeneerd. Door de bril van de lokale verslaggevers en via twitter. Onze eigen ‘Vechtse Leaks’ lieten zien dat de burgemeester een oproep heeft gedaan aan de raadsleden voor een constructiever vergaderklimaat. “Doe even normaal” op lokaal niveau. Triestigheid…

Ondertussen zijn achter de schermen de voorbereidingen voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2014 alweer begonnen. Volgens het genoemde onderzoek zou 7% van de burgers willen overwegen om zich verkiesbaar te stellen. Dat is goed nieuws voor de scouts. Het raadswerk gaat namelijk echt ergens over. Het kabinet decentraliseert zich suf, zodat steeds meer zorgtaken de verantwoordelijkheid worden van gemeenten. Dat het geld niet mee-gedecentraliseerd worden, maakt dat juist raadsleden heel scherp moeten zijn!

Senator Tof Thissen hield vorige week een GroenLinks-Gedachtegoedcollege over ‘Een Sociaal Land’. Hij verwoorde het als volgt*: ‘We gaan nu over van een centraal geleide verzorgingsstaat naar de ondersteunende stad. Dat vereist een investering in de kwaliteit van onze raadsleden. In de lokale volksvertegenwoordiging, daar zal het echte werk plaats vinden. Lokaal moeten we het debat aangaan over wat wij sociaal en solidair vinden. Kortom, het sociale zekerheidstelsel, met grootse nationale ideeën, landt langzaam in lokale discussies. Daar is het van belang dat we de juiste keuzes maken, niet alleen in de Tweede Kamer.’

*Met dank aan Simon Otjes van Bureau de Helling voor het verslag.


donderdag, 15 maart 2012

Claire Vaessen

Claire Vaessen

Twitter GR

Culemborgs pgb

In groenlinks, raad, pgb, wmo, afspraak, awbz, beleid, bezoek, bezuinigingen, en meer.

U bepaalt toch zeker zelf hoe vaak u doucht? Wanneer u bezoek krijgt, wanneer en hoe vaak u gaat sporten of uitgaat en hoe laat u thuiskomt?

Ook voor die alleenstaande man met een spierziekte is dat nu nog vanzelfsprekend, dankzij een persoonsgebonden budget (pgb). Met dit geld kan hij de hulp die hij nodig heeft zelf organiseren. Daardoor kan hij een keer later dan normaal thuis komen, want hij heeft iets geregeld om geholpen te worden met uitkleden. Als hij voor zijn werk een afspraak heeft in een andere stad, huurt hij daar iemand in om hem daar te helpen in plaats van hulp mee te nemen. Omdat hij, door zijn ziekte fitte en minder fitte periodes heeft, is hij erbij gebaat dat hij zijn zorg flexibel kan inhuren.

Of neem die gescheiden moeder die voor haar chronisch zieke kind zorgt. Om dat te combineren met haar baan heeft zij een netwerk van familie en bekenden om zich heen die haar helpen. Wat met het netwerk niet ingevuld kan worden huurt ze in.

Dat kan allemaal met een pgb. Bij reguliere zorgaanbieders is flexibele hulp veel lastiger. Dan ben je vaker gebonden aan vaste tijden. De man en de moeder maken gebruik van een pgb omdat zij hulp nodig hebben bij allerlei normale dagelijkse bezigheden, in- of buitenshuis. Die hulp moet flexibel kunnen zijn: op meerdere plekken of tijdstippen of de ene maand meer dan de andere.

Het pgb van deze mensen wordt nu nog gefinancierd vanuit de AWBZ. Volgend jaar is de gemeente ervoor verantwoordelijk. Gemeenten zijn niet meer verplicht een pgb aan te bieden. Zelfredzaamheid, eigen regie en maatwerk zijn moderne sleutelwoorden die GroenLinks in de praktijk van het gemeentelijk beleid wil terugzien. Daarom maken wij de principiële keus dat een pgb voor de man en de moeder in dit verhaal mogelijk moet blijven. Culemborg kan de bezuinigingen die het rijk ons oplegt niet ongedaan maken. Daarom zullen de exacte voorwaarden en omstandigheden, voor wie wél een pgb krijgt en wie níet, uitgewerkt moeten worden. Elders in het land gebeurt dit al. Natuurlijk moeten ervaringsdeskundigen daarbij betrokken worden.

De motie van GroenLinks en PvdA om een Culemborgse pgb-regeling te ontwikkelen, werd gesteund door de CU, maar heeft het in de raad niet gehaald. Er is nog hoop, want het nieuwe beleid moet nog handen en voeten krijgen en geen enkele fractie was radicaal afwijzend.

Deze blog is als column in de serie Raadspraat verschenen in de Culemborgse Courant van 6 maart 2012. Het vandaag verschenen persbericht van GroenLinks-Tweede Kamerlid Linda Voortman Gemeenten regelen eigen pgb sluit daar mooi op aan.

woensdag, 14 maart 2012

Thijs de la Court

Thijs de la Court

Linkedin Twitter

Duurzaamheid en sociale innovatie

In huis, hulp, huren, india, informatie, innovatie, innoveren, kennis, leiden, en meer.

Sommigen willen onmiddelijk resultaat. Een gemeenteraad of wethouder wil windmolens, biogas of een zonnepark. Het Rijk en Provincie willen direct CO2 rendement, een geslaagd en zichtbaar project. En om dat voor elkaar te krijgen huren ze externe deskundigen in, forceren ze een proces en dwingen goedwillende bewoners (zoals in een lokaal cooperatief voor duurzame energie) in onmogelijke conflicten met hun buurt. Maar de ‘P’ van People in duurzame ontwikkeling draait om sociale innovatie, waarin buurtbewoners de macht grijpen en met elkaar doen wat ze met elkaar ‘goed’ vinden. De resultaatgerichte overheid of ambitieuze millieugroep moet daar ruimte voor bieden.

Laatst nodigde VNG International me uit om te praten over RIO plus20, de enorme duurzaamheidsbijeenkomst die in juni in Rio zal plaatsvinden. “Ken je voorbeelden van gemeenten die op het vlak van duurzame ontwikkelling inspirerende projecten doen”, was de logische vraag. “Want dan kan je het lokaal doen mooi combineren met het mondiaal denken”. Ik ken er wel een paar, maar vroeg me af of dat nu de essentie was. In Lochem hebben we heel sterke gebiedsprocessen rond duurzaamheid en een stevige cooperatieve energievereniging. Hun kracht is sterk geinspireerd op ervaring in het ‘zuiden’, want een aantal mensen betrokken bij deze initiatieven hebben jarenlang in Nicaragua, Chili, India en landen in Afrika geleerd dat duuurzame ontwikkeling ‘van binnenuit’ moet komen en niet opgelegd kan worden via mooie blauwdrukken en businessplannen.

In India leerde ik de technieken van Participatory Rural Appraisal. De docent stond achter ons en als we een gesloten vraag stelden, stuurden in het gesprek of de pen overnamen van de dorpsbevolking kregen we een zacht schoudertikje: “afblijven, het is hun proces”. Dan corrigeerden we ons ongeduldig gedrag en lieten de dynamiek bij de dorpelingen. Ook in mijn huidige omgeving is het ‘handen af’ en vooral investeren in de ruimte, beschikbaarheid aan informatie en kennis, zodat mensen zelf ‘eigendom’ ontwikkelen in een proces dat leiden kan tot gemeenschappelijk gedragen initiatieven voor duurzame ontwikkeling. Dat levert enorm veel op. Vooral dat mensen zelf de verantwoordelijkheid pakken en voor de door hun ontwikkelde antwoorden door ramen en deuren gaan om ze ‘waar’ te maken. Ook bij de mensen van LochemEnergie is die ervaring aanwezig en weten ze uitstekend het proces te doorlopen waarmee een ieder voelt en weet dat het zelfgekozen antwoorden zijjn die worden ontwikkeld.

Vorige week was ik in een gemeente waarbij een cooperatieve energievereniging de wens van de gemeente voor de bouw van windmolens ‘waar’ probeert te maken. Het effect lijkt desastreus. Want de buurten rondom de potentiele locaties ziet hun als onwenselijke indringers, verlengstuk van een vijandige overheid. Aansluiting bij prioriteiten in de wijk lijkt nu onmogelijk en een tweedeling dringt zich op waarbij het cooperatief initiatief zich onmogelijk maakt en de windmolens op enorme weerstand kunnen rekenen.

Diezelfde week ontmoette ik uit een andere gemeente teleurgestelde vrijwilligers van een cooperatie waarbij de gemeente, met al haar goede intenties, een externe partij had ingehuurd om het lokale initiatief te begeleiden. “We hebben die kennis echt zelf in huis en hebben geen behoefte aan duurbetaalde blauwdrukken van buiten”, was de reactie en een van de vrijwilligers was opgestapt. Dit hoor ik vaker.

De verleiding voor een ambitieuze gemeente is groot om het proces te versnellen met hulp van buiten. Er zijn immers al genoeg modellen elders ontwikkeld, waarom zouden we het wiel nog een keer moeten uitvinden?! Klopt, maar zou het niet zinniger zijn als een sterke initiatiefgroep zelf die hulpvraag definieert en te rade gaat bij collega’s in andere gemeenten, bv. met een potje geld waarmee steun ingehuurd kan worden? Ze zijn toch uitstekend in staat, bv. via hun federatie E-decentraal, zelf de hulpbronnen aan te boren en daarmee een ander cooperatief initiatief te vragen om ondersteuning? Voordeel is dan nog dat het schaarse geld ook binnen de netwerken wordt geherinvesteerd en leidt tot professionalisering.

Waarom is dat nu zo lastig? Heel ingewikkeld is het antwoord niet. Omdat ambitieuse overheden snel resultaat willen en denken dat ze het proces naar hun hand moeten en kunnen zetten. Dat ze daarmee een wezenlijke stap overslaan en dus uiteindelijk desinvesteren in het sociaal kapitaal dat het fundament van het initiatief moet vormen, vergeten ze even. Een ander antwoord gaat over ‘vertrouwen’, want als overheid moet je het lokale initiatief de macht en kracht bieden om zelf de route te bepalen en ondersteuning te realiseren. Dus moet de overheid ook niet zeggen hoe de gelden besteed gaan worden. Het is op z’n minst een gezamenlijk initiatief dat niet gefrustreerd mag worden door een zwaar bestuurlijk toezicht of ambtelijke structuur. Dat is voor overheden lastig hoor, want ze willen ‘controle’ en snel ‘resultaat’.

Ondersteunen en loslaten is een evenwichtskunst in het sociaal innoveren waar het bij duurzame ontwikkeling om gaat. Iets dat overheden eigenlijk nog moeten leren.

vrijdag, 9 maart 2012

Toine van de Ven

Toine van de Ven

Hyves Twitter GR DWARS

Decentralisaties: meer taken naar het ‘gewone leven’?

In vughtse politiek, awbz, decentralisatie, jeugdzorg, vught, wmo, wwnv, beleid, bezuiniging, en meer.

Gisteravond werd de Vughtse raad bijgepraat over de decentralisaties die op de gemeente afkomen. Extra taken om uit te voeren met minder geld. Want de gemeente staat dichter bij burgers en kan zaken goedkoper oppakken. Klinkt mooi in theorie, maar feitelijk is het een kille bezuiniging waar gemeenten mee opgezadeld worden.

De nieuwe Wet werken naar vermogen (Wwnv) die in 2013 wordt ingevoerd, de verschuiving van onderdelen van de AWBZ naar de WMO en de verantwoordelijkheid over de jeugdzorg. Allemaal taken die gemeenten de komende jaren op zich af zien komen. En dat met een fikse besparing. Zo is nog voor de Wwnv is ingevoerd het budget voor re-integratie al flink gekrompen, evenals het budget per SW-plek. Terwijl het aantal klanten waarvan wordt verwacht dat de gemeente ze naar werk helpt groeit na invoering van de Wwnv. En ook voor de AWBZ en jeugdzorg geldt dat de overheveling van taken samengaat met een bezuiniging.

Om de taken goed uit te kunnen voeren met veel minder geld, worden zaken aan elkaar geknoopt. De schotten tussen de verschillende taken worden weggehaald en inwoners zouden niet langer voor elke aanvraag bij een ander loket hoeven aan te kloppen. Daarnaast moeten problemen minder vaak door de lokale overheid worden opgepakt, maar vooral door mensen zelf moeten worden opgelost. In de zogenaamde 0e lijn ‘het gewone leven’ in plaats van de 1e ‘professionals’ of 2e ‘specialisten’.

In theorie klinkt dit natuurlijk prachtig, maar om zoiets in de praktijk te vertalen is een hels karwei. Het beslaat immers een zeer veel aspecten van beleid, die allemaal aan elkaar geknoopt worden: werken, leren, wonen, sociaal netwerk, inkomen, gezondheid etc. Er mogen dus vraagtekens geplaatst worden bij de vraag in hoeverre deze ambitie daadwerkelijk uitvoerbaar is. Daarnaast kan de mooie theorie niet verhullen dat er ook mensen aan hun lot worden overgelaten. Minder geld betekent keuzes maken en dat betekent ook dat er mensen buiten de boot vallen. Door te stellen dat er meer moet worden opgevangen in het ‘gewone leven’ wordt gesuggereerd dat iedereen dit zomaar kan. Maar onder het motto ‘eigen kracht’ zijn de afgelopen al vele taken teruggeduwd naar het ‘gewone leven’. En al deze taken komen op familie, vrienden en vrijwilligers terecht.

Vrijwilligers zijn schaars. Mantelzorgers, ouderenadviseurs, vrijwillige thuishulp etc. Het is de vraag in hoeverre het terugduwen naar het ‘gewone leven’ samengaat met de drukke agenda’s om werk, zorg en vrije tijd in balans te houden. Het is zeker niet voor iedereen weggelegd om problemen zelf of met zijn/haar sociale netwerk op te lossen. Als de lokale overheid taken teruggeduwd naar vrijwilligers, moet vooral worden nagedacht over de vraag in hoeverre vrijwilligers belast kunnen worden. Zeker als ook op de ondersteuning van de vrijwilligers bezuinigd wordt. Dat levert op de korte termijn besparingen op, maar kost de samenleving veel meer op de langere termijn.

woensdag, 7 maart 2012

Robert Giesberts

Robert Giesberts

Meer vlinders in de burgerparticipatie

In wijken, bestuurder, belangrijk, bestuur, brieven, burger, burgers, controle, de, en meer.

“Inspraakavonden en themabijeenkomsten zijn nog steeds de populairste methoden van burgerparticipatie. Vrijwel alle gemeenten zetten deze in. De rol van internet wordt steeds groter. (..) en gemeenten zetten steeds vaker sociale media in als communicatiemiddel. Dit gaat ten koste van meer traditionele communicatiemiddelen als flyers, brieven, lokale radio en televisie. Onverminderd populair zijn inspraakavonden en themabijeenkomsten. Vrijwel alle gemeenten zetten deze in.”

Aldus ProDemos op basis van onderzoek dat ze deden naar het gebruik van burgerparticipatie door gemeenten. Dat ‘vrijwel alle’  gemeenten participatie gebruiken en dat in de middelen ook hier digitalisering plaatsvindt, is geen opmerkelijke conclusie. Andersom zou het dat wel zijn geweest.

Ook niet verrassend maar wel een punt om over door te denken is de bevinding dat participatie vooral het domein is van colleges van B&W. Gemeenteraden, zo stelt ProDemos, spelen nauwelijks een rol. Burgers, zo wil ik toevoegen, spelen vrijwel geen rol. Burgerparticipatie is dus vrijwel altijd top down. Als het dagelijks bestuur er rijp voor is wordt de poort van het Forum geopend…

Die gang van zaken is al moeizaam genoeg. Ondanks alle cursussen en trainingen die medewerkers mogen volgen, zo vermeldt het rapport. De top-down lijn is volkomen natuurlijk vanuit de verticale opbouw van gemeentelijke beleidsprocessen. En ook natuurlijk is het om als dagelijks bestuurder controle te willen houden over het proces waar je verantwoordelijk voor bent. Timing en strategie zijn daarom ook niet zo zeer het onderwerp van de trainingen en cursussen. Wel al die middelen, de crowd control, het beheersen van wat je ontketent. Niet echt een recept voor een avontuurlijke ervaring met frisse ontdekkingen. Al zijn veel participatietrajecten voor betrokken medewerkers en bestuursleden al avontuurlijk genoeg: een wijkbijeenkomst met boze inwoners is altijd indrukwekkend.

We maken, zo bewijst het ProDemos-onderzoek, een diep karrenspoor van participatie. En, ook in de vergelijking met 2009, is dit spoor dieper en onwrikbaarder geworden. De kar wordt door vele B&W-leden getrokken en veel burgers volgen voor toch dat ene moment van invloed. Is het wijs dit karrenspoor te blijven volgen of zou het goed zijn nieuwe sporen te trekken?

Ik denk van wel. Als we op de comfortzone van gemeenten en hun dagelijks bestuurders blijven koersen zal burgerparticipatie altijd een zorgvuldig, strak ingekapseld rupsje blijven. En met elke lichting medewerkers die weer beter getraind zijn in de middelen en het proces, wordt de inkapseling nog steviger.

Als we vlinders willen, als we de deelname van burgers aan de politieke besluitvorming opener en vruchtbaarder willen maken, zal meer en eerder de gelegenheid hiertoe moeten ontstaan. Dan is het zaak eerder met bewoners te bespreken hoe en wanneer zij participatie belangrijk vinden. Dat is minder comfort voor de bestuurder, maar meer comfort voor de burger. En daar doen ‘we’  het toch allemaal voor.

maandag, 5 maart 2012

Marcel Kolder

Marcel Kolder

Op audiëntie bij de Staatssecretaris

En daar stonden we dan. De drie musketiers. Ruim lachend voor de fotograaf van de PGB-belangenclub Per Saldo. Mijn vrouw, ik en de staatssecretaris, vlak voordat we een uur lang in gesprek gingen met elkaar. Een flinke delegatie, Marlies Veldhuizen van Zanten en twee van haar topambtenaren. Afgesproken was dat we elkaar mochten tutoyeren. Dat [...]

Toine van de Ven

Toine van de Ven

Hyves Twitter GR DWARS

Gehele Vughtse raad gaat papierloos werken

In vughtse politiek, papierloos werken, vught, de, euro, fractie, gemeente, gemeenten, gemeenteraad, en meer.

Vanaf september geen volle postvakjes met stapels raadsstukken meer in de Vughtse raad. Nee, binnenkort starten alle raadsleden met het werken met Ipads in plaats van papieren stukken. Na een pilot van een half jaar wordt het papierloos werken verder uitgerold.

Net als vele gemeenten experimenteerde Vught het afgelopen half jaar met papierloos werken. Van elke fractie kreeg één raadslid een Ipad en digitale stukken in plaats van de papieren stukken. En met succes. Afgelopen donderdag besloot het presidium – fractievoorzitters gemeenteraad – tot het definitief uitrollen van het papierloos werken in de Vughtse raad. Vanaf september werken alle raadsleden, collegeleden, griffie en gemeentesecretaris met de Ipad.

Een van mijn tweets over deze keuze leverde diverse kritische vragen op over de onderbouwing van deze keuze. Want het is natuurlijk ook een flinke investering om voor alle 21 raadsleden, 4 collegeleden, 3 griffiemedewerkers en de gemeentesecretaris een Ipad te kopen. Zeker nu de gemeente snijdt in allerlei uitgaven moet zo’n keuze goed onderbouwt worden.

De pilot levert hiervoor alle informatie. De Ipad is niet alleen een leuk speeltje voor alle raadsleden, maar ook zeer nuttig voor het raadswerk. Alle raadsstukken bij de hand bij alle bezoeken, makkelijk aantekeningen maken en via sociale media communiceren over bezoeken en vergaderingen. Maar ook financieel levert het papierloos werken de gemeente voordelen op. Tijdens de pilot bleek dat drie cycli papierloos werken met een gedeelte van de raad een besparing van bijna zesduizend euro opleverde aan minder papier en minder uren van bodes voor kopiëren en verspreiden van stukken. Volgens de prognose moet dit bij het uitrollen over de gehele raad bijna 20.000,- besparen. Daartegenover staan de jaarlijkse kosten van circa 14.000,- voor de kapitaallasten en abonnementen.

De investering voor de aanschaf van alle Ipads en de abonnementen maken de daadwerkelijke besparing beperkt. Er kan echter extra bespaart worden zodra lopende contracten – bijvoorbeeld voor papier – herzien worden. Daarnaast kunnen de uren die bodes nu nog besteden op kopiëren en verspreiden van raadsstukken straks voor andere werkzaamheden worden ingezet. Maar daarnaast moet niet vergeten worden dat behalve een financiële doelstelling het papierloos werken ook een milieu – minder papierverbruik -  en efficiency – nut voor raadswerkzaamheden – doelstelling heeft. En op die laatste twee punten slaagt het papierloos werken nu al direct.

maandag, 27 februari 2012

René Kerkwijk

René Kerkwijk

Hyves Linkedin Last.fm Twitter Youtube GR

WIJ(k) Eindhoven

In default, awbz, de, gemeenten, kanteling, nieuw, professionals, stad, beleid, en meer.
In onze stad wordt hard gewerkt aan de vormgeving van nieuw sociaal beleid. De kern van het verhaal is dat dichtbij mensen die dat tijdelijk nodig hebben de samenkracht wordt georganiseerd door professionals, generalisten, waarbij de inrichting van het werken ook zodanig is dat de kanteling van bijvoorbeeld de AWBZ naar gemeenten goed vorm kan krijgen. [...]

zondag, 26 februari 2012

Bart Eigeman

Bart Eigeman

Twitter

Vernieuwen vanaf gisteren

In verklaringen, toespraken en interviews, jeugd, jeugdzorg, jongeren, kabinet, kind, kinderen, kort, kracht, en meer.

Bart, geïnterviewd voor het blad Ergotherapie Magazine, door Arne van Os van den Abeelen

Bart Eigeman, GroenLinks-wethouder Talentontwikkeling in ‘s-Hertogenbosch, is een belangrijke trekker geweest voor de ontwikkeling van de CJG’s, het Centrum Jeugd en Gezondheid dat sinds 2011 in elke gemeente actief is. Dat gemeenten verantwoordelijk worden voor jeugdzorg, juicht hij zeer toe. “Dat is een geweldige kans om de wereld van de jeugdzorg anders in te richten.” Deze maand stopt Eigeman, na elf jaar, met zijn werk als wethouder. Zijn ambities omtrent jeugdzorg zijn er niet minder om. Hoe zou die zorg eruit moeten zien?


“Het woord ‘talentontwikkeling’ gebruik ik al heel lang. Toen mijn laatste periode inging, wilde ik dat dat woord ook expliciet gebruikt zou worden voor mijn portefeuille, en niet ‘Jeugd en onderwijs en aansluiting op de arbeidsmarkt’. Het staat ook op mijn kaartje, en het grappige is dat het mensen ook echt opvalt. Wie je bent en wat je doet, moet je ook aan de buitenwereld laten zien en dat zit voor mij in dat woord talentontwikkeling. Je moet niet probleemgeoriënteerd met jeugd en onderwijs bezig zijn, maar de positieve invalshoek kiezen.

Mijn betrokkenheid bij de jeugd is natuurlijk in eerste instantie lokaal geweest; daar lag mijn hoofdtaak. Daarnaast ben ik voor de VNG op verschillende niveaus een schakelaar geweest. De Transitie Jeugdzorg biedt een geweldige kans om de wereld van de jeugdzorg anders in te richten. Daar pleit ik al ruim tien jaar voor.
Dat heeft twee kanten, die uitdrukkelijk met elkaar te maken hebben. Enerzijds ligt de nadruk vaak op kinderen en gezinnen die steun het hardst nodig hebben, maar daar het langst op moeten wachten. Dat kan niet waar zijn, dat willen we niet meer. Anderzijds moeten we de uitdaging om een appèl te doen op de talenten van kinderen, ouders en professionals beter organiseren. Namelijk: niet vanuit de insteek van problemen. Dan heb je het over zaken als de speelomgeving rondom huizen, veilige fietsroutes naar scholen, tijd voor een leerkracht om een keer een huisbezoek te brengen zonder dat sprake is van problemen.

We kennen allemaal de ver uit de hand gelopen noodsituaties, waar weliswaar 27 hulpverleners bij betrokken waren, maar adequate hulp blijkbaar achterwege is gebleven. Dat neem je nooit helemaal weg. Als overheid kun je veel, maar niet alles. Maar uit een inmiddels enorme stapel onderzoeken blijkt steeds weer hetzelfde: we hebben het hulpaanbod enorm verknipt aangeboden. Dat zit ‘m ook in zaken als de financieringssystematiek en de verantwoordelijkheidstoedeling. Wat we moeten doen is terug naar de eenvoud. Mensen kennen en handelen op grond van wat je hoort en ziet. Als er steun nodig is, dan het liefst één kind of één gezin en één plan. Het grootste gedeelte van de jeugd, ouders en scholen heeft geen steun nodig om problemen op te lossen. Daar is hooguit uitdaging nodig om talent opgediept te krijgen.
De kinderen met wie het echt niet goed gaat, is twee, drie procent. Landelijk en in Den Bosch. Daar wordt dan over gezegd: ‘Ja, da’s héél ingewikkeld… want jaaah…’
En dan denk ik: nee! Dat is niet ingewikkeld. In Den Bosch gaat het dan dus om 250 tot 500 kinderen. Dat zijn er nog een heleboel, maar we kunnen hen bij wijze van spreken bij naam kennen.

Proeftuin
Het wijzigen van het systeem is een meerjarig traject. Maar ik wil niet dat we wachten tot 2014 of 2015; ik wil dat we nu die kinderen helpen. We moeten vernieuwen vanaf gisteren. Een van mijn motto’s is: waar je naartoe wilt, daar ga je van uit. Wij hebben nu, samen met de provincie en het voortgezet onderwijs, een proeftuin waarbij we doen alsof dat stelsel al gewijzigd is. Vaak is het zo dat er gezien wordt dat er iets is met een kind, maar nog niet helemaal duidelijk is wat. Het kan dan nog maanden duren voordat daar iets uitkomt. Wij hebben gezegd: er moet binnen enkele dagen steun zijn. In samenspraak met de ouders. Dat moet het onderwijs echt leren; dat zit vaak nog erg in zijn eigen wereld. Maar een kind is méér dan alleen een leerling binnen de school. Soms liggen de problemen ook thuis. Uit onze experimenten blijkt dat het mogelijk is binnen enkele dagen steun te regelen. Dat kan bijvoorbeeld een jeugdpsychiater zijn, of in een extreem geval, uithuisplaatsing. Dat was bij een van de zeventig gevallen die we op deze manier hebben aangepakt.
De juiste steun op de juiste tijd en plek blijkt dus te kunnen. Dat dat eerder niet altijd het geval was, komt niet zozeer door een gebrek aan goede bedoelingen. Professionals handelen vaak naar hun eigen protocol en financieringssystematiek. Ze zitten vaak op het spoor van ‘ik doe mijn werk goed’. Maar interessanter is de vraag of ze het goede werk doen.

Veel organisaties hebben hun eigen certificeringen. Professionalisering is heel mooi, maar het echte certificaat zou je naar mijn mening moeten krijgen als je binnen een paar dagen levert wat dat kind helpt. En als dat niet op het vlak van jouw deskundigheid ligt, moet je het niet loslaten, maar zorgen dat je vindt wat wel nodig is. Dus als je een ergotherapeut bent en een kind onder handen hebt en denkt: deze blauwe plekken komen echt niet door tegen een deur aanlopen… je daar ook iets doet. Als je alleen door de bril van je eigen deskundigheid kijkt, zie je wel iets, maar je moet het ook aandurven om te kijken naar de context waarbinnen er iets aan de hand is.

De zorgcoördinator, de intern begeleider, de schoolmaatschappelijk werker en de leerkracht worden met van alles en nog wat over de kling gejaagd en hebben nauwelijks tijd om dat contact met een kind, gezin of andere professional tot stand te brengen. Dat begrijp ik. Er ligt veel op hun schouders.
Wat wij daarom sinds een aantal jaar in Den Bosch doen is zeggen: school is, naast thuis, de ‘centrale vindplek’. Als leerkrachten iets constateren, is de lijn voor wat er nodig is, kort. Dat hoeft allemaal niet in de school aanwezig te zijn. Het is een misverstand dat jeugdzorgers allemaal in de eerste lijn moet gaan zitten. Daar ben ik niet voor. Want dan constateren we nog veel meer problemen, of gaan ze hun eigen werk creëren. Ze moeten komen als het nodig is. Voor sommige scholen is het verstandig om bijvoorbeeld een orthopedagoog dichtbij te hebben, maar voor de meeste scholen geldt dat niet. We moeten vooral het preventieve versterken, want de beste vorm om uitval in het onderwijs te voorkomen is uitdagend onderwijs. Het idee over preventie is vaak: problemen in een vroeg stadium signaleren. Ik vind dat er iets aan vooraf gaat. Want hoe beter het onderwijs – om dat voorbeeld even aan te houden – is toegesneden op talenten van kinderen, hoe minder er een schil van zorg omheen nodig zal zijn.

Er is nogal eens de neiging om mensen te ‘behandelen’, op basis van een tekort. Dan krijg je een pil en word je gezond, of je krijgt een therapie en word je beter. Dat kan allemaal en blijft best nodig, maar ik zou liever zien dat de beperkingen van mensen niet als eindpunt of probleem worden gezien, maar als vertrekpunt. Oftewel: wil je het leven overnemen van mensen, of wil je zorgen dat ze zo veel mogelijk gebruik kunnen maken van hun eigen mogelijkheden?
Dan kom je bijvoorbeeld uit bij de licht verstandelijk gehandicapten, de LVG’er, in vaktermen. Aan een aantal van die jongeren zitten we met z’n allen flink te trekken, want we vinden dat die een startkwalificatie moeten halen, naar school moeten… Maar als jij een LVG’er met een IQ van 70 wil brengen tot een startkwalificatie, ben je heel erg fout bezig. Want dat gaat niet lukken. Het praktijkonderwijs, waar kinderen met een dergelijk IQ naartoe kunnen, heeft iets heel moois gedaan, namelijk kijken of deze leerlingen hun rijbewijs zouden kunnen halen. Dat is razend interessant. Voorheen dacht men dat dat nooit zou lukken. Want deze kinderen kunnen niet goed lezen en schrijven en de borden niet zien. Dat blijkt niet waar; je moet ze een beetje helpen in hun aanpak. En dat is niet alleen trainen, ook uitgaan van: hoe werkt dat systeem in hun hoofden? Hoe ga je om met onverwachte situaties? Dat is vaak een van de grote problemen. Maar de mogelijkheden zijn veel groter dan aanvankelijk werd gedacht.

Onmacht
De Bende van Bart is een club van voornamelijk wethouders, die samen nadenken over jeugdzorg en de ontwikkeling van het CJG. Daar zijn wij een belangrijke schakel in. Ik wilde dat de creativiteit die er bij de lokale overheid zit, gebruikt wordt, én de onmacht. De succesverhalen delen en zeggen: goh, wat ben jij lekker bezig. Maar ook: ik weet het verdomme niet meer. Want dat kan ik hier niet zeggen. Als ik bij de gemeenteraad zit, mag ik niet zeggen: ik ben goed bezig. Want dan ben ik een arrogante wethouder en word ik kapotgeschreven door de krant. Bij de Bende delen we gewoon in wie we zijn. We vertellen elkaar hoe we dingen aanpakken, en waar we tegenaan lopen. Bedenken hoe we bijvoorbeeld Loesje-posters kunnen maken en hoe we met de minister in gesprek gaan; het kan van alles zijn. Het is een inspirerend motortje van lokale kracht.

Onmacht kan er ook zijn bij ouders. Over het algemeen vind ik dat ze onvoldoende worden betrokken bij zaken rondom hun kind. Je ziet dat bij veel professionals het idee leeft dat deskundigheid betekent dat zij vertellen hoe het moet. Terwijl ze ook een beroep op die ouders kunnen doen, van ‘Goh, ik zie dit, herkennen jullie dat? Hoe gaan jullie daar thuis mee om?’ Wij problematiseren vaak de mensen waar iets mee is, maar het is ook wel eens nodig de professionele inzet te problematiseren… De institutionalisering van professionals is grenzeloos. Daar heb ik me op verkeken. Ik heb tien jaar lang in van alles en nog wat geïnvesteerd, en ik kom nu tot de ontdekking dat dat gewoon gestapeld is. Dus dat er zeven losse professionals rond een persoon lopen, en ze dat van elkaar niet weten… De vraag is hoe je dat aanstuurt. Het moet niet zijn: ik ben de baas en jij moet doen wat ik zeg. Daar geloof ik niet zo in. Je moet proberen gezaghebbend voorwaarden te creëren waardoor het beter werkt. En niet alleen probleemgeoriënteerd. Want dat is de valkuil.
De CJG’s zouden daarin een regiefunctie moeten hebben. Het CJG is voor mij eigenlijk niks anders dan de poule van professionals die rondom kinderen en gezinnen werkzaam zijn. Dus het is niet een hok waar je naartoe kan, en zeggen: ik heb een afspraak om vijf over negen. Nee. Dat zijn multidisciplinaire teams op wijkniveau, die soms heel veel met elkaar hebben en soms heel weinig. Maar die elkaar, als het nodig is, wel weten te vinden.

De eerste lijn, de logopedisten, de ergotherapeuten… die staat natuurlijk onder druk. Met de huidige bezuinigingen worden veel zaken al snel als ‘luxe’ gezien. Onzin natuurlijk. De deskundigheid is misschien gericht op een deelprobleem, maar kan uitstekend bijdragen aan het functioneren van het geheel.”

======================================================================================================

Bart Eigeman is sinds 2001 wethouder voor de gemeente ’s-Hertogenbosch. Vanaf zijn derde periode (sinds april 2010) is hij wethouder Talentontwikkeling en Duurzaamheid. Zijn portefeuille bestaat uit Jeugd en onderwijs en aansluiting op de arbeidsmarkt, Milieu, Openbare ruimte, Water en Groen, en Coördinatie schone en veilige wijken.

Eigeman heeft ook zitting in de VNG, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. De VNG is de belangenbehartiger van alle gemeenten in Nederland bij de provinciale overheden, de Tweede Kamer en het kabinet. Eigeman was hier eerder voorzitter van de commissie Onderwijs, Zorg en Welzijn. Onder meer vanuit deze positie was hij landelijk betrokken bij de ontwikkeling om in elke gemeente een Centrum Jeugd en Gezondheid (CJG) te realiseren. Daarnaast heeft hij ‘De Bende van Bart’ opgericht; een netwerk van bestuurders die zich inzetten voor de ontwikkeling van de CJG’s.

De VNG-commissie Onderwijs, Zorg en Welzijn is inmiddels gesplitst en Eigeman is nu vice-voorzitter van de commissie Onderwijs, Sport en Cultuur en vice-voorzitter van de subcommissie Decentralisatie Jeugdzorg. Deze laatste commissie houdt zich vooral bezig met de ‘Transitie Jeugdzorg’: de ambitie om de jeugdzorg te integreren tot één stelsel voor hulp aan jeugdigen en gezinnen. De verantwoordelijkheid van de Jeugdzorg gaat van de provincies over naar de gemeenten, en zij krijgen er per 2015 de regie over.
Eind deze maand (februari 2012) stopt Eigeman als wethouder. Op zijn website zegt hij nog niet te weten wat hij hierna zal gaan doen. “Tot vandaag heb ik me iedere dag opnieuw helemaal gegeven in dit werk. Elf jaar lang heb ik topsport bedreven. Ik heb even de tijd nodig daarvan los te komen voor ik me in een nieuwe uitdaging stort. Ik blijf wel aan de slag met ‘mensen uitdagen, inspireren en verbinden’ om het positieve uit zichzelf en hun omgeving te halen.”

woensdag, 22 februari 2012

Michel Klijmij-van der Laan

Michel Klijmij-van der Laan

Hyves Linkedin Last.fm Twitter Youtube Flickr GR DWARS

Lieve minister,

In andere partijen, gemeenteraad, gouda, politiek, brieven, emotie, motie, postzegel, bezuinigen, en meer.

Wanneer is een motie overbodig? In de fractie zijn we daar altijid coulant mee omgesprongen. Een motie drukt het gevoel uit van de Raad richting het College, en zelfs als een wethouder van alles toezegt kan je alsnog zo’n motie aannemen als Raad. Vandaar dat we als fractie meestal vóór een motie stemmen die overbodig wordt verklaard. Uit principe, vanuit je taak als raadslid.

Laatste raadsvergadering werd die insteek tot het uiterste getest door de ChristenUnie. Zij kwamen met een motie over de statiegeldregeling voor blikjes en kleine flesjes. Dat speelt nu in de Tweede Kamer. Statiegeld op klein verpakkingsmateriaal kan veel afval schelen, dus beter voor het milieu. Ook beter voor de portemonnee van de burger, want het opruimen van die zooi wordt via de afvalstoffenheffing gewoon doorberekend. Alleen, het is dus een zaak van “Den Haag”. De motie van de ChristenUnie vroeg om de minister een briefje te sturen om te zeggen hoe belangrijk die statiegeldregeling is.

En dan gaat het knagen. Zeker als je vervolgens hoort dat wethouder Ruwhof de petitie - van de ChristenUnie - al heeft ondertekend. En de VNG, de koepel van gemeentes, draagt hetzelfde standpunt uit. Wat voor zin heeft zo’n briefje dan nog? Behalve een leuke campagne-actie van de CU steunen?

Dan kom je wel in een spagaat als raadslid. Stem je tegen, dan lijkt het alsof je tegen de statiegeldregeling bent. Dat is dus niet zo. Stem je voor, dan stimuleer je alleen maar meer van dit soort onzinmoties. In plaats van bezuinigen op het ambtelijk apparaat kunnen we dan iemand extra gaan aannemen om alle “Lieve minister”-briefjes te gaan versturen.

Deze motie staat niet op zichzelf. Vele partijen, ook GroenLinks, maken zich er schuldig aan de gemeentepolitiek in te zetten als campagneteam. De PvdA, SP en CU maken zich er ook wel eens of vaker schuldig aan. Om vervolgens trots te melden hoeveel gemeenten motie X hebben gesteund. Soms verschijnt er ook een motie in de ingezonden stukken, als partijen heben opgedragen een aangenomen motie naar alle gemeentes te versturen. De werkelijkheid verandert er meestal niet door, omdat het geen directe gemeente-aangelegenheden betreft. Wat mij betreft gaat het in de Raad over wat we in Gouda kunnen doen, niet over wat we vinden wat ze in de Tweede Kamer moeten doen – daar hebben we onze landelijke Kamerleden voor. Tenzij het direct de belangen van Gouda aangaat natuurlijk, maar dan zijn er ook andere kanalen.

Gelukkig bleek er in de Raad geen steun voor de motie, dus kwamen we niet in het dilemma hoe we moesten gaan stemmen. Met de ondertekening van de wethouder was bovendien de inhoud van het voorstel al gesteund. Het enige dat overbleef was een oprisping van de VVD die zich afvroeg of de wethouder wel mandaat had om de petitie te ondertekenen. Los van het feit dat duurzaamheid een van de zes speerpunten van dit college is mag je toch verwachten dat zoiets in dit college wel goed is geregeld. En dan gaat het ook nog eens over een maatregel die de lasten voor burgers moet beperken. We hadden als GroenLinks toch meer steun van onze liberale collega’s van de VVD verwacht. Maar in plaats van een briefje aan de minister zagen zij liever een briefje met mandaat. Daar zou ook eens statiegeld op moeten.

Kris van der Veen

Kris van der Veen

Hyves Twitter GR

Het is zo gegaan dat ik hier ben

In Groningen wonen tientallen kinderen die meemaken wat Victoria Resajeva (14) ook dagelijks meemaakt. Niet als de rest zijn. Jezelf niet afvragen of je hier thuis hoort, want hier ben je thuis. Niet weten waarom jij wel moet wachten en je klasgenoot in het bankje naast je niet. Niet weten of de realiteit van hier mogen blijven, die je bij anderen soms aanschouwt, ooit de jouwe zal zijn.

Victoria vertelt dat het Kinderpardon haar laatste hoop is. Met het Kinderpardon wordt beoogd de uitvoering van het initiatiefwetsvoorstel van de Haagse fracties van de Partij van de Arbeid en ChristenUnie die voor kinderen als Victoria een verblijfsvergunning moet regelen. Om druk uit te oefenen en om van alle kanten de minister voor Immigratie, Integratie & Asiel te doordringen van het belang van het pardon worden door het hele land moties ingediend. Ook is er een petitie geïnitieerd die inmiddels door ruim honderdtwintigduizend mensen ondertekend (ter vergelijk: voor het indienen van een burgerinitiatief zijn veertigduizend handtekeningen nodig).

Vandaag heeft ook Groningen zich aangesloten bij de gemeenten waar de motie Kinderpardon inmiddels is aangenomen, want ‘we hebben lang genoeg gewacht’. Een kleine kiezel, maar tezamen met alle initiatieven een grindpad naar een structurele oplossing.


woensdag, 15 februari 2012

Ufuk Kahya

Ufuk Kahya

Twitter GR

Den Bosch: steun het kinderpardon

In geen categorie, gemeenteraad, media, politiek, raad, immigratie, leers, nederland, nederlanders, en meer.

Jonge migranten die al lang in Nederland zijn, moeten niet langer in onzekerheid zitten. Dat vindt een grote groep Bekende Nederlanders. Zij begonnen een maatschappelijk initiatief voor een kinderpardon. Meer dan 120.000 mensen tekenden de petitie.

Daarnaast steunden een kleine dertig gemeenten de oproep aan minister Leers om kinderen niet terug te sturen naar een land waar ze niets te zoeken hebben. In Den Bosch heeft GroenLinksradslid Ufuk Kâhya zo’n motie ingediend, met steun van de hele oppositie. 28 februari stemt de gemeenteraad over het voorstel.


Motie vreemd aan de orde van de dag
‘Kinderpardon’
Raadsvergadering 28 februari 2012

De raad van de gemeente ’s-Hertogenbosch, in vergadering bijeen op 28 februari 2011,
Overwegende dat:
 Er brede maatschappelijke steun is voor een kinderpardon in de Nederlandse samenleving;
 Meer dan 117.000 mensen de petitie voor het kinderpardon ondertekenden.

Spreekt uit dat:
 Het wezensvreemd is om asielkinderen die geworteld zijn in Nederland terug te sturen naar het land van hun ouders;
 Er nu veel aandacht is, zowel politiek als in de media, voor individuele gevallen;
 Er gestreefd zou moeten worden voor een structurele oplossing voor de hele groep kinderen die het betreft (naar schatting 1.500).

Verzoekt het College:
 Bij de minister voor Immigratie & Asiel aan te dringen op een kinderpardon.

En gaat over tot de orde van de dag.

GroenLinks, Ufuk Kâhya
Sp, Ellen Pauel
D66, Jan Smit
Bosch Belang, Frans van Valkenburg
Bossche Groenen, Judith Hendrickx
Stadspartij Knillis, Paul Masselink
Leefbaar ’s-H&R, Paul Kagie

vrijdag, 10 februari 2012

Pepijn Boekhorst

Pepijn Boekhorst

GR

Apeldoornse lessen voor Nijmegen

In groen werkt, aanrader, ambtenaren, analyse, apeldoorn, begroting, blog, cbs, college, en meer.

Het dikke rapport leest als een trein: ‘de grond wordt duur betaald‘ is een aanrader. Duidelijk wordt hoe de gemeente Apeldoorn vele m2 grond voor miljoenen euro’s aankocht. Hoe ambtenaren, wethouders en raadsleden daar mee omgingen en natuurlijk wat het gevolg is: een verlies van tientallen miljoenen euro’s omdat de grond te laat, tegen een lagere prijs of soms wel nooit meer verkocht kan worden. Sinds gisterenavond weten we ook het politieke gevolg: alle wethouders zijn opgestapt en willen daarmee ruimte maken voor een nieuwe bestuurscultuur. Welke lessen zijn er te formuleren die voor Nijmegen waardevol kunnen zijn? Een belangrijke en uiterst actuele vraag, omdat beide gemeenten bijna evengroot zijn en ook in Nijmegen flink wat grond is aangekocht voor nieuwe woningen en voorzieningen.Vooropgesteld: het rapport kent 284 bladzijden en kent zoveel informatie dat het nauwelijks te bevatten is. De raadsvergaderingen heb ik heel beperkt en de openbare verhoren niet gevolgd. Ik pretendeer dan ook niet dat ik op deze blog alle lessen formuleer en dat ik volledig ben. En ik wil ook niet vooruitlopen op het onderzoek van de Nijmeegse rekenkamer dat dit jaar gestart is en in de zomer afgerond zal zijn. Zowel in Apeldoorn als in Nijmegen gaat het onderzoek over (enkele) grondexploitaties, de verantwoording aan de raad (door het college) maar ook of de raad voldoende controlerend is geweest. Bij het lezen vond ik vier zaken cruciaal die ik als les voor andere gemeenten wil formuleren. Ook voor Nijmegen natuurlijk. Ik zal per les aangeven hoe ik vind dat Nijmegen het doet.

Les 1: maak nooit een directe (en zeker geen structurele) koppeling tussen de opbrengsten van het grondbedrijf en de algemene begroting. Het Apeldoornse grondbedrijf moest ieder jaar een bedrag van 9 miljoen euro afdragen aan de algemene gemeentekas. Daar konden dan andere projecten en uitgaven van worden betaald. Dit bedrag was taakstellend, wat wil zeggen dat het vaststond, hoe goed of hoe slecht het grondbedrijf er ook financieel voor stond. (blz. 23). Deze les is al geleerd in Nijmegen: de algemene begroting in Nijmegen is niet gekoppeld aan de opbrengsten / reserve van het grondbedrijf.

Les 2: zorg voor realistische prognoses over de bevolkingsgroei en stem de afzet van gronden af op de feitelijke vraag. In Apeldoorn was de planning van het aantal gewenste woningen behoorlijk optimistisch. Er was ook discussie over met de provincie Gelderland. Nieuwe inzichten in bevolkingsprognoses zijn niet doorgevoerd in de afzet van bouwgrond. Oftewel: de vraag naar grond nam af maar alle exploitaties gingen gewoon door in hetzelfde tempo. (blz. 24) Ik constateer dat voor de belangrijkste grondexploitaties in Nijmegen de afzet van gronden de afgelopen jaren meerdere malen naar beneden is bijgesteld. Wilden we in de Waalsprong eerst nog meer dan 1.000 kavels verkopen, nu is dat teruggebracht naar 400 per jaar. Ook stel ik vast dat de groeicijfers van Nijmegen door alle deskundige instanties zoals de provincie, CBS en Centraal Planbureau eenduidig zijn. Hierover is weinig discussie: Nijmegen groeit tot 2040.

Les 3: zorg voor prioriteit tussen verschillende ontwikkelingsgebieden, creëer als overheid schaarste. In de planning van alle Apeldoornse bouwprojecten is onvoldoende prioriteit aangebracht. Alle geplande projecten moesten doorgaan. En dus wordt er overal grond aangekocht, stijgen de rentelasten sterk, en komen de planexploitaties onder druk te staan. (blz. 25) Hoewel ik niet het totaaloverzicht heb op de feitelijke aantallen bouwplannen en de spreiding over de stad, constateer ik wel dat in elk geval de laatste jaren  er een duidelijke keuze is gemaakt in ontwikkelstrategie van Nijmegen: Waalsprong, Waalfront en het stationsgebied hebben prioriteit. Nieuwbouwplannen elders in de stad worden op een lager pitje gezet, mede om groene plekken in de stad te behouden.

Les 4: De gemeenteraad moet actief de verantwoordelijkheid nemen voor de (controle op) financiële positie van het grondbedrijf. In Apeldoorn verschijnt na 2002 geen nota financiële positie grondbedrijf. Met de invoering van het dualisme wordt het grondbedrijf vooral gezien als een verantwoordelijkheid van het college. En als in 2009 uiteindelijk dan het rapport verschijnt, dan worden de zaken te rooskleurig of juist te negatief geschetst (blz. 33). De gemeenteraad gaat er vanuit dat steeds de meest actuele status worden vermeld. Maar dat blijkt niet zo te zijn. Ook is het feitelijk niet mogelijk om te beoordelen of de financiële cijfers voor de totale grondportefeuille gefundeerd waren op planningsrealisme. Er was zelfs niet duidelijk wat het totale programma aan woningbouw en bedrijventerreinen was (blz. 60). In Nijmegen ontvangt de raad 2x per jaar een ‘voortgangsrapportage grote projecten’. Hierin staan de financiële gegevens en risico’s per planexploitatie. In dit document is nog geen goed totaaloverzicht te vinden van alle exploitaties en wordt ook niet duidelijk of de afzet van grond of woningen op schema ligt. In het rapport komt de dimensie ‘tijd’ nauwelijks aan bod. Deze les uit Apeldoorn is iets om als gemeenteraad op te pakken!

Al lezende in het rapport ‘de grond wordt duur betaald’ komt ik tot de conclusie dat er een aantal essentiële zaken die in Apeldoorn misgingen, in Nijmegen gelukkig anders zijn geregeld. Dat is ook de reden dat tot nu toe alle grondexploitaties (dus ook die van het Waalfront en de Waalsprong!) sluitend zijn = niet op verlies staan en de reserve van het grondbedrijf de komende jaren oploopt. Met de lessen uit Apeldoorn kan de gemeenteraad scherp blijven toezien op de ontwikkelingen van het grondbedrijf. En hopelijk biedt ook het onderzoek van de Nijmeegse rekenkamer ons goede aanbevelingen. Wanneer we  hier na de zomer in de gemeenteraad over spreken hoop ik overigens dat we inhoud van het onderzoek meer aan de orde laten komen dan in Apeldoorn. Daar ging het debat vooral over de positie van wethouders en kwamen de conclusies en aanbevelingen van het rapport nauwelijks ter sprake. Ook dat is een les die we kunnen trekken.

Al met al hebben we ook in Nijmegen geen garanties voor de toekomst en het is onbekend hoe lang de economische crisis, zeker die in de vastgoed- en bouwsector, nog aanhoudt. In Apeldoorn is niet voor niets geconstateerd dat de economische crisis de bestaande problemen met het grondbedrijf manifest heeft gemaakt en versterkt. Maar ook werd gesteld dat de problemen van voor die tijd waren. Gezien bovenstaande  analyse geeft mij dat geen garantie maar wel vertrouwen voor de toekomst van Nijmegen.

Pepijn Boekhorst

Pepijn Boekhorst

GR

Apeldoornse lessen voor Nijmegen

In groen werkt, gemeenteraad, raad, waalsprong, verantwoordelijkheid, cijfers, onderzoek, aanrader, analyse, en meer.

Het dikke rapport leest als een trein: ‘de grond wordt duur betaald‘ is een aanrader. Duidelijk wordt hoe de gemeente Apeldoorn vele m2 grond voor miljoenen euro’s aankocht. Hoe ambtenaren, wethouders en raadsleden daar mee omgingen en natuurlijk wat het gevolg is: een verlies van tientallen miljoenen euro’s omdat de grond te laat, tegen een lagere prijs of soms wel nooit meer verkocht kan worden. Sinds gisterenavond weten we ook het politieke gevolg: alle wethouders zijn opgestapt en willen daarmee ruimte maken voor een nieuwe bestuurscultuur. Welke lessen zijn er te formuleren die voor Nijmegen waardevol kunnen zijn? Een belangrijke en uiterst actuele vraag, omdat beide gemeenten bijna evengroot zijn en ook in Nijmegen flink wat grond is aangekocht voor nieuwe woningen en voorzieningen.Vooropgesteld: het rapport kent 284 bladzijden en kent zoveel informatie dat het nauwelijks te bevatten is. De raadsvergaderingen heb ik heel beperkt en de openbare verhoren niet gevolgd. Ik pretendeer dan ook niet dat ik op deze blog alle lessen formuleer en dat ik volledig ben. En ik wil ook niet vooruitlopen op het onderzoek van de Nijmeegse rekenkamer dat dit jaar gestart is en in de zomer afgerond zal zijn. Zowel in Apeldoorn als in Nijmegen gaat het onderzoek over (enkele) grondexploitaties, de verantwoording aan de raad (door het college) maar ook of de raad voldoende controlerend is geweest. Bij het lezen vond ik vier zaken cruciaal die ik als les voor andere gemeenten wil formuleren. Ook voor Nijmegen natuurlijk. Ik zal per les aangeven hoe ik vind dat Nijmegen het doet.

Les 1: maak nooit een directe (en zeker geen structurele) koppeling tussen de opbrengsten van het grondbedrijf en de algemene begroting. Het Apeldoornse grondbedrijf moest ieder jaar een bedrag van 9 miljoen euro afdragen aan de algemene gemeentekas. Daar konden dan andere projecten en uitgaven van worden betaald. Dit bedrag was taakstellend, wat wil zeggen dat het vaststond, hoe goed of hoe slecht het grondbedrijf er ook financieel voor stond. (blz. 23). Deze les is al geleerd in Nijmegen: de algemene begroting in Nijmegen is niet gekoppeld aan de opbrengsten / reserve van het grondbedrijf.

Les 2: zorg voor realistische prognoses over de bevolkingsgroei en stem de afzet van gronden af op de feitelijke vraag. In Apeldoorn was de planning van het aantal gewenste woningen behoorlijk optimistisch. Er was ook discussie over met de provincie Gelderland. Nieuwe inzichten in bevolkingsprognoses zijn niet doorgevoerd in de afzet van bouwgrond. Oftewel: de vraag naar grond nam af maar alle exploitaties gingen gewoon door in hetzelfde tempo. (blz. 24) Ik constateer dat voor de belangrijkste grondexploitaties in Nijmegen de afzet van gronden de afgelopen jaren meerdere malen naar beneden is bijgesteld. Wilden we in de Waalsprong eerst nog meer dan 1.000 kavels verkopen, nu is dat teruggebracht naar 400 per jaar. Ook stel ik vast dat de groeicijfers van Nijmegen door alle deskundige instanties zoals de provincie, CBS en Centraal Planbureau eenduidig zijn. Hierover is weinig discussie: Nijmegen groeit tot 2040.

Les 3: zorg voor prioriteit tussen verschillende ontwikkelingsgebieden, creëer als overheid schaarste. In de planning van alle Apeldoornse bouwprojecten is onvoldoende prioriteit aangebracht. Alle geplande projecten moesten doorgaan. En dus wordt er overal grond aangekocht, stijgen de rentelasten sterk, en komen de planexploitaties onder druk te staan. (blz. 25) Hoewel ik niet het totaaloverzicht heb op de feitelijke aantallen bouwplannen en de spreiding over de stad, constateer ik wel dat in elk geval de laatste jaren  er een duidelijke keuze is gemaakt in ontwikkelstrategie van Nijmegen: Waalsprong, Waalfront en het stationsgebied hebben prioriteit. Nieuwbouwplannen elders in de stad worden op een lager pitje gezet, mede om groene plekken in de stad te behouden.

Les 4: De gemeenteraad moet actief de verantwoordelijkheid nemen voor de (controle op) financiële positie van het grondbedrijf. In Apeldoorn verschijnt na 2002 geen nota financiële positie grondbedrijf. Met de invoering van het dualisme wordt het grondbedrijf vooral gezien als een verantwoordelijkheid van het college. En als in 2009 uiteindelijk dan het rapport verschijnt, dan worden de zaken te rooskleurig of juist te negatief geschetst (blz. 33). De gemeenteraad gaat er vanuit dat steeds de meest actuele status worden vermeld. Maar dat blijkt niet zo te zijn. Ook is het feitelijk niet mogelijk om te beoordelen of de financiële cijfers voor de totale grondportefeuille gefundeerd waren op planningsrealisme. Er was zelfs niet duidelijk wat het totale programma aan woningbouw en bedrijventerreinen was (blz. 60). In Nijmegen ontvangt de raad 2x per jaar een ‘voortgangsrapportage grote projecten’. Hierin staan de financiële gegevens en risico’s per planexploitatie. In dit document is nog geen goed totaaloverzicht te vinden van alle exploitaties en wordt ook niet duidelijk of de afzet van grond of woningen op schema ligt. In het rapport komt de dimensie ‘tijd’ nauwelijks aan bod. Deze les uit Apeldoorn is iets om als gemeenteraad op te pakken!

Al lezende in het rapport ‘de grond wordt duur betaald’ komt ik tot de conclusie dat er een aantal essentiële zaken die in Apeldoorn misgingen, in Nijmegen gelukkig anders zijn geregeld. Dat is ook de reden dat tot nu toe alle grondexploitaties (dus ook die van het Waalfront en de Waalsprong!) sluitend zijn = niet op verlies staan en de reserve van het grondbedrijf de komende jaren oploopt. Met de lessen uit Apeldoorn kan de gemeenteraad scherp blijven toezien op de ontwikkelingen van het grondbedrijf. En hopelijk biedt ook het onderzoek van de Nijmeegse rekenkamer ons goede aanbevelingen. Wanneer we  hier na de zomer in de gemeenteraad over spreken hoop ik overigens dat we inhoud van het onderzoek meer aan de orde laten komen dan in Apeldoorn. Daar ging het debat vooral over de positie van wethouders en kwamen de conclusies en aanbevelingen van het rapport nauwelijks ter sprake. Ook dat is een les die we kunnen trekken.

Al met al hebben we ook in Nijmegen geen garanties voor de toekomst en het is onbekend hoe lang de economische crisis, zeker die in de vastgoed- en bouwsector, nog aanhoudt. In Apeldoorn is niet voor niets geconstateerd dat de economische crisis de bestaande problemen met het grondbedrijf manifest heeft gemaakt en versterkt. Maar ook werd gesteld dat de problemen van voor die tijd waren. Gezien bovenstaande  analyse geeft mij dat geen garantie maar wel vertrouwen voor de toekomst van Nijmegen.

Aantal berichten op deze pagina: 30. De berichten op deze pagina zijn niet ouder dan 2227 uur (92,8 dagen). Berichtgemiddelde: 0,3 bericht per dag, 2,3 per week.

Volgende pagina

Pagina: 1 2 3 4 5