zaterdag, 28 april 2012

Hans Groen

Hans Groen

Twitter

GroenLinks handelt moedig.

De lente coalitie, heeft vriend en vijand verbaasd met haar snelle handelen. De hervormingen en bezuinigingen zijn drastisch. Belangrijkste is echter dat in het dreigende felle licht van een financieel-economisch debacle de GroenLinks fractie niet verstarde maar dapper overstak. Het is over met de kille rechtse wind die al anderhalf jaar door het land waaide. [...]

maandag, 23 april 2012

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Wat ik zou zeggen in het geschrapte debat over cultuurbeleid

In eerste kamer, politiek, kinderen, kritisch, kunst, kunst en cultuur, lezen, licht, liefde, en meer.

(door de val van het kabinet gaat op 24.04 het debat over cultuurbeleid niet door in de Eerste Kamer. Dit was mijn inbreng voor dat debat:)

Voorzitter, het lijkt niet zo heel erg nuttig om vandaag met elkaar te spreken over de principiële kanten van het cultuurbeleid. Niet alleen lijken er belangrijker onderwerpen te bestaan, maar het handelingsperspectief van deze staatssecretaris is het afgelopen weekeinde een heel stuk korter geworden. Heeft het dan zin om in deze Kamer te debatteren over fundamentele visies? Waar moet het heen met kunst en cultuur in ons land en komen we daar wel met het nu ingezette beleid en de draconische bezuinigingen? Wezenlijke vragen, maar met een vleugellamme staatssecretaris schiet dat niet op.

Als we er dan toch over spreken, dan moet het maar in het licht van de toekomst. Waar gaan we naartoe ná het tijdperk Zijlstra? Wat staat er als stip op de horizon en wat moeten we vandaag doen of nalaten om te voorkomen dat we heel ergens anders uitkomen? Welke bijsturing kan niet wachten op een nieuw kabinet? Natuurlijk raakt dat aan de bezuinigingen, maar tegelijk is die financiële discussie enkel het sluitstuk. Het begint ergens anders.

De eerste wezenlijke vraag bij cultuurbeleid betreft het doel. Waar is cultuur eigenlijk goed voor en wat is er nodig om dat te stimuleren? In de beleidsnota Meer dan kwaliteit lezen we dan: “Cultuur staat zowel voor binding, identiteit en traditie als voor dynamiek, creativiteit en vernieuwing.” En verder gaat het in de nota dan de hele tijd over hoe dat georganiseerd moet worden. Het gaat dan ook binnen de kortste keren over het economische rendement. En zo wordt over cultuureducatie gezegd: “De spontaniteit en verbeelding die cultuur losmaakt, zijn in onze tijd niet alleen gevraagd, maar vaak ook vereist: ’A firm needs more than an efficient manufacturing process, cost-control and a good technological base to remain competitive’.” Dat is natuurlijk zo, maar wie heeft er in hemelsnaam bedacht dat we een bedrijfskundige redenering nodig hebben om cultuureducatie te verantwoorden?

Het valt dan ook op dat de hele beleidsnota draait om ‘meer dan kwaliteit’, maar dat die kwaliteit zelf nergens ter sprake komt of beschreven wordt. Die wordt kennelijk als vanzelfsprekend beschouwd en vervolgens draait het hele beleid om andere zaken: meer publiek aantrekken, meer eigen geld verdienen, participatie en educatie, erfgoedbeheer, en regionale spreiding. Ik wil er wel bij zeggen dat ik die doelen allemaal niet verkeerd vind, maar de onderliggende vraag naar kwaliteit wordt angstvallig vermeden.

Misschien heeft dat ermee te maken dat de staatssecretaris vanuit zijn eigen opleiding kwaliteit vooral benadert in marketingtermen. Kwaliteit is dan voldoen aan de verwachtingen van de klant. Er is echter ook een andere definitie, die veel meer het hart raakt: kwaliteit is de mate waarin de intrinsieke eigenschappen van een goed tot uitdrukking worden gebracht. Bij de intrinsieke eigenschappen van kunst horen in elk geval zaken als schoonheidsbeleving, het vermogen om mensen in beweging te brengen, te ontroeren, te verrassen, aan het denken te zetten, enzovoorts. Hoe meer dit gebeurt, des te gelaagder en geslaagder de kunst. En als we het over het bredere veld van cultuur hebben, dan horen bij de intrinsieke eigenschappen in elk geval het construeren, communiceren en innoveren van traditie en identiteit. Of het nu gaat om hoge cultuur, volkscultuur of populaire cultuur, kwaliteit heeft direct te maken met dergelijke intrinsieke eigenschappen en ik vraag de staatssecretaris waarom hij daar geen woord aan wijdt. Zonder een dergelijk principieel ankerpunt is het namelijk onmogelijk vast te stellen of de andere doelen die hij met zijn beleid nastreeft, sporen met deze kwaliteit.

Hier ligt dus ook een belangrijke vraag bij de samenhang van de beleidsdoelen. Wat doet de staatssecretaris als kwaliteit, het bereiken van het publiek, regionale spreiding, internationaal bereik en het aantrekken van externe financiering niet samenvallen? Hoe weegt hij dan de verschillende aspecten? Gaat dan de regionale spreiding voor kwaliteit of andersom? Ik zou hier graag nader toelichting over horen. Ik vind het namelijk van groot belang dat zo veel mogelijk mensen toegang hebben tot kunst en cultuur, maar ook dat er ruimte is voor het kleine en bijzondere.

Het grote risico van de benadering van de staatssecretaris is een instrumentalisering van kunst en cultuur. Zo krijgt de creatieve industrie een speciale plaats omdat het bijdraagt aan de economische topsectoren, is cultuureducatie goed om kinderen voor te bereiden op het bedrijfsleven en de internationale wereld, en is culturele internationalisering behulpzaam bij de buitenlandse betrekkingen en “het Nederlands economisch belang, door verbanden tussen cultuur, handel en economie te benadrukken.” En zo gaat het door. De beleidsnota begint met een paragraaf over markt en overheid, Cultuur in beeld rekent ons precies voor wat het kost en opbrengt, enzovoorts. Tamelijk obligaat staat het er dan in een tussenzin: “Vanzelfsprekend laat de waarde van cultuur zich niet alleen in cijfers uitdrukken.” Maar dat is te weinig. Als cultuur nuttig moet zijn voor iets anders, dan ondermijnt dat rechtstreeks de eigen ruimte die kunst en cultuur moeten hebben. Dat bedenk ik niet alleen; ook de Telderstichting schrijft in haar recente advies: “Leg in de legitimering van cultuursubsidies niet te veel nadruk op de instrumentele waarde van cultuur, maar rechtvaardig de rol van de overheid vanuit de intrinsieke waarde van kunst en cultuur.” Ik vraag de staatssecretaris hoe hij denkt over dit advies van zijn partijgenoten. En als hij toch bezig is, ben ik ook benieuwd naar zijn visie op de inbreng van zijn partijgenoot De Liefde in het debat aan de overzijde die suggereerde dat van de zeven leden van cultuursubsidiecommissies drie zich zouden moeten buigen over artistieke kwaliteit en de andere vier over communicatie, marketing, ondernemerschap en financiën. Is de staatssecretaris het met mij eens dat daarmee cultuur ondergeschikt wordt gemaakt aan commercie.

Voorzitter, ik kom daarmee aan een tweede punt. De beleidsnota Meer dan kwaliteit zet in met de vraag naar de verhouding tussen markt en overheid. We hebben het dan over de verantwoordelijkheidstoedeling in het stelsel. Wie is verantwoordelijk voor welk deel? Geconstateerd wordt dat een belangrijk deel van de 18 miljard omzet in de cultuursector op de vrije markt wordt gerealiseerd. Ongeveer een zesde daarvan is afhankelijk van overheidssubsidies. Het lijkt dan alsof het terugbrengen van die overheidssubsidie op het totaal niet zoveel uitmaakt, maar dat is natuurlijk niet zo. Klopt mijn beeld, zo vraag ik de staatssecretaris, dat bij het marktdeel van de cultuursector ook allerlei commercieel sterke onderdelen zitten? Klopt het dat bij de gemeenten vooral ook breedtecultuur en de bijbehorende huisvestingskosten een groot beslag leggen? En klopt het dat de Rijksoverheid juist verantwoordelijk is voor specifieke onderdelen die de markt en de lagere overheden niet dekken? Kortom: zou de staatssecretaris eens wat inhoudelijker zichtbaar kunnen maken wat de markt wel en niet gefinancierd en georganiseerd krijgt en hoe de verschillende overheden hun verantwoordelijkheid oppakken? Dan wordt namelijk ook zichtbaar hoe groot de werkelijke effecten van de bezuinigingen en andere maatregelen zijn.

De regering lijkt van mening dat haar eigen verantwoordelijkheid nog wel wat kleiner kan. Zij subsidieert nu ongeveer 5,5 % van de cultuursector, maar daar kan nog een heel procentpunt af. De sponsors, fondsen en mecenassen staan immers in de rij om het over te nemen. Maar helaas, zo simpel ligt het niet. Er is inderdaad op dit punt veel in ontwikkeling, maar de staatssecretaris rekent zich voorlopig alleen maar rijk. De Amerikaanse situatie die hij als voorbeeld lijkt te hebben, staat in veel opzichten ver af van de onze en dat verandert niet zomaar als hij de geldkraan dichtdraait. Het is opvallend dat het grote voorbeeld van het cultuurmecenaat, de VandenEnde Foundation, nogal kritisch is op dit Amerikaanse voorbeeld, bijvoorbeeld bij het jaarverslag 2010. De continuïteit van de cultuurfinanciering staat sterk onder druk van teruglopende giften; de grote financiers neigen ertoe de elitaire kunst te stimuleren terwijl juist de emancipatoire kunst van niches, avantgarde en minderheidsgroepen snel in het gedrang komt, en de nadruk op projectfinanciering leidt tot kortetermijndenken en niet tot opbouw van de sector. Ik concludeer dat het beleid van de staatssecretaris precies onder deze kritiek valt: teruglopende financiering, nadruk op elitaire topcultuur en projectfinanciering. Hoe ziet de staatssecretaris dit? Denkt hij echt dat – midden in een economische crisis – de gaten die hij slaat, worden opgevuld door mecenaat en sponsoring? En heeft hij daar meer argumenten voor dan zijn neoliberale marktnaïviteit?

Ten slotte nog een principieel punt. De beleidsnota stelt als uitgangspunt: “Culturele instellingen moeten minder afhankelijk worden van de overheid en daardoor flexibeler en krachtiger worden. Daarom bezuinigt het kabinet op cultuur.” Dat is natuurlijk een gotspe. Dit – zo goed als voorbije – kabinet bezuinigt op cultuur uit economische motieven en populistische rancune. Maar dan nog. Dergelijke zinnen verraden een gevaarlijke visie op de overheid. Ze suggereren dat de overheid een noodzakelijk kwaad is en dat subsidie alleen maar verlamt. Is niet, zo vraag ik de staatssecretaris, de overheid de belichaming van het collectief van de samenleving? En zijn niet subsidies een belangrijke manier om publieke goederen en collectieve waarden te ondersteunen? Is het daarom niet essentieel om het levend houden van cultuur en traditie ook op collectief niveau te borgen? Ik roep de staatssecretaris op om niet langer mee te werken aan het ondermijnen van de overheid die namens ons allen zorg draagt voor het in stand houden van een samenleving waarin kunst en cultuur gedijen en ons allen ten goede komen.

Voorzitter, ik sluit af. Volgens Plato zijn er drie kernwaarden die een rol zouden moeten spelen in onze afwegingen: het ware, het goede en het schone. Dit kabinet lijkt een vierde te hebben toegevoegd: het goedkope. Ik vrees dat dat ons allen duur komt te staan.


Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Wat ik zou zeggen in het geschrapte debat over cultuurbeleid

(door de val van het kabinet gaat op 24.04 het debat over cultuurbeleid niet door in de Eerste Kamer. Dit was mijn inbreng voor dat debat:)

Voorzitter, het lijkt niet zo heel erg nuttig om vandaag met elkaar te spreken over de principiële kanten van het cultuurbeleid. Niet alleen lijken er belangrijker onderwerpen te bestaan, maar het handelingsperspectief van deze staatssecretaris is het afgelopen weekeinde een heel stuk korter geworden. Heeft het dan zin om in deze Kamer te debatteren over fundamentele visies? Waar moet het heen met kunst en cultuur in ons land en komen we daar wel met het nu ingezette beleid en de draconische bezuinigingen? Wezenlijke vragen, maar met een vleugellamme staatssecretaris schiet dat niet op.

Als we er dan toch over spreken, dan moet het maar in het licht van de toekomst. Waar gaan we naartoe ná het tijdperk Zijlstra? Wat staat er als stip op de horizon en wat moeten we vandaag doen of nalaten om te voorkomen dat we heel ergens anders uitkomen? Welke bijsturing kan niet wachten op een nieuw kabinet? Natuurlijk raakt dat aan de bezuinigingen, maar tegelijk is die financiële discussie enkel het sluitstuk. Het begint ergens anders.

De eerste wezenlijke vraag bij cultuurbeleid betreft het doel. Waar is cultuur eigenlijk goed voor en wat is er nodig om dat te stimuleren? In de beleidsnota Meer dan kwaliteit lezen we dan: “Cultuur staat zowel voor binding, identiteit en traditie als voor dynamiek, creativiteit en vernieuwing.” En verder gaat het in de nota dan de hele tijd over hoe dat georganiseerd moet worden. Het gaat dan ook binnen de kortste keren over het economische rendement. En zo wordt over cultuureducatie gezegd: “De spontaniteit en verbeelding die cultuur losmaakt, zijn in onze tijd niet alleen gevraagd, maar vaak ook vereist: ’A firm needs more than an efficient manufacturing process, cost-control and a good technological base to remain competitive’.” Dat is natuurlijk zo, maar wie heeft er in hemelsnaam bedacht dat we een bedrijfskundige redenering nodig hebben om cultuureducatie te verantwoorden?

Het valt dan ook op dat de hele beleidsnota draait om ‘meer dan kwaliteit’, maar dat die kwaliteit zelf nergens ter sprake komt of beschreven wordt. Die wordt kennelijk als vanzelfsprekend beschouwd en vervolgens draait het hele beleid om andere zaken: meer publiek aantrekken, meer eigen geld verdienen, participatie en educatie, erfgoedbeheer, en regionale spreiding. Ik wil er wel bij zeggen dat ik die doelen allemaal niet verkeerd vind, maar de onderliggende vraag naar kwaliteit wordt angstvallig vermeden.

Misschien heeft dat ermee te maken dat de staatssecretaris vanuit zijn eigen opleiding kwaliteit vooral benadert in marketingtermen. Kwaliteit is dan voldoen aan de verwachtingen van de klant. Er is echter ook een andere definitie, die veel meer het hart raakt: kwaliteit is de mate waarin de intrinsieke eigenschappen van een goed tot uitdrukking worden gebracht. Bij de intrinsieke eigenschappen van kunst horen in elk geval zaken als schoonheidsbeleving, het vermogen om mensen in beweging te brengen, te ontroeren, te verrassen, aan het denken te zetten, enzovoorts. Hoe meer dit gebeurt, des te gelaagder en geslaagder de kunst. En als we het over het bredere veld van cultuur hebben, dan horen bij de intrinsieke eigenschappen in elk geval het construeren, communiceren en innoveren van traditie en identiteit. Of het nu gaat om hoge cultuur, volkscultuur of populaire cultuur, kwaliteit heeft direct te maken met dergelijke intrinsieke eigenschappen en ik vraag de staatssecretaris waarom hij daar geen woord aan wijdt. Zonder een dergelijk principieel ankerpunt is het namelijk onmogelijk vast te stellen of de andere doelen die hij met zijn beleid nastreeft, sporen met deze kwaliteit.

Hier ligt dus ook een belangrijke vraag bij de samenhang van de beleidsdoelen. Wat doet de staatssecretaris als kwaliteit, het bereiken van het publiek, regionale spreiding, internationaal bereik en het aantrekken van externe financiering niet samenvallen? Hoe weegt hij dan de verschillende aspecten? Gaat dan de regionale spreiding voor kwaliteit of andersom? Ik zou hier graag nader toelichting over horen. Ik vind het namelijk van groot belang dat zo veel mogelijk mensen toegang hebben tot kunst en cultuur, maar ook dat er ruimte is voor het kleine en bijzondere.

Het grote risico van de benadering van de staatssecretaris is een instrumentalisering van kunst en cultuur. Zo krijgt de creatieve industrie een speciale plaats omdat het bijdraagt aan de economische topsectoren, is cultuureducatie goed om kinderen voor te bereiden op het bedrijfsleven en de internationale wereld, en is culturele internationalisering behulpzaam bij de buitenlandse betrekkingen en “het Nederlands economisch belang, door verbanden tussen cultuur, handel en economie te benadrukken.” En zo gaat het door. De beleidsnota begint met een paragraaf over markt en overheid, Cultuur in beeld rekent ons precies voor wat het kost en opbrengt, enzovoorts. Tamelijk obligaat staat het er dan in een tussenzin: “Vanzelfsprekend laat de waarde van cultuur zich niet alleen in cijfers uitdrukken.” Maar dat is te weinig. Als cultuur nuttig moet zijn voor iets anders, dan ondermijnt dat rechtstreeks de eigen ruimte die kunst en cultuur moeten hebben. Dat bedenk ik niet alleen; ook de Telderstichting schrijft in haar recente advies: “Leg in de legitimering van cultuursubsidies niet te veel nadruk op de instrumentele waarde van cultuur, maar rechtvaardig de rol van de overheid vanuit de intrinsieke waarde van kunst en cultuur.” Ik vraag de staatssecretaris hoe hij denkt over dit advies van zijn partijgenoten. En als hij toch bezig is, ben ik ook benieuwd naar zijn visie op de inbreng van zijn partijgenoot De Liefde in het debat aan de overzijde die suggereerde dat van de zeven leden van cultuursubsidiecommissies drie zich zouden moeten buigen over artistieke kwaliteit en de andere vier over communicatie, marketing, ondernemerschap en financiën. Is de staatssecretaris het met mij eens dat daarmee cultuur ondergeschikt wordt gemaakt aan commercie.

Voorzitter, ik kom daarmee aan een tweede punt. De beleidsnota Meer dan kwaliteit zet in met de vraag naar de verhouding tussen markt en overheid. We hebben het dan over de verantwoordelijkheidstoedeling in het stelsel. Wie is verantwoordelijk voor welk deel? Geconstateerd wordt dat een belangrijk deel van de 18 miljard omzet in de cultuursector op de vrije markt wordt gerealiseerd. Ongeveer een zesde daarvan is afhankelijk van overheidssubsidies. Het lijkt dan alsof het terugbrengen van die overheidssubsidie op het totaal niet zoveel uitmaakt, maar dat is natuurlijk niet zo. Klopt mijn beeld, zo vraag ik de staatssecretaris, dat bij het marktdeel van de cultuursector ook allerlei commercieel sterke onderdelen zitten? Klopt het dat bij de gemeenten vooral ook breedtecultuur en de bijbehorende huisvestingskosten een groot beslag leggen? En klopt het dat de Rijksoverheid juist verantwoordelijk is voor specifieke onderdelen die de markt en de lagere overheden niet dekken? Kortom: zou de staatssecretaris eens wat inhoudelijker zichtbaar kunnen maken wat de markt wel en niet gefinancierd en georganiseerd krijgt en hoe de verschillende overheden hun verantwoordelijkheid oppakken? Dan wordt namelijk ook zichtbaar hoe groot de werkelijke effecten van de bezuinigingen en andere maatregelen zijn.

De regering lijkt van mening dat haar eigen verantwoordelijkheid nog wel wat kleiner kan. Zij subsidieert nu ongeveer 5,5 % van de cultuursector, maar daar kan nog een heel procentpunt af. De sponsors, fondsen en mecenassen staan immers in de rij om het over te nemen. Maar helaas, zo simpel ligt het niet. Er is inderdaad op dit punt veel in ontwikkeling, maar de staatssecretaris rekent zich voorlopig alleen maar rijk. De Amerikaanse situatie die hij als voorbeeld lijkt te hebben, staat in veel opzichten ver af van de onze en dat verandert niet zomaar als hij de geldkraan dichtdraait. Het is opvallend dat het grote voorbeeld van het cultuurmecenaat, de VandenEnde Foundation, nogal kritisch is op dit Amerikaanse voorbeeld, bijvoorbeeld bij het jaarverslag 2010. De continuïteit van de cultuurfinanciering staat sterk onder druk van teruglopende giften; de grote financiers neigen ertoe de elitaire kunst te stimuleren terwijl juist de emancipatoire kunst van niches, avantgarde en minderheidsgroepen snel in het gedrang komt, en de nadruk op projectfinanciering leidt tot kortetermijndenken en niet tot opbouw van de sector. Ik concludeer dat het beleid van de staatssecretaris precies onder deze kritiek valt: teruglopende financiering, nadruk op elitaire topcultuur en projectfinanciering. Hoe ziet de staatssecretaris dit? Denkt hij echt dat – midden in een economische crisis – de gaten die hij slaat, worden opgevuld door mecenaat en sponsoring? En heeft hij daar meer argumenten voor dan zijn neoliberale marktnaïviteit?

Ten slotte nog een principieel punt. De beleidsnota stelt als uitgangspunt: “Culturele instellingen moeten minder afhankelijk worden van de overheid en daardoor flexibeler en krachtiger worden. Daarom bezuinigt het kabinet op cultuur.” Dat is natuurlijk een gotspe. Dit – zo goed als voorbije – kabinet bezuinigt op cultuur uit economische motieven en populistische rancune. Maar dan nog. Dergelijke zinnen verraden een gevaarlijke visie op de overheid. Ze suggereren dat de overheid een noodzakelijk kwaad is en dat subsidie alleen maar verlamt. Is niet, zo vraag ik de staatssecretaris, de overheid de belichaming van het collectief van de samenleving? En zijn niet subsidies een belangrijke manier om publieke goederen en collectieve waarden te ondersteunen? Is het daarom niet essentieel om het levend houden van cultuur en traditie ook op collectief niveau te borgen? Ik roep de staatssecretaris op om niet langer mee te werken aan het ondermijnen van de overheid die namens ons allen zorg draagt voor het in stand houden van een samenleving waarin kunst en cultuur gedijen en ons allen ten goede komen.

Voorzitter, ik sluit af. Volgens Plato zijn er drie kernwaarden die een rol zouden moeten spelen in onze afwegingen: het ware, het goede en het schone. Dit kabinet lijkt een vierde te hebben toegevoegd: het goedkope. Ik vrees dat dat ons allen duur komt te staan.


dinsdag, 17 april 2012

Robert Giesberts

Robert Giesberts

Steden bouwen

In samenleving algemeen, wat was en wat komt, gemeenschap, handel, milieu, stad, economie, energie, leiden, en meer.

Het programma Tegenlicht bood gisteravond (wederom) een boeiende documentaire. Het ging over de stad van de toekomst. Dat klinkt als ver weg, maar zeker bij stedenbouw en planologie is toekomst een betrekkelijk onmogelijk begrip. Er komen bij stedenbouw zo veel trends en ontwikkelingen samen dat regressie, progressie, evolutie en spurt, elkaar in een bonte potpourri gezelschap houden. Waar begint dan precies de toekomst?

Gaandeweg de uitzending kwamen er twee opvattingen tegenover elkaar te staan. Een uit Zweden, door Ikea gefinancierde onderneming (Landprop) streeft het ideaal van de maakbare gemeenschap na. Stedebouw houdt bij de Ikeanen niet op als de laatste steen is gelegd. In hun visie blijft de stedebouwer de gehele levensduur van het onroerend goed verantwoordelijk voor de gemeenschap die er gebruik van maakt.

De auteur van Arrival City (Trek naar de Stad), Doug Saunders, betoogde juist dat planning en regelgeving gematigd moet worden en stedenbouwers en overheden een mate van anarchie moeten accepteren. Hij onderbouwde die opvatting met enkele herkenbare opmerkingen. Zoals dat de wijken die in de jaren vijftig en zestig zijn gebouwd, gekenmerkt worden door (zijn woorden) ‘akelige groene grasvelden’ en geen ontmoeting, geen informatie-uitwisseling, geen handel et cetera faciliteren. Zijn ideaal is een stad waar je zo veel met elkaar te maken hebt dat er vanzelf ideeën opkomen die tot activiteiten en handel leiden. En dus moet er ruimte zijn ook in regelgeving, om dat toe te laten. Met dichtgeregelde bestemmingsplannen had Saunders begrijpelijkerwijs dus ook niet veel op.

Ik voelde mij verreweg het meest thuis bij insteek van Saunders. En overtuigend was het ook weer niet. Zijn premisse is dat bewoners een groot vermogen hebben om zelf onderling conflicten op te lossen, regels te stellen, kortom: het samenleven vorm te geven. Ik vraag me af of je dat zo generalistisch als uitgangspunt kan nemen. Wie opeens ingeklemd komt tussen de etensluchten van twee naburige restaurantjes en niet vaardig is dat bespreekbaar te maken, heeft een probleem. Of zou, in de opvatting van Sanders, zo iemand dan moeten verhuizen om het grotere goed van de dynamiek in de stad te bewaken?

Op dit menselijke aspect ging de documentaire helaas onvoldoende in. Ook al wees de bioloog Geoffrey West er terecht op dat het vaak over concepten gaat en niet over de mensen die er moeten wonen. Dat werd fraai geïllustreerd toen een voorganger van de Ikeanen werd gevraagd wat hij er van vond als bewoners buiten zijn concept van gemeenschapsvorming om iets gingen doen. Hij reageerde met een mengeling van afgrijzen en ongeloof: dan was er sprake van mislukking. Hij had dan gefaald.

In het kamp van Ikea plaats ik ook de pogingen van Siemens die ergens in een woestijn (hoe ironisch) bezig is de stad van de toekomst te bouwen. Nu bewoond door studenten. De insteek van Siemens is wel een realistische: als grondstoffen opraken, energie en water schaars worden, hoe houden we steden dan bewoonbaar? Feitelijk gingen zij door middel van technische foefjes aan het rantsoeneren. Wie te veel electriciteit of water verbruikte kreeg een waarschuwing. Dat lijkt verdacht veel op het moralisme dat Ikea toonde in haar denken. En tegelijk grijpt het in op de privé-sfeer doordat er toezicht is. Na de camerabewaking in het publieke domein, de controle die via internet kan worden uitgeoefend, is het en nieuwe vorm van inkapseling. En tegelijk is het ook realistisch te denken dat het een onontkoombare noodzaak wordt. Want het aan de markt overlaten betekent dat het prijsmechanisme de verdeling organiseert en dat heeft scherpe onrechtvaardige kanten.

En zo blijkt de tegenstelling toch misschien minder groot. De stad van de toekomst zal een duurzame moeten zijn. Sociaal gemeenschapsleven en lokale economie faciliteren is moeilijk als basale behoeften voor energie en water een dagelijkse zorg zijn. Dat in Londen 1 op de 3 liter drinkwater weglekt door verrotte waterleidingen was in dit opzicht shockerend en geruststellend: met de nodige investeringen kan er op dat vlak veel efficiëntie worden gewonnen.

Het zou interessant zijn als de Ikeanen en Saunders ook hun licht over de duurzaamheidsvragen hadden mogen schijnen. Wat ooit in de negentiende eeuw begon als disciplinering van de lagere sociale klassen, krijgt in de Siemens-benadering een vervolg met gedrag-instruerende waarschuwingen en prikkels. Dit keer niet om ’sociaal aangepast’ te leven, maar uit noodzaak om schaarse grondstoffen te delen. Gaat iedereen dat zonder meer accepteren? Ligt dat in het Westen anders dan in China? En zou dan de benadering van de Ikeanen hierin succesvoller zijn dan de opstelling van Saunders? Ik voorzie nog moeilijke keuzes…

zondag, 8 april 2012

Klaas Woltinge

Klaas Woltinge

Hyves Twitter Youtube

Dubbele spagaat

Blijven mee regeren kan leuk, interessant en belangrijk zijn.
Als gekozen kabinet kom je ook het meest geloofwaardig over wanneer je je termijn helemaal uit zit.

Als regering is het onderling ook geven en nemen, na mijn idee gaat het CDA hier wel erg ver in. Even ter herinnering, waar stond het CDA ook alweer voor?

De samenleving heeft ook verantwoordelijkheden buiten Nederland. Daarom letten we op deze dingen:

We vechten tegen ongelijkheid en armoede in de wereld, bijvoorbeeld door ontwikkelingslanden te helpen;
We proberen ervoor te zorgen dat alle landen een eerlijke en democratische regering hebben;
We willen dat landen mensenrechten naleven.

0,7%BNP

Een duurzame samenleving

De welvaart groeit op een duurzame manier. Hierdoor kunnen ook de generaties die na ons komen in een schone wereld leven. Deze duurzame groei houdt in dat we goed nadenken over waar we ons geld aan besteden. Zo blijft de economie gezond. En het betekent dat we ruimte geven aan nieuwe bedrijven en aan ideeën voor duurzaamheid.

Piet de Jong dreigt het CDA te verlaten, zelf geef ik hem groot gelijk!

Waar haalt het CDA het lef vandaan om zo maar 1 Miljard te gaan bezuinigen op ontwikkelingssamenwerking, dient het CDA dat te slikken omdat de PVV en de VVD daarop graag zouden willen bezuinigen?

Zelf heb ik geen Politiek en Economie gestudeerd, maar een ieder kan toch na gaan dat wanneer wij op 0,6% BNP gaan zitten de afspraken die binnen Europa gemaakt zijn overtreden.

Europa slikt dat misschien, ons kleine landje licht op een geschikte locatie voor de in en export. Wanneer men binnen Nederland zo door gaat worden wij wel een stuk minder serieus genomen binnen Europa (exact wat de PVV zou wensen).

Zonder uit te halen naar de PVV, zou de VVD toch door moeten hebben wanneer je ergens geld in steekt dat je er weer geld voor terug zal gaan ontvangen!

Nu hebben wij schulden dus bezuinigen zomaar links en rechts wat (aldus de VVD), kom op en denk ff na! Wanneer wij als Nederlanders tegen de zogenaamde allochtoon zijn helpen wij hen toch in hen land aan het werk?

Wij profiteren daar ook nog van, wat wil je nog meer (sarcastisch uitgedrukt)?

Wanneer wij 1 miljard gaan bezuinigen op ontwikkelingssamenwerking, beperken wij onze handel met.. Daarnaast is de kans groot dat Nederland meer vluchtelingen krijgt die men liever weg zou sturen aldus de PVV!

Het zinloze geroep toeter zou fors op bezuinigd kunnen worden, jammer dat weinigen op dat idee komen! Zal ik mijn eigen medische boekje even open gooien omtrent PGB, mijn aangepaste bed, Wajong uitkering en de rest van het gezeik wat ik maar even over sla om to the point te blijven!

Misschien mis ik iets, naar mijn idee is Rutte best een Linkse VVD’r, weet echter niet wat hij met zijn gedoogpartner Greetje Wilders aanmoet en lult daarom maar onzin!

Het CDA staat voor een dubbele keuze, nu de stekker eruit trekken zou de beste optie zijn (naar mijn idee), dat geeft politiek Nederland een slechte naam, maar daar komen wij wel overheen.

We kunnen ook afwachten, wat met name het CDA juist doet!
Gezellig vriendjes blijven met de VVD en daarbij de PVV als gedoog partner ook niet vergeten!

Zelf heb ik misschien een hoop te leren, ik heb liever dat het huidige kabinet nu per direct oprot i.p.v. over een half jaar of later pas wat zeer slecht zou zijn voor onze Nederlandse economie!

Omtrent Leers, die gast spreekt naar mijn idee een beetje met gespleten tong, wat melde hij ook al weer over ‘Mauro’ en wat had hij nadien te melden over ‘Mauro’?

Aldus Leers zijn eigen zeggen had Mauro een beetje gejokt, hij mag zijn studie af maken en daarna het land uit!
Word Leers daarop aangesproken weet hij in ene van niets, “zo heb ik het niet bedoeld etc;”

Ben geen CDA’er, maar iemand met die klets praatjes zou je toch linia recta naar huis sturen?
Dat gebeurd helaas niet omdat men komende kabinetsperiode wel vriendjes zou moeten blijven.

Op persoonlijke titel verlang ik dat er NU nieuwe verkiezingen gaan komen, het pappen en nat houden hangt mijzelf de strot uit om in wilders zijn termen te spreken!

Wanneer wij nu direct moeten gaan stemmen bestaat de kans dat er meer op de PVV zal worden gestemd wegens onvrede (die kans schat ik klein in), we kunnen ook een half jaartje wachten, misschien iets langer..

Op dat moment dient er zeker naar de stembus gerent te worden, daarom pleit ik er ook voor dat er nu nieuwe verkiezingen gaan komen!

vrijdag, 23 maart 2012

John Jorna

John Jorna

Grensoverschrijdende samenwerking

GRENZEN BLIJVEN GRENZEN

Zo’n veertig jaar geleden zagen we de Europese integratie vooral als het wegvallen van grenzen tussen de nationale staten. Die grenzen zouden even onopvallend worden als de grenzen tussen onze provincies of onze gemeenten. Daar zie je soms een bord met welkom in de provincie Utrecht of de gemeente Houten. Soms verandert het wegdek als je een gemeentegrens passeert of krijgt de weg een andere naam. Zo wordt het Bunnikse Oostromsdijkje in Houten het Oostrumsdijkje. De grens tussen de provincies Utrecht en Noord-Holland is bij Hollandse Rading (Rading betekent grens) kaarsrecht, maar je moet echt op de grenspalen letten om de grens ook echt te zien.

Maar de grens tussen Nederland en Duitsland is ondanks het wegvallen van de grenscontrole toch duidelijk waarneembaar. Iets andere verkeersborden, andere plaatsnaamborden, andere wegwijzers, maar ook andere huizen met een andere baksteen, kleinere ramen, dikkere muren en vaak wat andere daken. Bij de autosnelwegen zijn de verschillen minder, maar toch aanwezig.

Anderhalve eeuw geleden waren de grenzen van weinig betekenis. Het waren staatkundige grenzen met aan weerszijden een ander politiek-juridisch systeem en een ander staatkundig gezag. Er was nog weinig internationale handel en nauwelijks toerisme, dus weinig grensoverschrijdend verkeer en ook weinig grensoverschrijdende spoorlijnen, verharde straatwegen of kanalen. Aan beide zijden werd hetzelfde dialect gesproken. Men bezocht elkaars kermissen en schuttersfeesten en bijgevolg werd er ook over de grens getrouwd en zocht men aan beide zijden naar werk.

Dat veranderde met de Industriële Revolutie. Massafabricage betekende behoefte aan veel grondstoffen en steenkool voor de stoomaandrijving van de machines en behoefte aan een grotere afzetmarkt. De internationale handel nam sterk toe. Alles vroeg een politiek antwoord met wetgeving op economisch gebied. Scholing van de beroepsbevolking werd steeds meer nodig. Er kwam volksonderwijs en in Nederland werd ABN en in Duitsland Hoogduits onderwezen. Grenzen werden economisch van betekenis en werden taalgrenzen. De omvang van de overheid nam en neemt toe, want er moet steeds meer geregeld en gecontroleerd worden. Aan beide zijden van de grens ontstond een geheel verschillende ambtelijke cultuur met eigen regelgeving. Dat gaat nog steeds door. Zeer veel terreinen van wetgeving blijven voorbehouden aan de nationale staten en daar waar Europese richtlijnen worden omgezet in nationale wet- en regelgeving heeft ieder land toch weer een andere bestuursstijl en een ander wetgevingssysteem. Europese integratie heeft er niet toe geleid, dat de verschillen verdwijnen.

In de grensgebieden van de EU bestaan zogenaamde Euregio ’s. Ze krijgen een beperkt budget van de EU om de samenwerking te faciliteren, maar grensoverschrijdende projecten kunnen er niet uit betaald worden. Bij een bijeenkomst van de Europawerkgroep in Nijmegen hoorden we van Florian Gödderz hoe moeilijk samenwerking kan zijn. Een gezamenlijke bijeenkomst van ouderen is moeilijk doordat er in Duitsland geen ouderenbonden met plaatselijke afdelingen zijn. Discriminatiebeleid is in Duitsland over allerlei instanties verdeeld, bij de Kreis of zelfs bij de Bond. Een praktisch voorbeeld is de poging om de vroeger zeer belangrijke spoorlijn Amsterdam-Amersfoort-Rhenen-Kesteren-Nijmegen-Kleef tussen Nijmegen en Kleef te reactiveren. Dat zou als tram of als tramtrein of als kleine trein kunnen. Studenten reizend naar station Nijmegen Heyendaal zouden ervan kunnen profiteren. Of er vanuit Groesbeek, Kranenburg en Kleef veel vraag naar is, werd niet zo duidelijk, maar er zijn rapporten over. De kosten zijn niet erg hoog in vergelijking met andere infrastructurele projecten, dertig miljoen. Het zou een manier zijn om meer grensoverschrijdende interactie te krijgen. Eigenlijk had ik daarover veel meer willen horen.

Er is wel een opvallend verschijnsel. Veel Nederlanders gaan in Duitsland wonen, waar de huizenprijzen veel lager zijn. In Kranenburg zijn het er zoveel, dat het onderwijs op de Volksschule tweetalig is geworden. Maar als de kinderen naar het Nederlandse secundair onderwijs willen, krijgen zij de boeken niet gratis. Dat wordt dus een dure liefhebberij. De Nederlanders in Kranenburg doen al veel mee met het dorpsleven. Ze zijn lid van sportclubs en een Nederlandse vrouw is lid van de gemeenteraad.

Samenwerken met de Grünen blijkt hier moeilijk, maar in Twente vinden actiegroepen aan weerszijden van de grens elkaar wel. In Kurort Bentheim zullen ze net zo goed last hebben van een opwaardering van vliegveld Twente. Daar hebben ze ook last van een militair oefenterrein, waar men piloten traint in het afwerpen van bommen. Over en weer bezoekt men elkaars demonstraties.

Een Luchthaven Twente zou veel werkgelegenheid opleveren. Het bedrijfsleven stimuleert het sterk. Oad zou er vakantievluchten kunnen laten vertrekken. Maar op geringe afstand zijn er concurrerende luchthavens. Er zouden zich bedrijven kunnen vestigen, die de laatste montage doen aan elektronica, maar probeer maar eens te concurreren met Schiphol, dat veel meer intercontinentale verbindingen heeft. Ik herinner mij ons zomerkamp in 1949 in Lonneker. De eerste dag zeiden sommige jongens, dat ze het wel leuk vonden, dat er steeds Meteor straaljagers over kwamen. De rest van de week vervloekten ze het lawaai. Zo zouden de vele toeristen ook uit Twente weg kunnen blijven en dat zou een groot verlies aan werkgelegenheid opleveren. Doordrammen van de luchthavenplannen zou Twente wel eens veel geld kunnen kosten en weinig opbrengst opleveren.

Mijn conclusie voor deze avond was, dat grensoverschrijdende samenwerking soms leuke dingen oplevert, maar dat er nog zoveel hinderpalen zijn. Op allerlei niveaus moet daaraan gewerkt worden.

Jaargang 5, Nr. 207.

dinsdag, 13 maart 2012

Thijs de la Court

Thijs de la Court

Linkedin Twitter

Salderen, zonne-energie en een appelboom



Energiebelasting voor de opwekking vanaf je zonnepanelen of windolen is een enorme rem op een ontwikkeling van onze duurzame toekomst. De laatste maand ben ik heel intensief betrokken bij de lobby voor het afschaffen van die belasting. Interessant daarbij is dat er een scala aan mogelijkheden bestaat om dat te doen. Sommigen beter dan anderen. En hoe toets je die mogelijkheden eigenlijk? Volgens mij aan een aantal basisprincipes. Ik noem er een paar.

De consument wordt ook producent: Nou, dat klinkt simpel! Natuurlijk. Als je een zonnepaneel op je dak zet, of je zet ze gezamenlijk op een voormalige vuilstort of gemeentelijk dak, dan wordt je naast consument ook producent. Toch is dit niet altijd zo helder. In sommige voorstellen stellen de energieleveranciers voor dat je de elektriciteit altijd verkoopt aan een leverancier of handelaar. Vervolgens koop je die energie weer in. Dat willen energiebedrijven natuurlijk heel graag. Die willen niet dat de consumenten ook producenten worden. Ja, het mag tot de salderingsgrens van 5000 kWh, dus ongeveer je eigen verbruik. Maar ook dat vinden ze niet zo goed. Op de langere termijn willen ze dat af gaan schaffen.

Lokale en collectieve duurzame energie productie wordt gestimuleerd: Ja, dat klinkt ook wel logisch. Natuurlijk moeten we onze voormalige vuilstort, ons gemeentehuis of onze gymzalen vol leggen. Liefst met enkele megawatts aan capaciteit. Misschien nog enkele windmolens erbij. En dat in gemeenschappelijk bezit, via een cooperatieve vereniging. Dat is voor lang niet iedereen erg logisch. In een aantal voorstellen wordt een grens voorgesteld van bv. 100.000 kWh. Dat is de hoeveelheid energie die voor zo’n 25 huishoudens (hebben ze geen warmtepomp) gebruikelijk is. Maar dat is toch vreemd? Want waarom zouden we niet een stevige zonnecentrale mogen bouwen en die collectief als ons eigen productiesysteem mogen gebruiken? Nu, hier zitten ook de leveranciers tussen. Want voor hun is een dergelijk systeem concurrentie. Ze willen kleinere systemen best een stevig voordeel geven, maar het moet niet te veel van het goede worden.

Het is logisch ook voor grote collectieve systemen energiebelasting vrij te stellen: Natuurlijk, zoals ik hierboven stelde hoeft een groot systeem geen beperking te leveren. Ja, er is wel een subsidie van het Rijk, de SDE+. Maar het is absoluut gokken of je systeem daarvoor in aanmerking komt, en het is toch wonderlijk om een subsidie te vragen voor iets wat eigenlijk zonder subsidie zou moeten kunnen draaien? Dan spreken we gewoon af dat voor grotere collectieve systemen geen SDE+ beschikbaar is, maar wel de energiebelasting er af gaat. Nou, dat vindt het Rijk niet zo eenvoudig. Want stel je voor dat het systeem succesvol is! Dan komen er minder belastinggelden binnen. Overigens… het Rijk krijgt dan wel meer BTW binnen en ook de werkgelegenheid groeit, regionale economie wordt versterkt en innovatie neemt toe. Maar van dit kabinet moeten we begrotingsdiscipline toepassen, hetgeen vooral betekent dat je je probleem (minder inkomsten) binnen dezelfde kolom (energiebelasting) moet oplossen. Beetje vreemd, want duurzaamheid bekijk je altijd integraal. Toch zou het nog wel kunnen door de grenzen van het middenverbruik (laag belastingtarief) ietsjes op te schuiven. Middengebruikers en grootgebruikers gaan dan iets meer betalen.

Je moet wel een grens stellen, waarschijnlijk een geografische: De begrenzing van je systeem is wel belangrijk, uiteindelijk. Want duurzame energie is in de meeste gevallen ook decentraal opgewekt. Je wilt eigenlijk vooral een stimulans van die lokaal opgewerkte energie. En niet in bijvoorbeeld bijstook van biomassa in kolencentrales, hoewel sommigen dat ook duurzaam noemen. En grootschalige windenergie op zee, vraagt enorme investeringen (o.a. voor het net) en de vraag is of je die collectief wilt doen. Het is een lastig onderwerp, maar het principe dat je lokaal moet produceren wat je kan en dat de stimulans ook op die geografische begrenzing moet liggen lijkt helder. Wat is die begrenzing dan? Ik weet het niet. In Lochem kiezen we voor de gemeentegrens, maar dat is makkelijk… want we hebben een groot buitengebied. Misschien moet je de regio nemen waarin je woont en geeft dat voldoende speelruimte. Ik ben benieuwd naar commentaar.

De appelboom en haar boomgaard: Bij energiebelasting wordt wel het voorbeeld van het kropje sla gebruikt om uit te leggen dat energiebelasting voor lokale duurzame opwekking onzinnig is. Immers, je betaalt geen belasting over je kropje sla uit je achtertuin, noch uit je volkstuin. Om het beeld een beetje te verrijken gebruik ik de appelboom. Ik doe dat, omdat ik zie dat de energiebedrijven het monopolie willen over de handel in energie. Dat is vreemd. Want als ik een appelboom in mijn achtertuin heb, dan is het vanzelfsprekend dat ik zelf de appels kan eten. En als ik met vrienden een grote boomgaard koop, dan kan ik zonder meer ook mijn eigen appels blijven eten uit die boomgaard. Geen mens die me dan wil belasten. Wat de energiebedrijven (EnergieNederland) voorstellen is om alle appels in te leveren bij hun. Zij gaan vervolgens die appels weer verkopen. Wat doe je dan met energiebelasting? Een voorstel is om dan te regelen dat je over de appels uit de boomgaard die van jou zijn, je eerst wel belasting betaalt, maar later terug krijgt via de fiscus.

In de lobby rond energiebelasting kom je deze discussie nu tegen. Misschien hebben die handelaren in elektronen wel gelijk. Maar ik vind het vreemd, dat de lokale consument ook niet lokale producent mag worden en zelf, bijvoorbeeld via haar coöperatieve vereniging, de handel gaat organiseren. “Ja”, zegt de tussenhandelaar, maar ik zorg ervoor dat die handelsstroom goed gereguleerd wordt, programmaverantwoordelijkheid heet dat. Dus de zorg dat er altijd genoeg elektriciteit van voldoende stabiliteit op het net is. Hoewel dat natuurlijk ‘waar’ is, wantrouw ik de handelaar die mij afhankelijk maakt van zijn product en mij vertelt dat hij de enige is die ervoor kan zorgen dat ik zeker ben van voldoende aanvoer. 

En zo kom ik van salderen, belasting betalen, zonne-energie op de appelboom en de macht van de handelaar. Heb ik de essentie nu te pakken?

zaterdag, 25 februari 2012

Krispijn Beek

Krispijn Beek

Hyves Last.fm Twitter

8 maart: Lezing internationale handelsregels: recht van de sterkste of eerlijk?

In duurzaamheid, economie, danielle hirsch, dopp, duurzaamheidsoverleg politieke partijen, duurzame economie, economie transitie, gatt, grondstoffen, en meer.

Op 8 maart organiseert het DuurzaamheidsOverleg Politieke Partijen de tweede lezingen-avond in het kader van de zoektocht naar een duurzame economie (zie hier voor een impressie van de eerste avond). De komende lezingen-avond gaat over de internationale spelregels van ons economische systeem: in hoeverre leggen deze de huidige onduurzaamheid vast en welke veranderingen zijn noodzakelijk/gewenst? Dat wordt op 8 maart besproken aan de hand van drie inleidingen van mensen die op dit internationale gebied werkzaam zijn en erkend worden als autoriteiten op hun gebied.

Datum: donderdag 8 maart, 18.15 uur in Utrecht (Uithof-complex)
Plaats: Uithof, campus van de Universiteit Utrecht, collegezaal 042 in het Marinus Ruppertgebouw (zie bijlage) – de locatie is vastgelegd i.s.m. het Utrecht Sustainability Institute.

Programma 8 maart

18.15  uur:  welkom

18.30 uur: Handelsverdragen (o.a. WTO en Gatt) – mogelijkheden voor alle partijen? Myriam Vander Stichele (Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen), www.somo.nl

19.15 uur: Grondstoffen: uitgaan van overvloed of toenemende schaarste? René Kleijn, Centrum voor Milieuwetenschappen Leiden – Industriële Ecologie www.cml.leiden.edu

20.00  uur:  pauze met koffie

20.15 uur: Visie op nieuwe internationale afspraken: locaal effectief, mondiaal inspirerend Danielle Hirsch (Both Ends), www.bothends.org

21.00  uur: afsluiting

Myriam Vander Stichele: Handelsverdragen (o.a. WTO en Gatt) – mogelijkheden voor alle partijen?

Op het veld van de internationale handel spelen grote en kleine partijen aan de hand van o.a. mondiale (vrij?-)handelsverdragen. Het is onduidelijk of daarbinnen feitelijk wel duurzaam ondernemen mogelijk is.De belangrijkste verdragen zullen worden besproken, wat betreft inhoud, gevolgen en totstandkoming.Wat betekent dit voor eerlijke handel? Welke rol spelen de multinationals; zijn zij misschien de enigen die echt vrij zijn? Daarnaast is er een trend naar meer bilaterale afspraken (vb: EU – India). Wat gebeurt daar en wat zijn daarvan de gevolgen?

In alle gevallen speelt de vraag: hoe kan de nederlandse burger via de politiek de internationale afspraken beinvloeden?

Dit heeft ook een link met hoe financiële partijen omgaan met grondstoffen (oneerbiedig ‘commodities’ genoemd) via allerlei afgeleide financiële producten. Want ook hier zijn economie en financien met elkaar verweven. Deze lezing zal ons een basis geven van welke wissels dienen te woren omgezet en hoe de nederlandse politiek daaraan kan bijdragen!

René Kleijn:  Grondstoffen: uitgaan van overvloed of toenemende schaarste?

In de Westerse wereld leven we in een tijd waar dot.com, facebook en twitter de illusie voeden dat we voorbij kunnen gaan aan de fysieke fundering van onze maatschappij: grondstoffen. Zeker, in termen van GDP is de primaire sector in het huidige tijdsgewricht van ondergeschikt belang. Echter, ook onze op diensten gebaseerde economie kan niet zonder een continue input van grondstoffen. Voor het maken van een microchip van een paar gram is 1.7 kg grondstoffen nodig, gebruik makend van 61 van de 92 elementen in het periodiek systeem. Vervolgens wordt deze chip tijdens gebruik in server-centra 24/7 voorzien van energie op basis van fossiele brandstoffen.

De vraag naar producten wordt de komende decennia verder opgevoerd door drastische vergroting van de bevolking en verhoging van het inkomen per capita. Dit betekent wellicht drie keer zoveel auto’s, koelkasten en TVs, die allemaal zullen moeten worden geproduceerd.

Een ‘duurzame’ economie zal rekening dienen te houden met deze feiten. Enige suggesties zullen worden gedaan hoe dit economisch in het systeem te incorporeren. Kan de circulaire economie ons redden? Om deze ontwikkeling in duurzame banen te leiden zal daarnaast al ons technisch innovatief vermogen moeten worden gemobiliseerd, hetgeen slechts door een drastische verschuiving in beleid in de juiste richting kan worden geleid. Hierbij is het de grote vraag of b.v. ‘biobased materials’ een oplossing kunnen zijn.

Danielle Hirsch: Nieuwe internationale afspraken: locaal effectief, mondiaal inspirerend

In The Age of the Unthinkable stelt J.C. Ramo dat de wereld voor het oplossen van de problemen van de 21ste eeuw niet kan vasthouden aan instituties en regels uit de 20ste. Hij roept aan de hand van tal van voorbeelden op tot durf om het onbekende tegemoet te treden, tot acceptatie van chaos in plaats van planmatigheid en tot een gezamenlijke zoektocht om stap voor stap onze leefbare wereld te herontdekken.

Danielle Hirsch biedt twee uitgangspunten bij het maken van de noodzakelijke stap richting het onbekende. Een daarvan is haar visie op een duurzame, mondiale economisch systeem waarin alle mensen meedoen en in staat zijn hun eigen welzijn te creëren. In die visie beslist niet het huidig economisch systeem voor mensen, maar is iedereen, ook de mensen die nu op deze planeet geen waardig leven leiden, zelf leidend in de duurzame ontwikkeling.

Daarvoor zijn doorbraken nodig. Mensen en natuur hebben er baat bij als ondernemingen als TNT verder gaan in het herdefiniëren van hun rol in de logistieke keten, als banken en investeerders zich richten op innovatoren in wat velen ‘the bottom of the pyramid’ noemen. Om die bewegingen echt een vlucht te laten nemen zijn ook nieuwe internationale handelsregels nodig.

Haar lezing gaat voorbij mooie woorden. Zij zal laten zien waarop Nederland –de 16e economie ter wereld met wijd vertakt netwerk van handelsrelaties en nummer 3 op de Human Development Index- nu al kan inzetten om die visie te realiseren.

Aanmelding:

Aanmelding voor deze avond kan door een email te sturen aan economie-transitie at hotmail.nl.

Vragen?

Het is mogelijk vooraf al vragen, die je hebt over het onderwerp van een avond, op te sturen. De organisatie kan die dan reeds voorleggen aan de sprekers, zodat ze evt. in de lezingen meegenomen kunnen worden. Zet dit in je aanmeldingsmail!

Onderwerpen & datum van avond 3 en 4

De vervolg-avonden zijn nog niet volledig ingevuld, maar hieronder een voorlopig overzicht van de onderwerpen en data van avond 3 en 4 (kan je ze vast reserveren in de agenda). Aanmelding is op een later tijdstip mogelijk; hiervoor volgt binnenkort een aparte uitnodiging per avond (wil je de uitnodiging ontvangen, meld je dan aan via economie-transitie at hotmail.nl).

Avond 3. Financiële systeem: niet leidend (in bekoring), maar ten dienste van   -   DATUM: 22 maart

  1. internationeel flitskapitaal: noodzaak, drivers en remmen?
  2. lenen en rente: zegen of vloek; is er een beter alternatief?
  3. het nieuwe bankieren – wat kan blijven, wat moet anders

Met als spreker Ad Broere; overige zijn nog in bespreking.

Avond 4. Bedrijfsverantwoordelijkheid: niet alleen financieel   -   DATUM: 28 maart

  1. “license to operate” – wat staan wij bedrijven nog toe en wat is hun verantwoordelijkheid?
  2. transparante checks and balances voor duurzame corporate governance
  3. de factor mens in het bedrijf: kuddedieren of (geestelijke) diversiteit?

Met als sprekers: André Veneman (AKZO), Paul van de Loo (Ernst&Young), Pauline van der Meer Mohr (Erasmus Universiteit). Met een bijdrag van Jaap Winter (Duisenberg School of Finance, De Brauw Blackstone Westbroek) als moderator. 

Precieze plaats en tijd worden bekend gemaakt in afzonderlijke uitnodigingen. Zet de data alvast in je agenda!

Vragen?

Het is mogelijk vooraf al vragen, die je hebt over het onderwerp van een avond, op te sturen. De organisatie kan die dan reeds voorleggen aan de sprekers. Hiervoor graag een reply naar dit email-adres: economie-transitie at hotmail.nl.

We zijn ook bezig een website op te zetten met verslagen, posts en dergelijke en bezig met Linked-In discussie-forum. Wij zoeken nog mensen die ons hierbij willen ondersteunen!

Onderwerp van avond 5 tot en met 7.

Hieronder: overzicht van de overige nog in te plannen lezingen-avonden (voorlopige opzet)

Avond 5. Overheid: marktmeester namens de samenleving – met oog voor verschillende belangen?

  1. welke groei willen we? welke indicator(en) in plaats van BNP?
  2. level playing field – hoe gelijke kansen voor klein en groot, oud en nieuw?
  3. instrumenten voor regulering: cap-and-trade / fiscale vergroening / quotering?

Avond 6. Product en consument

  1. versterkte relatie: van koop naar een circulaire economie door huur en lease
  2. voorlichting of labels voor inzicht in product-aansprakelijkheid en keten-beheer
  3. betalen met geld én/of eco-dukaten (met quotering)?

Avond 7. Politiek systeem en transitie-strategie

  1. nieuwe democratische structuren en middelen als tegenwicht voor ‘de economie’
  2. samenleving en transitie – een moeilijke combinatie? (sociologie)
  3. de nieuwe economie draagvlak geven – transitie-paden (psychologie)

dinsdag, 21 februari 2012

John Jorna

John Jorna

Over een zelfgekozen levenseinde

In politiek in nederland, artikelen, beslissing, de, de wereld, geluk, gezondheid, groenlinks, handel, en meer.

ZIN IN HET LEVEN

De laatste tijd verschijnen er op de Opinie- en Debatpagina’s van de Volkskrant regelmatig artikelen over het recht op een voortijdige beëindiging van het leven. Ze veroorzaken bij mij een wat wrevelig gevoel. Ik probeerde het gevoel te herkennen en ontdekte, dat het net zo’n gevoel is als vroeger leerlingen bij mij opwekten, die een totaal gebrek aan inzet vertoonden, niet vooruit te branden waren. Het geldt dan vooral mensen, die nog heel gezond naar lichaam en geest zijn en toch vinden, dat ze “klaar” zijn met het leven. Hoe weet je dat, denk ik dan. En zo ging ik nadenken over de zin van het leven.

Maar er is nog een andere reden om deze beschouwing op mijn weblog te plaatsen. De Partijraad van GroenLinks wijdde een discussie aan dit onderwerp. Daarbij vond de partijraad, dat het bij het liberale karakter van de partij paste, dat mensen hun eigen autonome beslissing zouden mogen nemen over het tijdstip van hun overlijden. Weliswaar werd naar voren gebracht, dat de maatschappij zich zeer moet inspannen om geen redenen te geven dit leven te willen verlaten, maar uitgangspunt was de vrijheid van het individu. Naar mijn smaak is daarbij te weinig nagedacht over de begrenzing van de vrijheid door de vrijheid van anderen. Bij iemands besluit om uit het leven te stappen zijn ook anderen betrokken. Zij kunnen nog jarenlang lijden onder het verlies, de waaromvraag en twijfel over een mogelijke schuld. De vrijheid van een mens is in mijn ogen nooit absoluut.

Op onze planeet komen allerlei vormen van leven voor. Wat is de zin van het leven van een grasspriet? Is het de wereld groener maken? Maar is een groene wereld dan beter of mooier of nuttiger dan een blauwe of rode wereld? De zin van het groeien van al die grassprieten is, dat ze het voedsel vormen van de koe. Die grassprieten weten het niet. Ze zijn zich niet bewust van de zin van hun bestaan. De koe weet evenmin, dat wij straks haar melk zullen drinken en dat de room van de melk ervoor gaat zorgen, dat we smullen van de verjaardagstaart. De koe is zich niet bewust van het genot, dat zij schenkt. Ze weet niet, dat haar leven zin heeft. Maar haar leven heeft wel degelijk zin voor ons mensen. Als we tenminste geen vegetariër zijn.

En hoe is dat nu bij mensen? Een vrouw wordt zwanger en vanaf het moment, dat zij zich daarvan bewust wordt, voelt zij zich – meestal - gelukkig. Er groeit een kind in haar buik. Soms geeft dat ongemak, maar dat heeft ze er graag voor over. De vader geniet mee. Wat is het bijzonder het kind te voelen bewegen in de buik van zijn vrouw. En hoe geweldig vinden de meeste mensen het om het kind na de geboorte in de armen te houden. Maar het kind is zich nog nergens van bewust. Het weet nog niet, dat het zin geeft aan het leven van de ouders.

Het kind groeit op, krijgt vriendjes en vriendinnetjes en in hun spel brengen de kinderen geluk naar elkaar. Een gewonnen wedstrijd, een geslaagde speurtocht een zang- of toneelavond met veel applaus, goede rapporten op school. Nu zijn de kinderen zich al meer bewust van het feit, dat het leven leuk kan zijn. Ze geven zin aan het leven van hun onderwijzers en dat voel ik nu nog, terwijl ik al zo lang met pensioen ben.

Weer later vinden mensen zin in hun werk. Ze helpen mensen of maken nuttige dingen of plezieren mensen met hun muziek of romans of beeldende kunst of werken in de handel of bij de overheid. Werk kan ook saai zijn en weinig voldoening schenken, maar dan zie je, dat mensen genieten van een hobby of van hun familie of door klusjes te doen voor anderen. Het mooiste is als je mensen, die geen plezier hebben in hun leven kunt helpen om door een andere baan of door lid te worden van een koor of een sportclub zover kunt krijgen, dat ze echt zin krijgen in het leven.

Als de kinderen dan de deur uit zijn en je te oud en te stram bent voor sport of tuinieren of andere hobby’s en je geen vrienden of vriendinnen meer hebt en de contacten met de familie steeds schaarser worden, als je gezondheid achteruit gaat en je hulpbehoevend wordt, wat is dan de zin van het leven? Er zijn van die mensen, die er dan voor zorgen, dat de medewerkster van de thuiszorg er elke keer weer met plezier komt, want er is altijd een waarderend woord of een kopje thee of een leuke mop en zo geef je als oud en nutteloos mens zin aan het leven van een verzorgster.

De zin van het leven zit in de ander. Als je de ander niet meer wilt zien en anderen jou niet meer willen zien, als het individualisme echt doorslaat, dan kan een mens gaan geloven, dat het leven geen zin meer heeft. Daarom wil ik zo graag zinzoeker blijven.

Zoals zo vaak had de Volkskrant geen ruimte over voor zo’n uitgebreid stuk.

maandag, 9 januari 2012

Ger Bosma

Ger Bosma

Verzwolgen door de Golven: Stedeke Gryn

In algemeen, eigen artikelen 2000-2012, etymologie, ge(r)neuzel, geschiedenis, natuur, overig, wetenschap, belangrijk, en meer.

Zoals de afgelopen week goed te merken was, is het winterseizoen in Nederland ook traditioneel het stormseizoen. In de late herfst koelt het in het noordelijk deel van het noordelijk halfrond snel af, terwijl het in in Zuid-Europa vaak nog stevig nazomert. Door de grote temperatuursverschillen ontstaan sterke straalstromen in de bovenatmosfeer, waardoor vooral in dit seizoen vaak diepe lagedrukgebieden ontstaan die met grote vaart over de Britse Eilanden en de Noordzee razen.

De meeste van de catastrofale stormen die de Lage Landen sinds de Middeleeuwen troffen en grote delen daarvan onder water zetten, vonden dan ook plaats in de periode van november tot februari. Zo ook de St. Luciavloed, een alles vernietigende stormvloed die plaatsvond in de nacht van 13 op 14 december 1287, onder meer beschreven in de annalen van het klooster van Wittewierum (Groningen). In termen van slachtoffers – zeker als percentage van de totale bevolking – is de Sint Luciavloed zelfs een van de grootste vloedrampen in de wereldgeschiedenis. In totaal kwamen in Noord-Holland, Friesland en Groningen tussen de 50.000 en 80.000 mensen om het leven, op een totale bevolking van zo’n half miljoen zielen.

De dertiende eeuw verliep qua dodelijke megastormen sowieso desastreus. De Lage Landen werden namelijk verder nog getroffen door de grote Noordzeevloed van 1212 (60.000 doden) de Sint-Marcellusvloed van 1219 (36.000 doden) en een tiental kleinere overstromingen met telkens honderden tot duizenden doden. Het toont maar eens te meer aan, dat het heroïsche gevecht van de Nederlanders met het water ook vaak roemloos werd verloren. Luctor et Submergo.

Het Nederland van een millennium geleden zag er totaal anders uit dan nu. De Noordzeekustlijn was toen nog vrijwel ononderbroken. De Waddenzee, in 2009 door de UNESCO uitgeroepen tot werelderfgoed, bestond destijds nog helemaal niet: Texel en alle andere waddeneilanden waren verbonden met het vasteland. Ook de latere Zuiderzee, na de afsluiting in 1932 omgedoopt tot IJsselmeer, was nog hoofdzakelijk een laaggelegen merencomplex annex moerasveengebied. Het werd in die tijd Aelmere – ofwel Palingmeer – genoemd, etymologisch gezien inderdaad niet echt spannend. Dit Aelmerengebied was met de Noordzee verbonden door een nauwe zeearm, die uitmondde in het gebied waar later de eilanden Vlieland en Terschelling zouden ontstaan. Ook andere grote zee-inhammen als de Lauwerszee en de Dollard bestonden zo’n 1000 jaar geleden ook nog niet in hun huidige vorm.

In de 12e en 13e eeuw veranderde het uiterlijk van de Noordelijke Lage Landen drastisch. Een belangrijk factor daarin was de stijging van de zeespiegel gedurende de warme periode van 850 -1200. Samen met het steeds verder afgraven van veengrond voor turfwinning, als brandstof voor de inwoners van de hoger gelegen stedelijke gebieden in West- en Midden-Nederland, werd het Aelmeergebied kwetsbaarder voor de invloeden van met name zware noordwesterstormen. Najaars- en winterstormen drongen in de loop der eeuwen dieper en dieper in de kwetsbare laaglanddelta door. Daarbij werden grote delen van de resterende veenlanden weggeslagen.

De Sint Julianavloed in 1164 en de Allerheiligenvloed uit 1170 luidden de periode van overstromingen en grootschalige landerosie in. In 1170 brak de Noordzee door de duinenrij tussen Texel en Huisduinen (bij Den Helder) en werd het Marsdiep, voorheen een beek, een kolkend zeegat. Bij die gebeurtenis werd ook het tussen Texel en Medemblik gelegen Creiler Woud verzwolgen door de golven. Het land tussen Texel, Medemblik en Stavoren werd overstroomd, en Texel en Wieringen werden eilanden.

Tijdens de stormvloeden van 1212, 1214 en 1219 (36.000 doden) en 1248 drong het zeewater steeds dieper Aelmere in en werd het allengs een binnenzee. De genadeklap kwam met de Sint Luciavloed van 1287. Deze waterramp scheidde Friesland definitief van West Friesland en verzwolg tal van dorpen en steden in het tussenliggende gebied, waaronder het inmiddels al lang in de vergetelheid geraakte ommuurde stadje Griend (ook Grint of Gryn), ten noordwesten van Harlingen.

Stedeke Gryn
Tegenwoordig slechts een zandplaat in de Waddenzee, was het eiland Griend in de Middeleeuwen bewoond. Niet alleen dat, er bevond zich een ommuurde nederzetting met poorten, grachten, een klooster en zelfs een hogeschool. Griend was aan het begin van de 13e eeuw dan ook een welvarend eiland, met name beroemd om zijn kaas. Met enige wijsheid achteraf kan je stellen dat het een slecht doordachte beslissing was van de Griendenaren om een tweetal kanalen te graven, om zo de bloeiende handel met het achterland verder te versterken. De Jetting werd in het begin van de 13e eeuw gegraven om de Friese steden te bedienen. Ook achter Vlieland langs werd een nieuwe vaart aangelegd, de Monnikensloot. Griend, reeds gevoelig kleiner geworden door al het eerdere natuurgeweld in de 12e en 13e eeuw, bleek uiterst kwetsbaar. De grote kladeradatsch kwam uiteindelijk in december 1287, toen het stadje vrijwel geheel in de golven verdween, op een tiental huizen na. Griend kwam er nooit meer bovenop. De ‘twaalfde stad van Friesland’ was niet meer.

Tot in de achttiende eeuw werd Griend nog wel bewoond door veehouders, die hun woonsteden op kunstmatig opgeworpen terpen hadden gebouwd. Rond 1800 was het eiland nog altijd zo’n 25 hectare groot, maar verplaatste zich met een snelheid van 7 meter per jaar naar het zuidoosten. Vaste bewoners kende Griend vanaf dat moment niet meer, maar werd nog wel gebruikt door bewoners van Terschelling als weidegebied voor schapen en voor de winning van hooi. Ook werden de eieren van meeuwen en sterns geraapt voor de consumptie. De Vereniging Natuurmonumenten, de huidige eigenaar, kocht het recht op het maaien van gras in 1916 af en richtte er een aantal bewaakte broedkolonies in.

Niets op de stille zandplaat in de Waddenzee herinnert vandaag de dag nog aan het eens zo roemruchte verleden

 

vrijdag, 30 december 2011

John Swelsen

John Swelsen

Hyves Linkedin Twitter Youtube

Raad Arnhem in verlegenheid door terugkeer Van Meurs

In arnhem, gemeenteraad, politiek, arnhem, gemeenteraad, de, handel, kinderporno, media, en meer.

Voor ArnhemDichtbij schreef ik op 1 december over de paniekerige reacties op de terugkeer van Martin van Meurs in de Arnhemse gemeenteraad.

Martin van Meurs komt terug, zoveel is wel duidelijk na de interviews die hij de laatste weken heeft gegeven. En hij komt niet zomaar even terug, maar hij komt ècht terug. De Arnhemse gemeenteraad reageert verdeeld en is in verlegenheid gebracht.

Met opgeheven hoofd zal Martin van Meurs op 19 december de Raadszaal binnenlopen, na een jaar celstraf te hebben uitgezeten voor gebruik en handel in kinderporno. In de Nederlandse rechtsstaat kennen we aldus Van Meurs het tweede-kans-uitgangspunt. Daar is geen speld tussen te krijgen en je zou van volksvertegenwoordigers mogen verwachten dat deze verstandig zouden omgaan met zo’n heikele zaak.

Tot nu toe heb ik echter alleen van Addy Plieger (ChristenUnie), Hans Giesing (D66) en nota bene van oud-fractiegenoot Ton van Beers(ProArnhem), die ook nog eens persoonlijk belazerd is, verstandige commentaren gelezen. Voor het overige schieten de reacties alle kanten op en lijkt er nauwelijks regie in te zitten. Een soort onbehaaglijkheid maakt zich meester van de Arnhemse raadsleden. En op zich is daar niets mis mee, niets menselijks is gelukkig ook gemeenteraadsleden vreemd, maar waarom hebben de fractievoorzitters niet de regie gepakt. Men had er bijvoorbeeld voor kunnen kiezen om tot een gezamenlijke verklaring te komen. Nu was het via verschillende media (papier danwel digitaal) vrijwel iedere dag weer een ander raadslid dat uit de bocht vloog.

Eminent politicus
Heeft men het niet onderschat, is ook een vraag die deze affaire bij me oproept. Als het hier om Jan, Piet of Klaas zou gaan was deze affaire mogelijk ook snel overgewaaid maar we hebben het hier over mogelijk de meest eminente Arnhemse politicus ooit. Bijna 25 jaar raadslid, 8 jaar wethouder en daarnaast ook nog eens auteur van enkele werken over historisch Arnhem. Men had beter moeten weten, en diegenen die het niet weten komen daar snel genoeg achter.
En Van Meurs keert, zoals hij in het interview met Arnhem dichtbij zegt, voorbereid en wel terug. Het is uitkijken naar zijn verklaring in de gemeenteraad, ik sluit niet uit dat het memorabel wordt.

dinsdag, 29 november 2011

Ineke Verdoner

Ineke Verdoner

Sinterklaas bestaat niet meer!

Het is bijna december. Sinterklaas waart rond en in de straten gaan lichtjes aan zodra de schemer invalt. Het ziet er gezellig en aantrekkelijk uit; daarmee wordt het beeld opgeroepen van 'alles is in orde'. Mensen met tassen vol aankopen en overal waar koffie gedronken kan worden is het druk aan de tafeltjes. Het valt me op dat er ook al veel winkels zijn met 'uitverkoop' of 'sale' op de etalageruiten. Is dat niet vroeger dan anders?

Meer dan in voorgaande jaren vind ik de verlichte straten in de stad en de tassen vol inkopen een afspiegeling van een verleden, een voltooide tijd. De stad deed me onecht aan, alsof iedereen ontkende wat er werkelijk gaande is. Kop in het zand, het is december en we doen lekker gewoon net als al die vorige decembers. We weten het wel maar net als toen we kind waren, willen we nog steeds niet geloven dat Sinterklaas niet meer bestaat.

 

“Als je kinderen vraagt naar hun ideeën over een rechtvaardige wereld, komen ze met universele waarden, die in ieder van ons resoneren: eerlijk delen, voor elkaar zorgen, respectvol zijn, de zwakkeren beschermen. Als kind voelden we haarfijn aan dat het niet deugde dat wij in rijkdom leefden, terwijl anderen stierven van de honger. Als volwassenen laten we ons in veel mindere mate leiden door die universele waarden. Toch weten ook volwassenen dondersgoed wat deugt en wat niet. We handelen er alleen niet altijd naar.”

 

Dat zegt Tex Gunning in een toespraak die Ode publiceerde. Ik vond het passend om daar aan te refereren in deze tijd van kinderfeesten, maar ook de tijd dat kinderen en jonge mensen zo indringend van zich laten horen.

Zoals we nu horen over de Nederlandse Jussuf, de volgende jonge asielzoeker die binnenkort dreigt te worden uitgezet. Een nieuwe aflevering van het verhaal over Mauro.

Via LinkedIn hoorde ik over een 14 jarige Jusuf uit Burkina Faso, die daar al jaren in de mijnen werkt en me uitnodigde om met hem te linken.

Eerder al heb ik velen het filmpje doorgestuurd van Severn Suzuki, het 13 jarige meisje dat in 2008 de wereld toespreekt op de bijeenkomst van de Verenigde Naties en ons voorhoudt hoe beroerd we met het milieu, met kinderen en met geld omgaan.

Ik voeg er bij deze Birke Baehr aan toe, die ons indringende vragen stelt over onze omgang met dieren, voedsel en de aarde en ook aangeeft hoe het anders kan.

Ik vond op You Tube eindelijk de toespraak terug die Adora Svitak hield op een TED Next Generation over hoe vreemd het is om zaken 'kinderachtig' te noemen, een prachtig verhaal.

En vooruit, omdat ik toch bezig ben en het bijna Sinterklaas is, doe ik er ook nog de ongelofelijke verhalen bij van Emmanuel Kelly en Sung-bong Choi, die uit het niets de podia van 'X Factor Australia' en 'Korea's got Talent' veroverden en de aandacht vestigden op de wereld achter glamour en bling bling.

 

Misschien geven de cijfers straks toch weer aan dat ook dit jaar de uitgaven voor kado's en andere extra's ter ere van de feestdagen opnieuw hoger zijn dan in vorige jaren. In VS was dat inderdaad het geval in het afgelopen Thanksgiving weekend. Het lijkt alsof er twee werelden parallel bestaan; die ene van de veranderingen op alle terreinen, waarin geld razendsnel ontwaart en al bijna niet meer bestaat sinds de handel in leningen, hypotheken en manipulaties met nog niet bestaande graanoogsten deel uitmaken van ons economische bestel. En die van de Oude Wereld van Sinterklaas en Kerst.

 

Ik kreeg van de week een tekening opgestuurd, gemaakt door Sjoukje, de dochter van een vriendin. Zij brengt, net als die andere prachtige jonge mensen op haar manier in beeld waar het echt over gaat de komende tijd, onderweg naar de Nieuwe Wereld; zij noemt het 'verbonden harten'. Met toestemming van de tekenares voeg ik haar kado heel graag bij alle gulle gaven die wij van onze wijze kinderen krijgen.

En veel plezier op pakjesavond!

 

Ineke Verdoner

 

 George Tobal & Jossef Kallid link naar TEDyouthAmsterdam, november 2011

 Severn Suzuki 2008  het meisje dat de UN toesprak

Sung-bong Choi    De Koreaanse zanger

  Emmanuel Kelly   Het Iraakse pleegkind die de harten van de jury in Australie deed smelten

 Birke Baehr  De jongen op Ted Next Generation over ons voedsel

Adora Svitak  Zij vertelt over het misplaatste gebruik van het woord ´kinderachtig´.

 

En de tekening ´Connecting Hearts´ van Sjoukje

connectinghearts

Renate Richters

Renate Richters

Twitter GR

Meer over de begrotingsbehandeling

In divers, begroting, de, fractie, informatie, lezen, standpunten.

Uitgebreide informatie over de standpunten van onze fractie bij de begrotingsbehandeling kun je lezen in onderstaande nieuwsbrief van de fractie, speciaal over de begroting.

 

Nieuwsbrief special begroting

zondag, 20 november 2011

Feiko van der Veen

Feiko van der Veen

GR

Scheve verdeling opbrengst globalisering gunstig voor populariteit Wilders?

In geen categorie, angst, eerlijke, globalisering, handel, imf, occupy, stiglitz, vrije markt, en meer.

De angst voor de gevolgen van globalisering wordt vaak genoemd als voedingsbodem voor het succes van Wilders. “De Chinezen veroveren de wereldeconomie en dat gaat ons banen kosten”, denken veel mensen. Economen beweren daarentegen dat echte vrijhandel wederzijds voordeel oplevert. Hoe moet de wereldeconomie dan ingericht worden? Nobelprijswinnaar Jozeph Stiglitz schrijft in Eerlijke globalisering dat dit zeker mogelijk is. Hoe moeten we ons dat voorstellen? En helpt het tegen Wilders? Zullen mensen dan minder angst hebben voor de toekomst?

Een werkelijk vrije markt bestaat alleen onder ideale condities. Zoals volledige  werkgelegenheid, volkomen concurrentie, perfecte risicomarkten – risico’s bij de risicoveroorzakers – en gelijke toegang tot informatie. Die zijn er nooit. Daarom zijn overheden nodig om de gevolgen van het ontbreken van de perfecte condities te corrigeren. Voor een goed functionerende markteconomie is bijvoorbeeld adequate overheidsregulering van de kapitaalmarkt nodig, maar ook zaken als werkgelegenheidsbeleid, goed onderwijs en goede gezondheidszorg.

En hoe gaat het met de regulering van de wereldmarkt? Als chef-econoom van de Wereldbank en topadviseur van president Clinton zag Stiglitz hoe het werkt. Bij onderhandelingen over vrijhandel hebben rijke, Westerse multinationals een onevenredig grote invloed. Lobby door het bedrijfsleven wordt als vanzelfsprekend gezien. Bij  conflicten hebben zij ook enorme bedragen beschikbaar voor het voeren van juridische procedures, in tegenstelling tot ontwikkelingslanden. Het democratisch gehalte van internationale bestuursorganen is laag. Onderhandelingen over handelsliberalisering vinden achter gesloten deuren plaats. Organisaties als IMF en Wereldbank worden
bestuurd door de rijke landen en bewaken de belangen van Westerse banken veel beter
dan van bevolkingen van arme landen.

De revenuen van handelsliberalisering waren in 2000 als volgt verdeeld. De bevolking
van de rijke landen – 15% van de wereldbevolking – kreeg 70% van de opbrengst.  Dat was 350 miljard dollar per jaar. Ontwikkelde landen leggen gemiddeld vier keer zo hoge invoerheffingen op als ontwikkelingslanden. De liberalisering van kapitaalstromen – voornamelijk gunstig voor rijke landen – was wel geregeld, maar de liberalisering van arbeid (waar ontwikkelingslanden veel van hebben) nauwelijks. Corrupte regimes, die vaak de grondstoffen van hun land verkopen aan het Westen en de opbrengst in eigen zak steken, worden van wapens voorzien door het Westen. Als een dictator verjaagd is door de bevolking, stelt het IMF als eis dat de door het corrupte regiem gemaakte schulden wel moeten worden afbetaald aan de Westerse banken.

Dat moet beter kunnen. Neem de landbouwsubsidies. In de Verenigde Staten krijgen
25.000 katoenboeren op onvruchtbare grond jaarlijks gemiddeld 160.000 dollar subsidie.
Daarmee duperen zij 10 miljoen Afrikaanse boeren, die de Amerikaanse boeren er anders uit zouden concurreren, want de natuurlijke condities voor katoenproductie zijn er veel beter. Als zij hun katoen aan de VS zouden kunnen verkopen, zouden ook de Amerikaanse consumenten daarvan profiteren. Nu betalen Amerikanen niet alleen voor katoen maar ook extra belasting voor de subsidies aan boeren.

Als de globalisering eerlijker zou zijn geregeld, worden daar natuurlijk ook groepen op de korte termijn door gedupeerd, zoals bijvoorbeeld die katoenboeren in de VS. Een hervorming van de mondiale kapitaalmarkt zou fondsen kunnen opbrengen om voor hen overgangsregelingen te treffen. Met bedragen die een fractie zijn van wat nu wordt besteed aan de bankencrisis zouden we een heel eind komen.

Stel je nu eens voor dat we IMF en Wereldbank inderdaad de opdracht zouden geven om
ook  de belangen van de bevolking van ontwikkelingslanden te beschermen. En dat de onderhandelingen over handelsliberalisatie niet meer vooral als lobby gebruikt worden, maar moeten bewaken dat de voordelen evenwichtig aan alle betrokkenen ten goede komen. Zouden mensen dan meer vertrouwen krijgen in de toekomst? Zou dat de impasse doorbreken waarin de Westerse wereld zich bevindt? Zouden mensen dan weer meer in het nut van politieke participatie gaan geloven? Wat denkt u, lezer?

Scheve verdeling opbrengst globalisering gunstig voor populariteit Wilders? is a post from weblog Feiko van der Veen.

donderdag, 17 november 2011

Jolanda de Vreede

Jolanda de Vreede

Twitter

China, de grote bange reus

In samen op de wereld, china, democratie, economie, eu, euro, europa, europese, gedachte, en meer.

 

Ik kan best een open deur intrappen: de Chinese economie groeit hard. Maar dat die in 30 jaar tijd is gegroeid van krap 70 miljard naar ruim 18.000 miljard yuan – en dat was 2004 – is onvoorstelbaar. Hoe deden ze dat? Blijft het zo? Wat willen ze verder?

Hoe deden ze het?

Vorig jaar heeft China Japan ingehaald als tweede economie van de wereld. De grootste economie is nog steeds de VS met dien verstande dat die van de VS niet meer groeit en die van China wel. Dat biedt bedrijven grote kansen. China heeft een goede infrastructuur opgebouwd, had hele goedkope arbeidskrachten en was dus een aantrekkelijke producent voor exportproducten. De producerende bedrijven zijn niet alleen Chinese bedrijven, ook bijvoorbeeld Philips heeft zijn productie daarheen verplaatst vanwege de lage lonen.

Alles draait in China om behoud van rust en stabiliteit en het in standhouden van de macht van de Communistische Partij. Inflatie, buitenlandse invloed en ontevredenheid onder de bevolking – die heus ziet wat er in het buitenland mogelijk is – zijn risicofactoren voor instabiliteit. Om onvrede te beteugelen, moet de communistische partij het volk dus ook wat geven. En dat krijgt het. De welvaart is voor iedereen gestegen. De rijken zijn 2 keer zo rijk geworden, maar de armen ook.

China ziet zichzelf als kwetsbaar land dat in ontwikkeling is. Chinezen willen bovenal een veilige en stabiele omgeving en roepen in mindere mate om democratie. Een sterke staat die alles domineert en stuurt, ziet de CCP als passend in deze situatie.

Afrika

China investeert veel in Afrika. Feitelijk Europa’s achtertuin maar wij lieten die ongebruikt. Contact en handel met China levert geen windeieren. Toen Nederland in 1980 twee duikboten leverde aan Taiwan, werd de handel tussen Nederland en China ogenblikkelijk door China stilgelegd. Op dat moment werd China nog niet gezien als wereldmacht in opkomst. Een inschattingsfoutje. In 1984 tekenden Nederland en China een verklaring geen spullen meer te leveren aan Taiwan en de betrekkingen weer te herstellen. Uitgebreide handel vond daarna plaats waarvan Nederlandse bedrijven flink hebben geprofiteerd.

Zo vergaat het nu ook Afrika. Gelet op het feit dat China zich niet als ontwikkeld land maar als land in ontwikkeling ziet, wil het absoluut niet de kolonisator van Afrika worden met bijbehorende verantwoordelijkheden en politieke macht.

Kritiek is er wel: China liet veel door Chinezen doen in Afrika waardoor de lokale bevolking minder profiteerde. Daar wordt aan gewerkt, waar mogelijk laat China nu werk door de lokale bevolking uitvoeren.

Een ander punt van kritiek is de rijkdom door de handel die vooral ten gunste komt van de rijke klasse in Afrika. Herverdeling van welvaart is daar niet zo aan de orde. Uiteraard is dat wel wat de internationale organisaties liever zien.

Daar daarentegen stelt China dat Europa eens moet kijken hoe de Europese hulp aan Afrika van de afgelopen 50 jaar heeft uitgepakt. Er is nog steeds armoede, Europa heeft Afrika afhankelijk gemaakt in plaats van zelfstandig. Het standpunt van China is dat economische ontwikkeling die regio structureel meer welvaart zal gaan opleveren.

Militair

China is een kernmacht, heeft een leger dat inmiddels sterk genoeg is om dat van Taiwan te kunnen verslaan en mogelijkheden om het desnoods de VS lastig te maken mocht dat in de regio nodig zijn (DF-21D). Ze hebben lange afstandswapens die de kust van de VS kunnen bereiken en binnenkort de hele VS en investeert nog flink in defensie. Toch is die militaire macht vooral defensief. De werkelijke macht van China ligt op twee andere terreinen. De economische macht zal ertoe leiden dat ze steeds meer invloed op het wereldtoneel gaat opeisen en de computerkennis is dermate groot dat het veel eerder via die weg tegenstanders zal gaan beschadigen.

Invloed

Hoewel nu nog druk met de eigen opbouw is de verwachting dat China het niet zal nalaten eisen op tafel te leggen wanneer mogelijk. Als China meer geld gaat doneren aan het IMF om de euro overeind te houden, zal het wisselgeld willen. China wil heel graag de markteconomiestatus krijgen, iets wat o.a. de EU nog tegenhoudt. China wil het wapenembargo van de EU van tafel en zal eisen dat er door partners niet wordt samengewerkt met Taiwan. Daarnaast kan China meer macht in het IMF gaan claimen. Nu is alleen de stem van de VS zo groot dat het een veto heeft in het IMF. China zal op z’n minst ook op dat niveau invloed willen gaan uitoefenen.

Blijft het zo?

De economische groei in China is in de jaren ’80 heel bewust in gang gezet. Buitenlandse bedrijven mochten vanaf dat moment investeren in China. Achterliggende gedachte was dat China sterk en welvarend zou zijn als het deel zou uitmaken van de internationale gemeenschap. Invloed van buitenaf is daarmee geaccepteerd maar wordt wel als risico gezien.

De hele productie was vooral gericht op de EU. In 2008 daalde de export naar de EU door de economische terugval waarop China versneld de interne markt is gaan ontwikkelen. En met succes: de groei blijft aanhouden. Vraag is wel hoelang dat nog kan. Nu wordt nog veel geïnvesteerd in vliegvelden en spoorlijnen, hetgeen economische bedrijvigheid genereert maar dit houdt een keer op.

Ook de lage lonen zijn in China opgelopen. Inmiddels trekken Chinese en internationale ondernemingen, waaronder ook Nederlandse, verder op zoek naar nieuwe lage lonenlanden. Zo gebeurt het nu dat Chinese bedrijven hun productie verplaatsen naar Bangladesh en Vietnam.

Conclusie

China houdt alles strak in de hand ten koste van de vrijheid van de Chinezen juist ten behoeve van die Chinezen. China groeit als kool maar probeert die groei ook in te tomen om oververhitting en al te grote inflatie te voorkomen. China investeert veel in defensie maar opereert internationaal bij voorkeur passief en geweldloos.  China kan niet zonder de economie van de VS maar is bang voor de invloed van de VS in en rondom China. Nederland heeft veel belang in China maar maakt ook ethische afwegingen: wat te doen met wapenembargo, wat te doen met bezoek Dalai Lama. China en de CCP, waanzinnig groot en machtig en uit alles blijkt: ook bang.

 

zondag, 13 november 2011

Renate Richters

Renate Richters

Twitter GR

Begrotingsbehandeling

In divers, nee, ondernemers, onderwijs, ontwikkeling, arbeidsmarkt, armoede, begroting, belangrijk, en meer.

Op 8 november behandelde de gemeenteraad de begroting voor 2012. Lees hieronder mijn betoog….

Betoog begroting 2012 GroenLinks

GroenLinks vindt dat het college goed op weg is om de erfenissen uit het verleden en de opgaven voor de toekomst het hoofd te bieden. De begroting is al een heel stuk beter ‘helder en op orde’. We zijn er echter nog niet. Nog té vaak wordt de begroting dichtgereden met kasschuiven, alternatieve inzet van reserveringen, verlengen van afschrijvingstermijnen en voorsorteren op mogelijke kansen en te verwachten voordelen. Wij verwachten dan ook van het college dat zij dit blijft aanpakken.

Het grootste deel van de ruim 56 mln bezuinigingen heeft onze goedkeuring. Heel belangrijk vinden we het extra geld in armoede en de Wmo. Wij zijn ook erg tevreden met de investering in duurzaamheid. Met een beperkt budget weliswaar, maar doordat we dat niet inzetten om allerlei losse projecten op te tuigen maar het investeren in scholing en goede randvoorwaarden, kiezen we voor een fundamentele aanpak waarmee we ons tot de koplopers in de wereld scharen. Daar zijn wij trots op.

Bij een aantal voornemens hebben wij in de commissie en eerder dit jaar kritische kanttekeningen geplaatst. Ik noem er hier een paar:

- De leges, die willen we kostendekkend, maar toen bleek dat de procedures erg duur en omslachtig zijn. Maar onder druk wordt alles vloeibaar is gebleken. In ieder geval bij de horeca. Wij willen dat de andere dossiers zo ook worden doorgelicht.

- Het innovatieprogramma. We zijn het eens met de doelstellingen, maar niet met een structurele financiering voor Brainport Development hierin.

- Cultuur. Voor het CKE zien we positieve ontwikkelingen. Bij de voorstellen over de bibliotheek en de backoffice hebben we nog ernstige twijfels over de haalbaarheid. Hoe denkt de wethouder dit op te lossen?

- Tot slot de sporttarieven, waarover we nog in discussie gaan, maar waarbij wij op basis van het dossier wel het gevoel hebben gekregen dat de taakstelling haalbaar is. We zijn blij dat de ijsbaan toch open zal blijven.

Als we terugkijken op al deze discussies, dan vragen wij ons af wat nu echt het allerbelangrijkste is voor de komende jaren. Wat is het toekomstperspectief waar we voor gaan? Voor GroenLinks is dat meedoen en kansen voor iedereen. Kansen op onderwijs, ontwikkeling, werk en een gezond leefklimaat. Een van de belangrijkste speerpunten in ons verkiezingsprogramma én in ons coalitieakkoord, maar ook het grootste risico in onze meerjarenbegroting.

Deze coalitie heeft ‘werk voor iedereen’ als belangrijk doel gesteld . Maar door de rijksbezuinigingen worden de gemeenten de kansen ontnomen om mensen daar op een goede manier bij te ondersteunen. Gedachten om mensen met een arbeidshandicap gewoon in reguliere bedrijven aan het werk te helpen zijn mooi, maar het gebeurt niet vanzelf! Zonder financiële middelen blijven deze doelen slechts van papier.

Voor die mensen voor wie betaald werk nog een brug te ver is, stelde onze coalitie dat sociale activering of vrijwilligerswerk wenselijk is. Omdat meedoen en ergens bijhoren beter is dan eenzaam thuis achter de geraniums zitten. Door de bezuinigingen van het Rijk op het participatiebudget vervallen deze mogelijkheden. GroenLinks vindt dit erg zorgelijk, wij vragen ons af of het lukt om ook deze mensen een alternatief te bieden. Wij komen hierop terug bij de behandeling van het participatiebudget. En wij verwachten van dit college dat zij er alles aan doet om onze afspraken uit het coalitieakkoord overeind te houden!

Werk voor iedereen. Maar tegelijkertijd behalen we onze doelstellingen door ‘beter te handhaven en de poortwachtersfunctie’. Natuurlijk moeten we fraude bestrijden, daarover is geen discussie. Maar als mensen recht hebben op een uitkering, moeten ze die gewoon krijgen. Als je mensen duurzaam aan het werk wilt hebben, is een goede motivatie erg belangrijk. Iemand met wantrouwen tegemoet treden zal dan niet helpen. Wij willen mensen aanspreken op hun kwaliteiten en hun eigen kracht. Behandel hen dan ook zo, ga naast hen staan ipv boven hen, dat levert zoveel meer resultaat!

Ondertussen wordt de situatie van mensen met een minimum inkomen of een beperking er niet beter op. Zij worden door de rijksmaatregelen vaak dubbel of zelfs driedubbel gepakt. De effecten van deze stapeling van maatregelen, landelijk én lokaal zijn niet te overzien. Hoe kunnen wij dan goede afwegingen maken? Daarom zijn wij voornemens een motie mee in te dienen met onder andere het OAE om de stapelingen van effecten in kaart te brengen, en hier passende maatregelen op te nemen. Want GroenLinks vreest voor de toekomst van bv alleenstaande ouders met kinderen. Die moeten we ontzien!

Maar is het dan alleen maar doemdenken?

Nee. In al deze ontwikkelingen horen we ook heel veel positieve, hoopvolle geluiden. Deze Raad maakt zich zorgen om de draagkracht van de samenleving, of er wel genoeg vrijwilligers zijn om al die dingen te gaan doen die de overheid niet meer wil regelen. Een aantal partijen heeft haar oordeel al klaar. Dat gaat nóóóit lukken. Maar toch hebben bv de vrijwillige hulpdienst, of Humanitas geen enkel gebrek aan vrijwilligers. De zelfhulpnetwerken, waarbij veel gebruik gemaakt wordt van ervaringsdeskundigen, zijn nog nóóit zo succesvol geweest. Bij uitstek voorbeelden van hoe vrijwilligers aanvullend kunnen zijn op professionele zorg. En bij het vrijwilligerspunt melden zich élke week een kleine 20 mensen voor vrijwilligerswerk! Prachtige en hoopvolle voorbeelden. Het gaat er dus ook om hoe je mensen aanspreekt en wat je ze kunt bieden.

Een ander voorbeeld. GroenLinks baalt er stevig van dat het Rijk met de WWnV niks wil doen om de werkgevers te verplichten om mensen met een arbeidshandicap in dienst te nemen. Want doen ze dat vanzelf? Nee, het grootste deel doet dat waarschijnlijk niet vanzelf. Maar ze zijn er wel, die betrokken ondernemers die vanuit een maatschappelijk besef mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt in dienst nemen. Zo sprak ik laatst de directeur van van Asperdt, hier op de Hurk, die vanuit een maatschappelijke betrokkenheid een huismeesterproject is gestart en daarmee mensen uit een moeilijke doelgroep weer perspectief bood. Wat doen wij om deze werkgevers te ondersteunen? Burgemeester van Gijzel, bijna een jaar geleden deed u een oproep in uw nieuwjaarstoespraak aan werkgevers. U zei toen: ‘Wij hebben klaargestaan toen u ons nodig had. Nu moet het andersom’. Wat heeft ú tot nu toe gedaan om de werkgevers te betrekken bij deze maatschappelijke vraagstukken? Wij roepen u én wethouder Brink op: Zoek de werkgevers in de wijken op, niet alleen in China!

In tijden van financiële krapte moeten we op zoek gaan naar maatschappelijk rendement. Als we toch investeren, plak er dan een maatschappelijke doelstelling aan vast, twee vliegen in één klap! GroenLinks heeft hier allerlei ideeën over. Wij geven hier één voorbeeld.

Met deze begroting besluiten we om bijna 2 ton in het expatcenter te steken. In de commissie legde wethouder Brink uit dat dat geld nodig is om onze gemeentelijke taak te regelen. Maar zien wij onze taak alleen maar als het uitleggen van wetten en regeltjes? Of gaan we voor het welzijn van mensen in onze stad? Het vrijwilligerspunt heeft een project om kenniswerkers te koppelen aan oudkomers (ook weer vrijwilligers) om hen wegwijs te maken in Eindhoven en de integratie te bevorderen. Van die kennisuitwisseling worden beide partijen beter, daarom wordt momenteel gekeken of het project bij het expatcenter kan worden aangehaakt. Twee vliegen in 1 klap. Wij vragen de wethouder om zich in te zetten voor dit project. Als nodig dienen wij hier een motie voor in.

Tot slot voorzitter. Het perspectief waarin we deze begroting beoordelen is er eentje van een samenleving in verandering. We hadden, ook zonder de landelijke bezuinigingen, nooit alles kunnen laten zoals het was. De komende 20 jaar verandert onze bevolkingssamenstelling en de behoefte van de mensen drastisch. Dit had hoe dan ook geleid tot een verdere stijging van het gebruik van bv Wmo en welzijnsvoorzieningen. Door de bezuinigingen wordt het veranderingsproces moeilijker en sneller. Maar de verandering was hoe dan ook nodig geweest. GroenLinks kan en wíl daarom niet garanderen dat alles blijft zoals het was. Wij geloven in de kracht van de samenleving. En wij geloven in de kracht van mensen en het teruggeven van de regie. Het is dan ook zaak om als overheid de goede keuzes te maken om deze ontwikkelingen te faciliteren.

Besturen in deze tijd vraagt om lef. Lef om keuzes te maken, te stoppen met wat was en ruimte te geven aan het nieuwe. Deze coalitie, en dit college maakt in onze ogen de juiste keuzes, binnen de mogelijkheden die zij nu heeft.

———————————————————————————————————

donderdag, 10 november 2011

Femke Halsema

Femke Halsema

Hyves Twitter TK

Peerke Donderslezing: Over de middenklassen in het westen en in Afrika

In goede doelen, ontwikkelingssamenwerking, leiden, politiek, afhankelijkheid, afrika, algemeen, arabische lente, bezuinigingen, en meer.

Post image for Peerke Donderslezing: Over de middenklassen in het westen en in Afrika

Goedemiddag,

Toen ik opgroeide, een puber was, mocht ik op een saaie zondagmiddag graag met mijn moeder een eindje gaan rijden. Stapvoets reden we dan door de nieuwe villawijken aan de rand van Enschede  en verlustigden ons aan de gouden leeuwen die oprijlanen markeerden, de Griekse zuilen waarmee Twentse boerderettes waren versierd en wij roddelden er op los. Enschede was, zo aan het einde van de jaren zeventig klein genoeg om te weten wie er woonde, hoe ze hun geld hadden verdiend, en of hun huwelijken gelukkig waren.
Wij, moeder en dochter, uit de gegoede middenklasse hadden het heel goed maar bezaten niet het kapitaal dat daar op die ruime kavels vaak nogal afzichtelijk was uitgestald.
Het was een vriendelijke vorm van aapjes kijken, van verveeld vermaak, waarover wij ons weinig schuldig voelden omdat het vertoon van rijkdom ook voor ons was bedoeld, zondagrijders uit de middenklasse.

Precies diezelfde lust tot ‘rijken kijken’ zie je terug in het nieuwe programma van Jort Kelder ‘Hoe heurt het eigenlijk’. En ik kan me nog steeds goed vermaken met de rose-tankende, glad gestreken en opgepompte nouveau-riche-dames aan de Loosdrechtse Plassen, die uitleggen dat ze niet alleen een motorjacht bezitten (‘zeilen is zo veel werk’) maar ook een tweede huis bij Saint Tropez omdat ‘ze zo vreselijk van cultuur houden’.
In ‘hoe heurt het eigenlijk’ wordt het pronkgedrag van de nieuwe rijken slim afgezet tegen de tradities van het oude geld. Over het algemeen zijn dat Olie B. Bommel-achtige heren die in gedateerd Nederlands uitleggen dat zij hun landhuis, stammende uit 1700 of daaromtrent, in stand weten te houden door een natuurcamping en wat biologische boerderijen op de landerijen toe te laten.

Wat ‘Hoe heurt het eigenlijk’ anders maakt dan eerdere programma’s van bijvoorbeeld Gert Jan Droge is het nogal stichtende karakter. Als kijker word je ook op allerlei manieren duidelijk gemaakt hoe je wel en niet zou moeten leven, wat beschaafd is en wat nastrevenswaardig is. En dat is de nouveau-riche overduidelijk niet. Het oude geld wel want dat heeft tradities, sociaal besef, eet met mes en vork en lepelt geen vaten rose naar binnen maar drinkt een glas goede rode wijn op zijn tijd.

Het stichtende karakter van het programma heeft inmiddels ook geleid tot heel serieuze beschouwingen in kranten. Een van de meest hilarische is wel een beschouwing in de Volkskrant donderdag 4 november waarin werd betoogd dat wij Jort Kelder, als onze nationale polderdandy, dankbaar mogen zijn omdat hij een grote bijdrage zou leveren aan de ‘heropvoeding van Nederland’.
Ofwel, de landerijen zullen wij met zijn allen nooit bezitten, de familienamen ook niet, maar beschaafd gedrag leeft de oude adel ons voor.

Ik vind dat uit zo’n geleerde analyse in de krant vooral een nogal wonderlijke nostalgie naar de 19e eeuw spreekt. De redenering die wordt gehanteerd is eenvoudig. Weliswaar is de rijkdom waar de ontwikkelde smaak op rust, niet binnen ons bereik maar dat neemt niet weg dat we wel degelijk de goede omgangsvormen kunnen kopiëren.
Laat ik het eens bout zeggen. Zoals in de 19e eeuw, zijn armoede en een gebrek aan kansen geen excuus voor slechte manieren.

Wat mij betreft maakt ‘hoe heurt het eigenlijk’ met haar stichtende boodschap en de analyse in de Volkskrant die er op voortbouwt, deel uit van een maatschappelijke en politieke ideologie waarmee ik moeite heb. Het is de ideologie van ‘de eigen verantwoordelijkheid’ die al jaren een grote populariteit geniet.
Het is ook de ideologie waarbij de omstandigheden waarin je leeft, de armoede waar je aan bent blootgesteld, het gebrek aan kansen om hoger op te komen, nooit een argument kunnen zijn voor het gedrag dat je vertoont.
Natuurlijk klopt dit wel op het niveau van het individu. Simpel, als je arm bent en je gaat jatten, dan kan je armoede misschien een verzachtende omstandigheid zijn maar je bent ook gewoon verantwoordelijk voor je criminele gedrag en verdient daar straf voor. Bovendien, voor opgroeiende jongeren in onze samenleving die zich schuldig maken aan crimineel gedrag, geldt ook dat ze weliswaar zelden voortkomen uit de hoogste economische klassen, maar ze wel degelijk kansen hebben. Ze hoeven niet te straatroven omdat er anders geen brood op de plank is. Ze kunnen naar school, er is werk (hoewel de jeugdwerkloosheid relatief hoog is) en ze kunnen een legaal bestaan opbouwen. Dat ze kiezen voor criminaliteit en het terroriseren van anderen, daarop mogen zij – 1 voor 1 – worden aangesproken, evenals de ouders die hen opvoeden.

Maar met het veroordelen van individueel wangedrag en het tot voorbeeld maken van de oude adel ben je er niet als je de staat van een samenleving wil begrijpen. Als je bijvoorbeeld de criminaliteit wil verminderen, de sociale problemen van werkloosheid, van lethargie of een armoedecultuur van mishandeling en uitbuiting wil begrijpen. Laat staan dat de voorbeeldige omgangsvormen van het oude geld en de elites, ook maar het begin van een oplossing vormen voor de vermindering van die problemen.

Ik wijd uit over ‘Hoe heurt het eigenlijk’ omdat ik de populariteit van de boodschap, blijkbaar ook onder sommige intellectuelen, zeker op dit moment, nogal wrang vindt. We leven in een economische periode waarin de tegenstellingen tussen arm en rijk, kansarm en kansrijk, mondiaal, in de Verenigde Staten, in Europa en in Nederland snel toenemen. We leven ook in een periode waarin het geloof in vooruitgang, het geloof dat onze kinderen het beter zullen hebben dan wij, zwaar onder druk staat.
Het was precies dat geloof dat het zondagse uitje van mijn moeder en mij tot vrolijk, oppervlakkig vertier maakte dat vrij was van elke vorm van rancune.
Er kon toen namelijk geen twijfel over zijn dat ik als dochter uit de middenklasse – als ik me een beetje gedroeg – meer kansen zou krijgen dan mijn moeder, dat ik een goede opleiding zou kunnen gaan volgen, dat ik werk zou vinden, een huis, dat ik verre reizen zou kunnen maken en verder alles zou kunnen doen wat ik wilde.

Dat tij is gekeerd.
In de eerste plaats voor de mensen met de laagste inkomens maar ook voor de middenklassen.

Europese middenklassen

In het prachtige boekje ‘Ill fares the land’, beschrijft de Britse historicus – en helaas vorig jaar overleden – Tony Judt, de geleidelijke teloorgang van de westerse verzorgingsstaten, en het verdwijnen en verminderen van kansen op sociale stijging van kinderen uit de lagere sociale klassen en de middenklassen.
Hij beschrijft hoe vooral in de Verenigde Staten en in het Verenigd Koninkrijk na bijna een eeuw van economische groei en welvaartsspreiding (ruwweg vanaf het einde van de 19e eeuw tot 1980), deze tot stilstand zijn gekomen. Er is zelfs sprake van een omgekeerde beweging.

Al in de tien jaar voorafgaand aan de kredietcrisis in 2007 daalde het gemiddelde inkomen van gewone Amerikanen en werd hun geloof in vooruitgang op de proef gesteld. Voor veel burgers gold dat hun huizen hun enige stabiele kapitaal waren. Uit een studie van de Amerikaanse journalist Don Peck blijkt dat aan het begin van 2011 die huizen bij 1 op de 4 middenklasse-gezinnen een nauwelijks nog te dragen schuldenlast is, terwijl 1 op de 7 gezinnen wordt bedreigd door uitzetting en faillissement.
55% van de gewone Amerikanen heeft sinds de crisis te maken gekregen met werkloosheid, vermindering van uren of een forse salarisdaling. Volgens Peck veranderen in de nasleep van de economische crisis de levens van mensen ingrijpend: de verbondenheid tussen generaties staat onder druk, werkloze mannen verliezen hun positie tegenover hun vrouwen en kinderen, jongeren missen toekomstperspectief en zijn somber en voelen zich in de steek gelaten. Ook Tony Judt deelt deze sombere analyse. Hij spreekt van pathologische sociale problemen die horen bij harde klassentegenstellingen: stijgende kindersterfte, verminderende levensverwachting, criminaliteit, een geharde en onverbeterlijke gevangenispopulatie, werkloosheid, obesitas, teenage-zwangerschappen etc. etc.

Judt is de eerste om – terecht – een onderscheid aan te brengen tussen de Verenigde Staten en Groot Brittannië enerzijds en de meer gelijkmatige noord-Europese samenlevingen zoals Nederland anderzijds. Hier zijn de inkomenstegenstellingen nog altijd veel kleiner en is de toegang tot bijvoorbeeld goed onderwijs en relatief goede gezondheidszorg veel beter gewaarborgd. Dat neemt niet weg dat ook in Nederland, net als in andere Europese landen sprake is van een neergaande lijn. De inkomenstegenstellingen groeien en door de bezuinigingen vermindert de toegang tot de publieke voorzieningen voor de lagere en middeninkomens. Denk bijvoorbeeld aan de bezuinigingen op de kinderopvang, de gezondheidszorg, de PGB’s, het onderwijs, de universiteiten en de cultuur.

Tony Judt heeft bovendien een andere boodschap. Hij beschrijft groeiende ongelijkheid niet alleen als onrechtvaardig in zichzelf, maar ook als gevaarlijk voor de sociale en democratische stabiliteit van de samenleving: de geleidelijke toename van sociale en culturele spanningen, de vlucht in extremisme en de snel afbrokkelende bereidheid van mensen om voor elkaar te zorgen, om solidair te zijn – rechtstreeks en via het gezamenlijke betalen van belastingen.
Al deze ontwikkelingen zien we ook in Nederland. De intolerantie jegens elkaar neemt toe, net als de rancune, burgers vluchten naar de politieke flanken en verliezen hun bereidheid – hun stemgedrag is daar een uiting van – om (bijvoorbeeld via belastingen) te investeren in de publieke sfeer, in cultuur, in versterking van het onderwijs, of bijvoorbeeld in ontwikkelingssamenwerking die het lot van de allerarmsten iets verbetert.
Kortom, de groeiende ongelijkheid leidt tot toenemende maatschappelijke tegenstellingen en afnemende solidariteit. Dit ondermijnt geleidelijk het vermogen van een samenleving en haar politici om door inkomensmaatregelen en investeringen in de publieke sector, alsnog het tij te keren.

Afrika

Goed tot hier mijn enigszins sombere analyse van de staat van onze ‘westerse’ samenleving. Nu wil ik met u een hele grote stap maken naar Afrika, als brandpunt van de derde wereld.
In 2009 publiceerde de van oorsprong Zambiaanse econome Dambisa Moyo het boek ‘Dead Aid: Why Aid is Not Working and How There is a Better Way For Africa’. Zij bekritiseert hard en grondig ontwikkelingssamenwerking als een manier om de armoede in Afrika in stand te houden en gewone gezonde economische groei af te remmen. Tegenover de, weinig zoden aan de dijk zettende donaties van Westerse landen, plaatst zij de investeringen die een weinig democratisch land als China in Afrika doet, als duurzamer en toekomstgerichter.
Het hoeft weinig verbazing te wekken dat het boek – zacht gezegd – op een onstuimige ontvangst kon rekenen, temeer daar het al snel een internationale bestseller werd die ook graag door politici geciteerd werd, zoals de president van China. Conservatieven en neoliberalen die Afrika al lang als een bodemloze put beschouwden, zagen in het boek – ook nog geschreven door een Afrikaanse – een mooie aanleiding om alle ontwikkelingshulp stop te zetten. De ontwikkelingsindustrie beschouwde het als een dolksteek in de rug en schreeuwde moord en brand – Bono van U2 voorop – dat Moyo een neo-conservatieve agent was en niet vertrouwd kon worden. De heftige polarisatie rond het boek is begrijpelijk maar ook jammer omdat Moyo’s analyse wel degelijk hout snijdt voor Afrika, net als voor Europa en de Verenigde Staten.

Haar stelling is dat de grote afhankelijkheid van hulpprogramma’s die de afgelopen halve eeuw in Afrika is ontstaan, heeft verhinderd dat er sprake was van gewone economische groei, van stijgende inkomens voor Afrikanen en van de opbouw van democratische rechtstaten. De hulp richtte zich vooral op het verlichten van de ergste armoede en nood, maar creëerde onbedoeld ook afhankelijkheid daarvan.
Bijvoorbeeld in een land als Kenia, waarmee het relatief goed gaat, gaat 70% van het nationaal budget op aan salarissen van politici en overheidsfunctionarissen. Een groot deel van de gewone overheidsinvesteringen in de samenleving komen uit ontwikkelingsbudgetten.

Tegelijkertijd beschrijft Moyo – en dat is een belangrijk punt – ontbraken werkelijke economische investeringen uit Europa en de Verenigde Staten in Afrikaanse landen, terwijl het westen tegelijkertijd zijn grenzen zo goed als gesloten hield en houdt voor grootschalige import uit Afrika. Niet alleen was er sprake van groeiende afhankelijkheid van ontwikkelingshulp, er was in veel Afrikaanse landen ook nauwelijks een alternatief voor in de vorm van economische activiteiten die inkomen opleveren.
Door hulpafhankelijkheid en de afwezigheid van economische bloei kennen veel Afrikanen, volgens Moyo, weinig mogelijkheden voor sociale stijging, de armoede is groot en wordt bepaald niet kleiner, de inkomensafstanden zijn immens. Tegenover een enorme populatie van armen staat een kleine groep van exorbitante rijken, die vaak corrupt is en in het bezit van de politieke macht. Veel andere smaken dan heel arm en heel rijk zijn er nauwelijks: middenklassen bestaan maar summier en vooral in de landen waarmee het naar verhouding redelijk of goed gaat.

Ik ben het maar ten dele met Moyo eens. Ik denk dat zij de ontwikkelingshulp veel te veel verantwoordelijkheid geeft voor de miserabele staat van veel Afrikaanse landen; andere – geografische, etnische, historische en politieke – redenen spelen een minstens even grote rol. Bovendien denk ik dat zij een veel beter onderscheid dient te maken tussen noodhulp, zoals nu in de Hoorn van Afrika en langer lopende ontwikkelingsprogramma’s.
Ik wil deze lezing ook niet gebruiken om de aard van ontwikkelingssamenwerking verder te bekritiseren. Niet alleen wordt die discussie al hevig gevoerd, je ziet ook bij veel hulporganisaties een grote verandering in de hulp die zij bieden. Veel meer dan in het verleden richt die zich op de opbouw van bedrijfjes en het versterken van de economische structuur van landen, en de werkgelegenheidskansen van mensen.

Ik haal Moyo aan vanwege een andere centrale boodschap van het boek: wat heeft Afrika nodig?
Moyo stelt dat Afrika werkelijke economische investeringen nodig heeft die leiden tot de opbouw van een sterke en politiek bewuste middenklasse.
Het is deze middenklasse die in staat zal zijn om belastingen te betalen, en die – als zij een perspectief hebben op sociale stijging en een betere toekomst voor hun kinderen – dat ook willen doen.
Moyo’s stelling is dat de corruptie en het vergaande politieke misbruik dat zoveel Afrikaanse landen kennen, ook wordt mogelijk gemaakt omdat burgers geen belang hebben bij de verandering ervan. Ze zijn arm, voor hun inkomsten afhankelijk van buitenlandse hulp en missen elk perspectief op werkelijke verbetering voor zichzelf, hun kinderen en de samenleving. De sociale problemen waarmee zij worstelen zijn zo groot, de cultuur van armoede zo diep geworteld, dat er nauwelijks ruimte is voor solidariteit met elkaar.
Moyo stelt dat – en dat beschouw ik als haar belangrijkste claim – dat alleen de opbouw van middenklassen, zal leiden tot de politieke en democratische verandering die zo veel Afrikaanse landen heel erg hard nodig hebben. Als Afrikaanse burgers een beter inkomen krijgen, belasting gaan betalen, dan zullen zij ook hardere eisen gaan stellen aan de politici die hun geld besteden. Het is dan namelijk hun geld – en geen ontwikkelingsgeld – dat verdwijnt in corrupte zakken. Het is hun geld dat bestemd is voor het onderwijs van hun kinderen, voor gezondheidszorg en voor het bijstaan van armen.

Hier raakt de analyse van Moyo, zij het over een heel ander en oneindig veel kwetsbaarder continent, aan de redenering van Judt. Ook Judt betoogt dat duurzame welvaart en maatschappelijke stabiliteit voor een belangrijk deel op de middenklassen rusten en op een geringe afstand tussen de hoge en lage inkomens: bij een gelijkmatige spreiding van welvaart, gebonden aan een werkelijk perspectief op sociale stijging, zijn de sociale problemen beheersbaar en zijn mensen bereid en in staat tot werkelijke solidariteit.
Hoe ver Afrika hier misschien nog van verwijderd is, en hoe onbegaanbaar misschien ook de route lijkt, Moyo pleit voor een volwassen en eerlijke omgang met Afrikaanse landen. Zij pleit voor werkelijke economische investeringen, zoals – inderdaad – China dat nu doet, en die in de eerste plaats gewone ‘hardwerkende’ Afrikanen ondersteunen. Terzijde, we hoeven geen rooskleurig beeld te hebben van de motieven van Chinezen om te investeren, maar dat maakt het ook niet per se slecht. Bijvoorbeeld in Liberia, waar ik dit voorjaar was, zijn Chinezen in grote getale aanwezig vanwege de rijkdom aan grondstoffen van het land. Maar je ziet ook overal Chinese winkels en kleine restaurants. Aan de rand van de hoofdstad Monrovia wordt een grote universiteit gebouwd met Chinees geld. Dat maakt – hoe dan ook – een daadkrachtiger indruk dan de Unicef-posters die je verderop in de jungle ziet: ‘also boys like to do the dishes’.

Net als Judt pleit Moyo vooral voor de opbouw van meer egalitaire samenlevingen waarin de rijkdom eerlijker wordt gedistribueerd, de inkomensafstanden kleiner zijn en waar via de belastingen en via politieke inmenging mensen betrokken zijn bij het welzijn van elkaar en van hun land.

Ik denk dat velen van u, die hier vandaag aanwezig zijn, een wat grotere dan gemiddelde belangstelling hebben voor ontwikkelingssamenwerking en worstelen met de vraag hoe wij de derde wereld kunnen helpen. Zoals Peerke Donders, de naamgever van deze lezing, dat meer dan een eeuw geleden deed in Suriname.

Hoe kunnen wij Afrika helpen?

Met het beantwoorden van deze vraag wil ik deze lezing afronden.
In de eerste plaats door ons zelf te helpen. Hoe moeilijk ook de economische periode die wij doormaken, hoe hoog de nood aan bezuinigingen ook is, juist nu moeten wij er naar streven om de inkomensafstanden in onze samenleving niet verder te laten vergroten, en onze publieke sfeer niet te laten verloederen. Alleen als onze samenleving in de toekomst een rechtvaardige is, die gelijke kansen op onderwijs, werk en welzijn kent voor mensen uit alle inkomensklassen, zal er de bereidheid zijn en blijven om over onze schutting heen te kijken en een open oog te hebben voor de noden in Afrika.

In de tweede plaats, door tegelijkertijd onze omgang met Afrika te veranderen. Anders dan Moyo denk ik dat hulp – en zeker noodhulp – voorlopig noodzakelijk zal blijven. Maar wij moeten ons meer en meer concentreren op het investeren in duurzame economische groei in Afrika. Via microkredieten, via venture capitalists die kleine bedrijfjes (taxi-, telecombedrijfjes) helpen starten, via publieke organisaties die mensen trainen in politieke en democratische weerbaarheid, zoals nu door een aantal NL’se organisaties in de landen van de Arabische lente wordt gedaan. We zullen ook eerlijke handel moeten gaan toestaan. De benadeling van Afrika die het gevolg is van protectionisme en tarfiefmuren, is absurd – zeker in het licht van de grote armoede die daar is en de hulp die er vanuit Europa naar toe wordt gezonden.

Als ik terugdenk aan de zondagse ritjes met mijn moeder, moet ik altijd een beetje grinniken, Vanwege het schaamteloze naar binnen loeren natuurlijk, maar ook vanwege de volledige afwezigheid van jaloezie en rancune bij andermans uitgestalde rijkdom. In ons leven zat namelijk ruimte en perspectief genoeg om niet afgunstig te zijn.

Ik hoop dat mijn dochter ooit, met haar dochter (wie weet?) zo’n zondags ritje maakt, vrolijk en enkel licht gegeneerd, wetende dat ook zij alle ruimte hebben om zich te ontwikkelen en ontplooien.
Sterker, ik hoop dat over enige tijd een vrouw in Monrovia met haar dochter een ritje naar de buitenwijken maakt. En zich dan vermaakt. Sans rancune, omdat zij het zelf ook goed hebben.

Deze lezing werd uitgesproken op 6 november in Tilburg, ter gelegenheid van de Peerke Donderslezing op 4 november 2011

maandag, 31 oktober 2011

Christian Jongeneel

Christian Jongeneel

Hyves Linkedin Twitter Youtube

Said el Haji – De aankondiging

In literatuur, stad, geschiedenis, handel, punt, lezen, nieuw, tegelijkertijd, rijken, en meer.
1779

Auteurs met lef, die mag ik altijd graag lezen. Dus als Said el Haji een roman schrijft over de grootvader van de profeet Mohammed, dan ga ik naar de boekhandel om hem te kopen, ook als het een foeilelijke omslag heeft. De aankondiging blijkt een boeiend maar wat onevenwichtig boek.

Het verhaal is dik in orde. Mekka is een tolerante stad aan de rand van de invloedsfeer van de Byzantijnse en Perzische rijken. Daar groeit Moetalieb op als pleegzoon van een van de notabelen. Langzaam werkt hij zich via de handel op tot hij de onbetwiste leider van Mekka is. Tegelijkertijd voltooit hij een spirituele zoektocht uit onvrede met de stenen beelden in het heiligdom van Mekka. Het verhaal eindigt met een mythische gebeurtenis die Mekka reinigt en klaar maakt voor een nieuw tijdperk.

Kortom, een verhaal met een kop en een staart dat zich op verschillende niveaus laat lezen. Om het helemaal te kunnen volgen is enige kennis van de geschiedenis onontbeerlijk, want El Haji bezondigt zich niet aan uitleggerigheid. Als je niet weet wat een hanief is, dan zoek je het maar op, want Said vertelt het je niet expliciet.

Het zwakke punt van het boek zit naar mijn smaak in de stijl. Said heeft een neiging tot formeel taalgebruik en omslachtige zinsconstructies. Die wisselt hij af met juist heel vlot geschreven passages. Dat wringt en maakt De aankondiging minder levendig dan gekund had.

zondag, 23 oktober 2011

Wilbert Willems

Wilbert Willems

De Duitse connectie

In agenda, berlijn, bezoek, breda, china, duitsland, eindhoven, nederland, ns, en meer.
Binnenhaven van Duisburg 

De afgelopen 3 dagen hebben we met de mobiliteitswethouders van BrabantStad, samen met onze vaste netwerkpartners NS, Prorail, Rijkswaterstaat, Ministerie van I&M en de provincie, een bezoek aan het Ruhrgebied gebracht. En dat was wel even schrikken. Want Nordrhein-Westfalen telt net zoveel inwoners als heel Nederland; haar hoofdstad Düsseldorf heeft evenveel inwoners als Eindhoven, Tilburg en Breda samen, Duisburg heeft de grootste binnenhaven ter wereld en de handel tussen Nederland en deze deelstaat bedraagt aanzienlijk meer dan die tussen Nederland en de VS of China. Tegelijkertijd merkten wij dat de interesse van onze oosterburen in het versterken van hun verbindingen met Brabant maar ook met Venlo en Rotterdam oprecht waren.

Een belangrijk doel van ons werkbezoek was om te bezien hoe we de gezamenlijke infrastructurele knelpunten kunnen aanpakken zoals de Betuwelijn, de drukte op de Brabantroute, de armoedige enkelspoorverbinding tussen Eindhoven en Düsseldorf via Venlo en Mönchen-Gladbach en natuurlijk de enorme stroom vrachtwagens die vanaf Rotterdam dagelijks naar het Ruhrgebied rijdt en weer terug over de Brabantse snelwegen.
Over de binnenvaart hadden we minder te bespreken maar het maakte grote indruk om te zien hoeveel er rond Duisburg wordt geïnvesteerd om de duizenden containers die per trein en boot de Rijn afzakken daar over te zetten in trajecten naar de rest van Duitsland, Oost-Europa en zuidelijke Europese landen. Er wordt nu zelfs gebouwd aan een treinoverslagternminal waar de containers die per trein uit Rotterdam komen een op een overgezet worden op treinen die deze weer verder vervoeren, zodat de afhandeling en splitsing van goederenstromen niet meer in of bij Rotterdam hoeft plaats te vinden, maar zo'n 150 km verderop. Winst voor alle partijen en met het oog op de tweede Maasvlakte ook bitter noodzakelijk. Voor NRW/Duisport wordt de Rotterdamse haven echt als hun haven gezien.

Het geeft meteen zicht op een ander vraagstuk: hoe krijgen we deze onderwerpen hoog genoeg op de agenda van Berlijn want die moet de IJzeren Rijn en de Betuwelijn en andere vraagstukken weer afwegen tegen de belangen van Hamburg, Frankfurt, München enzovoorts. We kennen dat gevecht als geen ander waar we in BrabantStad op moeten boksen tegen de prioriteiten van de randstad. Daarom loont het zeker de moeite om samen op te trekken willen we in Brabant niet omkomen in de eindeloze rijen vrachtwagens en op- en overslaghallen.

Vanuit de ervaringen die het Ruhrgebied heeft als Europese Culturele Hoofdstad in 2010 hebben we ook een basis gelegd voor de versterking van de culturele samenwerking met het oog op 2018. De transitie van dit stoffige mijngebied naar een moderne en levendige culturele metropool heeft door het culturele-hoofdstad-avontuur een stevige implus gekregen. Onze transitie van agrarische structuur naar een kennismetropool zal er ook zeker van profiteren.

donderdag, 20 oktober 2011

Christian Jongeneel

Christian Jongeneel

Hyves Linkedin Twitter Youtube

Energiebedrijven spelen bankje

In politiek, commissie, derivaten, handel, nederland, olie, europese, grondstoffen, leuk, en meer.
1775

Dertig miljard euro – dat is het totaal aan (speculatieve) beleggingsposities dat de Nederlandse energiebedrijven vermoedelijk hebben uitstaan (dat is vergelijkbaar met een middelgrote bank). Voor een deel moeten zij op de kolen-, olie- en gasmarkten posities innemen om de toevoer van brandstoffen voor hun centrales veilig te stellen, maar in de loop der jaren is deze handel zo gegroeid dat het een business op zich geworden is voor de energiebedrijven.

Als het in Nederland al om zo’n groot bedrag gaat, dan is het elders nog meer. Geen wonder dat overheden nerveus zijn. Vandaag kwam de Europese Commissie met nieuwe voorstellen (codenaam: Mifid II) om de handel in grondstoffen en derivaten aan vergelijkbare regels te binden als puur financiële transacties. Energiebedrijven zullen dan net als banken onder verscherpt toezicht komen te staan. Dat vinden ze niet leuk.

(...)
Lees verder in Energiebedrijven spelen bankje (nog 183 woorden)

zaterdag, 24 september 2011

GroenLinks Noordoost-Overijssel

GroenLinks Noordoost-Overijssel

Uitnodiging themabijeenkomst

In bestuur, handel, millenniumdoelen, nederland, campagne, de, eerlijke handel, gemeente, groenlinks, en meer.

Dinsdag 27 september a.s. Organiseert GroenLinks Noordoost Overijssel aansluitend aan de Algemene Leden Vergadering een themabijeenkomst met als thema “Fairtrade Gemeente.

De Nederlandse campagne “Fairtrade gemeente” is een initiatief van stichting Max Havelaar, COS Nederland, ICCO en de Landelijke Vereniging van Wereldwinkels. De campagne richt zich op verdere uitbreiding van fair trade (eerlijke handel): want eerlijke handel is cruciaal om de realisatie van de millenniumdoelen dichterbij te brengen!
De titel “Fairtrade Gemeente” is een eervolle titel die de gemeente kan behalen als er aan een zestal campagnecriteria wordt voldaan en de titel geeft aan dat de gemeente bijzonder veel aandacht besteedt aan eerlijke handel. Bedrijven in de gemeente, de horeca, supermarkten, scholen, kledingwinkels, sportkantines, de gemeente zelf. Men werkt samen met één doel: het stimuleren van eerlijke handel.
Om 20.00 uur zal Ad van den Assem, voorzitter van GroenLinks Noordoost Overijssel, de aanwezigen welkom heten en een korte inleiding over het thema houden. Hierna zal Franka Viets, directeur COS Overijssel, een presentatie over de campagne “Fairtrade Gemeente” verzorgen. De heer Gerard Tholen en mevrouw Jo Kampman, beide van de Wereldwinkel Hardenberg, zullen iets vertellen over fair trade.
Na een pauze van 15 minuten zal wethouder René de Vent namens de gemeente Hardenberg het standpunt van de gemeente over het thema verwoorden en zal er gelegenheid zijn voor het stellen van vragen aan de sprekers.
De bijeenkomst eindigt rond 22.00 uur.

GroenLinks Noordoost-Overijssel

GroenLinks Noordoost-Overijssel

Hardenberg Fair Trade gemeente?

In bestuur, handel, millenniumdoelen, nederland, campagne, de, de wereld, eerlijke handel, gemeente, en meer.

“Ik zou graag zien dat gemeente Hardenberg een Fair Trade gemeente wordt”, zegt Marco Laarman, raadslid van GroenLinks van gemeente Hardenberg. Fair Trade of makkelijker gezegd : Eerlijke handel is hard nodig om de internationale millenniumdoelen te halen. In het jaar 2000 hebben regeringsleiders van 189 landen namelijk internationale afspraken gemaakt om vóór 2015 armoede, ziekte en honger wereldwijd ver terug te dringen. Als gemeente kun je daaraan je steentje bijdragen. 

De titel “Fairtrade Gemeente” is een eervolle titel die de gemeente kan behalen als er aan een zestal criteria wordt voldaan en de gemeente bijzonder veel aandacht besteedt aan eerlijke handel (zie www.fairtradegemeenten.nl). Ook bedrijven in de gemeente, de horeca, supermarkten, scholen, kledingwinkels, sportkantines, de gemeente zelf, iedereen kan meedoen. Men werkt samen met één doel: het stimuleren van eerlijke handel.
Niet alleen de gemeente maar ook inwoners van de gemeente kunnen meehelpen aan het bereiken van de milleniumdoelen, zodat armoede, ziekte en honger in de wereld minder voorkomt. Hoe dat kan, dat wordt duidelijk in de door GroenLinks georganiseerde bijeenkomst over Fair Trade die op dinsdag 27 september wordt gehouden uur in de Wijkboerderij Baalder, Beekberg 45 te Hardenberg. De bijeenkomst begint om 20.00 uur en duurt tot 22.00 uur. Iedereen is van harte welkom.
Tijdens de bijeenkomst, die zal worden begeleid door Ad van den Assem, voorzitter van GroenLinks Noordoost Overijssel, zal Franka Viets, directeur COS Overijssel, een presentatie over de campagne “Fair Trade Gemeente” verzorgen. De heer Gerard Tholen en mevrouw Jo Kampman, beide van de Wereldwinkel Hardenberg, zullen vertellen wat de wereldwinkel betekent voor fair trade. Wethouder René de Vent zal namens de gemeente Hardenberg het standpunt van de gemeente over het thema verwoorden en zal er gelegenheid zijn voor het stellen van vragen aan de sprekers.
De bijeenkomst wordt door GroenLinks georganiseerd in het kader van de Nederlandse campagne “Fairtrade gemeente” , een initiatief van stichting Max Havelaar, COS Nederland, ICCO en de Landelijke Vereniging van Wereldwinkels. De campagne richt zich op verdere uitbreiding van fair trade (eerlijke handel): want eerlijke handel is cruciaal om de realisatie van de millenniumdoelen dichterbij te brengen!

zondag, 28 augustus 2011

Erik de Graaf

Erik de Graaf

GR

Goethe is vandaag jarig!

In literatuur, frankrijk, gelukkig, kerk, leiden, auto, brieven, nam, de kerk, en meer.

Lang zal hij leven! Op 28 augustus 1749 werd Johann Wolfgang Goethe geboren, 262 jaar geleden. En lang leefde hij inderdaad. Hij overleed in maart 1832, op 82-jarige leeftijd, maar leeft nog steeds voort als “de beste Duitse schrijver”.

Goethe was nog geen 25 toen hij in één klap beroemd werd door zijn brievenroman Die Leiden des jungen Werthers. De hoofdpersoon Werther schreef in brieven aan een vriend over zijn liefde voor Lotte, die echter al aan de man was. Werther vertrok uit haar omgeving, omdat het toch niets kon worden tussen hen. Toen hij na een poosje terugkeerde bleek Lotte inmiddels getrouwd te zijn. Ondanks hun “zielsverbond” kon er van ware liefde geen sprake zijn. Als uitweg koos Werther voor zelfmoord met het pistool van Lottes man.

Goethes hyperemotionele Werther werd onmiddellijk een hit in heel Europa. Het blauwe rokkostuum met geel vest en gele broek, dat Werther in de roman droeg, werd de nieuwe mode onder jongemannen in die tijd. Er kwamen Werther-mokken en Eau de Werther in de handel. Zelfs Werthers zelfmoord vond navolging, zij het gelukkig in beperkte mate.
Vanuit de kerk werd het boek zwaar bekritiseerd, omdat het de zelfmoord zou verheerlijken. In Leipzig, Kopenhagen en Milaan werd het boek om die reden verboden. Goethe zelf noemde dat onzin en vond zijn eigen overleven het ultieme bewijs voor de stelling dat je liefdesverdriet maar het beste van je af kon schrijven. De Werther was tenslotte grotendeels autobiografisch. Alleen werd de zelfmoord van Werther in Goethes geval de geboorte een bestseller.

Goethe nam zelf later afstand van de tophit uit zijn vroege jaren, die tot op de dag van vandaag als hoogtepunt van de rebelse Sturm und Drang–stroming wordt beschouwd. Hij verloor zijn wilde haren. De emotie moest voortaan worden gepaard aan het verstand (de Romantiek meets de Verlichting). Vanaf 1775 tot aan zijn dood verbleef hij met korte onderbrekingen aan het hof van Weimar. Samen met zijn vriend Schiller domineerde hij de literaire stroming van de Deutsche Klassik.

Tot zijn eigen spijt werd Goethe altijd op zijn Die Leiden des jungen Werther aangesproken. Legendarisch werd de ontmoeting tussen Goethe en Napoleon tijdens het Congres van Erfurt, waarop in 1808 een bondgenootschap tussen Rusland en Frankrijk werd overeengekomen. Napoleon nodigde Goethe uit voor een gesprek. “Voila un homme”, zei de Franse keizer over de Duitse schrijver, een echte man. Napoleon bekende Goethe dat hij de Werther wel zeven keer had gelezen en altijd bij zich had.

Erik de Graaf

dinsdag, 9 augustus 2011

Harrie Winteraeken

Harrie Winteraeken

GR

Legalisering softdrugs beter dan alle soorten pasjes.

In politiek, limburg, politie, regels, bezuinigingen, criminaliteit, idee, nederlanders, onderzoek, en meer.
Reactie op: ‘ban Franse drugtoerist’, gelezen in Dagblad De Limburger en Limburgs Dagblad van 4 augustus 2011.

Alleen Nederlanders, Belgen en Duitsers toelaten in koffieshops?

Het is het zoveelste verkeerde plan. Weer een idee dat het hypocriete softdrugsbeleid in stand houdt. Het wordt hoog tijd dat softdrugs gelijk worden behandeld als alcohol en tabak. Onderzoek van een half jaar geleden door de econoom Martijn Boermans van de Hogeschool van Utrecht wees uit dat de legalisatie van cannabis de staatskas jaarlijks netto 850 miljoen oplevert. (Veel geld in deze tijd van bezuinigingen.) Haal softdrugs uit de criminaliteit en de georganiseerde misdaad heeft op dit gebied geen bestaansrecht meer, wat enorm bespaart op politie en justitie. Bindt de teelt en handel van wiet net zoals iedere andere product aan er op toegesneden regels en hef er behoorlijk accijns over. Maar de conservatieve Nederlandse politiek reageert vooralsnog zoals de Engelsen zeggen: “I made up my mind so don’t bother me with the facts.”

Lees de compilatie van reacties in de kranten van 9 augustus 2011.

donderdag, 2 juni 2011

Bèr Kessels

Bèr Kessels

Last.fm Twitter

Mijn bitcoin avontuur, deel twee: handelen en accepteren (op marktplaats) als betaalmiddel.

In bitcoin, gewoon, wereld, de, geld.

Zoals eerder beschreven ben ik in de bitcoin wereld gedoken.

En heb ik daar ook meteen al geld mee verdiend (jawel mijnheer de belastingmijnheer die dit ook misschien leest: ik voer dat gewoon netjes bij mijn inkomsten op).

meer lezen

vrijdag, 1 april 2011

Diederik ten Cate

Diederik ten Cate

Twitter DWARS

Is liberalisme slechts een mening?

In politicologie, vrijheid, cda, christenunie, debat, pvda, politiek, religie, samenleving, en meer.

D66-raadslid Thijs Kleinpaste en PvdA-lid Marcel Duyvensteijn stelden op 7 maart in de Volkskrant de ‘religie ook maar een mening is‘ en dat de staat moet stoppen met het geven an allerlei privileges voor religies. “Het probleem zit hem in de neiging het geloof in god net even hoger te waarderen dan willekeurig welke andere mening,” aldus Kleinpaste en Duyvensteijn. De jongerenorganisaties van het CDA, de ChristenUnie en de SGP reageerden in de Volkskrant dat religie niet slechts een mening is, maar een geopenbaarde waarheid met transcendente oorsprong is.

Het debat of religie gewoon een mening is, is op analytisch niveau interessant maar op praktisch niveau maar in beperkte mate zinnig en vooral ook beledigend – kan ik me zo voorstellen althans. De tegenvraag, is liberalisme slechts een mening, is echter net zo interessant.

Hoewel veel mensen die het liberalisme aanhangen onmiddellijk zullen erkennen dat hun mening geenszins superieur is aan die van anderen, claimt politiek-filosofische stroming van het deontologisch liberalisme wel degelijk een andere positie in de maatschappij dan die van zomaar een mening.

Volgens liberale filosofen als John Rawls is er een onderscheidt tussen het morele en het ethische, een onderscheidt tussen dat wat rechtvaardig is en dat wat goed is.

Liberalen stellen dat ieders individuele visie op het goede leven in normatieve zin gelijk is: iedereen heeft individuele waarden en individuele opvattingen over wat goed is. Er bestaan geen universele waarden en daarom moet iedereen in staat gesteld worden om naar eigen inzichten en met maximale vrijheid het eigen leven vorm te geven.

Naast individuele opvattingen over het goede leven hebben mensen volgens liberal-deontologen echter ook fundamentele universele rechten. Daarom moet de staat rechtvaardige normen op stellen om te zorgen dat ieders fundamentele rechten niet geschonden worden. De gelijke vrijheid van de een houdt op waar de gelijke vrijheid van de ander begint. Er bestaan dus weliswaar geen universele waarden, er bestaan wel degelijk universele normen. Normen zijn volgens liberalen rechtvaardig als ze onpartijdig zijn.

Om te kunnen beredeneren wat onpartijdige normen zijn gebruikt John Rawls het gedachte-experiment van de sluier der onwetendheid: stel je voor dat iedereen zich achter een sluier van onwetendheid bevindt en niet weet welke persoon op aarde je zal zijn als de sluier wordt weggenomen – en ga vervolgens de regels voor de samenleving ontwerpen.

Immanuel Kant gebruikt de categorisch imperatief om te garanderen dat de normen van een samenleving onpartijdig zijn: handel volgens regels waarvan je zou kunnen wensen dat ze een algemene wet zijn.

Jürgen Habermas beweert dat een mens niet ontdaan kan worden van zijn particuliere situatie en eigenschappen en dat daarom rechtvaardige regels enkel tot stand kunnen komen in een inclusieve en machtsvrije deliberatie over wat de beste normen voor een samenleving zijn.

Net zo goed als de christelijke jongeren beweren dat hun geloof een transcendente en universele waarheid voorschrijft claimen liberalen ook universele rechten en normen te kennen. Het belangrijkste verschil zit erin dat liberalen, anders dan christenlijke denkers, beweren dat hun normen onpartijdig zijn tegenover individuele ethische opvattingen over het goede leven. Maar die claim ligt onder vuur van communitaristen als MacIntyre.


Aantal berichten op deze pagina: 26. De berichten op deze pagina zijn niet ouder dan 9674 uur (403,1 dagen). Berichtgemiddelde: 0,1 bericht per dag, 0,5 per week.

Volgende pagina

Pagina: 1 2