woensdag, 25 januari 2012

Theo Brand

Theo Brand

Compassie verdraagt geen kille en kleine overheid

Compassie is een waardevol uitgangspunt in de politiek, niet alleen binnen het CDA. Maar vul dat begrip dan wel groen en sociaal in, met een heldere rol voor de overheid. Vrede, gerechtigheid en ‘heelheid van de schepping’ kunnen daarbij helpen als leidende waarden. Maar dat is niet voor elke (christelijke)  politicus altijd even vanzelfsprekend, helaas.

Vrede, sociale gerechtigheid en duurzaamheid kun je ook samenvatten met het begrip ‘compassie’: betrokkenheid bij alles wat leeft, met name bij wie of wat extra aandacht behoeft. De Linker Wang – de beweging voor religie en politiek verbonden met GroenLinks – heeft deze gedachte in het voorjaar van 2011 uitgewerkt daarbij geïnspireerd door theoloog Manuela Kalsky. In de zomer werd ‘politiek met compassie’ het motto van De Linker Wang om verder uit te dragen binnen GroenLinks. Kort daarna werd het begrip door theoloog Jacobine Geel gelanceerd binnen het CDA wat binnen die partij tot instemming maar ook tot discussies leidde.

Je kunt er kinderachtig over doen, maar per saldo zijn het toch positieve ontwikkelingen. Compassie kan door niemand worden geclaimd en overstijgt politieke verschillen. Het begrip betekent ‘mededogen’ en er zit ook ‘passie’ (hartstocht) in. Het kan ook verbindingen tot stand brengen tussen politieke partijen. Misschien kan ‘compassie’ als leidraad gelden voor een toenadering tussen CDA en bijvoorbeeld GroenLinks, PvdA en ChristenUnie? Maar van ‘compassie’ als gedeelde inspiratiebron moeten we in alle nuchterheid ook geen wonderen verwachten.     

Theoloog en ethicus Frits de Lange waarschuwde het CDA afgelopen zaterdag in dagblad Trouw om het begrip compassie niet rechts-conservatief in te vullen, zoals door Republikeinen gebeurt in de Verenigde Staten. Het CDA hamert vaak op de rol van de civil society – de optelsom van alle maatschappelijke verbanden die los staan van markt en staat. Dat is een goede keuze, maar de partij gebruikt dat soms ook als excuus om te pleiten voor een kleinere publieke sector met minder sociale voorzieningen. Een kille en kleine overheid dus.

Dat brengt het CDA in conservatief vaarwater dat kritiekloos staat tegenover economisch liberalisme. Compassie wordt dan liefdadigheid in plaats van publieke gerechtigheid. Begrijp me niet verkeerd: liefdadigheid en barmhartigheid zijn nodig om de gaten te dichten die de overheid laat vallen. Dat is goed want de overheid kan niet alles. Maar dat ontslaat de politiek niet van de taak om solidariteit en gelijke kansen te blijven organiseren. Daarvoor is compassie nodig in de sfeer van de burgermaatschappij maar ook vanuit politiek en overheid. Politiek met compassie dus. Dat zou zelfs het motto kunnen worden van een centrumlinks kabinet dat de rollen van de markt, de civiele samenleving én de staat in hun onderlinge samenhang weer op waarde schat.


donderdag, 19 januari 2012

Theo Brand

Theo Brand

Compassie is mededogen met alles wat leeft

Hieronder mijn lezersbrief in dagblad Trouw van 19 januari 2012 (oorspronkelijke versie).

Compassie betekent medelijden, schrijft dagblad Trouw (18 januari) naar aanleiding van een discussie binnen het CDA over dit begrip. Maar een betere vertaling van compassie is mededogen. Mededogen met alles wat leeft, in het bijzonder met wie en wat extra aandacht behoeft. Dat is een noodzakelijke aanvulling op vrijheid en het vormt een nieuwe invulling van de waarden solidariteit en verantwoordelijkheid. Geen wonder dat De Linker Wang – de progressieve beweging voor religie en politiek verbonden met GroenLinks - het begrip al omarmde voordat het CDA erover sprak. Misschien ligt daar ook de politieke gevoeligheid? 

 Theo Brand, Zwolle

woensdag, 11 januari 2012

Theo Brand

Theo Brand

Kiest het CDA voor een echte omslag?

Het CDA overweegt volgens de media ‘een ruk naar links’. De mogelijke koerswijziging blijkt uit gelekte plannen afkomstig uit het zogeheten Strategisch Beraad onder leiding van oud-minister Aart Jan de Geus. Veel christen-democraten zullen de koerswijziging eerder bestempelen als een terugkeer naar het politieke midden. Vooral macht en invloed maken een centrumpositie immers interessant. Maar een strategisch beraad is nog geen principieel beraad. En dat laatste is nodig is om een nieuw fundament onder de partij te leggen.

Als je door de waan van de dag stevig naar rechts bent meegezogen, dan sta je na verloop van tijd beteuterd in de hoek. Dan blijft er één richting over en dat is terugbewegen naar links. Zo verrassend is de koerswijziging daarom niet. De vraag is vooral: hoe ver durft het CDA te gaan? En komt de partij ook aan de progressieve kant van het politieke spectrum uit? Komt de koersverandering voort uit lijfsbehoud of is deze geboren uit een diepgewortelde overtuiging? En als dat laatste het geval is, wanneer volgt dan de erkenning dat de partij door fixatie op macht de afgelopen jaren op een ideologisch dwaalspoor terecht is gekomen?

Nu is de vraag wat de begrippen ‘links’ en ‘rechts’ precies inhouden nogal verschillend te beantwoorden. Dat is – helemaal voor middenpartijen als CDA en D66 – altijd een wat lastige zaak. Voor mij telt het criterium of een politieke partij culturele verdraagzaamheid, duurzame ontwikkeling en een eerlijke verdeling van welvaart, macht en inkomen bevordert of juist eerder frustreert. Zo bezien is het CDA op dit moment een conservatieve en rechts georiënteerde partij.

Politiek filosoof en emeritus hoogleraar politieke filosofie Henk Woldring stelde eerder in tijdschrift De Linker Wang: “Het politieke midden kan nooit je doelstelling zijn, het gaat om een visie op de samenleving. De christen-democratie moet uiteindelijk een gematigd progressieve politieke beweging zijn.” Woldring schreef in 1996 een doorwrochte filosofische studie over de beginselen van de christen-democratie en zat namens het CDA in de Eerste Kamer. In 2010 zegde hij diep teleurgesteld zijn partijlidmaatschap op.

Levert het CDA straks echt een politieke bijdrage om de dominante economische machten bij te sturen? Durft de partij weer politiek met een hoofdletter te bedrijven? Of blijft het CDA kiezen voor ongebreidelde marktwerking door een verdere terugtreding van de overheid, maar dan in een wat vriendelijker vorm met wat meer culturele openheid? Rechts, maar zonder scherpe kantjes in een wat lichtere variant? Of kiest het CDA voor een echte omslag?

Voor de politiek in het algemeen is het interessant of de koerswijziging van het CDA zal leiden tot de val van het Kabinet Rutte. Wat mij vooral boeit is de vraag of trouwe CDA-kiezers zullen doorzien dat de eeuwige slingerbewegingen van het CDA – of die nu van links naar rechts gaan, of juist van rechts naar links – vooral zijn ingegeven door macht en politieke strategie. En dat visiestukken als het recent verschenen ‘Mens, waar ben je?’ uiteindelijk ondergeschikt zijn aan politiek lijfsbehoud. Of ben ik nu te cynisch? Ik vermoed oprecht van niet. Toch wil ik als religieus geïnspireerde GroenLinkser het CDA het voordeel van de twijfel geven, maar wel met een nadrukkelijke kanttekening.

Natuurlijk is elke politieke partij bezig met macht en strategie. Wat dat betreft neem ik het CDA niets kwalijk. Politiek bedrijven valt of staat met macht en invloed. Maar voor het CDA lijkt politieke macht gaandeweg een doel en een principe op zichzelf te zijn geworden. Dat het CDA nu weereens wat naar links beweegt is daarom alles behalve opzienbarend.

Relevant is vooral de vraag of het CDA  niet alleen om strategische redenen naar links buigt, maar in het voetspoor van de ideeën van onder anderen Henk Woldring, ook definitief durft te kiezen voor een gematigd progressief profiel omdat de christen-democratische wortels van solidariteit, emancipatie en rentmeesterschap dat simpelweg vereisen.

Als die trend zich definitief zou doorzetten, komt het CDA in beeld als interessante en stabiele coalitiepartner voor PvdA, SP, D66, ChristenUnie en ook mijn eigen partij GroenLinks. Afhankelijk uiteraard van de vraag hoeveel Tweede Kamerzetels de partij kan inbrengen bij het realiseren van een nieuwe centrumlinkse regeringscoalitie.


donderdag, 22 december 2011

Theo Brand

Theo Brand

Laat CNV opgaan in een ontzuilde Nieuwe Vakbeweging

In gerechtigheid, vakbeweging, cnv, emancipatie, solidariteit, crisis, durven, licht, mensen, en meer.

De crisis bij de FNV leidt tot nieuwe kansen. De ‘Nieuwe Vakbeweging’ is de werktitel van de beoogde vernieuwingsslag die oud-staatssecretaris Jetta Klijnsma verder mag uitwerken. 2012 lijkt mij dan ook het jaar dat FNV, CNV en MHP (voor middelbaar en hoger personeel) hun hokjesgeest te boven moeten komen. Samen kunnen ze verder gaan als krachtige, postverzuilde vakbeweging: een veelkleurige paraplu voor allerhande kleine vakverenigingen voor uiteenlopende beroepsgroepen en bedrijfstakken.

Zelf ben ik meer dan tien jaar lid van het CNV. Ik werd lid in de tijd van good old Doekle Terpstra. En met overtuiging heb ik later enige tijd gewerkt bij CNV Vakcentrale. De toenemende spanning tussen vakbonden en vakcentrale is – zo heb ik ervaren - beslist niet voorbehouden aan de FNV. En ook binnen het CNV en MHP heeft zich de ontwikkeling voorgedaan van het ontstaan van ‘superbonden’, denk aan CNV Vakmensen, de christelijke evenknie van FNV Bondgenoten. Ook hier werd de afstand tussen de bond en - ironisch - de vakmensen groter. 

Het CNV sprak én spreekt mij aan omdat het christelijk sociaal gedachtegoed voor deze vakbeweging leidend is. Toen het CNV in 1909 werd opgericht stelde deze zich op tegen de klassenstrijd en voor het overlegmodel. Maar dat gold natuurlijk ook voor het Nederlands Katholiek Vakverbond (NKV) dat samen met het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) in 1982 opging in de FNV. En van klassenstrijd is nu allang geen sprake meer. Het overlegmodel is zelfs de institutionele norm geworden in Nederland.   

En soms is het wel erg makkelijk om de redelijk zelve te willen zijn, terwijl FNV-onderhandelaars voor alle werknemers van een bedrijf (inclusief de CNV-leden) de hete kastanjes uit het vuur halen door wél met de vuist op tafel te slaan. Ik merk dat ik vooral trots ben op het CNV op die momenten dat ze óók een keer met de vuist op tafel slaan. En als het moet een staking niet uit de weg gaan. Je bent immers een vakbond of je bent het niet. Ik ben kortom een CNV-lid die staat voor gerechtigheid. Niet voor het in stand houden van een bepaald instituut.

CNV-voorzitter Jaap Smit beklemtoont herhaaldelijk dat het CNV vooral moet blijven bestaan en ondertussen houdt hij met een schuin oog in de gaten wat er bij de FNV gebeurt. Hij zou beslist meer karakter kunnen tonen door de vraag op tafel te leggen: waarom zouden we na ruim honderd jaar CNV ons bestaansrecht niet ter discussie durven stellen? Het gaat immers om werkgelegenheid, een gezonde arbeidsmarkt, goede en op maat gesneden belangenbehartiging, gerechtigheid en solidariteit?

Voordat Jaap Smit begon bij het CNV was hij voorzitter van Slachtofferhulp Nederland, een algemene organisatie die in 2002 – ver na het tijdperk van de verzuiling – het licht zag. Opkomen voor de belangen van slachtoffers kun je het beste doen vanuit een algemene organisatie, zo dacht Jaap Smit en zo denken we nu bijna allemaal. Daarbij kunnen individuele bestuurders en medewerkers natuurlijk allemaal hun eigen levensbeschouwelijke achtergrond en motivatie hebben. Mijn vraag aan de CNV-voorzitter: waarom zou dat niet gelden als je opkomt voor mensen die het slachtoffer zijn van bijvoorbeeld een ontslaggolf of een reorganisatie?

Het CNV zou het lef moeten hebben haar eigen bestaansrecht ter discussie te stellen. CNV-leden die zwaar hechten aan een aparte christelijke organisatie kunnen zich aansluiten bij het orthodox-christelijke Christennetwerk GMV, terwijl de grote groep idealistische en tegelijk meer pragmatisch ingestelde CNV-leden kunnen kiezen voor een specifieke vakvereniging die opkomt voor de belangen van hun eigen vakgebied of bedrijfstak. Uiteraard onder de grote en veelkleurige paraplu van de Nieuwe Vakbeweging.

In 1996 is het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond (NCW) samen met het VNO opgegaan in VNO-NCW. Binnen de gefuseerde algemene werkgeversclub is nog steeds een speciale afdeling actief die zich bezig houdt met zingeving en christelijk-sociaal denken. Dat geldt trouwens ook voor de FNV, vanwege de NKV-roots. In die zin hoeft het CNV niet bang te zijn en kan ze juist een waardevolle protestantse inbreng hebben binnen een brede, ontzuilde vakbeweging die kleine vakverenigingen kan faciliteren om maatwerk te bieden aan specifieke beroepsgroepen of bedrijfstakken.

Of komt er straks bijvoorbeeld naast de algemene kappersbond met 2500 leden toch ook nog een christelijke met 700 leden? Natuurlijk moet dat kunnen in een vrij en democratisch land. Ik zou de laatste zijn die dat gaat verbieden. Maar persoonlijk zou ik zo’n ontwikkeling – ook als CNV-lid - een gemiste kans vinden.

Jaap Smit, wacht dus niet langer en laat het CNV – samen met FNV en MHP – meebouwen aan een inspirerende een veelkleurige vakbeweging van de 21ste eeuw.

Een bewerkte versie van dit betoog verscheen op 4 januari 2012 in dagblad Trouw.


vrijdag, 16 december 2011

Theo Brand

Theo Brand

Redactioneel: Onverwachte bondgenoten voor een betere wereld

In politiek, religie, spiritualiteit, groenlinks, islam, kerk, linker wang, maatschappij, analyse, en meer.

Hieronder het ‘Redactioneel’ dat ik schreef als eindredacteur van tijdschrift De Linker Wang voor het decembernummer dat vandaag verschijnt. Voor een proefabonnement of gratis proefnummer, kijk je op www.linkerwang.nl  

‘Religie is een veelzijdig fenomeen. Wat verdient kritiek en wat ondersteuning? En welke inspiratiebronnen kunnen bijdragen aan duurzaamheid, vrede, gerechtigheid en compassie?’ Deze tekst staat te lezen op de startpagina van de vernieuwde website van De Linker Wang.

Niet alleen de site is nieuw, ook wat de beweging en het tijdschrift willen uitstralen. Religieuze inspiratie voor maatschappij en politiek wordt binnen De Linker Wang van oudsher op waarde geschat. Daarbij kan de ene levensbeschouwing niet zomaar boven de andere worden geplaatst. Dat laatste past ook niet bij een doorbraakpartij als GroenLinks, de partij waaraan De Linker Wang verbonden is. Het gaat – zoals in dit nummer bepleit door Manuela Kalsky (pagina 4–5) - om respectvolle verscheidenheid en het verbinden van verschillen.

Duurzaamheid, vrede, gerechtigheid en compassie zijn hierbij fundamentele kernwaarden. IJkpunten waarop religieuze instituten, politieke bewegingen en machthebbers beoordeeld moeten kunnen worden. Zo krijgt godsdienstkritiek vanuit De Linker Wang gaandeweg een meer expliciete plaats die past bij linkse politiek.

Overigens sluit dat geenszins uit dat je geen vraagtekens kunt plaatsen bij sommige vormen van religiekritiek, zoals blijkt uit het artikel van Erica Meijers (pagina 22-24). Zij signaleert een nieuwe onverdraagzaamheid bij links ten aanzien van godsdienst en religie. ‘Wie moslims vastpint op een bepaalde, vermeend conservatieve identiteit, zal het door links zo graag gewilde debat over vrouw-, homo- en dieronvriendelijke tendensen in hun geloof niet snel op gang kunnen brengen,’ aldus Meijers.

Wat dat betreft vormt het interview met Thijs Kleinpaste en Marcel Duyvestijn – publieke pleitbezorgers van het afschaffen van godsdienstvrijheid – een mooi contrast (pagina 20-21). Dat de heren een debat aanzwengelen is winst. Ook de stelling ‘Denk zelf!’ kan niet vaak genoeg herhaald worden. Veel gelovigen doen dat immers te weinig. Wie durft vervolgens de breed gedeelde vooronderstelling dat gelovigen noodzakelijkerwijs minder zelfstandig denken omdat zij religieus zijn, weer kritisch te doordenken? Hoe verklaren we bijvoorbeeld dat secularisatie en individualisering hand in hand gaan met groeiend populisme en afnemende solidariteit? Hoe autonoom is de mens? Zit de maatschappij niet ingewikkelder in elkaar dan we kunnen bevroeden?

Wat dat betreft is de analyse van Hendro Munsterman ‘Vaticaan als bondgenoot van GroenLinks’ (pagina 18-19) heerlijk tegendraads. Een instituut dat zelf niet zo soepeltjes omgaat met macht, kritiek en vernieuwing van onderaf, vormt zelf juist een gezonde kritische factor ten opzichte van de grote economische machten in de wereld. Zo hangt de werkelijkheid van ongerijmdheden en verrassingen aan elkaar. Durven we niet alleen te kijken maar ook te zien? Niet alleen te horen maar ook te luisteren? Openheid en verwondering maken mensen onverwacht tot bondgenoten en maken soms ongekend positieve krachten los.


woensdag, 30 november 2011

Theo Brand

Theo Brand

Van Bijsterveldt maskeert met haar gelijk een groter probleem

In gerechtigheid, politiek, burgerschap, cda, civil society, maatschappij, onderwijs, rechtvaardigheid, basisonderwijs, en meer.

Met stofzuiger en een soppende doek maak ik samen met andere vaders en (vooral) moeders één keer per jaar het klaslokaal van mijn zoontje grondig schoon. Door het samen te doen zorgen vrijwel alle ouders dat het lokaal het hele schooljaar hygiënisch op orde blijft. Vorige week nam een moeder het initiatief om de klas in Sinterklaas-stijl te versieren. De school had geen geld zodat ouders zelf de handschoen oppakten. Prachtig. Iedereen was trots en blij. Zo wordt de basisschool een dragende gemeenschap waaraan ouders hun steentje bijdragen.     

Ik begrijp onderwijsminister Van Bijsterveldt wel. Ouders moeten hun schoolgaande kinderen meer begeleiden en zelf ook meer betrokken zijn bij de school. Dat schrijft ze vandaag in een brief aan de Tweede Kamer. De CDA-politica verwacht van ouders dat zij de schoolprestaties in de gaten houden en helpen verbeteren en ook meer deel worden van de schoolgemeenschap. ’Het gaat om een mentaliteitsverandering bij alle betrokkenen. De rol van de ouder is te zeer een vergeten rol; veel ouders zijn in een consumentenrol terechtgekomen,’ aldus de minister. En ja, ze heeft groot gelijk.

‘Scholen moeten ouders op hun verantwoordelijkheid aanspreken, maar daar staat ook iets tegenover: de ouders krijgen inzicht in de voortgang die hun kinderen boeken en in de cijfers die ze halen. Ouders en scholen zouden hun afspraken moeten vastleggen in niet-vrijblijvende overeenkomsten,’ aldus de bewindsvrouw. Ik vind dat beslist geen gek idee.

Minister Van Bijsterveldt heeft het gelijk aan haar kant. Een school is meer dan een dienstverlener en vormt een cruciaal onderdeel van de maatschappij waarvoor mensen samen verantwoordelijkheid (moeten) dragen. De prikkels daartoe mogen groter worden. Maar ze maskeert met haar boodschap een groter probleem. Namelijk dat dit kabinet volstrekt onvoldoende wil investeren in het basisonderwijs, denk bijvoorbeeld aan het passend onderwijs. De voorgenomen bezuinigingen in het passend onderwijs krijgen in 2013 een omvang van ruim 300 miljoen euro. De meest kwetsbare leerlingen zijn de dupe.

Op zorgleerlingen en hun begeleiding wordt keihard gekort. Bezuinigingsdrift is sterker dan een doordachte beleidsvisie. Eerst worden de experts het passend onderwijs uitgebonjourd en daarna moeten leerkrachten de bijscholing in om te leren omgaan met zorgleerlingen. Alsof een leerkracht tijd heeft om alle leerlingen aandacht te geven met klassen van dertig kinderen waarvan enkelen beslist extra zorg nodig hebben. Zoals de Algemene Onderwijsbond (AOb) onlangs stelde: ‘We praten over het werk van vele duizenden mensen die zich de afgelopen jaren hard hebben ingezet om zorgleerlingen de kans te geven op een toekomst. Net als het onderwijspersoneel, zullen veel van die zorgleerlingen straks thuis komen te zitten.’

Misschien moet minister Van Bijsterveldt eens laten berekenen hoeveel geld de inzet die ouders nu al tonen op de basisscholen van hun kinderen, de staatskas jaarlijks oplevert. Zou dat forse bedrag niet bestemd kunnen worden voor de zorgleerlingen? Zo wordt solidariteit concreet en tastbaar. De klas schoonmaken, actief zijn als voorleesouder en meedoen in de ouderraad om zo primair de school van je kind te ondersteunen en secundair – collectief via een omslagberekening door het Rijk – ook zorgleerlingen een kans te bieden.

Natuurlijk zijn er ouders die de kantjes eraf lopen. Betrokkenheid van ouders verdient stimulering. Maar denkt de minister de categorie luie en ongeïnteresseerde ouders nu werkelijk met een tour door het land en met een Facebookpagina op andere gedachten te kunnen brengen? Deze campagne is misschien goed bedoeld, maar zou weleens een beledigende kant kunnen hebben. Dan denk ik vooral aan die actieve vaders en moeders van zorgleerlingen die straks in de kou staan.


donderdag, 17 november 2011

Theo Brand

Theo Brand

Godsdienst: geen twist maar een tango

In kerk, politiek, religie, spiritualiteit, tolerantie, bijbel, cda, christenunie, duurzaamheid, en meer.

Dierenmishandeling door ritueel slachten, priesters die kinderen misbruiken, een dominee die oproept om kinderen te kastijden, en de Bijbel als inspiratiebron om te weigeren mensen in de echt te verbinden. Godsdienst is de bron van achterlijkheid en veel ellende. En de kerk is een autoritair dwanginstituut waar binnen dertig jaar de laatste bejaarde het licht uit doet.

Ik overdrijf nogal. Dat doe ik bewust. Ik constateer dat godsdienst en kerk volgens de heersende opinie in ons land ‘uit’ zijn en zingeving en spiritualiteit ‘in’. Kerken hebben dat deels aan zichzelf te wijten. Maar tegelijk zijn er ook kerkelijke gemeenschappen die open staan voor de zoekende mens en de moderne cultuur. Kerken die zich inzetten voor de ‘Arme kant van Nederland’ en voor vluchtelingen. Met deze benadering vallen ze alleen wat minder vaak op. Want ja, de media duiken er niet op.

Het Humanistisch Verbond – dat ondanks de ontkerkelijking overigens nauwelijks groeit – maakt reclame met een slogan ‘Gelooft u ook meer in het leven vóór de dood?’. Misschien heeft u het reclamespotje wel eens op de radio gehoord: geloven in het leven vóór de dood. Die slogan bevestigt het clichébeeld dat religieus geïnspireerde mensen zich zouden fixeren op het hiernamaals. Jammer. Het ‘geborgen zijn in Gods handen’ – om het in religieuze taal uit te drukken – ervaar ik als troostvolle gedachte en maakt me juist vrij om me te kunnen richten op het hier en nu, samen met anderen.

‘Zonder uw steun is het humanisme aan de goden overgeleverd’ was een eerdere slogan van de humanisten, die sinds 2006 gebruikt werd. Daarin bespeur ik een bijbelse grondtoon. Ook Abram wilde niet aan de goden van zijn tijd overgeleverd zijn. Hij trok vanuit ‘Oer’ naar een onbekend land. Hij luisterde naar de Stem die zijn fixaties en oude geloofsvoorstellingen openbrak. Om over dat latere verhaal van een pasgeboren kind in een voederbak maar te zwijgen. Jezus was zijn naam. Schaapsherders en allochtone wijsneuzen stelden dat dit de ‘Zoon van God’ was. Absurd natuurlijk. Volslagen belachelijk. Dát was nog eens spotten met de heersende goden van die tijd!

De theologische vraag of Jezus goddelijk is, vind ik niet zo interessant. Ik zou het willen omdraaien: iemand die ter wereld komt als vluchtelingenkind, die tijdens zijn leven voortdurend bezig is mensen te bevrijden van angst en ziekte, en die tenslotte onschuldig ter dood wordt gebracht… zo’n persoon verdient het om je diep voor te buigen en om God – de Levende – te zijn. Buig niet voor keizers,  koningen en andere machthebbers, maar laten we knielen voor wat kwetsbaar is.

Met mensen, kerken en hun goden valt eindeloos te spotten. Soms is dat spotten terecht en soms onterecht. Soms is dat spotten relevant en soms is het gewoon kinderachtig en flauw. Maar ik zou zeggen: als je machtigen en schijnheiligen bespot, doe het dan vooral bijbels geïnspireerd. Want de Bijbel biedt ons met Abraham, Jezus en al die andere figuren religie- en maatschappijkritiek van de bovenste plank. De Bijbel als bron van religiekritiek. Dat is een merkwaardige paradox. Zo’n inzicht zet ons misschien ook even op een ander been.

Niet religie zelf is het verdedigen waard, maar wel datgene waar religie op haar betere momenten naar verwijst: de liefdevolle werkelijkheid die ons kennen en weten te boven gaat. Een werkelijkheid die niemand kan claimen. Sommigen noemen het God, anderen Humaniteit, het Mysterie of het Ultieme. Laten we het er op houden dat niemand het in zijn broekzak kan stoppen. Wel kunnen mensen het samen benaderen, vieren en beleven.

Ruim elf jaar geleden werd ik actief binnen De Linker Wang, het platform voor religie en politiek, verbonden met GroenLinks. Volgens sommigen is De Linker Wang een christelijke enclave binnen GroenLinks. Maar je zou De Linker Wang misschien beter een groen en progressief baken binnen christelijk en religieus Nederland kunnen noemen. Zo ben ik dat zelf tenminste steeds sterker gaan zien. We hoeven als Linker Wang geen heidenen te bekeren, maar misschien juist eerder gelovigen. En u weet het: heidenen bekeren is weliswaar een christelijk karwei, maar christenen bekeren, dat is pas een heidens karwei! Dat vrede, gerechtigheid, duurzaamheid en compassie leidende waarden moeten zijn in de politiek, dat is beslist niet voor elke kerkganger en voor elke CDA-politicus altijd even vanzelfsprekend.

GroenLinks moet meer oog krijgen voor de positieve rol van religie. Artikelen van deze strekking schreef ik in dagblad Trouw. Vorig jaar nog. En vooral Femke Halsema nam ik op de korrel. Daar heb ik geen spijt van, want religie heeft vooral sinds 2001 – na de aanslag op de Twin Towers en de moord op Theo van Gogh – een negatieve bijsmaak gekregen. Dat vraagt om nuance. Maar als progressief gelovige heb ik ook de taak om kritisch te zijn op godsdienst en religieuze instituten. Want het is allemaal mensenwerk, gaat om macht, en werkt niet zelden behoudend.

Ik heb geleerd dat het positieve en het negatieve van religie als maatschappelijk fenomeen allebei aan de orde zijn in de wereld. In de progressieve kringen waarin ik me begeef is het een hele opgave om die genuanceerde gedachte tussen de oren te krijgen. Religie kan onderdrukken, maar ook bevrijden. Religie kan behoudend zijn, maar ook vernieuwend en opbouwend. Denk aan al die scholen, ziekenhuizen en zorginstellingen in Nederland die vanuit religieuze inspiratie zijn opgezet. Denk aan diaconaal werk en ontwikkelingswerk.

Veel links en liberaal georiënteerde mensen beschouwen religie uiteindelijk toch als de bron van alle kwaad. Berichten in de media over autoritaire bisschoppen en seksueel geweld in de Rooms Katholieke Kerk en over de ouderwetse moraal van de SGP, bevestigen mensen in hun comfortabele secularistische wereldbeeld.

Niet religie, maar vrijheid is voor mij het doel. Geen goedkope vrijheid, ook geen louter economische vrijheid – denk aan de VVD – en al helemaal geen eng nationalistische vrijheid -denk aan de PVV. Nee, ik zoek naar de mondiale vrijheid voor alle mensen en alles wat leeft. Een vrijheid die duur betaald wordt en pas in de erkenning van wederzijdse afhankelijkheid gerealiseerd kan worden.

Die vrijheid kunnen we bereiken door vrede, gerechtigheid en heelheid van de schepping na te streven. In de jaren tachtig klonk deze trits expliciet in de grote Nederlandse kerken. Het ‘conciliair proces’ heette dat. En de urgentie van vrede, gerechtigheid en heelheid van de schepping is sindsdien alleen maar groter geworden. Denk aan de eurocrisis, de klimaatcrisis, de energiecrisis, aan wapenhandel en aan oorlogen die continue op meerdere plekken op aarde worden uitgevochten.

Ook ‘compassie’ vind ik een waardevol begrip. Compassie heeft extra aandacht gekregen door de activiteiten van de Britse godsdienstwetenschapper Karen Armstrong. In 2009 lanceerde zij het ‘Charter for Compassion’. We weten het, of we kunnen het weten: de kern van alle religies is hetzelfde: liefhebben en recht doen. De Gouden Regel van rabbijn Hillel ‘Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet’, is in varianten terug te vinden in christendom, judaisme, islam, hindoeisme en boedhisme. Tegen polarisatie, tegen fundamentalistisch geweld in de godsdiensten, tegen cynisme en apathie. Compassie is kortom een belangrijk sleutelwoord.

Christenen en andere religieus geïnspireerde mensen moeten niet in de valkuil trappen om religieverdedigers te worden. Ik herken die valkuil. Natuurlijk verdient godsdienst een genuanceerde benadering en vragen bepaalde clichés om bijstelling. Een seculiere meerderehied mag niet op alle terreinen van het leven dwingend zijn moraal opleggen aan minderheden. Maar het gaat uiteindelijk om datgene waar religieuze inspiratie naar verwijst: naar vrede, gerechtigheid, duurzaamheid en compassie. Dat zijn waarden en idealen die het verdedigen waard zijn. Daar kunnen zowel religie als religiekritiek ons behulpzaam bij zijn.

De stellingen en posities die we in Nederland relatief snel betrekken vóór of tegen godsdienst met alle clichés en vooroordelen van dien, dat heeft een historische achtergrond. Die ligt mijns inziens voor een belangrijk deel bij de verzuiling en bij de ‘antithese’ die Abraham Kuyper in de negentiende eeuw aanbracht: de scheiding tussen gelovigen en ongelovigen. ‘In het isolement ligt onze kracht’ was het motto van de gereformeerden. Dat legde de basis voor de verzuiling. Het inspireerde katholieken om zich in een eigen zuil te organiseren waarop ook de socialisten volgden.

Bij de verzuiling ligt ook de oorsprong van partijvorming op godsdienstige grondslag, de confessionele partijvorming, een fenomeen dat in Groot Brittannië en de Verenigde Staten niet bestaat maar zo kenmerkend is voor Nederland. Of moet ik zeggen: kenmerkend wás voor Nederland? CDA, ChristenUnie en SGP hebben als confessionele partijen samen nog maar 28 van de 150 zetels.

CDA, ChristenUnie en SGP zijn de belangenbehartigers van religie geworden en de andere niet-confesionele partijen staan daar – zo lijkt het althans – vaak lijnrecht tegenover. Je ziet dan patstellingen ontstaan zoals bleek bij de recente discussies in de Tweede Kamer over ritueel slachten en de zogeheten weigerambtenaren. De confessionele partijen fixeren zich op het verdedigen van religie en de andere partijen lijken hun best te doen elkaar te overtreffen in het aan de kaak stellen van verderfelijke religieuze praktijken.

Als christelijk geïnspireerde en oecumenisch georiënteerde Groenlinkser voel ik me bij geen van beide kampen echt thuis. Voor mij tellen godsdienstvrijheid, de rechten voor minderheden en ook het positieve aspect van religie. Maar voor mij telt ook respectvolle omgang met dieren en de redelijke eis aan overheidsdienaren om de wet uit te voeren en geen onderscheid te maken tussen mensen op basis van hun seksuele voorkeur.

Als we echt willen werken aan oplossingen moeten we van religie geen controversieel thema willen maken als doel op zichzelf. We moeten de antithese samen willen overstijgen. Het debat over religie moet geen twist worden maar een tango. Dan gaan we met elkaar het ritueel slachten niet verbieden, maar een convenant opzetten waarbij religieuze groepen, slachthuizen en dierenbeschermers met elkaar in gesprek gaan en met voorstellen komen, eventueel gevolgd door wetgeving. Dan stoppen we met het aannemen van nieuwe weigerambtenaren, en gaan we tegelijk coulant om met overheidsdienaren die al jaren naar eer en geweten hun werk doen en serieus moeite hebben met de ontstane veranderingen.

De stemming in Nederland wordt daar beter van. Religieus geïnspireerde mensen en confessionele partijen hoeven dan niet langer krampachtig religie te verdedigen. Ze kunnen al hun energie gebruiken om zich in te zetten voor datgene waar hun religie naar verwijst. Dan komen vrede, gerechtigheid, duurzaamheid en compassie in beeld. Bij de voedselbank, op de thee in de moskee, en als het moet op het Malieveld.

Dat levert onvermoede bondgenoten op: een brede oecumene van alle mensen van goede wil. Want ook ik geloof vooral in een leven vóór de dood en wil dat samen met anderen vormgeven. Zo worden godsdienst én godsdienstkritiek geen twist maar een tango, een vrolijke en uitnodigende dans op weg naar een nieuwe wereld.

Bovenstaande tekst is door mij uitgesproken tijdens een bijeenkomst van de plaatselijke Raad van Kerken in Brummen op 16 november 2011.


woensdag, 9 november 2011

Theo Brand

Theo Brand

Waar staat D66 eigenlijk voor?

D66 doet het goed in de peilingen. En als ik Joop-opiniemaker Kisten Verdel mag geloven, zijn de  D66-congresgangers een stuk jonger dan die van de PvdA. ‘De PvdA moet kiezen’, zegt ze. Maar waar de sociaal-democraten nou precies tussen moeten kiezen, blijft in haar betoog volstrekt in de lucht hangen. En waar kiest D66 eigenlijk voor? De trendy partij kiest voor het politieke midden en daarmee de macht als het ultieme doel.

Met kwesties als abortus, euthanasie en weigerambtenaren is het duidelijk. Je weet waar D66 voor staat. Maar hoe we in ons land de publieke sector overeind kunnen houden, hoe we de groeiende kloof tussen rijk en arm aanpakken en de vrije markteconomie in duurzame en sociale banen kunnen leiden? Over deze kwesties vind ik dat D66 sinds haar oprichting verschillende kanten opwaait en alles behalve klare wijn schenkt.

Genuanceerd zijn en pragmatisch denken, zo heet het dan. Natuurlijk is het goed om niet gevangen te blijven in oude linkse reflexen. Zo kan flexibilisering van de arbeidsmarkt kansen bieden aan mensen die nu nog outsider zijn. Het Rijnlandmodel en de vakbeweging kunnen best een opfrisbeurt gebruiken door elementen uit het Scandinavische model over te nemen. Maar let wel op. Voordat je het weet belanden we in een situatie waarin werknemers minder invloed uitoefenen en waarin het kapitaal zich steeds minder aantrekt van de factor arbeid: de mensen die tegen een geringe vergoeding de handen uit de mouwen steken.

Wie de politieke geschiedenis kent, weet dat D66 even makkelijk met CDA en VVD kan gaan regeren als met de PvdA. En waren de paarse kabinetten waar D66 zo mee in zijn nopjes was, niet de regeringen bij uitstek die het economisch neoliberalisme in een stroomversnelling brachten? Binnen de PvdA kijkt men op deze periode inmiddels al wat kritischer terug, maar of dat binnen D66 ooit het geval zal zijn?

Op 15 november overhandigt het Platform Duurzame en Sociale Economie met tal van deskundigen in perscentrum Nieuwspoort een plan aan de partijleiders van PvdA, SP, GroenLinks en ChristenUnie. Maar waar is Alexander Pechtold bij de overhandiging van dit fundamentele plan? Stelt hij die dag andere prioriteiten? Of hebben de initiatiefnemers zo weinig vertrouwen in een consistente visie van D66 dat ze hem niet hebben uitgenodigd?   

In het geseculariseerde Nederland van deze eeuw lijkt D66 de politieke middenpositie van het CDA over te gaan nemen. D66 ruikt de macht en buigt “niet te ver naar links en ook niet te ver naar rechts”, zoals CDA-leider Dries van Agt dat ooit uitdrukte (inmiddels buigt het CDA trouwens wel ongegeneerd naar rechts). In diezelfde tijd maakte D66-er Hans Gruijters het grapje dat je je vingers moet natellen als je een christen-democraat een hand hebt gegeven. Je zou weleens een vinger kunnen missen na zo’n hartelijke begroeting.

Wanneer D66 groter wordt dan de PvdA dan vrees ik dat deze politieke grap als een boemerang kan gaan werken en D66 de ultieme politieke Januskop wordt. Maar misschien hoeft het zover niet te komen en positioneert D66 zich samen met GroenLinks én de PvdA nu eindelijk eens wat sterker als ‘het redelijk alternatief’ voor het niets ontziende neoliberalisme, waarbij de SP als mogelijke coalitiepartner niet bij voorbaat in de ban wordt gedaan.


maandag, 24 oktober 2011

Theo Brand

Theo Brand

Zaak weigerambtenaren vraagt om een overgangsregeling

Auteurs: Theo Brand en Willem de Gelder (iets bewerkt verschenen in de Volkskrant van 24 oktober 2011).

De ministers Donner en Van Bijsterveldt stelden eerder deze maand dat gemeenten ambtenaren in dienst mogen nemen die geen homoseksuelen willen trouwen. De gemeenten moeten dan wel zorgen dat mensen van het gelijke geslacht met elkaar in het huwelijk kunnen treden door bijvoorbeeld tenminste één trouwambtenaar in dienst te hebben die geen bezwaren heeft. De bewindslieden willen de beslissing om weigerambtenaren aan te stellen bij de afzonderlijke gemeenten laten liggen.

In alle Nederlandse gemeenten kunnen homo’s en lesbo’s met elkaar trouwen. Wat is dan nog het probleem? Het ongerijmde is dat een uitvoerend ambtenaar een andere norm en een smallere interpretatie hanteert van wat het huwelijk inhoudt en voor wie het bedoeld is, dan de nationale wetgever doet op basis van democratische besluitvorming. Die ongerijmdheid moet je niet willen oplossen door elke afzonderlijke gemeente zijn eigen beleid te laten formuleren zoals nu het geval is.

De Commissie Gelijke Behandeling oordeelde in 2008 dat een gemeente mag weigeren een ambtenaar aan te stellen die alleen hetero’s wil huwen. Dat betekent dat de ene gemeente wel weigerambtenaren in dienst neemt en andere gemeenten juist niet. De situatie is ook  dat gemeenten die nu nog ruimte bieden aan weigerambtenaren, zelfstandig kunnen beslissen dat niet langer te doen. Dat komt de rechtszekerheid van gewetensbezwaarde trouwambtenaren niet ten goede.

Rekening houden met gevoeligheden is een goede zaak, maar wel in de geest van de wet. Een landelijke overgangsregeling verdient daarom de voorkeur. Deze regeling kan bijvoorbeeld inhouden dat vanaf 1 januari 2012 – elf jaar na de openstelling van het huwelijksregister voor stellen van hetzelfde geslacht – geen nieuwe weigerambtenaren meer mogen worden aangenomen terwijl de huidige weigerambtenaren hun termijn mogen volmaken.

De richting is dan helder en alle nieuwe trouwambtenaren hebben zich te voegen naar de wettelijke ruimte die het huwelijk volgens democratische besluitvorming aan mensen biedt. Omdat trouwambtenaar worden een vrije keuze is, worden mensen op basis van deze overgangsregeling niet gedwongen om handelingen te verrichten die zij liever niet doen of die tegen hun geweten in gaan.

Het is niet de individuele ambtenaar die bepaalt voor wie het huwelijk bedoeld is, maar de wetgever die in 2001 het huwelijksregister heeft opengesteld voor mensen van hetzelfde geslacht. Tegelijk verdienen zittende ambtenaren die moeite hebben met deze verandering enige souplesse zonder dat zij plotseling geconfronteerd kunnen worden met nieuwe inzichten van hun eigen gemeenteraad. Een landelijke overgangsregeling zoals in dit artikel voorgesteld, is daarom voor alle betrokkenen de meest solide en ruimhartige oplossing.

Theo Brand (politicoloog) en Willem de Gelder (student politicologie) zijn redacteuren van De Linker Wang, tijdschrift voor religie en politiek verbonden met GroenLinks.


zaterdag, 22 oktober 2011

Theo Brand

Theo Brand

Redactioneel: Vruchtbare inspiratiebronnen voor linkse politiek

Hieronder het ‘Redactioneel’ dat ik schreef als eindredacteur van tijdschrift De Linker Wang voor het oktobernummer dat onlangs verscheen. Voor een proefabonnement of gratis proefnummer, kijk je op www.linkerwang.nl  

Tijdens een ‘verbale bokswedstrijd’ konden GroenLinksers de stelling verdedigen dat hun partij aanleunt tegen D66 of juist verwantschap toont met de SP. ‘Discussie in de tent’ heette het partijweekend waar dit debat enkele jaren geleden plaatsvond. De ludieke strijd was leuk maar riep ook een vraag op: missen we nu niet de kern?

Wie redeneert op een platte politieke as van A naar B vergeet dat er meerdere dimensies zijn, terwijl GroenLinks zich juist kenmerkt door vergezichten en diepere dimensies. Uitgesproken personen, vaak vrouwen en migranten, zetten de toon. Godsdienstcritici en religieus betrokkenen trekken samen op. Wat bindt is de droom van een betere wereld.

Vrijzinnigheid en liberalisme passen bij GroenLinks maar niet als diepste motor. De identiteit van GroenLinks hangt samen met een houding die gericht is op een solidaire, duurzame en vreedzame maatschappij. Hiervoor gepassioneerd zijn om vanuit idealen invloed uit te kunnen oefenen.

In dit nummer van De Linker Wang benadrukt Jolande Sap dat de ideeën van GroenLinks rond WW en ontslagrecht juist sociaal gemotiveerd zijn (pagina 4-6). Ze verdedigt dezelfde maatregelen als Halsema maar de toon is anders. ‘Dat sommigen ons voorstel als té liberaal hebben betiteld, mag opmerkelijk heten,’ zegt Sap.

En over godsdienstvrijheid zegt ze, in navolging van Halsema: ‘Wij maken ons sterk voor geloofsbeleving op eigen voorwaarden en staan pal voor het individuele recht om het eigen geloof te belijden. Tegelijkertijd verzetten we ons tegen gewetensdwang en extremisme uit naam van religie. Het eigene van GroenLinks is dat we voor de beide kanten van dezelfde munt evenveel aandacht hebben.’

De uitdaging voor GroenLinks is om dit evenwichtige standpunt aan te vullen met de boodschap dat levensbeschouwingen – inclusief ‘gelovige tradities’ zoals John Veldman dat verwoordt op pagina 24 – maatschappelijk vruchtbare inspiratiebronnen zijn. Religie en spiritualiteit overstijgen de persoonlijke levenssfeer en kunnen een bondgenoot zijn van progressieve politiek. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat kerkgenootschappen wereldwijd kritisch met regeringen meedenken om geweld zoveel mogelijk te voorkomen (pagina 8-9) en uit de manier waarop Sid Bachrach de joodse geloofstraditie interpreteert en praktiseert (pagina 10-11).

Na twintig jaar wil De Linker Wang dit verhaal over inspiratie, religie en politiek blijven vertellen. Dat vraagt om vernieuwing die onder meer tot uitdrukking komt in de vormgeving van dit tijdschrift. Vormgever Max Prins, die ook de opmaak verzorgt, heeft De Linker Wang een nieuwe jas gegeven die goed past maar voor sommige lezers misschien nog wat onwennig aanvoelt. Laat dit dan vooral onwennigheid zijn die mensen kunnen ervaren als zij zich door de toekomst laten aanspreken. 

Theo Brand, eindredacteur.


woensdag, 7 september 2011

Theo Brand

Theo Brand

Het Slangenburgberaad en andere CDA-kronkels

Namens ruim zeshonderd CDA-leden – verenigd in het Slangenburgberaad – levert theoloog Hein Pieper vandaag kritiek op de partijtop. Het CDA laat zich teveel meeslepen door de neoliberale waan van de dag. Maar… eigenlijk is het allemaal de schuld van de PvdA. Want onder Paars begon de neoliberale zondeval. Aldus Pieper.

Dat doet me denken aan het Paradijsverhaal. Daarin geeft Adam de schuld aan Eva: ‘Zij was het die mij van de verboden vrucht gaf’. En Eva verwijst op haar beurt snel door naar de listige slang die haar verleidde van de vrucht te eten. Dit verhaal zou de theoloog Pieper moeten aanspreken. Want het CDA doet me vooral denken aan een kronkelende slang wat betreft het neoliberalisme.

Vorige week bracht het wetenschappelijk bureau van het CDA een rapport uit waarin gesteld werd dat ‘de overheid’ terug moet in haar hok. Wetgeving moet worden teruggedrongen en de samenleving moet vrij baan krijgen. Dat klinkt mooi. En natuurlijk is het goed om overbodige regelgeving en controledwang aan te pakken. Maar wat betekent zo’n – toch ook wat populistische – boodschap voor de publieke sector en voor onze sociale wetgeving? Wie de samenleving ruimte geeft en de overheid wil uitkleden, geeft vooral ook de markteconomie vrij baan.  

Uitstekend dat het CDA het primaat wil leggen bij burgers en hun maatschappelijke verbanden. Maar zonder visie op hoe je solidariteit opnieuw organiseert en tegelijk op een behoorlijk peil houdt (zowel nationaal als internationaal) blijft groeiende private rijkdom van een kleine groep mensen gepaard gaan met een verschraling van de publieke sector wat leidt tot minder gelijke kansen.

Het verschil tussen rijk en arm is blijven groeien sinds het CDA aan de macht is. Zeker de huidige regering – waarin het CDA toch een flink partijtje meeblaast -  pakt chronisch zieken en gehandicapten keihard aan en laat tegelijk bezitters van grote huizen en auto’s ongemoeid. Daarover zouden de Slangenburgers zich best wat kritischer mogen uitlaten.

Waarschijnlijk willen de CDA-ers van het Slangenburgberaad nu vooral graag gehoord worden door de partijtop. Maar omdat de partijtop vooral bevriend is met de VVD, moet er wel iets lelijks over de PvdA gezegd worden. Zo kronkelt het CDA zich verder richting twaalf zetels in de peilingen en lijken de eerste fusiebesprekingen met de ChristenUnie in aantocht.

Misschien biedt dat laatste nog een lichtpuntje. Want de ChristenUnie laat qua ideeën en politieke keuzes duidelijk zien een betere balans te vinden tussen overheid, vrije markt en civiele samenleving dan het CDA. Evenals de PvdA en GroenLinks trouwens.

Lees ook mijn eerdere weblog waarin ik betoog dat het CDA zich in sociaal-economisch opzicht vooral laat leiden door het neoliberalisme.


zondag, 21 augustus 2011

Theo Brand

Theo Brand

Vrijzinnigheid als dwangbuis of als wenkend perspectief?

Vrijzinnigheid is een begrip dat leeft binnen GroenLinks – maar ook binnen D66 en de PvdA. Het slaat op een mentaliteit waarbij het individu niet langer wordt beknot door seksegebonden rolpatronen, taboes op homoseksualiteit of andere culturele en/of religieuze opvattingen en gewoonten die individuele ontplooiing in de weg staan.

Vrijzinnigheid is van groot belang, maar de maakbaarheid ervan is beperkt omdat vrijheid en emancipatie zich moeilijk laten afdwingen. Tegelijk is de veerkracht van de Nederlandse samenleving vaak zo groot dat veranderingen vaak van onderop groeien. Het is veel effectiever om die hoopvolle en authentieke processen te stimuleren dan om – op paternalistische wijze - onwillige mensen tot vrijheid te dwingen. Als dat überhaupt al mogelijk en wenselijk zou zijn.

Het is begrijpelijk dat de openstelling van het huwelijksregister voor homoseksuelen in 2001 bij een minderheid van conservatieve trouwambtenaren niet meteen tot enthousiaste reacties leidde. Ook ligt het niet voor de hand dat alle orthodox-gelovige vrouwen kiezen voor een radicaal andere levensstijl dan hun moeders en grootmoeders. Maar dat neemt niet weg dat alle mensen wel dezelfde rechten hebben en ontplooingskansen zouden moeten krijgen. Vrijzinnigheid mag geen dwangbuis worden, wel een wenkend perspectief en een ontspannen uitnodiging.

Dat laatste – vrijzinnigheid als een ontspannen uitnodiging - mis ik bijvoorbeeld in het integratiedebat en in het debat over godsdienstvrijheid. Ook binnen mijn eigen partij, GroenLinks, mis ik bij sommigen weleens wat relativeringsvermogen. Enerzijds gaat het over vrijheidsrechten maar anderzijds over culturele verschillen en over ongelijktijdigheid: niet iedereen maakt de zelfde ontwikkeling door op het zelfde tijdstip. Het gaat over veranderingsprocessen die nog niet zo lang geleden in de breedte van de Nederlandse maatschappij plaatsvonden. Dat heeft tijd gekost. Mogen die processen nu (bij anderen) helemaal geen tijd meer kosten en geduld vragen? Ik denk van wel, als we de uiteindelijke richting maar helder hebben.

Het ontkennen of afwijzen van homoseksualiteit en het in stand (willen) houden van een ongelijke positie van vrouwen en mannen in sommige kringen, past niet bij de vrijzinnige maatschappij die ook mij voor ogen staat. Maar de bevordering van vrijheid en emancipatie vraagt in de eerste plaats om dialoog en geduld en pas in allerlaatste instantie om wetgeving en dwang. Hoe kunnen we zoveel mogelijk mensen en groepen stimuleren of verleiden om te kiezen voor vrijheid en emancipatie?

In elk geval niet door te stellen of te suggeren dat een bepaalde religie of (sub-)cultuur achterlijk is. Elke godsdienst, levensbeschouwing of cultuur wordt geïnterpreteerd en gepraktiseerd door nieuwe generaties. Zij doen dat in de context van de moderne wereld en de open samenleving. Onder de oppervlakte broeit het vaak van de langzaam groeiende veranderingen. Denk aan feministische moslima’s. Of bijvoorbeeld aan het feit dat er sinds kort kinderopvangcentra bestaan op reformatorisch-christelijke grondslag. Persoonlijk juich ik deze verzuiling niet toe, maar het geeft aan dat het steeds normaler wordt dat SGP-vrouwen op de arbeidsmarkt actief zijn, wat twintig jaar geleden nog volstrekt ondenkbaar was. En het feit dat gereformeerd-vrijgemaakte homo’s zich organiseren en ruimte bevechten in hun eigen kring, is een ontwikkeling die ook spontaan is gegroeid en (een deel van) de achterban van de ChristenUnie uiteindelijk ingrijpend zal veranderen.

Juist omdat verandering van onderop het beste werkt, was het ook beter geweest als het onverdoofd ritueel slachten niet meteen door de Tweede Kamer per wet verboden zou zijn geworden, maar eerst tot dialoog had geleid met bijvoorbeeld een convenant als uitkomst. De betreffende joden en moslims hadden dan zelf met een veranderingsproces kunnen starten. De eigen geloofstraditie had dan in harmonie gebracht kunnen worden met nieuwe inzichten rond dierenwelzijn. Omdat echter niet voor dialoog en een ontspannen oplossing is gekozen maar voor dwang, voelt een groot deel van de joden en moslims zich geschoffeerd. Het is bovendien erg hypocriet dat een partij als de VVD – die nooit enige moeite heeft met de bio-industrie – zich wel keert tegen onverdoofd ritueel slachten. Geld verdienen aan grootschalig industrieel dierenleed is blijkbaar minder kwalijk dan kleinschalig dierenleed op basis van eeuwenoude rituelen. Ergo: voor de VVD is niet geldzucht, maar religie de bron van alle kwaad. Hoe simpel wil je het hebben.

De kwestie van de zogeheten weigerambtenaren vind ik ingewikkeld. In alle Nederlandse gemeenten kunnen homo’s en lesbo’s met elkaar trouwen. Wat is dan nog het probleem – zo kun je oppervlakkig stellen. Toch vind ik het ongerijmd dat een uitvoerend ambtenaar een andere norm (en smallere interpretatie) hanteert van wat het huwelijk inhoudt – en voor wie het bedoeld is – dan de nationale wetgever doet op basis van democratische besluitvorming. Die ongerijmdheid moet je niet willen oplossen door elke afzonderlijke gemeente zijn eigen beleid te laten formuleren ten aanzien van weigerambtenaren, zoals nu het geval is.

Beter is een landelijke overgangsregeling voor weigerambtenaren (zoals eerder bepleit door publicist en politicologie-student Willem de Gelder). Deze regeling kan bijvoorbeeld behelsen dat vanaf nu (2011; tien jaar na invoering) geen enkele weigerambtenaar meer mag worden aangenomen. En dat alle nu nog zittende weigerambtenaren tot en met uiterlijk 2015 hun werkzaamheden mogen blijven verrichten. De richting is dan helder en trouwambtenaren hebben zich op termijn volledig te voegen naar de ruimte die het huwelijk volgens democratische besluitvorming aan mensen biedt. Omdat trouwambtenaar worden een volstrekt vrije keuze is, worden mensen in deze situatie niet gedwongen om handelingen te verrichten die tegen hun geweten in gaan.

De richting die ik kies is die van maatschappelijke vrijzinnigheid (die overigens niet hoeft te botsen met midden-orthodoxe posities in de wereld van kerk en religie). Maar de weg er naartoe moet van haar scherpe en intolerante randjes worden verlost. Dat vraagt bijvoorbeeld om ondersteuning van bewegingen van onderop, denk aan subsidies voor homo- en vrouwenemancipatie (positief). En dus niet om secularistische Don Quichottes die te hoop lopen tegen bepaalde groepen en overtuigingen (negatief).

GroenLinks moet bovendien niet vergeten dat ecologie en sociale rechtvaardigheid haar kernthema’s zijn en dat juist op die terreinen sneller en effectiever resultaten geboekt kunnen worden tegen consumentisme en de groeiende kloof tussen arm en rijk. Door een fixatie op vrijheid, zouden we de gelijkheid en broederschap nog vergeten. Ja, broederschap… fraternalisme dus. En alstjeblieft geen paternalisme, hoe vrijzinnig die ook bedoeld moge zijn.


dinsdag, 26 juli 2011

Theo Brand

Theo Brand

Wijsheid en liefde kunnen niet regeren met haat als hun gedoogpartner

In gerechtigheid, politiek, cda, coalitie, islam, piet hein donner, populisme, rechtsstaat, religie, en meer.

Ook na de massamoord in Noorwegen neemt Geert Wilders geen afstand van haatzaaien en het demoniseren van de Islam. Alle eerdere uitspraken laat hij overeind staan. Ook die over het deporteren van miljoenen moslims uit Europa. Afstand nemen van Breiviks monsterlijke daden, zoals Wilders doet, is prima maar ligt wel erg voor de hand. Nederland zou anders domweg over Wilders heen vallen. En dat zou de bijl aan de wortel van de PVV zijn. Er is echt méér nodig dan zo’n rituele dans.

Uitsluitend afstand nemen komt voort uit politiek lijfsbehoud en ervaar ik als volstrekt ontoereikend omdat de rechts-radicale terrorist zich mede door Wilders en zijn ideeën liet inspireren om meer dan tachtig mensen – overwegend jonge socialisten – koelbloedig te vermoorden. 

Is Geert Wilders medeplichtig aan de afgrijselijke daad van Breivik? Nee, dat gaat me te ver en is feitelijk onjuist. Is hij medeverantwoordelijk voor het maatschappelijke klimaat waarin gewelddadig extremisme in Europa een grotere voedingsbodem krijgt? Ja, het feit dat Breivik Wilders uitgebreid benoemt en citeert laat hierover geen twijfel bestaan.

Ontken ik met deze stelling het bestaansrecht van de PVV?  Nee. Anderhalf miljoen kiezers hebben op deze extreem-rechtse politieke partij gestemd. Maar de gebeurtenissen in Noorwegen zouden Wilders – als onderdeel van de politieke elite en als lid van ons nationale parlement – tot inkeer en reflectie moeten brengen.

Haatzaaien en demoniseren zijn niet onschuldig. Het zou Wilders sieren als hij over zijn eigen schaduw heen springt en dat toegeeft. De PVV kan zich dan ontwikkelen tot een rechts-nationalistische partij zoals de Vooruitgangspartij in Noorwegen. Deze partij heeft zeer rechtse standpunten maar zich nooit verlaagd tot het kwalijke niveau van de PVV. Juist dit zou daarom het moment voor Wilders moeten zijn om door de zure appel heen te bijten. Hij zou moeten terugkeren naar de tijd dat hij zich afsplitste van de VVD: uiterst rechts maar binnen de grenzen en de vertrouwde moraal van onze liberale democratie. Maar ja, een diepe knieval past niet bij zijn onverschrokken imago en electoraal succesvolle pose.    

Door geen afstand te nemen van eerdere uitspraken blijft ‘haat’ het centrale thema en ‘angst’ de electorale motor. En zelfkritiek de grote blinde vlek. Hoe kunnen het CDA en de VVD zichzelf nog langer in het zadel houden door een man zonder reflectievermogen?

Zeker iemand als de jurist Piet Hein Donner zou - beter laat dan nooit – in deze nieuwe fase moeten beseffen dat de weg met de PVV nu echt doodloopt. Jarenlang genoot deze gezagsdrager veel aanzien van links tot rechts, maar die tijd lijkt nu definitief voorbij te gaan. Wordt dus wakker, klassieke christen-democraat. Want van Maxime en de VVD hoeven we dat inzicht waarschijnlijk niet als eerste te verwachten. Wijsheid en liefde kunnen niet regeren met haat als hun gedoogpartner. Lees de Psalmen van David er maar op na, meneer Donner.


maandag, 25 juli 2011

Theo Brand

Theo Brand

Bevoordeling gelovige is taaie seculiere mythe

In gerechtigheid, politiek, religie, rechtsstaat, spiritualiteit, tolerantie, weigerambtenaren, best, bezuinigingen, en meer.

Thijs Kleinpaste en Marcel Duyvestijn vinden het een misstand dat gelovigen in Nederland worden voorgetrokken boven mensen met een andere levensbeschouwing (de Volkskrant, 20 juli). Maar hoe sterk zijn hun argumenten? En zoeken zij geen spijkers op laag water om hun secularistische punt te maken?

Kleinpaste en Duyvestijn vinden dat de wet op de smalende godslastering moet worden afgeschaft, ook al is dat inmiddels een slapend wetsartikel. Prima, maar hoe worden gelovigen in de praktijk nu bevoordeeld door een dode letter? 

Ook stellen ze dat de vrijheid van meningsuiting even belangrijk moet worden als de vrijheid van godsdienst door artikel 6 van de Grondwet niet langer apart te laten staan. Maar de vrijheid van meningsuiting is in de praktijk al minstens zo belangrijk als de vrijheid van godsdienst. Denk aan de recente vrijspraak van Geert Wilders.

Verder moet de vrijheid van onderwijs worden opgedoekt. ‘Op school leer je rekenen, taal en omgaan met andere kinderen (…). Godsdienstlessen zijn nuttig, zolang alle religies met dezelfde belangstelling aan leerlingen wordt aangereikt,’ zo schrijven de auteurs. Maar onderwijs heeft ook een levensbeschouwelijke, ethische en spirituele component. Wat leer je kinderen bijvoorbeeld over de natuur, over hun eigen spirituele ontwikkeling en over de derde wereld? En in welke mate doe je dat? Daarover bestaan geen eenduidige richtlijnen die de overheid zomaar kan opleggen, wel bestaan er kaders en grenzen. Daarom hebben ouders het recht om zelf te bepalen wat voor soort onderwijs zij hun kinderen willen laten geven, los van de vraag of dit godsdienstig geïnspireerd is of niet.

Belastingvoordelen die wel voor godshuizen gelden maar niet voor carnavalsverenigingen: die zijn Kleinpaste en Duyvestijn een doorn in het oog. Maar de auteurs gaan er aan voorbij dat levensbeschouwing wat anders is dan een volksfeest. Kerkgenootschappen kun je niet vergelijken met carnaval, wel met het Humanistisch Verbond. Kerkleden hebben geen belastingvoordelen boven leden van andere levensbeschouwelijke organisaties.

Tenslotte moeten de zogeheten weigerambtenaren het ontgelden. Maar voor hen is er nooit een overgangsregeling geweest. Dat had best gemogen omdat wereldwijd en historisch gezien de openstelling van het huwelijksregister voor homoseksuelen geen vanzelfsprekendheid is. Als zo’n regeling er bijvoorbeeld gedurende tien jaar zou zijn geweest – met nadrukkelijk de garantie dat er in elke gemeente door homo’s getrouwd kon worden – dan zou in 2011 de laatste weigerambtenaar van het toneel verdwenen zijn. Maar secularistische scherpslijperij heeft zo’n overgangsregeling in de weg gestaan.

Twee fundamentele opmerkingen tot slot. Ten eerste dat de meeste gelovigen in Nederland niet homofoob of fundamentalistisch zijn. Met hun betoog suggereren de auteurs een clichématig beeld dat religie per definitie conservatief is en geen motor van humaniteit en vernieuwing zou kunnen zijn. Ten tweede verbaas ik me dat de auteurs zich over deze sterk symbolische kwesties druk maken terwijl een keihard regeringsbeleid mensen die in een kwetsbare positie verkeren alle kansen uit handen slaat. Denk aan de bezuinigingen op Wajong, PGB en in de GGZ. Als iets godgeklaagd is, dan is dat het toch wel? Over welke kwesties maken we ons druk en door welke misstanden worden we nu echt in beweging gezet?

Dit artikel is op 25 juli gepubliceerd in de Volkskrant.


Aantal berichten op deze pagina: 14. De berichten op deze pagina zijn niet ouder dan 4482 uur (186,7 dagen). Berichtgemiddelde: 0,1 bericht per dag, 0,5 per week.

Volgende pagina

Pagina: 1