vrijdag, 3 februari 2012

Arno Uijlenhoet

Arno Uijlenhoet

Twitter

Rotterdam: hoe zien jullie je rol als partijvoorzitter?

In De Machinist, een trefpunt van creatief Rotterdam, stelden niet alleen Heleen en ik ons aan de GroenLinks afdeling Rotterdam voor, maar ook de kandidaten bestuurslid publiciteit en campagnes, Nienke Homan en Matthijs Nieuwenhuis. Het was een gesprek waarbij de leden wilden weten hoe wij als kandidaten aankijken tegen GroenLinks Rotterdam, maar bovenal tegen onze rollen als voorzitter en campagnebestuurslid.

In Rotterdam is GroenLinks relatief klein in vergelijking met andere grote steden, zoals Amsterdam, Nijmegen en Groningen. Het gevoel bestaat dat er daardoor niet zo naar Rotterdam gekeken wordt. Wat mij betreft ten onrechte. Juist de leefbaarheidsdiscussie die in Rotterdam sterk is, maar ook de positie van de haven in onze economie, zijn belangrijke aanknopingspunten voor GroenLinks om verschil te laten zien. Leefbaarheid is een thema dat de kern raakt van ons verhaal. Het gaat over het verbinden van mensen met verschillende achtergronden, met het versterken van sociale samenhang in wijken en buurten door gebruik te maken van de kracht van mensen. Door rood en groen aan elkaar te verbinden, bijvoorbeeld door het samen met wijkbewoners vergroenen van schoolpleinen en schoonhouden van speelplaatsen. De haven draait voor een belangrijk deel op de fossiele economie. Hier wordt het de kunst om als GroenLinks met de belangrijke spelers in de haven te kijken hoe toch duurzaamheidsslagen te maken zijn. Door afvalstromen te sluiten, meer hernieuwbare energie in te zetten e.d. Ga het gesprek aan.

Als voorzitter wil ik er voor zorgen dat GroenLinks als partij, als vereniging, als beweging beter in positie komt. Dat betekent
in de eerste plaats dat de eventuele onduidelijkheid die er bestaat over de strategische koers van de partij wordt weggenomen. Ik wil vasthouden aan onze hervormingsgezinde koers om zo onze economie te verduurzamen en onze sociale zekerheid rechtvaardig te houden en tegelijkertijd toekomstbestendig te maken. De partijraad zie ik als belangrijkste klankbord om onze koers te toetsen aan veranderend omstandigheden en aan beelden en overtuigingen die leven binnen onze partij. Met de fractie en in het strategisch beraad wil ik onze koers bevestigen. Bij thema’s die raken aan onze koers, onze waarden of identiteit moet er ruimte zijn voor debat en overleg binnen onze vereniging. De fractie heeft de verantwoordelijkheid om tijdig deze thema’s aan te kaarten binnen de partij. In zijn algemeenheid zal ik waar nodig het debat over cruciale thema’s stimuleren en faciliteren. Debat en overleg vind ik uitingen van kracht.

zaterdag, 28 januari 2012

Erik de Graaf

Erik de Graaf

GR

De "ontaarde" danseres

In berlijn kunst, geschiedenis, auto, berlijn, kunst, licht, onderzoek, parijs, tentoonstelling, en meer.

Hoog op haar sokkel staat een naakte danseres van 65 centimeter in een zaal van het Nieuwe Museum in Berlijn. De ogen terneergeslagen, alsof ze nog moet wennen aan het felle licht. De danseres is van messing, maar als ze van vlees en bloed was zou ze ons veel te vertellen hebben.

In 1926 werd ze gemaakt door de beeldhouwster Marg Moll, die in 1884 als Margarethe Häffner in de toen Duitse Elzas werd geboren. Aan het begin van de twintigste eeuw leerde ze schilder Oskar Moll kennen, met wie ze tot na de Tweede Wereldoorlog in Berlijn, Parijs, Wroclaw (het indertijd nog Duitse Breslau) en Düsseldorf woonde. Als beeldhouwster ontwikkelde Marg Moll zich van het realisme tot de abstracte kunst. De kubistische danseres werd in de jaren twintig verkocht aan een museum in Breslau, dat het eerst tentoonstelde en vervolgens in depot bewaarde.

In 1937 en 1938 werd de danseres met 650 andere door de nazi’s in beslag genomen kunstwerken vertoond op de tentoonstelling van Entartete Kunst. Alle tentoongestelde kunstwerken beledigden volgens opperpropagandanazi Goebbels “het Duitse gevoel”. In München trok de tentoonstelling twee miljoen bezoekers, veel meer dan een gelijktijdige expositie van door de nazi’s gepropageerde kunst. Na München was de ontaarde kunst in Berlijn, Wenen en tal van andere Duitse steden te zien. Na afloop van de tournee werden veel kunstwerken aan buitenlandse musea verkocht, in kelders opgeslagen of, als zich geen kopers voordeden, vernietigd.


De danseres van Marg Moll werd opgeslagen in een kelder in het centrum van Berlijn. Een keer werd het beeld daar uitgehaald voor een bijrol in de propagandafilm Venus vor Gericht (1941), die tegen de Entartete Kunst was gericht. In de bommenregens op het centrum van Berlijn aan het einde van de Tweede Wereldoorlog verdween de kelder onder metersdik puin.

De danseres was verdwenen en werd vergeten. Totdat in 2010 bij archeologisch onderzoek bij de bouw van een nieuwe metrolijn bij de Alexanderplatz elf beelden uit een ingestorte kelder werden opgegraven, waaronder Molls danseres. Sinds november 2010 staat ze met tien andere geredde slachtoffers in het 64 jaar na de bombardering heropende Neue Museum.

Erik de Graaf

vrijdag, 27 januari 2012

Gerben Kappert

Gerben Kappert

Linkedin

Stefan Verwey – Titel zoekt boek

Stefan Verwey - Titel zoekt boekStefan Verwey – Titel zoekt boek

Uit de Volkskrant ken ik zijn cartoons al. Altijd de moeite waard, in de boekenbijlage. Twijfel was er dus niet toen ik dit boekje in de opruimingbak tegenkwam. Naast de computer liggend, las ik elke keer tijdens het opstarten een paar cartoons.

Verwey beheerst de kunst die slechts weinigen onder de knie hebben. Met weinig woorden veel zeggen. Peter van Straaten kan het ook. Een plaatje, altijd een prominente plek voor (een) boek(en), een klein stukje tekst en er zit een heel verhaal achter. Het verhaal is duidelijk, maar tegelijkertijd geheel ter eigen interpretatie. Dan ben je volgens mij een groot kunstenaar.

Citaat: “Waarom niet net zoiets als Potter, maar dan helemaal anders” (p.44)

Nummer: 11-026
Titel: Titel zoekt boek
Auteur: Stefan Verwey
Taal: Nederlands
Jaar: 2001
# Pagina’s: 112 (8345)
Categorie: Cartoons
ISBN: 978-90-6169641-4

Meer:
Wikipedia
Auteurspagina bij de Harmonie
Titel zoekt boek bij de Harmonie
Vele cartoons via Google


woensdag, 25 januari 2012

Bart Eigeman

Bart Eigeman

Twitter

Wethouder Bart Eigeman kiest een andere weg

Volgende maand draagt Bart Eigeman het wethouderschap over aan een opvolger. In de raadsvergadering van 24 januari liet hij dit weten. “Ik ben met hart en ziel verbonden aan mensen en de gemeente ’s-Hertogenbosch, maar het is nu tijd om mijzelf te leren kennen in een andere werkkring. Bovendien is het goed ruimte te maken voor een opvolger nu de regeerperiode van dit college nog niet op de helft is.” De fractie van GroenLinks maakt op korte termijn de voordracht van de opvolger van Bart bekend.

Bart weet nog niet wat hij na 28 februari gaat doen. “Tot vandaag heb ik me iedere dag opnieuw helemaal gegeven in dit werk. Elf jaarlang heb ik topsport bedreven, Ik heb even de tijd nodig daarvan los te komen voor ik me in een nieuwe uitdaging stort. Ik blijf wel aan de slag met `mensen uitdagen, inspireren en verbinden’ om het positieve uit zichzelf en hun omgeving te halen.”

Bart kijkt heel positief terug. “Ik ben dankbaar voor het vertrouwen van kiezers én het vertrouwen wat ik van de mensen kreeg die geen GroenLinks stemden. Ik heb de mensen in de stad graag vertegenwoordigd. Met velen uit de stad heb ik de afgelopen jaren mogen samenwerken.

En ik ben optimistisch gestemd: er zijn heel veel mensen die – vaak vrijwillig – zich inzetten om hun leven en dat van anderen een beetje mooier te maken. Er zijn heel veel bedrijven en instellingen die zich inspannen voor onze stad. Politiek hoeft je niet aan politici alleen over te laten. De kunst voor de politici is, de kracht in de samenleving tot bloei te laten komen. En daar blijf ik een bijdrage aan leveren, de komende jaren vanuit een ander gezichtspunt dan de politiek.”

dinsdag, 24 januari 2012

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Toezicht op onderwijskwaliteit

(Inbreng van GroenLinks in het plenaire debat in de Eerste Kamer op 24.01.2012)

Goed onderwijs is essentieel voor onze samenleving. Voor de economie, voor de internationale concurrentieslag, voor het vermogen om antwoorden te vinden op nieuwe vragen, voor diversiteit en emancipatie, voor het welslagen van een plurale samenleving, voor creativiteit en innovatie, voor het waarderen van kunst en natuurschoon, voor gezondheid en lichamelijke ontwikkeling, voor verantwoordelijkheid in de omgang met anderen, andersdenkenden en alles wat leeft, voor wijsheid en het bewaren van waardevolle tradities, voor een kritische houding ten opzichte van die tradities, voor het leven en voor het samenleven.

En daarom is het ook zo belangrijk dat we borgen wat goed onderwijs is. Dat we zorgen dat docenten en scholen in de positie gebracht zijn om dat waar te maken en dat ook externe ogen georganiseerd zijn om kritisch mee te kijken en bij te sturen waar dat nodig is. En daarom hebben we het vandaag over de rol van de inspectie. De fractie van GroenLinks is het met de minister eens dat die rol kan worden bijgesteld, maar heeft vragen bij de criteria wat dan goed onderwijs is.

De belangrijkste verschuiving in het wetsvoorstel is dat het toezicht nu getrapt wordt georganiseerd: een quickscan om te bepalen of er sprake is van kwaliteitsrisico’s en als dat het geval is een grondiger onderzoek dat aansluit bij de formuleringen in de huidige wet. Daarmee wordt de standaardcontrole wat lichter en gaat de inspectie meer uit van het zelfkritisch vermogen van scholen en professionals. Dit sturen op vertrouwen en verminderen van controle spreekt mijn fractie op zichzelf genomen aan. Maar dan moeten er wel concrete handvatten zijn voor het bevorderen van dat zelfkritisch vermogen, en dat leidt tot een aantal vragen.

De eerste vraag die wij aan de regering willen stellen, is hoe het bevorderen van dat zelfkritisch vermogen van scholen en professionals is gewaarborgd. Natuurlijk ligt de verantwoordelijkheid daarvoor bij henzelf, daar zijn het professionele organisaties voor. Maar de waarde van het toezicht is nu juist dat we daar ook waarborgen voor inbouwen. Het weghalen van dit stukje toezicht betekent nog niet dat het zelftoezicht automatisch ontstaat. Welke stimulansen zijn daarvoor ingebouwd? Wordt er bijvoorbeeld ruimte gecreëerd waarin docententeams aan intervisie en zelfsturing doen? En welke aanvullende stappen zet de minister om te zorgen dat scholen en docenten/leerkrachten ook echt zelf en met elkaar de kwaliteit borgen buiten de minimale indicatoren van de standaardcontrole?

De tweede vraag die bij ons leeft, betreft die minimale indicatoren die ook nog eens enkel worden beoordeeld op basis van openbare verantwoordingsinformatie van de instelling. Het jaarlijkse basistoezicht wordt beperkt tot leerresultaten, voortgang van de ontwikkeling van leerlingen en het personeelsbeleid, maar dat laatste alleen als er een medewerker geklaagd heeft. De rest van de kwaliteitsindicatoren komt alleen in beeld bij het nader onderzoek. Dan gaat het bijvoorbeeld over leerstofaanbod, pedagogisch klimaat, leerlingenzorg, examenkwaliteit. Wat bedoelt de minister bij die minimumindicatoren precies met “voortgang van de ontwikkeling van leerlingen”? Is dat hetzelfde als leerresultaten of gaat het ook om vormingsaspecten? Die vraag is voor ons van belang omdat er automatisch een sturende werking uitgaat van de gekozen indicatoren. Als het jaarlijkse toezicht alleen kijkt naar cognitieve kennisoverdracht, dan gaan scholen daar hun energie in steken. Hoe smaller de basis voor het toezicht, des te eenzijdiger is het effect van dat toezicht.

Daarmee kom ik aan onze derde vraag. Het wetsvoorstel heeft het bij de taken van de inspectie steeds over beoordelen en bevorderen. Dat spreekt ons aan. Maar dan valt het wel op dat het beoordelen grondig is uitgewerkt, terwijl aan het bevorderen slechts lippendienst wordt bewezen. De waarde van het toezicht ligt toch ook in het stimuleren en ondersteunen van een kwaliteitscyclus, of anders gezegd, van een formatieve toetsing en niet enkel een summatieve. Op welke wijze krijgt dit bevorderen gestalte bij de nieuwe werkwijze van de inspectie? Moeten we niet constateren dat dit wetsvoorstel feitelijk het bevorderen schrapt en het toezicht reduceert tot beoordelen? De minister schrijft in de memorie van antwoord van 28 november zelfs expliciet dat een adviesrol van de inspectie strijdt met de beoordelingsrol. Dat bevreemdt ons, en we betreuren het dat hiermee een eenvoudig en gewaardeerd adviesinstrument gewoon wordt geschrapt.

Voorzitter, wij stemmen zoals gezegd in met de intentie achter het voorstel om meer te sturen op vertrouwen in de professional en de instelling. Maar juist dan is het van belang om dat ook te ondersteunen door de prikkels de goede kant op te zetten. Minder op afrekenen en meer op stimuleren. Niet eenzijdig op alleen cognitieve leerresultaten maar op een breed kwaliteitsbegrip inclusief vormingsaspecten. En op deze punten willen we graag meer toelichting en precisering van de regering.

Wat betreft de risicogerichte werkwijze van de inspectie hebben we ook een vraag over de stelselverantwoordelijkheid. Het recente SCP-rapport Overheid en Onderwijsbeleid zegt hierover: “De focus op individuele (zeer) zwakke scholen gaat wel ten koste van de aandacht voor ontwikkelingen in de onderwijskwaliteit in het algemeen en voor belangrijke school- en sectoroverstijgende ontwikkelingen.” (403) Dat laatste hoort nog steeds wel bij de taken van de inspectie, maar krijgt in de uitwerking nauwelijks aandacht. Hoe waarborgt de minister dat deze bredere blik op ontwikkelingen in het veld blijft functioneren? Zou de inspectie niet juist een grotere rol moeten spelen in het identificeren van de structurele problemen en tekorten in het onderwijs? En zo nee, hoe wordt dan deze informatie structureel geborgd?

In datzelfde rapport van het SCP wordt overigens geconcludeerd dat de drie publieke belangen in het onderwijs per definitie met elkaar schuren. Toegankelijkheid, kwaliteit en doelmatigheid kunnen niet tegelijkertijd worden gerealiseerd. “De sterke focus op doelmatigheid (1990-1998) leidde tot een geringere toegankelijkheid van het hoger onderwijs. De sterke nadruk op toegankelijkheid die daarop volgde (1998-2007) leidde tot een daling van het niveau (diploma-inflatie). Als reactie op die laatste ontwikkeling ligt het accent sinds 2007 met name op verbetering van de kwaliteit van het onderwijs.” (p. 406) Nu zijn wij een groot voorstander van kwaliteit, maar welke lessen trekt de minister uit deze conclusie van het SCP? Praten we hier over een paar jaar over de afgenomen toegankelijkheid en doelmatigheid? Of neigt het huidige kabinetsbeleid eigenlijk alweer meer naar de doelmatigheid en is het vooral de toegankelijkheid die onder druk zal komen te staan?

Ik betrek bij die toegankelijkheid nog een klein element uit dit wetsvoorstel waarop ook ouderverenigingen gewezen hebben. De vrijwillige ouderbijdrage wordt redactioneel wat anders in de wet gezet dan voorheen. Daarmee vervalt echter de vereiste reductie- en kwijtscheldingsregeling. Voor minvermogende ouders is dat een probleem. Zij hebben geen wettelijke grond meer om een beroep te kunnen doen op zo’n regeling en daardoor lopen hun kinderen het risico dat ze bij een deel van de schoolactiviteiten buitengesloten worden. Dat hoort echter ook bij toegankelijkheid van het onderwijs en is belangrijk om een tweedeling in de samenleving te voorkomen. Welke stappen kan en wil de minister zetten om dit op te lossen zodat kinderen uit deze gezinnen, die het in de huidige crisis toch al zeer moeilijk hebben, in elk geval op school maximaal kunnen participeren?

Voorzitter, ik rond af. Goed onderwijs verdient vertrouwen in de professionals en goed toezicht. We zijn blij met het vertrouwen dat uit dit wetsvoorstel blijkt, maar we hebben wel zorgen over de intensiteit van het toezicht en de breedte van het kwaliteitsbegrip en we hopen dat de minister die zorgen bij ons kan wegnemen.


Jan van der Meer

Jan van der Meer

Hyves Linkedin Twitter

Nieuwjaarstoespraak + afscheid Thom de Graaf

thom_de_graaf1Gisteren hadden we een geslaagde nieuwjaarsreceptie van de gemeente Nijmegen inclusief warm afscheid van burgemeester Thom de Graaf. Namens het college van B&W sprak ik de nieuwjaarsrede uit en bedankte ik Thom de Graaf voor zijn inzet voor Nijmegen in de afgelopen vijf jaar. Dit was mijn toespraak:

Dames en heren,

U bent gewend om vanaf deze plek te worden toegesproken door de burgemeester.
Maar ondanks het feit dat Nijmegen dit jaar, inclusief waarnemer,
maar liefst 3 burgemeesters zal hebben, mag ik hier vandaag met u namens het college terugblikken op 2011 én vooruitkijken.

Dat doe ik als loco-burgemeester, omdat we vandaag niet alleen de nieuwjaarsreceptie voor de stad houden,
maar omdat we tevens afscheid nemen van Thom de Graaf.
Hij blikt straks terug op zijn burgemeesterschap.
Ik neem u kort mee naar het afgelopen jaar en de verwachtingen voor 2012.
En ik zal stil uiteraard staan bij het vertrek van Thom.

Dames en heren,
2011 was een bijzonder jaar.
Het jaar van de Arabische Lente, Occupy, de tsunami in Japan, de wereldwijde financiële crisis en de geboorte van de 7 miljardste burger.

Gebeurtenissen die vrijwel allemaal ook in onze stad voelbaar waren.
Ook de Nijmeegse bevolking groeide.
We passeerden voor het eerst de grens van 165.000 en blijven voorlopig doorgroeien.
Dat is goed nieuws voor de stad, 
hoewel het feit dat we nog steeds een vrouwenoverschot hebben voor sommige twitterende raadsleden nog belangrijker leek.
En een journalist wil graag dat we dit gegeven – dat we meer vrouwen dan mannen hebben in onze stad - inzetten voor onze citymarketing.

Higashimatsuyama – daar heb ik op moeten oefenen - de Japanse stad waarmee we al enkele decennia een vriendschapsband hebben,
voelde - gelukkig slechts in beperkte mate - de gevolgen van de tsunami. 
En Nijmegen heeft natuurlijk zijn eigen Occupy-afdeling.
Hoewel overvloedige regen en kou ervoor hebben gezorgd dat het Valkhofpark niet meer occupied is.

Onze stad kende weer vele hoogtepunten.
Te beginnen met één van onze stadsiconen - de Waalbrug - bestond 75 jaar.
We hadden weer een prachtige editie van de Vierdaagse
Al was het maar omdat ik voor het eerst meedeed – en uitliep; 4×50 kilometer!

Kinderarts Jos Draaisma werd voor het tweede jaar op rij uitgeroepen tot beste kinderarts van Nederland. 
Stichting Whaa kreeg van prinses Máxima een Appeltje van Oranje voor hun project Shake-It Academy.
De beste en mooiste tweewielerzaak ligt in onze stad.

Het Groene Hert werd genomineerd als beste duurzame project in Nederland
en we hebben de beste biologische slagerij in de stad en de duurzaamste kinderopvang
Deze 3 vermeldingen heb ik zelf maar aan het lijstje toegevoegd - want nu ik deze toespraak mag houden grijp ik als wethouder voor duurzaamheid natuurlijk mijn kans.

De in Nijmegen opgerichte band Go Back to the Zoo won de 3FM Award voor ‘beste band’.
De Nijmeegse organist Dirk Luijmes kreeg een Klassieke Edison.
Han Mertens van het Stedelijk Gymnasium won de Nationale Biologie Olympiade.
Het toekomstige stadseiland verdiende in New York de prestigieuze Waterfront Center Award.
En Nijmegen is, net als vorig jaar, de goedkoopste terrasstad.
We hebben er onlangs ook nog gratis parkeren aan toegevoegd.
Zo, dat was een hele waslijst aan hoogtepunten.

Maar er waren helaas ook dieptepunten:
zoals het absurde geweld rond NEC-Vitesse begin vorig jaar.
Wat een groot contrast met de vreugde van gisteren.
NEC boekte een fantastischte historische overwinning tegen Vitesse
In Arnhem!
Maar we hadden het over dieptepunten in 2011.

Zoals ook de ontslagen bij NXP of de laffe overvallen op inwoners en hardwerkende ondernemers.
Met als meest trieste voorbeeld de overval op juwelier Kamerbeek.

Ook de financiële crisis trof onze stad.
Het afgelopen jaar was in financieel opzicht een turbulent jaar.
Niemand ontsnapte aan de financieel moeilijke omstandigheden.
Faillissementen, ontslagen, onverkoopbare huizen, minder gesubsidieerde banen,
ook onze stad werd ermee geconfronteerd. 
We hadden problemen met onze grondexploitaties in Waalsprong en Waalfront.
De rente drukt daar zwaar op de aangegane leningen.
Wat dat betreft kunnen Hannie Kunst, Bert Jeene en ikzelf ook wel met een tentje op het Valkhofpark gaan staan
Bij Occupy.
En het zwaar weer zal helaas aanhouden.
Wij staan opnieuw voor een jaar waarin het voor velen niet gemakkelijk zal zijn, zelfs niet in onze relatief goed draaiende stad.

Toch is er ook alle reden om niet bij de pakken neer te zitten.
Zoals ik al zei, onze stad groeit.
Volgens onderzoekers stijgt ons inwonertal, als een van de weinige steden in Nederland, in de komende 15 jaar fors.
Die groei zorgt voor de dynamiek die een stad nodig heeft.
Het is ook een teken dat Nijmegen nog steeds aantrekkelijk is om in te wonen en te werken.
Dat bleek ook afgelopen jaar toen Nijmegen werd gekozen tot een van de groenste steden in Nederland en we dik in de top 10 van meest aantrekkelijke woonsteden eindigden.
We zijn een aantrekkelijke woonstad voor iedereen en in het bijzonder voor vrijgezellen die op zoek zijn naar een vrouw
Hier heb je die nieuwe citymarketing.

De stad staat dus niet stil en dat biedt perspectief.
Kijk ook maar naar de hijskranen in onze stad.
Het lijken er meer dan ooit.
Plein `44 is in aanbouw,
de contouren van stadsbrug De Oversteek zijn al goed zichtbaar,
de dijkverlegging en het daarbij horende stadseiland gaan echt van start
en ondanks de crisis worden er het komend jaar zo’n 1200 nieuwe woningen opgeleverd.

Van essentieel belang was ook dat Nijmegen als kennisstad van zich blijft spreken.
Bijvoorbeeld met de Spinozapremie voor astronoom Heino Falcke.
En nationale zorgheld 2011 Bas Bloem.
Dhr Bloem is ook een van de kandidaten voor Nijmegenaar van hat jaar.
De Radboud Universiteit werd door studenten gekozen tot de beste van Nederland
Synthon opende een state-of-the-art laboratorium voor biotechnologie
en Heinz bouwt bij de toekomstige Novio Tech Campus aan zijn grootste innovatiecentrum buiten de Verenigde Staten.
Bovendien hebben we landelijk gezien één van de hoogst opgeleide beroepsbevolkingen en zijn we een topstad als het gaat om banen per vierkante kilometer.  

Alle reden dus om te blijven investeren in de toekomst van onze gemeente,
ook al worden we geconfronteerd met de grootste financiële en beleidsmatige uitdagingen van de afgelopen decennia.
De gemeente blijft dan ook investeren in een sociale stad,
in een economisch sterke stad
en in een duurzame groene stad.
Maar we doen en kúnnen dat niet alleen.
Dat kon niet voor de crisis, maar zeker niet tijdens de crisis.
We moeten het dus samen doen.
Samen met bedrijven, kennis- en gezondheidsinstellingen, regionale samenwerkingsverbanden en met de inwoners van onze mooie stad.

In het Nederland van het ‘Doe eens normaal man’ van Rutte en Wilders, is er soms weinig ruimte voor nuance en gezamenlijke oplossingen.
Maar zwart-wit denken en het uitvergroten van tegenstellingen brengen ons niet verder.
Verbindingen zoeken, dat is waar het de komende jaren om draait, constateerde Thom de Graaf vorig jaar al terecht.

2012 is het jaar waarin we die verbindingen verder moeten versterken.
Ja, er moet een groter beroep worden gedaan op de eigen verantwoordelijkheid van alle Nijmegenaren. 
En ja, er moeten lastige keuzes worden gemaakt.
Toch hebben wij daar als stadsbestuur vertrouwen in. 
Nijmegenaren zijn eigenwijs, creatief, ondernemend, veerkrachtig én ze leggen de verbinding.
Of het nou ondernemers zijn die elkaar met een gastoeter alarmeren bij een overval
of Dukenburgers die samen dromen over hun stadsdeel.
Nijmegen puilt uit van de creatieve, goede, vernieuwende ideeën en initiatieven die de stad beter en mooier maken.
Ik wens iedereen dan ook een prachtig jaar toe. 

Alles overziend gaat het ondanks alles best goed met Nijmegen.
En degene die dit de afgelopen vijf jaar onophoudelijk en onvermoeibaar heeft uitgedragen, is…… Thom de Graaf
Thom was een ware promotor van onze stad.
En mede dankzij hem zijn de Nijmegenaren trotser dan ooit op hun stad
Maar aan alles komt een eind;
zo ook aan het burgemeesterschap van Thom.

Toen Thom burgemeester werd in 2007, trad hij in de voetsporen van zijn vader.
Een mooi gegeven; en telkens als Thom in de afgelopen vijf jaar naar zijn werkkamer ging, liep hij langs een portret van zijn vader.
De vrijzinnige sociaalliberaal keek dan naar de strenge ietwat regenteske KVP’er.
Een wereld van verschil.
Thom zal het wel van zijn moeder hebben, denk ik dan.

Thom was de eerste burgemeester van Nijmegen die door de raad werd gekozen uit een voordracht van twee personen.
Hij had natuurlijk liever gehad dat hij de eerste door het volk gekozen burgemeester had kunnen worden.
Maar ja, die beruchte nacht, he……

Toen Thom aantrad, viel hem meteen op hoe groot het cultuurverschil is tussen het deftige Den Haag en het volkse Nijmegen. 
Nijmegen kent een horizontale structuur waar weinig ontzag is voor gezag – iedereen is gelijk.
Zo liep hij in de eerste dagen van zijn burgemeesterschap met een agent door een wijk.
Thom vroeg beleefd aan deze wijkagent: Hoe lang doet U dit werk al?
Ach, zegt de agent: Zeg maar JE, Thom!
Dat typeert onze stad en daar heeft Thom hartelijk om moeten lachen

De connectie met Den Haag is al die jaren wel gebleven.
Thom deed er eerlijk gezegd ook niet veel aan om dat te verbloemen.
Denk aan zijn verkiezing tot Eerste Kamerlid.
En bovendien was zijn Haagse connectie overduidelijk in het belang van de stad, dus waarom zou je dat dan moeten verbloemen?
Zo heeft hij meerdere malen aandacht gevraagd voor Nijmeegse problemen en belangen bij bewindslieden en Kamerleden.

Bij Thom was er ook altijd de oprechte liefde voor Nijmegen.
Even wat harde cijfers en gegevens:
In de afgelopen vijf jaar was hij bij meer dan 800 publieke optredens en werkbezoeken in de stad.
Hij organiseerde etentjes met gewone Nijmegenaren om met ze te praten over wat hen bezighield in de stad.
Hij initieerde de verkiezing van de Nijmegenaar van het Jaar en zometeen zetten we weer zo’n kanjer in de spotlights.
Thom zorgde weer voor rust in sommige wijken door straatcoaches aan te stellen
Hij initieerde de Vrede van Nijmegen Penning met dit jaar Umberto Eco als laureaat.
En hij vertegenwoordigde Nijmegen met verve in onder meer de Euregio, de Veiligheidsregio en het Kennisstedennetwerk.

Dames en heren, Thom heeft veel gedaan voor de stad.
Dat moet haast wel de reden zijn dat er maar 9 kandidaten het aandurven om in zijn voetsporen te treden.

Thom de Graaf benadrukt regelmatig dat hij continuïteit belangrijker vindt dan snel scoren of politiek bedrijven.
Een burgemeester moet, volgens hem, vooral boven de partijen staan, een goede voorzitter van raad en college zijn.
Hij moet verbinden, de rechtstatelijkheid en de grondrechten van inwoners beschermen.
“Ik ben geen straattijger, geen zeepkistburgemeester.
Ik ben meer een type Job Cohen, dan een type Gerd Leers”, zei hij zelf ooit in een interview.
Waarschijnlijk zou hij op dit moment zichzelf met geen van tweeën willen vergelijken
Maar het beeld is duidelijk.
Een goede bestuurder.
Niet koste wat kost zich willen profileren; maar er zijn wanneer dat nodig is.
Behulpzaam in het college en gemeenteraad en actief in de stad waar dat maar wenselijk was.
Kritiek, dat hij desondanks geen warme burgervader zou zijn, deed hem wel eens pijn.

En het klopt ook niet.
Thom de Graaf stimuleerde als geen ander het ‘trots op Nijmegen-gevoel’.
Nijmegen is landelijk veel pregnanter in beeld gekomen.
Als dynamische stad en grote stad, voorloper op tal van terreinen.
Altijd Nijmegen, Nijmegen kennisstad, Oudste stad van het land.
Thom de Graaf heeft er hard aan gewerkt om dat gevoel te versterken: buiten de stad en in de stad.
Dat is belangrijk voor het profiel van Nijmegen, maar zeker zo belangrijk is dat Nijmegenaren het zelf ook echt meer zijn gaan voelen.

We zijn trots op het bijzondere karakter van Nijmegen,
Trots op de historie,
onze befaamde onderwijs- en onderzoeksinstellingen,
hoogwaardige gezondheidszorg,
en wereldtoppers op het gebied van wetenschap.
En we zijn trots op baanbrekende Waalprojecten. 

Thom haalde tevens de banden aan met de hoger-onderwijsinstellingen.
Rector Magnificus Bas Kortmann noemt hem niet voor niets de postillion d’amour;
de liefdesboodschapper van het hoger onderwijs in Nijmegen.
Die liefdesboodschapper was hij in vele opzichten voor de stad en die zal hij ongetwijfeld ook blijven.
Want, dames en heren, Thom en zijn lieve vrouw Machteld blijven hier gewoon wonen.
Kortom, ze zijn echte Nijmegenaren en dat blijven ze.

Thom is Guusje ter Horst opgevolgd als burgemeester en hij volgt nu Guusje weer op als voorzitter van de HBO-raad.
Overigens is het maar goed dat Guusje hem nu niet opvolgt als waarnemend burgemeester.
Want dan hadden we hier in Nijmegen een heus Poetin-Medvedevje gedaan.

Beste Thom, straks zul je zelf nog spreken en pas echt afscheid nemen.
Maar ik zeg nu al namens het gemeentebestuur én namens de bevolking van Nijmegen ‘bedankt!’.
Bedankt voor je inzet,
Bedankt voor je steun in het college.
En bedankt voor je liefde voor Nijmegen.
Ik hoop dat je nog lang ambassadeur voor onze mooie stad zult blijven!
Waar ook ter wereld, en zeker in Den Haag.
Thom – bedankt!

vrijdag, 20 januari 2012

Patrick Rijke

Patrick Rijke

Linkedin Twitter GR

Drie keer links

Zaterdag 14 januari openden de drie linkse partijen gezamenlijk het jaar. GroenLinks, PvdA en SP willen alle drie ‘een ander Nederland’. We willen samen “slim, solidair en ‘groen’ investeren” in ons land om de crisis te bestrijden.
Juist onder het meest rechtse kabinet sinds Van Agt-Wiegel ligt het voor de hand om alle linkerhanden ineen te slaan. Samen staan we sterk en zo. Hoe ver moet zulke samenwerking nou gaan? Eén sterk links alternatief lijkt aanlokkelijk. En er is veel voor te zeggen. Maar is het tactisch wel handig?

Eerst maar eens wat er allemaal vóór te zeggen valt. De drie partijen die zichzelf gewoon links durven te noemen lijken elkaar in elk geval prachtig aan te vullen.
De SP spreekt de taal van de gewone mensen, niet alleen van de Nederlanders die spreekwoordelijk hard werken, maar zeker ook van de mensen die van een uitkering rond moeten komen. SP-ers klagen steen en been over alles wat er mis is en mis gaat in de samenleving en verwoorden daarmee precies hoe veel mensen erover denken. PVV-stemmers die hun hersenen gebruiken, zien dat de partij van hun eerdere keuze hen nu naait met de miljardenbezuinigingen die ze beginnen te voelen en stappen over naar de SP.
De PvdA heeft meer dan de andere twee de regenten in de gelederen die het land, de provincie of de stad kunnen besturen op grond van hun kennis en ervaring. De term ‘regent’ bedoel ik in dit verband uitdrukkelijk niet pejoratief. Oorspronkelijk zijn regenten immers de eerste bestuurders die hun positie niet bekleedden op grond van hun afkomst, maar op basis van hun verdienste. In een meritocratie zitten veel van de PvdA-bestuurders volkomen terecht op het pluche. Hun taal spreekt de kiezers wel niet meer zo aan, maar is wel de taal waarmee je de dingen gedaan krijgt.
En GroenLinks ten slotte is de ideeënpartij zonder macht die het meest op een ‘volhoudbare’ toekomst is gericht. Wij kunnen op links de nuance inbrengen, de horizon verleggen, creatieve ideeën aandragen en de multiculturele samenleving verdedigen. Wij spreken het nadenkende deel der natie aan. Als we heel erg ons best doen misschien ook nog wel de activisten en de anarchisten en de pacifisten voor zover ze zich niet allang moedeloos van de parlementaire democratie hebben afgewend.

Tussen haakjes. Op landelijk niveau is een nieuwe linkse eenheid zelfs een uitkomst voor de drie huidige politieke leiders. Roemer is de gedroomde voorman in de campagne, die de rechtse drammers en bezuinigingsbulldozers alle hoeken van de Kamer laat zien. Cohen komt ongetwijfeld veel beter tot zijn recht als minister-president dan als parlementariër. En wij zijn verlost van stuntelende stekkerdoosstukjes.

Het is echter niet moeilijk om de problemen binnen de linkse drie-eenheid te zien aankomen, zeker als het sentiment ‘anti-rechts’ zijn centripetale kracht op den duur verliest. Want als de SP bijvoorbeeld zegt wat mensen erover denken, betekent dat: ‘de hoge heren zorgen alleen maar goed voor zichzelf’ en ze bedoelen daarmee nou precies de bestuurders waar de PvdA hetzelfde patent op heeft als het CDA.
Die PvdA-bestuurders zijn in Zwolle bijvoorbeeld niet te beroerd om in een college met de VVD en het CDA (en de ChristenUnie trouwens) te schipperen om de ‘kille bezuinigingen’ (Cohen, Roemer en Sap) van het kabinet te verstouwen. Zij bezuinigen lekker op de voorzieningen die de last voor de zwakkere schouders in onze stad nog een beetje dragelijk maakten, maar willen niet eens nadenken over een kleine lastenverzwaring voor de Zwolse huizenbezitters.
GroenLinks zal overigens in een constellatie terecht komen waarin duurzaamheid vooral geweldig is omdat (of in het ergste geval: alleen maar als) het geld oplevert, kunst omdat het de economie stimuleert en multiculti omdat het werk toch door íemand gedaan zal moeten worden.

Ik zie een doorslaggevende reden om de samenwerking beslist niet te laten, maar vooral niet te ver te voeren. Die reden is van tactische aard, ik geef het toe. Want principieel zijn de onderlinge verschillen op links natuurlijk kleiner dan de kloof met rechts (ik blijf maar even via de links-rechts-lijn redeneren om dit verhaal niet te gecompliceerd te maken, al ken ik natuurlijk ook de kwadranten en de hoefijzers die de politieke werkelijkheid wel wat beter of in elk geval genuanceerder verbeelden en bijvoorbeeld laten zien dat D66 en VVD op sommige terreinen dichter bij GroenLinks staan dan de SP).

In de media-democratie waarin we ons nu eenmaal bevinden, krijgen drie partijen grosso modo drie keer zo veel aandacht als één partij. Die vuistregel gaat niet in alle opzichten op, maar bijvoorbeeld bij het grote ‘lijsttrekkersdebat’ heb je meer inbreng als er drie linkse partijleiders hun geluid mogen laten horen dan wanneer we maar met ééntje vertegenwoordigd zijn.
En zoals je christelijk-rechts, ondernemers-rechts en dom-rechts hebt, kun je maar beter ook alle toonaarden van het linker orkest laten horen. Want in de werkelijkheid waarin de kiezer leeft op het moment waarop hij in het stemhokje staat, kan een CDA-er zomaar vertrouwen krijgen in de PvdA-voorman, een PVV-er zijn hoop stellen op de SP en een VVD-er zomaar kiezen voor een duurzame variant van het liberalisme.

Drie keer links is dus gewoon meer dan één keer links.


Margreet de Boer

Margreet de Boer

Hyves Linkedin Twitter

Er zijn

In achterban, amsterdam, burger, dwars, eerste, friesland, grienlinks, groenlinks, groningen, en meer.
Een belangrijke taak voor een politicus is er zijn. Je moet natuurlijk aanwezig zijn bij de vergaderingen van het orgaan waarin je gekozen bent. Daarnaast moet je acte de présence geven bij je achterban, in de media en bij allerlei organisaties die van belang zijn voor je partij of politieke standpunten.
Soms lijkt het wel of deze aanwezigheid belangrijker is dan het inhoudelijke politieke werk dat je doet. Zo worden politici in de media regelmatig afgerekend op het aantal vergaderingen dat ze hebben gemist, en veel minder op de kwaliteit en effectiviteit van hun daadwerkelijke inbreng.
De roep om aanwezigheid levert voor politici regelmatig dilemma's op. Natuurlijk ben je er bij stemmingen, en bij de vergaderingen die er toe doen. Uitnodigingen om aanwezigheid elders moeten echter wedijveren met het lezen van stukken, het nadenken over en formuleren van vragen, visie en standpunten, het overleggen met mensen die input kunnen geven, en het beroep dat op je wordt gedaan door familie en vrienden, en - voor parttime politici als raadsleden en Eerste Kamerleden- je andere werk.
De kunst is om daar te zijn waar het er toe doet, en er ook te zijn zonder dat je fysiek aanwezig bent.

Waar het er toe doet is voor mij vooral daar waar het politiek strategisch van belang is om een goed netwerk te onderhouden, en bij je achterban; de mensen die je hebben gekozen. Om die reden zal ik blijven proberen om naast de grote landelijke GroenLinks bijeenkomsten regelmatig bijeenkomsten van mijn afdeling, het FemNet en de provincies Groningen en Friesland (waarvoor ik vanuit de EK-fractie contactpersoon ben) te bezoeken. Op dit moment lukt dat goed: vorige week was ik bij de nieuwjaarsbijeenkomst van GrienLinks (Friesland), vanmiddag bij de borrel van Amsterdam-West en morgen bij het quota-debat van FemNet en Dwars.
Verder ga ik wel naar een lezing van de Raad voor de Rechtspraak; maar niet naar een diner van de Goede Doelen loterij. Af en toe naar debatten van maatschappelijke organisaties of studentenverenigingen, maar lang niet zo vaak als ik word uitgenodigd. Er moeten immers ook stukken gelezen en inbrengen geschreven worden.

Er zijn is echter meer dan fysieke aanwezigheid. Er zijn is ook: aandacht hebben en benaderbaar zijn. Dat probeer ik zoveel mogelijk te doen en te zijn. Niet door iedere e-mail van iedere ontevreden burger te beantwoorden; wel door in te gaan op meer politieke vragen en suggesties op de onderwerpen die in mijn portefeuille zitten.

Beschikbare tijd zal altijd een belemmering blijven, maar ik probeer er te zijn. Ik ben in ieder geval hier: mdeboer@groenlinks.nl en op twitter: @margreetdeboer. Voor al uw uitnodigingen, vragen en suggesties, die ik in ieder geval zal lezen, en waar ik mogelijk op in zal gaan.

donderdag, 19 januari 2012

Saskia van der Werff

Saskia van der Werff

Twitter

Uitgedaagde sukkel! #WOT 3

Mijn hond Valentino beheerst de kunst van het uitdagen tot in de puntjes van zijn pootjes. Met zo’n schattig scheef koppie kijken, zijn frisbee naast me op de grond leggen,  zijn neus voorzichtig tegen mijn been duwen, luidruchtig gelukkig zijn als mijn auto richting bos afslaat….. En ik ben zo’n sukkel die daar op ingaat. Eigenlijk tegen beter in, want de wetten van de Mechelse herder staan als een rode vlag in mijn geheugen gegrift. Maar wat doe ik als ik geconfronteerd wordt met regel 10 “Als ik iets aan stukken scheur, zijn alle stukjes van mij’? Ik kan mijn lachen niet inhouden. Met mijn lachen daag ik Valentino nog meer uit en vele stukjes plastic vliegen om mijn hoofd. Beiden breed lachend! Waarom toch laat ik me door een hond uitdagen?
      Deze vraag prikkelt mij op zoek te gaan naar de kracht van het uitdagen.  Wat doet Valentino toch zo goed? Waarom val ik als een sukkel voor zijn geblaf, gepiep, gekwispel, gestaar? Omdat hij mij in mijn hart raakt, en mijn hart laat zich makkelijk verleiden. Maar wil dit dan zeggen dat als iemand mij niet in mijn hart raakt, een uitdager geen voet aan de grond krijgt? Er zijn meerdere manieren om iemand uit te dagen naast verleiding. Humor kan dat ook. Ik weet niet precies waar humor mij raakt, maar de lach bevrijdt en prikkelt tegelijkertijd. Een klein grapje ter illustratie:

“Een multinationale onderneming zoekt per advertentie een secretaresse. Een mechelse herder solliciteert, komt door de typetekst en krijgt een gesprek. ‘Spreekt u ook een of andere buitenlandse taal?’ vraagt de personeelschef. ‘Miauw’ antwoordt de hond.” (uit Plato en zijn kornuiten van Cathcart&Klein)
      Wat dit grapje voor mij zo interessant maakt is de eenvoudige vermenging van werkelijkheid en fictie. Iedereen weet dat honden niet kunnen typen, noch miauwen, en zeker geen personeelsadvertenties kunnen lezen. Toch daagt een grapje uit. Het kan het begin zijn van een ‘Wat als…..’. gedachte-experiment. Dit grapje is voor mij interessant omdat het veel overeenkomsten vertoont met de filosofie. Zowel het grapje als filosofie zijn erop gericht ons in verwarring te brengen. Wat voor de moppentapper de clou is, is voor de filosoof inzicht. En daarom houd ik zo van filosofie: het daagt mijn geest uit paden te bewandelen waar ik niet eerder ben geweest. Mag ik je uitdagen: wandel met mij mee in de wereld van de sukkels!
 

Mijn hond Valentino leeft regel 10 na
* #WOT Write On Thursday. Dat is waar #WOT voor staat. Een initiatief van Karin Ramaker. Iedere donderdag presenteert zij een woord waarmee vele bloggers aan de slag gaan. Deze week het woord "Uitdagen".

maandag, 9 januari 2012

Alicia Hobbel

Alicia Hobbel

Hyves Twitter

Goed voornemen 1: meer lezen

Na het verslagje over het toch wel enigszins bedroevende aantal boeken dat ik vorig jaar gelezen heb, wordt het tijd om mezelf eens aan het werk te zetten. Ik geloof niet in wonderen, dus ik ga mezelf niet vragen een boek per week te lezen. Nee, ik ga mezelf voor de verandering eens een haalbaar doel stellen. Vijfentwintig boeken. Concreet maken schijnt ook te helpen, dus here goes:

  1. Inheritance – Christopher Paolini. Omdat ik er al in bezig ben, en omdat ik de serie graag wil uitlezen.
  2. The Tiger’s Wife – Tea Obreht. Ik heb veel positiefs gelezen over dit boek waarvan ik eigenlijk niet eens precies weet waar het over gaat. Ja, iets met Joegslavië en een tijger.
  3. Step across this line – Salman Rushdie. Non-fictie waar ik al een groot deel van heb gelezen, verzameling essays en artikelen waarvan ik om een of andere onverklaarbare reden nooit het eind heb gehaald, en dat terwijl ik Rushdie echt een genie vind. (Al was het alleen maar vanwege zijn zinnen tussen haakjes.)
  4. Conversations with Salman Rushdie – Ed. Michael R. Reder. Ik heb het staan, en als ik toch in mijn Rushdie-fase zit kan ik er net zo goed even in blijven hangen.
  5. A New World Order – Caryl Phillips. Omdat ik The Nature of Blood een heel goed boek vond en benieuwd ben naar wat Phillips te zeggen heeft over het werk van anderen.
  6. The Post-colonial Exotic. Marketing the Margins. – Graham Huggan. Heeft mijn denken over de wereld zelfs veranderd terwijl ik alleen de eerste helft gelezen heb. Misschien wordt het eens tijd voor de tweede helft.
  7. Van de Straat naar de Staat - Red. Lucardie & Voerman. Had ik natuurlijk allang gelezen moeten hebben, zoals iedere goede GroenLinkser.
  8. Moral Politics. How liberals and conservatives think. – Omdat Don’t think of an elephant eigenlijk de Moral Politics voor dummies is.
  9. The Assault on Reason. How the Politics of Fear, Secrecy and Blind Faith Subvert Wise Decision-Making, Degrade Democracy and Imperil America and the World - Al Gore. Al was het alleen maar omdat het een van de langste ondertitels heeft van alle boeken in mijn kasten.
  10. Either/Or. A Fragment of Life. - S. Kierkegaard. Existentialisme trekt me. Als dit bevalt, schrap ik misschien wel wat dingen van deze lijst ten gunste van meer deprimerende boeken over hoe het leven geen zin heeft.
  11. A Glossary of Literary Terms - Ed. M.H. Abrams. Ik ben veel te veel vergeten van mijn studie en merk dat ik soms minder goed onder woorden kan brengen wat ik zie in een boek, en ook dat ik het minder scherp kan analyseren dan eerst. Tijd om weer even op te frissen.
  12. The Idea of the Postmodern. A History. – Hans Bertens. Staat al veel te lang ongelezen in mijn kast en wil ik ook lezen om dezelfde reden als nummer 11. Er weer een beetje in komen.
  13. Regeneration - Pat Barker. Me ooit aangeraden door iemand, maar staat er maar te staan.
  14. Diary of a Good Year – J.M. Coetzee. Ik ben een groot liefhebber van zijn werk en ik heb het grootste deel ervan gelezen, maar dit nog niet.
  15. Summertime - J.M. Coetzee. Idem.
  16. Broken Verses - Kamila Shamsie. Omdat ik Kartography, van dezelfde auteur, met veel plezier gelezen heb.
  17. De Avonden - Gerard Reve. Ik ben er in bezig en het wil niet erg vlotten, maar ik vind dat het toch wel moet.
  18. A Short History of Tractors in Ukranian. - Marina Lewycka. Zonder goede reden. Het klonk amusant.
  19. The Crying of Lot 49 - Thomas Pynchon. Ik heb mijn schooljaren vlot doorlopen en omdat ik vergeleken met anderen dus erg jong was, heb ik nogal eens het gevoel dat ik misschien wel veel geleerd heb, maar er weinig van begrepen. Dit boekje heb ik volgens mij in het eerste jaar van mijn studie al moeten lezen en ik heb er weinig van begrepen – zoveel had ik toen ook al door. Vorig jaar deed ik een poging het opnieuw te lezen, maar het leest niet soepel en vanwege de negatieve herinnering staat het me tegen. Maar het moet en zal.
  20. A History of Reading - Alberto Manguel. Door de jaren heb ik dit boek meerdere malen horen noemen door mensen en toevallig kwam ik het pas voordelig tegen. Ik kon het niet laten liggen.
  21. True Brits. A Tour of 21st Century Britain in all its Bog-Snorkelling, Gurning and Cheese-Rolling Glory. - J.R. Daeschner. Ooit eens aan begonnen, halverwege gestrand. (Ik maak altijd af waar…). Hoe dan ook, het is redelijk geniaal omdat het gaat over bizarre ‘sporten’. Het is een beetje in de categorie reisboeken van Bryson, maar dan met een paar biertjes extra.
  22. A Short History of Nearly Everything – Bill Bryson. Misschien wordt het nog wat met me als ik dat lees.  Misschien win ik dan zelfs nog een keer een slechte tv-quiz.
  23. The Satanic Verses - Salman Rushdie. Eigenlijk doe ik niet aan hypes, maar hij is ondertussen wel een beetje overgewaaid. Toch maar eens lezen. 
  24. Timequake – Kurt Vonnegut. Vonnegut heeft rare humor, daar hou ik wel van. Na Cat’s Cradle, Slaughterhouse-5, Slapstick or Lonesome no more en A Man without a Country wordt het tijd om het laatste ongelezen boek van Vonnegut in mijn kast eens te lezen. (En dan natuurlijk weer andere boeken van ‘m kopen).
  25. De waarheid houdt van vrolijke gezichten - Marijke Höweler. Ook weer zo’n boek wat ik maar half… Ook omdat ik het niet leuk vond, in tegenstelling tot Höwelers Dagen als gras en vooral Van geluk gesproken, dat ik iedereen van harte aanraad. Maar toch moet ook dit boek echt een keer uit.

Een van de problemen die ik heb bij het lezen, is dat als ik een boek uit heb en weer een nieuw boek moet kiezen om op te pakken, ik niet kan kiezen. En zo eindig ik dan halverwege in vier boeken tegelijk. Staat mijn kast op een gegeven moment weer vol boeken met boekenleggers halverwege, geen gezicht. En alles voor niets gelezen, want als je verder wilt gaan weet je niet meer wat er in de eerste helft gebeurd is en kun je weer opnieuw beginnen.

Hopelijk helpt deze lijst, nu ik al heb bedacht wat ik wil lezen. Kan ik hooguit nog in vijfentwintig boeken tegelijk beginnen.


vrijdag, 23 december 2011

Arno Uijlenhoet

Arno Uijlenhoet

Twitter

De beste wensen voor 2012!

Hoewel de media ons anders willen doen geloven (zie bijvoorbeeld het Volkskrant-artikel van zaterdag 17 december j.l.), biedt de links-rechts retoriek wat mij betreft geen oplossing voor de burger in deze tijden van economische en politieke crisis. Terecht stelt Hans Schnitzler (publicist en filosoof) deze week in De Volkskrant (21 december j.l.) dat het krampachtige gevecht tussen de linksmens en de rechtsmens een schijn- en achterhoede gevecht is. Het getuigt van een vergane reflex om in tijden van onzekerheid terug te grijpen op bestaande wereldbeelden.

Schnitzler ziet een spanning tussen mondiale vraagstukken en lokale belangen. Ik kan me daar een heel eind in vinden. Toch heb ik het gevoel dat ook die dichotomie gebaseerd is op een oud ‘frame’. De bekende tegenstelling tussen een kosmopolitische versus een provinciale levenshouding. Naar mijn idee gaat het meer om de spanning tussen het grootschalige, anonieme, technocratische versus het kleinschalige, menselijke en democratische in onze samenleving. Het grappige is dat mensen over de gehele wereld roepen om meer grip op hun eigen omgeving. Groene en sociale innovatie laten een uitweg uit deze spanning zien. Bewijzen daarvoor worden dagelijks geleverd op alle niveaus in de samenleving. Van de Occupy-beweging op wereldschaal tot coöperatieve samenwerkingsverbanden tussen burgers of bedrijven op lokale schaal. De meest innovatieve bedrijven en instellingen blijken platte organisaties te zijn die uitgaan van open-innovatie, duurzaamheid, vertrouwen en professionaliteit. Daar ligt dus onze toekomst. Het wordt dan ook de kunst om als groene politieke partijen in Europa en als GroenLinks in Nederland daarop aan te sluiten.

Als GroenLinks hebben wij alle waarden en capaciteiten in huis om koploper te worden, om de bestaande politieke patstelling tussen links en rechts te doorbreken. Wel zullen we dan de tijd moeten nemen, investeren in onze beginselen, uitgaan van onze eigen kracht en ons meer nog dan nu het geval is openstellen voor de mensen en ontwikkelingen om ons heen. Wanneer we daartoe bereid zijn, ligt een groene toekomst voor ons. Ik wil me voor deze ambitie inzetten als jullie partijvoorzitter! Meld je daarom uiterlijk 10 januari a.s. aan voor het congres via http://congres.groenlinks.nl/aanmelden en geef op 11 februari mij je vertrouwen!

De beste wensen voor 2012 en tot binnenkort!

Met vriendelijke groet,

Arno Uijlenhoet

woensdag, 21 december 2011

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Mens, dier en religie

Verschenen in De Cascade 8(2), opinieblad van stichting Cosmicus

De afgelopen maanden is er veel discussie geweest over het wetsvoorstel dat een einde moet maken aan de onverdoofde rituele slacht. Uiteindelijk stemde de Tweede Kamer in met een bijna volledig verbod. Er kon alleen een uitzondering worden gemaakt als er onafhankelijk bewijs zou zijn dat onverdoofde rituele slacht geen extra dierenleed veroorzaakt. Op het moment dat ik dit schrijf, moet de Eerste Kamer nog beslissen over dit wetsvoorstel. Ik krijg dan ook als Eerste Kamerlid een grote verzameling mails, brieven, documenten, filmpjes en nog meer met de bedoeling mij de ene of de andere kant op te bewegen.

Het is een moeilijke afweging omdat het gaat over dierenwelzijn en godsdienstvrijheid. Daaronder ligt echter nog een andere vraag: hoe denken we over de verhouding tussen mens en dier? Die vraag speelt in religies een belangrijke rol, omdat het daarin gaat over wat nu het eigene is van mens-zijn. En dat eigene wordt duidelijk als we kijken naar het verschil tussen mens en dier en tussen mens en godheid. Daarom zijn er in veel religies ook allerlei regels en taboes die ervoor moeten zorgen dat de mens zich niet gaat gedragen als de dieren en zich ook niet inbeeldt dat hij goddelijk is.

Ideeën over die relatie tussen mens en dier gaan natuurlijk een heel bijzondere rol spelen als het gaat over het doden van dieren. Daarom gelden er in de Joodse godsdienst en de Islam heel precieze regels bij dat doden. In de kern van de zaak hebben die met respect voor het dier te maken. Als je dan toch een dier doodt, zorg er dan voor dat het zo snel en pijnloos mogelijk doodbloedt. Er zijn verschillen tussen de Joodse en Islamitische rituele slacht, maar deze basis van respect speelt bij allebei mee.

Het is daarom ook voor Joden en Moslims een pijnlijke ervaring dat er over hun rituele slachtmethoden gezegd wordt dat die barbaars en dieronvriendelijk zijn. Vanuit hun traditie stond juist zorg voor het dier centraal, en ook het besef dat het niet vanzelfsprekend is dat je een dier, een medeschepsel, van het leven berooft. Ze waren ervan overtuigd dat ze zorgvuldig met dieren omgaan door hen volgens hun religieuze regels te doden. En dan opeens zo’n verwijt…

Het verwijt doet des te meer pijn omdat de gewone industriële manier waarop we in Nederland met dieren omgaan ver afstaat van datzelfde respect. Jaarlijks worden er 500 miljoen dieren gekweekt en geslacht. Opgesloten, verminkt, van hot naar her gesleept en gedood. Hier zijn dieren niet in de eerste plaats levende wezens, medeschepselen, maar producten in een economisch proces. Natuurlijk zijn er volop boeren met hart voor hun dieren, maar we zijn toch ver verwijderd geraakt van de klassieke boerderij waar mens en dier samen leefden.

Drie visies

Eigenlijk zijn er vandaag de dag drie fundamenteel verschillende visies op de relatie tussen mens en dier. De eerste, die we bij sommige dierenactivisten vinden, ziet mens en dier als gelijkwaardig. Eigenlijk zijn mensen natuurlijk ook dieren, en met elkaar maken we deel uit van het totale ecosysteem. Er is eigenlijk geen reden waarom de mens zomaar over het leven van dieren zou mogen beschikken. Vaak leidt dit tot een keuze voor vegetarisch leven, of zelfs veganistisch: geen enkel dierlijk materiaal wordt gebruikt, ook geen wol of melk. Het is een nobele visie, maar natuurlijk zitten er grenzen aan. Er is nu eenmaal ook verschil tussen mensen, apen, koeien, ratten, kikkers, wespen, enzovoorts. Bijna niemand beweert dat alle dieren op dezelfde manier ons respect en bescherming verdienen en dus niet gedood mogen worden. De vraag is alleen waar we de grens trekken.

De tweede visie is er een van industriële omgang met dieren. Hier zijn dieren vooral productiemiddelen die zo efficiënt mogelijk moeten worden ingezet voor de productie van vlees, melk, eieren. Zorg voor de dieren is hier vooral ingegeven door de wens te voorkomen dat dieren ziek worden en dus meer gaan kosten. Veel consumenten gaan eigenlijk ook zo met dieren om. Ze houden enorm van hun huisdieren, die soms bijna als kinderen voor hen zijn. Maar het lapje vlees moet vooral onherkenbaar zijn, een industrieel product waaraan je niet meer kunt zien dat het een levend wezen was. Het dier is een ding.

Tussen die twee uitersten – het dier als gelijkwaardig aan de mens en het dier als ding – staat de derde visie die vindt dat de mens verantwoordelijk is voor deze wereld en dus ook voor de dieren. Bij deze visie, die we ook in veel religies herkennen, mag de mens op zich beschikken over dieren, maar moet de mens er ook voor zorgen dat dieren een goed leven hebben. Het doden van een dier moet dan ook met respect gebeuren en zoveel mogelijk leed vermijden. Maar ook hier zitten grenzen aan, want de manier waarop dieren elkaar doden, is vaak minstens zo gruwelijk, en dan laten we de natuur zijn gang gaan.

Kan het beter?

Waarschijnlijk zullen de meeste mensen het wel ongeveer met de derde visie eens zijn. We vullen het steeds net een beetje anders in, maar er lijkt consensus dat dieren geen mensen en geen dingen zijn en dat respect de basis voor de omgang moet zijn. Als dat zo is, dan is er dus ook alle reden om kritisch te zijn op alle situaties waar dat respect in het geding is. Bijvoorbeeld in de industriële veehouderij met haar megastallen en massale slacht. Maar ook in de rituele slachtpraktijk is heel veel te verbeteren. Vele eeuwen geleden koos men voor een bepaalde manier van slachten omdat dat de meest zorgvuldige en diervriendelijke manier was. Maar dat was wel ‘met de kennis van toen’. Het kan geen kwaad om vandaag de dag opnieuw na te denken over de vraag hoe we zorgvuldig met dieren omgaan als we ze doden.

Wat dat betreft, hoop ik dan ook dat de discussie over het verbieden van de onverdoofde rituele slacht Moslims en Joden aan het denken zet. Bij de huidige discussie komt de nodige polarisatie mee. Het lijkt me ook moeilijk die te vermijden, want de gevoelens gaan diep en de gevolgen zijn groot. Bij voor- en tegenstanders van het wetsvoorstel gaan de hakken dan ook in het zand en dat leidt tot soms onaangename discussies. Maar als de rook is opgetrokken en een definitief besluit is genomen (welk besluit ook), staan de samenleving als geheel en de religieuze gemeenschappen in het bijzonder voor de vraag welke stappen we kunnen zetten om dierenwelzijn te bevorderen. Want kennelijk is dat het doel van de dierenbeschermers zowel als van degenen die de rituele slacht verdedigen.

Als het stof is neergedaald, kunnen de dierenbeschermers hun aandacht richten op de omgang met productiedieren en hopelijk krijgen ze daar dan ook kamermeerderheden voor (al moet ik zeggen dat ik niet heel erg hoopvol ben op dit punt). En als het stof is neergedaald, kunnen Joden en Moslims stappen gaan zetten om hun rituele slachtpraktijk te verbeteren. De teelt en aanvoer van dieren, de bejegening, de zorgvuldigheid bij het slachten, er zijn zeker punten van verbetering te vinden. En ook kan de discussie gevoerd worden of er vormen van verdoving zijn die aansluiten bij de intenties van de geloofsregels. Ook religieuze tradities blijven namelijk altijd in beweging. Het kan ook van religieuze wijsheid getuigen om oude tradities nog eens kritisch te bekijken.

De kunst zal zijn om niet te blijven steken in de polarisatie en makkelijke vijandbeelden, maar constructief te kijken hoe we dierenwelzijn kunnen verbeteren in zowel de industriële als de rituele slacht. Want over die intentie zijn we het kennelijk eens. Als dierenwelzijn doel is van dierenbeschermers en religieuze gemeenschappen, dan moet er een constructief gesprek mogelijk zijn.


vrijdag, 16 december 2011

Krispijn Beek

Krispijn Beek

Hyves Last.fm Twitter

Impressie Uitreiking VBDO Verantwoord Ketenbeheer Award

In duurzaamheid, economie, akzo nobel, dsm, duurzaam inkopen, duurzaam ondernemen, ketenbeheer, koninklijke bam groep, kpmg, en meer.

Afgelopen woensdag was ik namens Strukton aanwezig bij de uitreiking van de VBDO Verantwoord Ketenbeheer Award 2011 in het kantoor van KPMG. Een avond die in het teken stond van de rol die duurzaam inkopen en ketenbeheer kunnen spelen bij het verduurzamen van organisaties. Onderstaande impressie is zeker niet compleet, maar geeft hopelijk wel een beeld van de avond.

Giuseppe van der Helm, directeur van de Vereniging van Beleggers voor Duurzame Ontwikkeling (VBDO), gaf aan dat de VBDO twee belangrijke routes ziet om de productieketen te verduurzamen:

  • Via de klant
  • Via de eigenaar/aandeelhouder

Hoewel er bij de consument nog een wereld te winnen is als het gaat om duurzaam consumeren. Zeker als de klant een ander bedrijf is kun je grote duurzaamheidswinst behalen.

Duurzaamheid is volgens de VBDO belangrijk vanuit maatschappelijk oogpunt en vanuit de business case. Vooral op dat laatste aspect zijn bedrijven goed aan te spreken. Om met duurzaamheid tot een sluitende business case te komen is de keten cruciaal. Zowel voor het toevoegen van waarde als voor voor het verbeteren van de marge. Verantwoord ketenbeheer draait volgens de VBDO niet om het drukken van kosten, maar om het helpen van je ketenpartners om successen te behalen in andere omstandigheden. Unilever doet dit bv. door met belangrijke leveranciers gezamenlijke ontwikkel / innovatieovereenkomsten af te sluiten. Verantwoord ketenbeheer vraagt om visie, transparantie, ketenbeheer en lef om waarde toe te voegen en aan je visie vast te houden.

Bart Vos van de Tilburg School of Economy & Management voegde daar tijdens de paneldiscussie aan toe dat het niet alleen gaat om de verdeling van de waardecreatie tussen bedrijven, maar ook om de verdeling van waardecreatie binnen bedrijven. Hoe wordt een inkoper afgerekend? Wat telt er mee voor de projectleider? Welke businessunit ziet de gerealiseerde extra marge terug in zijn cijfers?

Lessen Unilever

Unilever heeft vorig jaar het Unilever Sustainable Living Plan gelanceerd. Doel verdubbeling van de omzet, milieuvoetafdruk halveren, meer dan 1 miljard mensen helpen in actie te komen om hun gezondheid en welzijn te verbeteren, en 100% van de landbouwgrondstoffen betrekken uit duurzame landbouw (da’s volgens Unilever wat anders dan biologische landbouw).

Voor Unilever staat vast dat duurzaamheid in de toekomst een basisvoorwaarde wordt voor zakendoen. Wanneer dat zo is zijn er nog maar twee mogelijkheden leiden of volgen. Leiden geeft (tijdelijk) competitief voordeel.

De kunst daarbij is te zoeken naar de sweet spot waar er voordeel is voor de klant en waar de oplossing goed is voor duurzaamheid. Voorbeeld: handenwassen met zeep. Om bacteriën te doden moet je je handen 30 tot 60 seconden wassen met standaardzeep. Unilever heeft een zeep ontwikkeld die hetzelfde effect bereikt in 7 seconden. Dat scheelt 23 tot 53 seconden aan water en 7 seconden is voor kinderen een haalbaardere termijn dan een minuut handen wassen. Unilever heeft ook een leverancierscode voor haar banken en financiers, dat is wennen voor de banken.

Een belangrijke keueze van Unilever om duurzamer te worden is om weg te gaan van veilingen en internationale markten, waar je niet weet wat de herkomst is. Unilever werkt actief aan kortere ketens. Voor contacten met kleine boeren wel samenwerken met lokale partijen, dus handelshuis ertussen. Met het handelshuis worden wel afspraken gemaakt over kennisondersteuning en inkooptrajecten.

Bij Unilever is duurzaam of niet geen discussie meer, omdat verdubbeling van de omzet en halvering van de ecologische footprint beide op hoog niveau vastliggen en even zwaar wegen bij de beoordeling. Voor bv. thee is Rainforest Alliance de norm, einde discussie. Wel is Unilever met Rainforest Alliance in discussie over de sociale criteria die Rainforest Alliance hanteert. Unilever vindt deze namelijk onvoldoende en wil vernieuwing van de criteria.

Uitreiking Award en speciale vermeldingen

Giuseppe van der Helm noemde vooral de vooruitgang in verduurzaming van de keten van de bouwsector opmerkelijk. Deze vooruitgang is in zijn ogen voor een belangrijk deel te danken aan het beheersen van de CO2-uitstoot. In de bouwsector is het gebruik van de CO2-prestatieladder van SKAO inmiddels heel gebruikelijk geworden. Bouwbedrijf BAM is zelfs doorgedrongen tot de top 10 van de VBDO Verantwoord Ketenbeheer Award en ontving daarvoor een speciale vermelding van de jury. Ook de vooruitgang bij Wavin, een belangrijke toeleverancier voor de bouwsector, werd beloond met een speciale vermelding.

De vijf genomineerde bedrijven waren Akzo Nobel, DSM, Philips, Reed Elsevier en Unilever. De winnaar van de Award was Philips met 95% van de maximale score.

Aanpak BAM

BAM lichtte kort toe hoe zij de afgelopen jaren hadden gewerkt aan het verbeteren van hun ketenbeheer. Deze aanpak bestond uit 3 stappen (waarvan ik er maar 2 heb onthouden ;-) :

  1. keuzes maken binnen de grote hoeveelheid aan duurzaamheidsonderwerpen. BAM heeft daarbij gekozen voor: veiligheid, CO2 reductie en afvalreductie
  2. Uit de of of discussie van geld of duurzaam stappen

Daarnaast stellen inkopers in gesprekken met leveranciers en onderaannemers de vraag of de leverancier/onderaannemer ideeën heeft hoe het duurzamer kan dan in het bestek staat (en daarbij hebben ze het niet meteen over de centjes).

Paneldiscussie

Van de paneldiscussie zijn me maar een paar zaken bijgebleven. Ten eerste de nadruk die Philips legde op het belang van samen met concurrenten optrekken als het gaat om problemen die vroeg in de keten zitten. Bijvoorbeeld als de winning van grondstoffen in verband wordt gebracht met oorlogen of andere misstanden. De tweede opmerking die me bij is gebleven is het antwoord van Piet Sprengers, ASN Bank, op de vraag hoe je achterblijvers in beweging kunt krijgen. Zijn idee was om dat als criterium mee te nemen in de beoordeling van de koplopers.

De derde opmerking komt ook op naam van Piet Sprengers. Hij gaf aan dat de ASN bank investeert vanuit waarden creatie en pas dan vanuit waarde creatie. Hij gaf aan dat deze op de langere termijn heel goed in elkaars verlengde kunnen liggen. Zo heeft de ASN nauwelijks tot geen investeringen in de financiële sector, omdat de meeste banken en verzekeraars niet transparant genoeg zijn om toegelaten te worden tot het beleggingsuniversum van de ASN-bank. Dat dat de ASN bank op dit moment geen windeieren legt behoeft geen uitleg…

Na afloop van de avond kregen alle aanwezigen het boekje Verantwoord Ketenbeheer: van risicomanagement naar waardecreatie mee.

donderdag, 15 december 2011

Feiko van der Veen

Feiko van der Veen

GR

De maatschappij als kunstwerk

In geen categorie, deugd, dohmen, joep dohmen, levenskunst, maatschappij als kunstwerkl, moreel peil, spinoza, steiner, en meer.

31 juli 2010. Over levenskunst wordt
veel geschreven. Mijn google zoekmachine geeft op dit trefwoord 81.900
resultaten. Als ik “maatschappij als kunstwerk” in typ, krijg ik slechts 9
resultaten. Houdt de vraag hoe we de samenleving beter kunnen maken niemand meer
bezig? Hebben wij inmiddels collectief de overtuiging dat macht, gemakzucht en
hebzucht het uiteindelijk altijd winnen van het streven de maatschappij te
verbeteren? In discussies over mobiliteitsbeleid hoor je bijvoorbeeld vaak
zeggen, dat wat we ook proberen er toch telkens meer auto’s bij zullen komen.
Ik vind dat een onverteerbaar idee. Waarom zouden “lagere” driften zoals het
streven naar gemak, genot, eer, geld en roem het altijd moeten winnen van het
streven om het leven meer in overeenstemming met onze idealen in te
richten?

 

De vraag naar het leven als
kunstwerk is gerelateerd aan het vermogen van de mens om zichzelf en daarmee
zijn leven te verbeteren, in de Griekse filosofie heet dat een “deugdzaam” mens
te worden. Een verdergaande vraag daarachter is of de mens vrij is dan wel kan
zijn. Daarvoor moet dan eerst het begrip vrijheid gedefinieerd worden. Spinoza,
Steiner en Dohmen geven daar elk een iets ander antwoord op.*) Maar zij allen
geloven dat de mens in staat is door aan zichzelf te werken op een hoger moreel
peil te komen. Zij zien daarbij een hoger persoonlijk moreel peil samengaan met
socialer en maatschappelijk verantwoorder gedrag. Ook ik ben overtuigd van die
mogelijkheid. In het verlengde daarvan ben ik er ook van overtuigd, dat ook de
samenleving verbeterd kan worden, mits wij bereid zijn daar de nodige moeite
voor te doen. De vraag is niet of de samenleving verbeterd kan worden. De vraag
is of wij bereid zijn daar ons voor in te zetten en er zo nodig offers voor te
brengen.

 

Alle drie genoemde auteurs
bevestigen, dat die morele verbetering ook zaken als onze zielenrust, gevoel
van zinvolheid en geluk vergroot. Met ander woorden de inspanning die gedaan
moet worden om gemak, genot, eer geld en roem te offeren aan een sociaal en
ethisch verantwoorde persoonlijke inzet is ook een investering die de persoon
zelf ten goede komt. De volgende kwestie is dan of men bereid is deze
inspanningen te doen. Het is duidelijk dat in onze tijd het pessimisme daarover
verregaand overheerst. Maar elke maatschappelijk verantwoorde daad weegt mee
aan de positieve zijde van de balans. Als iedereen elektriciteit uit
alternatieve energiebronnen gebruikt, is het broeikaseffect snel opgelost.
Kortom de maatschappij kan mooier, beter en meer waardevol gemaakt worden. Als wij
bereid zijn daaraan onze eigen bijdrage te leveren.

 

*)Joep Dohmen, Het leven als kunstwerk; A. Patijn, A. v. Rijsdam, B. Teerds, Benedictus de Spinoza, Rudolf Steiner: een
vergelijkend onderzoek
, op: http://weblog-at.blogspot.com

Feiko van der Veen

Feiko van der Veen

GR

De maatschappij als kunstwerk

In geen categorie, deugd, dohmen, joep dohmen, levenskunst, maatschappij als kunstwerkl, moreel peil, spinoza, steiner, en meer.

31 juli 2010. Over levenskunst wordt
veel geschreven. Mijn google zoekmachine geeft op dit trefwoord 81.900
resultaten. Als ik “maatschappij als kunstwerk” in typ, krijg ik slechts 9
resultaten. Houdt de vraag hoe we de samenleving beter kunnen maken niemand meer
bezig? Hebben wij inmiddels collectief de overtuiging dat macht, gemakzucht en
hebzucht het uiteindelijk altijd winnen van het streven de maatschappij te
verbeteren? In discussies over mobiliteitsbeleid hoor je bijvoorbeeld vaak
zeggen, dat wat we ook proberen er toch telkens meer auto’s bij zullen komen.
Ik vind dat een onverteerbaar idee. Waarom zouden “lagere” driften zoals het
streven naar gemak, genot, eer, geld en roem het altijd moeten winnen van het
streven om het leven meer in overeenstemming met onze idealen in te
richten?

 

De vraag naar het leven als
kunstwerk is gerelateerd aan het vermogen van de mens om zichzelf en daarmee
zijn leven te verbeteren, in de Griekse filosofie heet dat een “deugdzaam” mens
te worden. Een verdergaande vraag daarachter is of de mens vrij is dan wel kan
zijn. Daarvoor moet dan eerst het begrip vrijheid gedefinieerd worden. Spinoza,
Steiner en Dohmen geven daar elk een iets ander antwoord op.*) Maar zij allen
geloven dat de mens in staat is door aan zichzelf te werken op een hoger moreel
peil te komen. Zij zien daarbij een hoger persoonlijk moreel peil samengaan met
socialer en maatschappelijk verantwoorder gedrag. Ook ik ben overtuigd van die
mogelijkheid. In het verlengde daarvan ben ik er ook van overtuigd, dat ook de
samenleving verbeterd kan worden, mits wij bereid zijn daar de nodige moeite
voor te doen. De vraag is niet of de samenleving verbeterd kan worden. De vraag
is of wij bereid zijn daar ons voor in te zetten en er zo nodig offers voor te
brengen.

 

Alle drie genoemde auteurs
bevestigen, dat die morele verbetering ook zaken als onze zielenrust, gevoel
van zinvolheid en geluk vergroot. Met ander woorden de inspanning die gedaan
moet worden om gemak, genot, eer geld en roem te offeren aan een sociaal en
ethisch verantwoorde persoonlijke inzet is ook een investering die de persoon
zelf ten goede komt. De volgende kwestie is dan of men bereid is deze
inspanningen te doen. Het is duidelijk dat in onze tijd het pessimisme daarover
verregaand overheerst. Maar elke maatschappelijk verantwoorde daad weegt mee
aan de positieve zijde van de balans. Als iedereen elektriciteit uit
alternatieve energiebronnen gebruikt, is het broeikaseffect snel opgelost.
Kortom de maatschappij kan mooier, beter en meer waardevol gemaakt worden. Als wij
bereid zijn daaraan onze eigen bijdrage te leveren.

 

*)Joep Dohmen, Het leven als kunstwerk; A. Patijn, A. v. Rijsdam, B. Teerds, Benedictus de Spinoza, Rudolf Steiner: een
vergelijkend onderzoek
, op: http://weblog-at.blogspot.com

Feiko van der Veen

Feiko van der Veen

GR

Culturele verheffing vraagt meer dan hoogwaardige kunst en beschouwingen over moraal

In geen categorie, adel van de geest, commerie, culturele verheffing, elite, maatschappij, maatschappijanalyse, media, riemen, en meer.

30 juli 2010. Rob Riemen, de organisator van de jaarlijkse Nexus-lezingen, schreef het boek “Adel van de geest”. Hij houdt daarin een boeiend pleidooi voor herwaardering van Kunst en Cultuur als bronnen van edele moraal. Het publiek krijgt in zijn ogen onder andere door de commerciële massamedia voorgespiegeld, dat vrijheid betekent: rijk, machtig en beroemd zijn. De menselijke waardigheid is in het gedrang. Om het herstel van menselijke waarden te bevorderen, pleit Riemen voor meer aanzien voor hogere kunst en – verdergaand – adel van de geest. Een echte plaatsing daarvan in de context van de hedendaagse maatschappij ontbreekt helaas echter grotendeels in zijn boek.

 

Ook intellectuelen hebben in de
twintigste eeuw hogere waarden ondergeschikt gemaakt aan de rechten van de
massa’s. Linkse intellectuelen praatten bijvoorbeeld leugens van het communistische
Rusland goed. Juist intellectuelen zouden moeten pleiten voor elitecultuur.
Ware kunst en filosofie bevorderen immers zielenrijkdom en ontwikkelen het
vermogen om deugdzaam te handelen.

 

Riemen is een fan van Thomas Mann.
Hij beschrijft diens fundamentele verwarring toen tijdens de Eerste
Wereldoorlog duidelijk werd dat zijn pleidooi voor adel van de geest niet meer
houdbaar was zonder de politiek-maatschappelijk context erbij te betrekken.
Daarvoor had Mann democratie afgewezen, omdat die op gespannen voet zou staan
met verheffing en middelmaat in de hand zou werken. Mann emigreerde in de jaren
dertig zelfs naar de Verenigde Staten omdat onder Hitler alle democratie en
daarmee vrijheid voor kunstenaars verdwenen. Hier stopt ook zo ongeveer Riemens
analyse van de maatschappelijke voorwaarden voor hoogwaardige cultuur.

 

Ik heb een grote bewondering voor de
moed die Riemen toont door de fundamentele vragen over de kwaliteit van het
samenleven aan de orde te stellen. Hij opent als een van de weinigen in onze
tijd het perspectief op een weg naar boven. Volgens mij is echter een bredere
analyse nodig om te achterhalen waarom oppervlakkigheid en middelmaat in onze
cultuur belangrijker lijken dan kwaliteit en ethiek. Cultuur omvat meer dan
elitekunst.  Globaal gesproken domineert
de economie ons maatschappelijk leven verregaand, ten koste van de cultuur in
de zin van het ontwikkelen van menselijke waarden en vermogens. Drie
voorbeelden daarvan. Het is niet vanzelfsprekend, dat massamedia commercieel
mogen zijn. Dat maken onze wetten mogelijk. Daardoor hebben kijkcijfers nu meer
invloed op de programma’s dan inhoudelijke kwaliteit. Dat werkt de
oppervlakkigheid in de hand. Ten tweede is ons onderwijs grotendeels op
materieel nut en het kwalificeren voor een beroep gericht in plaats van op het
ontwikkelen van eigenheid, persoonlijke kwaliteiten en het vermogen om het leven
naar eigen inzicht in te richten. Derde voorbeeld: investeren van kapitaal is
“vrij” in plaats van dat er voorwaarden worden gesteld om kapitaal
maatschappelijk verantwoord te investeren.

 

Adel van de geest acht ik van groot
belang. Ik ben daarbij geen pessimist, die denkt dat het vroeger veel beter met
het gemiddelde morele peil van mensen gesteld was. Maar in deze tijd waarin we
steeds meer en wereldwijd allemaal van elkaar afhankelijk zijn, moeten ook het
bestuur en de inrichting van het samenleven mee veranderen. Randvoorwaarde voor
alle economie moet zijn dat de natuurlijke rijkdom van de aarde niet wordt
aangetast. De economische ontwikkeling moet uiteindelijk ondergeschikt worden
gemaakt aan mogelijkheid van mensen om zichzelf te ontwikkelen. Als mens, als
medemens en als geestelijk wezen.

Feiko van der Veen

Feiko van der Veen

GR

Culturele verheffing vraagt meer dan hoogwaardige kunst en beschouwingen over moraal

In geen categorie, adel van de geest, commerie, culturele verheffing, elite, maatschappij, maatschappijanalyse, media, riemen, en meer.

30 juli 2010. Rob Riemen, de organisator van de jaarlijkse Nexus-lezingen, schreef het boek “Adel van de geest”. Hij houdt daarin een boeiend pleidooi voor herwaardering van Kunst en Cultuur als bronnen van edele moraal. Het publiek krijgt in zijn ogen onder andere door de commerciële massamedia voorgespiegeld, dat vrijheid betekent: rijk, machtig en beroemd zijn. De menselijke waardigheid is in het gedrang. Om het herstel van menselijke waarden te bevorderen, pleit Riemen voor meer aanzien voor hogere kunst en – verdergaand – adel van de geest. Een echte plaatsing daarvan in de context van de hedendaagse maatschappij ontbreekt helaas echter grotendeels in zijn boek.

 

Ook intellectuelen hebben in de
twintigste eeuw hogere waarden ondergeschikt gemaakt aan de rechten van de
massa’s. Linkse intellectuelen praatten bijvoorbeeld leugens van het communistische
Rusland goed. Juist intellectuelen zouden moeten pleiten voor elitecultuur.
Ware kunst en filosofie bevorderen immers zielenrijkdom en ontwikkelen het
vermogen om deugdzaam te handelen.

 

Riemen is een fan van Thomas Mann.
Hij beschrijft diens fundamentele verwarring toen tijdens de Eerste
Wereldoorlog duidelijk werd dat zijn pleidooi voor adel van de geest niet meer
houdbaar was zonder de politiek-maatschappelijk context erbij te betrekken.
Daarvoor had Mann democratie afgewezen, omdat die op gespannen voet zou staan
met verheffing en middelmaat in de hand zou werken. Mann emigreerde in de jaren
dertig zelfs naar de Verenigde Staten omdat onder Hitler alle democratie en
daarmee vrijheid voor kunstenaars verdwenen. Hier stopt ook zo ongeveer Riemens
analyse van de maatschappelijke voorwaarden voor hoogwaardige cultuur.

 

Ik heb een grote bewondering voor de
moed die Riemen toont door de fundamentele vragen over de kwaliteit van het
samenleven aan de orde te stellen. Hij opent als een van de weinigen in onze
tijd het perspectief op een weg naar boven. Volgens mij is echter een bredere
analyse nodig om te achterhalen waarom oppervlakkigheid en middelmaat in onze
cultuur belangrijker lijken dan kwaliteit en ethiek. Cultuur omvat meer dan
elitekunst.  Globaal gesproken domineert
de economie ons maatschappelijk leven verregaand, ten koste van de cultuur in
de zin van het ontwikkelen van menselijke waarden en vermogens. Drie
voorbeelden daarvan. Het is niet vanzelfsprekend, dat massamedia commercieel
mogen zijn. Dat maken onze wetten mogelijk. Daardoor hebben kijkcijfers nu meer
invloed op de programma’s dan inhoudelijke kwaliteit. Dat werkt de
oppervlakkigheid in de hand. Ten tweede is ons onderwijs grotendeels op
materieel nut en het kwalificeren voor een beroep gericht in plaats van op het
ontwikkelen van eigenheid, persoonlijke kwaliteiten en het vermogen om het leven
naar eigen inzicht in te richten. Derde voorbeeld: investeren van kapitaal is
“vrij” in plaats van dat er voorwaarden worden gesteld om kapitaal
maatschappelijk verantwoord te investeren.

 

Adel van de geest acht ik van groot
belang. Ik ben daarbij geen pessimist, die denkt dat het vroeger veel beter met
het gemiddelde morele peil van mensen gesteld was. Maar in deze tijd waarin we
steeds meer en wereldwijd allemaal van elkaar afhankelijk zijn, moeten ook het
bestuur en de inrichting van het samenleven mee veranderen. Randvoorwaarde voor
alle economie moet zijn dat de natuurlijke rijkdom van de aarde niet wordt
aangetast. De economische ontwikkeling moet uiteindelijk ondergeschikt worden
gemaakt aan mogelijkheid van mensen om zichzelf te ontwikkelen. Als mens, als
medemens en als geestelijk wezen.

dinsdag, 13 december 2011

Ufuk Kahya

Ufuk Kahya

Twitter GR

Duurzaamheidskompas verwelkomt Ufuk Kahya!

In geen categorie, afval, duurzaamheid, hoop, kunst, milieu, politiek, achtergrond, delen, en meer.

Duurzaamheidskompas verwelkomt Ufuk Kahya!

Hij zal periodiek zijn kijk op duurzaamheid met ons delen. Benieuwd naar zijn achtergrond verhaal?


Mogen we kennismaken: wie is Ufuk Kâhya?

Ik ben een 23-jarige student bestuurskunde bij de Universiteit van Tilburg. Verder ben ik op verschillende fronten maatschappelijk actief voor onder meer NJR (Nationale Jeugdraad) en UWC (United World College). Op 18 jarige leeftijd ben ik in de (gemeente)politiek gestapt, omdat ik actief mee wil denken en een verschil wil maken voor anderen. Sindsdien zit ik ook in de politiek.

Wat is je drijfveer als het gaat om duurzaamheid?

Duurzaamheid wordt vaak gezien als een ideaal of streven. Mij fascineert duurzaamheid juist, omdat ik het een mooie kunstvorm vind. Het is de kunst om op slimme en creatieve wijze je leven groener te maken. De kunst om minder afval achter te laten of geen schade aan het milieu toe te brengen, zonder dat het meer hoeft te kosten of de kwaliteit van je leven aantast.

Waarom heb je besloten om gastschrijver te worden voor Duurzaamheidkompas.nl?

Het leuke aan Duurzaamheidskompas.nl is dat er geschreven wordt door simpele maar nieuwsgierige zielen die dezelfde fascinatie met mij delen. Bloggers van Duurzaamheidskompas.nl zijn niet per se experts, maar zoekers en ontdekkers van duurzaamheid op allerlei leefgebieden.

Wat kunnen de lezers van Duurzaamheidskompas.nl de komende tijd van je verwachten?

Duurzaamheidskompas.nl is voor mij een routekaart met blanke vlekken waarop ik gaande mijn zoektocht naar de kunsten van duurzaamheid steeds meer krabbels op wil zetten. Mijn reis zal er vooral een zijn zonder bestemming en vol variatie. In mijn DK-blog hoop ik mijn experimenten, observaties en verwonderingen met jullie te delen.

***

Geïnspireerd geraakt? Duurzaamheidskompas.nl is altijd op zoek naar gastschrijvers die hun visie/mening willen delen aangaande diverse thema’s binnen duurzaamheid. Voor meer info kun je me mailen via nur@duurzaamheidskompas.nl of contact opnemen door het contactformulier op de site in te vullen.

donderdag, 1 december 2011

Evelien van Roemburg

Evelien van Roemburg

Hyves Linkedin Twitter GR DWARS

Reactie op 10 miljoen, moeten we dat doen? door pyjamazitting | 1461 dagen

In stad, zomer, amsterdam, bezuinigingen, blog, cultuur, kunst, kunst en cultuur.

[...] zomer schreef ik ook over kunst en cultuur in de stad. Die blog ging over de bezuinigingen die wij in Amsterdam [...]

Evelien van Roemburg

Evelien van Roemburg

Hyves Linkedin Twitter GR DWARS

Reactie op het mkb van de kunst en cultuur door pyjamazitting | 1461 dagen

In cultuur, kunst, kunst en cultuur, hoofdlijnennota, investeren, mkb.

[...] dus toen we begonnen aan het laatste agendapunt: de Hoofdlijnennota Kunst en Cultuur 2013-2016. Eerder al schreef ik erover: dat we moeten investeren in het MKB van de  kunst en cultuur, de middelgrote [...]

Evelien van Roemburg

Evelien van Roemburg

Hyves Linkedin Twitter GR DWARS

pyjamazitting

In groenlinks, kunst / cultuur, bezuiniging, cda, enquete, gek eigenlijk, hoofdlijnennota, inzicht, kunstraad, en meer.

Half twaalf was het.

Vanaf ‘s middags één uur hadden we – de gemeenteraad van Amsterdam – zitten vergaderen, onder andere drie lange uren over de vraag of er een raadsenquete moest komen naar de verbouwing van ‘t Stedelijk Museum. Een aantal partijen had hoog van de toren geblazen, maar kwamen met zoveel technische vragen die gewoon in een commissievergadering behandeld konden worden, en waarvan het bovendien gek was dat ze nu pas – na wat ronkende stukken op de voorpagina van het Parool – werden gesteld terwijl de informatie over kosten en schema’s altijd met de gemeenteraad is gedeeld, dat het hele zaakje op een tamelijk teleurstellend toneelstukje uitliep. Zoals collega Jan Hoek zei over het debat: ‘er was ons een sappige kerstkalkoen beloofd, maar al wat we kregen was een opgewarmde prak’.

Maar half twaalf was het dus toen we begonnen aan het laatste agendapunt: de Hoofdlijnennota Kunst en Cultuur 2013-2016. Eerder al schreef ik erover: dat we moeten investeren in het MKB van de  kunst en cultuur, de middelgrote en kleinere instellingen die gezamenlijk de culturele basisinfrastructuur van Amsterdam vormen. Dat cultuureducatie zowel binnenschools als buitenschools moet plaatsvinden. Dat de topinstellingen in Amsterdam relatief gezien uit de wind worden gehouden. Dat er meer aandacht moet zijn voor Nederlandse film, en dat het belangrijk is om een debatcentrum te subsidiëren.

Deze zomer schreef ik ook over kunst en cultuur in de stad. Die blog ging over de bezuinigingen die wij in Amsterdam hebben afgesproken: 230 miljoen euro in totaal, waarvan 10 miljoen op de kunstbegroting. Ik zette mijn twijfels bij die bezuinigingen, vooral in het licht van de culturele kaalslag die de landelijke overheid voor ogen heeft. Ik vond – en vind – dat die bezuiniging toen onderwerp van discussie mocht zijn. Aan het eind van de zomer werd echter helaas bekend dat de stad bovenop de 230 miljoen nog eens 80 tot 150 miljoen euro extra moet bezuinigingen. Dat betekent dat geen enkel onderwerp gespaard blijft: er wordt bezuinigd op de zorg, op armoedebestrijding, op reïntegratie. Het was daarom voor mij niet meer vol te houden om de 8 procent korting op de cultuurbegroting terug te willen draaien.

Enfin. Half twaalf was het, en bijna iedereen was door zijn spreektijd heen. Gelukkig hadden de collegaraadsleden van GroenLinks zich de hele dag ingehouden zodat ik nog  zes minuten kon oreren over de punten die voor ons belangrijk waren en over mijn acht voorstellen om de Hoofdlijnennota te wijzigen. Om half één begonnen we aan de stemming over alle voorstellen. Die van GroenLinks haalde het op ééntje na. Ik had ingezet op een verschuiving van drie miljoen van de topinstellingen naar de middelgrote en kleinere instellingen. Dit voorstel kon echter alleen op de steun van de SP rekenen.

Eén miljoen bleek echter wel haalbaar. Eén miljoen van de top af is vervelend voor een instelling die 10 miljoen euro subsidie krijgt, maar één miljoen bij de basis erbij betekent de redding voor tientallen kleinere instellingen die maar een klein subsidietje aanvragen. Dit verhaal overtuigde VVD en D66, en zelfs het CDA stemde voor. Dat de PvdA het geld liever bij de grote instellingen liet zitten, verbaasde mij wel enigszins. De sociaal-democraten steunden echter wel mijn voorstel om een harde eis van 25 procent eigen inkomsten te hanteren voor de topinstellingen.

En zo werd aan het eind van een lange dag, diep in de nacht, het belangrijkste stuk in vier jaar voor de kunst en cultuur in Amsterdam vastgesteld. Het is nu aan de instellingen om een aanvraag in te dienen. In mei 2012 zullen we het advies van de Kunstraad krijgen: welke instelling krijgt geld en komt daarmee in het Kunstenplan, en welke instelling valt buiten de boot. Eigenlijk begint de spannende periode nu pas.


vrijdag, 25 november 2011

Rob Alberts

Rob Alberts

Kunst

In , amsterdam, architectuur, binnenstad, criminaliteit, opleiding, armoede, parijs.
Kunst. Architectuur, gebouwen en de inrichting van de buitenruimte is voor mij de mooiste kunstvorm. Een de studiereis naar Parijs, met haar paleizen, woonwijken, musea en stratenpatroon heeft mij ooit in mijn opleiding geraakt. De binnenstad van Amsterdam staat nu met een beschermde status op een werelderfgoedlijst. De armoede, criminaliteit, uitbuiting en oproeren en opstanden van de Jordaan z...

Menno Slaats

Menno Slaats

Hyves Last.fm Twitter DWARS

Toppertjes in concert, Roggel

In evenementen, muziek, concert, doen!, eerste, foto's, kunst, liefde, hart, en meer.

Zondag 20 november speelden de jeugdharmonieën van Sevenum, Roggel en Panningen 'Toppertjes in concert'.

Het concert van de drie jeugdharmonieën was gebaseerd op het bekende fenomeen 'Toppers in concert' met Gerard Joling en anderen.

Er werden allerlei nummers gespeeld zoals Alles is liefde, Ik hou van Holland, A night like this, Rowwen Hèze mix, Banger hart en nog veel meer!

De nummers werden vocaal bijgestaan door onder andere Tina Brouwers, Jose Karis, Mella Klaessen en Roy van den Broek.

Aangezien de 'huisfotograaf' van de jeugdharmonie uit Sevenum zelf ook mee moest spelen mocht ik voor deze keer zijn taken waarnemen als cameraman en fotograaf!

Het was voor mij de eerste keer om een dergelijk concert vast te leggen op beeld. Door de vele bewegingen en lampen was het een kunst om het mooi uit te laten komen op beeld.

Het was erg leuk om te doen! Volgende keer misschien weer!

Alle foto's kun je vinden op:

http://mennoslaats.nl/gallery3/index.php/Evenementen/Toppertjes-in-concert

Alle filmpjes kun je vinden op:

http://www.youtube.com/playlist?list=PL2D78FFB17D1EA3AC

donderdag, 24 november 2011

Evelien van Roemburg

Evelien van Roemburg

Hyves Linkedin Twitter GR DWARS

het mkb van de kunst en cultuur

In groenlinks, kunst / cultuur, bezuinigingen, hoofdlijnennota, investeren, mkb, amsterdam, belangrijk, bezig, en meer.

Een kunstenstad wordt gemaakt door de dynamiek aan de onderkant.

Zo begon ik mijn bijdrage woensdag in de commissie Kunst en Cultuur. We bespraken de Hoofdlijnennota die de opmaat moet vormen voor het Kunstenplan 2013-2017. In dat Kunstenplan zullen alle instellingen beschreven worden die voor vier jaar subsidie van Amsterdam krijgen. Het gaat om een hoop geld (zo’n 84 miljoen) en zeker met de bezuinigingen die er landelijk aan zitten te komen, is het zeer relevant welke criteria belangrijk worden en welke instellingen dus kans maken op subsidie.

De wethouder Kunst en Cultuur heeft ervoorgekozen om nog steeds de topinstellingen in Amsterdam het meeste geld te blijven geven. Dertien instellingen heeft ze genoemd, die samen zo’n 56 miljoen euro zullen krijgen. Daar zitten het Stedelijk Museum, het Concertgebouworkest, het Amsterdam Museum (voorheen het A’dams Historisch) en het Nationaal Ballet tussen. Stuk voor stuk instellingen die volgens de wethouder tot de basisinfrastructuur van de stad horen.

Ik ben het daar niet mee eens. Amsterdam heeft tientallen middelgrote en kleinere kunst- en cultuurinstellingen die ervoor zorgen dat we de culturele hoofdstad van Nederland zijn. Zij zorgen juist voor diversiteit, voor creativiteit en voor innovatie. Zij maken de stad levendig. Omdat zij de fundering vormen van de culturele stad, verdienen zij ook fundering in de Hoofdlijnennota. Daarvan is nu nog te weinig sprake: veel middelgrote en kleinere instellingen zullen sneuvelen als de landelijke overheid zich enkel nog richt op de topinstellingen en wij in Amsterdam dat niet enigszins compenseren.

Daarom stelde ik voor om iets minder geld (een miljoen of twee, drie) aan die topinstellingen te spenderen, en iets meer geld aan het MKB van de kunst en cultuur. Doorgaans hebben die kleinere instellingen maar een beetje subsidie nodig (omdat ze heel veel eigen inkomsten hebben), en dus kan je met twee of drie miljoen ongelooflijk veel doen. Er leek draagvlak voor bij de ander kunst- en cultuurwoordvoerders. Aanstaande woensdag wordt het besloten in de gemeenteraad. We zullen zien.

Zie hieronder voor mijn spreektekst in de commissie (het gesproken woord telt).

Voorzitter,

Een kunstenstad wordt gemaakt door de dynamiek aan de onderkant. Gitta Luiten, directeur van de Mondriaan Stichting, zei het vorige week treffend tijdens het debat in de Balie over deze Hoofdlijnennota. De middelgrote en vooral kleinere instellingen zorgen voor de smeuïgheid in de stad. Ze zorgen voor diversiteit, voor creativiteit en voor innovatie. Juist die innovatie is precies waar de kunstwereld op zoek naar zou moeten.

GroenLinks is het met de wethouder eens dat er een Amsterdamse basisinfrastructuur moet worden geformuleerd. De vraag is wel wat nu eigenlijk de basis in Amsterdam is: zijn dat de topinstellingen die ook landelijke subsidie krijgen, of zijn het juist al die Amsterdamse middelgrote en kleine instellingen die gezamenlijk maken dat Amsterdam de culturele hoofdstad is van dit land?

Wij denken dat dat laatste het geval is. GroenLinks vindt daarom ook dat we juist nu – nu veel van die typisch Amsterdamse instellingen dreigen om te vallen omdat de landelijke overheid besloten heeft alleen maar het topsegment te willen ondersteunen – dat we daarom ons vooral moeten richten op die middelgrote en kleinere instellingen in Amsterdam.

Dat betekent concreet dat er meer geld beschikbaar moet komen in de vrije ruimte. Het betekent voor ons niet dat er dan maar een kaasschaaf moet komen bij de topinstellingen. De wethouder sprak in het voorjaar nog grote woorden over het plan van Zijlstra om enkel te willen investeren in de top. ‘Dan moet de regering ook maar de volledige verantwoordelijkheid op zich nemen’, zei ze stoer. Ik vond het dapper van de wethouder. Maar nu blijkt dat we in Amterdam nog altijd verhoudingsgewijs de meeste miljoenen besteden aan juist die topinstellingen die landelijk ook nog overeind worden gehouden. Deels is dat niet zo gek: balletensembles kosten nu eenmaal veel geld, musea zijn duur om te onderhouden. Maar bij een aantal instellingen zou het toch mogelijk moeten zijn om meer geld via de mecenas binnen te halen.

Juist nu er een Geefwet is aangenomen, juist nu kunnen liefhebbers en vrienden meer gaan schenken terwijl ze tegelijk dat bedrag van de belasting weer terugkrijgen. Dat moet bij de grotere instellingen – die al een heel apparaat hebben om juist die mensen aan te sporen meer te geven – meer mogelijkheden geven. Zeker omdat bij deze instellingen de verhouding eigen inkomsten / subsidie vaak erg scheef is. Het is ook belangrijk in dit kader dat de Kunstraad een integrale afweging kan maken over het gehele budget, niet over de deelbudgetten. Mocht de verordening op dat punt aangepast moeten worden, dan zouden we dat graag willen doen.

Daarnaast denkt GroenLinks dat er ook bij de middelgrote en kleine instellingen meer ruimte zit om hogere eigen inkomsten te generen. Als het instellingen wordt toegestaan om een klein barretje te maken, of een terrasje voor de deur, als ze meer aan merchandising mogen doen en meer reclame mogen maken in de nabijheid van hun instelling, dan is er nog een wereld te winnen in de verdienmogelijkheid van deze instellingen. Dat betekent wel enige deregulering. GroenLinks zal hiervoor een motie indienen in de raadsvergadering volgende week.

Voorzitter, we hebben in Amsterdam teveel stoelen. Iedereen weet dat, en jaren is er niks aan gedaan. Sterker nog, er zijn zelfs stoelen bijgekomen. Het prachtige Muziekgebouw aan ‘t IJ, met z’n fantastische akoestiek, was natuurlijk helemaal niet nodig – iedereen weet het. En nu zitten we eraan vast. Of niet? GroenLinks vindt het niet goed te begrijpen waarom het Muziekgebouw is opgenomen in de lijst van de grote 13. Laat men eerst maar eens met een goed verhaal komen over hoe het gebouw exploitabel wordt. En als dat niet lukt, dan zijn er wellicht kopers op de kust. Is verkoop van dit gebouw aan een commerciële partij zonde? Misschien wel. Maar nu draait de stad al jarenlang op voor een te duur gebouw dat te weinig wordt gebruikt.

Nog iets over stoelen: GroenLinks vindt het goed dat de wethouder in de functionele ruimte slechts 4 podia heeft opgenomen. Dat vraagt namelijk om meer samenwerking, en om investeringen in productie in plaats van in stenen. Wel denken wij dat het belangrijk is om expliciet een aparte functie op te nemen in die functionele ruimte: namelijk dat van een plek waar ruimte is voor maatschappelijk en cultureel debat. Ik ben er nog niet helemaal uit of één van die vier podia een dergelijk label moet krijgen, of dat het een aparte functie moet zijn. Ik hoor graag wat de andere woordvoerders en de wethouder daarvan denkt.

Dan over cultuureducatie. Het kon natuurlijk niet uitblijven dat dat een belangrijk criterium zou worden in deze Hoofdlijnennota. En terecht. Ik zal hier niet uitweiden over het belang van cultuureducatie, want ik denk dat we daar met z’n allen wel van overtuigd zijn. De vraag is wel of werkelijk alle instellingen moeten voldoen aan het adagium cultuureducatie / talentontwikkeling. Voor kleinere instellingen is dit namelijk wel een extra belasting. Hoe ziet de wethouder dat voor zich?

GroenLinks lijkt het bovendien goed om hier het kopje ‘bekwamen’, zoals beschreven door de Kunstraad, nog aan toe te voegen. Bekwamen als het verder ontwikkelingen van talent ter voorbereiding op een professionele loopbaan past heel goed in de ketenbenadering zoals de wethouder dat voorstaat, en daarom wil GroenLinks die instellingen die zich met bekwamen bezig houden ook toegang geven tot de vrije ruimte. Als dat gebeurt, dan is GroenLinks het er ook mee eens dat instellingen in het Kunstenplan geen subsidie meer bij het Amsterdams Fonds voor de Kunsten kunnen aanvragen.

GroenLinks is het niet eens met de wethouder dat de meeste cultuureducatie maar binnenschools moet plaatsvinden. Juist niet, zou ik willen zeggen.  Laat de Amsterdamse kinderen de cultuurtempels in de stad bezoeken, trek ze juist uit die scholen, doe ze een jas aan en ga met ze op stap? Verandering van spijs doet eten, en verandering van plek doet leren. De nadruk op binnenschoolse cultuureducatie zouden wij dan ook willen schrappen – wat meteen ruimte schept voor instellingen die zich nu specifiek op kunst en cultuur van en met kinderen en jongeren richten.

Naast cultuureducatie is er ook het criterium wereldklasse waar veel instellingen aan moeten voldoen. Dat begrijp ik niet zo goed. We hebben toch juist die 13 – of 12, wie zal het zeggen – topinstellingen die van wereldklasse zijn benoemd, juist omdat ze van wereldklasse zijn? Waarom zou de buurtaccomodatie op de hoek, die een zeer belangrijke culturele en kunstzinnige functie vervult in een groot deel van de stad, ook aan wereldklasse moeten voldoen? De meerwaarde van dit criterium voor de functionele en vrije ruimte ziet mijn fractie niet.

Juist zouden we er belang aan hechten dat in de vrije ruimte meer aandacht komt voor de laboratoriumfunctie zoals we die vier jaar geleden ook in het kunstenplan hadden. Vier jaar geleden zei deze zelfde wethouder nog: innovatie en de laboratoriumfunctie is een belangrijke voorwaarde om Amsterdam als creatieve stad vitaal te houden. Daar waren we het toen van harte mee eens, en dat zijn we nog steeds. De laboratoriumfunctie past ook heel goed in de andere voorwaarden die dit College stelt: we investeren in broedplaatsenbeleid, we willen dat instellingen nieuwe verbindingen maken, dat er meer wordt samengewerkt, dat er meer aandacht komt voor de creatieve industrie. Op al die vlakken is de laboratoriumfunctie een spin in het web.

Voorzitter, laten we in 2014/2015 een moment inlassen voor reflex, eventueel door middel van een mid-term review. Dan kunnen we de effecten van de genomen besluiten wegen, en eventueel bijsturen mochten er onvoorziene slachtoffers dreigen te vallen.

Ik zal tot een afronding komen. GroenLinks denkt dat de wethouder met de Hoofdlijnennota een aantal scherpe en goede keuzes heeft gemaakt. Vorige week in het Baliedebat maakte zij een enorme indruk op mij met haar slotpleidooi: het gaat goed in de stad, er worden mooie en bijzondere dingen gecreëerd, er is volop beweging. Kortom, we gaan niet bij de pakken neerzetten. Dat optimisme deel ik met haar. Dat optimisme betekent voor GroenLinks dat de stad blijft investeren in de humuslaag, in de werkelijke basisinfrastructuur in Amsterdam. De pluriformiteit van het bestel vindt zijn oorsprong bij de middelgrote en kleinere instellingen. Die willen we behouden, daar zetten we op in.


woensdag, 23 november 2011

Liesbeth Tettero

Liesbeth Tettero

Hyves Linkedin Twitter GR

Cultureel glas tweederde vol

In persoonlijk, kunst en cultuur, belangrijk, cultuur, de volkskrant, hoop, jongeren, kabinet, kinderen, en meer.

Het is maar net hoe je het wilt zien: Nu.nl kopt: één op drie jongeren mijdt cultuur. De Volkskrant bracht het positiever: tweederde jongeren stelt belang in cultuur. Het glas is niet half vol of half leeg, maar maar liefst tweederde vol! Uit onderzoek van het CJP naar de kunst- en cultuurbeleving van jongeren blijkt dat maar liefst 22% van de ondervraagde jongeren zich geen leven zonder cultuur kan voorstellen, de ondernemende cultuurfans. Ze genieten van kunst van anderen en voeren zelf ook uit en op. 32% van de ondervraagden, veelal laag opgeleide jongens, heeft niets met cultuur. Ze gaan hooguit naar de bioscoop, maar dat noemen ze geen cultuur.

Ons cultuurminnende kabinet (hoest, proest) heeft niets met cultuur, dat was al duidelijk. Ook de bijdrage van het Rijk aan het CJP gaat verdwijnen. De stimulans om verder geld te zoeken werkt hopelijk, er wordt hard gewerkt aan een doorstart. Op zich prima natuurlijk, als anderen willen meebetalen is dat geweldig. Het signaal dat de overheid afgeeft, vind ik wel erg: zo belangrijk is cultuur kennelijk nou ook weer niet. Laat maar aan de markt over. Met alle onzekerheid die dat met zich meebrengt.

Gisteren had ik een uurtje over in Brussel. Die tijd heb ik doorgebracht in het Magritte-museum, waar naast een behoorlijk aantal toeristen ook veel groepen kinderen waren. Het was een groot genoegen om te luisteren naar hun associaties bij de prachtige schilderijen, hun creativiteit en het plezier dat zij er overduidelijk beleefden. Misschien was het wel de eerste kennismaking met kunst, zodat ze de overstap maken van de 1/3 naar de 2/3 (ervan uitgaand dat de CJP-cijfers ook voor Brussel gelden natuurlijk). En misschien worden het zelfs wel ondernemende cultuurfans, en kunnen we over een tijdje hun exposities bewonderen. Ik hoop het van harte.


vrijdag, 18 november 2011

John Jorna

John Jorna

Moderne thuiszorg

In column van de week, aanbesteding, delen, eerste, failliet, geluk, idee, mensen, organisatie, en meer.

DE VOORUITGANG HONDERD JAAR TERUG

Elke gemeente besteedt de thuiszorg aan. Er worden voorwaarden gesteld waaraan de thuiszorg moet voldoen. Wie binnen die voorwaarden voor de laagste prijs inschrijft wint de aanbesteding. Thuiszorgorganisaties zijn zeker in het begin onder de kostprijs gaan inschrijven. Ze leden dus verlies. Zo zijn thuiszorgorganisaties failliet gegaan. Andere organisaties namen het werk over. Het personeel van de failliete organisatie had geluk als het bij de nieuwe zorgverlener in dienst kon treden.

Hoe kan een organisatie de prijs zo laag mogelijk houden? Er zijn meerdere mogelijkheden. Een eerste is de kosten van de overhead zo laag mogelijk te houden. Dat zie je, daar waar met het oude model van de wijkverpleegsters invoert. Iemand doet naast het werk enige coördinatie en er is een boekhouder nodig. Helaas is vaak het omgekeerde het geval. Met het idee te besparen op sommige kosten heeft men de organisatie groter gemaakt. Dan kun je bepaalde taken als de personeelsdienst en de communicatieafdeling samenvoegen en met minder mensen toe. Maar meestal komen er meerdere duur betaalde managementlagen bovenop de organisatie te liggen en dat maakt de organisatie veel duurder.

Soms zoekt men het in een ver doorgevoerde specialisatie, waarbij je zo min mogelijk hoogopgeleide mensen nodig hebt. Dan komen bij sommige cliënten elke dag wel vijf of zes hulpverleners binnen: om te wassen en aan of uit te kleden, om te zwachtelen, om de bloeddruk te controleren, om te spuiten, om medicijnen uit te delen en om de steunkousen aan en uit te doen. Weliswaar kun je op de loonkosten besparen, maar de reiskosten en de reistijd nemen toe en weg is de besparing. Bovendien wordt de organisatie zo gecompliceerd, dat er meer management nodig is en managers zijn duur.

Men kan het ook zoeken in waar mogelijk laag opgeleid personeel inzetten of jong personeel. Die mensen worden laag ingeschaald en zo bespaar je op loonkosten. De kunst is dan om de ouderen steeds weer weg te werken.

Onlangs hoorde ik weer een voorbeeld van de smerige praktijken, die in zwang zijn. Een medewerkster van de thuiszorg kreeg te horen, dat haar aantal uren zou worden teruggebracht naar twaalf per week, het aantal uren volgens het contract. Intussen had ze al jaren 21 tot 24 uren per week gewerkt en dat aantal uren had ze hard nodig om een redelijk inkomen te bereiken, dat ze dan nog aanvulde met inkomsten uit de zorg voor oppaskinderen. Maar ze kon wel 21 tot 24 uur per week blijven werken, maar die uren boven het contractaantal zouden steeds voor één jaar zijn tegen het wettelijk minimumloon. Dat is nog lager dan het toch al lage cao-loon. En dat terwijl ze vaak bij patiënten komt, die moeilijke en ingewikkelde zorg nodig hebben.

Dat heet dan modern ondernemerschap. Op aanraden van de vakbond raadpleegde ze de ondernemingsraad. Die wist van niets. Uiteindelijk kreeg ze van de baas van haar leidinggevende te horen, dat er niets zou veranderen. Waar is de tijd gebleven, dat er gezinszorg bestond, een platte organisatie met goed opgeleide mensen, die zelfs in staat waren om de zorg voor een kinderrijk gezin geheel over te nemen als de moeder tijdelijk uitviel? Waar is de tijd gebleven, dat bazen nog enig moreel besef hadden? Komt de klassenstrijd weer terug?

Jaargang 4, Nr. 188.

woensdag, 16 november 2011

Marcel Kruijer

Marcel Kruijer

Hyves Last.fm Twitter GR

Recensie: Martin Simek in Cool Heerhugowaard

In persoonlijk, heerhugowaard, cool, martin simek, theather, blog, cultuur, de wereld, hoop, en meer.

Gisteravond stond Martin Simek in Cool Heerhugowaard. Met de kreet “Wie van Italië houdt mag Bloedsinaasappels niet missen!” werd het publiek naar het theather gelokt, en zo ook ik. Martin Simek ken ik alleen van tv van programma’s zoals De Wereld Draait Door. Hierdoor was ik wel nieuwsgrierig hoe hij in het echt zou zijn.

De voorstelling werd aangekondigd als intiem. Er werd zelfs gesproken over samen met de heer Simek op het toneel zitten, waardoor het geheel persoonlijk zou worden. Echter was het aantal verkochte zitplaatsen van dusdanige grootte dat dit klaarblijkelijk niet door ging. De grote zaal van Cool was voor deze avond gereserveerd wat met het kleine aantal bezoekers resulteerde in een paar bezette rijen. Het grootste gedeelte van de zaal was leeg. Niet onoverkomelijk, maar intiem leek het plots niet meer.

Het decor van de voorstelling was minimalistisch. Een waslijn met beschreven blaadjes, een tafel met kleed erover en waterkan en glas erop en een op het oog comfortabele stoel. Dit was hoopgevend. Meestal is het zo dat hoe minder decor er is, hoe beter de voorstelling. Dit basseer ik op mijn ervaring dat acteurs meer moeten doen om een sfeer te scheppen. Alleen goede acteurs kunnen dit. Minder goede acteurs doen dit door het decor de sfeer te laten scheppen of te ondersteunen.

Iets later dan gepland begon de voorstelling. Martin Simek komt op en verteld wat hij voor deze avond heeft gepland. Tussen neus en lippen door verteld hij dat deze avond een try-out is en hij eigenlijk nog niets duidelijk heeft vastgelegd. Dit komt duidelijk tot uiting in de voorstelling. Het verhaal heeft enigzins een rode draad, zijn levensverhaal, maar verder lijken de verhalen nauwelijks samenhang te hebben. De voorstelling is een grote improvisatie. Dit blijkt mede doordat de pauze spontaan ergens in het programma is gepland.

De pauze in de bar van Cool verloopt rommelig. Het grote aantal bezoekers (en dit zijn er bij deze voorstelling minder dan normaal) kan het barpersoneel duidelijk niet aan. De aanvankelijk voor 15 minuten geplande pauze wordt opgerekt naar bijna een half uur om iedereen te kunnen voorzien van een drankje.

Na de pauze wordt het voor de pauze ingezette verhaal hervat. Met af een toe een grapje wordt het vlakke verhaal tijdelijk wat leuker om naar te luisteren, maar het bereikt geen niveau waarbij je aan de lippen van de verteller hangt. Het verhaal werkt niet toe naar een climax en blijft een onsamenhangend samenvoegsel van verhalen. De planning van de voostelling wordt niet aangehouden totdat Martin Simek aan een toeschouwer vraagt of het al tijd is voor het einde van de voorstelling. Ik hoop erop dat dit het geval is. Echter kondigd Martin Simek aan dat hij nog door kan gaan met een toegift. Deze toegift heb ik niet meer meegekregen. Terleurgesteld, wat wellicht komt door mijn foutieve verwachting van de avond, verlaat ik Cool op weg naar huis.

Martin Simek zei nog tijdens zijn voorstelling dat wellicht mensen die hem nu zien, niet nog een keer naar een voorstelling van hem zullen gaan. Ik moet toegeven dat ik nu inderdaad tot deze groep behoor.

Update 17 november 2011: Naar aanleiding van dit blog heb ik een reactie ontvangen van Cool Kunst en Cultuur. Mijn opmerkingen zullen ze meenemen en gebruiken om te kunnen verbeteren. Dit vind ik een goede reactie aangezien je als bedrijf juist blij moet zijn als consumenten een mening hebben. Met deze reactie houden ze mij in ieder geval als klant en bezoeker van het theater. Dank hiervoor.

zondag, 13 november 2011

Simon Otjes

Simon Otjes

Last.fm Twitter

Paternalisme, Arbeid en Inkomen

In arbeid, inkomen, paternalisme, verdelende rechtvaardigheid, agenda, aow, armoede, belasting, bijstand, en meer.

In de bundel Vrijzinnig Paternalisme pleiten verschillende progressief-linkse auteurs voor een groen en links beschavingsproject. De overheid moet het debat aan gaan met burgers over wat het goede leven is. De auteurs, geleid door Dick Pels, willen hiermee een correctie aan brengen op de liberale koers die GroenLinks onder Femke Halsema heeft ingezet. Zij zou de moraal te veel hebben overgelaten aan het individu.

Het opvallende is dat waar het gaat om praktische politiek de voorstellen van Pels uitermate liberaal zijn en onderbouwd zijn met liberale argumenten. Dit zal ik illustreren aan de hand van het hoofdstuk “Werk, Sociale Zekerheid en Het Goede Leven” waarin Pels samen met Femke Roosma pleit voor het invoeren van een basisinkomen. Ze breken hiermee met de koers van Femke Halsema. Zij schrok in Vrijheid Eerlijk Delen, het stuk waarin ze haar sociaal-liberalisme praktisch uitwerkte, niet terug voor een paternalistische voorstel onderbouwd met paternalistische argumenten: iedereen moest werken omdat dat beter voor hen is. De centrale vraag is: hoe paternalistisch is het vrijzinnig paternalisme van Pels en hoe liberaal het sociaal-liberalisme van Halsema?

Liberalisme? Paternalisme?

Liberalisme houdt in dat de overheid strikt neutraal moet zijn ten opzichte van ideeën van het goede leven. Alle liberalen vinden dat de overheid mensen moet beschermen tegen inbreuken op hun formele rechten. Links-liberalen vinden dat de overheid daarnaast de materiële voorwaarden voor ontplooiing eerlijk moet verdelen.

Paternalisten geloven dat de overheid niet neutraal mag blijven ten opzichte van ideeën van het goede leven. Burgers moeten de ‘juiste keuzes’ maken, omdat dat goed is voor burgers zelf. In essentie zeggen paternalisten: “de overheid weet beter dan mensen zelf hoe ze hun leven moeten inrichten.” Harde paternalisten willen dwang inzetten om mensen daartoe te zetten. Vrijzinnig paternalisme varieert op een van twee manieren op dit thema: ten eerste, omdat vrijzinnig paternalisten niet zeker weten wat het idee van het goede leven is. Zij werpen dit echter niet terug op het individu maar willen een maatschappelijk, democratisch debat over wat het goede leven is. Ten tweede, omdat vrijzinnig paternalisten mensen niet dwingen, maar duwtjes in de goede richting geven: mensen hebben het recht om de verkeerde keuzes te maken, maar ze worden gestimuleerd om de juiste keuze te maken.

De centrale assumptie van Roosma en Pels is dat ieder sociaal stelsel mensen stimuleert om hun leven op een bepaalde manier in te richten. De sociale zekerheid geeft altijd richting aan een idee van het goede leven.  En op dit moment ligt de focus op werk. Roosma en Pels willen door het basisinkomen te introduceren mensen een andere richting geven.

 

Een Vrijzinnig Paternalistisch Pleidooi voor het Basisinkomen

Een basisinkomen is een door de overheid gegarandeerd minimuminkomen dat iedereen krijgt onafhankelijk van of hij of zij werkt of niet. De beste manier om het uit te leggen is dat de AOW-gerechtigde leeftijd verlaagd wordt naar 18. Mensen kunnen daarnaast bijverdienen zoveel als ze willen, maar als ze door een ongelukkige samenloop van omstandigheden, maar ook bijvoorbeeld omdat ze willen zorgen voor hun familie, of gewoon omdat ze lui zijn, (tijdelijk) niet werken kunnen ze altijd rekenen op een inkomen.

De vrijzinnig paternalisten Pels en Roosma hebben een agenda voor het goede leven: dat goede leven bestaat uit een juiste balans tussen werk, vrije tijd, ontwikkeling en de zorg voor anderen. Het basisinkomen kan daarbij helpen omdat het ruimte biedt voor ontplooiing, zorg en scholing. Mensen kunnen de tijd nemen voor scholing, voor de opvoeding van hun kinderen, het verzorgen van hun ouders of zich richten op sport, kunst en wetenschap en toch een (minimum)inkomen hebben. Het kan voor mensen met een baan een manier zijn om arbeid en zorg beter te combineren. Voor mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt geeft het basisinkomen de vrijheid om slecht werk te weigeren. In de huidige arbeidsmarkt kunnen mensen eigenlijk slecht werk niet weigeren omdat ze dan hun inkomen verliezen.

Roosma en Pels vinden hun voorstel paternalistisch omdat het ervan uitgaat dat het legitiem is voor de overheid om zich het welzijn van mensen te bemoeien. Maar die bemoeienis is beperkt. In essentie verandert het basisinkomen de manier waarop we keuzes maken over werk en inkomen. Als mensen besluiten om niet te werken, is het alternatief nu geen inkomen, met het basisinkomen kunnen mensen rekenen op een vast inkomen. Maar voor Roosma en Pels is het basisinkomen niet alleen een financiële maatregel, het is een normatief signaal: de overheid wil dat mensen zich onthaasten. Het voorstel is volgens Roosma en Pels vrijzinnig omdat er geen belemmeringen zijn om slechte keuzes te maken.

 

Het Basisinkomen langs een Vrijzinnige Maatlat

De kern van het betoog van Roosma en Pels is keuzevrijheid. Roosma en Pels willen mensen vrijmaken van arbeidsdwang. Het basisinkomen dwingt niemand om te werken, voor hun kinderen te zorgen of tijd te nemen voor scholing en ontspanning. Het maakt al deze keuzes serieuze opties. Dit gaat uit van een rijker begrip van dwang. Je kan stellen dat de overheid mensen alleen maar dwingt iets te doen, als mensen die zich niet aan de opdracht van de overheid houden, strafrechtelijk vervolgd worden. De overheid dwingt mensen om belasting te betalen: doen we dat niet dan kunnen we worden opgepakt. Je kunt stellen, dat een verzorgingsstaat en de vrije markt op een andere manier dwingt: het wel of niet verkrijgen van een inkomen is daar het beste voorbeeld van. De huidige verzorgingsstaat en arbeidsmarkt dwingen mensen om te werken. Als mensen niet werken, dan hebben ze geen inkomen, en zijn ze veroordeeld tot honger en armoede. In puur formele zin, bestaat de vrije keuze om niet te werken wel, maar is dat geen reële keuze. Mensen moeten werken want anders kunnen ze niet in hun basisbehoeften voorzien. Dat is in mijn ogen ook een vorm van dwang. Door een inkomen te verzekeren heft het basisinkomen deze vorm van dwang op. Het maakt daarmee allerlei opties reëel die slechts formeel bestonden. Mensen kunnen nu besluiten om zich helemaal te richten op de zorg voor hun kind, zonder zich zorgen te maken over de huur. In de kern vergroot het basisinkomen de reële keuzevrijheid van mensen.

Het basisinkomen is vooral goed voor mensen met weinig inkomen: mensen met weinig spaargeld, mensen die net rond komen, zij zitten nu een tredmolen van werk, werk, werk. Ze kunnen niet terugvallen op spaargeld of verlofregelingen als ze uit die tredmolen willen stappen. Als ze het niet redden komen ze in de WW of de bijstand. Deze regelingen gaan uit van het principe van reciprociteit, voor een uitkering staat een tegenprestatie: in de WW moet je solliciteren en dat werk accepteren en in de bijstand geldt steeds meer het principe van work first. Mensen mogen niet uit hun werkritme vallen, want anders komen ze nooit meer aan het werk. Het basisinkomen biedt de zwaksten op de arbeidsmarkt volgens Pels en Roosma meer bestaanszekerheid, maar vooral ook meer keuzevrijheid en grotere autonomie, zonder dat daar de verplichting van een tegenprestatie tegenover staat.

Het basisinkomen kan positieve maatschappelijke gevolgen hebben: onthaasting,meer  tijd voor het gezin, meer ruimte voor scholing, meer actieve beoefening van kunst, sport en wetenschap en beter werk voor mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Maar dit gebeurt niet door het principe van dwang, maar door het principe van vrije keuze. Het basisinkomen kan dit gevolg alleen hebben als we uitgaan van een sociaal-liberaal vertrouwen in mensen: als mensen in vrijheid keuzes maken dan zullen dat de juiste keuzes zijn. Vrije mensen kiezen voor zorg, kunst, scholing en onthaasting. Als je mensen vrij maakt dan zullen ze niet kiezen voor niets doen, niet voor televisie, drank en drugs om de verveling door te komen. Mensen zijn van nature geneigd tot ‘het goede’ alleen de samenleving dwingt mensen nu om verkeerde keuze te maken.

Paternalisme (met of zonder bijvoeglijke bepalingen) kunnen we niet bij Roosma en Pels aantreffen: de overheid weet niet beter hoe mensen hun leven moeten inrichten. Als je mensen de vrijheid geeft, dan maken ze de goede keuze. De overheid dwingt mensen nu de verkeerde keuze te maken, door eenzijdig de nadruk te leggen op werk.

 

Een Paternalistisch Pleidooi voor Werk

Ik kan me op het gebied van werk en inkomen wel paternalistischere voorstellen bedenken dan het basisinkomen. Je zou je kunnen voorstellen dat iedereen na een jaar werkloosheid een baan krijgt aangeboden en als ze die niet aannemen de uitkering dan wordt gestopt. Je zou dat kunnen doen omdat je vindt dat mensen economisch zelfstandig moeten zijn, omdat werk goed voor ze is, of omdat je vindt dat niemand uitgesloten mag worden van de voordelen van werk. Dat is de kern van Vrijheid Eerlijk Delen van Halsema. Ik heb al eerder laten zien dat dat voorstel veel dingen is, maar niet liberaal. Roosma en Pels geven de argumenten voor Vrijheid Eerlijk Delen goed weer: de verdedigers hiervan stelden dat mensen niet het recht hebben om geen deel uit te maken van de samenleving. Die deelname maakt ons tot betere mensen. Meedoen is goed voor je. Je onttrekken aan de samenleving is slecht. En een betaalde baan is het hoogste goed. Hiermee sluit Halsema naadloos aan bij het huidige denken over de arbeidsmarkt: iedereen moet (mee) werken. Vrijheid Eerlijk Delen was in de kern een paternalistisch voorstel, waarbij Halsema beter wist wat goed voor mensen was dan de mensen zelf. Neem vrouwen die besluiten om niet te werken als hun kinderen jong zijn. Die keuze hebben vrouwen nu omdat er uitzonderingen zijn in de bijstand voor vrouwen met jonge kinderen. Halsema vond dat vrouwen hiermee hun eigen toekomst op het spel zetten. Door die vrouwen toe te staan te zorgen slaat de overheid een gat in hun CV, waardoor ze als hun kinderen groot zijn, geen werk meer kunnen vinden. Ze missen dan de werkervaring, het werkritme en de opleiding om weer aan de slag te komen. De overheid moet vrouwen behoeden voor de verkeerde keuzes.

 

Liberalisme, Paternalisme en het Basisinkomen

De discussie binnen GroenLinks over Vrijheid Eerlijk Delen ging inderdaad langs de lijnen van liberalen versus gemeenschapsgezinden. Hierbij stond de vraag of mensen moesten werken niet ter discussie: liberaal Halsema en de vakbondsvleugel waren het daarover eens. Halsema was liberaal omdat ze voor het stimuleren van de werkgelegenheid liberale middelen wilde inzetten als ontslagrechtversoepeling. De gemeenschapsgezinden paternalistisch omdat ze mensen wilden beschermen tegen precair werk.

De paternalistische assumpties van het betoog van Halsema zijn slechts door enkelen benoemd. Door te werken ontplooien mensen zich, als mensen beslissen om niet te werken maken ze een ernstige vergissing, waartegen de overheid hen met dwang en drang moet behoeden. Het is opvallend dat het juist Pels, die de liberale koers van Halsema in vrijzinnig paternalistische richting wil bijsturen, het voorstel doet voor het basisinkomen. Dit zou een ontspannen samenleving stimuleren. Maar let wel: een basisinkomen doet dit via de band van vrijwilligheid: als we mensen bevrijden van een door de markt en overheid aangemoedigde arbeidsdwang dan zullen ze de ‘juiste’ keuze maken voor zorg, ontspanning, ontwikkeling en kunst.

Hun voorstel helt wel door naar de vrijzinnigheid en neemt grote afstand van het paternalisme: het basisinkomen vergroot de reële keuzevrijheid van mensen, en in vrijheid zullen ze de juiste keuzes maken. Ik ben, als links-libertair, een groot voorstander van het basisinkomen. Nu de paternalisten van de traditie Halsema nog.

Christian Jongeneel

Christian Jongeneel

Hyves Linkedin Twitter Youtube

Koop de kunstkalender

1783

Bijna drie kilo weeg de Grote Rotterdamse Kunstkalender, die afgelopen vrijdag ten doop werd gehouden in LPII na een geslaagde crowdfundingactie. Een prachtige staalkaart op groot formaat van de Rotterdamse beeldende kunst anno 2012. Snel naar de boekhandel!

Aantal berichten op deze pagina: 29. De berichten op deze pagina zijn niet ouder dan 2005 uur (83,5 dagen). Berichtgemiddelde: 0,3 bericht per dag, 2,4 per week.

Volgende pagina

Pagina: 1 2 3