woensdag, 25 januari 2012

Hans Verbeek

Hans Verbeek

Hyves Twitter

De afvaleconomie

Als 13-jarige haalde ik elke vrijdagmiddag oud papier op in de wijk, waar ik woonde. Op vrijdagavond bracht de hopman de ingezamelde oude kranten naar de lompenboer en zo werd het zomerkamp onze scouting-groep in Engeland betaalbaar. Niet lang daarna verschenen de eerste glasbakken in het straatbeeld. Door de stijgende energiekosten werd het voor de [...]

zaterdag, 14 januari 2012

Harrie Winteraeken

Harrie Winteraeken

GR

Publicatie beledigingen Cor Bosman opent doofpot PVV.

Voor de verkiezingen voor Provinciale Staten in Limburg schreef de kandidaat voor de PVV-Limburg Cor Bosman in een e-mailbericht aan partijgenoten over kandidaat voor de PvdA Selçuk Öztürk: “Hij is wat mij betreft niets meer en niet minder dan een stuk uitgekotst halalvlees, gemaakt van Turks varken”.
Enkele maanden later verlaat PVV – statenlid Harm Uringa de fractie van de PVV zonder de ware redenen te noemen.
Een jaar later, op vrijdag 13 januari 2012, publiceren de regionale kranten Dagblad De Limburger en Limburgs Dagblad de uitspraken van Bosman. Het bericht van Bosman en de notulen van de vergadering van de PVV-fractie hierover zijn uitgelekt, waarschijnlijk via ex-PVV-er Uringa. Bosman vindt naar aanleiding van de publicatie Uringa een “narcistische zak”.

Cor Bosman heeft met zijn schriftelijke uitspraken volledig buiten de politieke mores geplaatst en niemand zal hem ooit nog serieus nemen. Hij heeft bewezen dat hij er een dubbele moraal op nahoudt. En hier geldt de overtreffende trap van “wie wind zaait zal storm oogsten”.

De PVV-fractie onder leiding van Laurence Stassen heeft het in de doofpot gestopt in de hoop ermee weg te komen. In een reactie schreef ze vorig jaar over het bericht van Bosman dat hij een punt heeft, maar “dit soort taalgebruik kan echt niet”. Het blijft echter bij excuses van Bosman binnen de fractie.
Nu, een jaar later, is door de publicatie “de affaire te groot geworden” en is Bosman uit de fractie gezet. Maar nu nog vindt Stassen Cor Bosman een loyaal PVV-er. Ze wil wel excuus maken. Ze vindt dat ze niet de beroerdste is. Het lijken daarmee niet echt welgemeende excuses.

Volgens Thijs Coppes van de SP-fractie wisten de gedeputeerden Antoine Janssen en Theo Krebber van de PVV het en hebben hun mond gehouden. Omdat ze voordeel hebben van hun huidige positie, hielpen ze mee aan de doofpotcultuur binnen de PVV.

Ook Geert Wilders wist ervan en had zelfs beloofd in te grijpen. Dat is niet zichtbaar gebeurd. Ook Wilders heeft de doofpot gehanteerd om de schade te beperken. Maar zoals wel vaker meet Wilders met twee maten en is hij in normen en waarden veel toleranter ten opzichte van zijn PVV-ers dan anderen in de politiek en samenleving. Dat heeft hij ook bewezen binnen zijn Tweede Kamerfractie.

Het uitlekken wordt door de PVV erger gevonden dan de uitspraken. Laurence Stassen vindt het laakbaar. Harm Uringa krijgt het verwijt een verrader te zij. Het is een beproefde tactiek om de boodschapper zwart te maken en daarmee een fout te verdoezelen. Maar Harm Uringa hield de eer aan zichzelf. Hij was wellicht nog te loyaal aan de PVV omdat hij nog een half jaar heeft gewacht met uitlekken. Maar hij moet worden gewaardeerd als klokkenluider: ” Voor het slagen van het kwade hoeft niets meer te gebeuren dan dat de goeden niets doen”.

Coalitiepartners CDA en VVD vinden dat deze coalitie zo’n goed werk doet dat dit geen consequenties hoeft te hebben voor de samenwerking. Voor hun telt in toenemende mate het geloof in het niet zo Christelijke “het doel heiligt de middelen”. Maar zij moeten beseffen dat “wie met pek omgaat, wordt ermee besmet”.

We moeten met respect met elkaar omgaan. Politici moeten hierin het goede voorbeeld geven. Uit politieke motieven haat zaaien is een groot risico voor onze samenleving. En politici met een dubbele moraal of dubbele agenda zijn niet te vertrouwen. Dat geldt voor de hele PVV-top.

maandag, 5 december 2011

Claire Vaessen

Claire Vaessen

Twitter GR

Madeira

De eerste paar dagen viel me een opmerkelijke stilte op: behalve meeuwen en duiven geen andere vogels te zien of te horen. In het bos en meer afgelegen gebieden bleek het toch minder dramatisch te zijn: een madeiragoudhaantje en vinken gespot en ook kanaries die op het Portugese eiland in het wild voorkomen. Kanarie in oliepalm

Van de bananenoogst, die vooral bestemd is voor de export, moet het eiland 10% zelf zien op te eten. Maar omdat toerisme de motor is van de Madeirese economie – dagelijks doen reusachtige cruiseschepen Madeira aan – is daar iets op verzonnen: espada, de lokale, volop verkrijgbare vis, wordt bereid met gebakken banaan en geserveerd als ‘nationaal gerecht. In elk restaurant staat deze schotel op het menu en wordt door toeristen met smaak verorberd. In werkelijkheid is er geen autochtone Madeirees die thuis de combinatie vis en banaan op zijn bord schept.

De kranten geven een beeld van waar Madeirezen zich druk om maken. Dat verschilt niet zoveel van onze zorgen: sociale en financiële problemen, “een meisje” van 28 dat zichzelf in coma gezopen heeft en door de politie naar het ziekenhuis is gebracht, salarisplafonds, bezuinigingen op o.a. gezondheidszorg, de kerstbonus en het vakantiegeld. Er is 15% werkloosheid en 5000 gezinnen (van de kwart miljoen inwoners) maakten het afgelopen jaar gebruik van de voedselbank. “De crisis doet de waarde van solidariteit toenemen”, kopt een krant en in de hoofdstad Funchal hangen oproepen voor een algemene staking. Ondernemers in de toeristensector zijn bezorgd omdat de kerstversieringen in de stad, en dus de overheidsuitgaven daarvoor, wat bescheidener moeten. En er is kritiek op de kosten van het Madeirese parlement dat per inwoner 83 euro kost (tegenover het Portugese parlement: slechts 9 euro per inwoner). Daar wordt vanaf nu alvast € 14.000 aan maandelijkse parkeergelden op bespaard door de parlementariërs te verplichten hun auto in een parkeergarage te zetten, met als consequentie dat ze iets verder moeten lopen.

zaterdag, 3 december 2011

Rob Alberts

Rob Alberts

Verbazing

In , australië, cultuur, de wereld, erfgoed, kranten, maatschappij, radio, verenigde staten, en meer.
Verbazing. Op radio en tv, maar ook in kranten en tijdschriften wordt elkaar jaar in deze tijd gesproken over het Nederlandse erfgoed en de typisch Nederlandse cultuur. Tradities en rituelen maken samen onze maatschappij. Maar de moderne communicatiemiddelen veranderen ons ook. Telkens als ik hoor over Nederlandse gemeenschappen elders op de wereld, Canada, Verenigde Staten, Australië, Nieuw Zee...

woensdag, 16 november 2011

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Nogmaals de weigerambtenaar

In religie en politiek, homoseksualiteit, tolerantie, ambtenaren, boodschap, burgers, commissie, debat, emancipatie, en meer.

Toch nog onverwachts stemde de Tweede Kamer in met de motie van Ineke van Gent die het kabinet oproept met een wettelijke regeling een einde te maken aan het fenomeen van de weigerambtenaar. Ik ben daar – alles afwegend – blij mee, maar uit de kritische reacties blijkt dat niet iedereen dat zo ziet. Is het niet juist tolerant om te accepteren dat er ook mensen zijn die hier anders over denken? Misschien zelfs een vorm van emancipatie, zoals de minister zei? Is het niet voldoende om het pragmatisch te regelen zodat elk trouwlustig stel aan de bak kan, ook als sommige ambtenaren niet elk stel willen trouwen? Hoeveel ruimte is er nog voor gewetensbezwaren van mensen en religieuze minderheden? Is dit niet de zoveelste uitwas van seculiere gelijkhebberij die de oprechte overtuigingen van gelovigen aantast?

Ik snap de gevoeligheden, maar bij mij valt de afweging anders uit. Ik heb in een eerdere blog al eens geschreven dat het wezenlijke probleem volgens mij ergens anders ligt, namelijk bij het feit dat we de ambtenaar van de burgerlijke stand een rituele rol hebben toegedicht die niet past. Als we het burgerlijk huwelijk van deze rituele extraatjes ontdoen, zullen ambtenaren ook niet zo gauw last van hun geweten krijgen. In verschillende kranten las ik vergelijkbare pleidooien, onder meer van Tom Mikkers (Volkskrant) en Marco Derks (Nederlands Dagblad).

Ik zie dat echter niet zo gauw gebeuren en daarom ligt de vraag naar de positie van de weigerambtenaar nog vol op tafel. Het is hoe dan ook goed dat daar duidelijkheid over komt, en volgens mij kan die duidelijkheid alleen maar inhouden dat er uiteindelijk geen ruimte is voor weigerambtenaren. Ik zal uitleggen waarom.

1. Het principe moet hoe dan ook zijn dat ambtenaren uitvoerders zijn van overheidsbeleid en bewakers van de wet. Alleen in uitzonderingssituaties kan er ruimte worden gemaakt om daarvan af te wijken. Die afwijking kan wel betekenen dat iemand bepaalde taken niet uitvoert, maar niet dat iemand bepaalde wetten overtreedt. Het is dus de vraag welk van de twee hier aan de orde is.

2. Niet elk beroep op gewetensbezwaren wordt gehonoreerd. Het moet bijvoorbeeld praktisch op te vangen zijn in de organisatie en het moet aansluiten bij een traditie. Dat is hier allebei wel het geval, dus in die zin is een beroep op gewetensbezwaren op zich terecht.

3. Het grote probleem met weigerambtenaren is echter niet dat ze een bepaalde taak niet willen uitvoeren, maar dat ze dat voor bepaalde burgers wel en voor andere burgers niet willen doen. Dat is fundamenteel anders dan bij andere gewetensbezwaren. Een brugwachter die niet op zondag wil werken, lijkt mij geen probleem. Onaanvaardbaar is een brugwachter die voor sommige schepen op zondag de brug wel bedient en voor andere niet. Een arts die geen euthanasie wil plegen, kan ik begrijpen. Onacceptabel is een arts die dat (in vergelijkbare situaties) wel wil doen bij sommige patiënten maar niet bij anderen.

4. Wij hebben in Nederland niet twee soorten huwelijk, waarbij je voorstander kunt zijn van het ene en tegenstander van het andere. Er is maar één huwelijk en dat is opengesteld voor MV-, MM- en VV-stellen. Daar kan een ambtenaar niet willekeurig in shoppen. Bij het uitvoeren van de wet maakt de ambtenaar geen onderscheid tussen burgers. Doet hij of zij dat wel, dan is dat onwettig.

5. Het argument dat elke homo toch wel kan trouwen, klopt maar is niet overtuigend. Waar elk heterostel een ambtenaar naar keuze kan uitzoeken, daar moet een homokoppel rekening houden met de mogelijkheid dat de gekozen ambtenaar hen niet wil. De boodschap is dat de gemeente een dergelijk onwettig onderscheid accepteert en kennelijk het ene huwelijk toch anders vindt dan het andere huwelijk. Op het gevaar af dat de vergelijking mank gaat: Tot de jaren zestig mochten zwarten gewoon met de bus in Amerika, maar dan wel achterin…

6. De rechten van huwelijksambtenaren worden volgens mij niet wezenlijk geschonden. Er is geen recht op het zijn van trouwambtenaar. Wie bezwaar heeft tegen een gelijkgeslachtelijk huwelijk, kan op allerlei andere plaatsen in de ambtenarij werken. Overigens zijn veel trouwambtenaar BABS, buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand, en dus externe freelancers. Dat betekent dat er helemaal geen arbeidsrechtelijk probleem is.

7. Ook als de overheid zelf de wet neutraal uitvoert en alle ambtenaren alle huwelijken gelijk behandelen (dus: ook als er geen weigerambtenaren meer zijn), is er nog volop ruimte voor pluraliteit. Iedereen mag in principe buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand worden. Of men nu christen of atheïst, liberaal of conservatief, homo of hetero. Niemand wordt gediscrimineerd, maar ook niemand mag – in die functie – zelf discrimineren.

En met die overwegingen kom ik tot de conclusie dat het goed is dat de regering moet komen met een wettelijke regeling die een einde maakt aan het fenomeen van de weigerambtenaar. Bij de openstelling van het huwelijk in April 2001 is ruimte gelaten voor ambtenaren met gewetensbezwaren. Dat vond ik voor dat moment een goede keuze, ook al was en is het een vreemd compromis (om de redenen hierboven). Het is niet vreemd om dat na tien jaar te heroverwegen, en dat is precies de oproep tot meer duidelijkheid geweest van de Commissie Gelijke Behandeling in 2008.

Misschien is er een overgangsregeling nodig voor zittende ambtenaren, maar het aanstellen van nieuwe ambtenbaren met gewetensbezwaren lijkt mij in elk geval niet kunnen. Ik heb er geen probleem mee dat mensen moeite hebben met homoseksualiteit. Ik vind het prima als ze een huwelijk tussen twee mannen of twee vrouwen geen echt huwelijk vinden. Ik ga daar graag het debat over aan, maar zal ook verdedigen dat mensen deze overtuiging mogen hebben. Maar juist in een plurale samenleving mag de overheid niet zelf – via haar ambtenaren – onderscheid maken tussen burgers.

En verder herhaal ik mijn pleidooi om het burgerlijk huwelijk te deritualiseren en de verdere ceremonie aan de rituele markt over te laten. De hedendaagse BABS-en kunnen zich daar met dezelfde overgave en voldoening beschikbaar stellen voor een mooie trouwdag, maar dan niet namens de overheid. Als een van hen dan geen homo’s, hetero’s, of roodharigen wil bedienen, heb ik daar veel minder moeite mee dan wanneer ze dat doen als dienaar van de overheid.


dinsdag, 15 november 2011

Jeroen van Rossum

Jeroen van Rossum

Twitter

Dissidenten (2)

In politiek, ad koppejan, agema, bosman, brinkman, cda, cda congres, christendemocraat, christendemocratie, en meer.

Het is weer dissidententijd. De twee CDA-exemplaren waren weer volop in het nieuws: Ad ‘Zeeuwse polderheld’ Koppejan en Kathleen ‘ontwikkelingshulpridder’ Ferrier haalden weer bakken zendtijd binnen met de Mauro-affaire. Oh, wat waren die boos. De kwestie deed de twee dwarsliggers nog zuurder en zuiniger kijken dan normaal al het geval is. Wat was het weer spannend. Als ze nu maar niet de stekker uit de gedoogsteun gingen trekken…

Maar dat gebeurde natuurlijk niet. Zelfs de kranten waren te lui om er nog een sensatieverhaaltje van te maken. Eén bezoekje van Maxime Verhagen, feestvarken op zijn eigen feestje van de democratie, en Ferrier en Koppejan waren gewoon weer ‘trotse christendemocraten’. En als dat niet genoeg was geweest, hadden ze Donner nog klaarstaan in de coulissen, onwrikbaar en gewapend tot zijn tanden, als altijd. De betekenis van het woord christendemocraat is dan ook behoorlijk aan devaluatie onderhevig de laatste tijd.

Aankomend dissidententalent Hero Brinkman haalde ook weer de media vandaag. Na anderhalf jaar aan het lijntje te zijn gehouden, heeft de fractie hem nu dan toch maar eindelijk verteld, dat hij zijn PVV-jongerendag op zijn buik kan schrijven. Hero was er nog van overtuigd dat van twee keer uitstel geen afstel zou komen. Daar hebben Martin Bosma, Fleur Agema en Geert Wilders met z’n drietjes vast smakelijk om gelachen. Maar, Hero ziet geen reden om uit de PVV te stappen, hij laat zich niet wegpesten.

Van al dat geschuur en gedraai ga ik me wel afvragen wanneer er eentje breekt. Ferrier, Koppejan en Brinkman kunnen alle drie een plekje op de volgende kandidatenlijst vast vergeten, dus tenzij ze nog een politieke stunt uithalen, gaan ze roemloos de schaduw in aan het einde van de kabinetsrit. Tot die tijd worden ze getergd en vernederd, om altijd weer met een glimlach vol boerenkiespijn hun fractie te steunen. Telkens weer staan ze vol vuur de pers te woord om hun eigen ideeën te verdedigen, om vervolgens gedoofd en verslagen weer terug te krabbelen. Terug de ijzeren fractiediscipline in.

Vergeleken met deze drie fopdissidenten, is excuusminister Gerd Leers nog een stevige, daadkrachtige held om rekening mee te houden. Het moet toch een keer te veel worden als je telkens je eigen ruggengraat maar thuis moet laten. Dus laten we een weddenschapje aangaan; wie breekt het eerst? Wie breekt er met de duimschroeven van Maxime of Geert, en misschien zelfs met het kabinet? Welk van deze weekdieren blijkt toch een politieke tijger? Ik zet mijn geld op Hero, van het CDA verwacht ik niks meer…

Klik hier voor Dissidenten (1)


zondag, 13 november 2011

Harrie Winteraeken

Harrie Winteraeken

GR

Dubbele loyaliteit van allochtone raadsleden.

Dubbele loyaliteit van allochtone raadsleden.

In de regionale kranten Dagblad De Limburger en Limburgs Dagblad van 12 november 2011 staat een tweepaginagroot stuk over de dubbele positie die veel allochtone (Turkse en Marokkaanse) gemeenteraadsleden hebben. Ik mag hier spreken uit ervaring omdat ik anderhalve periode in Heerlen raadslid ben geweest met wijlen Mohamed Ben Moussa.
Het vertegenwoordigen van de allochtone achterban gaat meestal goed samen met het vertegenwoordigen van de politieke partij waarvoor men gekozen is. Over het algemeen zijn er geen zwaarwegende inhoudelijke conflicten en draagt men gewoon bij aan de meningsvorming van de fractie. Mohamed voelde zich op de eerste plaats vertegenwoordiger van de Marokkaanse gemeenschap. En allochtonen zien over het algemeen hun vertegenwoordiger als een belangenbehartiger, wat overigens zeer verklaarbaar is vanuit de oorspronkelijke politiek cultuur maar ook hier vaak opgeldt doet.
Mohamed was echter uitermate loyaal aan GroenLinks totdat GroenLinks wilde vernieuwen. Mohamed kreeg vanwege het risico om met voorkeurstemmen rechtstreeks gekozen te worden, geen plek aangeboden op de kieslijst van 2006. En dus stapte hij over naar opponent Leefbaar Heerlen, waarvoor hij met voorkeurstemmen werd gekozen.

Politiek bedrijven is proberen om zo veel mogelijk van je politieke doelstellingen te verwezenlijken. Die doelstellingen zijn bijvoorbeeld opgeschreven in een partij- of verkiezingsprogramma. Maar vaak is het ook beslissen op basis van algemene uitgangspunten. En bij coalitiepolitiek is het eerder regel dan uitzondering dat men compromissen moet sluiten. Daar staat tegenover dat men ook niet te vast gebonden mag zijn aan een partijlijn en dat dus afwijkend stemgedrag, zeker bij principiële kwesties mogelijk moet zijn zonder dat het tot een breuk leidt.

Raadsleden en dus ook allochtone raadsleden hebben hierin een eigen verantwoordelijkheid. Het uit de fractie stappen vanwege inhoudelijk meningsverschillen is gelukkig uitzonderlijk. En als het gebeurt, dan is er vaak meer aan de hand. Uit de partij stappen vanwege een meningsverschil dat niet behoort tot de eigen verantwoordelijkheden, zoals het verbod op onverdoofd ritueel slachten (Tweede Kamer) gaat nog een stap verder. Vanwege dat éne standpunt wil men de partij niet meer vertegenwoordigen. Als men indertijd met overtuiging gekozen heeft voor die partij, dan laat men dus het overgrote deel van de uitgangspunten van die partij los. Dan is het meningsverschil wel heel principieel of de loyaliteit ten opzichte van de eigen achterban wel erg groot. Of een andere partij dat verschil wel duurzaam kan overbruggen? De overige politieke standpunten zullen dan niet zo zwaar meetellen? En dus kan men ook gemakkelijk van partij wisselen.

In de politiek moet men vaak kiezen, en dus ook als er sprake is van een knellende dubbele loyaliteit. Principes of dat ene belangrijke punt kunnen dan in de weg zitten. Vooraf kan men wellicht een inschatting maken welke partij het best bij je past, maar dat geldt ook andersom. De wervers voor kieslijsten zouden daar meer rekening mee kunnen houden. En in iedere partij, ook bij een partij voor alleen allochtonen, zal men keuzes moeten maken die niet 100 % aansluiten bij de persoonlijke visie of doelstellingen. Iemand die geen compromissen kan sluiten, is niet geschikt voor de politiek.

donderdag, 10 november 2011

Femke Halsema

Femke Halsema

Hyves Twitter TK

Peerke Donderslezing: Over de middenklassen in het westen en in Afrika

In goede doelen, ontwikkelingssamenwerking, geloof, gewoon, gezondheidszorg, grondstoffen, hoop, huis, hulp, en meer.

Post image for Peerke Donderslezing: Over de middenklassen in het westen en in Afrika

Goedemiddag,

Toen ik opgroeide, een puber was, mocht ik op een saaie zondagmiddag graag met mijn moeder een eindje gaan rijden. Stapvoets reden we dan door de nieuwe villawijken aan de rand van Enschede  en verlustigden ons aan de gouden leeuwen die oprijlanen markeerden, de Griekse zuilen waarmee Twentse boerderettes waren versierd en wij roddelden er op los. Enschede was, zo aan het einde van de jaren zeventig klein genoeg om te weten wie er woonde, hoe ze hun geld hadden verdiend, en of hun huwelijken gelukkig waren.
Wij, moeder en dochter, uit de gegoede middenklasse hadden het heel goed maar bezaten niet het kapitaal dat daar op die ruime kavels vaak nogal afzichtelijk was uitgestald.
Het was een vriendelijke vorm van aapjes kijken, van verveeld vermaak, waarover wij ons weinig schuldig voelden omdat het vertoon van rijkdom ook voor ons was bedoeld, zondagrijders uit de middenklasse.

Precies diezelfde lust tot ‘rijken kijken’ zie je terug in het nieuwe programma van Jort Kelder ‘Hoe heurt het eigenlijk’. En ik kan me nog steeds goed vermaken met de rose-tankende, glad gestreken en opgepompte nouveau-riche-dames aan de Loosdrechtse Plassen, die uitleggen dat ze niet alleen een motorjacht bezitten (‘zeilen is zo veel werk’) maar ook een tweede huis bij Saint Tropez omdat ‘ze zo vreselijk van cultuur houden’.
In ‘hoe heurt het eigenlijk’ wordt het pronkgedrag van de nieuwe rijken slim afgezet tegen de tradities van het oude geld. Over het algemeen zijn dat Olie B. Bommel-achtige heren die in gedateerd Nederlands uitleggen dat zij hun landhuis, stammende uit 1700 of daaromtrent, in stand weten te houden door een natuurcamping en wat biologische boerderijen op de landerijen toe te laten.

Wat ‘Hoe heurt het eigenlijk’ anders maakt dan eerdere programma’s van bijvoorbeeld Gert Jan Droge is het nogal stichtende karakter. Als kijker word je ook op allerlei manieren duidelijk gemaakt hoe je wel en niet zou moeten leven, wat beschaafd is en wat nastrevenswaardig is. En dat is de nouveau-riche overduidelijk niet. Het oude geld wel want dat heeft tradities, sociaal besef, eet met mes en vork en lepelt geen vaten rose naar binnen maar drinkt een glas goede rode wijn op zijn tijd.

Het stichtende karakter van het programma heeft inmiddels ook geleid tot heel serieuze beschouwingen in kranten. Een van de meest hilarische is wel een beschouwing in de Volkskrant donderdag 4 november waarin werd betoogd dat wij Jort Kelder, als onze nationale polderdandy, dankbaar mogen zijn omdat hij een grote bijdrage zou leveren aan de ‘heropvoeding van Nederland’.
Ofwel, de landerijen zullen wij met zijn allen nooit bezitten, de familienamen ook niet, maar beschaafd gedrag leeft de oude adel ons voor.

Ik vind dat uit zo’n geleerde analyse in de krant vooral een nogal wonderlijke nostalgie naar de 19e eeuw spreekt. De redenering die wordt gehanteerd is eenvoudig. Weliswaar is de rijkdom waar de ontwikkelde smaak op rust, niet binnen ons bereik maar dat neemt niet weg dat we wel degelijk de goede omgangsvormen kunnen kopiëren.
Laat ik het eens bout zeggen. Zoals in de 19e eeuw, zijn armoede en een gebrek aan kansen geen excuus voor slechte manieren.

Wat mij betreft maakt ‘hoe heurt het eigenlijk’ met haar stichtende boodschap en de analyse in de Volkskrant die er op voortbouwt, deel uit van een maatschappelijke en politieke ideologie waarmee ik moeite heb. Het is de ideologie van ‘de eigen verantwoordelijkheid’ die al jaren een grote populariteit geniet.
Het is ook de ideologie waarbij de omstandigheden waarin je leeft, de armoede waar je aan bent blootgesteld, het gebrek aan kansen om hoger op te komen, nooit een argument kunnen zijn voor het gedrag dat je vertoont.
Natuurlijk klopt dit wel op het niveau van het individu. Simpel, als je arm bent en je gaat jatten, dan kan je armoede misschien een verzachtende omstandigheid zijn maar je bent ook gewoon verantwoordelijk voor je criminele gedrag en verdient daar straf voor. Bovendien, voor opgroeiende jongeren in onze samenleving die zich schuldig maken aan crimineel gedrag, geldt ook dat ze weliswaar zelden voortkomen uit de hoogste economische klassen, maar ze wel degelijk kansen hebben. Ze hoeven niet te straatroven omdat er anders geen brood op de plank is. Ze kunnen naar school, er is werk (hoewel de jeugdwerkloosheid relatief hoog is) en ze kunnen een legaal bestaan opbouwen. Dat ze kiezen voor criminaliteit en het terroriseren van anderen, daarop mogen zij – 1 voor 1 – worden aangesproken, evenals de ouders die hen opvoeden.

Maar met het veroordelen van individueel wangedrag en het tot voorbeeld maken van de oude adel ben je er niet als je de staat van een samenleving wil begrijpen. Als je bijvoorbeeld de criminaliteit wil verminderen, de sociale problemen van werkloosheid, van lethargie of een armoedecultuur van mishandeling en uitbuiting wil begrijpen. Laat staan dat de voorbeeldige omgangsvormen van het oude geld en de elites, ook maar het begin van een oplossing vormen voor de vermindering van die problemen.

Ik wijd uit over ‘Hoe heurt het eigenlijk’ omdat ik de populariteit van de boodschap, blijkbaar ook onder sommige intellectuelen, zeker op dit moment, nogal wrang vindt. We leven in een economische periode waarin de tegenstellingen tussen arm en rijk, kansarm en kansrijk, mondiaal, in de Verenigde Staten, in Europa en in Nederland snel toenemen. We leven ook in een periode waarin het geloof in vooruitgang, het geloof dat onze kinderen het beter zullen hebben dan wij, zwaar onder druk staat.
Het was precies dat geloof dat het zondagse uitje van mijn moeder en mij tot vrolijk, oppervlakkig vertier maakte dat vrij was van elke vorm van rancune.
Er kon toen namelijk geen twijfel over zijn dat ik als dochter uit de middenklasse – als ik me een beetje gedroeg – meer kansen zou krijgen dan mijn moeder, dat ik een goede opleiding zou kunnen gaan volgen, dat ik werk zou vinden, een huis, dat ik verre reizen zou kunnen maken en verder alles zou kunnen doen wat ik wilde.

Dat tij is gekeerd.
In de eerste plaats voor de mensen met de laagste inkomens maar ook voor de middenklassen.

Europese middenklassen

In het prachtige boekje ‘Ill fares the land’, beschrijft de Britse historicus – en helaas vorig jaar overleden – Tony Judt, de geleidelijke teloorgang van de westerse verzorgingsstaten, en het verdwijnen en verminderen van kansen op sociale stijging van kinderen uit de lagere sociale klassen en de middenklassen.
Hij beschrijft hoe vooral in de Verenigde Staten en in het Verenigd Koninkrijk na bijna een eeuw van economische groei en welvaartsspreiding (ruwweg vanaf het einde van de 19e eeuw tot 1980), deze tot stilstand zijn gekomen. Er is zelfs sprake van een omgekeerde beweging.

Al in de tien jaar voorafgaand aan de kredietcrisis in 2007 daalde het gemiddelde inkomen van gewone Amerikanen en werd hun geloof in vooruitgang op de proef gesteld. Voor veel burgers gold dat hun huizen hun enige stabiele kapitaal waren. Uit een studie van de Amerikaanse journalist Don Peck blijkt dat aan het begin van 2011 die huizen bij 1 op de 4 middenklasse-gezinnen een nauwelijks nog te dragen schuldenlast is, terwijl 1 op de 7 gezinnen wordt bedreigd door uitzetting en faillissement.
55% van de gewone Amerikanen heeft sinds de crisis te maken gekregen met werkloosheid, vermindering van uren of een forse salarisdaling. Volgens Peck veranderen in de nasleep van de economische crisis de levens van mensen ingrijpend: de verbondenheid tussen generaties staat onder druk, werkloze mannen verliezen hun positie tegenover hun vrouwen en kinderen, jongeren missen toekomstperspectief en zijn somber en voelen zich in de steek gelaten. Ook Tony Judt deelt deze sombere analyse. Hij spreekt van pathologische sociale problemen die horen bij harde klassentegenstellingen: stijgende kindersterfte, verminderende levensverwachting, criminaliteit, een geharde en onverbeterlijke gevangenispopulatie, werkloosheid, obesitas, teenage-zwangerschappen etc. etc.

Judt is de eerste om – terecht – een onderscheid aan te brengen tussen de Verenigde Staten en Groot Brittannië enerzijds en de meer gelijkmatige noord-Europese samenlevingen zoals Nederland anderzijds. Hier zijn de inkomenstegenstellingen nog altijd veel kleiner en is de toegang tot bijvoorbeeld goed onderwijs en relatief goede gezondheidszorg veel beter gewaarborgd. Dat neemt niet weg dat ook in Nederland, net als in andere Europese landen sprake is van een neergaande lijn. De inkomenstegenstellingen groeien en door de bezuinigingen vermindert de toegang tot de publieke voorzieningen voor de lagere en middeninkomens. Denk bijvoorbeeld aan de bezuinigingen op de kinderopvang, de gezondheidszorg, de PGB’s, het onderwijs, de universiteiten en de cultuur.

Tony Judt heeft bovendien een andere boodschap. Hij beschrijft groeiende ongelijkheid niet alleen als onrechtvaardig in zichzelf, maar ook als gevaarlijk voor de sociale en democratische stabiliteit van de samenleving: de geleidelijke toename van sociale en culturele spanningen, de vlucht in extremisme en de snel afbrokkelende bereidheid van mensen om voor elkaar te zorgen, om solidair te zijn – rechtstreeks en via het gezamenlijke betalen van belastingen.
Al deze ontwikkelingen zien we ook in Nederland. De intolerantie jegens elkaar neemt toe, net als de rancune, burgers vluchten naar de politieke flanken en verliezen hun bereidheid – hun stemgedrag is daar een uiting van – om (bijvoorbeeld via belastingen) te investeren in de publieke sfeer, in cultuur, in versterking van het onderwijs, of bijvoorbeeld in ontwikkelingssamenwerking die het lot van de allerarmsten iets verbetert.
Kortom, de groeiende ongelijkheid leidt tot toenemende maatschappelijke tegenstellingen en afnemende solidariteit. Dit ondermijnt geleidelijk het vermogen van een samenleving en haar politici om door inkomensmaatregelen en investeringen in de publieke sector, alsnog het tij te keren.

Afrika

Goed tot hier mijn enigszins sombere analyse van de staat van onze ‘westerse’ samenleving. Nu wil ik met u een hele grote stap maken naar Afrika, als brandpunt van de derde wereld.
In 2009 publiceerde de van oorsprong Zambiaanse econome Dambisa Moyo het boek ‘Dead Aid: Why Aid is Not Working and How There is a Better Way For Africa’. Zij bekritiseert hard en grondig ontwikkelingssamenwerking als een manier om de armoede in Afrika in stand te houden en gewone gezonde economische groei af te remmen. Tegenover de, weinig zoden aan de dijk zettende donaties van Westerse landen, plaatst zij de investeringen die een weinig democratisch land als China in Afrika doet, als duurzamer en toekomstgerichter.
Het hoeft weinig verbazing te wekken dat het boek – zacht gezegd – op een onstuimige ontvangst kon rekenen, temeer daar het al snel een internationale bestseller werd die ook graag door politici geciteerd werd, zoals de president van China. Conservatieven en neoliberalen die Afrika al lang als een bodemloze put beschouwden, zagen in het boek – ook nog geschreven door een Afrikaanse – een mooie aanleiding om alle ontwikkelingshulp stop te zetten. De ontwikkelingsindustrie beschouwde het als een dolksteek in de rug en schreeuwde moord en brand – Bono van U2 voorop – dat Moyo een neo-conservatieve agent was en niet vertrouwd kon worden. De heftige polarisatie rond het boek is begrijpelijk maar ook jammer omdat Moyo’s analyse wel degelijk hout snijdt voor Afrika, net als voor Europa en de Verenigde Staten.

Haar stelling is dat de grote afhankelijkheid van hulpprogramma’s die de afgelopen halve eeuw in Afrika is ontstaan, heeft verhinderd dat er sprake was van gewone economische groei, van stijgende inkomens voor Afrikanen en van de opbouw van democratische rechtstaten. De hulp richtte zich vooral op het verlichten van de ergste armoede en nood, maar creëerde onbedoeld ook afhankelijkheid daarvan.
Bijvoorbeeld in een land als Kenia, waarmee het relatief goed gaat, gaat 70% van het nationaal budget op aan salarissen van politici en overheidsfunctionarissen. Een groot deel van de gewone overheidsinvesteringen in de samenleving komen uit ontwikkelingsbudgetten.

Tegelijkertijd beschrijft Moyo – en dat is een belangrijk punt – ontbraken werkelijke economische investeringen uit Europa en de Verenigde Staten in Afrikaanse landen, terwijl het westen tegelijkertijd zijn grenzen zo goed als gesloten hield en houdt voor grootschalige import uit Afrika. Niet alleen was er sprake van groeiende afhankelijkheid van ontwikkelingshulp, er was in veel Afrikaanse landen ook nauwelijks een alternatief voor in de vorm van economische activiteiten die inkomen opleveren.
Door hulpafhankelijkheid en de afwezigheid van economische bloei kennen veel Afrikanen, volgens Moyo, weinig mogelijkheden voor sociale stijging, de armoede is groot en wordt bepaald niet kleiner, de inkomensafstanden zijn immens. Tegenover een enorme populatie van armen staat een kleine groep van exorbitante rijken, die vaak corrupt is en in het bezit van de politieke macht. Veel andere smaken dan heel arm en heel rijk zijn er nauwelijks: middenklassen bestaan maar summier en vooral in de landen waarmee het naar verhouding redelijk of goed gaat.

Ik ben het maar ten dele met Moyo eens. Ik denk dat zij de ontwikkelingshulp veel te veel verantwoordelijkheid geeft voor de miserabele staat van veel Afrikaanse landen; andere – geografische, etnische, historische en politieke – redenen spelen een minstens even grote rol. Bovendien denk ik dat zij een veel beter onderscheid dient te maken tussen noodhulp, zoals nu in de Hoorn van Afrika en langer lopende ontwikkelingsprogramma’s.
Ik wil deze lezing ook niet gebruiken om de aard van ontwikkelingssamenwerking verder te bekritiseren. Niet alleen wordt die discussie al hevig gevoerd, je ziet ook bij veel hulporganisaties een grote verandering in de hulp die zij bieden. Veel meer dan in het verleden richt die zich op de opbouw van bedrijfjes en het versterken van de economische structuur van landen, en de werkgelegenheidskansen van mensen.

Ik haal Moyo aan vanwege een andere centrale boodschap van het boek: wat heeft Afrika nodig?
Moyo stelt dat Afrika werkelijke economische investeringen nodig heeft die leiden tot de opbouw van een sterke en politiek bewuste middenklasse.
Het is deze middenklasse die in staat zal zijn om belastingen te betalen, en die – als zij een perspectief hebben op sociale stijging en een betere toekomst voor hun kinderen – dat ook willen doen.
Moyo’s stelling is dat de corruptie en het vergaande politieke misbruik dat zoveel Afrikaanse landen kennen, ook wordt mogelijk gemaakt omdat burgers geen belang hebben bij de verandering ervan. Ze zijn arm, voor hun inkomsten afhankelijk van buitenlandse hulp en missen elk perspectief op werkelijke verbetering voor zichzelf, hun kinderen en de samenleving. De sociale problemen waarmee zij worstelen zijn zo groot, de cultuur van armoede zo diep geworteld, dat er nauwelijks ruimte is voor solidariteit met elkaar.
Moyo stelt dat – en dat beschouw ik als haar belangrijkste claim – dat alleen de opbouw van middenklassen, zal leiden tot de politieke en democratische verandering die zo veel Afrikaanse landen heel erg hard nodig hebben. Als Afrikaanse burgers een beter inkomen krijgen, belasting gaan betalen, dan zullen zij ook hardere eisen gaan stellen aan de politici die hun geld besteden. Het is dan namelijk hun geld – en geen ontwikkelingsgeld – dat verdwijnt in corrupte zakken. Het is hun geld dat bestemd is voor het onderwijs van hun kinderen, voor gezondheidszorg en voor het bijstaan van armen.

Hier raakt de analyse van Moyo, zij het over een heel ander en oneindig veel kwetsbaarder continent, aan de redenering van Judt. Ook Judt betoogt dat duurzame welvaart en maatschappelijke stabiliteit voor een belangrijk deel op de middenklassen rusten en op een geringe afstand tussen de hoge en lage inkomens: bij een gelijkmatige spreiding van welvaart, gebonden aan een werkelijk perspectief op sociale stijging, zijn de sociale problemen beheersbaar en zijn mensen bereid en in staat tot werkelijke solidariteit.
Hoe ver Afrika hier misschien nog van verwijderd is, en hoe onbegaanbaar misschien ook de route lijkt, Moyo pleit voor een volwassen en eerlijke omgang met Afrikaanse landen. Zij pleit voor werkelijke economische investeringen, zoals – inderdaad – China dat nu doet, en die in de eerste plaats gewone ‘hardwerkende’ Afrikanen ondersteunen. Terzijde, we hoeven geen rooskleurig beeld te hebben van de motieven van Chinezen om te investeren, maar dat maakt het ook niet per se slecht. Bijvoorbeeld in Liberia, waar ik dit voorjaar was, zijn Chinezen in grote getale aanwezig vanwege de rijkdom aan grondstoffen van het land. Maar je ziet ook overal Chinese winkels en kleine restaurants. Aan de rand van de hoofdstad Monrovia wordt een grote universiteit gebouwd met Chinees geld. Dat maakt – hoe dan ook – een daadkrachtiger indruk dan de Unicef-posters die je verderop in de jungle ziet: ‘also boys like to do the dishes’.

Net als Judt pleit Moyo vooral voor de opbouw van meer egalitaire samenlevingen waarin de rijkdom eerlijker wordt gedistribueerd, de inkomensafstanden kleiner zijn en waar via de belastingen en via politieke inmenging mensen betrokken zijn bij het welzijn van elkaar en van hun land.

Ik denk dat velen van u, die hier vandaag aanwezig zijn, een wat grotere dan gemiddelde belangstelling hebben voor ontwikkelingssamenwerking en worstelen met de vraag hoe wij de derde wereld kunnen helpen. Zoals Peerke Donders, de naamgever van deze lezing, dat meer dan een eeuw geleden deed in Suriname.

Hoe kunnen wij Afrika helpen?

Met het beantwoorden van deze vraag wil ik deze lezing afronden.
In de eerste plaats door ons zelf te helpen. Hoe moeilijk ook de economische periode die wij doormaken, hoe hoog de nood aan bezuinigingen ook is, juist nu moeten wij er naar streven om de inkomensafstanden in onze samenleving niet verder te laten vergroten, en onze publieke sfeer niet te laten verloederen. Alleen als onze samenleving in de toekomst een rechtvaardige is, die gelijke kansen op onderwijs, werk en welzijn kent voor mensen uit alle inkomensklassen, zal er de bereidheid zijn en blijven om over onze schutting heen te kijken en een open oog te hebben voor de noden in Afrika.

In de tweede plaats, door tegelijkertijd onze omgang met Afrika te veranderen. Anders dan Moyo denk ik dat hulp – en zeker noodhulp – voorlopig noodzakelijk zal blijven. Maar wij moeten ons meer en meer concentreren op het investeren in duurzame economische groei in Afrika. Via microkredieten, via venture capitalists die kleine bedrijfjes (taxi-, telecombedrijfjes) helpen starten, via publieke organisaties die mensen trainen in politieke en democratische weerbaarheid, zoals nu door een aantal NL’se organisaties in de landen van de Arabische lente wordt gedaan. We zullen ook eerlijke handel moeten gaan toestaan. De benadeling van Afrika die het gevolg is van protectionisme en tarfiefmuren, is absurd – zeker in het licht van de grote armoede die daar is en de hulp die er vanuit Europa naar toe wordt gezonden.

Als ik terugdenk aan de zondagse ritjes met mijn moeder, moet ik altijd een beetje grinniken, Vanwege het schaamteloze naar binnen loeren natuurlijk, maar ook vanwege de volledige afwezigheid van jaloezie en rancune bij andermans uitgestalde rijkdom. In ons leven zat namelijk ruimte en perspectief genoeg om niet afgunstig te zijn.

Ik hoop dat mijn dochter ooit, met haar dochter (wie weet?) zo’n zondags ritje maakt, vrolijk en enkel licht gegeneerd, wetende dat ook zij alle ruimte hebben om zich te ontwikkelen en ontplooien.
Sterker, ik hoop dat over enige tijd een vrouw in Monrovia met haar dochter een ritje naar de buitenwijken maakt. En zich dan vermaakt. Sans rancune, omdat zij het zelf ook goed hebben.

Deze lezing werd uitgesproken op 6 november in Tilburg, ter gelegenheid van de Peerke Donderslezing op 4 november 2011

vrijdag, 21 oktober 2011

John Jorna

John Jorna

Een heel goede avond! Ik kom collecteren voor….

In column van de week, bedelaar, brievenbus, buitenland, mensen, museum, nederland, ouderen, hulp, en meer.

COLLECTEREN IN CRISISTIJD

Een paar keer per jaar mag ik collecteren. Er zijn van die aardige vrouwelijke kennissen of familieleden wier verzoek ik niet kan weerstaan. Niet dat ik er tegenop zie. Als elfjarige werd ik er door mijn vader al op uitgestuurd. Ik zou het als bedelaar misschien geeneens zo slecht doen. Bij een vossenjacht van school speelde ik sjofel gekleed de trottoirtekenaar en ja, eerst de leerlingen en daarna het gewone publiek begon er geld bij te leggen. Maar collecteren is toch anders.

Deze keer was het voor de Brandwondenstichting. Je krijgt tevoren enig voorlichtingsmateriaal. Dan blijkt, dat er verbazende vooruitgang is geboekt bij de behandeling van brandwonden. Nog maar weinig slachtoffers overlijden. Er blijven littekens, maar de resultaten van behandeling met kweekhuid worden steeds beter. We collecteren niet voor niets.

Ik kreeg een straat toebedeeld, die onder collectanten een beetje beruchte klank heeft. Je belt aan, ziet mensen binnen, maar ze doen niet open. Ik tik soms op de ruit. Zelfs dat helpt niet. Opmerkelijk veel bellen doen het niet. Ik klepper dan maar met de brievenbus. Vaak weten ze geen eens, dat de bel defect is. Nou ja. In een geval was twee keer de deur niet open gedaan. Een flinke tijd later probeerde ik het nog eens. Toen had de bewoner het kennelijk niet door, dat er een collectant aanbelde. Hij weigerde niet al te vriendelijk. Dit jaar was deze figuur een uitzondering. Bij een stuk of zes gevallen was duidelijk, dat de mensen niets konden missen. Dan merk je opeens, dat in deze tijd sommige ouderen en werkzoekenden het financieel moeilijk hebben. Al prakkiserend dacht ik: ”Eigenlijk zou ik voor die mensen moeten collecteren!” Al met al viel het mij deze keer erg mee. De mensen waren beleefd, soms enthousiast om mee te doen.

Een reactie trof mij bijzonder. Na het “een heel goede avond, meneer. Ik kom voor de Brandwondenstichting.”, zei de bewoner: “Oh, dat is een doel in Nederland. Daar wil ik wel voor geven!” Ik was perplex, maar ja reageren, terwijl je een bijdrage in de bus hebt gekregen, is ook al zo wat. Ik vroeg mij af, wat hij eigenlijk bedoelde. Was hij er van overtuigd, dat alle hulp aan het buitenland verdwijnt in de zakken van corrupte bazen? Dacht hij dat hulp aan het buitenland gelijk is aan het dempen van een bodemloze put? Heeft hij een hekel aan buitenlanders? Of vindt hij, dat de noden in Nederland zoveel erger zijn en dat er in Nederland nog zo veel te doen is? Eigen volk eerst? Ik moest weer denken aan het Watersnoodmuseum bij Ouwerkerk waar ik vorig jaar over schreef. Daar kun je allerlei buitenlandse kranten zien, die over de ramp schreven en in het hele museum binnen in die enorme betonnen caissons zie je voorbeelden van hulp, die uit het buitenland kwam. Maar ja, in 1953 was die man nog geeneens geboren, denk ik. Veel mensen van nu zijn vergeten, dat solidariteit een wederzijds karakter heeft. Dat naastenliefde onbaatzuchtig zou moeten zijn, dat is iets, dat te veel mensen in deze tijd van secularisatie een ver-van-mijn-bed-show vinden. Het zijn me tijden….

Jaargang 4, Nr. 184.

maandag, 10 oktober 2011

Harrie Winteraeken

Harrie Winteraeken

GR

PvdA – Kerkrade geeft Heerlen een gevangenis?

In politiek, heerlen, buitenring, limburg, parkstad limburg, provincie, architectuur, banen, bedrijventerrein, en meer.
De PvdA heeft opgevangen dat de staatssecretaris van gevangeniszaken Fred Teeven een nieuwe gevangenis wil laten bouwen in Limburg. Dat die nodig is, wist ik niet. De laatste berichten die ik over gevangenissen hoorde, was dat er onterecht asielzoekers in worden opgesloten en dat er eentje die toch leeg stond aan België wordt verhuurd.

Maar goed, de PvdA van Kerkrade wil die best naar Parkstad Limburg en “het liefst zo dicht mogelijk bij Kerkrade” halen en wel op het hoogwaardige bedrijventerrein Avantis plaatsen. En 200 banen, dat is niet mis. Ze willen ‘m niet in Kerkrade. Dat is toch wel erg goedgeefs, je zou het zelfs onbaatzuchtig noemen, en vooral een mooie blijk van de wil tot samenwerking in Parkstad Limburg. Blijkbaar heeft Kerkrade zelf geen mooi terrein meer binnen de gemeentegrenzen. Er mogen natuurlijk wel mensen uit Kerkrade gaan werken. En blijkbaar wil de PvdA de bezoekende familieleden en vrienden van de aldaar verblijvende Kerkradenaren geen wereldreis laten maken? (Wel via de Buitenring, zoals de provincie die gepland heeft?) En Avantis is toch wel de meest ver weg gelegen plek van Heerlen dus zullen de meeste Heerlenaren zich niet storen aan een gevangenis op Avantis.

Bedrijventerreinleider René Seijben is gelijk blij, want dan heeft hij weer een plekje gevuld. Maar hij geeft terecht aan dat het bestemmingsplan hier niet in voorziet. Daar is wel een mouw aan te passen. Avantis gaat prat op de sterke relaties tussen de onderzoekers van die hoogwaardige bedrijven en de universiteiten en hoge scholen in de buurt. We krijgen dan wellicht een productiehal voor wasknijpers of zo erbij, maar dat gevang moet wel een enorm uitdagend onderzoeksobject worden voor onze sociale wetenschappers. Die krijgen daar zeker ook nieuwe energie van.

Maar dan toch die ruimtelijke ordening. Als we al een gevangenis van Kerkrade krijgen, dan mag Heerlen toch zelf wel bepalen waar die zou moeten komen? Wij Heerlenaren en onze gemeenteraad voorop, plaatsen een gevangenis niet aan de rand van de samenleving. De vorige keer dat ons een gevangenis werd aangeboden, zou deze worden gebouwd waar nu het nieuwe gebouw van het CBS staat. Maar daar tegenover is echt nog plaats genoeg. Zelfs voor een gevangens als die een beetje schaamgroen erom heen krijgt en voor zover dan nog zichtbaar een aardige architectuur. Alleen jammer van die krimpende bevolking, dat operatie Hartslag zo geslaagd is en de opvang in Domushuizen en Exodus zo prima functioneert, dat Heerlen de bewoners bij elkaar moet schrapen.

Het bericht hierover stond in de regionale kranten Limburgs Dagblad en Dagblad de Limburger van zaterdag 8 oktober 2010.

zaterdag, 8 oktober 2011

Harrie Winteraeken

Harrie Winteraeken

GR

Interview Harrie Winteraeken 'strijdbare idealist'

In heerlenmondiaal, vredesplatform heerlen, de heksenketel, fietsersbond, groenlinks, familie, kranten, mensen, 2011.
Een aantal mensen heeft al aangegeven dat het interview me goed typeert: een paginagroot interview van mij in de editie Parkstad van de regionale kranten Dagblad De Limburger en Limburgs Dagblad van 7 oktober 2011. Familie en goede bekenden zullen er wel enkele kleine foutjes in ontdekken.
Titel van het bericht: 'Strijdbare idealist' http://bit.ly/pyQaMb, met daaronder mijn 'paspoort' http://bit.ly/qZR2Nh.

donderdag, 6 oktober 2011

Frank Pels

Frank Pels

Hyves

Nu al een klassieker: hoe je onzinnige kamervragen beantwoordt

In partij van de onvrijheid, partij van de viespeuken, nrc, pvv, martin bosma, artikel, conservatief, cultuur, divers, en meer.
PVV-Kamerlid Martin Bosma (oud-journalist) stelde kamervragen over het aandeel van 9 procent dat 'SP-financier' Derk Sauer heeft in NRC Handelsblad. Minister Marja van Bijsterveldt laat in de beantwoording doorschemeren dat ze wel wat beters te doen dan dit soort vragen te beantwoorden.

(gelukkig gaat nog de minister nog de tweede kamer over de eigendomspositie van kranten en bestaat er nog zoiets als een vrije pers)

Vragen van het lid Bosma (PVV) aan de minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap over SP-financier Sauer die een substantieel aandelenpakket van
NRC Handelsblad blijkt te hebben (ingezonden 2 september 2011).

1 Heeft u kennisgenomen van het artikel ‘Uitgever van NRC Handelsblad boekt
verlies in eerste jaar’?

Ja, nadat u mij bij mijn overige werkzaamheden daarop wees.

2 Was u ervan op de hoogte dat SP-financier Derk Sauer maar liefst 9 procent van
NRC Handelsblad in bezit blijkt te hebben?

Gelukkig niet. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap volgt de
wederwaardigheden en faits divers rond de spreiding van aandelenbezit in het
particuliere bedrijfsleven niet op de voet. Dat draagt bij aan een zo gering
mogelijke bestuurlijke drukte, beperkte bureaucratische lasten en een optimale
focus op de kerntaken van het departement.


3 Acht u de kans aanwezig dat NRC Handelsblad nog verder links georiënteerd
raakt, bijvoorbeeld doordat NRC-journalisten in het gevlei willen komen bij hun
radicaal-linkse eigenaar?

Ik ga er van uit, dat de mate van Lux in de Libertas toereikend is bij de redactie
van deze krant om de vrees voor een dergelijk gedragspatroon niet overmatig te
doen zijn. Mocht uw vrees echter bewaarheid worden dan kunnen abonnees hun
mening hierover eventueel kenbaar maken door ‘te stemmen met de voeten’.


4 Deelt u de mening dat u als minister dient toe te zien op een scheiding tussen
eigendom en redactie bij dagbladen?

Nee. Ook dat draagt weer bij aan een zo gering mogelijke bestuurlijke drukte,
beperkte bureaucratische lasten en een optimale focus op de kerntaken van het
departement. Vanzelfsprekend acht ik scheiding van redactie en eigenaar van
belang. Maar hier vindt regulering plaats via de Raad voor de Journalistiek.


5 Deelt u een gevoel van verlies dat het eens zo trotse conservatief-liberale
avondblad is verworden tot een politiek-correct blad dat een lofzang brengt op de
multiculturele samenleving, het EU-nationalisme, de ‘arabische lente’, de strijd
tegen Israel, de kunstsubsidies en dat, behoudens een enkele uitzondering, alleen
maar extreem-linkse columnisten heeft?

Mijn gevoelsleven heeft weinig raakvlakken met “trotse conservatief-liberale
tendenties”, maar het primaire gevoel bij uw vraagstelling is er een van de blijde
bewondering voor het werk van NRC-columnisten als Heldring en Hofland. Hun
scherpzinnige geest en gepolijste schrijfstijl zijn al decennia een toonbeeld van
Ausdauer, klasse en jeugdigheid. Een voorbeeld dus voor elke journalist, zelfs als
deze parlementariër is geworden. Lofzangen bieden deze columns, die zich
kenmerken door een kritische journalistieke benadering zelden, is mijn indruk.

woensdag, 5 oktober 2011

Marieke van Doorninck

Marieke van Doorninck

GR

Geen digitale slotgracht Amsterdam

In burgemeester, kranten, overheid, stad, kentekens, pers, september.
“Amsterdam krijgt een digitale slotgracht” kopten de kranten op 7 september. De pers baseerde zich op een brief van burgemeester Van der Laan waarin hij voorstelt om de milieucamera’s aan de rand van de stad ook te gebruiken voor opsporing, door middel van automatische nummerplaat registratie. ANPR scant kentekens en gaat na of deze om de een of andere reden in een register van de overheid staan

zondag, 18 september 2011

Claire Vaessen

Claire Vaessen

Twitter GR

Sensatieterreur

In actualiteit, media, raad, cda, ferrier, kathleen ferrier, de telegraaf, kamervragen, nrc, en meer.

In de jaren 70 zag ik de film ‘Die verlorene Ehre der Katharina Blum’ (naar een boek van Böll). EenLeugenparadijs aanklacht tegen de roddelpraktijken van Bild Zeitung; een film over een leven dat compleet vernietigd werd door sensatieterreur, door de niets-ontziende macht van een nieuwsmachine.
Zembla van afgelopen vrijdag ging daar ook over. Aan de hand van publicaties over ICCO en de fotograaf Leo de Deugd liet Zembla zien hoe de Telegraaf met opzettelijk verzonnen verhalen organisaties (ICCO) en carrières (fotograaf Leo de Deugd) vernietigde.

Sommige reacties op de uitzending die ik las waren berustend: dat wisten we toch al; dat is toch niets nieuws; andere media doen het ook; dit is nog niets vergeleken bij de Sun…

Ik vind het angstaanjagend dat we de ene terreur willen bestrijden en de andere lijdzaam over ons heen laten komen.

“Als dat in de krant staat dan neem ik dat serieus” zei het CDA-kamerlid Kathleen Ferrier naïef. Als je weet dat heel veel Kamervragen gesteld worden naar aanleiding van publicaties in de pers dan is dat toch hemeltergend?

Iedere krant en elke journalist laat wel eens steken vallen. Ook Zembla is wel eens door de Raad voor de Journalistiek terechtgewezen. Het verschil met bijvoorbeeld NRC of Trouw is dat deze kranten tenminste streven naar betrouwbaarheid. Een journalist die verhalen uit zijn duim zuigt loopt het risico ontslagen te worden. Bij de Telegraaf kan zo’n journalist zonder blikken of blozen zijn gang gaan en krijgt ie een feestje op de koop toe.

maandag, 5 september 2011

Harmen Binnema

Harmen Binnema

Linkedin Last.fm Twitter PS

Oud papier

In weblog, zomaar een mening, app, columns, eerste, facebook, fiets, keuken, kranten, en meer.

Voor een deel ligt het zonder meer aan mezelf. Mijn methode van oud papier verzamelen en wegbrengen is wat omslachtig. Eerst maak ik een stapel in de woonkamer van enveloppen, kranten, tijdschriften en ander uitgelezen of ongelezen papier. Daarna gaat een en ander in een plastic zak die een tijdje ofwel in de keuken ofwel voor de deur in het trappenhuis mag staan. Als ik genoeg moed heb verzamel, neem ik twee of drie tassen vier trappen mee naar beneden om ze een plek te geven in de berging, zodanig dat mijn fiets er nog net naast past.

Maar wanneer ik dan eindelijk toe ben aan de afrondende fase en met flink wat papier over straat loop te zeulen, is de frustratie wel erg groot als ik weer moet constateren dat de papierbak overvol is. Mijn eerste neiging is om rechtsomkeert te maken en de zakken terug te leggen waar ik ze vandaan had. Meestal breng ik echter de discipline op nog wat extra meters te maken naar de volgende papierbak. Het komt een enkele keer voor dat ook daar niks meer bij kan en ik voor optie drie moet gaan. Inmiddels neem ik het zekere voor het onzekere en loop ik alvast onbepakt even langs de papierbak om te kijken hoe hij ervoor staat.

Ongetwijfeld ben ik niet de enige met een dergelijke frusterende ervaring. Ergens ben ik natuurlijk blij dat mijn buurtgenoten zo enthousiast papier scheiden en wegbrengen, maar zouden zij dat niet wat gelijkmatiger over alle bakken kunnen verdelen? Het eenvoudigst zou uiteraard zijn wanneer het stadsdeel populaire papierbakken van een collega zou voorzien, of vervangen door een groter exemplaar. Een keer vaker ophalen vind ik ook goed.

Tot het zover is, zou een app waarmee je op je telefoon kunt zien welke bakken vol zijn of dreigen te raken, erg welkom zijn! Dan weet ik bij code-rood tenminste welke kant ik niet op hoef te lopen. Scheelt heel wat onnodige meters.

dinsdag, 9 augustus 2011

Harrie Winteraeken

Harrie Winteraeken

GR

Legalisering softdrugs beter dan alle soorten pasjes.

In politiek, limburg, bezuinigingen, criminaliteit, idee, kranten, nederlanders, onderzoek, politie, en meer.
Reactie op: ‘ban Franse drugtoerist’, gelezen in Dagblad De Limburger en Limburgs Dagblad van 4 augustus 2011.

Alleen Nederlanders, Belgen en Duitsers toelaten in koffieshops?

Het is het zoveelste verkeerde plan. Weer een idee dat het hypocriete softdrugsbeleid in stand houdt. Het wordt hoog tijd dat softdrugs gelijk worden behandeld als alcohol en tabak. Onderzoek van een half jaar geleden door de econoom Martijn Boermans van de Hogeschool van Utrecht wees uit dat de legalisatie van cannabis de staatskas jaarlijks netto 850 miljoen oplevert. (Veel geld in deze tijd van bezuinigingen.) Haal softdrugs uit de criminaliteit en de georganiseerde misdaad heeft op dit gebied geen bestaansrecht meer, wat enorm bespaart op politie en justitie. Bindt de teelt en handel van wiet net zoals iedere andere product aan er op toegesneden regels en hef er behoorlijk accijns over. Maar de conservatieve Nederlandse politiek reageert vooralsnog zoals de Engelsen zeggen: “I made up my mind so don’t bother me with the facts.”

Lees de compilatie van reacties in de kranten van 9 augustus 2011.

donderdag, 28 juli 2011

Harrie Winteraeken

Harrie Winteraeken

GR

Weeshuis Anyakwata Ghana afgebrand.

In ontwikkelingssamenwerking, heerlenmondiaal, millenniumdoelen, vrede, ghana, hart, huis, hulp, kinderen, en meer.
Weeshuis afgebrand maar alle kinderen zijn veilig: help en stort op 4425042.

Op 30 juni 2011 kregen we het bericht van Tineke en Gerrit Koenders dat die nacht het weeshuis "Save our Lives" in Anyakwanta is afgebrand. Tineke werkt in dit weeshuis sinds ze in november vorig jaar naar Ghana zijn gegaan. Daarvoor was Tineke onder andere actief in het Dekenaal Missionair Beraad, Missie Ontwikkeling en Vrede in Landgraaf en HeerlenMondiaal.

Zij hebben de brand van dichtbij meegemaakt: “Ons hart stond stil toen we op weg naar het weeshuis al van verre de brand zagen. Het gebouw waar de 12 peuters en 6 baby's, directrice en verzorgsters sliepen, stond in lichterlaaie. Kinderen, verzorgers, directrice en 'moeders' waren allemaal gered.
Alle spullen zijn verbrand, bedden, medicijnen, verzorgingsartikelen, kleertjes, baby flessen, cash geld (waaronder maandsalarissen) dossiers, ALLES. Ook de persoonlijke spullen van de verzorgsters en directrice. Het hele hoofdgebouw is afgebrand. Alle kinderen zijn op tijd in veiligheid gebracht!!”

“Momenteel zitten de baby's en peuters (18) in ons huis in Denyase waar wij ze opvangen. Dus nu hebben we tijdelijk het weeshuis Koenders in Denyase. Verzorging en medicatie worden ingeslagen.
Drie baby's zijn ziek, waaronder de veel voorkomende ziekte malaria. We zijn onder de indruk van de kracht van de oudere kinderen, die sterk blijven in deze moeilijke tijd. We danken God dat iedereen er levend van af is gekomen.”

“We hebben a.u.b. uiteraard dringend geld nodig in deze overbruggingsfase: opvang en voeding, nieuwe kleding en spullen voor de baby's, kinderen en verzorgsters. Alles is verbrand en vragen heel direct jullie hulp. Stort op ING rekening nummer 4425042, ten name van Stichting kansvooropendoel te Utrecht.
Zie ook onze website: www.kansvooropendoel.nl/dagboek

Bij voorbaat dank,
Tineke en Gerrit.

Wellicht mede naar aanleiding van dit stukje in mijn Vanaf de Zijlijn publiceerde Marcel de Veen in het dagelijkse stukje MijnStreek van de regionale kranten hier ook een stukje over. Klik hier voor de link http://krantdigitaal.ddl.x-cago.net/DDL/20110819/public/pages/01002HE/articles/DDL-20110819-01002HE001.html.

zaterdag, 23 juli 2011

Joep Bos-Coenraad

Joep Bos-Coenraad

Twitter

De moordenaar van het verstand

In buitenland, achtergrond, algemeen, blogs, dialoog, extremistische, gisteren, helaas, islam, en meer.

Wat een verschrikkelijk drama vond er gisteren plaats in Noorwegen. Kranten, blogs en Twitter staan er vol mee. Begrijpelijk. Ik kan het niet laten er ook iets over te schrijven, hoewel misschien evident wil ik het toch gezegd hebben.

Toen ik gisteren las over de bomaanslag werd er volop gespeculeerd over de dader. Op dat moment was overigens nog niet bekend dat de omvang van het drama met de schietpartij erbij zo gigantisch zou zijn. Er werd verondersteld dat al-qaeda, of een soortgelijke radicale islamitische terreurorganisatie achter de aanslag zat. Behoorlijk voorbarig, maar begrijpelijk dat media een antwoord pogen te geven op een van de belangrijkste vragen van lezers: wie zit hierachter?

Inmiddels lijkt het vrij duidelijk dat niet een radicale moslim, maar juist een conservatieve rechtse islam-criticus, waarschijnlijk zelfs uitgesproken Wilders-fan, achter de aanslag zit. En ineens vliegt alle modder in de online discussies precies de andere kant op dan gisteren het geval was.

Hoezeer ik de PVV ook verantwoordelijk houd voor haatzaaierij en ordinaire verpaupering van de samenleving, voor deze terroristische aanslag kan men Wilders niet verantwoordelijk maken. Een kleine radicale beweging, of misschien zelfs een eenling, blijkt helaas in staat om zoveel verdriet te veroorzaken. Dit had ook iemand  met anti-kapitalistische, radicaal-islamitische of dierenactivistische achtergrond kunnen zijn. Dat had de omvang van het drama niet veel groter of minder groot gemaakt. Er zitten helaas rotte appels in verschillende manden, los van of je de rijpe appelsoort lekker vindt.

Bijna alle 1,5 miljoen PVV-stemmers in Nederland vinden deze aanslag waarschijnlijk net zo verwerpelijk als u en ik, en zijn niet “guilty by association”. Datzelfde geldt over het algemeen voor dierenliefhebbers, moslims en socialisten wanneer drama’s plaatsvinden door individuen (met extremistische opvattingen) met hun signatuur.

Terreurdreiging gaat niet uit van moslims, islam-critici, links of rechts, maar van intolerantie. Zij die de dialoog niet zoeken en zo in hun radicaliserende kringen tegelijkertijd het argument en het verstand verliezen. Angst en haat gaan vervolgens hand in hand.

Het doet me denken aan een tekst uit Frank Herbert’s Dune (in het Nederlands “Duin”):

Litanie van de angst
Ik moet niet bang zijn,
Angst is de moordenaar van het verstand,
Angst is een halfdood, die volledige vernietiging meebrengt.
Ik zal mijn angst onder ogen zien,
Ik zal mijn angst over en door mij heen laten vloeien.
En als hij voorbij is zal ik mijn innerlijk oog op zijn pad richten.
Waar de angst is gegaan is niets achtergebleven.
Alleen ik zelf blijf.

Laten we scherp blijven om extremisme tegen te gaan waar zich dat ontwikkelt, maar zullen we ontstane angst door terreuracties niet laten overwinnen? We moeten de dialoog met andersdenkenden fatsoenlijk blijven voeren. Een afwijkende mening is niet per se gevaarlijk. Intolerantie wel.

vrijdag, 22 juli 2011

Jasper Fastl

Jasper Fastl

Linkedin PS DWARS

Kaapstad, een mooie, maar verdeelde stad

In jasper logt juist, algemeen, gemeenteraad, politiek, afrika, belastingen, burger, euro, huis, en meer.

Ik zit nu twee weekjes in Kaapstad, in de Afrikaans-sprekende noordelijke suburbs. Vrijstaande huizen in een heuvelachtige groene omgeving. De publieke buitenruimte stelt niet al te veel voor, maar ja, dat is Afrika. De schoonheid komt of van de natuur zelf, of van private investeringen. Als ik op mijn fiets stap richting Tygerberg Hospital, waar mijn vriendin stage loopt, en ik nader de snelweg, dan wordt de samenleving ineens een stuk gekleurder. Onderweg zie je zwarte bewoners slechts omdat ze als tuinier, huishoudster of bouwvakker aan het werk zijn. Het zijn ook de enigen die lopen over straat. De wittte bewoner lijkt niet veel meer te zien dan zijn auto, behalve als ze joggen of mountainbiken.

Misschien ligt daar ook ergens de kern van de onoverbrugbare kloof russen rijk wit en arm zwart. Die laatsten worden door de eersten vooral gezien als goedkope werkkrachten, wat ze ook zijn overigens. Samen met ze in de bus of trein zijn ze echter niet te vinden. Terwijl juist daar een plek ligt waar diverse groepen uit de samenleving samen kunnen komen. En wellicht wordt de boel er ook wat veiliger van. Een van de redenen ook dat het op straat niet altijd even veilig is, is omdat je slechts de onderklasse op straat aantreft. De rest rijdt het liefst tot zo dicht mogelijk bij de bestemming. Zelfs als de afstand niet meer dan een kilometer is.

En dan de kranten, althans, Die Burger, de krant die ik elke dag mag lezen. Die laat best treffend de wanhoop zien van dit land. Rijk wit ziet arm zwart in steeds grotere getalen hun luxe Kaapse enclave bezoeken, zien hun belastingen stijgen en zien dat de landelijke politiek langzaam een dieptepunt bereikt. Malema (een dertiger), de leider van de Jeugdliga van het ANC (heel wat machtiger dan onze PJO’s), siert de voorpagina al sinds mijn komst hier in de stad. Die Malema smijt met geld (dat hij eigenlijk niet heeft), laat een huis bouwen van een dikke miljoen euro, maar zegt wel op te komen voor de armen. Het is tekenend voor Zuid-Afrika. En dan rep ik maar even niet over dat hij zich laat adviseren door Mugabe, liedjes zingt over het doden van Boeren en pleit voor het nationaliseren van alle mijnen ed. Voor dat laatste gaat een delegatie binnenkort overigens naar Venezuela. Daar hebben ze er immers veel ervaring mee.

Overigens is corruptie bij de witte elite niet minder vreemd. Verhalen over vertegenwoordigers die hun eigen ontwikkelingsbedrijfje verrijken zijn vrij algemeen. Interessant ook wel is dat de overwegend witte gemeenteraad komende woensdag vooral zal vergaderen over het inlijven van stukken grond in de stad. En daarvoor wordt hier geen geld betaald. Gewoon nationliseren. In sommige gevallen best een goed idee, maar om dat nu algemeen toe te passen, daar kweek je boze mensen mee. Ik denk dat ik woensdag dus maar eens ga kijken in het stadhuis.


zondag, 10 juli 2011

Rosita Custers

Rosita Custers

Hyves GR

Vrouwensport zwaar ondergewaardeerd

In politiek, maatschappij, sport-wellness, emancipatie, sport, vrouwensport, media, voetbal, atletiek, en meer.

Wie van een lekker potje voetbal kijken houdt, kan zijn hart ophalen. Op dit moment vindt namelijk het wereldkampioenschap voetbal plaats. U leest het goed; het WK Voetbal. Wat…? U wist van niets? Kan ik me voorstellen. Ik heb het namelijk over Damesvoetbal en dat krijgt in Nederland amper aandacht.

Gisteravond speelden de vier teams die het hoogste staan genoteerd op de FIFA-wereldranglijst voor vrouwen, de kwartfinales. Spannend en vooral sportief voetbal waarin gestreden wordt tot de laatste seconde voor de winst. De wedstrijden daarvóór waren niet minder spannend en van hoog niveau. Je zou verwachten dat er dus iets over dit toernooi geschreven wordt in de kranten maar helaas dat is niet het geval. In de regionale krant van mijn woonplaats staat in ieder geval helemaal niets, nada, nul komma nul vermeld.

Dit is niet de eerste keer dat ik ageer tegen de discriminatie van vrouwensport in ons land. Ik ben ook al meermaals de discussie aangegaan met diverse sportredacteuren die bij een hardloopwedstrijd bijvoorbeeld, wel verslag in woord en beeld doen van de mannen maar niet van de deelnemende vrouwen. Of als er iets over vrouwen wordt verteld in de krant bijvoorbeeld dan is het altijd in een kleiner artikel, ergens op pagina 23, meestal zonder foto.

Wat is dat toch in ons land? Waarom loopt een buurland zoals Duitsland massal uit voor Damesvoetbal (de kwartfinale WK Zweden-Australië was bijna uitverkocht) en er keken naar schatting vijftien miljoen kijkers naar de live-uitzending! Ook dat leest u goed; live-uitzending. In Nederland is dit ondenkbaar. Met uitzondering voor de schaatsende damesprofs, komen de vrouwen in sportief Nederland er behoorlijk bekaaid af. Er moet al Olympisch goud of zilver zijn behaald wil je enigzins in beeld komen.

Nog even terug naar het voetbal. In Nederland ging in 2007 de eredivisie voor Damesvoetbal van start, inmiddels kennen we het resutaat. Nu de belangrijkste topclubs niet meer bereid zijn in de vrouwentak te investeren is er van een eredivisie-ambitie haast niets meer over. ‘Er komt te weinig geld voor binnen’, luidt de bekende verklaring. Een hele vreemde situatie als je bedenkt dat één op de twaalf voetballers ter wereld een vrouw is. Daarom hoop ik dat de beleidsmakers in ons land gaan inzien dat het afgelopen moet zijn met het discrimineren van de helft van de bevolking en eisen gaan stellen aan het verlenen van subsidies wat betreft de gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de sport. Ook de vrouwen zelf moeten zich luider laten horen. Schrijf een boze brief naar de krant als voor de zoveelste keer op maandagochtend een uitgebreid verslag te lezen valt (met foto’s!) van één of andere lokale herenvoetbalclub uit de derde klasse maar er helemaal niets te zien is van de topsportsters die op dit moment een spannend WK-toernooi spelen in Duitlsand.

We zullen ons voorlopig moeten behelpen met de omringende landen. Zondag 17 juli ben ik erbij; de finalewedstrijd in Frankfurt. Er getuige van zijn welke club de beste van de wereld wordt. Gelukkig toont Duitsland zich een sportvrouwvriendelijke natie. De sport-emancipatie in Nederland laat nog lang op zich wachten…

 


Harrie Winteraeken

Harrie Winteraeken

GR

Tolerantie neemt af

In heerlen, gedachte, gemeenteraad, huis, jeugd, jongeren, kinderen, nieuws, onderzoek, en meer.
De tolerantie ten opzichte van kinderen neemt af

Uit een onderzoek blijkt dat de tolerantie ten opzichte van de omgeving afneemt. Niet zo’n verbazingwekkend nieuws. Dat wisten we toch al. En hoe dramatisch is het? Valt het onder de zomerberichten die ieder jaar terugkomen: spelende kinderen, samenkomende jongeren, scheurende brommers en ander lawaai? Waar ligt de grens: bij iedereen verschillend blijkbaar. Je zult maar bij een trapveldje wonen. Maar het geluid van spelende kinderen is geen overlast. Kinderen moeten de ruimte krijgen om te spelen en elkaar te ontmoeten. Dat hoeft wat mij betreft niet alleen in een speeltuin te zijn.
Waar liggen dan de maatschappelijk te stellen grenzen? Bij het overtreden van de wet natuurlijk. Maar hoe zit dat met de gemeentelijke wetten ofwel de plaatselijke verordening? Die stelt de gemeenteraad vast. En daarmee ook gedragsnormen van kinderen in de openbare ruimte. En hier botsen het normbesef van ouderen en kinderen.

Ik ga eens terug naar mijn jeugd, zoals ik me die herinner: we kwamen bij elkaar bij een muurtje op de hoek van de straat. Een tuinafscheiding van een huis waarin een alleenstaande vrouw woonde. Ik denk dat ze oud was, maar dat ben je al gauw in de ogen van een tiener. De kinderen van onze straat schoolden er samen. Die mevrouw lied ons begaan. Ik denk niet omdat ze bang voor ons was. Althans dat hoefde ze niet te zijn. We trapten er een balletje met op de muur van het rangeerterrein van de mijn Emma de goal getekend. En in de herfst ‘flepten’ we kastanjes met een ‘kuul’. Als er verkeer kwam, dan stopten we natuurlijk. Soms bleef dat stuk hout in de boom hangen , totdat het eruit werd gegooid of vanzelf waaide. Ik denk niet dat er sprake was van overlast. We werden tenminste getolereerd.
Ook wist je toen wie in de straat minder vriendelijk voor kinderen was. Waar je moest zorgen dat de bal niet in de tuin kwam. Maar ik weet niet meer of we daar dan ook wegbleven, of toch lekker spannend een balletje trapten.
Mijn vriendjes en ik behoorden tot de gelukkigen die ook een ruig speelterrein hadden bij garageboxen en in tuinen achter winkels die helemaal niet werden beheerd. Boomhutten maken, vuurtje stoken en piepers bakken. Het kon daar allemaal en het mocht van de omgeving. Maar ons gedrag liep dan ook niet de spuigaten uit.

Het onderzoek toont aan dat de tolerantie afneemt. Blijkbaar meetbaar, ook ten opzichte van wat jaren geleden. Het is een teken aan de wand. Onze samenleving verruwd. Geleidelijk, vanaf de individualisering van de jaren ’70 van de vorige eeuw. Met de toenemende materiële welvaart en de gedachte dat je een ander niet meer nodig hebt om het zelf goed te hebben. Het is ook vaak een zichzelf versterkend effect. En van plaats tot plaats verschillend. Waren het eerst eilandjes van intolerantie in de straat en krijgt het tegenwoordig meer de overhand? Het heeft alles te maken hoe we tegenover elkaar staan. Wat onze omgangsvormen zijn. En die veranderen niet zo snel. Ook niet terug de goeie kant op.

Berichten in de kranten Limburgs Dagblad en Dagblad De Limburger van 9 juli 2011.

vrijdag, 27 mei 2011

Femke Halsema

Femke Halsema

Hyves Twitter TK

Leonardolezing: Politiek in de jaren nul

In speeches, gedachte, geert wilders, geloof, geschiedenis, gevaar, gevonden, geweld, gewoon, en meer.

Website van de Leonardo-leerstoelLeonardolezing, uitgesproken 26 mei 2011 op de Universiteit van Tilburg

Dames en heren,

Goedemiddag,

De politiek verlaten veroorzaakt een forse breuk in je bestaan. Eén die je ook nauwelijks kan voorvoelen, zolang je er deel van uitmaakt. Dat geldt òòk als er geen sprake is van een overhaaste aftocht na de val van een kabinet, een incident of een misstap en je jezelf plotseling en in shock terugvindt achter de geraniums.
Ik had mijn vertrek grondig voorbereid en ook wel tussen de bedrijven door nagedacht over de periode erna. Maar veel verder dan uitslapen, boeken lezen, met mijn kinderen spelen en vrienden zien, kwam ik niet. De allesoverheersende gedachte was ‘vrij zijn’ van dwang, druk en het heilige moeten. Maar wat je je onvoldoende realiseert, is dat ‘vrij zijn’ een geestesgesteldheid is die je als politicus juist grondig afleert.

Politici zijn onvrij, èn laten zich onvrij maken, en dat heeft een aantal redenen.
Er is de drukte die veel beroepen op hoog niveau kenmerkt: de agenda wordt door iemand anders gevuld, werkdagen van 12 uur zijn bepaald geen uitzondering en vanaf het opstaan tot het slapengaan jaagt de adrenaline door je bloed.
Ik merkte bijvoorbeeld – en heel simpel – dat ik de krant opnieuw moest leren lezen. Het obsessieve, gespannen scannen van het binnenlandse nieuws op je eigen naam, die van je collega’s en je tegenstanders, het in no-time willen inschatten van de politieke gevaren en risico’s die de krant herbergt, verworden geleidelijk tot een gewoonte. PVV-kamerlid Fleur Agema vertelde ooit bij Pauw & Witteman dat zij elke zaterdag om 6 uur opstond om bij het benzinestation de Telegraaf te kopen. Zodoende wist zij zeker dat zij als eerste van alle Kamerleden mondelinge vragen kon indienen over willekeurig welk incident. Hoe absurd misschien ook het voorbeeld, de onrust en drift waarvan Agema getuigt is geen enkele politicus vreemd.
En zo zijn er meer ingesleten gewoonten: tv-kijken betekent zappen; gesprekken voer je kort en dikwijls instrumenteel, met het oog op het te boeken resultaat; zoals de boeken die je leest vooral ‘nuttig’ moeten zijn voor je politieke handelen. Multitasken is verheven tot een hogere kunst van gelijktijdig telefoneren, internetten, medewerkers instrueren, een debat voorbereiden enzovoort.

Wat het politieke bestaan, als tweede, in hoge mate onvrij maakt is de permanente publieke druk, en de noodzaak èn wil om zichtbaar te zijn. Warren Beaty merkte ooit op over zijn toenmalige minnares Madonna dat zij niet bestond als de camera’s niet draaiden: ‘Why would you say something if it’s off-camera? What point is there existing?’
Politici, zeker de toonaangevende, worden regelmatig en, niet onterecht, bespot omdat ze opduiken in de meest wonderlijke talkshows, RTL-boulevard presenteren en hun oordeel geven over elke denkbare, triviale gebeurtenis. Maar – behalve vanzelfsprekend ijdelheid – hebben zij daarvoor ook goede redenen. Blijvende bekendheid & populariteit zijn namelijk harde voorwaarden voor verkiezingswinst, het kunnen realiseren van je opvattingen en idealen, en de eventuele deelname aan de macht.
Bijvoorbeeld. Toen ik eind 2002, krap 2 maanden voor de verkiezingen, aantrad als nieuwe lijsttrekker, was het grootste probleem mijn geringe naamsbekendheid. Minder dan 30% van de bevolking wist van mijn bestaan. Om ook maar enige rol van betekenis te kunnen spelen tijdens de verkiezingen moest dat razendsnel omhoog naar minimaal 80% en dat betekende een slopende gang langs koffieprogramma’s en vrouwenbladen.
Maar ook jaren daarna, toen ik over bekendheid weinig te klagen had, bleef de noodzaak om zichtbaar te zijn even groot. De meeste kiezers bepalen hun voorkeur namelijk maar deels op politieke opvattingen. Minstens zo belangrijk is hun intuïtieve voorkeur voor de waarden die een politicus vertegenwoordigt, zijn betrouwbaarheid & zijn aardigheid. Opvattingen, levensstijl, humor of de ontroering waarvan een politicus blijk geeft, moeten met elkaar in overeenstemming, en consequent zijn. Zo betekenden in mijn geval de bekende journaalbeelden waarin ik hevig debatteerde met bijv. Rita Verdonk of Geert Wilders ook een gebrekkig electoraal imago van bijterigheid (dan zeg ik het mild).
Het beeld van een politicus dat kiezers opbouwen bestaat uit korte fragmenten, waarbij juist de negatieve het beste beklijven. Reparatie van een onplezierig of onhandig imago kost tijd – televisietijd – en wint aan kracht door herhaling. Voor mij gold in ieder geval dat ik zeker 2 jaar talkshows als ‘Barend & Van Dorp bij elkaar gelachen had, voordat het kwartje viel bij veel kiezers dat ik niet alleen fel kon debatteren, maar misschien ook gewoon een aardige vrouw was aan wie je je kostbare stem kon toevertrouwen.

De druk èn de wil om geregisseerd en beheerst maar ook onophoudelijk zichtbaar te zijn, is niet alleen tijdrovend, maar het beperkt ook je uitingsvrijheid als politicus.
Elke politicus kan getuigen van een slip of the tongue die tot vervelens toe op televisie en op internet zijn herhaald. Balkenende denkt wellicht met weinig plezier terug aan zijn uitspraak tegen mij over de VOC-mentaliteit: ‘Laten we blij zijn met elkaar. Nederland kan het weer! (..) Toch?’ Maar het beëindigde niet voortijdig zijn carrière, wat wel gebeurde met VVD-kamerlid Arend Jan Boekestijn die vooral naam maakte met onhandige opmerkingen, zogenaamde ‘Boekestijntjes’.

De belangrijkste reden waardoor politici onvrij zijn is de tirannie van de tijd en de maatschappelijke omgeving. Daarmee bedoel ik het volgende. Het is voor politici bijna onmogelijk om een bezonken en beredeneerd oordeel te vellen over het politieke bestel waarin zij hun werk doen. Of de maatschappelijke cultuur te analyseren en te bekritiseren waarvan zij tegelijkertijd de drager zijn, waar zij uit voortkomen en hun populariteit aan ontlenen. Politici worden geacht mee te varen op de stroom van maatschappelijke en culturele sentimenten, de tijdsgeest aan te voelen en deze te vertolken. Doen zij dat niet of bekritiseren zij juist de tijdsgeest, dan riskeren zij kiezers, populariteit en uiteindelijk hun positie. Kortom, dan dreigen zij ineffectief te worden.
Maar vrijwel alle politici die ik de afgelopen jaren heb leren kennen, worstelen er ook mee dat ‘de waan van de dag’, zo dikwijls de koers van een debat en de richting van een besluit dicteert. Met de ‘waan’ bedoel ik niet het laatste incidentje uit de Telegraaf dat bij de wekelijkse mondelinge vragen de boventoon voert – hoewel dat ook ergerlijk is. Ik bedoel dat de woorden en onderwerpen die politici kiezen aan maatschappelijke en politieke modes onderhevig zijn en dat die modes dwingend zijn. Simpel gezegd. Geen zichzelf respecterende politicus wil op dit moment thee drinkend en al ‘multiculturaliserend’ in een moskee betrapt worden, ook al zouden daar goede redenen voor zijn. Thee drinken staat voor slapte. Zoals ook geen politicus nu met groot enthousiasme lagere straffen verdedigt, hogere belastingen, gescheiden zwemmen, de vrije verkoop van Mein Kampf enzovoort. Er is een grote omloopsnelheid in de populariteit van politieke onderwerpen. Tegen de dominantie van een kulonderwerp kun je je verzetten, je kan media in hun eenzijdige belangstelling tot de orde willen roepen, maar dan strand je meestal als roepende in de woestijn. Het is bijna onvermijdelijk om je te voegen naar de onderwerpen die gelden als het meest urgent, het meest ernstig – en daarbinnen de variatie te zoeken. Dat is niet uit lafheid of opportunisme maar uit noodzakelijk en gezond lijfsbehoud.

Mocht u na deze inleiding denken dat ik somber ben over de kwaliteit en kracht van politici: nee, geenszins. Wat ik zo-even opsomde zijn de disciplinerende, onvrij makende mechanismen van moderne politiek, mechanismen die – zo zal ik verderop betogen – alleen maar sterker en dwingender worden, en waaraan politici zich slechts met moeite en risico’s kunnen onttrekken.

Maar vandaag verdedig ik ook de stelling dat cultuurkritiek en het opnieuw beoordelen van het politieke bestel en handelen hard nodig zijn. Dat het meedeinen op het tij van maatschappelijke en culturele verandering – niet volstaat. Dat kon misschien in eerdere perioden in onze naoorlogse geschiedenis – waar bijvoorbeeld een oud-politicus zoals Marcel van Dam hoog over opgeeft – nog wel. Maar toen volstond ook om, tegenover de dreiging van de Russen een bataljon tanks aan onze oostgrens te plaatsen. Nu is de maatschappelijke deining te groot en is te onbestemd waar en hoe de golven op de kust slaan.

_____________

Sinds begin februari hebben mijn studenten en ik onderzoek gedaan naar wat ik in de opdracht van de Leonardo-masterclass heb beschreven als ‘De politieke betekenis van de jaren nul’ (de eerste 10 jaar van deze eeuw).

Maar laat me ze eerst even aan u voorstellen: Juliette Barendse, Linde Gasseling, Sabine Geers, Suzanne Keurntjes, Loes Mahieu, Madelene Munnik, Vera Nijveld, Michael Suurendonk, Pauline Verstraten en Eefje Wielders.

Zij hebben de afgelopen maanden literatuurstudie verricht en gesprekken gevoerd – variërend van Mark Rutte tot Hans Laroes, van Herman Tjeenk Willink tot Paul Scheffer. Zij hebben een middag meegelopen bij de redactie van Nieuwsuur, aangezeten bij de fractievergadering van een niet nader te noemen politieke partij en de Haagse sociëteit Nieuwspoort verkend. Zij hebben – aan de hand van eigen stellingen – een debat georganiseerd met studenten van de Tilburgse ROC. En uiteindelijk hebben zij twee keer, in groepjes van drie, een essay geschreven.

Wat ik hier vertel is ook gebaseerd op hun analyses, conclusies en aanbevelingen, wat niet wegneemt dat anekdotes en – zeker – de drastischer opvattingen en conclusies wel degelijk voor mijn eigen rekening komen.

De afgelopen jaren (bijvoorbeeld ook in mijn afscheidsbundel ‘Zoeken naar vrijheid’) heb ik vaak opgemerkt het gevoel te hebben getuige te zijn van een historische politieke tijd. Aantredend als Kamerlid in de tweede Paarse periode in 1998, kenmerkten de politiek en samenleving zich door een grote bezadigdheid. Politiek betekende wat schaven en lasten verlichten en nog eind 2001, toen Pim Fortuyn al heel populair was, bleek uit onderzoek dat de Nederlandse bevolking zeldzaam tevreden was. Er leken – eigenlijk tot de aanslag op de Twin Towers in september 2001 – weinig maatschappelijke en politieke voorbodes voor het tumult dat volgde.

De gedachte getuige te zijn van een historische politieke tijd ontleende ik aan het boek van Ido de Haan over de Nederlandse constitutie: ‘Het beginsel van leven en wasdom’ Hij betoogt daarin dat Nederland tussen 1848 en 1920 in het teken stond van constitutionele politiek. Volgens De Haan draaide het toen niet zozeer om een faire uitvoering van de politieke regels, als wel om het vaststellen van de regels zelf. In die periode werd bijvoorbeeld de staatssoevereiniteit vastgesteld, de scheiding tussen kerk en staat, het vrouwenkiesrecht en de vrijheid van onderwijs. Na 1920 brak een lange periode aan van zgn. ‘normale politiek’. Onze constitutie stond als een huis en werd door politici van alle gezindten als begrenzing geaccepteerd. Zelfs in de jaren zestig en zeventig, jaren van grote maatschappelijke onrust, concentreerde het politieke en maatschappelijke debat zich vooral op de herverdeling van welvaart en rechtvaardigheid, binnen de normatieve grenzen van de grondwet.
Volgens De Haan is pas aan het einde van Paars, versneld door de aanslag op de Twin Towers, de lange periode van ‘normale politiek’ ten einde gekomen en zijn wij opnieuw aangeland in een periode van constitutionele politiek. Of zoals de Haan het somber opsomt: ‘We hebben te maken met een partijenstelsel dat niet langer de verdeeldheid in de samenleving weerspiegelt, een parlement dat zijn centrale plaats daarin verliest en een staat die vastdraait in zijn ambities van herverdeling en rechtvaardigheid. De staat en de samenleving zullen zich opnieuw moeten grondvesten.’ (Tot dusver Ido de Haan)

Terugkijkend op de afgelopen 13 jaar, zijn onmiskenbaar de grootste en hevigste debatten ‘constitutioneel’ geweest. Beginnend wellicht met het venijnige conflict dat volgde op de uitspraken van Pim Fortuyn over artikel 1 van de grondwet: het discriminatieverbod, als sta-in-de-weg van de vrije meningsuiting. Wat volgden waren talloze debatten over de reikwijdte van de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van onderwijs.
Zo kon het gebeuren dat het parlement debatten voerde over de noodzaak en de plicht elkaar de hand te schudden, omdat dit niet langer werd beschouwd als een vriendelijke gewoonte – en het afwijken ervan als een rariteit -maar als een nationale testcase voor onze tolerantie, vrouwvriendelijkheid en ons gelijkheidsdenken. En in dit geval legde het recht van vrije expressie – in de opvatting van de dienstdoende minister Verdonk – het genadeloos af tegen het discriminatieverbod (dat zij op andere momenten met hartstocht relativeerde).
Nieuw was ook het bediscussiëren van de betekenis van godsdienst, en in het bijzonder de Islam, in het parlement zelf. De dominante uitleg van de scheiding tussen kerk en staat was voordien dat politici geen oordelen vellen over geloof. Ook de verhouding in de Trias Politica wijzigde zich, sinds politici zich actief bemoeien met lopende rechtszaken en de benoeming van rechters niet langer beschouwen als een hamerstuk maar tot inzet maken van partijpolitieke strijd (zoals de nieuwe Raadsheer Ybo Buruma overkwam). En hetzelfde kan gezegd worden over de positie van het staatshoofd, die vorige zomer hardhandig buitenspel is gezet bij de vorming van een minderheidskabinet.

Ik denk dat mijn studenten en ik er niet over van mening verschillen dat we inderdaad een periode van maatschappelijke en politieke turbulentie doormaken.
Wel hebben wij samen het idee begraven dat er sprake is van een harde omslag in de politieke geschiedenis die zich concentreert in 1 decennium en is veroorzaakt door de aanslag op de Twin Towers en de politieke moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh. Maatschappelijke en culturele verwarring lijkt eerder het gevolg van geleidelijker, maar evenzeer ingrijpende veranderingen. Veranderingen waarvan de politieke moorden in Nederland en 9/11 in de Verenigde Staten wel machtige symbolen zijn.

Samen, de studenten en ik, hebben we er drie grote en geleidelijke veranderingen uitgelicht die naar onze opvatting met name de afgelopen 10 jaar groot effect hebben gehad op de politieke verhoudingen en het politieke handelen. Deze veranderingen, als ook de effecten op de politiek, hebben de studenten onderzocht en in hun essays beschreven.

1.
De eerste grote verandering is globalisering en de definitieve vestiging van een risicomaatschappij. Deze is de afgelopen decennia in tientallen studieboeken beschreven en de vaststelling dat Nederland onderdeel is geworden van een internationale, globale en kwetsbare risicomaatschappij is bepaald niet nieuw.
Nieuw is wel de hardhandigheid waarmee globalisering de afgelopen jaren onze huiskamers en het parlement is binnengewalst. Als student leerde ik aan het einde van de jaren tachtig al over de ‘risicomaatschappij’ die het gevolg was van globalisering, waarbij de kernramp in Tsjernobyl het meest tot de verbeelding sprekende voorbeeld was. Maar afgezien van een enkele dioxinekoe, leek het met de aanwezigheid van onbeheersbare, wereldwijde risico’s wel mee te vallen.
Die illusie van relatieve veiligheid zijn wij inmiddels wel kwijt.
Inmiddels hebben we hardhandig de gevolgen ondervonden van een aantal
wereldwijde, financiële en economische crises.
Ik kan me goed herinneren dat over de Algemene Beschouwingen van 2008 de dreiging hing van een aanstormende financiële crisis. Maar zelfs toen vlak daarna de Amerikaanse Bank Lehman Brothers omviel, was van groot alarm in de Haagse politiek en in de samenleving nog geen sprake. Het beperkte zich tot een droge notie van risico’s waarop de Nederlandse regering, mocht er iets gebeuren, ‘adequaat’ – in het betere Haagse jargon – zou reageren. Dat is overigens ook gebeurd.
Maar ik kan niet verhullen dat het dreigende omvallen van Nederlandse banken en de duizelingwekkende bedragen die de Nederlandse regering vervolgens beschikbaar moest stellen, ook voor mij een schokkende eye-opener van internationale kwetsbaarheid waren. De razendsnel oplopende staatsschuld, de toenemende werkloosheid in Nederland door onverantwoord gedrag van bankiers en hypothecairs in de Verenigde Staten, was en bleef een nauwelijks te bevatten samenloop van gebeurtenissen en omstandigheden.
En kwetsbaarheid voor internationale risico’s heeft zich niet beperkt tot de financiële markt en de economie. De afgelopen jaren zijn we geconfronteerd met de
razendsnelle verspreiding van ook voor mensen gevaarlijke dierziekten en heeft de wereldwijde klimaatverandering bijvoorbeeld moeten leiden tot een kostbaar plan voor dijkverhoging en dijkbewaking. De aanslag op de Twin Towers en daarop volgend die in Madrid en Londen hebben de zekerheid te leven in een relatief geweldsloze en veilige samenleving voor veel mensen ondermijnd. Internationaal conflict en geweld houden zich ook in onze achtertuin op, worden hier geboren en groot gebracht: zoveel werd vooral bij de moord op Theo van Gogh duidelijk.

Om een beter zicht te krijgen op het effect van internationale crises en risico’s op de Nederlandse politiek hebben de studenten onderzocht hoe in Nederland is omgegaan met de Mexicaanse griep. Dit griepvirus, eerst de varkensgriep genoemd, kreeg vanaf het voorjaar van 2009 delen van de wereld in de greep, zeker toen bleek dat door besmetting niet alleen dieren maar ook mensen dood konden gaan. Inmiddels staat de teller wereldwijd op bijna 19.000 slachtoffers. In Nederland heeft de regering, onder verantwoordelijkheid van minister Klink, snel en ingrijpend gereageerd. Er waren folders en internetsites, risicogroepen kregen het advies zich preventief te vaccineren en er zijn 34 miljoen griepvaccins aangeschaft. Uiteindelijk heeft de Mexicaanse griep in Nederland nooit werkelijk huisgehouden.

Terugkijkend op de politieke besluitvorming valt vooral de grote en oncontroleerbare rol op die deskundigen spelen. Minister en parlement ontbeerden de specialistische kennis die inschatting van de gezondheidsrisico’s vergde en moesten zich in het geheel verlaten op de Gezondheidsraad, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en de World Health Organisation (WHO). Het waren ook de deskundigen die de minister en vervolgens de kamer voor een keuze plaatsten. Men kon 1. ‘afwachtend beleid’ voeren maar dit had een ‘risico voor de nationale gezondheid’ of men kon 2. ‘preventief beleid’ voeren, dat een financieel risico droeg.
Zo geformuleerd hoeft het weinig verbazing te wekken dat Nederland – als één van heel weinige landen – overging tot de peperdure aanschaf van een astronomisch aantal griepvaccins. De keuze was dan ook eigenlijk geen keuze maar een fait accompli omdat geen verantwoordelijk politicus uiteindelijk geld boven de gezondheid van de bevolking zal plaatsen.
Achteraf is er discussie ontstaan over de onbevooroordeeldheid van de deskundigen, de mogelijke rol van de farmaceutische industrie, en het oordeelsvermogen van politici. Dat vind ik terecht.

Meer in het algemeen kun je stellen dat globalisering en internationale crises politici in heel grote mate afhankelijk maken van deskundigen, wier achtergronden, motieven en belangen – anders dan die van politici – dikwijls slecht controleerbaar zijn. Waarvan op het moment dat zij dwingende adviezen geven ook nauwelijks bekend is dat zij zelf over de juiste en noodzakelijk informatie beschikken. De President van de Nederlandse Bank, de heer Wellink, heeft bijvoorbeeld achteraf aangegeven dat ook de Nederlandse Bank en hij zelf onvoldoende op de hoogte waren van de financiële producten waarin banken handelden en de risico’s die deze in zich hadden. Toch voer de regering volledig op de Nederlandse Bank.

2.
Globalisering is niet de enige grote, geleidelijke verandering die de politiek beheerst. Even ingrijpend is – om het eens in chique wetenschappelijke termen te zeggen – het gewijzigde paradigma van multiculturalisme.
Kort gezegd, is multiculturalisme in Nederland lang het bewijs geweest van vrijheid. In ons vrije, democratische land zou ruimte zijn voor andersdenkenden, andere tradities en gebruiken. Door de kracht van onze rechtsstaat, door onze tolerante inborst, ons democratisch bestel en de maatschappelijke mogelijkheden voor sociale stijging, zouden wij ook de komst van grote groepen vreemdelingen gemakkelijk kunnen opvangen. En belangrijker nog, binnen de grenzen van de rechtsstaat werd heb alle ruimte gegeven om hun eigen gang te gaan.
Inmiddels wordt multiculturalisme niet meer beschouwd als een bewijs van vrijheid, maar als een regelrechte bedreiging van onze vrijheid. Tolerantie is niet langer een deugd die geprezen wordt maar synoniem geworden met ‘plooien, schikken en afkopen’ van eigenlijk onoverkomelijke verschillen, tegenstellingen en botsingen.

Het verdwijnen van het geloof in multiculturalisme is een gevolg van de hardnekkigheid van integratieproblemen en het dreigende ontstaan van een allochtone onderklasse (met overmatige criminaliteit en overlast onder allochtone jongeren). Het is ook een gevolg van de angst voor gewelddadig, Islamitisch fundamentalisme dat door de aanslagen is gevoed en ertoe leidt dat in Nederland levende en werkende moslims inmiddels achterdochtig worden beschouwd als wolven in schaapskleren.
Maar beide problemen – de hardnekkige integratieachterstanden en de zorg om gewelddadig Islamitisch fundamentalisme – zijn ook een dankbare voedingsbodem gebleken voor snel populair wordende populisten. Dat multiculturalisme inmiddels een scheldwoord is geworden, is in belangrijke mate hun verdienste. Dit zeg ik wel met enige ironie.

De studenten hebben de afgelopen maanden als casus studie gemaakt van de incidenten die er de afgelopen jaren zijn geweest rond Imams die weigerden de hand te schudden van, in de eerste plaats Minister Verdonk. Vooral de eerste keer dat een Imam, zichtbaar en publiek weigerde de minister de hand te schudden groeide snel uit tot een nationale rel. De minister vond dat er onvoldoende respect was voor het instituut ‘minister’ en voor haar als vrouw en liet weten dat handen schudden een Nederlandse plicht was.

Op basis van hun onderzoek naar het veranderde oordeel over multiculturalisme en de incidenten rond handen schudden merken de studenten op dat politici en het politieke debat zich los lijken te hebben gezongen van de rechtstatelijke kaders waarbinnen zij opereren. Bij de beoordeling van het gedrag van individuele en groepen burgers stellen zij zich minder de vraag ‘is dit onwettig’ maar veeleer de vraag ‘is dit onprettig’. Afwijkend gedrag wordt in toenemende mate als on-Nederlands en onprettig bestempeld en veroordeeld.
Veel burgers, veel media ook, zijn gecharmeerd van de daadkracht en flinkheid die spreekt uit deze stevige oordelen: met name populistische politieke stromingen die van het veroordelen van onprettig, on-Nederlands gedrag hun handelsmerk hebben gemaakt, hebben dan ook een grote electorale vlucht gemaakt
Tegenover de symbolische kracht van harde normatieve oordelen over soms kleine incidenten staat echter een grote politieke en beleidsmatige onmacht. Politici zijn namelijk wel degelijk gehouden en gebonden aan de grenzen van de democratische rechtsstaat, waar deze rechtstreeks voortvloeien uit de mensenrechtenverdragen. Ongeacht retoriek en vertoon van flinkheid kent het integratiebeleid de afgelopen 10 jaar nauwelijks verandering maar een grote stroperige continuïteit en traagheid. De problemen rond integratie, sociale achterstand en criminaliteit zijn de afgelopen jaren niet werkelijk verminderd.
Het zichtbare verschil tussen zeggen en doen in het debat over de multiculturele samenleving levert – zo voeg ik daar aan toe – politici en het politieke bestel inmiddels een serieus geloofwaardigheidsprobleem op.

3.
Als je de gevolgen van de grote maatschappelijke veranderingen rond globalisering en multiculturalisme bij elkaar optelt, dan kun je vaststellen dat politici zich in een lastig parket bevinden, of – wellicht beter – in een lastig parket hebben gemanoeuvreerd.
De grootste maatschappelijke problemen kennen dikwijls een internationale oorsprong, oplossing of vermindering ervan onttrekt zich daardoor vaker aan het handelingsvermogen van gewone Nederlandse politici. Daarbij zijn zij in toenemende mate afhankelijk van specialistische deskundigen, waarbij zij de belangen en de juistheid van deskundige meningen niet altijd even goed overzien. De verleiding van een vlucht in symbolische daadkracht, in flinkheid bij incidenten is levensgroot en deze route wordt dan ook regelmatig genomen.
Het parket wordt nog lastiger als de derde grote verandering van de afgelopen jaren in ogenschouw wordt genomen: de fragmentatie en verveelvoudiging van media en de groeiende invloed van nieuwe media, van internet, weblogs en twitter.

De opvallendste vaststelling van de studenten in het onderzoek dat zij hebben gedaan naar de invloed van de mediacratie op het politieke handelen is dat wordt onderschat dat media zelf in toenemende mate ten prooi zijn aan grote commerciële en economische belangen.
Tijdens een debat gisteravond bij DWDD tussen een vertegenwoordiger van ‘dode- bomen’ media en webloggers – waar de studenten en ik toevallig aanwezig waren -
werd die dwang van commercie nog eens zichtbaar.
De meest gelezen onderwerpen op weblogs en de digitale pagina’s van kranten variëren van ‘condooms met tandjes’ tot de borsten en billen van Kim Kardashian. Serieuze onderzoeksjournalistiek, analyses van ingewikkelde economische problemen leggen het in de lezersaandacht altijd af tegen relletjes met overspel, zich misdragende BN’ers, moord en doodslag. En waar de lezersaandacht minder is, verdwijnt ook de belangstelling van adverteerders, uitgevers en mediabedrijven. Hoofdredacteuren en journalisten staan onder grote druk om lezers – en daarmee adverteerders – waar voor hun geld te geven.

Voor politiek nieuws betekent dit dat ruzies en conflicten, swingende, harde uitspraken over bijvoorbeeld Islamitisch stemvee of Grieks wangedrag, veel makkelijker hun weg vinden in de media dan – ik noem maar wat – de achtergronden van de financiële crisis.

Ik begon deze lezing met de vaststelling dat politici onvrij zijn. Een politicus die langer meewil verhoudt zich tot de tijdsgeest en tot de onderwerpen die zijn kiezers en de media het meeste lijken bezig te houden.
Nu weet ik dat u stiekem denkt: ‘ja hoor eens, een moedige politicus kiest natuurlijk altijd zijn eigen weg, ongeacht de risico’s’. Natuurlijk, dat is ook zo. En er zijn talloze voorbeelden van moderne, moedige politici die dagelijks impopulaire onderwerpen agenderen en verdedigen. Politici die werk maken van onderwerpen als Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen, de noodzaak van nieuwe duurzame energiepolitiek, wereldwijde voedselzekerheid enzovoort, ondanks dat hen dit zo goed als onzichtbaar maakt in de media en daarmee voor kiezers. Zoals ook de moderne politiek talloze voorbeelden kent van politici die dwars tegen de voorspellingen in van peilingen – waar ik overigens ook nog een betoog zou kunnen opbouwen – electoraal risicovolle beslissingen nemen omdat zij een grote innerlijke noodzaak voelen. Mijn opvolger gaf bijvoorbeeld meteen na aantreden een visitekaartje af.

Ik verzet mij hevig tegen de gemakkelijke gedachte dat de kwaliteit van politici de afgelopen decennia minder is geworden of dat de politiek oppervlakkiger en vluchtiger is. Deze nostalgische gedachte die nog wel eens door oude politieke mastodonten wordt geuit, miskent eenvoudig dat de maatschappelijke en politieke omgeving waarin politici hun werk doen met name het afgelopen decennium ingewikkelder en risicovoller is geworden.

Dit neemt niet weg dat er alle reden is om de staat van de politiek en het handelen van politici opnieuw goed en hardhandig te doordenken.
Als ik terugkeer naar Ido de Haan en zijn analyse van ‘constitutionele politiek’ dan denk ik dat je inderdaad kan vaststellen dat, als een gevolg van globalisering, de grote problemen in de multiculturele samenleving en komst van een mediacratie, samenleving en politiek zich opnieuw – moeten – grondvesten.

Politici, gekozen vertegenwoordigers van het volk, zullen daarin onvermijdelijk leiding moeten nemen. Zij dragen wel degelijk de verantwoordelijkheid om oplossingen aan te reiken voor grote maatschappelijke problemen. Of het nu gaat om het verminderen van de werkloosheid die voortkomt uit de internationale economische crisis, het op orde brengen van de staatshuishouding, het verminderen van de sociale en integratieproblemen, het beter beheersbaar en controleerbaar maken van het bureaucratische pandemonium (zoals Volkskrantcolumnist Bert Wagendorp deze week zo mooi opmerkte) of het aanpakken van klimaat- en energieproblemen

In het tweede deel van de masterclass heb ik de studenten gevraagd om – met achterlating van al hun theoretische kennis – eens na te denken over de noodzakelijke veranderingen in het politieke bestel en het handelen van politici.

Ik geef u eerst twee heel alledaagse observaties van de studenten door, waar ik even om moest lachen maar die ook onmiskenbaar veelzeggend zijn.
Na gesprekken met politici en een bezoek aan het parlement, verzuchtten de studenten om beurten dat zij het in het parlement interessanter en ook gezelliger vonden dan zij dachten en dat politici aardiger, welwillender en ook redelijker waren dan hun beeld van hen was.
En vorige week meldde een student dat zij, bezig met de opmaak van het slotessay, eindeloos op Google had gezocht naar foto’s van samenwerkende, vriendelijk met elkaar pratende politici en dat zij die niet had kunnen vinden.

Moderne politici zijn dagelijks verwikkeld in een harde overlevingsstrijd, een strijd om media- en publieke aandacht, in een strijd om het behagen en binden van hun kiezers. Politici zijn met handen en voeten gebonden aan kiezersverwachtingen, populariteitsvereisten en politieke mores. Het maakt hen onvrij om met wat meer afstand de grote problemen van deze tijd te aanschouwen. Het kan hen ook in een isolement brengen van eigendunk en zelfgenoegzaamheid, zo lang het ze goed gaat.

Maar niet alleen zijn de internationale problemen en risico’s, en de afhankelijkheid van derden bij het begrijpen en beheersen ervan, te groot; de vlucht in symbolische daadkracht, symbolische debatten over vooral de multiculturele samenleving die – ondanks daadkrachtige en soms oorlogszuchtige taal – niet leiden tot verbetering van het dagelijkse leven van mensen, ondermijnen de geloofwaardigheid en uiteindelijke effectiviteit van politici. En dit gevaar van politieke machteloosheid en ineffectiviteit op de lange termijn bedreigt alle politici, ook de populisten die zich vooral verheugen over de electorale winst op de korte termijn.

Politieke samenwerking over partijpolitieke grenzen heen, kent een grote noodzaak. Het vermeerdert de gedeelde kennis, het vergemakkelijkt het sluiten van de noodzakelijke compromissen en van het samen regeren.
De studenten hebben bedacht dat het goed zou zijn om kiezers bij de verkiezingen niet meer enkel op de eerste partij van hun voorkeur te laten stemmen maar ook een tweede en een derde voorkeursstem te laten uitbrengen: een zogenaamd ‘songfestivalsysteem’. Het dwingt politici zich beter rekenschap te geven van de politieke ‘umwelt’ waarin ze opereren en al in campagnetijd actief naar coalities te zoeken en deze te verdedigen, waarmee zij na de verkiezingen zouden willen regeren. Afgelopen zomer leidde de vergaande polarisatie tussen politici tot een gefragmenteerde verkiezingsuitslag en een bijna onbestuurbaar land. De ervaringen van de formatie en de idiotie van de totstandkoming van het huidige minderheidskabinet, zouden zich niet moeten herhalen.
Een zelfde milde dwang tot samenwerking zou uit kunnen gaan van het bij de gewone verkiezingen mogen uitbrengen van een adviserende stem op een voorkeurscoalitie. Ook dan geldt dat politici minder uitgedaagd worden om het conflict te zoeken met de electorale concurrenten (zoals Mark Rutte tijdens de laatste verkiezingen deed met Jan Peter Balkenende) maar al tijdens de campagne publiek samenwerking te zoeken met de latere en meest gewenste regeringspartner.
Daarbij lijkt het ons goed als de partijdiscipline en de onderlinge partijtegenstellingen verminderen. Een voorstel van de studenten is om Kamerleden in het parlement niet meer gegroepeerd naar partij te laten plaatsnemen maar bijvoorbeeld op alfabetische volgorde waardoor zij vaker samen optrekken en samenwerken.
Zelf voeg ik daar nog een suggestie naar Italiaans voorbeeld aan toe. Daar kiezen de leden van de verschillende oppositiepartijen samen één oppositieleider. Ook dat leidt onvermijdelijk tot betere samenwerking: de leiders zullen minder geneigd zijn elkaar vliegen af te vangen of elkaar te herhalen. Daarbij verandert het de verhouding tussen de grote en de kleinere oppositiepartijen. Denkt u zich eens in: het zal lang niet altijd vanzelfsprekend zijn dat de leider van de grootste oppositiepartij ook de oppositieleider wordt, bij de andere, kleinere partijen zijn wellicht beter gekwalificeerde kandidaten.
Veel politici maken zich zorgen over de zogenaamde kloof tussen politiek en burgers. Zij gaan eens in de zoveel tijd ostentatief (met een camera op hun nek) in koffiehuizen zitten, de deuren langs om te flyeren en beleggen bijeenkomsten waar burgers hun gal kunnen spuien. Al deze, dikwijls symbolische ontmoetingen betekenen niet werkelijk dat er met burgers wordt samengewerkt. Burgers bezitten veel kennis over, en dagelijkse ervaring met maatschappelijke en bureaucratische problemen, vaker dan nu gebeurt kunnen zij politici helpen oplossingen te formuleren. Met de komst van internet kan de kennis van burgers beter toegankelijk worden gemaakt, gebundeld en geselecteerd (zie bijvoorbeeld de ontwikkeling met ‘crowdsourcing’, waar in NL ook Maurice de Hond zich mee bezighoudt).
Een aantal jaren geleden heeft Rita Verdonk een ‘Ritawiki’ geïntroduceerd: burgers werden uitgenodigd om op haar site mee te schrijven aan haar verkiezingsprogramma. Het initiatief ging al snel kapot aan ‘reaguurders’ die site kaapten. Dat neemt niet weg dat het een goed idee was. Een idee van de studenten is om, verbonden aan de site van de Tweede Kamer, een ‘politieke wiki’ te starten waarop burgers oplossingen voor dringende en grote maatschappelijke problemen kunnen aanreiken. Vergelijkbaar met ‘wikipedia’ moet ook het debat over de inbreng van verschillende burgers zichtbaar kunnen zijn en moet zichtbaar kunnen zijn wie deelnemen aan een debat. Om te verhinderen dat de site gekaapt wordt, zou het een idee kunnen zijn dat burgers zich inschrijven met hun ‘digid’ die dan wel bekend is bij de Tweede Kamer maar niet zichtbaar is. Wel moet nagegaan worden of dit privacyproblemen geeft.

Onderlinge, harde competitie en concurrentie tussen politici en tussen parlementariërs en regering is slecht voor de openbaarheid. Angst voor misstappen en voor publieke vernedering leidt ertoe dat politici terugdeinzen voor het geven van inzicht in hun beweegredenen en in de wijze waarop zij tot een besluit zijn gekomen, met wie zij hebben gesproken en welke rol bijvoorbeeld lobbyisten hebben gespeeld. Het voorstel van Minister Donner om de Wet Openbaarheid Bestuur (WOB) verder in te perken en journalisten die de gangen van een minister willen nagaan, verder op achterstand te zetten, is een teken aan de wand.
Het is een misvatting dat een ‘cultuur van heimelijkheid’ de kwetsbaarheid van politici zou verminderen; het vergroot juist de achterdocht en de behoefte om politici hard af te rekenen als blijkt dat zij oneigenlijk informatie achterhouden.
Openbaarheid van informatie is een teken van politieke kracht, het versterkt de samenwerking met burgers en vergroot daarmee uiteindelijk ook de legitimiteit van beslissingen.
Het zou goed zijn als de Wet Openbaarheid Bestuur juist wordt verruimd en het aantal ‘uitzonderingsgronden’ voor het ter beschikking stellen van informatie aan journalisten en anderen, wordt verminderd
Naar mate beslissingen ingewikkelder worden (zoals bijvoorbeeld bij de Mexicaanse griep) zou het ook goed zijn als politici vaker laten zien ‘hoe’ zij tot een beslissing zijn gekomen, en niet enkel burgers ermee confronteren ‘dat’ zij een beslissing hebben genomen. Samen met de studenten pleit ik ervoor om vergelijkbaar met de Rekenkamer (die de doelmatigheid en rechtmatigheid van overheidsbestedingen onderzoekt) een onafhankelijke Besluitvormingskamer in te stellen die nagaat hoe een grote politieke beslissing tot stand is gekomen, op welke feiten en onderzoek deze is gebaseerd, welke derden daarbij een grote rol hebben gespeeld en wat hun belangen en motieven zijn.

Ervan uitgaand dat er sprake is van constitutionele politiek waarbij politiek en samenleving zich opnieuw grondvesten, zou het logisch zijn dat onze constitutie daarin ook een grote rol speelt. En dan bedoelen wij niet enkel in de schreeuwerige verdediging van een enkel grondrecht, zoals de vrijheid van meningsuiting of de vrijheid van godsdienst. Het kenmerk, maar ook de schoonheid, van onze constitutie is de gelijkwaardige botsing van grondrechten, van burgerlijke waarden, die erdoor op een vreedzame manier mogelijk wordt gemaakt. De grondwet constitueert daarmee ook heel letterlijk onze samenleving.
Betere kennis en een meer actieve verdediging van onze grondwet door politici, helpt wellicht ook burgers om met wat meer distantie, wat meer abstractie, politiek en maatschappelijk conflict en meningsverschil te beoordelen. Dit vereist echter wel dat de grondwet wordt vereenvoudigd en wordt verduidelijkt. Onze grondrechten zijn te cryptisch beschreven omdat ze tegelijkertijd ruimte laten voor uitzonderingsbepalingen door de overheid vast te stellen. Wij zijn voorstander van een nieuwe, moderne grondwet die eenvoudig en aantrekkelijk is en die daarmee ook een goed instrument in het onderwijs en in het politieke debat kan zijn.
Daarnaast is het hoog tijd om constitutionele toetsing in te voeren (diegenen die mijn werk van de afgelopen jaren kennen weten dat dit niet de eerste keer is dat ik hiervoor pleit). Niet alleen geeft het burgers een grotere mate van rechtsbescherming tegenover overheidsmacht, het brengt de grondwet ook tot leven omdat deze niet langer ‘een gesloten deur’ is voor burgers, zoals Thorbecke het ruim anderhalve eeuw geleden al omschreef.
Als samenleving en politiek een nieuw grondvest zoeken voor gezamenlijk handelen dan hopen wij dat die wordt gevonden in het zachtaardige, rechtstatelijke patriottisme dat onze constitutie biedt

Gisteravond kreeg ik bij DWDD de vraag, waarom komt u er nou mee, nu u aan de kant staat.
Aan de kant staan is ook reinigend en noodzakelijk om de politiek – waarvan ik houd – met wat meer distantie, wat minder politieke belangen, wat minder koortsachtig te kunnen gadeslaan en te beoordelen.

Ik dank de Universiteit van Tilburg, en in het bijzonder Hans van Driel en zijn staf voor de gelegenheid die zij mij hebben geboden. Ik dank vooral de Leonardostudenten voor het waardevolle onderzoek dat zij de afgelopen maanden hebben verricht en de vele levendige gesprekken en discussies die wij samen hebben gevoerd.

Dank u wel.

 

NB: Mevrouw Yvon de Witte meldt via twitter dat zij het idee voor een ‘songfestivalsysteem’ eerder op Facebook heeft voorgesteld en heeft vastgelegd bij de belastingdienst. Zij hecht aan vermelding daarvan: bij deze.

'Mevrouw Yvon de Witte meldt via twitter dat zij het idee voor een 'songfestivalsysteem' eerder op Facebook heeft voorgesteld en heeft vastgelegd bij de belastingdienst. Zij hecht aan vermelding daarvan: bij deze.

maandag, 25 april 2011

Vincent Koerse

Vincent Koerse

Hyves Linkedin Last.fm Twitter Youtube Flickr

Nieuwsbrief april 2011

In beleid, college, idee, politiek, ruzie, de zaak, kranten, visie, waterland.

Wie de lokale kranten volgt, krijgt het idee dat er in de politiek van Waterland vooral veel ruzie is. Dat klopt. Maar dan hebben we het wel over de afgelopen weken. Het beleid van het huidige college verdient geen schoonheidsprijs, om het zacht uit te drukken. Wij willen u in deze nieuwsbrief onze visie op de zaak uiteen zetten. Maar vooral willen we laten zien dat er ook positieve zaken gebeuren.

lees verder

donderdag, 27 januari 2011

Inti Suarez

Inti Suarez

Hyves Linkedin Twitter Youtube

Van multicultureel naar vrijzinnig liberaal; de opmerkelijke reis van Groen-Links

In groenlinks, actie, acties, agenda, algemeen, cda, debat, december, dwang, en meer.
Sinds haar oprichting in 1989 profileert Groen Links zich als voorvechter van een multicultureel Nederland. Dit heeft de partij altijd veel stemmen opgeleverd van allochtone Nederlanders, zeker in vergelijking met de gevestigde orde van PVDA en CDA. Een week is al een lange tijd in de politiek en twee decennia een eeuwigheid, waarin onvoorstelbaar veel kan veranderen. In Europa zijn we van de geel-rode jaren negentig, waarin de sociaal- en christendemocraten de dienst uitmaakten in zo ongeveer de hele EU, in de blauw-met-gele jaren tien terechtgekomen. Liberalen en rechtse partijen hebben een forse opmars gemaakt. Er is meer politieke diversiteit, die ook wordt weerspiegeld in de voorkeuren van de allochtone kiezers. In Nederland betekent dat dat deze groep niet meer zo vanzelfsprekend voor GroenLinks kiest.
Je zou kunnen zeggen dat dit een indicatie is van een toenemende integratie: de allochtone kiezer stapt over van een nichepartij naar een gewone partij. Het kan ook betekenen dat GroenLinks is veranderd en niet meer aantrekkelijk is voor wie deel uitmaakt van het diverse en multiculturele Nederland.
Gezien de reacties in de media op de uitspraken van Femke Halsema over het Islam debat, net voor haar vertrek als partijleider, zou dat het geval wel eens kunnen zijn. In een door GroenLinks georganiseerde conferentie over de vrijheid van godsdienst gaf Halsema te kennen dat bepaalde aspecten van de Islamitische straatcultuur niet getolereerd kunnen worden in Nederland. De nuances van haar betoog zijn uiteraard niet behouden gebleven in de media, wel dat er sprake is van een nieuwe, ferme toon: GroenLinks doet tegenwoordig blijkbaar ook aan ‘Islam-bashing’.
Dit was vroeger ondenkbaar, nuances of niet. Er moet nogal wat veranderd zijn als de partijleider directe kritiek durft te uiten tegen een minderheid. Heeft een stille revolutie plaatsgevonden binnen de partij, of heeft deze zich aangepast aan het maatschappelijke klimaat, waarin kritiek op minderheden en vooral de Islam gewoon is geworden? Wat misschien nog wel belangrijker is: welke consequenties heeft dit voor het nieuwe leiderschap van de partij?
Op het eerste gezicht is er weinig veranderd aan de ideologische positie van Groen Links: de partij is ontstaan uit de emancipatoire bewegingen van de jaren zestig en zeventig en staat nog steeds in deze traditie. Persberichten en verkiezingsprogramma getuigen hiervan, ook in 2011. Emancipatie is binnen GroenLinks altijd opgevat als de bevrijding van het individu aan de dwang van de meerderheid. In ontzuild en progressief Nederland betekent dat dat iedere vorm van automatische groepssolidariteit verdacht is geworden. Globalisatie en het afnemen van nationale identiteit worden in dit narratief positief geïnterpreteerd, want geven meer ruimte aan het individu in zijn zoektocht naar emancipatie en vrijheid.
Het blijkt nu dat deze zoektocht voert tot het overschrijden van de dunne grens tussen individualisme en egocentrisme. De nieuwe Verlichting, waarin iedereen zich in vrijheid zou kunnen ontplooien tot een progressief en weldenkend mens is niet gekomen, in plaats daarvan de opmars van een populistische rechts politiek. Progressief Nederland heeft dit niet zien aankomen, om wat voor reden dan ook en wordt nu overrompeld door de brede terugkeer naar deze schijnveiligheid van de kudde. De individuen die een veilig hokje bezitten keren daarnaar terug, de anderen zoeken naar de profeet of politicus met de makkelijkste antwoorden en minderheden zijn alweer het probleem. Volgens The Economist heeft het Nederlandse kabinet een povere keuze gemaakt: de Nederlandse kiezers zijn verward en angstig en de regering speelt in op deze gevoelens, in plaats van op zoek te gaan naar oplossingen voor de reële problemen van het land.
Binnen deze context is de positie van GroenLinks ten aanzien van minderheden belangrijker dan ooit. De problemen waar Nederland mee kampt zullen niet worden opgelost met de verharding van het politieke klimaat. De hindernissen voor de emancipatie van moslims staan nog overeind. GroenLinks heeft lang geleden al een inhoudelijke keuze gemaakt voor het belang van emancipatie, van alle minderheden, ook de moslims. Wat is veranderd is de opvatting van de partij over de strategie om dit te bereiken. Halsema’s uitlatingen geven blijk van deze nieuwe ‘tough love’: de liefde voor diversiteit blijft, maar harde kritiek op misstanden binnen minderheden mag. Emanciperen schept ook verantwoordelijkheden.
De vraag is wat de daadwerkelijke politieke waarde van deze keuze is, vandaag de dag. De dominante partijen hameren iedere minuut van iedere dag over de problemen met minderheden, moet GroenLinks dan advocaat van de duivel spelen met zulke uitlatingen? De reacties in de media laten zien dat ‘love’ maar al te makkelijk wordt vergeten en dat alleen ‘tough’ de kranten haalt. Als dat de positie van GroenLinks lijkt te zijn, bestaat een grote kans dat de partij zich verder zal vervreemden van wie dan ook maar de tolerante kiezer geacht wordt te zijn. Zonder uiteraard aan populariteit te winnen bij de bezorgden en onzekeren.
Er is ook een andere mogelijkheid: dat emancipatie niet afhankelijk is van politiek en dat het aantal geemancipeerde Nederlanders groeit, GroenLinks of niet. Wilders en consorten vertegenwoordigen degenen die niet blij zijn met de toenemende globalisering en die verlangen naar een meer overzichtelijk en minder kakelbont land. Een segment van de bevolking dat nooit eerder deel kreeg aan de macht en nu dus geëmancipeerd is geworden. Progressief Nederland heeft dan ook zware verliezen geleden bij de verkiezingen maar is niet verdwenen. Op het politieke toneel zijn nieuwe acteurs verschenen, ook producten van politieke emancipatie. Het debat wordt niet meer bepaald door de traditionele achterban van de PvdA en de CDA, maar erkent nu ook de VVDers en de PVVers. GroenLinks houdt zin in de toekomst, een toekomst die politiek diverser is geworden. GroenLinks en haar linkse of progressieve bondgenoten moeten zich daarop voorbereiden met een nieuwe toon en ander leiderschap, waarin harde uitlatingen over minderheden, maar ook buitenparlementaire acties – Nederland bekent kleur, misschien - zijn toegestaan. Een nieuwe winter, een nieuw geluid.

Spanning en onduidelijkheid
Het ziet ernaar uit dat GroenLinks afdaalt van haar ivoren toren aan de grachtengordel naar de drukte van het marktplein, waar verschillende culturen botsen en de problemen van de multiculturele samenleving zich afspelen. Een deel van de GroenLinkse achterban ervaart dit als een verdere verrechtsing van hun partij; een verder meebuigen met de wind. Misschien hebben zij gelijk. Maar een ander deel van de Groenlinkse achterban beschouwt het ‘nieuwe GroenLinks’ als zoekend naar een evenwicht tussen de verschillende belangen en verlangens van alle groepen in onze samenleving. De partij is op zoek naar een positie tussen de huidige xenofobie en het allochtonenknuffelen van vroeger. Misschien hebben zij gelijk.
Wat is de lange termijn agenda van progressief Nederland voor autochtoon en allochtoon Nederland, dat is de vraag. Een vraag waarvan het antwoord zal bepalen welk politieke stroming de toekomst heeft. Tussen de grote woorden en stoere taal is het nog niet duidelijk wat GroenLinks eigenlijk te melden heeft.
Wat GroenLinks zou willen melden is wel te vinden, in manifesten, verkiezingsprogramma’s en beginselverklaringen. De staat volgens GroenLinks moet nog steeds een instrument van emancipatie zijn. De partij beweegt zich naar het publieke slagveld, waar individuen dagelijks moeten vechten voor hun identiteit en voor hun eigen ruimte, onafhankelijk van welk collectief dan ook. Dat geldt niet alleen voor minderheden, ook de confrontatie van de vrijzinnige idealen van GroenLinks met andere politieke partijen moet hier gaan gebeuren, op het politieke marktplein. Het nieuwe GroenLinks van Halsema -en nu van Sap- is een standpunt aan het ontwikkelen als progressief links-liberaal, of vrijzinnig. Het is hoog tijd om dit beter te verkopen op de politieke markt, waar samenwerking en botsingen aan de orde van de dag zijn. Daarvoor moet het eerst beter onder woorden worden gebracht dan tot op heden het geval is geweest.

Diversiteitsbeleid: van publiek naar privaat en terug.
Wat zou dan deze GroenLinkse nieuwe identiteit is in verhouding tot het allochtonenvraagstuk kunnen zijn?. Of we het nu willen of niet, het politieke debat van dit moment wordt gedomineerd door deze kwestie en het is goed dat de partij het oude standpunt van ‘multiculturalisme boven alles’ achter zich heeft gelaten, maar wat komt ervoor in de plaats?
GroenLinks is natuurlijk geen Wilderiaanse beweging. Ook geen anti-Wilders partij, zoals Rene Danen en Mohamed Rabbae – prominente GroenLinks leden – misschien zouden willen. Wat is de partij dan wel? Hoe moet de ‘tough love’ van Halsema worden vertaald naar diversiteitsbeleid?
Multicultureel Nederland werd volgens de gangbare opinie geboren in 1983 toen de WRR het eerste rapport uitbracht waarin werd gepoogd om diversiteitsbeleid vorm te geven vanuit de politiek. Van dit animo is weinig overgebleven binnen de overheid. De avant-garde van de beleidsmakers is dan ook verhuisd naar de private sector en verdient zijn brood met het produceren van diversiteitsmanagement voor bedrijven, die wel de noodzaak daarvan inzien. Het debat in de politiek verhardt, terwijl het bedrijfsleven steeds meer gebruik maakt van de kracht van diversiteit.
De ontwikkelingen in het diversiteitsmanagement in de private sector spelen zich af op drie terreinen: het faciliteren van werk voor mensen van verschillende culturele achtergronden, het verkennen van nieuwe markten en het mainstreamen van diversiteit als een positieve waarde in de bedrijfscultuur.
Het interessante is dat deze drie thema’s eenvoudig zijn te vertalen in politieke actie. Om te beginnen: de verbetering van de werksituatie voor mensen van verschillende culturele achtergrond is de simpele erkenning dat verschillende mensen verschillende behoeftes hebben wat betreft hun werkomgeving. Zoals bijna niemand verwacht te moeten werken op de avond van 5 december, zo kan ook ruimte worden gemaakt voor andere feestdagen, net zoals veel bedrijven gebedsruimtes hebben ingericht. Het gaat erom dat een bedrijf gewoon vriendelijk kan zijn tegen verschillende culturen.
Als we over verkennen van nieuwe markten praten: een alternatieve kijk op een bepaalde situatie wordt algemeen erkend als een must in het competitieve bedrijfsleven van vandaag. Diversiteit in een brede zin is een onmisbaar element hiervan. In de politiek vertaalt dit principe zich in de noodzaak voor interne diversiteit binnen politieke partijen. Om te kunnen praten met diverse groepen (en niet alleen te praten over diverse groepen) moeten leden van deze groepen deelnemen aan het interne debat. Als GroenLinks, of welke partij dan ook, kans wil maken op een belangrijke positie in de diverse sectoren van de maatschappij, moeten moeten deze sectoren eerst de partij worden binnen gehaald.
Het profileren van welk bedrijf dan ook als diversiteitsvriendelijk en het naar buiten treden als een niet homogene entiteit is de derde poot van elke diversiteitsbeleid in de zakenwereld van vandaag. Dit derde principe is moeilijker te integreren in het leven van een politieke partij, waar eenheid van meningen hoog wordt gewaardeerd. Het proces van interne discussie is vooral gericht op het bereiken van consensus. De diverse wereld van vandaag leert ons nog een andere les: wij moeten niet alleen leren om het met elkaar eens te worden, maar ook om het niet met elkaar eens te hoeven zijn.
Deze drie elementen hebben veel te danken aan maatschappelijke trends van twintig tot dertig jaar geleden. Net zoals in de milieu-discussie heeft het bedrijfsleven zich stellingen en praktijken eigen gemaakt die afkomstig zijn uit de activistisch-progressieve politieke hoek. Ons pleidooi is om deze keer de rollen om te draaien en de politiek van morgen te inspireren door het bedrijfsleven van vandaag. Laten we diversiteit faciliteren, gebruiken en mainstreamen. Door alle nadruk op de problemen van multicultureel Nederland te blijven leggen, worden deze toch niet opgelost. Iedereen weet inmiddels wel wat ‘tough’ betekent, het wordt tijd om ook te gaan nadenken over wat ‘love’ zou kunnen inhouden. Oplossingsgericht denken zou daarvan goed begin kunnen zijn.

woensdag, 5 januari 2011

Bart Swanenvleugel

Bart Swanenvleugel

GR

Hongarije en de gekozen dictatuur

In politiek, besluiten, democratie, eu, falen, het volk, huis, invloed, kranten, en meer.
De Hongaarse regering beperkt de persvrijheid. En er worden nog wat andere maatregelen doorgevoerd om de invloed en macht van de zittende regering te versterken en die van de oppositie te beperken. Nu ken ik de huidige Hongaarse situatie niet zo goed, alleen maar door wat ik er van lees in de kranten, maar het komt me voor dat we hier met een typisch faalmechanisme van de democratie te maken hebben. Een gekozen vertegenwoordiging van het hele volk verwordt tot een dictatuur van de meerderheid. Falen van de democratie komt vaker voor, in verschillende verschijningsvormen. Zoals een hele tijd geleden bijvoorbeeld in Algerije, waar de (niet democratisch geachte) FIS democratisch werd gekozen en, gepaard met allerlei bloedvergieten, verboden werd door zelfbenoemde democraten, die vervolgens een niet democratisch gekozen regering vormden. De Hongaarse situatie is dichter bij huis dan Algerije, omdat Hongarije EU-lid is en omdat het staatsbestel dat zich de laatste twee decennia ontwikkelde vergelijkbare trekjes heeft met het Nederlandse. Een regering met tweederde meerderheid in het parlement besluit wat hen goed dunkt, zonder rekening te houden met de wensen en opvattingen van de rest, eenderde van het parlement. Dan wordt er niet langer geregeerd op basis van uitwisseling van inhoudelijke argumenten, maar op basis van getalsmatige verhoudingen. Ik heb altijd geleerd dat democratie er is om de mening en belangen van het volk evenwichtig te vertegenwoordigen en dat meerderheden daarbij rekening houden met - en in uiterste gevallen bescherming bieden aan - minderheden. Dat kan volgens mij alleen wanneer de meerderheid open staat om naar de de mening van de minderheid te luisteren en deze mening mee te wegen bij de besluitvorming. Beperking van persvrijheid past daar sowieso niet bij. Vanuit zo’n benadering gezien, lijkt zich in Hongarije het begin van het einde van de democratie aan te dienen. We zullen daar als EU-partner van Hongarije zeker een punt van moeten maken. Maar Nederland moet ook naar zichzelf kijken. Hier wordt de persvrijheid niet beperkt. Wel zie ik dat er in het huidige parlement besluiten worden genomen door een (heel krappe) meerderheid, die haaks staan op de opvattingen van de (krappe) minderheid. Niet op basis van argumenten en inhoudelijke afweging, maar op basis van de macht van het getal. Zo leidt een democratisch systeem tot iets waar het mijns inziens niet voor bedoeld was, een gekozen dictatuur. Dat zal bovendien leiden tot inconsistente besluiten over de langere termijn, want voor je het weet wordt de huidige minderheid gekozen tot meerderheid en vormt zij haar eigen dictatuurtje voor de volgende vier jaar.

donderdag, 25 november 2010

Socrates Schouten

Socrates Schouten

Linkedin DWARS

Achter borden Verboden Toegang

In nederlands, de dieren, de wereld, geweld, groen, mensen, muziek, natuur, revolutie, en meer.

Een tekst van W.F. Hermans uit de bundel ‘Het sadistische universum I’

Weinig mensen weten hoe groot de aantrekkingskracht is die ik onderga van wat achter borden Verboden Toegang verborgen ligt.

Zelfs personen die boekjes over mij hebben opengedaan en zich erover hebben beklaagd dat ik ze van tevoren niet van alles en nog wat aan hun neus heb gehangen, weten het niet, omdat ik er nooit over praat. Maar sinds mijn veertiende jaar breng ik vele dagen zoek op die afgelegen plaatsen, waarvan tot de voorbijgangers hoogstens wat gerommel en rook doordringt. En dikwijls dat niet eens. Alleen een ‘Eigen Weg’ waar niemand komt die er niets te zoeken heeft, voert er naartoe vanaf een openbare weg die op zijn beurt soms niets meer is dan de zijweg van een hoofdweg.

Daar is het dat monsterlijke graafmachines, pneumatische boren en dynamiet de illusie dat onze wereld een ‘bewoonde wereld’ zou zijn, vernietigen. Hier wordt het duidelijk wat onze planeet in werkelijkheid is: een grote steen, inwendig rein, hard, en helder, van buiten wat vuil, slijmerig en versleten.Uit dat vuil, dat slijtagemateriaal, dat slijpsel, achtergelaten door de verwering van ijs, sneeuw, regen en wind, is alles voortgekomen: de microben, de planten, de dieren en de mens. Soms veegt de natuur deze steen ergens een beetje schoon. Zij blaast erop, spuwt erop, krabt eraan, klopt ertegen of houdt er een lucifer bij. De kranten spreken dan over natuurrampen: tornado’s, watersnoden, lawines, bosbranden, vulkanische uitbarstingen en aardbevingen. Er wordt gejammerd, maar eigenlijk is er niets gebeurd: de steen zelf blijft onaangetast.

Sla een scherf van de steen en hij toont zijn ongerepte kosmische kleuren, zijn mineralen die edelstenen genoemd worden als zij hard genoeg zijn om de verwering weerstand te bieden en niet tot de bewoonbaarheid van de wereld bij te dragen.

Achter die borden Verboden Toegang wordt door bestofte arbeiders met daverend geweld een stukje afgeslagen van onze grote steen. Daar wordt het materiaal gedolven waar wij onze huizen van bouwen, de steenkool waarmee wij ons verwarmen en het erts waarvan wapenen worden gesmeed.

Soms kan ik om die afgronden heenlopen zonder iets te doen, bedenkend hoe de mens met waanzinnige krachtsinspanning kruimeltjes afknaagt van de enorme meteoor waar hij reddeloos aan gebonden is, waarop hij door het heelal giert als een drenkeling op een vlot en zonder ooit te mogen verwachten in de nabijheid van andere drenkelingen op andere vlotten te komen.Op die plaatsen, achter borden Verboden Toegang, is het gras grijs van stof, de bomen zijn beschadigd door vrachtwagens die erlangs schuren, in grote kuilen staat groen water, onder dode struiken liggen gebroken kamraderen en emaille kannen zonder bodem. Er hangt een stank alsof alleen de laagste vormen van leven zich hier nog wagen.

Niemand komt er behalve de stoffige arbeiders en ik. De arbeiders letten niet op mij. Niemand zal mij daar zoeken, in die daverende eenzaamheid waar ik thuishoor al spreek ik er met niemand over.Het gerammel van de machines klinkt mij in de oren als de muziek van een revolutie. Hier bonst de nutteloze heldenmoed waarmee de mens zich ingraaft in zijn steen, in duistere gangen die verhoudingsgewijs nog niet eens met een speldeprik vergeleken kunnen worden.

Hier weerklinkt het trappelen van een gevangene op de betonnen vloer van zijn cel, duizenden malen versterkt.

(1955)


zondag, 17 oktober 2010

Ruben Heijloo

Ruben Heijloo

Dit is Nederland...

In algemeen, internet, kranten, kwaad, moslims, nederland, telegraaf, allochtonen, bron.
Een ex-collega en fervent hardloper vertelde dat hij nooit meer marathons in Nederland wil lopen. Waarom niet? In Nederland worden de wat langzamere lopers, die de toprenners niet kunnen bijhouden, namelijk consequent door de toeschouwers uitgescholden.

Let wel: dit gebeurt alleen in dit kikkerlandje. Nergens anders.

Het past in het beeld dat je van Nederland krijgt als je de kranten leest, als ronddwaalt op internet (lees: Telegraaf.nl), als je het politieke discours aanhoort, zelfs als je voetje-voor-voetje door de Kalverstraat sjokt.

Hoe kan het dat wij zo’n ongelooflijk ontevreden, verzuurd, verhard kutland zijn? Waren we altijd al van die klootzakken en wordt het nu door de 24/7-media beter zichtbaar? Of heeft de etter zich onderhuids opgebouwd en barst nu pas de boel naar buiten? Waar ging het dan fout?

En probeer bij het beantwoorden van die vraag niet te verzanden in oeverloos gelul over de ‘linkse kerk’ dan wel de ‘rechtse rakkers’, of allochtonen c.q. moslims als bron van alle Kwaad. Kijken of dat lukt...

 

donderdag, 26 augustus 2010

Jenny de Jeu

Jenny de Jeu

Hyves Linkedin

Schuldhulp: geen stenen voor brood verkopen

In uncategorized, bezig, bijeenkomst, hulp, hulpverlener, kranten, kwaad, mensen, nederland, en meer.

Vandaag was Mevrouw Erica Schruer advocate uit Rotterdam gastspreker bij de plenaire vergadering van de Cliënten Organisaties Maatschappelijke Opvang van de G4 (COMO-G4). Mevrouw Schruer houdt zich al jaren met het thema schuldhulpverlening bezig. Mevrouw Schruer beschikt over een berg kennis waar je u tegen zegt. Zelfs Wikipedia maakt reeds melding van haar weblog http://observatrix.blogspot.com/

De bijeenkomst werd benut om haar kennis over te brengen aan de belangenbehartigers van de 4 grote steden. Mevrouw Schruer doet dit op zeer kundige en bevlogen wijze. En is heerlijk Rotterdams recht voor zijn raap. Veel van de aanwezigen zijn zelf noodgedwongen ook al jaren met het thema schuldhulpverlening bezig. In sneltreinvaart loodste mevrouw Schruer ons langs een berg wet- en regelgeving. En vooral ook langs de gaten waar veel mensen die hulp zoeken om uit de schulden te geraken jarenlang keihard in vallen. En maar blijven vallen, van kwaad tot erger. De gevolgen hiervan zijn voor COMO-G4 onder andere te zien in het grote aantal dak- en thuislozen wat Nederland kent. En wie de kranten goed leest ziet ook dat veel familiedrama’s vaak voortkomen uit schuldenproblematiek.

Er moeten echt grote zaken veranderen om deze neergaande spiraal waar heel veel mensen in verzuipen een halt toe te roepen. Alle aanwezigen konden met gemak bergen schrijnende voorbeelden noemen. Zoals mensen die al 8 jaar schuldhulp hebben en er geen vooruitgang is, elke 2 maanden een andere hulpverlener, malafide bewindvoerders, instanties die fouten maken etc. Het is de bedoeling dat schuldhulp je hèlpt. En om met mevrouw Schruer te spreken je geen stenen voor brood verkoopt.


woensdag, 25 augustus 2010

Robert Giesberts

Robert Giesberts

Hulde aan KB

In wijken, klöpping, kranten, pvv, hoop, bibliotheek, gedoe, internet, macht, en meer.


Curieus dat gedoe rond het op internet toegankelijk maken van 60 jaar oude kranten. Koninklijke Bibliotheek heeft vandaag de enige juiste stap gezet: voor breed publiek toegang verschaffen. Is dan met de PVV (bijna) aan de macht, opeens vanalles als haatzaaien vogelvrij verklaard? Eerder koester ik de (ijdele, ik weet het) hoop dat studie van de kranten inzicht geeft in de risico’s van de bedorven atmosfeer die PVV creëert.
Ik vind de aarzelende tot afwijzing neigende opstelling van Justitie onverteerbaar. Daar spreekt angst uit en een gering vertrouwen in de rechtsstaat; die kan wel tegen een stootje, tegen groepjes die eventueel dit materiaal misbruiken. Vrije toegang tot zeer relevante en belangrijke informatie is in deze veel en veel belangrijker. Onlangs bepleitte Alexander Klöpping het transparant maken van alle overheidsinformatie om alle expertise in de samenleving de kans te geven tot betere inzichten en ideeën te komen. Een goed pleidooi, vind ik dat. Hetzelfde geldt voor ons verleden. KB is goed bezig: hulde!

Aantal berichten op deze pagina: 29. De berichten op deze pagina zijn niet ouder dan 12517 uur (521,5 dagen). Berichtgemiddelde: 0,1 bericht per dag, 0,4 per week.

Volgende pagina

Pagina: 1 2