zaterdag, 12 mei 2012

Hans Verbeek

Hans Verbeek

Hyves Twitter

IMF zoekt naar olie in de kristallen bol

Afgelopen week publiceerde het Internationaal Monetair Fonds (IMF) een een rapport, getiteld “The Future of Oil: Geology versus Technology” (gratis PDF-bestand). Het rapport kijkt naar de toekomstige wereldproduktie van aardolie aan de hand van economische modellen en vanuit geologisch oogpunt. Volgens economische modellen wordt de aardolieproduktie hoofdzakelijk bepaald door de vraag. En de vraag stijgt [...]

zondag, 6 mei 2012

Harmen Binnema

Harmen Binnema

Last.fm Twitter

Zo kennen we het CDA weer

In politiek, weblog, beleid, bezig, buma, cda, facebook, geloof, nederland, en meer.

Vanaf menig preekstoel zullen vanochtend interessantere politieke uitspraken zijn gedaan dan door predikante en partijvoorzitter Ruth Peetoom tijdens haar optreden in Buitenhof. Zoals wel meer CDA-politici die fris en enthousiast aan hun klus bezig begonnen, is Peetoom inmiddels bevangen geraakt door de vertrouwde christendemocratische nietszeggendheid. Waarin eigen standpunten en compromissen niet meer uit elkaar te houden zijn, omdat het CDA zó graag wil meebesturen dat het nauwelijks meer weet wat dat is, een eigen standpunt. Wie de verkiezingsprogramma’s van het CDA leest, ziet daar een brij aan kleurloze teksten waar noch VVD, noch PvdA zich een buil aan kunnen vallen. Sterker nog, een ruime congresmeerderheid koos anderhalf jaar geleden voor samenwerking met een partij die van het beledigen van gelovigen een sport heeft gemaakt (oh nee, van het geloof, oh nee, van de ideologie) en Maxime Verhagen jubelde dat er zoveel CDA-punten waren binnengehaald.

Inmiddels heeft het CDA zichzelf herontdekt als sociaal voelende en internationaal georiënteerde partij. Nu kan ik mij de opluchting voorstellen wanneer je van het juk van de PVV wordt bevrijd, maar die klinkt weinig geloofwaardig uit de mond van degenen die deze samenwerking zo vurig hebben verdedigd en effectief het verzet van verstandige partijgenoten hebben gesmoord. Qua opportunisme kent Henk Bleker zijn gelijke niet, maar Liesbeth Spies deed afgelopen week een verdienstelijke poging. Iets met het hoofd en het hart, geloof ik. Overigens viel me de tekstuitleg van Peetoom op dit onderwerp erg tegen, zeker van een theologe.

Afgelopen donderdag mocht ik mijn studenten iets uitleggen over partijstrategieën: de politicoloog Kaare Strøm onderscheidt hierbij het streven naar stemmen (vote-seeking), beleid (policy-seeking) en regeringsmacht (office-seeking). Politieke partijen proberen een voor henzelf geschikte combinatie van deze drie strategieën te vinden. Het is logisch dat je om mee te regeren een aantal zetels nodig hebt – en bij een grote verkiezingszege kan men niet zomaar om je heen. Maar als je inhoudelijk heel ver van anderen afstaat, wordt dat regeren ondanks een groot aantal zetels misschien toch lastig. Op mijn vraag welke partij in Nederland vooral door office seeking wordt gekenmerkt, was het antwoord rap en zonder enige twijfel: dat is het CDA. En we hebben zeker niet alleen maar linkse studenten in Utrecht…

Ergens vind ik het toch wel jammer dat het CDA weer terug bij af is. Ik luister altijd graag naar de verhalen van Jack de Vries (zelfs bij DWDD), maar nu hij campagneleider van Eerlijk Helder Henk is, heeft hij voor mij toch wel definitief afgedaan. Ik begon tot mijn eigen verbazing Maxime Verhagen tijdens zijn optreden bij Pauw & Witteman zowaar een beetje sympathiek te vinden en juist nu verlaat hij de politiek. Mijn enige hoop is nog gevestigd op Sybrand van Haersma Buma, die al sinds ik hem als beginnend Kamerlid aan het werk zag, een prettige en betrouwbare indruk maakt. Maar ja, hij zal wel lijsttrekker worden en we weten wat dat met een CDA’er doet.

zaterdag, 5 mei 2012

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Bouterses biecht

In politiek, belangrijk, bezig, boeken, de wereld, falen, gerechtigheid, gevallen, grondwet, en meer.

Het aannemen van de nieuwe amnestiewet in Suriname heeft veel stof doen opwaaien. Niemand twijfelt eraan dat Bouterse zelf gezorgd heeft dat deze wet er kwam. Niemand betwijfelt dat het belangrijkste doel is Bouterse zelf uit de gevangenis te houden. Toch wordt dat niet met zoveel woorden gezegd. De wet wordt verdedigd met het argument dat het voor Suriname belangrijk is om het pijnlijke verleden achter zich te laten en te kijken naar de toekomst. In de uiteindelijke versie van de wet is dan ook voorzien in een waarheids- en verzoeningscommissie, naar het voorbeeld van Zuid-Afrika.

Mensenrechten

Intussen is er al heel wat gezegd en geschreven over de juridische en politieke aspecten. Er zit op zijn minst spanning tussen deze wet en de Surinaamse grondwet zowel als internationale verdragen op het terrein van de mensenrechten. Dat betekent dat Suriname zich internationaal isoleert. Minstens zo ernstig is het gegeven dat de binnenlandse verhoudingen er ook mee onder druk komen te staan en dat de onafhankelijke rechtspraak in het gedrang komt.

Nu ligt de kwestie nog wel iets ingewikkelder dan een strijd tussen Bouterse en de rest van de wereld. Om te beginnen heeft een belangrijk deel van de jonge bevolking de decembermoorden van 1982 niet meegemaakt. Het vertrouwen dat Bouterse het land naar grotere welvaart zal brengen is dan al gauw sterker dan de behoefte aan gerechtigheid over het verleden. Ter vergelijking: in Nederland lopen we ook niet zo hard om de Indische ereschuld in te lossen. Bovendien weigert Nederland tot nu toe om alle stukken openbaar te maken over het eigen optreden in en rond die periode.

Mij interesseert echter ook nog iets anders aan de zaak. De taal waarin over de amnestiewet  gesproken wordt, is vaak sterk religieus. Zo zegt coalitiepartner Paul Somohardjo die zelf op de dodenlijst stond: “Alle religieuze boeken leren ons om te vergeven, daarom ben ik voor amnestie.” Vergeving, verzoening, het zijn termen die inderdaad direct teruggaan op de religieuze tradities. Maar kan dat wel in een situatie als deze? Of worden ze hier principieel misbruikt?

Boete en biecht

Het antwoord op die vragen ligt voor een deel precies in die tradities. Volgens mij zijn religies namelijk wijsheidstradities waarin existentiële inzichten van eeuwen zijn uitgekristalliseerd. Ook over de omgang met het kwaad, het falen, de schuld. De middeleeuwse boete- en biechtpraktijk is dan ook een voorbeeld van die levenswijsheid. Wie daar goed naar kijkt, ziet meteen waarom de amnestiewet van Bouterse geen verzoening zal bewerken.

In de boete- en biechtpraktijk zijn vijf noodzakelijke elementen of stappen te onderscheiden. Het begint met het gewetensonderzoek. Wie vergeving wil, zal allereerst zichzelf onder ogen moeten komen. Daarbij moet duidelijk worden wat het eigen aandeel, de eigen schuld is, en welk deel aan anderen of aan de omstandigheden geweten kan worden. Dit gewetensonderzoek is een pijnlijk zelfkritisch proces waar je niet onaangedaan uit kunt komen.

De tweede stap is het oprechte berouw dat hiervan het gevolg is. In het Latijn heet dit de ‘contritio cordis’, de verbrokenheid van het hart. Natuurlijk is berouw niet te meten, maar wat wel zichtbaar is, is of iemand zichzelf nederig en kwetsbaar opstelt of juist doorgaat met machtsvertoon. Dat laatste wijst in elk geval niet op een verbroken hart. In het geval van de Surinaamse amnestiewet zie ik er ook geen tekenen van. Integendeel: ik zie een machthebber die volop bezig is zichzelf te redden.

De derde stap is de uitgesproken schuldbelijdenis, de ‘confessio oris’. Het is niet voldoende om inwendig berouw te voelen, het moet ook naar buiten gebracht worden. Allereerst tegenover de mensen die je kwaad hebt gedaan, maar in voorkomende gevallen ook de samenleving als geheel. Die schuldbelijdenis kon in de traditie ook de vorm krijgen van de individuele biecht. Nu kunnen we de amnestiewet op zich wel opvatten als Bouterses biecht of op zijn minst de impliciete erkenning dat hij schuldig is, maar het volmondig toegeven ontbreekt.

De vierde stap is de genoegdoening met de daad, de ‘satisfactio operis’. Woorden alleen zijn niet genoeg. Het moet aan iemands daden te zien zijn dat er een echte verandering is opgetreden. Soms krijgt dat de vorm van schuldbetalingen of andere vormen van herstel. In elk geval moet de destructieve invloed worden omgezet in een constructieve. Na dit alles wordt de vijfde stap een mogelijkheid: absolutie of vergeving.

Pijnlijk werk

Wie de levenswijsheid van deze oude traditie toepast op de casus Suriname, die ziet waar het aan schort: Bouterse wil wel vergeving en verzoening, maar berouw en schuldbelijdenis ontbreken. Dat betekent dat de slachtoffers geen recht gedaan wordt en dat deze amnestie niet tot vrede en verzoening kan leiden. Ook het beloofde waarheids- en verzoeningsproces begint onder het verkeerde gesternte. Tutu en de zijnen hadden begrepen dat vergeving en verzoening hard en pijnlijk werk inhouden; Bouterse lijkt het te willen hebben van goedkope genade.


Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Bouterses biecht

In politiek, belangrijk, bezig, boeken, de, de wereld, falen, gerechtigheid, gevallen, en meer.

Het aannemen van de nieuwe amnestiewet in Suriname heeft veel stof doen opwaaien. Niemand twijfelt eraan dat Bouterse zelf gezorgd heeft dat deze wet er kwam. Niemand betwijfelt dat het belangrijkste doel is Bouterse zelf uit de gevangenis te houden. Toch wordt dat niet met zoveel woorden gezegd. De wet wordt verdedigd met het argument dat het voor Suriname belangrijk is om het pijnlijke verleden achter zich te laten en te kijken naar de toekomst. In de uiteindelijke versie van de wet is dan ook voorzien in een waarheids- en verzoeningscommissie, naar het voorbeeld van Zuid-Afrika.

Mensenrechten

Intussen is er al heel wat gezegd en geschreven over de juridische en politieke aspecten. Er zit op zijn minst spanning tussen deze wet en de Surinaamse grondwet zowel als internationale verdragen op het terrein van de mensenrechten. Dat betekent dat Suriname zich internationaal isoleert. Minstens zo ernstig is het gegeven dat de binnenlandse verhoudingen er ook mee onder druk komen te staan en dat de onafhankelijke rechtspraak in het gedrang komt.

Nu ligt de kwestie nog wel iets ingewikkelder dan een strijd tussen Bouterse en de rest van de wereld. Om te beginnen heeft een belangrijk deel van de jonge bevolking de decembermoorden van 1982 niet meegemaakt. Het vertrouwen dat Bouterse het land naar grotere welvaart zal brengen is dan al gauw sterker dan de behoefte aan gerechtigheid over het verleden. Ter vergelijking: in Nederland lopen we ook niet zo hard om de Indische ereschuld in te lossen. Bovendien weigert Nederland tot nu toe om alle stukken openbaar te maken over het eigen optreden in en rond die periode.

Mij interesseert echter ook nog iets anders aan de zaak. De taal waarin over de amnestiewet  gesproken wordt, is vaak sterk religieus. Zo zegt coalitiepartner Paul Somohardjo die zelf op de dodenlijst stond: “Alle religieuze boeken leren ons om te vergeven, daarom ben ik voor amnestie.” Vergeving, verzoening, het zijn termen die inderdaad direct teruggaan op de religieuze tradities. Maar kan dat wel in een situatie als deze? Of worden ze hier principieel misbruikt?

Boete en biecht

Het antwoord op die vragen ligt voor een deel precies in die tradities. Volgens mij zijn religies namelijk wijsheidstradities waarin existentiële inzichten van eeuwen zijn uitgekristalliseerd. Ook over de omgang met het kwaad, het falen, de schuld. De middeleeuwse boete- en biechtpraktijk is dan ook een voorbeeld van die levenswijsheid. Wie daar goed naar kijkt, ziet meteen waarom de amnestiewet van Bouterse geen verzoening zal bewerken.

In de boete- en biechtpraktijk zijn vijf noodzakelijke elementen of stappen te onderscheiden. Het begint met het gewetensonderzoek. Wie vergeving wil, zal allereerst zichzelf onder ogen moeten komen. Daarbij moet duidelijk worden wat het eigen aandeel, de eigen schuld is, en welk deel aan anderen of aan de omstandigheden geweten kan worden. Dit gewetensonderzoek is een pijnlijk zelfkritisch proces waar je niet onaangedaan uit kunt komen.

De tweede stap is het oprechte berouw dat hiervan het gevolg is. In het Latijn heet dit de ‘contritio cordis’, de verbrokenheid van het hart. Natuurlijk is berouw niet te meten, maar wat wel zichtbaar is, is of iemand zichzelf nederig en kwetsbaar opstelt of juist doorgaat met machtsvertoon. Dat laatste wijst in elk geval niet op een verbroken hart. In het geval van de Surinaamse amnestiewet zie ik er ook geen tekenen van. Integendeel: ik zie een machthebber die volop bezig is zichzelf te redden.

De derde stap is de uitgesproken schuldbelijdenis, de ‘confessio oris’. Het is niet voldoende om inwendig berouw te voelen, het moet ook naar buiten gebracht worden. Allereerst tegenover de mensen die je kwaad hebt gedaan, maar in voorkomende gevallen ook de samenleving als geheel. Die schuldbelijdenis kon in de traditie ook de vorm krijgen van de individuele biecht. Nu kunnen we de amnestiewet op zich wel opvatten als Bouterses biecht of op zijn minst de impliciete erkenning dat hij schuldig is, maar het volmondig toegeven ontbreekt.

De vierde stap is de genoegdoening met de daad, de ‘satisfactio operis’. Woorden alleen zijn niet genoeg. Het moet aan iemands daden te zien zijn dat er een echte verandering is opgetreden. Soms krijgt dat de vorm van schuldbetalingen of andere vormen van herstel. In elk geval moet de destructieve invloed worden omgezet in een constructieve. Na dit alles wordt de vijfde stap een mogelijkheid: absolutie of vergeving.

Pijnlijk werk

Wie de levenswijsheid van deze oude traditie toepast op de casus Suriname, die ziet waar het aan schort: Bouterse wil wel vergeving en verzoening, maar berouw en schuldbelijdenis ontbreken. Dat betekent dat de slachtoffers geen recht gedaan wordt en dat deze amnestie niet tot vrede en verzoening kan leiden. Ook het beloofde waarheids- en verzoeningsproces begint onder het verkeerde gesternte. Tutu en de zijnen hadden begrepen dat vergeving en verzoening hard en pijnlijk werk inhouden; Bouterse lijkt het te willen hebben van goedkope genade.


vrijdag, 4 mei 2012

Margreet de Boer

Margreet de Boer

Hyves Linkedin Twitter

Herdenking Sierplein

In 4 mei, beperking, dragen, gemeenschap, herdenken, herdenking, homoseksuelen, huis, joden, en meer.
Het was een mooie herdenking op het Sierplein. Veel betrokken buurtbewoners. Oud en jong, van diverse afkomst en verschillende religies. Ik mocht er een toespraak houden. Dit is de tekst:

 
Vandaag herdenken we, zoals ieder jaar op 4 mei, de oorlogsslachtoffers. De slachtoffers van de Tweede wereldoorlog, en die van de oorlogen die daarna over de hele wereld zijn en worden uitgevochten.
 
We staan stil bij al die de mensen die werden onderdrukt, mishandeld, verkracht en vermoord. Omdat ze in verzet kwamen, omdat ze in de weg zaten, of simpelweg omdat ze waren wie ze waren.
 
Vermoord worden omdat je bent wie je bent. Het gebeurde in de Tweede Wereldoorlog met Joden, met Roma, met homoseksuelen.
Het gebeurde daarvoor – de Indianen in Noord-Amerika, Oekrainers en Tartaren in Rusland, Armeniers in het Ottomaanse Rijk- en het gebeurde daarna – Tutsi's in Rwanda, Bosniers in Servie- Onvoorstelbare haat tussen bevolkingsgroepen, vaak aangewakkerd door op macht beluste leiders. Onvoorstelbare aantallen slachtoffers ook.
Vandaag proberen we het onbevattelijke even te bevatten, en staan we bij ze stil.
 
Mensen worden niet alleen vermoord omdat ze zijn wie ze zijn; ze worden ook op andere manieren misbruikt en onderdrukt.
In veel conflictgebieden worden vrouwen en meisjes, maar ook mannen, systematisch verkracht. Een vreselijke oorlogsmidsdaad, die mensen berooft van al hun waardigeid, en niet zelden leidt tot uitstoting uit hun gemeenschap. De verhalen van slachtoffers van dergelijke verkrachtingen, zoals die onder andere bij het Internationaal Strafhof in Den Haag worden verteld, zijn hartverscheurend. Ook bij deze slachtoffers staan we vandaag stil.
 
Ook bij de slachtoffers van onderdrukking wil ik met u stil staan. Van mensen die niet vrij zijn om te zeggen wat ze willen; te geloven wat ze willen; te leven zoals ze willen. Homoseksuelen die gestraft worden voor hun seksuele voorkeur; volken die hun eigen taal niet mogen spreken; vrouwen die zich aan strenge kledingvoorschriften moeten houden of worden gedwongen met hun verkrachter te trouwen; meisjes die niet naar school mogen en worden uitgehuwelijkt.
 
Daar waar onderdrukking is, is verzet. We zagen het in de Tweede Wereldoorlog waar mensen onderduikers in huis namen, verzetskranten publiceerden en tijdens de Februaristaking de straat op gingen om te protesteren tegen de razzia's. We zagen en zien het in de landen in Noord-Afrika, waar nog dagelijks mensen de straat op gaan om te strijden voor hun vrijheid. We zien het in landen waar mensenrechtenactivisten opkomen de burgerrechten; landen waar vrouwenrechtenactivisten opkomen voor vrouwenrechten. In verzet komen is risicovol. Velen worden vermoord, gevangen gezet of verdwijnen. Ook bij hen die in verzet komen staan we vandaag stil. Zij verdienen onze steun, en ons respect.
 
Tot slot wil ik met u even stil staan bij onszelf.
Wij leven in een vrij land. We mogen zeggen wat we willen. We mogen geloven wat we willen. We mogen dragen wat we willen. We mogen houden van wie we willen en trouwen met wie we willen.
Of niet?
Ook in Nederland ligt de beperking van onze vrijheid op de loer. De sociale druk van de eigen familie of gemeenschap kan groot zijn. Maar ook vanuit politiek en overheid word onze vrijheid om te zijn wie we willen zijn soms bedreigd.
Laten we de vrijheid die we hebben koesteren. Onze vrijheid kan alleen bestaan wanneer we de vrijheid van anderen respecteren, en net zo waardevol achten.
Laten we de vrijheid ook doorgeven aan onze kinderen. Door hen vrijheid te geven, en door hen te leren de vrijheid van anderen te respecteren.
Je kinderen de vrijheid te geven te zijn wie ze willen zijn, te houden van wie ze willen houden, te dragen wat ze willen dragen, te geloven wat ze willen geloven... gemakkelijk is het niet. Maar we moeten het wel doen. Want tegen onderdrukking en onvrijheid is maar één recept, en dat is vrijheid. Laten we die koesteren, en doorgeven.
 

woensdag, 2 mei 2012

louisdemast

louisdemast

Twitter Youtube

“Nederland uit de aardbol”

In uncategorized, euro, europa, geert, geert wilders, geld, gemeenschap, invloed, islam, en meer.

Wilders heeft fel uitgehaald naar de internationale gemeenschap tijdens zijn werkbezoek in Rusland. De PVV leider presenteert daar vandaag zijn manifest: “Democratie: hoezo!!??” Na zijn kruistochten tegen de Islam, de euro en Europa, heeft Geert Wilders een nieuwe vijand gevonden: Moeder Natuur.

“Onze souvereiniteit staat op het spel. Als we niet oppassen, hebben we niks meer te zeggen over wanneer we door natuurrampen getroffen worden. Henk en Ingrid moeten zelf kunnen bepalen hoe dik de ozonlaag moet zijn”. Naast langetermijn natuurverschijnselen, hekelt Wilders de ongebreidelde invloed van de seizoenen: “elk jaar weer hetzelfde liedje: zomer, herfst, winter, lente. Nederland is niks gevraagd, het wordt ons opgelegd en we hebben maar mee te doen”.

Ook de mensenrechten zullen het ontgelden, als het aan Wilders ligt. Hij pleit voor terugtrekking uit de NAVO, het opheffen van “subsidieslurpers” als Amnesty International en het overhevelen van het verplaatsen van het Internationaal Strafhof. “We kunnen best zonder die linkse hobby’s in Den Haag. Het geld voor al die rechters kunnen we beter besteden aan airconditioning en terrasverwarming”.

President Poetin heeft in reactie op de uitlatingen van Wilders een korte verklaring doen uitgaan. Hij zegt dat de uitlatingen voor rekening zijn van de PVV voorman. “In Rusland kennen we geen seizoenen, het is altijd winter en dat vinden we prima.” Wel zegt hij iets te voelen voor inperking van de mensenrechten. “dat is in elk land toch anders, zoiets als rechten moet je nooit centraal willen regelen.”

Minister-president Rutte en de NAVO topman Rasmussen hebben nog niet gereageerd.

 

 


maandag, 23 april 2012

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Wat ik zou zeggen in het geschrapte debat over cultuurbeleid

In eerste kamer, politiek, belangrijk, beleid, bezig, bezuinigingen, cijfers, communicatie, creativiteit, en meer.

(door de val van het kabinet gaat op 24.04 het debat over cultuurbeleid niet door in de Eerste Kamer. Dit was mijn inbreng voor dat debat:)

Voorzitter, het lijkt niet zo heel erg nuttig om vandaag met elkaar te spreken over de principiële kanten van het cultuurbeleid. Niet alleen lijken er belangrijker onderwerpen te bestaan, maar het handelingsperspectief van deze staatssecretaris is het afgelopen weekeinde een heel stuk korter geworden. Heeft het dan zin om in deze Kamer te debatteren over fundamentele visies? Waar moet het heen met kunst en cultuur in ons land en komen we daar wel met het nu ingezette beleid en de draconische bezuinigingen? Wezenlijke vragen, maar met een vleugellamme staatssecretaris schiet dat niet op.

Als we er dan toch over spreken, dan moet het maar in het licht van de toekomst. Waar gaan we naartoe ná het tijdperk Zijlstra? Wat staat er als stip op de horizon en wat moeten we vandaag doen of nalaten om te voorkomen dat we heel ergens anders uitkomen? Welke bijsturing kan niet wachten op een nieuw kabinet? Natuurlijk raakt dat aan de bezuinigingen, maar tegelijk is die financiële discussie enkel het sluitstuk. Het begint ergens anders.

De eerste wezenlijke vraag bij cultuurbeleid betreft het doel. Waar is cultuur eigenlijk goed voor en wat is er nodig om dat te stimuleren? In de beleidsnota Meer dan kwaliteit lezen we dan: “Cultuur staat zowel voor binding, identiteit en traditie als voor dynamiek, creativiteit en vernieuwing.” En verder gaat het in de nota dan de hele tijd over hoe dat georganiseerd moet worden. Het gaat dan ook binnen de kortste keren over het economische rendement. En zo wordt over cultuureducatie gezegd: “De spontaniteit en verbeelding die cultuur losmaakt, zijn in onze tijd niet alleen gevraagd, maar vaak ook vereist: ’A firm needs more than an efficient manufacturing process, cost-control and a good technological base to remain competitive’.” Dat is natuurlijk zo, maar wie heeft er in hemelsnaam bedacht dat we een bedrijfskundige redenering nodig hebben om cultuureducatie te verantwoorden?

Het valt dan ook op dat de hele beleidsnota draait om ‘meer dan kwaliteit’, maar dat die kwaliteit zelf nergens ter sprake komt of beschreven wordt. Die wordt kennelijk als vanzelfsprekend beschouwd en vervolgens draait het hele beleid om andere zaken: meer publiek aantrekken, meer eigen geld verdienen, participatie en educatie, erfgoedbeheer, en regionale spreiding. Ik wil er wel bij zeggen dat ik die doelen allemaal niet verkeerd vind, maar de onderliggende vraag naar kwaliteit wordt angstvallig vermeden.

Misschien heeft dat ermee te maken dat de staatssecretaris vanuit zijn eigen opleiding kwaliteit vooral benadert in marketingtermen. Kwaliteit is dan voldoen aan de verwachtingen van de klant. Er is echter ook een andere definitie, die veel meer het hart raakt: kwaliteit is de mate waarin de intrinsieke eigenschappen van een goed tot uitdrukking worden gebracht. Bij de intrinsieke eigenschappen van kunst horen in elk geval zaken als schoonheidsbeleving, het vermogen om mensen in beweging te brengen, te ontroeren, te verrassen, aan het denken te zetten, enzovoorts. Hoe meer dit gebeurt, des te gelaagder en geslaagder de kunst. En als we het over het bredere veld van cultuur hebben, dan horen bij de intrinsieke eigenschappen in elk geval het construeren, communiceren en innoveren van traditie en identiteit. Of het nu gaat om hoge cultuur, volkscultuur of populaire cultuur, kwaliteit heeft direct te maken met dergelijke intrinsieke eigenschappen en ik vraag de staatssecretaris waarom hij daar geen woord aan wijdt. Zonder een dergelijk principieel ankerpunt is het namelijk onmogelijk vast te stellen of de andere doelen die hij met zijn beleid nastreeft, sporen met deze kwaliteit.

Hier ligt dus ook een belangrijke vraag bij de samenhang van de beleidsdoelen. Wat doet de staatssecretaris als kwaliteit, het bereiken van het publiek, regionale spreiding, internationaal bereik en het aantrekken van externe financiering niet samenvallen? Hoe weegt hij dan de verschillende aspecten? Gaat dan de regionale spreiding voor kwaliteit of andersom? Ik zou hier graag nader toelichting over horen. Ik vind het namelijk van groot belang dat zo veel mogelijk mensen toegang hebben tot kunst en cultuur, maar ook dat er ruimte is voor het kleine en bijzondere.

Het grote risico van de benadering van de staatssecretaris is een instrumentalisering van kunst en cultuur. Zo krijgt de creatieve industrie een speciale plaats omdat het bijdraagt aan de economische topsectoren, is cultuureducatie goed om kinderen voor te bereiden op het bedrijfsleven en de internationale wereld, en is culturele internationalisering behulpzaam bij de buitenlandse betrekkingen en “het Nederlands economisch belang, door verbanden tussen cultuur, handel en economie te benadrukken.” En zo gaat het door. De beleidsnota begint met een paragraaf over markt en overheid, Cultuur in beeld rekent ons precies voor wat het kost en opbrengt, enzovoorts. Tamelijk obligaat staat het er dan in een tussenzin: “Vanzelfsprekend laat de waarde van cultuur zich niet alleen in cijfers uitdrukken.” Maar dat is te weinig. Als cultuur nuttig moet zijn voor iets anders, dan ondermijnt dat rechtstreeks de eigen ruimte die kunst en cultuur moeten hebben. Dat bedenk ik niet alleen; ook de Telderstichting schrijft in haar recente advies: “Leg in de legitimering van cultuursubsidies niet te veel nadruk op de instrumentele waarde van cultuur, maar rechtvaardig de rol van de overheid vanuit de intrinsieke waarde van kunst en cultuur.” Ik vraag de staatssecretaris hoe hij denkt over dit advies van zijn partijgenoten. En als hij toch bezig is, ben ik ook benieuwd naar zijn visie op de inbreng van zijn partijgenoot De Liefde in het debat aan de overzijde die suggereerde dat van de zeven leden van cultuursubsidiecommissies drie zich zouden moeten buigen over artistieke kwaliteit en de andere vier over communicatie, marketing, ondernemerschap en financiën. Is de staatssecretaris het met mij eens dat daarmee cultuur ondergeschikt wordt gemaakt aan commercie.

Voorzitter, ik kom daarmee aan een tweede punt. De beleidsnota Meer dan kwaliteit zet in met de vraag naar de verhouding tussen markt en overheid. We hebben het dan over de verantwoordelijkheidstoedeling in het stelsel. Wie is verantwoordelijk voor welk deel? Geconstateerd wordt dat een belangrijk deel van de 18 miljard omzet in de cultuursector op de vrije markt wordt gerealiseerd. Ongeveer een zesde daarvan is afhankelijk van overheidssubsidies. Het lijkt dan alsof het terugbrengen van die overheidssubsidie op het totaal niet zoveel uitmaakt, maar dat is natuurlijk niet zo. Klopt mijn beeld, zo vraag ik de staatssecretaris, dat bij het marktdeel van de cultuursector ook allerlei commercieel sterke onderdelen zitten? Klopt het dat bij de gemeenten vooral ook breedtecultuur en de bijbehorende huisvestingskosten een groot beslag leggen? En klopt het dat de Rijksoverheid juist verantwoordelijk is voor specifieke onderdelen die de markt en de lagere overheden niet dekken? Kortom: zou de staatssecretaris eens wat inhoudelijker zichtbaar kunnen maken wat de markt wel en niet gefinancierd en georganiseerd krijgt en hoe de verschillende overheden hun verantwoordelijkheid oppakken? Dan wordt namelijk ook zichtbaar hoe groot de werkelijke effecten van de bezuinigingen en andere maatregelen zijn.

De regering lijkt van mening dat haar eigen verantwoordelijkheid nog wel wat kleiner kan. Zij subsidieert nu ongeveer 5,5 % van de cultuursector, maar daar kan nog een heel procentpunt af. De sponsors, fondsen en mecenassen staan immers in de rij om het over te nemen. Maar helaas, zo simpel ligt het niet. Er is inderdaad op dit punt veel in ontwikkeling, maar de staatssecretaris rekent zich voorlopig alleen maar rijk. De Amerikaanse situatie die hij als voorbeeld lijkt te hebben, staat in veel opzichten ver af van de onze en dat verandert niet zomaar als hij de geldkraan dichtdraait. Het is opvallend dat het grote voorbeeld van het cultuurmecenaat, de VandenEnde Foundation, nogal kritisch is op dit Amerikaanse voorbeeld, bijvoorbeeld bij het jaarverslag 2010. De continuïteit van de cultuurfinanciering staat sterk onder druk van teruglopende giften; de grote financiers neigen ertoe de elitaire kunst te stimuleren terwijl juist de emancipatoire kunst van niches, avantgarde en minderheidsgroepen snel in het gedrang komt, en de nadruk op projectfinanciering leidt tot kortetermijndenken en niet tot opbouw van de sector. Ik concludeer dat het beleid van de staatssecretaris precies onder deze kritiek valt: teruglopende financiering, nadruk op elitaire topcultuur en projectfinanciering. Hoe ziet de staatssecretaris dit? Denkt hij echt dat – midden in een economische crisis – de gaten die hij slaat, worden opgevuld door mecenaat en sponsoring? En heeft hij daar meer argumenten voor dan zijn neoliberale marktnaïviteit?

Ten slotte nog een principieel punt. De beleidsnota stelt als uitgangspunt: “Culturele instellingen moeten minder afhankelijk worden van de overheid en daardoor flexibeler en krachtiger worden. Daarom bezuinigt het kabinet op cultuur.” Dat is natuurlijk een gotspe. Dit – zo goed als voorbije – kabinet bezuinigt op cultuur uit economische motieven en populistische rancune. Maar dan nog. Dergelijke zinnen verraden een gevaarlijke visie op de overheid. Ze suggereren dat de overheid een noodzakelijk kwaad is en dat subsidie alleen maar verlamt. Is niet, zo vraag ik de staatssecretaris, de overheid de belichaming van het collectief van de samenleving? En zijn niet subsidies een belangrijke manier om publieke goederen en collectieve waarden te ondersteunen? Is het daarom niet essentieel om het levend houden van cultuur en traditie ook op collectief niveau te borgen? Ik roep de staatssecretaris op om niet langer mee te werken aan het ondermijnen van de overheid die namens ons allen zorg draagt voor het in stand houden van een samenleving waarin kunst en cultuur gedijen en ons allen ten goede komen.

Voorzitter, ik sluit af. Volgens Plato zijn er drie kernwaarden die een rol zouden moeten spelen in onze afwegingen: het ware, het goede en het schone. Dit kabinet lijkt een vierde te hebben toegevoegd: het goedkope. Ik vrees dat dat ons allen duur komt te staan.


Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Wat ik zou zeggen in het geschrapte debat over cultuurbeleid

In eerste kamer, politiek, belangrijk, beleid, bezig, bezuinigingen, cijfers, communicatie, crisis, en meer.

(door de val van het kabinet gaat op 24.04 het debat over cultuurbeleid niet door in de Eerste Kamer. Dit was mijn inbreng voor dat debat:)

Voorzitter, het lijkt niet zo heel erg nuttig om vandaag met elkaar te spreken over de principiële kanten van het cultuurbeleid. Niet alleen lijken er belangrijker onderwerpen te bestaan, maar het handelingsperspectief van deze staatssecretaris is het afgelopen weekeinde een heel stuk korter geworden. Heeft het dan zin om in deze Kamer te debatteren over fundamentele visies? Waar moet het heen met kunst en cultuur in ons land en komen we daar wel met het nu ingezette beleid en de draconische bezuinigingen? Wezenlijke vragen, maar met een vleugellamme staatssecretaris schiet dat niet op.

Als we er dan toch over spreken, dan moet het maar in het licht van de toekomst. Waar gaan we naartoe ná het tijdperk Zijlstra? Wat staat er als stip op de horizon en wat moeten we vandaag doen of nalaten om te voorkomen dat we heel ergens anders uitkomen? Welke bijsturing kan niet wachten op een nieuw kabinet? Natuurlijk raakt dat aan de bezuinigingen, maar tegelijk is die financiële discussie enkel het sluitstuk. Het begint ergens anders.

De eerste wezenlijke vraag bij cultuurbeleid betreft het doel. Waar is cultuur eigenlijk goed voor en wat is er nodig om dat te stimuleren? In de beleidsnota Meer dan kwaliteit lezen we dan: “Cultuur staat zowel voor binding, identiteit en traditie als voor dynamiek, creativiteit en vernieuwing.” En verder gaat het in de nota dan de hele tijd over hoe dat georganiseerd moet worden. Het gaat dan ook binnen de kortste keren over het economische rendement. En zo wordt over cultuureducatie gezegd: “De spontaniteit en verbeelding die cultuur losmaakt, zijn in onze tijd niet alleen gevraagd, maar vaak ook vereist: ’A firm needs more than an efficient manufacturing process, cost-control and a good technological base to remain competitive’.” Dat is natuurlijk zo, maar wie heeft er in hemelsnaam bedacht dat we een bedrijfskundige redenering nodig hebben om cultuureducatie te verantwoorden?

Het valt dan ook op dat de hele beleidsnota draait om ‘meer dan kwaliteit’, maar dat die kwaliteit zelf nergens ter sprake komt of beschreven wordt. Die wordt kennelijk als vanzelfsprekend beschouwd en vervolgens draait het hele beleid om andere zaken: meer publiek aantrekken, meer eigen geld verdienen, participatie en educatie, erfgoedbeheer, en regionale spreiding. Ik wil er wel bij zeggen dat ik die doelen allemaal niet verkeerd vind, maar de onderliggende vraag naar kwaliteit wordt angstvallig vermeden.

Misschien heeft dat ermee te maken dat de staatssecretaris vanuit zijn eigen opleiding kwaliteit vooral benadert in marketingtermen. Kwaliteit is dan voldoen aan de verwachtingen van de klant. Er is echter ook een andere definitie, die veel meer het hart raakt: kwaliteit is de mate waarin de intrinsieke eigenschappen van een goed tot uitdrukking worden gebracht. Bij de intrinsieke eigenschappen van kunst horen in elk geval zaken als schoonheidsbeleving, het vermogen om mensen in beweging te brengen, te ontroeren, te verrassen, aan het denken te zetten, enzovoorts. Hoe meer dit gebeurt, des te gelaagder en geslaagder de kunst. En als we het over het bredere veld van cultuur hebben, dan horen bij de intrinsieke eigenschappen in elk geval het construeren, communiceren en innoveren van traditie en identiteit. Of het nu gaat om hoge cultuur, volkscultuur of populaire cultuur, kwaliteit heeft direct te maken met dergelijke intrinsieke eigenschappen en ik vraag de staatssecretaris waarom hij daar geen woord aan wijdt. Zonder een dergelijk principieel ankerpunt is het namelijk onmogelijk vast te stellen of de andere doelen die hij met zijn beleid nastreeft, sporen met deze kwaliteit.

Hier ligt dus ook een belangrijke vraag bij de samenhang van de beleidsdoelen. Wat doet de staatssecretaris als kwaliteit, het bereiken van het publiek, regionale spreiding, internationaal bereik en het aantrekken van externe financiering niet samenvallen? Hoe weegt hij dan de verschillende aspecten? Gaat dan de regionale spreiding voor kwaliteit of andersom? Ik zou hier graag nader toelichting over horen. Ik vind het namelijk van groot belang dat zo veel mogelijk mensen toegang hebben tot kunst en cultuur, maar ook dat er ruimte is voor het kleine en bijzondere.

Het grote risico van de benadering van de staatssecretaris is een instrumentalisering van kunst en cultuur. Zo krijgt de creatieve industrie een speciale plaats omdat het bijdraagt aan de economische topsectoren, is cultuureducatie goed om kinderen voor te bereiden op het bedrijfsleven en de internationale wereld, en is culturele internationalisering behulpzaam bij de buitenlandse betrekkingen en “het Nederlands economisch belang, door verbanden tussen cultuur, handel en economie te benadrukken.” En zo gaat het door. De beleidsnota begint met een paragraaf over markt en overheid, Cultuur in beeld rekent ons precies voor wat het kost en opbrengt, enzovoorts. Tamelijk obligaat staat het er dan in een tussenzin: “Vanzelfsprekend laat de waarde van cultuur zich niet alleen in cijfers uitdrukken.” Maar dat is te weinig. Als cultuur nuttig moet zijn voor iets anders, dan ondermijnt dat rechtstreeks de eigen ruimte die kunst en cultuur moeten hebben. Dat bedenk ik niet alleen; ook de Telderstichting schrijft in haar recente advies: “Leg in de legitimering van cultuursubsidies niet te veel nadruk op de instrumentele waarde van cultuur, maar rechtvaardig de rol van de overheid vanuit de intrinsieke waarde van kunst en cultuur.” Ik vraag de staatssecretaris hoe hij denkt over dit advies van zijn partijgenoten. En als hij toch bezig is, ben ik ook benieuwd naar zijn visie op de inbreng van zijn partijgenoot De Liefde in het debat aan de overzijde die suggereerde dat van de zeven leden van cultuursubsidiecommissies drie zich zouden moeten buigen over artistieke kwaliteit en de andere vier over communicatie, marketing, ondernemerschap en financiën. Is de staatssecretaris het met mij eens dat daarmee cultuur ondergeschikt wordt gemaakt aan commercie.

Voorzitter, ik kom daarmee aan een tweede punt. De beleidsnota Meer dan kwaliteit zet in met de vraag naar de verhouding tussen markt en overheid. We hebben het dan over de verantwoordelijkheidstoedeling in het stelsel. Wie is verantwoordelijk voor welk deel? Geconstateerd wordt dat een belangrijk deel van de 18 miljard omzet in de cultuursector op de vrije markt wordt gerealiseerd. Ongeveer een zesde daarvan is afhankelijk van overheidssubsidies. Het lijkt dan alsof het terugbrengen van die overheidssubsidie op het totaal niet zoveel uitmaakt, maar dat is natuurlijk niet zo. Klopt mijn beeld, zo vraag ik de staatssecretaris, dat bij het marktdeel van de cultuursector ook allerlei commercieel sterke onderdelen zitten? Klopt het dat bij de gemeenten vooral ook breedtecultuur en de bijbehorende huisvestingskosten een groot beslag leggen? En klopt het dat de Rijksoverheid juist verantwoordelijk is voor specifieke onderdelen die de markt en de lagere overheden niet dekken? Kortom: zou de staatssecretaris eens wat inhoudelijker zichtbaar kunnen maken wat de markt wel en niet gefinancierd en georganiseerd krijgt en hoe de verschillende overheden hun verantwoordelijkheid oppakken? Dan wordt namelijk ook zichtbaar hoe groot de werkelijke effecten van de bezuinigingen en andere maatregelen zijn.

De regering lijkt van mening dat haar eigen verantwoordelijkheid nog wel wat kleiner kan. Zij subsidieert nu ongeveer 5,5 % van de cultuursector, maar daar kan nog een heel procentpunt af. De sponsors, fondsen en mecenassen staan immers in de rij om het over te nemen. Maar helaas, zo simpel ligt het niet. Er is inderdaad op dit punt veel in ontwikkeling, maar de staatssecretaris rekent zich voorlopig alleen maar rijk. De Amerikaanse situatie die hij als voorbeeld lijkt te hebben, staat in veel opzichten ver af van de onze en dat verandert niet zomaar als hij de geldkraan dichtdraait. Het is opvallend dat het grote voorbeeld van het cultuurmecenaat, de VandenEnde Foundation, nogal kritisch is op dit Amerikaanse voorbeeld, bijvoorbeeld bij het jaarverslag 2010. De continuïteit van de cultuurfinanciering staat sterk onder druk van teruglopende giften; de grote financiers neigen ertoe de elitaire kunst te stimuleren terwijl juist de emancipatoire kunst van niches, avantgarde en minderheidsgroepen snel in het gedrang komt, en de nadruk op projectfinanciering leidt tot kortetermijndenken en niet tot opbouw van de sector. Ik concludeer dat het beleid van de staatssecretaris precies onder deze kritiek valt: teruglopende financiering, nadruk op elitaire topcultuur en projectfinanciering. Hoe ziet de staatssecretaris dit? Denkt hij echt dat – midden in een economische crisis – de gaten die hij slaat, worden opgevuld door mecenaat en sponsoring? En heeft hij daar meer argumenten voor dan zijn neoliberale marktnaïviteit?

Ten slotte nog een principieel punt. De beleidsnota stelt als uitgangspunt: “Culturele instellingen moeten minder afhankelijk worden van de overheid en daardoor flexibeler en krachtiger worden. Daarom bezuinigt het kabinet op cultuur.” Dat is natuurlijk een gotspe. Dit – zo goed als voorbije – kabinet bezuinigt op cultuur uit economische motieven en populistische rancune. Maar dan nog. Dergelijke zinnen verraden een gevaarlijke visie op de overheid. Ze suggereren dat de overheid een noodzakelijk kwaad is en dat subsidie alleen maar verlamt. Is niet, zo vraag ik de staatssecretaris, de overheid de belichaming van het collectief van de samenleving? En zijn niet subsidies een belangrijke manier om publieke goederen en collectieve waarden te ondersteunen? Is het daarom niet essentieel om het levend houden van cultuur en traditie ook op collectief niveau te borgen? Ik roep de staatssecretaris op om niet langer mee te werken aan het ondermijnen van de overheid die namens ons allen zorg draagt voor het in stand houden van een samenleving waarin kunst en cultuur gedijen en ons allen ten goede komen.

Voorzitter, ik sluit af. Volgens Plato zijn er drie kernwaarden die een rol zouden moeten spelen in onze afwegingen: het ware, het goede en het schone. Dit kabinet lijkt een vierde te hebben toegevoegd: het goedkope. Ik vrees dat dat ons allen duur komt te staan.


Peter Smith

Peter Smith

De bouw van ‘De Wereld van Zwerfvuil’

In plastic soep, voor de wereld van morgen, zwerfvuil, amsterdam, belangrijk, buma, de wereld, delen, geld, en meer.

De bouw is begonnen!

Ondanks dat de financiering bij “Voor de Kunst” niet is geslaagd, ga ik ‘de Wereld van Zwerfvuil‘ toch bouwen. Een aantal bedrijven wilde wel sponsoren maar dan rechtstreeks. Er is dus voldoende geld binnen om de globe te bouwen. Van alle extra zaken, als licht van binnen en mijn honorarium moet ik dan maar even afzien. Ik vind dit een te belangrijk project!

Iedereen die een bijdrage heeft geleverd, geweldig bedankt! Kom eens langs tijdens de bouw, je bent van harte welkom en neem een groen pet-flesje mee dat mag je dan bevestigen.
Neveritaweg 15, Amsterdam Noord (NDSM-loods).

Het project is al internationaal bekend. Er worden flesjes vanuit alle delen van de wereld opgestuurd om aan de globe te bevestigen!

Peter Smith en Boy Buma met de eerste meridianen.

Jaap van De Vries Staalwerk last de eerste breedtegraad vast.

Jaap last de eerste breedtegraad vast.

Marieke, mijn dochter ziet er een klimrek in. De eerste helft van het geraamte is af.

De Wereld van Zwerfvuil wordt mogelijk gemaakt door steun van:
Het Wereld Natuur Fonds
Science Media
Deep
GreenPeace
De Dopper
De Vries Staalwerk
Enexis
Rank A Brand
De Betere Wereld
Stichting Noordzee
De Lokatie
Y-design
Lush
En vele, vele particulieren. (Jullie naam zal straks ook vermeld worden! ;))

donderdag, 12 april 2012

Femke Halsema

Femke Halsema

Hyves Twitter TK

Vrede van Utrecht-lezing: over technologie, social media en democratie

In speeches, democratie, vrede van utrecht, 10 december, acties, afrika, akkoord, alternatieven, april, en meer.

Post image for Vrede van Utrecht-lezing: over technologie, social media en democratie

11 april 2012

Op 1 februari 1960 gingen vier studenten aan een tafeltje zitten in een lunchroom in Greensboro in North Carolina. Ze bestelden een kopje koffie.

Wat ze deden was verboden want de studenten waren zwart: de zitplaatsen waren voor blanken, de staplaatsen alleen voor de zwarte studenten. ‘We bedienen geen negers’ zei de serveerster.
De studenten bleven zitten, tot sluitingstijd. De volgende ochtend verschenen 27 zwarte studenten, gekleed in pak en das en ze gingen zitten. Een dag later waren het er tachtig. Ze zaten aan de tafels zonder te consumeren en deden er hun huiswerk. Het protest groeide de dag erna tot 300 en de eerste protesterende blanken voegden zich bij hen. Binnen een week waren het er 600 en verspreidde het protest zich ook in de straten. De eerste confrontaties dienden zich aan. Blanke studenten zwaaiden met zuidelijke vlaggen, intimidatie en inmenging van de KluKlux-Clan volgde. In de weken die volgden, verspreidde het protest zich eerst door North Carolina, besmette daarna de omliggende staten en binnen een maand werd het hele zuiden van de Verenigde Staten beheerst door protest; uiteindelijk deden meer dan 70.000 studenten mee, duizenden werden gearresteerd, even zo vele radicaliseerden. Maar het gevolg was de bloei van een zwarte burgerrechtenbeweging en de geleidelijke, maar onomkeerbare afschaffing van het systeem van segregatie dat de VS kende.

Dit voorbeeld heb ik ontleend aan een artikel in The New Yorker. De auteur, Malcolm Gladwell, gebruikt de opkomst van de zwarte burgerrechtenbeweging om het effect van internet op sociaal protest te relativeren. De veelzeggende titel is ‘Small change: why the revolution will not be tweeted’.
Gladwell hekelt internet-utopisten die denken dat de zwakke relaties op facebook, de oppervlakkige vriendennetwerken waarin talloze petities voor goede doelen rouleren, werkelijk toegevoegde waarde hebben ten opzichte van het risicovolle burgerrechtenactivisme dat de zwarte studenten ten toon spreidden.
Hij verklaart de sociale netwerken op internet ook ongeschikt om werkelijk sociale en democratische veranderingen af te dwingen. In zijn woorden: ‘facebook-activisme is alleen succesvol in het bijeenbrengen van mensen die niet gemotiveerd genoeg zijn om werkelijke verandering af te dwingen’. Facebook – en ook twitter – verzamelen dus, met andere woorden, leunstoelactivisten.
Gladwell schreef zijn artikel in oktober 2010. En dat zeg ik met nadruk. Want dit was voordat de Arabische Lente in zijn volle hevigheid losbarstte.

De datum is van belang omdat Gladwell op dat moment, eind 2010, uitdrukking geeft aan breder gedragen overeenstemming dat de betekenis van social media voor mensenrechten- en democratisch activisme interessant maar ook beperkt is.
Weliswaar heeft dan al de Groene Revolutie in Iran plaatsgevonden, maar zoals Gladwell en ook anderen overtuigend betogen, wordt de bijdrage van vooral twitter aan de protesten daar rijkelijk overschat. Twitter bereikte grote populariteit maar deze concentreerde zich in het westen waar een zeer betrokken internetelite elke snipper nieuws uit het getormenteerde land aan elkaar doorspeelde, dikwijls in het Engels waardoor veel jonge betogers in Iran het nauwelijks lazen.
Hoewel ik het wetenschappelijke en journalistieke debat tussen internet-utopisten en sceptici tekort doe, zie je teruglezend, voor het uitbreken van de Arabische Lente, wel een mainstream-overeenstemming over de betekenis van internet voor de burgerrechten.

1 – Internet en social media hebben betekenis in de spreiding van kennis over mensenrechtenschendingen en sociaal protest en kweken daarmee ook een zekere mate van internationale verbondenheid. Dat zag je ook goed terug bij de Groene Revolutie in Iran. Als een vroeg voorbeeld wordt daarbij in de literatuur de opstand van de bevolking in Chiapas in het Zuiden van Mexico in 1994 genoemd. Dit lokale conflict met de centrale Mexicaanse staat over de achterstelling en discriminatie van de van oorsprong Indiaanse bevolking, kreeg via internet wereldwijde belangstelling, en de opstand kreeg daardoor momentum.

2 – Internet heeft ook een zekere mobilisatiekracht van mensen in heel verschillende landen, afkomstig uit verschillende groepen. Een voorbeeld daarvan is het protest tegen WTO in Seattle in 1999 waarbij internationale activisten een netwerk vormden op straat en in cyberspace. Tegelijkertijd mag daarbij de kanttekening gemaakt worden dat het om een relatief kleine voorhoede ging van professionele activisten.

Een overtuigender voorbeeld van de mobilisatiekracht van internet zijn de grote, wereldwijde demonstraties die plaatsvonden op 15 februari 2003 tegen de oorlog in Irak. In 60 landen gingen tegelijkertijd miljoenen mensen de straat op. De Belgische onderzoekers Van Laer en Van Elst beschrijven deze anti-oorlogsdemonstraties als een historische doorbraak in mobiliserend vermogen via internet. Tegelijkertijd relativeren zij de betekenis daarvan ook omdat uit onderzoek naar de motieven blijkt dat het overgrote deel van de demonstranten niet verder dan 200 kilometer wilde reizen. Weliswaar was het onderwerp (de oorlog in Irak) internationaal, de betrokkenheid en bewogenheid was lokaal, of op zijn best nationaal. Internet bleek een heel effectief instrument in de afstemming van het tijdstip waardoor het protest aan kracht won; het massale karakter van de demonstraties werd in sterke mate bepaald door verzet tegen besluiten van de nationale overheden over de oorlog in Irak.

3 – Tegenover deze voorzichtige positieve analyses van de bijdrage van internet en social media aan vreedzaam, sociaal en mensenrechtelijk protest, staat echter ook zorg. In een gezaghebbende studie, getiteld ‘The Net Delusion’ (verschenen in januari 2011), schetst de wetenschapper Evgeny Morozov een zorgwekkend beeld van de toenemende censuur en surveillance die internet mogelijk maakt. In zijn waarneming liggen staten – en dan met name autoritaire staten – en terroristische en criminele organisaties ruimschoots voor op burgers die zich via internet vreedzaam willen verenigen. Hij beschrijft ook de verregaande samenwerking van staten (en vooral de Verenigde Staten) met grote bedrijven zoals microsoft, google, facebook en twitter als bedreigend voor mensenrechten en democratisering.
Morozov verwijst bijvoorbeeld naar een geruchtmakende toespraak van Hillary Clinton uit januari 2010 (dus een jaar voor het verschijnen van zijn boek) waarin zij zich opwerpt als de hoeder van het wereldwijde vrije internet. Haar ideële betoog staat in contrast met de binnenlandse – en soms ook internationale – veiligheidsmaatregelen die de VS treft, dikwijls gesteund door Silicon Valley, om internetvrijheid (onder het mom van terrorismedreiging) te beperken. (Om nog maar te zwijgen over de reactie van het State-department op de publicatie door Wikileaks van gevoelige overheidsinformatie; inmiddels zit soldaat Bradley Manning die de informatie lekte ook al 2 jaar vast zonder dat er werkelijk zicht is op zijn proces).

Maar los van de hypocrisie in de binnenlandse omgang met internetvrijheid, maakt Morozov zich in zijn boek uit 2010 ook grote zorgen over de wijze waarop – vooral de Verenigde Staten – zich in toenemende mate opwerpen als de hoeder van de internationale internetvrijheid. Hij verwijst naar een geruchtmakend incident tijdens de Groene revolutie in Iran.
Het komt een jonge medewerker van het State Department – Jared Cohen, waarover later meer – namelijk ter ore dat Twitter een aantal dagen plat gaat vanwege onderhoudswerkzaamheden. Hij schrijft een brief aan twitter en bepleit dat dit wordt uitgesteld. Na overleg met het State-department gaat twitter akkoord. In eerste instantie is deze opzienbarende stap van een commercieel bedrijf in samenwerking met de Amerikaanse overheid, gezien als een belangrijke overwinning voor de internetvrijheid. Later bleek echter dat de Iraanse autoriteiten de brief van de jonge medewerker en de maatregelen van twitter beschouwden als een geslaagde poging tot ‘regime change’ door de Amerikaanse overheid. In reactie op deze Amerikaanse inmenging is de internetvrijheid drastisch beperkt en de repressie van bijvoorbeeld bloggers en twitteraars nog verder toegenomen. Het werkte, aldus Morozov, dus averechts.

Kortom, voordat de Arabische lente in zijn volle hevigheid losbreekt lijkt er in het internationale debat een gematigd positieve waardering van de bijdrage van internet en social media aan mensen- en burgerrechten en democratie. Er vindt internationale verspreiding plaats van kennis van mensenrechtenschendingen, het leed van onderdrukte mensen en groepen wordt daardoor eerder en vaker zichtbaar. Met behulp van internet kunnen mensen ook gemobiliseerd worden voor vreedzaam sociaal protest, tegelijkertijd wordt de reikwijdte en de schaal daarvan betwijfeld. Maar tegenover de opbrengst van internet en social media staat zorg over de dwingende dominantie van staten en overheden op het net: de autoritaire staten die het internet gebruiken om hun burgers verregaand te controleren en te censureren; vrije westerse staten die internet lijken te willen gebruiken als een instrument van ‘regime change’.

Het zal u opgevallen zijn dat ik tot nu toe nadrukkelijk onderscheid in de periode tot aan de Arabische lente, en wat er op volgde. Ik ben er dan ook overtuigd dat de opstanden van de Arabische wereld een geheel nieuwe dimensie hebben gegeven aan internet en social media en de bijdrage die deze kan leveren aan verzet tegen dictatuur en onderdrukking.

Maar laat ik eerst een stap terugzetten.
Toen ik een aantal maanden geleden geheel fris en onbevangen mijn voorstel voor onderzoek naar de relatie tussen internet, social media en mensenrechten indiende bij de Universiteit Utrecht, had ik niet echt benul waaraan ik me waagde. En ik moet ook bekennen dat ik dit drieste maar ook wat onbezonnen plan wel eens heb betreurd.
Niet alleen is dit het werkterrein van duizenden gestudeerde technologen, mediawetenschappers, politicologen en filosofen die elkaar met graagte – en soms in een voor de buitenstaander moeilijk te volgen jargon – bestrijden. Bovendien gaat de ontwikkeling van technologie, de maatschappelijke en politieke reacties erop, zo razendsnel dat elke beschrijving ervan gedateerd is voordat je een punt achter een zin kan zetten. Die ontwikkelingen zijn ook allesbehalve eenduidig. Er zijn talloze voorbeelden van technologische innovatie die mensen in staat stellen zich te bevrijden van onderdrukking, zich te emanciperen. Er zijn talloze vormen van innovatie die het tegengestelde effect hebben. Er vindt ook een wedren om de macht en de vrijheid van het net op vele niveau’s plaats. Tussen staten (autoritaire en democratische), tussen staten en terroristische en criminele organisaties, tussen burgers en staten, tussen burgers en bedrijven, tussen bedrijven en bedrijven enzovoort enzovoort.
Voorspellingen over de ontwikkeling van internet zijn niet te maken, net zo min als over de politieke en maatschappelijke omgang ermee.

Dit dwingt mij, zeker als nieuwkomer op het terrein, tot grote voorzichtigheid. En tot beperking. Voor de verspreiding en vestiging van mensenrechten en democratie zijn andere vormen van communicatietechnologie minstens zo belangrijk. De bijdrage van de mobiele telefonie aan het mobiliseren van betogers, zoveel bleek bijv. tijdens de Arabische opstanden, is ongelooflijk groot.
Ik beperk me tot het internet en de rol van social media – met name weblogs, facebook en twitter – vanwege de publieke platforms die zij vormen en de potentie om mensen te verenigen en te mobiliseren.
Wat betreft de mensenrechten beperk ik me tot de politieke vrijheden. De vrijheid van meningsuiting, de vrijheid om je te verenigen, partijen, organisaties en bewegingen op te richten, de vrijheid van protest en vreedzaam verzet.

Met dit intermezzo kom ik aan de Arabische opstanden die de afgelopen anderhalf jaar hebben gewoed en de rol die internet erin heeft gespeeld.
Ik voer u nog even terug. Wellicht heeft u het allemaal nog op het netvlies maar indrukwekkende verhalen kunnen nooit genoeg verteld worden.

Op 10 december 2010 stak de Tunesische straatverkoper Mohamed Bouazi, uit woede en wanhoop over de eindeloze treiterijen door de overheid, zichzelf in brand voor het kantoor van de gouverneur. Toen hij een maand later overleed, had zich via blogs en sms woedende koorts door het hele land verspreid. Vrienden en familie vonden elkaar op internet, vermengden zich met vreemden in hun gezamenlijk rouw en woede over de politieke corruptie, het despotische regime. Op Youtube verspreidden zich persiflerende filmpjes, online werden grappen gemaakt, op zo’n schaal dat het regime het nakijken had. Bij zijn dood verspreidde het virtuele protest zich naar de straten en de pleinen. Beelden van protesten verschenen op facebook en Youtube, Al Jazeera nam het over, en deze verhevigden het protest. Het regime trachtte Facebook, twitter en Youtube aan banden te leggen maar internationale hackers zoals Anonymous hielpen de demonstranten om de internetbans te breken. Bloggers werden gevangen gezet maar in aantallen namen de betogers enkel toe. Op 14 januari vluchtte dictator Ben Ali naar Saoedi Arabië. En ondanks dat de officiële, door de staat gerunde media de protesten negeerde, spreidde het protest zich naar Algerije en daaropvolgend naar Oman, Jemen, Egypte enzovoort.
In Egypte was een lokale Google-baas een facebook-groep begonnen ter nagedachtenis van Khaled Said, een 28-jarige blogger die medio 2010 door de politie doodgeslagen was. Zoals Bouazi in Tunesie, werd Said een icoon van verzet in Egypte. Op 25 januari vulde het Tahrir plein zich voor het eerst. Mubarak in Egypte reageerde ongeveer gelijk als het Tunesische regime en hij probeerde het land te ‘unpluggen’. Hij slaagde daar niet langer in dan vier dagen, tegen een geschatte financiële schade van 90 miljoen dollar. De nieuwsservice van de Moslim Broederschap werd bijvoorbeeld verboden maar deze bleef vanuit Londen gewoon nieuws brengen. Het onverwachte bijeffect was bovendien dat middenklasse-Egyptenaren die het nieuws over de protesten vooral thuis op het internet volgden, ook de straten introkken of naar het Tahrirplein kwamen.
De rest is geschiedenis. Als dominostenen vielen de Noordafrikaanse en Arabische regimes, soms relatief vreedzaam, soms na een woedende burgeroorlog zoals in Libië. En niet overal. De strijd in Syrie is van een grote gruwelijkheid waarbij het regime tot op heden burgers op het net en in de straten met grof geweld weet te onderdrukken. In Saoedi-Arabie zijn er slechts kleine, maar wel heel symbolische protesten zoals het prachtige ‘women2drive’, van vrouwen die het verbod op autorijden tarten en hun ritjes op facebook plaatsten.

Is dit nou de verdienste van internet (en van mobiele telefonie)?
Relativering is dan natuurlijk op zijn plaats. In een mooi overzicht van de rol van de digitale media bij de Arabische opstanden beschrijven de Amerikaanse wetenschappers Howard en Hussain de vele factoren die bijdroegen tot de Arabische opstanden. De langdurige sociale en politieke onvrede, in de eerste plaats. De geleidelijke opkomst van liberale middenklassen en internationaal georiënteerde studenten die de middelen en de eloquentie bezaten om uitdrukking te geven aan die sociale onvrede en deze te helpen verspreiden. De aanwezigheid van iconen van onderdrukking, zoals Bouazi en Said, waardoor de bevolking zich verenigde in collectieve rouw en verontwaardiging.
Bovendien varieerden de bepalende factoren voor de opstanden van land tot land, maar schrijven Howard en Hussain, de constante factor in alle opstanden was het internet en in een tweede instantie de klassieke media (met name Al Jazeera dat youtube-filmpjes, facebook-oproepen en berichten van bloggers razendsnel verder verspreidde. En dat de opstanden zich als een inktvlek van land tot land konden spreiden, vond dankzij internet plaats.

Waarom was de rol van internet en social media in de verspreiding van protest en verzet deze keer een andere, krachtiger dan tot nu toe het geval was? Ik zou een drietal redenen willen aanwijzen.
Het belangrijkste is wellicht de rechtstreekse relatie tussen het net en de straat. Het protest was hybride, het vond gelijktijdig plaats op internet en op de pleinen en versterkte elkaar: via facebook verzamelden mensen zich, filmpjes van protesten en politiegeweld in de straten vonden hun weg op het net en leidden tot nieuwe acties. Hier kwamen de blogger en de facebooker uit hun leunstoel en voegden zich – bij wijze van spreken – bij de zwarte student uit de VS van de jaren 60 die heel risicovol protesteert.
Anders dan bijvoorbeeld bij eerdere protesten, zoals in Seattle of tijdens de anti-Irak demonstratie, werden in de internetgemeenschappen in de Arabische landen ‘sterke’, meer duurzame banden gekweekt. De facebookcontacten, de steun aan webloggers hield niet enkel stand voor de duur van een demonstratie, het verspreiden van een digitaal pamflet, maar vertaalde zich in onderlinge solidariteit en hulp aan elkaar. De veelgehoorde kritiek dat internet en met name facebook alleen ‘zachte’ weinig betekenisvolle gemeenschappen kweken werd tijdens de Arabische opstanden gelogenstraft.
Paradoxaal genoeg hebben de pogingen tot censuur – tot het maken van firewalls – geleid tot een verheviging van de protesten. Internet was daardoor niet alleen een instrument voor het mobiliseren van burgerlijk en politiek verzet maar ‘online zijn’ werd ook een daad van politiek verzet. De populariteit van weblogs, facebook en twitter nam daardoor alleen maar toe en het afgesneden zijn van internet leidde ertoe dat meer gezagsgetrouwe burgers zich aansloten bij de protesten in de straten.

Nu ja, inmiddels is het medio 2012 en is de sociale en politieke opbrengst van de Arabische opstanden op zijn zachtst gezegd ambivalent. Militairen behouden macht, transitieregeringen blijken soms de totalitaire trekken van de voorgangers te vertonen, Islamisten proberen de macht te grijpen en blijken in een aantal gevallen de mensenrechten niet voor vrouwen te laten gelden.
De kanttekening die daarbij wel gemaakt moet worden is dat de vestiging van een democratie en mensenrechten niet in maanden, maar in jaren beoordeeld moet worden. Hoe dan ook zijn de voortekenen niet overal even gunstig.

Het is dan verleidelijk om met terugwerkende kracht de betekenis van de opstanden zelf, en de rol die internet daarin heeft gespeeld, te relativeren. Een enkeling, vooral aan rechtsconservatieve zijde, hoor je al roepen dat de seculiere dictaturen in een aantal landen beter waren dan de Islamitische politiek die je er voor terugkrijgt.
Veel internetsceptici hoor je inmiddels zeggen dat het onvoltooide of afgebroken democratiseringsproces in Noord Afrika maar weer eens de zwakte aantoont van internet om bij te dragen aan wezenlijke maatschappelijke verandering. Daarmee wordt – wat mij betreft – ontkend dat de opstand die heeft plaats gevonden, de collectieve roep om bevrijding die leidde tot het afzetten van totalitaire heersers en hun regimes, wel degelijk een heel wezenlijke maatschappelijke en politieke verandering is.

Dit neemt niet weg dat sceptici terecht wijzen op het onvermogen om via internet een democratie en een rechtstaat te vestigen. De Arabische opstanden bewijzen wat mij betreft dat internet en social media een ongekende kracht kunnen ontwikkelen in het verenigen en mobiliseren van verontwaardigde en dikwijls getraumatiseerde burgers. Rouw en leed, het diepgevoelde verlangen om mishandeling en moord te stoppen maakt mensen een.
Iets anders is het, als de tiran is verjaagd, er wraak is genomen en de ergste wonden zijn gelikt, om elkaar te vinden op het alternatief. Na de opstanden blijkt het internet de spreekwoordelijke ‘kruiwagen met kikkers’. Verzet en protest behoeven misschien weinig leiders, bij de opbouw van een nieuwe democratische staat zijn leiderschap, en bezielde maatschappelijke en politieke organisaties die de duizenden uiteenlopende meningen aaneensmeden tot enigszins overzichtelijke stromingen onontbeerlijk. Verzet, protest en demonstratie zijn een gedeelde uitroep van emotie en ongeluk; internet helpt deze te versterken en te mobiliseren. Democratie vergt vergadering, het gezamenlijke sluiten van een gecalculeerd compromis, en internet en social media met hun grote en ook prachtige nadruk op individuele expressie, bieden daar tot nu toe – zo lijkt het – niet de handvaten voor.

Dat is – denk ik – waar we nu staan. De titel van het artikel in The New Yorker waarmee ik begon was ‘Small Change. Will the revolution be tweeted?’.
Mijn voorlopige antwoord daarop zou zijn: ‘the revolution can, but democracy and peace can not be tweeted.

Hoe verder? Is het mogelijk dat internet niet alleen een rol gaat spelen in de bevrijding van mensen uit onrecht, maar ook in de opbouw van democratische alternatieven?

Eerlijk gezegd moet ik u daarop het antwoord schuldig blijven en hoop ik dat het debat van zo meteen ons daar wat verder in helpt.
Ik zou wel een vingerwijzing willen geven.
Internet lijkt tot nu toe vooral het domein van individuele, vrijheidslievende burgers, van autoritaire staten die het willen beknotten of van staten (zoals de Verenigde Staten) die juist hun kans schoon zien om via het internet ‘regime change’ in die autoritaire staten af te dwingen, en van bedrijven die winstmaximalisatie zoeken.
Maatschappelijke, publieke organisaties zonder winstoogmerk, duurzame culturele en politieke verbanden van burgers, lijken zich veel minder op het net genesteld te hebben.
Natuurlijk zijn er inmiddels grote onafhankelijke organisaties zoals Avaaz, globalvoices, transparancy international en anderen die miljoenen burgers aan zich binden. Het zijn ook prachtige en hoopgevende initiatieven die het vergrootglas zetten op wereldwijd onrecht en onvrijheid.
Maar dit is ook precies waar de beperking schuilt.
Deze organisaties richten zich ook op het mobiliseren van protest en verzet, en doen dat soms met groot succes. Maar het zijn geen organisaties die een democratisch en mensenrechtelijk alternatief formuleren, en daarop mensen verenigen. Het zijn – in de tweede plaats – ook dikwijls westerse organisaties die top down het onrecht in met name de derde wereld aan de kaak stellen. Het nadeel daarvan bleek heel recent bij het initiatief Kony 2012 van Amerikaanse jongens die middels een viral erin slaagden om de Oegandese oorlogsmisdadiger Joseph Kony wereldwijd bekend te maken. Maar de ontvangst daarvan bij de Oegandese slachtoffers was niet onverdeeld positief.

Kan internet burgers binden, organisatorisch en in hun maatschappelijke idealen, bij de vestiging van democratie en mensenrechten? En hoe dan? Deze vraag leg ik ook aan u voor.
Laat ik een hoopgevend voorbeeld geven. Ik vertelde u eerder van Jared Cohen, de heel jonge medewerker van het state department die eigenhandig probeerde de groene revolutie in goede twitterbanen te leiden. Het hoeft niet te verbazen dat deze wizzkid vrij snel werd weggekocht door Google waar hij de opdracht kreeg om een denktank – het tot op heden onbekende Google Ideas – op te richten. Nu mag natuurlijk getwijfeld worden aan de intenties en motieven die Google hiermee heeft.
Maar toch. Vorig jaar liet Jared Cohen als kersverse directeur van Google Ideas voor het eerst van zich horen in de Amerikaanse media. In Dublin, in Ierland, bleek hij een summit te hebben belegd over terrorisme in aanwezigheid van zo’n 80 ex-extremisten en –terroristen, varierend van farc, IRA, neo-nazi’s tot jihadisten en El Qaida aanhangers. Zij spraken er met elkaar over hoe de radicalisering van jongeren voorkomen en verminderd kan worden. Zoals Cohen het verwoordde: ‘we believe internettechnology can become part of the solution, of turning away from violence’. De ambitie was niet minder dan ‘a shift in narratives’ te bereiken.
Voor wie het netwerk van voormalige extremisten sindsdien enigszins volgt (overigens te vinden onder de naam againstviolentextremism.org.) ziet dat de leden op allerlei plekken op het internet een ‘counterjihad’ proberen te formuleren, zoals velen van hen ook de wereld over reizen om met jongeren te praten en alternatieven aan te reiken.

Het voorbeeld is klein en aan de onafhankelijkheid van het initiatief mag getwijfeld worden, toch wil ik het niet ongenoemd laten. Het probeert namelijk twee zaken te verenigen.
1. het verzamelt mensen die niet alleen samen tegen onrecht protesteren maar ook proberen een alternatief te formuleren
2. Ondanks dat de commerciële arm van Google erachter zit (en het initiatief daarop enigszins gewantrouwd mag worden), geeft het regie aan de direct betrokkenen; de mensen die terreur hebben ondervonden en hebben uitgevoerd en maakt hen ook verantwoordelijk.

Tot slot. In de strijd tussen utopisten en sceptici heb ik me de afgelopen maanden vaak afgevraagd tot welke groep ik dan behoor. Ik ben me ervan bewust dat terwijl ik spreek staten, terreurgroepen en bedrijven telkens ingenieuzer middelen vinden om ons, burgers, te controleren en te censureren. Ik vind dat dit dwingt tot oppassendheid en een zekere mate van scepsis. Tegelijkertijd hebben wij, mensen, ook het internet uitgevonden, dat in de stem die het geeft aan de kwetsbaren en de onderdrukten historisch en fantastisch is.
Als wij in staat zijn om internet uit te vinden en te ontwikkelen dan moeten wij ook in staat zijn om het aan te wenden voor democratie en mensenrechten.

Femke Halsema bekleedt dit voorjaar de Vrede van Utrecht Leerstoel

donderdag, 29 maart 2012

Walter van Peijpe

Walter van Peijpe

Hyves Last.fm Twitter Youtube

Mooie woorden over de toren

In foto's, bestuur, college, de, herbestemmen, hortus, internationaal, kritisch, leegstand, en meer.

Mooie woorden over de toren

Ik ben graag bereid een dergelijke petitie te tekenen. Daarbij de volgende overwegingen; Van der Klaauw was een prominent Leids hoogleraar; hij is tevens bouwheer van de Toren. Er is indertijd toestemming van de familie gekregen het lab naar hun vader te vernoemen’. De oudste zoon, voormalig minister van Buitenlandse zaken heeft het naambord onthuld. Ik hoor tot de laatste generatie van studenten van Van der Klaauw. Na mijn emeritaat heb ik een evaluatie van zijn werk geschreven (Acta Biotheor. (2007) waaruit blijkt dat 30 jaar na zijn overlijden zijn werk nog steeds internationale belangstelling trekt; m.a.w. ook hij draagt nog steeds bij aan het aanzien van de Leidse Universiteit. Het zou derhalve Leiden sieren als deze toren, vernoemd naar deze prominente hoogleraar met behoud van zijn naam voor de slopershamer gespaard zou worden.

Prof Dr J,L. Dubbeldam, em. hoogleraar ethologische morfologie aan de Universiteit Leiden

Een eeuwenoude universiteit als die van Leiden, ‘bolwerk van de vrijheid’ – met als kernwaarde ‘verantwoordelijkheid jegens de samenleving’, kan straks toch niet met droge ogen aan een nieuwe generatie studenten uitleggen dat dit markante historische gebouw gesloopt is, tegen de wil van de stad terwijl er een goed verhaal voor herbestemming op tafel lag. Ik roep het College van Bestuur dan ook op om in vrijheid van geest het genomen besluit opnieuw op tafel te brengen en kritisch te bekijken. De omstandigheden zijn veranderd. De wetenschap moet zich ongebonden ontwikkelen, maar de spelregels van ruimtelijke ordening worden niet langer bepaald door vrijuit slopen en ontwikkelen. Zo mogelijk herbestemmen, slopen wat moet en terughoudend met nieuwbouw. Wat mij betreft moet je zo’n vreemd gebouw laten staan; een mooi teken van ‘verantwoordelijk leiderschap’, de oudste universiteit van Nederland waardig. Ik wens het College van Bestuur veel wijsheid om te doen wat goed is voor de toekomst met respect voor het verleden.

Gerben van Dijk, programmamanager SBR, bestaande bouw, deskundige leegstand en herbestemming vastgoed

Het zou fantastisch zijn als er toch een manier te verzinnen is om de Van der Klaauwtoren te behouden. Het is de inspanning meer dan waard. Het is een mooi stoer, ‘one of its kind’ mysterieus gebouw. Een gebouw dat de spannende historische gelaagdheid van de ontwikkeling van de universiteit en de stad laat zien. In combinatie met de schitterend gerestaureerde Sterrenwacht, Academiegebouw en Oude UB en de prachtige Hortus Botanicus hebben we hier in Leiden de mooiste academische wijk van Nederland en één van de mooiste in Europa! De Van der Klaauwtoren hoort hier als eigentijds monument in thuis. In combinatie met een aan te leggen Singelpark van internationaal niveau als verbindende schakel hebben we de kans om de concurrentiepositie van Leiden, en die van de universiteit, een enorme boost te geven.

Jeroen Maters, coördinator Team Singelpark Stadslab Leiden


woensdag, 14 maart 2012

Maria Trepp

Maria Trepp

Twitter

Nederland en de Israëlische kolonisten

In politiek, satire, antisemitisme, eu, israel, kolonisten, cijfers, de, europese, en meer.

Twee bij elkaar genomen verwarrende krantenberichten vandaag (14-3-2012) over de relatie tussen Nederland en de Israëlische kolonisten.

Ten eerste:

De NRC meldt “Nederland wekt opnieuw ergernis EU over Israël

De Nederlandse regering sluit zich als enige niet aan bij de kritiek van EU-landen op geweld van Israëlische kolonisten. Deze ongebruikelijke positie heeft tot grote ergernis geleid bij diverse Europese landen. Het is bijzonder dat minister Uri Rosenthal (Buitenlandse Zaken) zich zo expliciet tegen de Europese aanpak keert, maar het past in een patroon. Rosenthal stelt zich in Europees verband steeds nadrukkelijker op als bondgenoot van Israël. Niet eerder leidde die opstelling tot een geïsoleerde Nederlandse positie.

In een geheim rapport van de Europese diplomatieke vertegenwoordigingen in Jeruzalem en Ramallah, signaleren diplomaten een „alarmerende” toename van het geweld door kolonisten. Ze schrijven onder meer dat de Israëlische nederzettingen illegaal zijn volgens internationaal recht en dat die een twee-statenoplossing „onmogelijk” maken: een Palestijnse staat naast Israël. Cijfers van de Verenigde Naties laten volgens het rapport zien dat het aantal aanvallen door kolonisten tegen Palestijnen in 2011 verdrievoudigd is tot 411.

Het ministerie van Buitenlandse Zaken liet via de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Ramallah weten dat het primaat voor deze kwestie niet aldaar mag liggen en dat Nederland derhalve een „algemeen voorbehoud op de gehele tekst” maakt. Onderaan het Europese rapport staat dit ook vermeld: „NL places a general reserve on the document.” Dat is ongebruikelijk. In tegenstelling tot zijn EU-collega’s trekt minister Rosenthal de kwestie direct naar zich toe.”

“Diplomaten wijzen erop dat alle [21] Europese vertegenwoordigingen in Jeruzalem en Ramallah de kritiek op Israël onderschrijven. Een Europese diplomaat: ‘Wat we waarnemen is de hardste Nederlandse houding ooit, een houding die in wezen overeenkomt met de hardste opstelling binnen Israël.’ “

 

Ten tweede:

De site van de NRC meldt vandaag ook:

De VPRO haalt het online spel ‘De Kolonisten van de Westelijke Jordaanoever’ uit de online archieven

In het ‘spel’ moest de bezoeker als kolonist proberen het aantal nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever uit te breiden. Je kon punten scoren met de ‘Anne Frank-kaart’ of de ‘Ahmadinejad-kaart’ spelen om te voorkomen dat er terrein verloren ging. De speler kon daarvoor zijn “Joodse gierigheid” en “typische handelsgeest” inzetten.

kolonisten antisemitisch spel Nederland en de Israëlische kolonisten

 

Verschillende organisaties noemden het spel “antisemitisch”, zo meldde The Jerusalem Post vandaag. Ook het CiJo, de jongerenorganisatie van het het Centrum Informatie en Documentatie Israël (CIDI), vond het spel misplaatst. Voorzitter Joël Serphos in NRC Handelsblad:

“Er wordt gebruik gemaakt van hele traditionele antisemitische opvattingen. Ze hadden net zo goed op Stormfront kunnen staan [...] De VPRO zegt dat het om satirische kritiek op het nederzettingenbeleid gaat, maar daar klopt niets van.”

 

Ik heb mij niet in de kwestie van het spel verdiept, maar het lijkt me geen goed idee dit soort makkelijk mis te verstaan spelletjes op internet te zetten, ook al is de bedoeling satirisch.

Beide “kolonisten”-berichten laten extreme houdingen zien, de een niet veel beter dan de ander.

De bovenstaande  tekst staat ook op mijn Duitse blog

Maria Trepp

maandag, 12 maart 2012

Simon Otjes

Simon Otjes

Last.fm Twitter

Wat is er overgebleven van de CPN in GroenLinks?

In arbeid, cpn, democratie, economie, groenlinks, ppr, psp, socialisme, vrouwen, en meer.

GroenLinks is gevormd als een fusie van vier partijen: de links-socialistische dissidentenpartij Pacifistisch-Socialistische Partij, de progressief-Christelijke groene partij Politieke Partij Radikalen, de Communistische Partij Nederland en de Evangelische Volkspartij. Die eerste twee partijen zijn duidelijk te herkennen in het huidige GroenLinks: GroenLinks heeft de partijcultuur van de PSP geërfd (‘discussiepartij‘) en de standpunten van de PPR (‘groen, solidair, libertair‘). De Evangelische Volkspartij sloot zich pas relatief laat bij de fusie aan, maar is nog steeds helder herkenbaar door de Linker Wang. Rest de vraag: wat kunnen we herkennen van de CPN in GroenLinks?

Leninisme, Moskou en anti-fascisme
De Communistische Partij Nederland is gevormd in 1909, acht jaar vóór de Russische revolutie, als Sociaal-Democratische Partij. Binnen de grote sociaal-democratische beweging Sociaal-Democratische Arbeiderspartij was er felle discussie tussen reformisten, die zich wilden richten op een parlementaire strategie en revolutionairen, die geloofden dat het parlementaire werk de onvermijdelijke arbeidersrevolutie slechts zou vertragen. De revolutionairen splitsten zich af. In 1918 veranderde de partij haar naam in Communistische Partij Holland, sloot zich aan bij de door Moskou geleide Communistische Internationale en onderschreef ze een leninistische maatschappijvisie.

Gedurende de jaren ’30 ontwikkelde de CPH (sinds 1937 Communistische Partij Nederland, CPN) een anti-fascistisch profiel. Tijdens de bezetting namen veel communisten deel aan het verzet: ze organiseerden de Februaristaking. De illegale communistische krant De Waarheid, was een van de voornaamste gezichten van het verzet.
Na de oorlog werd de CPN beloond met 10% van de stemmen. De CPN was een partij van de arbeidersklasse die sterk stond in de arme landbouwgebieden in het Noorden en de volkswijken in Westelijke steden. Uiteraard onderschreef de CPN een marxistische maatschappijanalyse waarbij de bourgeosie, de bezittende klasse, de arbeidersklasse, het proletariaat, onderdrukte. De maatschappij was misschien de jure democratisch, maar de economische ongelijkheid hield de facto de arbeidersklasse geknecht. In de dagelijkse politiek richtte de partij zich op de verbetering van de materiële positie van de arbeidersklasse onder de paradoxale leus “hogere lonen, lagere prijzen” en op de versterking van de vakbond. De partij streed voor de onafhankelijkheid van Indonesië, verketterde de rol van Amerika in de internationale politiek (denk aan kernbewapening en blokvorming) en vergoeilijkte de rol van Moskou (haar bewapening en blokvorming waren een reactie tegen de imperialistische politiek van het Westen). Vanwege haar verzetsverleden was de partij fel anti-fascistisch en verzette ze zich tegen anti-semitisme. Ook was de partij hierom fel anti-Duits. De partij maakte zich grote zorgen over ‘West-Duits revanchisme’, dat Duitsland haar gelijk na de oorlog nog wel zou komen halen. De CPN was democratisch centralistisch georganiseerd: de beslissingen werden genomen aan de top, met name door partijleider Paul de Groot. Vervolgens werd de rest van de partij aan deze beslissingen gebonden. Toen de Koude Oorlog langzaam opwarmde eind jaren ’40 kwam de CPN in een steeds geïsoleerdere positie te staan: in politiek opzicht maar ook electoraal nam de steun voor de communisten gestaag af.

Marxisme, feminisme en anti-Amerikanisme
Eind jaren ’60, de periode van de universiteitsbezettingen, nam de populariteit van de CPN toe. Een deel van de studenten sloot zich aan bij de CPN, omdat dit de partij was van de arbeidersklasse. De partij koos de kant van de studenten in de discussies over democratisering. De CPN verzette zich daarnaast consequent tegen het Amerikaans buitenlands beleid: kernbewapening, Vietnam, en de steun voor Apartheid.

Met deze studenten kreeg de CPN een energieke nieuwe generatie in haar midden. Marius Ernsting is zo’n figuur: hij was een voorman van de anarchistische Kabouterbeweging geweest maar werd daarna Kamerlid voor de CPN. De studenten die zelf streden voor radicale democratisering, sloten zich aan bij een partij die intern niet democratisch was. In jaren ’80 werd de partij intern gedemocratiseerd: Paul de Groot, de grote man van de CPN tot de jaren ’70, verloor al in 1978 zijn erevoorzitterschap.

Het profiel van de CPN draaide: maatschappelijke democratisering maar ook emancipatie kwamen hoger op de agenda te staan. De partij voegde feminisme toe aan haar uitgangspunten, naast marxisme. De rigide marxistische maatschappijanalyse werd gemakkelijk naar man-vrouw-, allochtoon-autochtoon- en homo-hetero-verhoudingen vertaald: mannen, hetero’s en autochtonen onderdrukte vrouwen, homo’s en allochtonen, zoals de bourgeoisie het proletariaat onderdrukte. In de egalitaire samenleving die de CPN nastreefde moesten ook deze machtsongelijkheden vereffend worden. Zoals de strijd voor de positie van arbeiders een strijd van een groep was, zag de CPN de strijd van homo’s, vrouwen en migranten in termen van groepen, niet individuen. De partij koos in 1981 voor drie heldere speerpunten: een sterke overheid die het opnam voor de arbeidersklasse, verzet tegen kernbewapening en maatschappelijke democratisering, inclusief gelijkberechtiging van vrouwen, homo’s en migranten. De CPN was deels veranderd, maar bleef ook haar communistische wortels trouw: nog in 1989 waren er CPN-vertegenwoordigers bij de viering van 40 jaar DDR in Berlijn.

De generatie jonge studenten bleek een Trojaans Paard: deze stonden ver af van de leefwereld van de arbeidersklasse. Terwijl volkswijken in rap tempo verkleurden, pleitte de CPN voor de rechten van migranten, homo’s en vrouwen. De Socialistische Partij voelde dit beter aan en verzette zich juist tegen feminisme en arbeidsmigratie. Electoraal ging de CPN erop achteruit. In reactie koos ze voor versterkte samenwerking met linkse intellectuele partijen als PSP en PPR in raden en staten, en in het Europees Parlement. Hierachter zat een electorale logica maar ook een inhoudelijke: nu de CPN van een Stalinistische partij een linkse emancipatiepartij was geworden, waren de verschillen met de PSP en de PPR verdwenen. In 1986 verloor de CPN al haar zetels in de Tweede Kamer en drie jaar later ging ze op in GroenLinks.

Linkse emancipatiepartij
Wat is er over van de CPN in het huidige GroenLinks, een links-liberale intellectuelenpartij? Zeker in de eerste jaren waren er veel CPN’ers op prominente plekken: in 1994 waren de partijvoorzitter (Harrewijn) en de lijsttrekkers bij de Tweede Kamer- (Brouwer) en de Europees Parlementsverkiezingen (Van Dijk) oud-communisten. Veel prominente migrantenpolitici (Singh Varma en Pormes) kwamen voort uit de CPN. Tot 2010 hadden er twee Eerste Kamerleden een CPN-achtergrond (Laurier en Van der Lans). Maar de plek waar de CPN het best vertegenwoordigd is geweest is onder partijbestuurders: van de negen partijvoorzitters van GroenLinks komen er vier voortuit de CPN. Het CPN-electoraat had de CPN al verloren, maar dat heeft GroenLinks ook niet terugveroverd. De SP en de PVV doen het nu sterk in traditionele CPN-wijken.

Programmatisch gezien lijkt er weinig over van de CPN in het huidige GroenLinks: het hervormingsgezind-sociale economische verhaal van GroenLinks staat veraf van het programma van de CPN. Je zou nog kunnen zeggen dat GroenLinks met haar nadruk op de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt en haar pleidooi voor een gelijkere positie van outsiders de doelen van de CPN nastreeft, maar de middelen die ze in discussie heeft gekozen (een harde aanval op de vakbeweging en de gevestigde rechten) past niet bij de CPN. Maar ook op internationaal terrein lijken de twee partijen nauwelijks op elkaar: GroenLinks wil dat de internationale gemeenschap optreedt om mensenrechten te beschermen, terwijl de CPN het optreden van het NAVO-blok veroordeelde, omdat dit altijd het eigenbelang van het Westen zou dienen. Alleen op cultureel vlak vertonen de CPN en GroenLinks een sterke gelijkenis: beide partijen zetten zich in voor emancipatie van vrouwen, homo’s en migranten. Maar zelfs hier is het onderscheid tussen de CPN en GroenLinks groot: de CPN legde de nadruk op groepssolidariteit, anti-discriminatie en sociaal-economische achterstelling en GroenLinks heeft veel meer oog is voor individuele vrijheid, vrijheid van godsdienst en de onderdrukking binnen groepen.

woensdag, 22 februari 2012

Theo Brand

Theo Brand

Kardinale denkfout van Eijk: shoppers welkom, moslims niet

In kerk, religie, spiritualiteit, bidden, compassie, islam, jezus, oecumene, tolerantie, en meer.

Het is ‘uitgesloten’ dat een rooms-katholiek kerkgebouw dat aan de eredienst wordt onttrokken de functie van moskee krijgt. Dat stelt aartsbisschop Wim Eijk in het Belgische tijdschrift Tertio. Tot mijn stomme verbazing neemt de Tertio-journalist deze opmerking van de – afgelopen zaterdag tot kardinaal gewijde – aartsbisschop slechts voor kennisgeving aan. En dat terwijl in Arnhem de rooms-katholieke Josephkerk waarschijnlijk een supermarkt wordt en nu tijdelijk een skatehal is. Eijk heeft meer op met skaters en shoppers dan met biddende moslims. Daarmee maakt hij een kardinale denkfout.

Aartsbisschop Eijk staat bekend om zijn zakelijke aanpak en economische benadering. Op zich kan dat geen kwaad. De prognose is dat tot 2018 vierhonderd rooms-katholieke kerkgebouwen zullen sluiten. Dat is volgens hem noodzakelijk omdat parochies anders failliet gaan. Tien procent van de parochies is volgens Eijk vermogend, tachtig procent heeft de zaken net op orde en slechts tien procent verkeert in de ‘gevarenzone’.

Dat Eijk de kerkgebouwen liever afbreekt – als het tenminste geen monumenten zijn – om de grond aan projectontwikkelaars te verkopen, lijkt mij een slimme zet. En als je een gebouw verkoopt, laat dan gewoon de markt zijn werk doen. De hoogste bieder kan het kerkgebouw kopen en bepaalt zelf wat de bestemming wordt. Maar nee, de zakelijkheid van Eijk heeft blijkbaar een grens. Het gebouw mag hoe dan ook geen moskee worden.

De Sionskerk in Groningen (vroeger Hervormd) doet al jaren dienst als moskee en buurtcentrum. Als actief lid van de Protestantse Kerk in Nederland geeft mij dat een goed gevoel. De in 1930 gebouwde kerk heeft haar maatschappelijke functie behouden en is tenminste geen commercieel centrum geworden. Het pand blijft dienst doen als ontmoetingsplaats voor de buurt en als een vindplaats van spiritualiteit.

In 1453 werd in Istanbul (toen nog Constantinopel) de Hagia Sofia-kathedraal na de verovering door de Ottomanen een moskee (de Aya Sofia). In 1934 werd de moskee door Atatürk tot een seculier gebouw gemaakt en werd het een museum. Oude mozaïeken werden opnieuw zichtbaar gemaakt (zie de foto hierboven). De Hagia Sophia – van oudsher dus een christelijke kerk – werd de basis voor alle moskeeën die daarna werden gebouwd in het Ottomaanse Rijk. Je ziet dat bijvoorbeeld terug in de Mevlana Moskee in Rotterdam. En andersom: de kathedraal van Sevilla is gebouwd op de plaats waar voorheen de Moorse hoofdmoskee van de stad stond. Dat liep in die tijden natuurlijk niet via een makelaar maar ging met veel geweld gepaard. Maar het geeft aan dat de geschiedenis van de kerkbouw en moskeebouw in Europa niet zomaar uit elkaar getrokken kan worden.

Maar wat me bovenal frappeert is dat aartsbisschop Eijk de deur voor moslims bijvoorbaat dicht gooit. Katholieke kerkgebouwen kunnen een skatehal of supermarkt worden. Maar de functie van moskee? Nee, dat is uitgesloten. En dat terwijl onder de paraplu van de Raad van Kerken, maar ook op internationaal niveau, formele ontmoetingen plaatsvinden tussen onder meer moslims en rooms-katholieken in het kader van de interreligieuze dialoog. Want juist in het verbinden van verschillen kan iets van de geest van Jezus zichtbaar worden, zou je zeggen. Eijk maakt een kardinale denkfout – maar vooral een geloofsfout – door moslims hun gebedshuizen in monumentale kerkgebouwen bij voorbaat te misgunnen.

Bovenstaand artikel is ook gepubliceerd op Joop.nl en op Bruggenbouwers.com. Lees hier het interview met aartsbisschop Eijk in weekblad Tertio.


dinsdag, 14 februari 2012

Feiko van der Veen

Feiko van der Veen

GR

Is UMTS-straling gevaarlijk of juist niet?

In alkmaarse politiek, bericht, alkmaar, gevaarlijk, gezondheid, maximum, norm, onderzoek, risisco, en meer.

Het gemeentebestuur van Alkmaar wil het aantal zendmasten flink uit breiden. Als mensen een nieuwe mast voor hun deur krijgen, vragen ze zich vaak af of de straling gevaarlijk is. De Gezondheidsraad zegt dat we ons geen zorgen hoeven te maken. Op de website StopUMTS worden echter veel onderzoeken beschreven die een verband constateren tussen straling vanaf een bepaalde sterkte en klachten als hoofdpijn, concentratieverlies en verstoorde slaap. Ook zijn er aanwijzingen dat mobiel telefoneren leidt tot meer hersentumoren. Wie heeft er nu gelijk?

De Gezondheidsraad vindt het geconstateerde verband tussen straling en de genoemde klachten onvoldoende bewijs om te concluderen dat er ook een oorzakelijk verband bestaat. Als mensen zeggen dat ze last hebben, zou dat bijvoorbeeld ook inbeelding kunnen zijn. Pas als aangetoond wordt wat er in het menselijk lichaam gebeurt waardoor bijvoorbeeld de hoofdpijn ontstaat weten we zeker wat de oorzaak ervan is. Zover is het onderzoek dus nog niet. De conclusie van de Gezondheidsraad gaat echter verder dan de stand van het onderzoek m.i. rechtvaardigt. Zij gaat er vanuit dat zolang het onderzoek geen sluitend antwoord geeft er geen gevaar is. Die conclusie is echt uit de lucht gegrepen. Het is een veronderstelling die niet met behulp van de beschikbare onderzoeksresultaten kan worden bewezen. De waarheid is dat we het gewoon nog niet weten.

In 2005 heeft de Alkmaarse gemeenteraad vanwege deze onzekerheid over mogelijke gezondheidsrisico’s uit voorzorg besloten geen nieuwe masten meer te plaatsen op gemeentelijke terreinen. De providers trekken nu echter opnieuw aan de bel. Zij vrezen dat er binnenkort gaten zullen vallen in de dekking van het mobiele netwerk. Je zal daar dan met een mobieltje onvoldoende bereik hebben. Wat is nu wijsheid? Vinden we verdere ontwikkeling van de mobiele telefonie belangrijker dan eventuele schade aan onze gezondheid? Het mooiste zou natuurlijk zijn als we kunnen blijven telefoneren, maar dan met een zo laag mogelijk risico. Vanuit die gedachte hebben onderzoekers de koppen internationaal bij elkaar gestoken. In hun BioInitiative Report uit 2007 pleiten zij voor een realistisch maximum aan toegestane straling. Het voorgestelde maximum is 0,6 Volt per meter. GroenLinks Alkmaar neemt dat idee over. In Eindhoven werd in 2008 de werkelijke straling in en rondom woningen gemeten. Die was maximaal 0,8 Volt per meter. Dus niet eens zoveel meer als het voorgestelde maximum van 0,6.

Waarom pleit GroenLinks voor een maximum dat in de huidige praktijk al bijna wordt gehaald? Om als gemeente onnodige gezondheidsschade te voorkomen. En laten we bovendien de bevolking erop attent maken, dat voorkomen beter is dan genezen. Metingen bij ons thuis wezen uit dat onze DECT-telefoon en WiFi-installatie meer straling gaven dan de zendmast tegenover onze woning. We hadden onze eigen zendmasten in huis gehaald. Als ik mensen hierover spreek, blijkt bijna niemand zich te realiseren dat aan deze apparaten gezondheidsrisico’s kleven. Door weer te kiezen voor een vaste telefoon en internet via de draad hoeft niemand deze risico’s meer te lopen.

Is UMTS-straling gevaarlijk of juist niet? is a post from weblog Feiko van der Veen.

zondag, 12 februari 2012

Frank Pels

Frank Pels

Hyves

Sargentini: ACTA is twintigste eeuws

In acta, cultuur, de, delen, fans, geld, het internet, hulp, innovatie, en meer.
In dit stuk op DeJaap.nl gaan Judith Sargentini (Europarlementariër GroenLinks) en Douwe Korff (hoogleraar internationaal recht aan de London Metropolitan University) in op ACTA. ACTA is het nieuwe verdrag over de bescherming van intellectuele rechten.

ACTA is inderdaad een anachronisme. Een laatste stuiptrekking van dat deel van de entertainmentindustrie dat zich vastklampt aan oude verdienmodellen. Ondertussen bewijzen steeds meer nieuwkomers, van Spotify tot Netflix, dat er wel degelijk geld te verdienen valt met online vermaak en cultuur. Muzikanten als Caro Emerald en Justin Bieber ontdekken dat zij via het internet veel meer fans kunnen bereiken, met of zonder de hulp van platenmaatschappijen. Als we willen dat het internet een motor van innovatie blijft, een vehikel voor het delen van ideeën en creatieve uitingen op nooit gekende schaal, dan kunnen we de poortwachters en spionnen van ACTA missen als kiespijn.

donderdag, 9 februari 2012

Michel Klijmij-van der Laan

Michel Klijmij-van der Laan

Hyves Linkedin Last.fm Twitter Youtube Flickr GR DWARS

De mooie kanten van het onderwijs

In algemeen, onderwijs, bagage, bezig, de, geld, geweldige, gezin, huis, en meer.

Het nieuwe jaar is nog niet zo oud, maar ik heb al twee keer gestaakt voor kwaliteit in het onderwijs en lagere werkdruk. Soms kan je gelukkig kiezen voor een hogere werkdruk en tegelijk kwaliteit aan het onderwijs toevoegen. Dat was afgelopen week het geval. Met 6 geweldige leerlingen mocht ik een krappe week op pad naar Doha, Qatar. Onder het motto “daar kan je ook debatteren”.

Sinds enkele jaren ben ik (mede-)begeleider van de debatclub van het Coornhert Gymnasium en bezoeken we Model United Nationsconferenties. Dat is politiek debatteren, in de stijl van de Verenigde Naties, in het Engels, in pak, met alle politieke randverschijnselen (compromissen, onderhandelen, coalities sluiten) die daarbij horen. Als internationaal fenomeen kan dat overal. In 2010 gingen we daarvoor naar Istanbul, nu dus naar Qatar.

Om iedereen jaloers te maken vertel je dan vooral over het luxe 5-sterrenhotel, het buitenzwembad, de temperatuur die met 20 graden toch zo’n 30 graden boven die van Nederland lag, de gezellige souk, weldadige ontbijten en woestijnsafari met jeeps. Zo’n reis is ook in je eentje de verantwoordelijkheid over een groep pubers ver weg van huis, korte nachten, veel rondlopen en organiseren.En je gezin weer een week in de steek laten.

Maar het levert ook veel op: een onvergetelijke ervaring, en heel veel geleerd. Bijna 5 dagen Engels praten tussen (near) native speakers, bezig zijn met internationale diplomatie, het moeten aanspreken van een veelvoud van vaardigheden. En dan ook nog eindigen met twee verkozen Best Delegates. Kwaliteit, uitdaging, en alles behalve een zesjesmentaliteit. Precies wat iedereen wil, en precies waar deze regering en deze verschrikkelijk slechte minister van onderwijs geen geld voor over hebben. Zonder een hoop vrijwilligerswerk zijn dit soort dingen niet mogelijk. En dat is jammer, want ik zie in de loop van de debatjaren leerlingen groeien, zich ontwikkelen, en bij hun diplomauitreiking vertrekken met een hoeveelheid extra bagage waar ze de rest van hun leven profijt van hebben – en daarmee de samenleving.

Om maar positief te eindigen: het is weer gelukt om een fantastische reis te hebben gemaakt met een groep goede leerlingen. Ik kan weer trots zijn op wat we hebben gepresteerd. En ik heb een uurtje in de zon aan de rand van een zwembad kunnen liggen. Dat is het slaaptekort en de inhaalslag qua gemiste lessen wel waard.

maandag, 30 januari 2012

Christian Jongeneel

Christian Jongeneel

Hyves Linkedin Twitter Youtube

Onderwijs heeft imagoprobleem

In sargasso, de, de volkskrant, dollar, enquete, internationaal, minister, nederland, onderwijs, en meer.
1803

Marja van Bijsterveld heeft niet het intellectuele niveau voor een minister en is in die rol de beroerdste ook, aldus bestuurder Marten Kircz van onderwijsbond Aob. De quote geeft precies aan welk imagoprobleem de onderwijssector heeft: een stelletje zeurkousen die boos worden zodra je ze tegenspreekt. Zelfs al zou het waar zijn, dan nog is het persoonlijk beledigen van de minister niet de handigste manier om in gesprek te raken over je geschilpunten.

Zelfs de meerderheid van de docenten vindt dat in het onderwijs een klaagcultuur heerst, bleek in 2009 uit een enquete van de Volkskrant. En over het salaris is men best tevreden. Terecht, als je het internationaal vergelijkt. Wie de OESO rapporten over 2010 en 2011 naast elkaar legt, ziet bijvoorbeeld dat de aanvangssalarissen in dat jaar met 2000 dollar per jaar gestegen zijn (tabellen D3.1, excel en pdf alert). Nederland hoort bij de top als het om beloning van docenten gaat.

(...)
Lees verder in Onderwijs heeft imagoprobleem (nog 181 woorden)

zaterdag, 21 januari 2012

Alice Karen

Alice Karen

Mijn behuizing

In schrijfsels, eten, canada, de, eerste, internationaal, delen, keuken, opleiding, en meer.

Ik deel de keuken met zes anderen en de badkamer met een ander. Die ene ander is echt een partyhardy, komt wel aardig over maar vertoont wel de trekken van iemand die te veel alcohol drinkt. Hij presteerde het door de week dagelijks om me om half zeven ‘s ochtends met zijn kabaal wakker te maken. Ik ben dus een keer half slapend naar de deur gekomen en heb hem tot stilte gemaand, omdat ik niet iedere keer rond die tijd wakker wil worden, ik kan vanaf dat tijdstip nog zeker anderhalf uur slapen. Sindsdien is hij rustiger met de deuren. De meeste andere huisgenoten heb ik ook wel ontmoet, ze zijn wel aardig, en veelal internationaal. Er is een Chinees-Noors meisje dat hier al vijf jaar woont, en ze is nu zo goed als klaar met studeren.

Mijn kamer is okee, tocht wel als de wind erop staat, het delen van de badkamer is minder en ben ik niet gewend (de partyhardy is wel wat minder nauw met de hygiëne dan ik). De keuken is ranzig, vooral de koelkasten. In elk geval stonden er in de keuken nog aardig wat anonieme pannen, vermoedelijk door voormalige bewoners achtergelaten, zodat ik die niet hoef te kopen, en de vrouw van de professor heeft deze week tot mijn verrassing twee borden, twee kommen en een groot theeglas voor mij gekocht.

Ik heb mijn gekoelde hebben en houwen vandaag verplaatst naar de andere van de twee omdat ik op een plek bleek te zitten die eigenlijk bezet was door een Japans meisje dat een paar weken niet hier was, maar geen briefje had achtergelaten. Een ietwat vreemd meisje dat me vanochtend al bonzend op de deur kwam wekken om negen uur ‘s ochtends. Dat was nogal awkward en tevens mijn eerste ontmoeting met haar. Ik zei haar dat ze ook op een ander tijdstip en op een andere manier haar punt kon maken, en heb mijn spullen op een andere plek gestopt, onderin de andere koelkast. Die plek was uiteraard vreselijk smerig dus ik heb het eerst schoongemaakt. Nou, daarna kon ik echt niet meer slapen. Ik zal wel op de meeting die we binnenkort hebben zeggen dat ik het niet fijn vond. Met de Koreaanse jongen, een andere keukengenoot, heb ik vervolgens uitgemaakt dat die plek wel erg klein was en ik ook de helft van een plankje daarboven kon gebruiken (en hij, die met de Japanse een badkamer deelt, zei dat het Japanse meisje niet echt veel met de anderen communiceert). Een glazen plaat die eigenlijk op die onderla moest ontbrak (maar was er wel in de andere koelkast), en daardoor zou ik anders alles moeten stapelen, en dat kan je natuurlijk bij kwetsbare dingen zoals salade en tomaten niet doen.

Maar goed, we hebben aanstaande woensdagavond een meeting met zijn allen gepland om dit te bespreken. Dit soort dingen gebeuren altijd aan het begin van een semester wanneer er onduidelijk is aangegeven door oude bewoners wat precies hun plek is, en dan moeten de nieuwe maar gissen. Dus dat bespreken ze dan steeds aan het begin van het semester. Er is een ander meisje hier, afkomstig uit Canada en erg aardig, dat er ook voor een semester zal verblijven.

De leeftijden van mijn huisgenoten, allen studenten, liggen niet lager dan die van mij. Ze hebben soms voor het begin aan hun opleiding gewerkt of een andere opleiding gedaan – in hun landen van herkomst kan dat nog, die hebben meer wat lijkt op een kenniseconomie.

Verder betaal ik hier voor dit gehorige, niet zelfstandige gebeuren 20% meer dan mijn oude netto huur terwijl dat geheel zelfstandig was. Voor eten betaal ik gemiddeld 40% meer. Ik heb die maximale lening wel nodig voor die zeven maanden, want ik ben verder van geen enkele financiële backup voorzien, werd mij in november op niet al te leuke manier duidelijk.


Gearchiveerd onder:Schrijfsels

vrijdag, 20 januari 2012

Gerben Kappert

Gerben Kappert

Linkedin

Carlos Arribas, Sergi Lopez-Egea & Gabriel Pernau – Locos por el Tour

In boekbesprekingen 2011, cyclogerb wielerboeken, boeken, boeken 2011, boekrecensie, carlos arriba, gabriel pernau, lezen, sergi lopez-egea, en meer.

Arribas e.a. - Locos por el TourCarlos Arribas, Sergi Lopez-Egea & Gabriel Pernau – Locos por el Tour

Het ene Spaanstalige boek dat ik elk jaar wil lezen, werd dit jaar een wielerboek. Tijdens de Tour thuis vast begonnen met lezen, tijdens mijn vakantie in Spanje weer een heel stuk verder gekomen, daarna thuis en in de trein naar het werk uitgekregen.

Het wordt steeds vaker een opgave, lezen in een taal die je verre van perfect beheerst. Toch wil ik het volhouden, goed voor mijn woordenschat, daarbij lees je toch eens een keer iets anders. Juist bij dit onderwerp is dat vreemd, aangezien ik mezelf toch wel een beetje een Tourkenner durf te noemen. Maar de Tour vanuit Nederlands perspectief, of zelfs internationaal gezien, is iets anders dan de Tour vanuit Spaans oogpunt. Alleen daarom al was dit boek een plezierige verrassing voor mij.

Erg interessant om over oude Spaanse wielrenners te lezen, waarvan ik voordien nog nooit gehoord had. Sommigen reden een enkele keer de Tour, maar werden bekend door lokale koersen in Spanje te domineren. Vooral om deze reden vond ik het eerste deel van het boek, geschreven door Pernau het meest boeiend. Natuurlijk is het leuk om te lezen over Delgado, Arroyo en Indurain, maar meer dan wat achtergrondinformatie is er voor mij niet nieuw. Terwijl renners als Joseph Habierre, Vicente Blanco en Victorino Otero tot voor kort geen hersencel van mijn geheugen in beslag namen.

De ontwikkeling van het Spaanse wielrennen kwam pas laat op gang. De Vuelta heeft ook veel minder traditie dan de Giro en de Tour, de eerste tourwinnaar (Federico Bahamontes natuurlijk) kwam veel later en zelfs Nederland had eerder twee winnaars van de grootste wielerronde dan Spanje. Maar de achterstand werd in de jaren tachtig en negentig weggewerkt en Spanje werd een toonaangevende wielernatie. Ondertussen denken vele cynici ook te weten waarom, operatie Puerto lijkt voor velen de enige juiste verklaring. Toch kan het succes nooit alleen verklaard worden door doping, zeker gezien de algemene aanname dat de overgrote meerderheid van het peloton dezelfde middelen ter beschikking heeft.

Citaat: “Bahamontes no sabia bajar, tenia miedo. ‘Es que me cai una vez bajando de Montserrat y fui a parar a un cactus, y desde entonces tengo mucho miedo’, se justificaba unas veces.” (p.181)

Vrije vertaling (mijne dus): “Bahamontes kon niet afdalen, had angst. ‘Ik ben een keer gevallen in de afdaling van de Montserrat en kwam tot stilstand tegen een cactus, sindsdien heb ik erg veel angst’, rechtvaardigde hij soms.

Nummer: 11-024
Titel: Locos por el Tour
Auteur: Carlos Arribas, Sergi Lopez-Egea & Gabriel Pernau
Taal: Spaans
Jaar: 2003
# Pagina’s: 479 (7566)
Categorie: Sport (Wielrennen)
ISBN: 84-7871-733-1


dinsdag, 10 januari 2012

Simon Otjes

Simon Otjes

Last.fm Twitter

GroenLinks: radicale systeempartij

In groenlinks, liberalisme, politiek, politieke filosofie, democratie, economie, klimaat, vrouwen, andere partijen, en meer.

Een willekeurige zin van een beginselprogramma van een Nederlandse politieke partij is “Vrijheid, democratie, rechtvaardigheid, duurzaamheid en solidariteit. Dat zijn de idealen van ….” Van welke partij is dit programma: D66? De VVD? Het CDA? GroenLinks?

De zin komt uit het PvdA-programma uit 2005, maar het had naadloos bij ieder ander van deze partijen gepast. Het roept de vraag op: Zijn de idealen van Nederlandse politieke partijen wel van elkaar te onderscheiden? Hebben GroenLinksers andere waarden dan PvdA’ers of VVD’ers?

Radicale anti-systeempartijen

Natuurlijk zijn er verschillen tussen de beginselprogramma’s van bepaalde politieke partijen: de Partij voor de Dieren, de ChristenUnie en de SGP, de SP en de PVV bieden ieder op hun eigen manier een fundamentele kritiek op de moderne samenleving. Dit zijn stuk voor stuk radicale anti-systeempartijen. En in hun beginselprogramma’s is dat ook goed zichtbaar:

  • De Partij voor de Dieren stelt dat onze antropocentrische samenleving het welzijn van dieren opoffert voor het welzijn van mensen. Dit is een fundamentele kritiek op onze maatschappij die in zijn geheel is gericht op verzekeren van rechten en kansen voor mensen.
  • De PVV levert een fundamentele kritiek op een heel scala van bestaande instituten: de parlementaire politiek die niet meer luistert naar de stem van de gewone Nederlander; de Europese Unie die Nederlanders het recht ontzegt om over eigen aangelegenheden te beslissen; de multiculturele samenleving die Nederland haar eigenheid ontneemt.
  • Ook de SP heeft een fundamentele kritiek en wel op het kapitalisme. Zeker haar beginselprogramma van 1999 bevat diep-socialistische cultuurkritiek: de samenleving dreigt een neo-liberale ‘brutopia’ te worden waar het kapitalisme “normloos en ongeremd” de menselijke waardigheid verkwanselt.1
  • De SGP bekritiseert de hedendaagse samenleving omdat deze van Gods pad is afgeweken. In haar houding ten opzichte van vrouwen en homo’s kan je het radicalisme van de SGP het beste zien. Terwijl homo- en vrouwenrechten door bijna iedere Nederlander onderschreven worden, wijst de SGP deze, verwijzend naar Bijbelteksten, af.
  • Het beginselprogramma van de ChristenUnie kenmerkt zich ook door een zelfde beroep op God en bevat een groot aantal verwijzingen naar Bijbelse teksten.2

De andere partijen, CDA, VVD, D66, GL en PvdA onderschrijven allemaal een sociaalliberaal programma. Als we de kritiek van de PvdD, PVV, SP en SGP analyseren, zie we ook wat dat sociaalliberale programma inhoudt: het stelt, in tegenstelling tot de PvdD, mensen centraal. Er is een brede consensus in Nederland dat de overheid primair de ontplooiing van mensen mogelijk moet maken. Het gaat, in tegenstelling tot de PVV en de SGP, uit van het constitutionele principe van gelijkberechtiging: onafhankelijk van hun geslacht of seksuele voorkeur kunnen burgers rekenen op dezelfde vrijheden. Hetzelfde geldt voor het geloof: christen, moslim of atheïst kunnen rekenen op dezelfde vrijheden. In tegenstelling tot de SP balanceert het programma markt, staat en maatschappelijk initiatief, in plaats van alle nadruk bij de staat te leggen. Het sociaalliberale programma plaatst Nederland midden in de wereld, terwijl de PvdD, PVV, de SP, CU en de SGP allemaal euroskeptisch zijn. Het Europese project is een project van de systeempartijen.

Sociaalliberale systeempartijen

Maar is er dan geen verschil tussen het gedachtegeoed van de vijf sociaalliberale partijen? Van GroenLinks tot VVD lijken deze partijen een breed sociaalliberaal programma te onderschrijven:

  • individuele vrijheid van mensen staat voorop;
  • voor deze vrijheid is wel een overheid nodig die de ontwikkelingskansen van mensen verzekert door goed onderwijs en een vangnet voor hen die het niet redden, in de vorm van de sociale zekerheid maar ook een tolerante en solidaire samenleving nodig;
  • er is een balans tussen de overheid, de vrije markt en ruimte voor maatschappelijk initiatief;
  • het huidige democratische constitutionele stelsel, balans tussen parlement en kabinet, scheiding van kerk en staat, burgerlijke en sociale rechten, wordt onderschreven;
  • Nederland staat open voor de wereld en werkt samen in Europa;
  • en de belangen van toekomstige generaties worden meegenomen in sociaal-economische afwegingen.

Fundamentele verschillen in mensbeeld zijn er niet tussen deze partijen: al deze partijen leggen een nadruk op het individu, maar wel een individu dat participeert in een samenleving, in het gezin, op de werkvloer, in verenigingen en in de democratie. Natuurlijk zijn er nuanceverschillen en verschillen in nadruk tussen politieke partijen, bijvoorbeeld: in de balans tussen overheid, markt en maatschappij hebben PvdA, VVD en het CDA ieder hun eigen voorkeur. De PvdA verdedigt de sociale zekerheid, het CDA legt de nadruk op het maatschappelijk initiatief en de VVD op de vrije markt.

Socialists are liberals who really mean it

Maar waar staat GroenLinks? Is haar programma inwisselbaar voor dat van de PvdA of D66? Misschien in woorden wel. Al deze partijen delen woorden als vrijheid, solidariteit en duurzaamheid. Maar in de uitwerking van het programma worden de verschillen wel degelijk duidelijk: dit brede sociaalliberale programma is voor GroenLinks een opdracht voor verregaande herverdeling, voor principiële rechtsstatelijkheid, voor een fundamentele vergroening en voor radicale internationalisering.

Socialists are liberals who really mean it. Vrijheid is meer dan alleen het recht om zelf te kiezen. We moeten mensen ook de middelen en de mogelijkheden geven om regie te nemen over het eigen leven. CDA, VVD, GroenLinks, D66 en de PvdA delen het idee dat mensen in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor hun eigen leven. Maar alleen GroenLinks verwoordt consequent dat als mensen niet in staat zijn om zelf verantwoordelijkheid te nemen, de overheid hen moet ondersteunen om verantwoordelijkheid te nemen voor het eigen leven. ‘Socialisme ter wille van het individualisme’, noemde Jacques de Kadt dat.

Of neem de rechtsstatelijke houding van GroenLinks. Als we echt geloven in onze constitutionele orde, de principes en rechten die zijn vastgelegd in onze Grondwet, dan moeten we deze niet opgeven als we onder druk komen te staan van terreur. Een principe hebben betekent aan iets vast houden, juist als dat niet makkelijk is. Vrijheid van meningsuiting geldt niet alleen voor mensen waar we het mee eens zijn. Dit betekent juist ook dat een radicale imam een abjecte orthodoxe versie van de islam mag uit dragen. Het gemak waarmee de VVD en het CDA burgerrechten wegwuiven vanwege terrorismebestrijding is geen teken van een verschil in prioriteiten (burgerrechten of veiligheid), maar van het feit dat deze partijen hun eigen waarden gewoon niet begrijpen. Sterker nog, als je echt gelooft in onze constitutionele orde, dan moeten we die tanden geven door rechters de mogelijkheid te geven om wetten af te wijzen omdat ze in strijd zijn met constitutionele principes. Alleen dan neem je de Grondwet echt serieus.

Het GroenLinks-programma is natuurlijk bijzonder radicaal waar het het milieu en klimaat betreft. Maar dit is niet meer dan een consequente uitvoering van het beginsel van duurzaamheid dat alle partijen delen. En zelfs dat is nauwelijks als een beginsel op zich te zien. Duurzaamheid betekent niet meer en niet minder dat je je eigen ideaal van een maatschappij waar mensen zich kunnen ontplooien zo serieus neemt dat je wilt dat die maatschappij er ook voor onze kinderen nog zal zijn. Duurzaamheid is geen ideaal op zich, maar slechts een consequente houding ten opzichte van je idealen. Maar dat heeft wel radicale implicaties: willen we onze samenleving die welvaart, kansen en werk relatief rechtvaardig verdeelt behouden, dan moeten we onze economie fundamenteel vergroenen.

GroenLinks wordt gekenmerkt door een internationale houding: met een open blik naar de wereld kiest GroenLinks voor Europese samenwerking en voor de ontwikkeling van andere landen. Internationalisme behoort tot de vezels van het sociaalliberale programma. De Nederlandse grondwet onderschrijft het principe van een internationale rechtsorde. De gevestigde liberale, sociaaldemocratische en Christendemocratische partijfamilies stonden allemaal aan de wieg van Europese samenwerking. De internationale houding van GroenLinks is niets anders dan een consequente houding: de grote crises van dit moment, de klimaatcrisis en de economische crisis, vereisen een internationaal antwoord. We kunnen deze problemen niet in ons eentje aan. We moeten internationaal samenwerken om onze samenleving te verduurzamen en onze idealen in de praktijk te brengen. De natiestaat voldoet niet meer om dat sociaalliberale programma uit te voeren. En zelfs waar het ontwikkelingssamenwerking betreft, is de achterliggende houding niet meer en niet minder een van consequent zijn: als je gelooft dat iedere burger beschermd moet zijn tegen geweld en recht heeft op een fatsoenlijk bestaan, dan moet je erkennen dat er geen rationele grondslag is om deze principes te beperken tot de nationale staat. Als je gelooft in dat vrije individu, waarom heeft Jan uit Urk dan wel recht op individuele vrijheid, maar Jan uit Timboektoe niet?

Radicale systeempartij

Het hele GroenLinks-programma, groen, sociaal, internationaal en vrijzinnig, is niets meer en niets minder dan een consequente uitvoering van wat al die andere systeempartijen vinden. Een groot deel van de Nederlandse politiek onderschrijft een breed sociaalliberaal programma, dat oog heeft voor de toekomst en over de grenzen kijkt. GroenLinks een radicale partij, maar niet een radicale anti-systeempartij zoals PVV, PvdD, SGP en SP. GroenLinks geeft radicaal consequent uitvoering aan het breed gedeelde sociaalliberale programma: GroenLinks is een radicale systeempartij.

noten

1 Overigens is de SP in de laatste jaren sociaaldemocratischer geworden en heeft ze een groot deel van haar fundamentele kritiek laten varen, ze past daarmee beter in de sociaalliberale consensus.

2 Echter, recent probeert de CU haar gedachtegoed te verwoorden in woorden als “duurzaamheid, vrijheid en dienstbaarheid” die inwisselbaar lijken voor de waarden van de VVD, het CDA of GroenLinks. Ook deze partij sluit steeds meer aan bij de sociaaliberale consensus.

maandag, 9 januari 2012

Ineke Verdoner

Ineke Verdoner

Alles is van iedereen

In uncategorized, gedachte, geld, gezondheid, gezondheidszorg, boekenkast, huis, crisis, idee, en meer.

2012 is begonnen. De dagen worden al weer wat langer, maar januari is net als andere jaren toch een vreemde maand; lang, grijs, wat saai. En ook een beetje anders dan vorige jaren. Ik maakte altijd enthousiast gebruik van de uitverkoop maar ik moet bekennen dat die lust me is vergaan. Winkel in, winkel uit in aanwezigheid van een massa andere koopjesjagers, ik word al moe bij de gedachte. Daarentegen ben ik al mijn kasten aan het op en uit ruimen. Vele dozen vol spullen die ik niet meer gebruik vinden hun weg naar de recycling, het oud papier en Lets of andere plaatsen waar gebruikte zaken welkom zijn voor een volgende ronde.
Dus het idee om juist weer meer spullen in huis te halen staat me tegen. Ik heb zelfs al een stoel uit mijn woonkamer gezet – heerlijk, meer ruimte – 3 planken in mijn overvolle boekenkast leeggehaald – heerlijk, lege planken – en een aantal pannen die mijn laden bezetten weggegeven aan iemand die op kamers ging. Heerlijk, ruimte in mijn kast!

Ik had hier ook boven kunnen zetten: less = more, want daar heb ik het ook over. Maar de zin die ik las 'alles is van iedereen' raakte me meteen. De inhoud van die zin gaat verder, heeft dynamiek, is een belofte; ze wijst naar de toekomst waar we aan begonnen zijn.
Deze week verzorg ik met mijn collega Kamilla Hensema een avond voor het Fries VrouwenNetWerk over de Occupy Movement en het Friesch Dagblad heeft vandaag, maandag, nogmaals een artikel van mij geplaatst over de mogelijke ontwikkelingen van de beweging in 2012.
Eigenlijk vind ik 'Alles is van iedereen' de perfecte beschrijving van het doel van deze beweging die in 2011 is ontstaan en zich explosief en wereldwijd heeft ontwikkeld.
Dat raakt ook aan mijn groeiende desinteresse in 'dingen en spullen'. Ik voel aan alle kanten dat ik genoeg heb. Dat ik rijk ben.
En ook al is het 'financiële crisis' en worden mensen gevoelig geraakt in hun bestaanszekerheid, ook het komende jaar, we blijven vooralsnog het op één na rijkste land van de wereld. En ik weet niet hoe het u vergaat, maar ik voel dat. Ook al heb ik geen duizendjes te besteden en behoor ik zeker tot de 99%, zoals de Occupyers zichzelf noemen, we hebben genoeg en in zekere zin te veel. Te veel spullen.
Daar kunnen we moralistisch over doen, maar we kunnen er ook toe overgaan om royaal te delen. Ik kom regelmatig ergens waar bij de entree een 'samen-zijn-we-rijk-tafel' staat. Wat je over hebt leg je daar neer en een ander kan het meenemen als hij of zij er iets aan heeft. Dit wordt de nieuwe trend: weggeef'winkels' van dingen die we niet meer nodig hebben.

Maar er zijn wel andere 'dingen' die we nodig hebben.
Bestaanszekerheid, de energierekening kunnen voldoen, in je huis kunnen blijven wonen ook in slechte tijden, zinvol werk, goede gezondheid, liefde en aandacht, goed onderwijs, contact met de mensen om je heen, perspectief.
De crisis die gaande is gaat over het faillissement van de door economische belangen gestuurde samenleving. De materie, een masculien principe, heeft de overhand gekregen en veroorzaakt op alle niveaus disbalans; daardoor wordt de gezondheidszorg onbetaalbaar, kloppen hypotheken niet meer met de waarde van de huizen en hebben we teveel spullen en te weinig aandacht en zorg.
Onze immateriële waarden als zingeving en het vrouwelijke principe, zijn verwaarloosd.
Maar ....
Dankzij onze digitale snelweg ontdekte ik dat de beweging voor een gegarandeerd basisinkomen levendiger is dan ooit en een internationaal karakter heeft.
In het radioprogramma Pavlov op radio1 werd belicht dat al jaren uit onderzoek blijkt dat Nederlanders 'toegewijd' zijn. Toegewijd aan iets hogers en dat betreft een heel scala van definities; van religieus tot maatschappelijk betrokken op allerlei manieren.
Ik merk zelf dat de wijze waarop ik mijn denkbeelden verwoord zo veel meer herkend en erkend worden dan een paar jaar geleden.
Transition Towns en bewegingen voor Permacultuur blijven zich ontwikkelen en zijn georiënteerd op samenleven met de natuur, minder afhankelijk worden van geld en meer verantwoordelijkheid nemen voor goede voeding, zorg voor de aarde, elkaar en duurzaamheid.

Alles wat met economie en geld te maken heeft verkeert, in crisis. Alles wat met andere vormen van samen-leven te maken heeft is in ontwikkeling. Daarin zie ik een omslag van 'ikke-ikke' naar het nieuwe Wij. Manfred van Doorn noemt dat het ANDividualisme. Daarmee zetten we stappen op het pad van 'Alles is van Iedereen'. En dat vind ik een hoopvol perspectief.
Ik wens iedereen genoeg van veel in 2012.

Ineke Verdoner


Eigentijds idealisme – Gabriel van den Brink 
Pavlov, ntr radio

dinsdag, 3 januari 2012

Simon Otjes

Simon Otjes

Last.fm Twitter

Wat is goed politiek drama?

In denenmarken, fictie, politiek, verenigd koninkrijk, verenigde staten van amerika, vergelijkende politiek, oppositie, opvallende, overheid, en meer.

Goed politiek drama slaat een ongemakkelijke balans slaan tussen drie dingen: politiek realisme, een intrigerend plot en meeslepend politiek idealisme. De schets van hoe politiek werkt, moet kloppen, anders gaat het wringen. We zetten de televisie uit als het niet klopt. Maar wil een politiek drama ons meenemen, dan moet er iets gebeuren, we moeten mee genomen worden in een verhaal. Politiek biedt daar mooie mogelijkheid voor: grote belangen, slimme strategen en intrige op het hoogste niveau. Ten slotte wordt een politiek drama alleen echt interessant als we ons met de karakters kunnen identificeren: als zij zich vol idealisme inzetten voor een betere wereld. Ik wil vanuit dit perspectief naar een aantal verschillende politieke drama’s kijken.

Ideal(istisch)e Politici

The West Wing (1999-2006, wiki, een van de vele prachtige scenes) is de touch stone van political drama. Het volgt President Bartlet, de ideale president: een man met de charme van Clinton, de intelligentie van Keynes en de compassie van Carter. Het team om hem heen, zijn woordvoerders, chief of staff, en speechwriters, doen hun best om van dit Presidentschap een succes te maken. De politieke realiteit is weerbarstig, de Democratische President staat tegenover een Republikeins Congres. Ze weten politieke successen te boeken, maar moeten nationaal en internationaal tegenslagen weerstaan. Alle politici hebben het hart op de juiste plek, maar moeten soms vuile handen maken om meerderheden voor hun wetten te vinden en om de wereld veilig te houden. De serie is geprezen om het realistisch beeld dat het geeft van het Amerikaanse politieke stelsel. De serie komt het meest op gang in de laatste seizoenen als de focus wordt verlegd naar de race om het presidentschap tussen een oude, maar onafhankelijk denkende Republikein en een jonge Democratische kandidaat met een etnische afkomst. Vier jaar voor de verkiezing van Obama weet de serie een boel correcte voorspellingen te doen: zelfs de voorspelling dat de Democratische kandidaat uiteindelijk een tegenstrever zou kiezer voor de post van Secretary of State.

Ik denk dat de grote kracht van The West Wing ligt in de combinatie van twee dingen: een realistisch beeld hoe politiek in Amerika eigenlijk werkt, een aanstekelijk politiek idealisme van de hoofdpersonen die geloven dat ze het land de goede kant op kunnen krijgen. Maar het geniale schrijf- en camerawerk maakt het af: door de snelle dialogen en voortdurend bewegend opgenomen scenes wordt je meegezogen in een dynamische politieke wereld die je wel moet volgen. Het enige minpunt is het overall plot: in de eerste seizoenen zijn er veel “political problem of the week”-afleveringen, het grote plot komt pas met de onthulling dat de President ziek is, maar dit niet heeft vertelt. De makers probeerden een Lewinsky-achtige affaire in hun verhaal te verweven: een President die liegt en daarover verantwoording moet afleggen, en zo zijn presidentschap zwaar beschadigt, maar daar zit een stuk minder intrige achter dan je zou verwachten. In de latere seizoenen de race om The White House, niet zo zeer spannend maar wel enthousiasmerend.

"I may be your archnemesis, but I'll come over for Thanksgiving"

Commander-in-Chief (2005-2006, wiki, eerste scene) probeert het succes van The West Wing te kopieren: een onafhankelijke vice-president van de Verenigde Staten wordt president als de Republikeinse president doodgaat. Ze vindt een vijandig Congres tegenover zich en woelt zich door familieproblemen. Ik heb al eerder geschreven dat deze serie een slechte kopie is.

Seks en Politiek

De Lewinsky-affaire is een grote inspiratie voor filmmakers, veel zoeken de relatie op tussen seks en politiek: de nieuwe film The Ides of March (2011, wiki, trailer) van George Clooney verslaat de primary-verkiezing van een linkse Amerikaanse presidentskandidaat door de ogen van een van zijn jonge, ambitieuze, idealistische aides: die stuit op een politieke schandaal. De kandidaat heeft een kind verwekt bij een campagnemedewerker. De aide helpt de medewerker bij een abortus, maar de druk wordt haar te veel: ze pleegt zelfmoord. De aide gebruikt die informatie uiteindelijk om zelf zijn positie in de campagne zeker te stellen. De film lijkt sterk op Primary Colors (1998, wiki, trailer). De plotten vallen min-of-meer samen: een seksueel schandaal, een aide die het geheim houdt. En zo verliest een jonge politicus zijn naiviteit. De herhaling van deze verhalen is ook niet raar, want President Clinton werd door zulke seksuele schandalen achter volgt. Het fundamentele verschillen tussen de twee verhalen is dat in The Ides of March iedereen alles voor zijn eigenbelang inzet, in Primary Colors komt de politieke volwassenwording heel hard aan, maar verandert de naieve jongeling niet in een slag in een berekende Machiavelli. Dat geeft duidelijk een plus aan Primary Colours voor realisme en idealisme.

"I'll be president in four years, sir"

The American President (1995, wiki, trailer) geeft een veel romantischer beeld van de verhouding tussen macht en liefde. The American President gaat over de opbloeiende relatie tussen de Democratische Amerikaanse President, een wedunaar, en een milieulobbyiste. Hun liefde komt onder politieke druk te staan als het wordt gebruikt door de Republikeinen die het als een test zien van de moraliteit van de president. Uiteraard: in deze romantische komedie overwint de liefde alles. De waarheid over macht en liefde zal wel ergens tussen de cynische thriller Ides of March en de zoetsappige romantische komedie The American President in liggen. Het meest interessante aan deze flim is dat hij vier jaar voor The West Wing is gemaakt en dat een aantal acteurs op opvallende plaatsen opduiken: President Bartlet is nu Chief of Staff.

The Contender (2000, wiki, trailer) focust op ook een seksschandaal, dat weer wordt gebruikt als de toetssteen van de moraliteit van een Democratische politicus: nu van de eerste vrouwelijke kandidaat-vice-president van de Verenigde Staten. De kandidaat wordt door de Republikeinen ervan beticht tijdens haar studietijd seks te hebben gehad om lid te worden van een studentenvereniging. De kandidaat zwijgt. Dit brengt haar kandidatuur in groot gevaar. We komen erachter dat ze het niet heeft gedaan, maar dat ze vindt dat politiek hier niet over mag gaan. Een klassieke clash tussen het idealisme van een Democratische kandidaat en het cynisme van het Republikeinse establishment. Maar geeft een realistisch beeld van hoe schandalen worden gebruikt om kandidaten te breken.

Post-Lewinsky cinema kunnen we het wel noemen. Maar ook andere recente gebeurtenissen hebben ook hun weerslag gehad: de legendarische presidentschappen van Nixon en Kennedy zijn ook verfilmd.

Historisch Realisme

The Kennedys (2011, wiki, trailer) reconstrueert de Amerikaanse politieke machine: de Kennedys. Vader Joe Kennedy heeft maar een ambitie: zelf President van de Verenigde Staten worden. Als dat niet lukt, concentreert zijn ambitie zich op zijn oudste zoon. Als die omkomt in de Tweede Wereldoorlog, dan richt hij zich op zijn een-na-oudste zoon: John F. Kennedy. Kennedy heeft dezelfde krachten en zwakten als zijn vader: een politiek genie, maar in de relatie met vrouwen uitermate onbetrouwbaar. Alle middelen, inclusief keiharde verkiezingsmanipulatie, worden ingezet om verkozen te worden: zelfs de maffia steunt hen. JFK schopt het tot president. We volgen het presidentschap van Kennedy: statesmanship in de Cuban Missle Crisis (ook mooi verslagen in Thirteen Days (2000, wiki, trailer)). De communicatie tussen de wereldleiders gaat in punten en komma’s van officiele verklaringen. En uiteraard het politiek idealisme in de strijd tegen segregatie. We weten dat het presidentschap van Kennedy bloedig eindigt. Zijn broer Bobby neemt de fakel over en betaalt dat ook met zijn leven.

Over het realisme van zulk politiek drama wordt vaak gezeverd: maar dat gaat over kleine details. Het algemene beeld van politiek dat er geschetst wordt klopt. De Kennedys werden gedreven door hun ambitie om seksuele en politieke veroveringen te boeken en om Amerika iets eerlijker te maken. Daarvoor waren alle middelen geaccepteerd. De nationale politieke realiteit blijkt weerbarstig, maar de internationale politieke realiteit is nog weerbarstiger. We delen de politieke ambities van de Kennedys in de strijd tegen segregatie, maar de alle middelen zijn geaccepteerd-mentaliteit gaat soms te ver.

Een alle middelen zijn geaccepteerd-mentaliteit staat ook centraal in All the President’s Men (1976, wiki, trailer) dit volgt de journalisten die het Watergate schandaal ontdekten. Het is misschien niet zozeer een politiek drama als een journalistieke thriller. Ze stuiten via een simpele inbraak in een hotelcomplex op een samenzwering rond de Republikeinse Amerikaanse president Nixon om met het  Democratische hoofdkwartier af te luisteren. Om hun macht te behouden zijn politici tot alles in staat. De journalisten zijn echter oprecht op zoek naar de waarheid … en een goed politiek verhaal. In Frost/Nixon (2008, wiki, trailer) legt Nixon verantwoording af bij de journalist Frost. De interviews

"I'll be prime-minister of Britain one day, I promise"

hebben echt plaats gevonden, maar de verfiliming geeft de context realistisch weer: een sluw politiek genie die een tweede rangs-journalist wil gebruiken om zijn onschuld te bewijzen, en een jonge journalist die zich graag wil bewijzen door een zo groot mogelijke scoop te halen.

Het grote nadeel van zulke films is dat we het einde al weten: je weet dat in de laatste scene van The Kennedys RFK wordt doodgeschoten, je weet dat de wereld niet is vergaan tijdens de Cuban Missiles Crisis en je weet dat, hoe hij het ook probeert te ontkennen, Nixon een crook is.

Maar ook de recente geschiedenis inspireert: Too Big to Fail (2011, wiki, trailer) verslaat een episode uit de Amerikaanse bankencrisis, namelijk hoe in een heel korte tijd de grote banken van Amerika gered moeten worden (het is zo een interessant zusje van de financiele thriller Margin Call (2011, wiki, trailer) over de nacht dat een bank instort). Too Big to Fail geeft een mooi inzicht in hoe de besluitvorming loopt: met niet-meewerkende bankiers, eigenwijze senatoren en grote belangen.

Brits Cynisme

Welke is echte echt en welke een kopie?

De Amerikaanse politiek staat uiteindelijk veraf van wat wij in Europa gewend zijn: een parlementair stelsel met een premier en onafhankelijke professionele bureaucratie. Politici hebben niet het vermogen om de wereld te veranderen, noch de intelligentie daarvoor. Politiek is wat er gebeurt op televisie, terwijl ambtenaren de dienst uit maken. Dat is in elk geval de indruk die we krijgen van de Britse serie Yes, Minister/Yes, Prime Minister (1980-1984, wiki, een klassieke scene). Dit is een klassieke Britse sitcom uit de jaren ’80: een catchphrase, hoge grapdichtheid en niet meer dan drie karakters: de politicus die denkt hij iemand is, maar dat niet is, de sluwe topambtenaar en de aangever, de persoonlijke secretaris van de minister. Maar daar achter zit een cynisch-realistisch beeld van de politiek. Een minister weet in een periode van vier jaar niets te bereiken, de echte macht ligt bij de honderden ambtenaren die er jaren zitten, en in het bijzonder de topambtenaren. Het was de favoriete serie van de toenmalige premier Margaret Thatcher zelf, die een even cynisch beeld had van de overheid.

De VPRO heeft, overigens, recentelijk geprobeerd de serie te kopieren, zonder succes (Sorry Minister, 2009, wiki, een overduidelijk gekopieerde scene).

Yes, I'm Evil

Nog cynischer dan Yes (Prime) Minister is de serie House of Cards (1990, wiki, klassieke scene), To Play the King (1993, wiki, nog zo’n klassieke scene) en The Final Cut (1995, wiki, een laatste klassieke scene). Ik schreef hier al eerder over. Het volgt de fictieve politieke carriere van Francis Urquhart (F.U.) een machiavellistische politicus. Urquhart wil alles doen om zijn macht te vergroten. In House of Cards elimineert hij een-voor-een zijn mogelijke concurrenten als conservatieve partijleider door seksschandalen te creeeren en reputaties van mensen te vernietigen. Het kost uiteindelijk het leven van zijn politieke assistent. Urquhart begint een relatie met een jonge journaliste die geintrigeerd is door het charisma van de macht. Ze komt achter zijn plannen. Urqhart vermoordt ook haar. In To Play the King is Urquhart premier geworden aan gaat hij de strijd om de macht aan met de idealistische koning, die zich verzet tegen het rechtse beleid van de regering. Urqhart dwingt hem uiteindelijk af te treden voor zijn nog zeer jonge zoon. In The Final Cut probeert Urquhart zijn pensioen zeker te stellen door in de laatste dagen van zijn premierschap een oliedeal te regelen waar hij zelf voordeel van heeft. Als dit dreigt uit te komen, laat zijn vrouw, die in de hele serie een soort Lady Macbeth is geweest, hem vermoorden om zijn reputatie te bewaren. Dit niveau van intrige gaat veel verder dan echte politiek, of zelfs de Amerikaanse politieke thrillers. Waar in het begin de kijker, net als de jonge journaliste geintrigeerd is door de machtpoliticus Urquhart, eindigt hij als een karikatuur. Deze triologie is een interessante studie van absolute macht, maar staat wel ver van de politieke realiteit.

"I told you I'd prime-minister one day."

Blair werd voor 2003 gezien als een politicus van een ander slag dan de cynische conservatieven. Een man die als geen ander kan communiceren, mensen enthousiast kan maken voor een progressief verhaal. In het drieluik The Deal (2003, wiki, laatste scene), The Queen (2006, wiki, trailer) en The Special Relationship (2010, wiki, trailer) zien we hoe Tony Blair, een jonge ambitieuze hervormer, begint aan een politieke carriere onder mentorschap van de norse Gordon Brown, die door Blair wordt gezien als de natuurlijke partijleider. Hij groeit uiteindelijk boven Brown uit. Blair kan premier worden. De relatie verzuurt: in de politieke realiteit is The Deal nodig tussen de twee. Eerst acht jaar Blair, dan de kans voor Brown. The Queen begint met het aantreden van Blair, die zich tegenover de Britse Koningin moet verhouden. Het opent met een prachtige scene waarin de Koningin een jonge Blair, die net de verkiezingen heeft gewonnen, terecht wijst over het protocol: Blair mag de Koningin niet vragen hem te benoemen als premier. De Koningin moet hem vragen premier te worden. De dood van Prinses Diana is een schakelpunt: Blair weet het publieke sentiment na de dood van Diana veel beter in te schatten dan de koele afstandelijke Koningin. Blair moet de Koningin overtuigen menselijkheid te tonen. The Special Relationship focust op de relatie tussen Blair en Bill Clinton. Clinton nodigt de Blair, als leider van de oppositie uit in het Witte Huis. Hij ziet in Blair een mooie mogelijkheid om een gelijkgezinde centre-left progressive politicus aan de macht te helpen. Clinton geeft Blair advies als hij eenmaal premier is geworden. De twee leiders komen in conflict over Kosovo. Blair wil veel harder ingrijpen dan Clinton. Dat wil hij uit politiek idealisme: de wereld moet vrij worden gemaakt van dictatuur. Hij forceert Clinton, die ondertussen door seksschandalen politiek is verzwakt, om in te grijpen. Twee jaar later is een verzuurde Clinton president af en zoekt Blair een nieuwe relatie met Bush. De politieke kernboodschap van de drie films is dat politiek niet over grote idealen of grote schandalen, maar over persoonlijke relaties gaat. Blair groeit iedere keer als leerling boven zijn meester uit, wat de relaties onder druk zet.

"Another actor to play Blair, how dare you."

Een aanzienlijk cynischer beeld van het premierschap van Blair spreekt uit uit de Amerikaanse film the Ghost Writer (2010, wiki, trailer). De film gaat over een ghost writer die de memoires moet schrijven van een voormalige Britse premier. De premier, een duidelijke kopie van Blair, was heel populair in eigen land en bij de Amerikaanse regering. Zijn reputatie is echter onder druk gekomen vanwege zijn steun aan de War against Terror. De schrijver komt erachter dat de premier letterlijk door de Amerikanen aan de macht geholpen is: in zijn studietijd is hij gekoppeld aan een vrouw die hem stimuleerde om premier te worden en daar het Amerikaanse belang te dienen. Een vermakelijke speculatie, maar geen diepzinnige politieke analyse. Een soort Manchurian Prime Minister eigenlijk (cf. Manchurian Candidate 1962, 2004, wiki, wiki, trailer, trailer)

Van Eigen Bodem

Twee Bernhards

In Nederland hebben we het ook geprobeerd: politiek drama van onze eigen bodem. Den Uyl en de Affaire Lockheed (2010, wiki, trailer) volgt de Nederlandse premier Den Uyl die probeert een schandaal rond de Kroon te voorkomen. Het conflict tussen de linkse idealen van Den Uyl en de politieke realiteit worden mooi weergegeven door Den Uyl zowel te volgen in zijn eigen familie, waar zijn eigen zoon Den Uyl veroordeelt voor het creeeren van een doofpot en op het Paleis, waar hij keihard met de politieke realiteit wordt geconfronteerd. De affaire en Den Uyl spelen een bijrol in Bernhard, Schavuit van Oranje (2010, wiki, trailer). Dit legt vrij realistisch het politieke leven van Bernhard langs het politieke leven Maxima. Bernhard, geniaal gespeeld door Daan Schuurmans, vindt zichzelf eigenlijk te groot voor Nederland: tijdens de Tweede Wereldoorlog werkt hij mee met staatslieden, in het na-oorlogse Nederland wordt zijn positie steeds marginaler. Maar de sluwe vos weet, zo speculeert de serie op basis van het script van Thomas Ross, een laatste zet te maken: hij haalt Maxima naar Nederland om de zwakke kroonprins bij te staan, zoals ook hij ooit naar Nederland is gehaald om de zwakke kroonprinses bij te staan.

Dat is wel een hele subtiele verwijzing.

Een stuk zwakker is Vox Populi (2008, wiki, trailer). Het volgt de politiek leider van RoodGroen (ja, dat is een heel subtiele verwijzing), Jos Fransen, die in een midlife crisis is beland. Via de nieuwe vriend van zijn dochter komt hij in contact met “gewone burgers”. Hij merkt dat hij het goed doet in de peilingen als hij de taal van deze gewone burgers uitslaat op televisie. Maar daarmee breekt hij wel met zijn eigen politieke programma. De peilingen en zijn affaire met een stagaire slaan hem naar de bol. En uiteindelijk besluit hij te migreren. De film is weinig realistisch: het gaat uit van populistisch idee dat er een kloof tussen burger en bestuur is en dat kiezers naar iedere politicus neigen die daarover heen stapt. Wat de film precies wil zeggen over politiek is mij onduidelijk: het lijkt me eerder een film over een man in een midlife crisis die toevallig politicus is. Het enige interessante is het hoge aantal cameo’s van ‘echte’ politici, journalisten en opiniemakers.

De Burcht

Een Nederlandse The West Wing is er dus niet. Het meest dichtbij komt Borgen (vanaf 2010, wiki, bijbehorende website). Borgen volgt de Deense politica Birgitte Nyborg, die onverwacht premier wordt. We volgen de complexe relaties tussen politici, de media en voorlichters en de reprecussies van politieke carrieres op het thuisfront. Nyborg, de leider van de sociaal-liberale partij Moderate wordt onverwacht premier, als de leider van de grote sociaal-democratische partij en de leider van de grote liberale partij verwikkeld raken in een moddergevecht over politieke schandalen op de laatste dagen van de verkiezingen. Nyborg vormt een minderheidskabinet van groenen, sociaal-democraten en sociaal-liberalen dat soms steun moet vinden bij de uiterste linkse Solidarisk Samling en soms bij de centrum-rechtse Ny Nojre. Binnen de coalitie staan de weinig sympathieke sociaal-democraten, die zich als de natuurlijke machtspartij zien, klaar om Nyborg een dolk in de rug te steken. Het partijenstelsel is overduidelijk gebaseerd op het Deense, maar doet sterk denken aan het Nederlandse stelsel: van rechtse xenofobe populisten tot regenteske sociaal-democraten, het is wel heel herkenbaar. De serie wordt soms gezien als politiek naief omdat Nyborg nogal amateuristisch is en er vaak alleen voor lijkt te staan, maar Nederlandse politici zijn allemaal amateurs. Tegelijkertijd volgt het plot de jonge journaliste Fonsmark, wiens carriere een plotseling sprong maakt. Zij probeert haar onafhankelijke journalistieke positie te beschermen tegen de druk van de politieke macht en niet altijd welwillende collega’s. Ze worden verbonden door Kasper Juul, de sluwe spindokter van de premier: een echte machtspoliticus die prachtige speeches kan schrijven en die een relatie had met Fonsmark.

De serie is gemaakt door de makers van The Killing, een politiethriller. En dat is het enige nadeel: er is een grote neiging om lijken naar beneden te gooien als een soort Deus Ex Machina. De serie opent met de politiek assistent van de liberale premier die sterft in de kamer van Fonsmark (met wie hij een relatie heeft) en voor zijn baas belastend bewijs achterlaat voor Juul om te vinden. En zo zitten er wel meer weinig realistische thriller-achtige twists en turns in.

Veel realistischer is de weergave van de relatie tussen seks en macht. De premier en haar man groeien uit elkaar: hij moet zijn carriere opgeven voor haar. Zij heeft het veel te druk om intiem te zijn met hem. Het huwelijk valt uitelkaar: niets geen spannende one-night-stands maar een opdrogend huwelijk.

We zien een prachtig en herkenbaar beeld van politiek achter de schermen in een parlementair stelsel. Hierin probeert de premier trouw te blijven aan haar sociaal-liberale idealen, terwijl de media en haar coalitiepartners dat proberen te dwarsbomen. Een prachtige serie dus, het enige probleem is dat de schrijvers denken dat ze bovenop alle politiek ook nog een extra dramatisch plot nodig hebben, dat niet bijdraagt aan het politieke verhaal.

In Conclusion

De meest realistische films zijn de historische drama’s. Het minst realistisch zijn volgens mij Vox Populi en The Manchurian Candidate. Het meest idealistisch zijn The Contender en The West Wing. Een hele serie films en series zijn uitermate cynisch. Het spannendst is The Contender, samen met Primary Colors, Ides of March en House of Cards. Daarin kan je echt niet voorspellen hoe het plot zich ontwikkeld. Commander in Chief, Yes, Prime Minister/Sorry, Minister en Vox Populi zijn aanzienlijk voorspelbaarder. Dat geeft een tie aan de top (The Contender/The West Wing) en een duidelijke verliezer: Vox Populi.

donderdag, 29 december 2011

Selçuk Akinci

Selçuk Akinci

Twitter Youtube GR

De Broeikas van de Vrijheid

In opinie en commentaar, politiek, duurzaamheid, economie, liberalisme, gevaar, grondwet, handelen, huis, en meer.

Aarde

Kameraad en filosoof Simon Otjes schreef gisteren op zijn blog, in het vierde deel in een reeks reacties op het boek ‘Het Huis van de Vrijheid‘ van Rutger Claassen, dat er geen liberale grondslag is voor het streven naar een duurzame samenleving. Als politicus die streeft naar het smeden van brede politieke steun voor mijn idealen vind ik dat een onbevredigende stelling. Met gevaar voor eigen ego – Simon is een scherp, belezen en gepromoveerd denker – ging ik op zoek naar het tegendeel.

Beste Simon, je hebt gelijk als je stelt dat we duurzaamheid niet tot in de zesde generatie kunnen verplichten. Alhoewel je met een opname in de grondwet op zich nog best een eind zou kunnen komen. Meer prikkelend vind ik je ietwat terloopse stelling dat er vanuit liberaal perspectief geen politiek imperatief zou bestaan om als samenleving duurzaam te zijn.

Was het niet Thomas Green die bepleitte dat het individu niet los gezien kan worden van de samenleving waarin hij leeft en handelt? De staat heeft wat hem betreft daarin de rol om de politieke, maatschappelijke en economische leefomgeving dusdanig te vormen en te beschermen, opdat het individu hierbinnen optimaal kan handelen naar het eigen geweten.

Nu zit er een paradox tussen enerzijds de vormende staat en anderzijds het optimaal handelen naar het eigen geweten van elk individu. Praktisch gezien lost Green dit op door te pleiten voor subsidiariteit. Pas wanneer de locale overheid niet in staat bleek om de negatieve effecten op de mogelijkheid optimaal te handelen (ontplooiing) van individuen te bestrijden, komt wat hem betreft de nationale overheid in beeld. Als ik Wikipedia mag geloven, neemt hij daarbij de vervuilende Brouwerij-industrie in de negentiende eeuw als voorbeeld. Een duidelijk milieu-voorbeeld.

Vertaald naar de dag van vandaag kan gesteld worden dat de samenleving naast een locale en nationale component ook steeds meer een geglobaliseerde dimensie heeft. Ook de problematiek rond de klimaatverandering heeft nadrukkelijk een internationaal karakter. Supra-nationale interventie is vanuit de denkwijze van Green dan ook legitiem (wat niet uitsluit dat invulling en uitvoering nog altijd deels locaal geregeld kan worden) om zo voor langere tijd te borgen dat individuen blijvend optimaal kunnen functioneren.  In het specifieke geval van duurzaamheid raakt deze verantwoordelijkheid zowel de sociaal-maatschappelijke, de politieke en het economische umfelt waain het individu zich beweegt. Ik heb nergens het idee dat Green deze verantwoordelijkheid beperkt tot het functioneren van de nu levende generatie(s).

Relevant blijft of hier sprake is van een politiek imperatief. Verwijzend naar de theorie van de categorische imperatief van Kant stelt Simon immers dat er wel sprake kan zijn van een moreel, doch voor liberalen niet van een politiek imperatief voor het inrichten van een duurzame samenleving. Nog los van de vraag of moraliteit zo strikt gescheiden mag worden van het politieke domein, beschrijft Green wel degelijk een politieke kwestie. Hij benoemt een samenhangend stelsel van verantwoordelijkheden en plichten tussen individu en verschillende overheidslagen, een bestuurlijke leidraad bijna. Dat lijkt me bij uitstek een politiek verhaal.

Los van deze in beginsel vooral filosofische uitgangspunten vraag ik me af welke denkwijzen (diverse) liberalen erop nahouden als het gaat om een begrip als zorgplicht. Ook dit is iets dat immers niet noodzakelijkerwijs afgebakend is langs generatiegrenzen. Wellicht heeft Simon daar nog wat gedachten over.


donderdag, 22 december 2011

Evelien van Roemburg

Evelien van Roemburg

Hyves Linkedin Twitter GR DWARS

alleen met chris cleave

In vluchtelingen, chris cleave, frans, leunstoel, parijs, promoveren, the other hand, amsterdam, armoede, en meer.
** dit stuk verscheen eerder in de Leunstoel, internetmagazine voor rustige mensen

Ik ben in Parijs. Het waait hard, het miezert en het is koud, maar dat geeft niet. Een aantal dagen ben ik hier om aan mijn proefschrift te werken, zonder de afleiding van Amsterdam. Geen mails met ingekomen schriftelijke vragen over kinderen in armoede of stakingen in het openbaar vervoer, geen journalisten die willen weten wat ik van het plan vind om AT5 over te laten nemen door RTV Noord-Holland, de Avro en het Parool, geen bioscoop waar ik met mijn Pathé Unlimited pas onbeperkt naartoe kan, geen collega’s waarmee ik privé besognes bespreek.

In Parijs ben ik eenzaam, en dat is precies de juiste gemoedstoestand om mijn zoveelste hoofdstuk te schrijven. De eenzaamheid is zelf opgelegd: ik probeer zo weinig mogelijk met anderen te praten. Dat ik de taal niet perfect beheers helpt daarbij. De interacties die ik heb zijn enkel functioneel. ‘Où est-ce que je peux trouver un restaurant pas cher’, vraag ik aan het meisje achter de balie van mijn hostel. ‘Un entrecôte grillé avec de la sauce béarnaise et frites’, bestel ik bij de ober. ‘Non merci’, zeg ik tegen de zwerver die iets van me wilt.

Ik zou me hier wel kunnen vestigen. Vier jaar eerder was ik reeds in Parijs tijdens een kort vakantieweekend; de stad maakte toen weinig indruk op me. Nu heb ik echter een ander doel: nu werk ik hier, al is het voor enkele dagen, al verblijf ik in een hotel. Ik ga vroeg naar bed, ik sta vroeg op. Ik loop doelbewust door de straten, op zoek naar een rustige bistro met prettige zachte stoelen waar ik naast een kop koffie de artikelen over internationaal strafrecht kan lezen die ik op mijn iPad gedownload heb.

De enige afleiding komt van Chris Cleave, die een roman schreef over een vluchtelinge uit Nigeria. ‘The other hand’, speelt zich niet af in Parijs, maar het onderwerp raakt zijdelings aan mijn proefschrift over asielzoekers die verdacht worden van oorlogsmisdaden en derhalve heb ik mezelf toegestaan het te lezen. Dat doe ik terwijl ik de eerder genoemde entrecôte nuttig in een klein restaurant langs het Bassin de la Villette, waar tot mijn grote vreugd geen enkele toerist zit. Ik lees in bed, terwijl de vijf vrouwen met wie ik mijn dorm deel één voor één binnenkomen en gaan slapen. Ik lees in de metro, alsof ik precies weet hoe lang ik moet zitten en waar ik moet uitstappen. Dat doe ik niet, maar het maakt niet uit.

Ik heb geen doel anders dan te schrijven. Ik hoef niet naar de Eifeltoren of het Musee d’Orsay. Ik verlang niet naar een avond in Quartier Latin. Ik kuier niet langs de kraampjes van de Marché aux Puces. Ik lees, en ik schrijf. Ik woon hier, en ik werk. Al is het maar voor enkele dagen.


donderdag, 15 december 2011

Marcel Kruijer

Marcel Kruijer

Hyves Last.fm Twitter GR

Klassiek concert in Heerhugowaard?

In algemeen, heerhugowaard, concert, klassiek, orkest, amsterdam, blog, de, de wereld, en meer.

Concertgebouw Amsterdam, Sydney Operahouse, Radio City Music Hall New York. Allemaal plekken waar door de grootste orkesten van de wereld de mooiste klassieke concerten worden gegeven voor uitverkochte zalen. Nu zou je Heerhugowaard niet zomaar aan dit rijtje kunnen toevoegen. Op het gebied van bekendheid en grootsheid kunnen wij ons niet meten met de groten der aarde. Wat wel universeel is, zijn muziekliefhebbers. Muziekliefhebbers zijn er overal ter wereld en dat geldt het zelfde voor muziekliefhebbers die naar een klassiek concert willen.

In Heerhugowaard is helaas niet veel mogelijkheid om een klassiek concert te bezoeken van een gerenommeerd en landelijk of internationaal bekend orkest. Daarom  heb ik het plan opgevat om een gerenommeerd en bekend klassiek orkest naar Heerhugowaard te halen voor een groots concert.
Dit concert is natuurlijk niet alleen bedoeld voor Heerhugowaarders. Iedereen die wil komen is van harte welkom.

Graag wil ik weten of er interesse is voor zo’n concert en ook wat voor muziek dan gespeeld moet worden.

Laat een reactie achter op dit blog of doe dit via de contact pagina.

maandag, 12 december 2011

Margreet de Boer

Margreet de Boer

Hyves Linkedin Twitter

vergroening van de belastingen

In vergroening, belastingplan, groenlinks, deloitte, economie, eerste, eerste kamer, energie, europa, en meer.
Hieronder een deel van mijn inbreng op het belastingplan 2012 in de Eerste Kamer: over de vergroening van de belastingen.
Zie voor vragen aan het kabinet over 'het vestigingsklimaat' mijn eerdere blog. Verder besteedde ik nog aandacht aan de Geefwet en de hypotheekrente-aftrek.
Maar hier dus de vergroening:


Met betrekking tot het inzetten van de belastingen voor de verduurzaming van onze economie en samenleving is de fractie van GroenLinks teleurgesteld in deze regering. We zijn weliswaar blij dat de regering het met ons eens is dat vergroening gezien kan worden als nevendoel van de inzet van belastingheffing. Wij betwisten ook niet dat er grenzen zijn aan de vergroening via de belastingheffing, maar naar ons oordeel zijn deze grenzen nog lang niet bereikt.
In de Memorie van Antwoord stelt de regering dat Nederland één van de koplopers in Europa is met milieubelastingen. Kan de regering deze stelling nader onderbouwen, ook kwantitatief?
En hoe ziet die positie er uit na het afschaffen van de kleine belastingen, die vrijwel allemaal een milieudoelstelling hebben? Voorzitter, de fractie van GroenLinks is er een voorstander van dat belastingen die niet langer effectief zijn worden afgeschaft. Met betrekking tot de kleine belastingen die nu afgeschaft worden zijn wij echter niet overtuigd van het gebrek aan effectiviteit. Afschaffing van deze milieubelastingen geeft bovendien een signaal af dat tegenstrijdig is aan onze duurzaamheidsdoelstellingen, zeker wanneer de verwijzing naar andere maatregelen die effectiever zouden zijn niet nader geconcretiseerd kunnen worden.

De fractie van GroenLinks is er - anders dan het kabinet - niet van overtuigd dat verdere vergroening van de belastingen alleen nog in internationaal verband kan plaatsvinden. Ons vestigingsklimaat kan best iets lijden - blijkens het aangehaalde onderzoek van Deloitte - dus waarom niet een voortrekkersrol vervuld? En naar onze overtuiging zal een groener belastingstelsel gunstig kunnen zijn voor de vestiging van ondernemingen die bijdragen aan de hoe dan ook noodzakelijke verduurzaming en vergroening van de economie. Of om het met de woorden van deze regering te zeggen: 'Naast noodzaak en bedreigingen ziet Nederland vooral ook kansen voor de transformatie naar een groene economie met een markt voor duurzame producten.'
Deze woorden komen uit de Nederlandse positie bij de 'Roadmap to a Resource Efficient Europe', oftewel het stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa, van de Europese Commissie. In de Memorie van Antwoord bij het Belastingplan 2010 geeft de regering aan de inzet van dit stappenplan te ondersteunen, maar maakt daarbij het voorbehoud dat de mogelijkheid wordt opengelaten per regeling andere doelen te laten prevaleren boven een ongewenst milieu-effect. De GroenLinks fractie maakt zich ernstig zorgen over deze bepleitte uitzondering. De recente klimaattop in Durban, waar Nederland overigens wel zeer minimaal vertegenwoordigd was, laat ons weer opnieuw zien hoe moeilijk het is harde afspraken te maken over milieumaatregelen zoals de beperking van de CO2 uitstoot. De fractie van GroenLinks vreest dat met de mogelijkheid andere doelen te laten prevaleren boven milieu-effecten de te maken afspraken boterzacht zullen worden.
Met betrekking tot de inzet van belastingen voor vergroening stelt de regering bij het stappenplan o.a. : 'Verschuiving van belastingen van arbeid naar energie en grondstoffen beloont gewenst gedrag terwijl vervuilers meer gaan betalen. Dat principe steunt Nederland van harte.' Mooie woorden, maar uit het vervolg kan gelezen worden dat de regering vindt dat Nederland het eigenlijk al goed genoeg doet, en dat vooral andere Europese landen moeten gaan bewegen. Is dat wat de regering bedoelt? Of gaat Nederland ook echt handelen volgens het omarmde principe? Zoals ik eerder al heb aangehaald stelt de regering dat Nederland tot de kopgroep behoort van landen met een hoog percentage aan milieubelastingen. Een onderbouwing van deze stelling heb ik reeds gevraagd. Nu is mijn vraag: Is het de inzet van de regering om tot deze kopgroep te blijven behoren?
De regering stelt in de BNC fiche ook verheugd te zijn dat het stappenplan ingaat op de vergroening van de belastingen, en in principe voor het afschaffen van milieuonvriendelijke subsidies te zijn. Vervolgens volgen er echter een aantal mitsen en maren, waardoor ons in ieder geval niet meer duidelijk is waar de regering eigenlijk nog voor is. Om het maar even concreet te maken en terug te grijpen op onze eerdere schriftelijke vragen: is de regering er een voorstander van om in Europees verband een einde te maken aan de belastingvrijstellingen voor fossiele brandstoffen, en voor de belastingvoordelen voor grootverbruikers van energie? En kan de staatssecretaris toezeggen zich hiervoor in Europa hard te gaan maken? Voorzitter, ik ga er vanuit dat de verwijzing naar Europa voor het nemen van deze groene belastingmaatregelen in de Memorie van Antwoord geen loze woorden waren, en dat de staatssecretaris deze beide toezeggingen kan doen.
De fractie van GroenLinks verwelkomt de steun van het kabinet voor de eerste stap uit het stappenplan- het in kaart brengen van de fiscale en niet-fiscale milieuonvriendelijke subsidies en het aangeven hoe deze uitgefaseerd zullen gaan worden - en gaat er van uit dat de regering hiermee op korte termijn aan de slag gaat. Wanneer denkt de regering met deze inventarisatie en plan voor uitfasering te komen? En kan de regering bevestigen dat de afbouw van de belastingvoordelen voor fossiele brandstoffen en voor grootverbruik van energie deel gaat uitmaken van deze plannen? En dat deze plannen ook concrete voorstellen zullen bevatten voor de verschuivingen van belasting op arbeid naar die op grondstoffen, energie en milieu?

Voorzitter, ik wil ook nog even ingaan op het zogenaamde groen beleggen, of beter gezegd het maatschappelijk beleggen. De GroenLinks fractie is allerminst gerust op de ontwikkelingen op dit gebied. Vanuit het veld horen wij dat de groene beleggingen in rap tempo teruglopen, en dat de verwachting is dat dat per 1 januari a.s. in nog veel rapper tempo zal gebeuren wanneer geen duidelijkheid wordt verschaft over het op een of andere manier voortzetten van een belastingvoordeel voor maatschappelijk beleggen.
Onder druk van Tweede en Eerste Kamer is de Staatssecretaris in de afgelopen weken weer met het veld in overleg getreden, waarvoor dank. Maar de uitkomst van dit overleg is ronduit teleurstellend. In zijn nadere antwoord aan deze kamer van vrijdag jl. concludeert de staatssecretaris dat op dit moment niet kan worden gekomen tot een alternatief voor de geleidelijke afschaffing van de heffingskortingen voor maatschappelijk beleggen. Punt. Geen woord over: wat nu. Uit de beantwoording maak ik op dat het plan van de Nederlandse Vereniging van Banken en anderen aan de inhoudelijke voorwaarden voldoet, en dat het struikelblok alleen nog is gelegen in de eis dat er sprake moet zijn van een vereenvoudiging van de belastingen. Daarbij doet zich de vraag voor wat precies onder vereenvoudiging verstaan moet worden, en of vereenvoudiging een doel op zich is. Is het niet belangrijker om belastingmaatregelen te toetsen aan de eerder door de Tweede Kamer geformuleerde doelstellingen van effectiviteit, efficiency en het de noodzaak van handhaving om overheidsdoelen te bereiken? Ook vraagt de GroenLinks fractie zich af of het feit dat nog geen oplossing is gevonden met betrekking tot de fiscale vereenvoudiging niet vooral te wijten is aan het stilzitten van de staatssecretaris in het afgelopen half jaar?
Voorzitter, wij beginnen ons af te vragen of de staatssecretaris wel een oplossing wil vinden.
Een fiscale regeling voor maatschappelijk beleggen wordt politiek breed gedragen. In de Tweede Kamer diende zoals bekend het CDA hier een motie over in, die na de toezegging van de staatssecretaris nader in overleg te gaan werd ingetrokken. Ik ga er van uit dat die toezegging niet loos was, en dat de staatssecretaris dus echt wil proberen alsnog voor 1 januari 2012 tot een resultaat te komen. Wij vragen de staatssecretaris toe te zeggen dat de heffingskorting ook na 1 januari 2012 1,9% blijft en dat in de komende weken de vereenvoudiging de betrokken sectoren en ministeries nader uitgewerkt wordt

vrijdag, 9 december 2011

René van Engelen

René van Engelen

Youtube

Geen gebouwen op Slobbegors! College gaat bouwen op Slobbegors!

In slobbegors bebouwing pab groenlinks papendrecht, andere partijen, college, de, fokker, foto, gebouwen, groen, groenlinks, en meer.

Tot mijn grote verbazing verdedigden partijen als het PAB dat er een grote kantoortoren komt op het Slobbegors. Het groen enzo zou zo 'geborgd blijven voor de toekomst'. Helaas weten we hoe het gaat als er eenmaal ergens gebouwen verschijnen.....voorbeelden te over in Nederland, in onze regio en in ons eigen Papendrecht.
Er zijn alternatieven genoeg voor de vestiging van het internationaal hoofdkantoor van Fokker in Papendrecht. Er zijn bedrijventerreinen beschikbaar, wat te denken van polder Nieuwland. Maar kennelijk vond dit college van PAB-VVD-CDA-D66-CU het niet nodig om hier een punt van te maken. Wat moeten we nog met kreten van een aantal van deze partijen in verkiezingstijd ('geen snipper groen meer bebouwen'). André Stremler (fractievoorzitter PAB) zei in de raad zelfs dat zijn partije hier 'een aantal zetels aan te danken heeft'. Zelf vinden zij het verdedigbaar. Nou, daar moet u dan maar eens op hun site voor kijken. Daar zullen ze vast hun argumenten noemen waarom ze hiervoor zijn.
Ik neem Fokker niks kwalijk. Lijkt mij ook geweldig om op het drie-rivieren-punt je internationale hoofdkantoor te hebben.
Terecht dat de SGP hier een punt van heeft gemaakt. Collega Bert de Jong (GroenLinks) zei al in de commissie dat de andere partijen boter op hun hoofd hadden en ze kiezersbedrog pleegden.
Helaas hebben we als GroenLinks, SGP en Arie van der Stelt (CDA'er die tegen stemde) het Slobbegors niet kunnen redden van de bebouwing. Wij blijven er voor gaan om het Slobbegors onbebouwd te laten!
De foto komt van www.papendrecht.straatinfo.nl en is het kunstwerk 'De Vlinder' op het Slobbegors in Papendrecht.

donderdag, 1 december 2011

Ashley North

Ashley North

Hyves DWARS

Elk mens is legaal!

In dwars, internationaal, legale mensen, migratie, tolerantie, uitzettingsbeleid, migratie, europese, geld, en meer.

Vorige week vrijdag was de aftrap van het “Legale mensen”-project bij DWARS, GroenLinkse jongeren. Het is een omvangrijk en ambitieus project met een tijdspad van iets minder dan een jaar, waarin DWARS onder andere een talkshow en een documentaire zal produceren met als strekking: elk mens is legaal. Wij belichten de slepende discussie over asielzoekers en hun eventuele illegale verblijf in Nederland vanuit een elementair andere invalshoek. Volgens ons is geen enkel persoon waar dan ook op de wereld illegaal en moeten we het vraagstuk voortaan vanaf een humane kant benaderen. Niet geld, de economie of de angst voor het onbekende staan centraal, maar de medemenselijkheid wordt het uitgangspunt.

Sinds de kick-off is DWARS al hard op weg van het “Legale mensen”-project een groot succes te maken. Er is een kopgroep geformeerd die alles aanstuurt, de site www.legalemensen.nl is in opbouw en de eerste media tonen zich al zeer geïnteresseerd in het project. Zo publiceerde ik samen met mijn voorzitter van DWARS, Jojanneke Vanderveen, vanochtend een opiniestuk op de site van Wereldjournalisten. Als je verder leest, vindt je een samenvatting van dit stuk en de mogelijkheden die je hebt om aan te sluiten bij het “Legale mensen”-project!

Ingekorte samenvatting van het opiniestuk

Het is misschien wel hét debat van de 21e eeuw: hoe gaan we om met migratie? Anno 2011 wordt het debat overheerst door de vraag: worden wij er wel of niet blij van dat mensen hierheen komen? Er is echter een belangrijkere vraag, die nooit een rol lijkt te spelen in de discussie: wat beweegt mensen om hun thuisland te verlaten? Wat doet het met je om in een vreemd land te belanden, waar over je hoofd gesproken wordt over de vraag of je al dan niet gewenst bent? De menselijke kant van dit vraagstuk wordt vreselijk verwaarloosd. Dat moet veranderen.

Weet u nog, “The American Dream”? Enkele eeuwen na de Europese ontdekking van Amerika begonnen er flinke migratiestromen op gang te komen van Europa naar Amerika. Massaal vertrokken ook onze landgenoten met de westerzon, hun dromen achterna. Dappere avonturiers, die voor hun nageslacht een betere toekomst wilden verzekeren. Een schril contrast met hoe we aankijken tegen de migranten die nu uit andere werelddelen naar Europa komen. Profiteurs zijn het, die komen parasiteren op alle welvaart die we hier hebben opgebouwd. Dat ook zij op zoek zijn naar een betere toekomst en moedig genoeg zijn om daarvoor hun huis en haard te verlaten, vergeten we dan voor het gemak even.

De vraag of mensen wel of niet een verblijfsstatus moeten krijgen lijkt namelijk één op één verbonden met de vraag of wij ervoor voelen deze mensen op te nemen in onze samenleving. Het is vervolgens aardig van ons als we dat wel doen, maar niet onaardig als we het niet doen. Dit is een verkeerde kijk op de problematiek. Als meest welvarende bewoners van de wereld hebben we een plicht onze welvaart te delen. Dat het moeilijk is om dat te doen op plekken waar we het niet voor het zeggen hebben, is tot daar aan toe. Maar dat je dat weigert aan iemand die aan onze deur komt kloppen, is welbeschouwd een schande.

De kern van het verhaal is: alle mensen zijn legale mensen. Zij dienen als zodanig behandeld te worden. Dat betekent dat je ze niet opsluit wanneer ze bij je aankloppen op zoek naar een betere toekomst.
Dat betekent dat je je best doet om hen deel te laten zijn van het fortuin waar je zelf van profiteert. Dat betekent dat je ze niet illegaal noemt. Als we dat als uitgangspunt nemen, komt er misschien wat verstand in het debat.

Lees het gehele artikel op www.wereldjournalisten.nl en neem daar deel aan de discussie!

Meedoen aan het “Legale-Mensen”-project!

Zoals je hebt kunnen merken is DWARS vol passie begonnen aan haar nieuwste project. Omdat we de boodschap zo ver en succesvol mogelijk willen verspreiden, kunnen we altijd extra hulp van geënthousiasmeerde mensen zoals jij gebruiken. Heb jij veel verstand van mensenrechten, ben je handig met filmcamera’s, heb je journalistieke ervaring of ben je op grafisch gebied een natuurtalent? Of zit je gewoon vol idealen en wil je je op een andere manier inzetten voor ons project? Bekijk dan de Bijlage Legale Mensen met een uitgebreide uitleg van het project en de mogelijkheden, ga naar www.dwars.org of stuur een mail naar grootdenkers[at]dwars.org.

We zien je graag tegemoet!


vrijdag, 25 november 2011

John Jorna

John Jorna

De PVV speelt niets klaar

In column van de week, amerika, arnhem, beleid, coalitie, diensten, gedoogpartner, gedoogsteun, gestimuleerd, en meer.

DE PERIFERIE VAN NEDERLAND EN EUROPA

In Nederland bestaat een scherpe tegenstelling tussen de Randstad en de grensgebieden van Nederland, Zeeuws Vlaanderen, Limburg, de Achterhoek, Drenthe en Groningen. Alleen Noord-Brabant, de regio Arnhem-Nijmegen, Twente en de stad Groningen vormen een uitzondering. Het gaat er economisch goed. Noord-Brabant heeft veel, vaak hoogwaardige industrie en is gunstig gelegen tussen de Randstad en de Belgische Stedendriehoek. Merkwaardig dat Zuid-Limburg, ook zo gunstig gelegen tussen het Ruhrgebied en de Belgische Stedendriehoek daarvan niet profiteert. Ik vermoed, dat in Zuid-Limburg een ondernemerscultuur grotendeels ontbreekt en dat bovendien veel capabele jonge mensen jaar in jaar uit de streek verlaten hebben. Men verlangde naar de veel vrijere sfeer van de Randstad, vermoed ik. De regio Arnhem-Nijmegen profiteert van de ligging tussen de Randstad en het Ruhrgebied en in Twente vind je wel een klassieke ondernemersgeest, die door de Technische Universiteit Twente gestimuleerd is en wordt.

Maar de echte perifere gebieden kennen al heel lang een vertrekoverschot. Het zijn juist de initiatiefrijke jonge mensen, die vertrekken. Een negatieve selectie blijft achter. Daar valt niet veel van te verwachten. De ouderen blijven. De bevolking vergrijst. Het geboortecijfer daalt. De scholen lopen leeg en de verenigingen. Winkels sluiten bij gebrek aan klandizie. Als het verzorgingsniveau terug loopt, vertrekken nog meer mensen. Dan gaat het allemaal nog verder achteruit. De achterblijvers worden ontevreden. Ze voelen zich achtergesteld. Dan zie je opeens, dat een partij als de PVV hoog scoort en in Limburg zelfs met twee gedeputeerden in GS zitten.

Je zou verwachten, dat de PVV als gedoogpartner van de huidige coalitie ervoor zorgt, dat de regering maatregelen gaat nemen tegen deze ontwikkelingen. Niets is minder waar. Het omgekeerde gebeurt. Rijksdiensten, die daar vroeger in het kader van het regionaal-economisch beleid zijn gevestigd, worden er nu weg gehaald en alle diensten worden geconcentreerd in een beperkt aantal grote steden. Het opleidingsinstituut voor rechters vertrekt uit Zutphen en verhuist waarschijnlijk naar Utrecht. Daar wordt het bestaande vestigingsoverschot nog versterkt en moet er ruimte worden gevonden om al die mensen te huisvesten. Dat gaat dan weer ten koste van het aantrekkelijke woon- en leefklimaat, dat voor hoogwaardige werkgelegenheid een belangrijke vestigingsvoorwaarde is. Of je krijgt nog weer meer lange afstand pendel en de dan verbrede A12 slibt elke dag weer vol. Tsja, Mark, het verstand komt met de jaren. En intussen pleegt de PVV verraad aan zijn kiezers in de grensgebieden. Een onbetrouwbare partij of een partij, die ondanks de gedoogsteun bij dit rechtse kabinet weinig klaar speelt.

Er is een merkwaardige parallel op Europees niveau. Ook daar perifere gebieden met al lange tijd een internationaal vertrekoverschot, want er zitten heel wat mensen met Italiaanse, Griekse of Spaanse voorouders in Amerika en Australië. Nog steeds vertrekken daar de slimme initiatiefrijke jonge mensen. Rijke Grieken brengen hun kapitaal in veiligheid en vestigen zich massaal in Londen. En weer zie je de egocentrische opstelling van de PVV. Geen cent naar die luie Grieken. Zoals er ook geen cent gaat naar de Nederlandse vertrekgebieden. En de welvaart concentreert zich in de centrumgebieden. Daar is veel goed betaalde werkgelegenheid, een hoog voorzieningenniveau, een lagere werkloosheid. Zo werkt het kapitalisme. De sterksten winnen en de zwaksten verliezen en dat is hun eigen schuld. Moeten ze maar harder werken.

Jaargang 4, Nr. 189.

Aantal berichten op deze pagina: 30. De berichten op deze pagina zijn niet ouder dan 4276 uur (178,2 dagen). Berichtgemiddelde: 0,2 bericht per dag, 1,2 per week.

Volgende pagina

Pagina: 1 2