maandag, 23 april 2012

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Wat ik zou zeggen in het geschrapte debat over cultuurbeleid

In eerste kamer, politiek, belangrijk, beleid, bezig, bezuinigingen, cijfers, communicatie, creativiteit, en meer.

(door de val van het kabinet gaat op 24.04 het debat over cultuurbeleid niet door in de Eerste Kamer. Dit was mijn inbreng voor dat debat:)

Voorzitter, het lijkt niet zo heel erg nuttig om vandaag met elkaar te spreken over de principiële kanten van het cultuurbeleid. Niet alleen lijken er belangrijker onderwerpen te bestaan, maar het handelingsperspectief van deze staatssecretaris is het afgelopen weekeinde een heel stuk korter geworden. Heeft het dan zin om in deze Kamer te debatteren over fundamentele visies? Waar moet het heen met kunst en cultuur in ons land en komen we daar wel met het nu ingezette beleid en de draconische bezuinigingen? Wezenlijke vragen, maar met een vleugellamme staatssecretaris schiet dat niet op.

Als we er dan toch over spreken, dan moet het maar in het licht van de toekomst. Waar gaan we naartoe ná het tijdperk Zijlstra? Wat staat er als stip op de horizon en wat moeten we vandaag doen of nalaten om te voorkomen dat we heel ergens anders uitkomen? Welke bijsturing kan niet wachten op een nieuw kabinet? Natuurlijk raakt dat aan de bezuinigingen, maar tegelijk is die financiële discussie enkel het sluitstuk. Het begint ergens anders.

De eerste wezenlijke vraag bij cultuurbeleid betreft het doel. Waar is cultuur eigenlijk goed voor en wat is er nodig om dat te stimuleren? In de beleidsnota Meer dan kwaliteit lezen we dan: “Cultuur staat zowel voor binding, identiteit en traditie als voor dynamiek, creativiteit en vernieuwing.” En verder gaat het in de nota dan de hele tijd over hoe dat georganiseerd moet worden. Het gaat dan ook binnen de kortste keren over het economische rendement. En zo wordt over cultuureducatie gezegd: “De spontaniteit en verbeelding die cultuur losmaakt, zijn in onze tijd niet alleen gevraagd, maar vaak ook vereist: ’A firm needs more than an efficient manufacturing process, cost-control and a good technological base to remain competitive’.” Dat is natuurlijk zo, maar wie heeft er in hemelsnaam bedacht dat we een bedrijfskundige redenering nodig hebben om cultuureducatie te verantwoorden?

Het valt dan ook op dat de hele beleidsnota draait om ‘meer dan kwaliteit’, maar dat die kwaliteit zelf nergens ter sprake komt of beschreven wordt. Die wordt kennelijk als vanzelfsprekend beschouwd en vervolgens draait het hele beleid om andere zaken: meer publiek aantrekken, meer eigen geld verdienen, participatie en educatie, erfgoedbeheer, en regionale spreiding. Ik wil er wel bij zeggen dat ik die doelen allemaal niet verkeerd vind, maar de onderliggende vraag naar kwaliteit wordt angstvallig vermeden.

Misschien heeft dat ermee te maken dat de staatssecretaris vanuit zijn eigen opleiding kwaliteit vooral benadert in marketingtermen. Kwaliteit is dan voldoen aan de verwachtingen van de klant. Er is echter ook een andere definitie, die veel meer het hart raakt: kwaliteit is de mate waarin de intrinsieke eigenschappen van een goed tot uitdrukking worden gebracht. Bij de intrinsieke eigenschappen van kunst horen in elk geval zaken als schoonheidsbeleving, het vermogen om mensen in beweging te brengen, te ontroeren, te verrassen, aan het denken te zetten, enzovoorts. Hoe meer dit gebeurt, des te gelaagder en geslaagder de kunst. En als we het over het bredere veld van cultuur hebben, dan horen bij de intrinsieke eigenschappen in elk geval het construeren, communiceren en innoveren van traditie en identiteit. Of het nu gaat om hoge cultuur, volkscultuur of populaire cultuur, kwaliteit heeft direct te maken met dergelijke intrinsieke eigenschappen en ik vraag de staatssecretaris waarom hij daar geen woord aan wijdt. Zonder een dergelijk principieel ankerpunt is het namelijk onmogelijk vast te stellen of de andere doelen die hij met zijn beleid nastreeft, sporen met deze kwaliteit.

Hier ligt dus ook een belangrijke vraag bij de samenhang van de beleidsdoelen. Wat doet de staatssecretaris als kwaliteit, het bereiken van het publiek, regionale spreiding, internationaal bereik en het aantrekken van externe financiering niet samenvallen? Hoe weegt hij dan de verschillende aspecten? Gaat dan de regionale spreiding voor kwaliteit of andersom? Ik zou hier graag nader toelichting over horen. Ik vind het namelijk van groot belang dat zo veel mogelijk mensen toegang hebben tot kunst en cultuur, maar ook dat er ruimte is voor het kleine en bijzondere.

Het grote risico van de benadering van de staatssecretaris is een instrumentalisering van kunst en cultuur. Zo krijgt de creatieve industrie een speciale plaats omdat het bijdraagt aan de economische topsectoren, is cultuureducatie goed om kinderen voor te bereiden op het bedrijfsleven en de internationale wereld, en is culturele internationalisering behulpzaam bij de buitenlandse betrekkingen en “het Nederlands economisch belang, door verbanden tussen cultuur, handel en economie te benadrukken.” En zo gaat het door. De beleidsnota begint met een paragraaf over markt en overheid, Cultuur in beeld rekent ons precies voor wat het kost en opbrengt, enzovoorts. Tamelijk obligaat staat het er dan in een tussenzin: “Vanzelfsprekend laat de waarde van cultuur zich niet alleen in cijfers uitdrukken.” Maar dat is te weinig. Als cultuur nuttig moet zijn voor iets anders, dan ondermijnt dat rechtstreeks de eigen ruimte die kunst en cultuur moeten hebben. Dat bedenk ik niet alleen; ook de Telderstichting schrijft in haar recente advies: “Leg in de legitimering van cultuursubsidies niet te veel nadruk op de instrumentele waarde van cultuur, maar rechtvaardig de rol van de overheid vanuit de intrinsieke waarde van kunst en cultuur.” Ik vraag de staatssecretaris hoe hij denkt over dit advies van zijn partijgenoten. En als hij toch bezig is, ben ik ook benieuwd naar zijn visie op de inbreng van zijn partijgenoot De Liefde in het debat aan de overzijde die suggereerde dat van de zeven leden van cultuursubsidiecommissies drie zich zouden moeten buigen over artistieke kwaliteit en de andere vier over communicatie, marketing, ondernemerschap en financiën. Is de staatssecretaris het met mij eens dat daarmee cultuur ondergeschikt wordt gemaakt aan commercie.

Voorzitter, ik kom daarmee aan een tweede punt. De beleidsnota Meer dan kwaliteit zet in met de vraag naar de verhouding tussen markt en overheid. We hebben het dan over de verantwoordelijkheidstoedeling in het stelsel. Wie is verantwoordelijk voor welk deel? Geconstateerd wordt dat een belangrijk deel van de 18 miljard omzet in de cultuursector op de vrije markt wordt gerealiseerd. Ongeveer een zesde daarvan is afhankelijk van overheidssubsidies. Het lijkt dan alsof het terugbrengen van die overheidssubsidie op het totaal niet zoveel uitmaakt, maar dat is natuurlijk niet zo. Klopt mijn beeld, zo vraag ik de staatssecretaris, dat bij het marktdeel van de cultuursector ook allerlei commercieel sterke onderdelen zitten? Klopt het dat bij de gemeenten vooral ook breedtecultuur en de bijbehorende huisvestingskosten een groot beslag leggen? En klopt het dat de Rijksoverheid juist verantwoordelijk is voor specifieke onderdelen die de markt en de lagere overheden niet dekken? Kortom: zou de staatssecretaris eens wat inhoudelijker zichtbaar kunnen maken wat de markt wel en niet gefinancierd en georganiseerd krijgt en hoe de verschillende overheden hun verantwoordelijkheid oppakken? Dan wordt namelijk ook zichtbaar hoe groot de werkelijke effecten van de bezuinigingen en andere maatregelen zijn.

De regering lijkt van mening dat haar eigen verantwoordelijkheid nog wel wat kleiner kan. Zij subsidieert nu ongeveer 5,5 % van de cultuursector, maar daar kan nog een heel procentpunt af. De sponsors, fondsen en mecenassen staan immers in de rij om het over te nemen. Maar helaas, zo simpel ligt het niet. Er is inderdaad op dit punt veel in ontwikkeling, maar de staatssecretaris rekent zich voorlopig alleen maar rijk. De Amerikaanse situatie die hij als voorbeeld lijkt te hebben, staat in veel opzichten ver af van de onze en dat verandert niet zomaar als hij de geldkraan dichtdraait. Het is opvallend dat het grote voorbeeld van het cultuurmecenaat, de VandenEnde Foundation, nogal kritisch is op dit Amerikaanse voorbeeld, bijvoorbeeld bij het jaarverslag 2010. De continuïteit van de cultuurfinanciering staat sterk onder druk van teruglopende giften; de grote financiers neigen ertoe de elitaire kunst te stimuleren terwijl juist de emancipatoire kunst van niches, avantgarde en minderheidsgroepen snel in het gedrang komt, en de nadruk op projectfinanciering leidt tot kortetermijndenken en niet tot opbouw van de sector. Ik concludeer dat het beleid van de staatssecretaris precies onder deze kritiek valt: teruglopende financiering, nadruk op elitaire topcultuur en projectfinanciering. Hoe ziet de staatssecretaris dit? Denkt hij echt dat – midden in een economische crisis – de gaten die hij slaat, worden opgevuld door mecenaat en sponsoring? En heeft hij daar meer argumenten voor dan zijn neoliberale marktnaïviteit?

Ten slotte nog een principieel punt. De beleidsnota stelt als uitgangspunt: “Culturele instellingen moeten minder afhankelijk worden van de overheid en daardoor flexibeler en krachtiger worden. Daarom bezuinigt het kabinet op cultuur.” Dat is natuurlijk een gotspe. Dit – zo goed als voorbije – kabinet bezuinigt op cultuur uit economische motieven en populistische rancune. Maar dan nog. Dergelijke zinnen verraden een gevaarlijke visie op de overheid. Ze suggereren dat de overheid een noodzakelijk kwaad is en dat subsidie alleen maar verlamt. Is niet, zo vraag ik de staatssecretaris, de overheid de belichaming van het collectief van de samenleving? En zijn niet subsidies een belangrijke manier om publieke goederen en collectieve waarden te ondersteunen? Is het daarom niet essentieel om het levend houden van cultuur en traditie ook op collectief niveau te borgen? Ik roep de staatssecretaris op om niet langer mee te werken aan het ondermijnen van de overheid die namens ons allen zorg draagt voor het in stand houden van een samenleving waarin kunst en cultuur gedijen en ons allen ten goede komen.

Voorzitter, ik sluit af. Volgens Plato zijn er drie kernwaarden die een rol zouden moeten spelen in onze afwegingen: het ware, het goede en het schone. Dit kabinet lijkt een vierde te hebben toegevoegd: het goedkope. Ik vrees dat dat ons allen duur komt te staan.


Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Wat ik zou zeggen in het geschrapte debat over cultuurbeleid

(door de val van het kabinet gaat op 24.04 het debat over cultuurbeleid niet door in de Eerste Kamer. Dit was mijn inbreng voor dat debat:)

Voorzitter, het lijkt niet zo heel erg nuttig om vandaag met elkaar te spreken over de principiële kanten van het cultuurbeleid. Niet alleen lijken er belangrijker onderwerpen te bestaan, maar het handelingsperspectief van deze staatssecretaris is het afgelopen weekeinde een heel stuk korter geworden. Heeft het dan zin om in deze Kamer te debatteren over fundamentele visies? Waar moet het heen met kunst en cultuur in ons land en komen we daar wel met het nu ingezette beleid en de draconische bezuinigingen? Wezenlijke vragen, maar met een vleugellamme staatssecretaris schiet dat niet op.

Als we er dan toch over spreken, dan moet het maar in het licht van de toekomst. Waar gaan we naartoe ná het tijdperk Zijlstra? Wat staat er als stip op de horizon en wat moeten we vandaag doen of nalaten om te voorkomen dat we heel ergens anders uitkomen? Welke bijsturing kan niet wachten op een nieuw kabinet? Natuurlijk raakt dat aan de bezuinigingen, maar tegelijk is die financiële discussie enkel het sluitstuk. Het begint ergens anders.

De eerste wezenlijke vraag bij cultuurbeleid betreft het doel. Waar is cultuur eigenlijk goed voor en wat is er nodig om dat te stimuleren? In de beleidsnota Meer dan kwaliteit lezen we dan: “Cultuur staat zowel voor binding, identiteit en traditie als voor dynamiek, creativiteit en vernieuwing.” En verder gaat het in de nota dan de hele tijd over hoe dat georganiseerd moet worden. Het gaat dan ook binnen de kortste keren over het economische rendement. En zo wordt over cultuureducatie gezegd: “De spontaniteit en verbeelding die cultuur losmaakt, zijn in onze tijd niet alleen gevraagd, maar vaak ook vereist: ’A firm needs more than an efficient manufacturing process, cost-control and a good technological base to remain competitive’.” Dat is natuurlijk zo, maar wie heeft er in hemelsnaam bedacht dat we een bedrijfskundige redenering nodig hebben om cultuureducatie te verantwoorden?

Het valt dan ook op dat de hele beleidsnota draait om ‘meer dan kwaliteit’, maar dat die kwaliteit zelf nergens ter sprake komt of beschreven wordt. Die wordt kennelijk als vanzelfsprekend beschouwd en vervolgens draait het hele beleid om andere zaken: meer publiek aantrekken, meer eigen geld verdienen, participatie en educatie, erfgoedbeheer, en regionale spreiding. Ik wil er wel bij zeggen dat ik die doelen allemaal niet verkeerd vind, maar de onderliggende vraag naar kwaliteit wordt angstvallig vermeden.

Misschien heeft dat ermee te maken dat de staatssecretaris vanuit zijn eigen opleiding kwaliteit vooral benadert in marketingtermen. Kwaliteit is dan voldoen aan de verwachtingen van de klant. Er is echter ook een andere definitie, die veel meer het hart raakt: kwaliteit is de mate waarin de intrinsieke eigenschappen van een goed tot uitdrukking worden gebracht. Bij de intrinsieke eigenschappen van kunst horen in elk geval zaken als schoonheidsbeleving, het vermogen om mensen in beweging te brengen, te ontroeren, te verrassen, aan het denken te zetten, enzovoorts. Hoe meer dit gebeurt, des te gelaagder en geslaagder de kunst. En als we het over het bredere veld van cultuur hebben, dan horen bij de intrinsieke eigenschappen in elk geval het construeren, communiceren en innoveren van traditie en identiteit. Of het nu gaat om hoge cultuur, volkscultuur of populaire cultuur, kwaliteit heeft direct te maken met dergelijke intrinsieke eigenschappen en ik vraag de staatssecretaris waarom hij daar geen woord aan wijdt. Zonder een dergelijk principieel ankerpunt is het namelijk onmogelijk vast te stellen of de andere doelen die hij met zijn beleid nastreeft, sporen met deze kwaliteit.

Hier ligt dus ook een belangrijke vraag bij de samenhang van de beleidsdoelen. Wat doet de staatssecretaris als kwaliteit, het bereiken van het publiek, regionale spreiding, internationaal bereik en het aantrekken van externe financiering niet samenvallen? Hoe weegt hij dan de verschillende aspecten? Gaat dan de regionale spreiding voor kwaliteit of andersom? Ik zou hier graag nader toelichting over horen. Ik vind het namelijk van groot belang dat zo veel mogelijk mensen toegang hebben tot kunst en cultuur, maar ook dat er ruimte is voor het kleine en bijzondere.

Het grote risico van de benadering van de staatssecretaris is een instrumentalisering van kunst en cultuur. Zo krijgt de creatieve industrie een speciale plaats omdat het bijdraagt aan de economische topsectoren, is cultuureducatie goed om kinderen voor te bereiden op het bedrijfsleven en de internationale wereld, en is culturele internationalisering behulpzaam bij de buitenlandse betrekkingen en “het Nederlands economisch belang, door verbanden tussen cultuur, handel en economie te benadrukken.” En zo gaat het door. De beleidsnota begint met een paragraaf over markt en overheid, Cultuur in beeld rekent ons precies voor wat het kost en opbrengt, enzovoorts. Tamelijk obligaat staat het er dan in een tussenzin: “Vanzelfsprekend laat de waarde van cultuur zich niet alleen in cijfers uitdrukken.” Maar dat is te weinig. Als cultuur nuttig moet zijn voor iets anders, dan ondermijnt dat rechtstreeks de eigen ruimte die kunst en cultuur moeten hebben. Dat bedenk ik niet alleen; ook de Telderstichting schrijft in haar recente advies: “Leg in de legitimering van cultuursubsidies niet te veel nadruk op de instrumentele waarde van cultuur, maar rechtvaardig de rol van de overheid vanuit de intrinsieke waarde van kunst en cultuur.” Ik vraag de staatssecretaris hoe hij denkt over dit advies van zijn partijgenoten. En als hij toch bezig is, ben ik ook benieuwd naar zijn visie op de inbreng van zijn partijgenoot De Liefde in het debat aan de overzijde die suggereerde dat van de zeven leden van cultuursubsidiecommissies drie zich zouden moeten buigen over artistieke kwaliteit en de andere vier over communicatie, marketing, ondernemerschap en financiën. Is de staatssecretaris het met mij eens dat daarmee cultuur ondergeschikt wordt gemaakt aan commercie.

Voorzitter, ik kom daarmee aan een tweede punt. De beleidsnota Meer dan kwaliteit zet in met de vraag naar de verhouding tussen markt en overheid. We hebben het dan over de verantwoordelijkheidstoedeling in het stelsel. Wie is verantwoordelijk voor welk deel? Geconstateerd wordt dat een belangrijk deel van de 18 miljard omzet in de cultuursector op de vrije markt wordt gerealiseerd. Ongeveer een zesde daarvan is afhankelijk van overheidssubsidies. Het lijkt dan alsof het terugbrengen van die overheidssubsidie op het totaal niet zoveel uitmaakt, maar dat is natuurlijk niet zo. Klopt mijn beeld, zo vraag ik de staatssecretaris, dat bij het marktdeel van de cultuursector ook allerlei commercieel sterke onderdelen zitten? Klopt het dat bij de gemeenten vooral ook breedtecultuur en de bijbehorende huisvestingskosten een groot beslag leggen? En klopt het dat de Rijksoverheid juist verantwoordelijk is voor specifieke onderdelen die de markt en de lagere overheden niet dekken? Kortom: zou de staatssecretaris eens wat inhoudelijker zichtbaar kunnen maken wat de markt wel en niet gefinancierd en georganiseerd krijgt en hoe de verschillende overheden hun verantwoordelijkheid oppakken? Dan wordt namelijk ook zichtbaar hoe groot de werkelijke effecten van de bezuinigingen en andere maatregelen zijn.

De regering lijkt van mening dat haar eigen verantwoordelijkheid nog wel wat kleiner kan. Zij subsidieert nu ongeveer 5,5 % van de cultuursector, maar daar kan nog een heel procentpunt af. De sponsors, fondsen en mecenassen staan immers in de rij om het over te nemen. Maar helaas, zo simpel ligt het niet. Er is inderdaad op dit punt veel in ontwikkeling, maar de staatssecretaris rekent zich voorlopig alleen maar rijk. De Amerikaanse situatie die hij als voorbeeld lijkt te hebben, staat in veel opzichten ver af van de onze en dat verandert niet zomaar als hij de geldkraan dichtdraait. Het is opvallend dat het grote voorbeeld van het cultuurmecenaat, de VandenEnde Foundation, nogal kritisch is op dit Amerikaanse voorbeeld, bijvoorbeeld bij het jaarverslag 2010. De continuïteit van de cultuurfinanciering staat sterk onder druk van teruglopende giften; de grote financiers neigen ertoe de elitaire kunst te stimuleren terwijl juist de emancipatoire kunst van niches, avantgarde en minderheidsgroepen snel in het gedrang komt, en de nadruk op projectfinanciering leidt tot kortetermijndenken en niet tot opbouw van de sector. Ik concludeer dat het beleid van de staatssecretaris precies onder deze kritiek valt: teruglopende financiering, nadruk op elitaire topcultuur en projectfinanciering. Hoe ziet de staatssecretaris dit? Denkt hij echt dat – midden in een economische crisis – de gaten die hij slaat, worden opgevuld door mecenaat en sponsoring? En heeft hij daar meer argumenten voor dan zijn neoliberale marktnaïviteit?

Ten slotte nog een principieel punt. De beleidsnota stelt als uitgangspunt: “Culturele instellingen moeten minder afhankelijk worden van de overheid en daardoor flexibeler en krachtiger worden. Daarom bezuinigt het kabinet op cultuur.” Dat is natuurlijk een gotspe. Dit – zo goed als voorbije – kabinet bezuinigt op cultuur uit economische motieven en populistische rancune. Maar dan nog. Dergelijke zinnen verraden een gevaarlijke visie op de overheid. Ze suggereren dat de overheid een noodzakelijk kwaad is en dat subsidie alleen maar verlamt. Is niet, zo vraag ik de staatssecretaris, de overheid de belichaming van het collectief van de samenleving? En zijn niet subsidies een belangrijke manier om publieke goederen en collectieve waarden te ondersteunen? Is het daarom niet essentieel om het levend houden van cultuur en traditie ook op collectief niveau te borgen? Ik roep de staatssecretaris op om niet langer mee te werken aan het ondermijnen van de overheid die namens ons allen zorg draagt voor het in stand houden van een samenleving waarin kunst en cultuur gedijen en ons allen ten goede komen.

Voorzitter, ik sluit af. Volgens Plato zijn er drie kernwaarden die een rol zouden moeten spelen in onze afwegingen: het ware, het goede en het schone. Dit kabinet lijkt een vierde te hebben toegevoegd: het goedkope. Ik vrees dat dat ons allen duur komt te staan.


vrijdag, 17 februari 2012

Het menu: Mecenas

In het menu, niet op voorpagina, bankgiro loterij, groninger museum, halbe zijlstra, hebzucht, isaac israëls, jozef israëls, taco mesdag, en meer.
Mag de kunstwereld geld accepteren van loterijen? Het Groninger Museum kampte met een schuld van 4,3 miljoen euro. Dat gat is deels gedicht door een gift van de BankGiro Loterij. Ook andere partijen, zoals bijvoorbeeld de gemeente Groningen springen bij. Zo is de grote blikvanger tegenover het Centraal Station gered. Het spetterende architectonische gebouw, met meerdere paviljoens, geeft het Groningse stadscentrum - samen met de Martinitoren natuurlijk - nog meer allure. De collectie Groninger landschappen van Taco Mesdag zijn wonderschoon. De schilderijen van Jozef en Isaac Israëls die er hangen zouden prima in mijn eigen interieur passen. Ik zou ook tevreden zijn met een van de prachtige vazen van Chinees porselein met verfijnde schilderingen, die er tot medio mei te zien zijn. Musea moeten wat, nu de staatssecretaris voor Kunst en Cultuur, Halbe Zijlstra (VVD) 200 miljoen euro op de culturele sector bezuinigt. Door het verlies aan subsidie dreigt sluiting voor 17 musea. Doodzonde dat het museum zich noodgedwongen verbindt met een loterij. Heel wat deelnemers van zulke kansspelen hebben gokschulden. De wereld van de hebzucht vermengt zich met de esthetische kunstwereld. Deze zou giften van zo’n obscure mecenas moeten kunnen weigeren.

woensdag, 15 februari 2012

Willie Oldengarm

Willie Oldengarm

Hyves Linkedin Twitter GR

Oplossing Plataan/Niermanschool: ga ontvlechten!

In algemeen, cultuur, gemeenteraad, kunst en cultuur, meppel, plataan, kritisch, lezen, andere partijen, en meer.

Veel mensen vragen ons wpand s 300x225 Oplossing Plataan/Niermanschool: ga ontvlechten!at het standpunt van GroenLinks is over het dossier Niermanschool/Plataan. De Niermanschool is drastisch aan een nieuw onderkomen toe. Dat staat buiten kijf.

Wij hebben echter van meet af aan vraagtekens gezet bij het idee van het college de Niermanschool onder te brengen bij de Plataan. Wij vroegen ons toen al af of er wel genoeg draagvlak zou zijn voor dit idee. We stelden daar toen vragen over. We hadden toen al het idee dat wethouder Myriam Jansen het allemaal veel te simpel voorstelde.

vorig jaar waren twee opties over. Nieuwbouw of verbouw van de Plataan. Er zou een haalbaarheidsonderzoek worden ingesteld.

We bleven de ontwikkelingen kritisch volgen.

In juni stelden we aan het college vragen wanneer we de uitkomsten van het haalbaaronderzoek zouden krijgen. Ons werd toen medegedeeld dat er nog wat praktische zaken waren en dat we na de vakantie uitsluitsel zouden krijgen.

Dat was dus helemaal niet het geval. Uit de stukken die we nu hebben gekregen, blijkt dat voor de vakantie duidelijk werd dat de verbouwplannen veel te duur werden. Er werd een nieuwe projectleider aangesteld met een nieuwe opdracht. Hij moest met de “grootste” hoofdrolspelers gaan verkennen of de verbouw van de Plataan haalbaar was. De bibliotheek, Stichting Welzijn Meppel/Westerveld, SCALA, de Niermanschool en een aspirant huurder Speelwerk werden hiervoor uitverkoren. De andere spelers op het veld werden in de wachtkamer gezet.

De uitkomsten van het haalbaaronderzoek hebben we tot nu toe niet gekregen. Wel kregen we op 12 januari in de raadscommissie een voorstel te behandelen om een kleine 7 ton extra uit te trekken voor de herstructurering van de Plataan. Volgens het college was dit genoeg om de Niermanschool samen met Speelwerk te kunnen laten vestigen in de Plataan. Tegelijkertijd zouden ook de problemen van de Bibliotheek, SCALA en de beheersstichting van de Plataan op worden gelost. Het werd ons al gauw duidelijk: dit was te mooi om waar te zijn.

Raadsbreed werd aan het college verzocht een dossier samen te stellen over dit onderwerp. Ik heb toen al die stukken doorgewerkt. Al doorlezende werd ik er moedeloos van. Heel veel losse eindjes, heel veel vragen. Het enige wat telkens naar voren kwam was de zin: het is technisch haalbaar, maar verder kwam men naar mijn idee niet.

Is het haalbaar?

GroenLinks heeft al die tijd antwoord proberen te krijgen op de volgende vragen:

- het plan moet haalbaar zijn op financieel en organisatorisch oogpunt;

- er moet draagvlak zijn voor de plannen;

- het moet geen andere problemen veroorzaken

Op 12 en 19 januari hebben we over het voorstel van het college vergaderd. De vergadering van 12 januari duurde maar liefst tot 1.00 uur ‘s nachts! Ik heb daar toen de toespraak gehouden “Valt er wel wat te kiezen?” Mijn conclusie was dat we met een slecht onderbouwd voorstel opgezadeld werden. Financieel, organisatorisch oogpunt niet haalbaar. Te weinig draagvlak. En het ergste van alles: de problemen waren alleen maar toegenomen.

Eigenlijk had niemand veel vertrouwen in de plannen behalve de Bibliotheek (kon 40.000 bezuinigen en mocht dat houden), de Niermanschool en Speelwerk.  Dat bleek ook wel uit de lange rij insprekers : de Bazuin die niet was gehoord en tot speellokaal zou worden verbouwd, de Spelotheek die geen plek meer zou hebben, de beheerstichting van de Plataan die vraagtekens zette bij de financiële haalbaarheid, omwonenden die problemen voorzagen. En dan konden we lezen in de stukken dat Stichting Welzijn zich afvroeg of die heisa rond de verbouwing het wel waard was en kwam ook nog een brief van SCALA  die het college er fijntjes aan herinnerde dat in de nieuwe situatie SCALA de huurcontracten wilde openbreken wat uiteindelijk ook weer negatief kan uitvallen voor de exploitatie.

Al met al eindigde de vergadering van 12 januari in een chaos. Alleen Sterk Meppel volgde haar wethouder Myriam Jansen kritiekloos en verweet de andere partijen doemdenken. Ik vroeg die avond herhaaldelijk aan die fractie of ze eigenlijk het dossier wel hadden gelezen.

Op 19 januari was een vervolg op de vergadering van 12 januari. Ik vond het wel spannend. Ik was benieuwd of de VVD en de PvdA stand zouden houden in hun kritiek op het slecht onderbouwde voorstel van het college. De wethouder was tijdens de begrotingsvergadering van november vorig jaar nog gered door fractievoorzitter Roelof Pieter Koning toen er veel kritiek op haar kwam. Hij vond toen dat we een broedende kip niet wakker moesten maken en de wethouder tijd moesten gunnen voor een goede oplossing. Gelukkig hielden ook zij voet bij stuk. Alleen Sterk Meppel vond dat het voorstel wel naar de gemeenteraad kon ook al hadden zij er nog veel vragen over. De andere partijen gaven aan het college mee met een nieuw voorstel te komen.

Hoe nu verder? Ga ontvlechten

Ik heb die avond namens GroenLinks ingebracht dat het verstandiger is te gaan ontvlechten. Gewoon een stap terug doen en dan stuk voor stuk de problemen op gaan lossen. Dat is nodig omdat het college al heel lang de regie is kwijt geraakt.

Het gaat dan om apart verkennen van oplossingen voor de Niermanschool (nieuwbouw, verbouw), oplossingen voor bezuinigingen Bibliotheek en SCALA, een gezonde exploitatie voor de Plataan. En dan kan men later wel weer bekijken of je het ene of het andere met elkaar kunt verbinden. Daarbij vinden wij overigens dat de Bazuin en de Spelotheek in de Plataan moeten blijven.

Ik vond hier wel gehoor voor. De wethouder bleef echter hoog bij laag volhouden dat het college een goed plan heeft. Niet verstandig. Zij en haar partij Sterk Meppel isoleren zich volledig. Jansen kan dit dossier duidelijk niet aan.

Al met al een vervelende situatie voor alle betrokkenen. Met name ook voor de Niermanschool. Als ik hun was koerste ik aan op nieuwbouw. Dat is hen immers beloofd wanneer de Plataan niets zou worden.

Ondertussen zitten wij ook te bedenken wat wij kunnen doen om uit deze impasse te komen. We zitten wel niet in de coalitie, maar het is wel een heel vervelende situatie voor alle betrokkenen. Ik zou dolgraag met die ontvlechting willen beginnen.

Tja, wat let ons? Doet u mee?

 

 

zondag, 15 januari 2012

Willie Oldengarm

Willie Oldengarm

Hyves Linkedin Twitter GR

De Plataan. Hebben we nog wat te kiezen?

In algemeen, fractie, kunst en cultuur, voorzieningen, meppel, leiden, lezen, agenda, alternatieven, en meer.

hippogallery picture2 225x300 De Plataan. Hebben we nog wat te kiezen?Afgelopen donderdag stond het onderwerp Herstructurering van de Plataan weer eens op de agenda. Het was een heel bijzondere vergadering. De vergadering duurde maar liefst tot een uur ‘s nachts en nog zijn we er niet uit.

Ik hield die avond de inleiding ” De Plataan. Hebben we nog iets te kiezen?”. Ik vraag me dat af. We hadden een dossier gekregen van maar liefst 400 pagina’s. Er waren heel veel technische vragen gesteld. Ook GroenLinks. Mijn toespraak kunt u hier lezen.

Uit de beantwoording van de vragen aan GroenLinks en ook af te leiden van alle insprekers van donderdagavond werd ons steeds meer duidelijk. We zijn nog steeds niet overtuigd dat de inpassing van de Niermanschook organisatorisch en financieel  haalbaar is. Wij krijgen steeds meer het idee dat het hele plan iedereen wordt opgedrongen. De kans bestaat dat dit ook gebeurt met de gemeenteraad.

Het college (wethouder Mirjam Jansen) heeft naar ons idee de problemen meer doen opstapelen dan dat er duurzame oplossingen komen voor de Niermanschool, De Plataan en haar gebruikers.

 

Zo lijkt het er op dat nieuwbouw voor de Niermanschool goedkoper is dan verbouw van de Plataan, worden de bezuinigingen voor Scala niet gehaald en krijgt de Plataan een hoger tekort op de exploitatielasten.

Alleen Sterk Meppel volgde kritiekloos haar wethouder. Onvoorstelbaar. Zij stond niet open voor kritiek van andere partijen. Kritiek werd afgedaan met opmerkingen dat andere raadsleden deden aan doemdenken (Jan Wessels) of de vraag waarom andere partijen niet komen met alternatieven. Dat laatste is natuurlijk de boel omdraaien. Van het college kan verwacht worden dat zij met degelijke plannen die goed zijn onderbouwd. GroenLinks heeft best wel alternatieven – heeft ze die avond ook wel genoemd- maar Sterk Meppel zit in het college. GroenLinks niet.

Alle andere partijen bleken donderdagavond niet overtuigd te zijn van de haalbaarheid van de plannen. Veel zal afhangen van de VVD en de PVDA. Durven ze eerlijk te zeggen dat dit plan niet te realiseren is?

Donderdagavond gaan we weer verder. Dan mogen alle partijen reageren op de beantwoording van de wethouder op de vragen van de politieke partijen over het plan. Wordt vervolgd dus.

 

 

donderdag, 15 december 2011

Feiko van der Veen

Feiko van der Veen

GR

Culturele verheffing vraagt meer dan hoogwaardige kunst en beschouwingen over moraal

In geen categorie, adel van de geest, commerie, culturele verheffing, elite, maatschappij, maatschappijanalyse, media, riemen, en meer.

30 juli 2010. Rob Riemen, de organisator van de jaarlijkse Nexus-lezingen, schreef het boek “Adel van de geest”. Hij houdt daarin een boeiend pleidooi voor herwaardering van Kunst en Cultuur als bronnen van edele moraal. Het publiek krijgt in zijn ogen onder andere door de commerciële massamedia voorgespiegeld, dat vrijheid betekent: rijk, machtig en beroemd zijn. De menselijke waardigheid is in het gedrang. Om het herstel van menselijke waarden te bevorderen, pleit Riemen voor meer aanzien voor hogere kunst en – verdergaand – adel van de geest. Een echte plaatsing daarvan in de context van de hedendaagse maatschappij ontbreekt helaas echter grotendeels in zijn boek.

 

Ook intellectuelen hebben in de
twintigste eeuw hogere waarden ondergeschikt gemaakt aan de rechten van de
massa’s. Linkse intellectuelen praatten bijvoorbeeld leugens van het communistische
Rusland goed. Juist intellectuelen zouden moeten pleiten voor elitecultuur.
Ware kunst en filosofie bevorderen immers zielenrijkdom en ontwikkelen het
vermogen om deugdzaam te handelen.

 

Riemen is een fan van Thomas Mann.
Hij beschrijft diens fundamentele verwarring toen tijdens de Eerste
Wereldoorlog duidelijk werd dat zijn pleidooi voor adel van de geest niet meer
houdbaar was zonder de politiek-maatschappelijk context erbij te betrekken.
Daarvoor had Mann democratie afgewezen, omdat die op gespannen voet zou staan
met verheffing en middelmaat in de hand zou werken. Mann emigreerde in de jaren
dertig zelfs naar de Verenigde Staten omdat onder Hitler alle democratie en
daarmee vrijheid voor kunstenaars verdwenen. Hier stopt ook zo ongeveer Riemens
analyse van de maatschappelijke voorwaarden voor hoogwaardige cultuur.

 

Ik heb een grote bewondering voor de
moed die Riemen toont door de fundamentele vragen over de kwaliteit van het
samenleven aan de orde te stellen. Hij opent als een van de weinigen in onze
tijd het perspectief op een weg naar boven. Volgens mij is echter een bredere
analyse nodig om te achterhalen waarom oppervlakkigheid en middelmaat in onze
cultuur belangrijker lijken dan kwaliteit en ethiek. Cultuur omvat meer dan
elitekunst.  Globaal gesproken domineert
de economie ons maatschappelijk leven verregaand, ten koste van de cultuur in
de zin van het ontwikkelen van menselijke waarden en vermogens. Drie
voorbeelden daarvan. Het is niet vanzelfsprekend, dat massamedia commercieel
mogen zijn. Dat maken onze wetten mogelijk. Daardoor hebben kijkcijfers nu meer
invloed op de programma’s dan inhoudelijke kwaliteit. Dat werkt de
oppervlakkigheid in de hand. Ten tweede is ons onderwijs grotendeels op
materieel nut en het kwalificeren voor een beroep gericht in plaats van op het
ontwikkelen van eigenheid, persoonlijke kwaliteiten en het vermogen om het leven
naar eigen inzicht in te richten. Derde voorbeeld: investeren van kapitaal is
“vrij” in plaats van dat er voorwaarden worden gesteld om kapitaal
maatschappelijk verantwoord te investeren.

 

Adel van de geest acht ik van groot
belang. Ik ben daarbij geen pessimist, die denkt dat het vroeger veel beter met
het gemiddelde morele peil van mensen gesteld was. Maar in deze tijd waarin we
steeds meer en wereldwijd allemaal van elkaar afhankelijk zijn, moeten ook het
bestuur en de inrichting van het samenleven mee veranderen. Randvoorwaarde voor
alle economie moet zijn dat de natuurlijke rijkdom van de aarde niet wordt
aangetast. De economische ontwikkeling moet uiteindelijk ondergeschikt worden
gemaakt aan mogelijkheid van mensen om zichzelf te ontwikkelen. Als mens, als
medemens en als geestelijk wezen.

Culturele verheffing vraagt meer dan hoogwaardige kunst en beschouwingen over moraal is a post from weblog Feiko van der Veen.

donderdag, 1 december 2011

Evelien van Roemburg

Evelien van Roemburg

Hyves Linkedin Twitter GR DWARS

Reactie op 10 miljoen, moeten we dat doen? door pyjamazitting | 1461 dagen

In stad, zomer, amsterdam, bezuinigingen, blog, cultuur, kunst, kunst en cultuur, de.

[...] zomer schreef ik ook over kunst en cultuur in de stad. Die blog ging over de bezuinigingen die wij in Amsterdam [...]

Evelien van Roemburg

Evelien van Roemburg

Hyves Linkedin Twitter GR DWARS

Reactie op het mkb van de kunst en cultuur door pyjamazitting | 1461 dagen

In cultuur, kunst, kunst en cultuur, hoofdlijnennota, investeren, mkb, de.

[...] dus toen we begonnen aan het laatste agendapunt: de Hoofdlijnennota Kunst en Cultuur 2013-2016. Eerder al schreef ik erover: dat we moeten investeren in het MKB van de  kunst en cultuur, de middelgrote [...]

Evelien van Roemburg

Evelien van Roemburg

Hyves Linkedin Twitter GR DWARS

pyjamazitting

In groenlinks, kunst / cultuur, bezuiniging, cda, enquete, gek eigenlijk, hoofdlijnennota, inzicht, kunstraad, en meer.

Half twaalf was het.

Vanaf ‘s middags één uur hadden we – de gemeenteraad van Amsterdam – zitten vergaderen, onder andere drie lange uren over de vraag of er een raadsenquete moest komen naar de verbouwing van ‘t Stedelijk Museum. Een aantal partijen had hoog van de toren geblazen, maar kwamen met zoveel technische vragen die gewoon in een commissievergadering behandeld konden worden, en waarvan het bovendien gek was dat ze nu pas – na wat ronkende stukken op de voorpagina van het Parool – werden gesteld terwijl de informatie over kosten en schema’s altijd met de gemeenteraad is gedeeld, dat het hele zaakje op een tamelijk teleurstellend toneelstukje uitliep. Zoals collega Jan Hoek zei over het debat: ‘er was ons een sappige kerstkalkoen beloofd, maar al wat we kregen was een opgewarmde prak’.

Maar half twaalf was het dus toen we begonnen aan het laatste agendapunt: de Hoofdlijnennota Kunst en Cultuur 2013-2016. Eerder al schreef ik erover: dat we moeten investeren in het MKB van de  kunst en cultuur, de middelgrote en kleinere instellingen die gezamenlijk de culturele basisinfrastructuur van Amsterdam vormen. Dat cultuureducatie zowel binnenschools als buitenschools moet plaatsvinden. Dat de topinstellingen in Amsterdam relatief gezien uit de wind worden gehouden. Dat er meer aandacht moet zijn voor Nederlandse film, en dat het belangrijk is om een debatcentrum te subsidiëren.

Deze zomer schreef ik ook over kunst en cultuur in de stad. Die blog ging over de bezuinigingen die wij in Amsterdam hebben afgesproken: 230 miljoen euro in totaal, waarvan 10 miljoen op de kunstbegroting. Ik zette mijn twijfels bij die bezuinigingen, vooral in het licht van de culturele kaalslag die de landelijke overheid voor ogen heeft. Ik vond – en vind – dat die bezuiniging toen onderwerp van discussie mocht zijn. Aan het eind van de zomer werd echter helaas bekend dat de stad bovenop de 230 miljoen nog eens 80 tot 150 miljoen euro extra moet bezuinigingen. Dat betekent dat geen enkel onderwerp gespaard blijft: er wordt bezuinigd op de zorg, op armoedebestrijding, op reïntegratie. Het was daarom voor mij niet meer vol te houden om de 8 procent korting op de cultuurbegroting terug te willen draaien.

Enfin. Half twaalf was het, en bijna iedereen was door zijn spreektijd heen. Gelukkig hadden de collegaraadsleden van GroenLinks zich de hele dag ingehouden zodat ik nog  zes minuten kon oreren over de punten die voor ons belangrijk waren en over mijn acht voorstellen om de Hoofdlijnennota te wijzigen. Om half één begonnen we aan de stemming over alle voorstellen. Die van GroenLinks haalde het op ééntje na. Ik had ingezet op een verschuiving van drie miljoen van de topinstellingen naar de middelgrote en kleinere instellingen. Dit voorstel kon echter alleen op de steun van de SP rekenen.

Eén miljoen bleek echter wel haalbaar. Eén miljoen van de top af is vervelend voor een instelling die 10 miljoen euro subsidie krijgt, maar één miljoen bij de basis erbij betekent de redding voor tientallen kleinere instellingen die maar een klein subsidietje aanvragen. Dit verhaal overtuigde VVD en D66, en zelfs het CDA stemde voor. Dat de PvdA het geld liever bij de grote instellingen liet zitten, verbaasde mij wel enigszins. De sociaal-democraten steunden echter wel mijn voorstel om een harde eis van 25 procent eigen inkomsten te hanteren voor de topinstellingen.

En zo werd aan het eind van een lange dag, diep in de nacht, het belangrijkste stuk in vier jaar voor de kunst en cultuur in Amsterdam vastgesteld. Het is nu aan de instellingen om een aanvraag in te dienen. In mei 2012 zullen we het advies van de Kunstraad krijgen: welke instelling krijgt geld en komt daarmee in het Kunstenplan, en welke instelling valt buiten de boot. Eigenlijk begint de spannende periode nu pas.


donderdag, 24 november 2011

Evelien van Roemburg

Evelien van Roemburg

Hyves Linkedin Twitter GR DWARS

het mkb van de kunst en cultuur

In groenlinks, kunst / cultuur, bezuinigingen, hoofdlijnennota, investeren, mkb, amsterdam, belangrijk, bezig, en meer.

Een kunstenstad wordt gemaakt door de dynamiek aan de onderkant.

Zo begon ik mijn bijdrage woensdag in de commissie Kunst en Cultuur. We bespraken de Hoofdlijnennota die de opmaat moet vormen voor het Kunstenplan 2013-2017. In dat Kunstenplan zullen alle instellingen beschreven worden die voor vier jaar subsidie van Amsterdam krijgen. Het gaat om een hoop geld (zo’n 84 miljoen) en zeker met de bezuinigingen die er landelijk aan zitten te komen, is het zeer relevant welke criteria belangrijk worden en welke instellingen dus kans maken op subsidie.

De wethouder Kunst en Cultuur heeft ervoorgekozen om nog steeds de topinstellingen in Amsterdam het meeste geld te blijven geven. Dertien instellingen heeft ze genoemd, die samen zo’n 56 miljoen euro zullen krijgen. Daar zitten het Stedelijk Museum, het Concertgebouworkest, het Amsterdam Museum (voorheen het A’dams Historisch) en het Nationaal Ballet tussen. Stuk voor stuk instellingen die volgens de wethouder tot de basisinfrastructuur van de stad horen.

Ik ben het daar niet mee eens. Amsterdam heeft tientallen middelgrote en kleinere kunst- en cultuurinstellingen die ervoor zorgen dat we de culturele hoofdstad van Nederland zijn. Zij zorgen juist voor diversiteit, voor creativiteit en voor innovatie. Zij maken de stad levendig. Omdat zij de fundering vormen van de culturele stad, verdienen zij ook fundering in de Hoofdlijnennota. Daarvan is nu nog te weinig sprake: veel middelgrote en kleinere instellingen zullen sneuvelen als de landelijke overheid zich enkel nog richt op de topinstellingen en wij in Amsterdam dat niet enigszins compenseren.

Daarom stelde ik voor om iets minder geld (een miljoen of twee, drie) aan die topinstellingen te spenderen, en iets meer geld aan het MKB van de kunst en cultuur. Doorgaans hebben die kleinere instellingen maar een beetje subsidie nodig (omdat ze heel veel eigen inkomsten hebben), en dus kan je met twee of drie miljoen ongelooflijk veel doen. Er leek draagvlak voor bij de ander kunst- en cultuurwoordvoerders. Aanstaande woensdag wordt het besloten in de gemeenteraad. We zullen zien.

Zie hieronder voor mijn spreektekst in de commissie (het gesproken woord telt).

Voorzitter,

Een kunstenstad wordt gemaakt door de dynamiek aan de onderkant. Gitta Luiten, directeur van de Mondriaan Stichting, zei het vorige week treffend tijdens het debat in de Balie over deze Hoofdlijnennota. De middelgrote en vooral kleinere instellingen zorgen voor de smeuïgheid in de stad. Ze zorgen voor diversiteit, voor creativiteit en voor innovatie. Juist die innovatie is precies waar de kunstwereld op zoek naar zou moeten.

GroenLinks is het met de wethouder eens dat er een Amsterdamse basisinfrastructuur moet worden geformuleerd. De vraag is wel wat nu eigenlijk de basis in Amsterdam is: zijn dat de topinstellingen die ook landelijke subsidie krijgen, of zijn het juist al die Amsterdamse middelgrote en kleine instellingen die gezamenlijk maken dat Amsterdam de culturele hoofdstad is van dit land?

Wij denken dat dat laatste het geval is. GroenLinks vindt daarom ook dat we juist nu – nu veel van die typisch Amsterdamse instellingen dreigen om te vallen omdat de landelijke overheid besloten heeft alleen maar het topsegment te willen ondersteunen – dat we daarom ons vooral moeten richten op die middelgrote en kleinere instellingen in Amsterdam.

Dat betekent concreet dat er meer geld beschikbaar moet komen in de vrije ruimte. Het betekent voor ons niet dat er dan maar een kaasschaaf moet komen bij de topinstellingen. De wethouder sprak in het voorjaar nog grote woorden over het plan van Zijlstra om enkel te willen investeren in de top. ‘Dan moet de regering ook maar de volledige verantwoordelijkheid op zich nemen’, zei ze stoer. Ik vond het dapper van de wethouder. Maar nu blijkt dat we in Amterdam nog altijd verhoudingsgewijs de meeste miljoenen besteden aan juist die topinstellingen die landelijk ook nog overeind worden gehouden. Deels is dat niet zo gek: balletensembles kosten nu eenmaal veel geld, musea zijn duur om te onderhouden. Maar bij een aantal instellingen zou het toch mogelijk moeten zijn om meer geld via de mecenas binnen te halen.

Juist nu er een Geefwet is aangenomen, juist nu kunnen liefhebbers en vrienden meer gaan schenken terwijl ze tegelijk dat bedrag van de belasting weer terugkrijgen. Dat moet bij de grotere instellingen – die al een heel apparaat hebben om juist die mensen aan te sporen meer te geven – meer mogelijkheden geven. Zeker omdat bij deze instellingen de verhouding eigen inkomsten / subsidie vaak erg scheef is. Het is ook belangrijk in dit kader dat de Kunstraad een integrale afweging kan maken over het gehele budget, niet over de deelbudgetten. Mocht de verordening op dat punt aangepast moeten worden, dan zouden we dat graag willen doen.

Daarnaast denkt GroenLinks dat er ook bij de middelgrote en kleine instellingen meer ruimte zit om hogere eigen inkomsten te generen. Als het instellingen wordt toegestaan om een klein barretje te maken, of een terrasje voor de deur, als ze meer aan merchandising mogen doen en meer reclame mogen maken in de nabijheid van hun instelling, dan is er nog een wereld te winnen in de verdienmogelijkheid van deze instellingen. Dat betekent wel enige deregulering. GroenLinks zal hiervoor een motie indienen in de raadsvergadering volgende week.

Voorzitter, we hebben in Amsterdam teveel stoelen. Iedereen weet dat, en jaren is er niks aan gedaan. Sterker nog, er zijn zelfs stoelen bijgekomen. Het prachtige Muziekgebouw aan ‘t IJ, met z’n fantastische akoestiek, was natuurlijk helemaal niet nodig – iedereen weet het. En nu zitten we eraan vast. Of niet? GroenLinks vindt het niet goed te begrijpen waarom het Muziekgebouw is opgenomen in de lijst van de grote 13. Laat men eerst maar eens met een goed verhaal komen over hoe het gebouw exploitabel wordt. En als dat niet lukt, dan zijn er wellicht kopers op de kust. Is verkoop van dit gebouw aan een commerciële partij zonde? Misschien wel. Maar nu draait de stad al jarenlang op voor een te duur gebouw dat te weinig wordt gebruikt.

Nog iets over stoelen: GroenLinks vindt het goed dat de wethouder in de functionele ruimte slechts 4 podia heeft opgenomen. Dat vraagt namelijk om meer samenwerking, en om investeringen in productie in plaats van in stenen. Wel denken wij dat het belangrijk is om expliciet een aparte functie op te nemen in die functionele ruimte: namelijk dat van een plek waar ruimte is voor maatschappelijk en cultureel debat. Ik ben er nog niet helemaal uit of één van die vier podia een dergelijk label moet krijgen, of dat het een aparte functie moet zijn. Ik hoor graag wat de andere woordvoerders en de wethouder daarvan denkt.

Dan over cultuureducatie. Het kon natuurlijk niet uitblijven dat dat een belangrijk criterium zou worden in deze Hoofdlijnennota. En terecht. Ik zal hier niet uitweiden over het belang van cultuureducatie, want ik denk dat we daar met z’n allen wel van overtuigd zijn. De vraag is wel of werkelijk alle instellingen moeten voldoen aan het adagium cultuureducatie / talentontwikkeling. Voor kleinere instellingen is dit namelijk wel een extra belasting. Hoe ziet de wethouder dat voor zich?

GroenLinks lijkt het bovendien goed om hier het kopje ‘bekwamen’, zoals beschreven door de Kunstraad, nog aan toe te voegen. Bekwamen als het verder ontwikkelingen van talent ter voorbereiding op een professionele loopbaan past heel goed in de ketenbenadering zoals de wethouder dat voorstaat, en daarom wil GroenLinks die instellingen die zich met bekwamen bezig houden ook toegang geven tot de vrije ruimte. Als dat gebeurt, dan is GroenLinks het er ook mee eens dat instellingen in het Kunstenplan geen subsidie meer bij het Amsterdams Fonds voor de Kunsten kunnen aanvragen.

GroenLinks is het niet eens met de wethouder dat de meeste cultuureducatie maar binnenschools moet plaatsvinden. Juist niet, zou ik willen zeggen.  Laat de Amsterdamse kinderen de cultuurtempels in de stad bezoeken, trek ze juist uit die scholen, doe ze een jas aan en ga met ze op stap? Verandering van spijs doet eten, en verandering van plek doet leren. De nadruk op binnenschoolse cultuureducatie zouden wij dan ook willen schrappen – wat meteen ruimte schept voor instellingen die zich nu specifiek op kunst en cultuur van en met kinderen en jongeren richten.

Naast cultuureducatie is er ook het criterium wereldklasse waar veel instellingen aan moeten voldoen. Dat begrijp ik niet zo goed. We hebben toch juist die 13 – of 12, wie zal het zeggen – topinstellingen die van wereldklasse zijn benoemd, juist omdat ze van wereldklasse zijn? Waarom zou de buurtaccomodatie op de hoek, die een zeer belangrijke culturele en kunstzinnige functie vervult in een groot deel van de stad, ook aan wereldklasse moeten voldoen? De meerwaarde van dit criterium voor de functionele en vrije ruimte ziet mijn fractie niet.

Juist zouden we er belang aan hechten dat in de vrije ruimte meer aandacht komt voor de laboratoriumfunctie zoals we die vier jaar geleden ook in het kunstenplan hadden. Vier jaar geleden zei deze zelfde wethouder nog: innovatie en de laboratoriumfunctie is een belangrijke voorwaarde om Amsterdam als creatieve stad vitaal te houden. Daar waren we het toen van harte mee eens, en dat zijn we nog steeds. De laboratoriumfunctie past ook heel goed in de andere voorwaarden die dit College stelt: we investeren in broedplaatsenbeleid, we willen dat instellingen nieuwe verbindingen maken, dat er meer wordt samengewerkt, dat er meer aandacht komt voor de creatieve industrie. Op al die vlakken is de laboratoriumfunctie een spin in het web.

Voorzitter, laten we in 2014/2015 een moment inlassen voor reflex, eventueel door middel van een mid-term review. Dan kunnen we de effecten van de genomen besluiten wegen, en eventueel bijsturen mochten er onvoorziene slachtoffers dreigen te vallen.

Ik zal tot een afronding komen. GroenLinks denkt dat de wethouder met de Hoofdlijnennota een aantal scherpe en goede keuzes heeft gemaakt. Vorige week in het Baliedebat maakte zij een enorme indruk op mij met haar slotpleidooi: het gaat goed in de stad, er worden mooie en bijzondere dingen gecreëerd, er is volop beweging. Kortom, we gaan niet bij de pakken neerzetten. Dat optimisme deel ik met haar. Dat optimisme betekent voor GroenLinks dat de stad blijft investeren in de humuslaag, in de werkelijke basisinfrastructuur in Amsterdam. De pluriformiteit van het bestel vindt zijn oorsprong bij de middelgrote en kleinere instellingen. Die willen we behouden, daar zetten we op in.


woensdag, 23 november 2011

Liesbeth Tettero

Liesbeth Tettero

Hyves Linkedin Twitter GR

Cultureel glas tweederde vol

In persoonlijk, kunst en cultuur, kunst, markt, onderzoek, overheid, cultuur, de volkskrant, hoop, en meer.

Het is maar net hoe je het wilt zien: Nu.nl kopt: één op drie jongeren mijdt cultuur. De Volkskrant bracht het positiever: tweederde jongeren stelt belang in cultuur. Het glas is niet half vol of half leeg, maar maar liefst tweederde vol! Uit onderzoek van het CJP naar de kunst- en cultuurbeleving van jongeren blijkt dat maar liefst 22% van de ondervraagde jongeren zich geen leven zonder cultuur kan voorstellen, de ondernemende cultuurfans. Ze genieten van kunst van anderen en voeren zelf ook uit en op. 32% van de ondervraagden, veelal laag opgeleide jongens, heeft niets met cultuur. Ze gaan hooguit naar de bioscoop, maar dat noemen ze geen cultuur.

Ons cultuurminnende kabinet (hoest, proest) heeft niets met cultuur, dat was al duidelijk. Ook de bijdrage van het Rijk aan het CJP gaat verdwijnen. De stimulans om verder geld te zoeken werkt hopelijk, er wordt hard gewerkt aan een doorstart. Op zich prima natuurlijk, als anderen willen meebetalen is dat geweldig. Het signaal dat de overheid afgeeft, vind ik wel erg: zo belangrijk is cultuur kennelijk nou ook weer niet. Laat maar aan de markt over. Met alle onzekerheid die dat met zich meebrengt.

Gisteren had ik een uurtje over in Brussel. Die tijd heb ik doorgebracht in het Magritte-museum, waar naast een behoorlijk aantal toeristen ook veel groepen kinderen waren. Het was een groot genoegen om te luisteren naar hun associaties bij de prachtige schilderijen, hun creativiteit en het plezier dat zij er overduidelijk beleefden. Misschien was het wel de eerste kennismaking met kunst, zodat ze de overstap maken van de 1/3 naar de 2/3 (ervan uitgaand dat de CJP-cijfers ook voor Brussel gelden natuurlijk). En misschien worden het zelfs wel ondernemende cultuurfans, en kunnen we over een tijdje hun exposities bewonderen. Ik hoop het van harte.


woensdag, 16 november 2011

Marcel Kruijer

Marcel Kruijer

Hyves Last.fm Twitter GR

Recensie: Martin Simek in Cool Heerhugowaard

In persoonlijk, heerhugowaard, cool, martin simek, theather, bedrijf, blog, cultuur, de, en meer.

Gisteravond stond Martin Simek in Cool Heerhugowaard. Met de kreet “Wie van Italië houdt mag Bloedsinaasappels niet missen!” werd het publiek naar het theather gelokt, en zo ook ik. Martin Simek ken ik alleen van tv van programma’s zoals De Wereld Draait Door. Hierdoor was ik wel nieuwsgrierig hoe hij in het echt zou zijn.

De voorstelling werd aangekondigd als intiem. Er werd zelfs gesproken over samen met de heer Simek op het toneel zitten, waardoor het geheel persoonlijk zou worden. Echter was het aantal verkochte zitplaatsen van dusdanige grootte dat dit klaarblijkelijk niet door ging. De grote zaal van Cool was voor deze avond gereserveerd wat met het kleine aantal bezoekers resulteerde in een paar bezette rijen. Het grootste gedeelte van de zaal was leeg. Niet onoverkomelijk, maar intiem leek het plots niet meer.

Het decor van de voorstelling was minimalistisch. Een waslijn met beschreven blaadjes, een tafel met kleed erover en waterkan en glas erop en een op het oog comfortabele stoel. Dit was hoopgevend. Meestal is het zo dat hoe minder decor er is, hoe beter de voorstelling. Dit basseer ik op mijn ervaring dat acteurs meer moeten doen om een sfeer te scheppen. Alleen goede acteurs kunnen dit. Minder goede acteurs doen dit door het decor de sfeer te laten scheppen of te ondersteunen.

Iets later dan gepland begon de voorstelling. Martin Simek komt op en verteld wat hij voor deze avond heeft gepland. Tussen neus en lippen door verteld hij dat deze avond een try-out is en hij eigenlijk nog niets duidelijk heeft vastgelegd. Dit komt duidelijk tot uiting in de voorstelling. Het verhaal heeft enigzins een rode draad, zijn levensverhaal, maar verder lijken de verhalen nauwelijks samenhang te hebben. De voorstelling is een grote improvisatie. Dit blijkt mede doordat de pauze spontaan ergens in het programma is gepland.

De pauze in de bar van Cool verloopt rommelig. Het grote aantal bezoekers (en dit zijn er bij deze voorstelling minder dan normaal) kan het barpersoneel duidelijk niet aan. De aanvankelijk voor 15 minuten geplande pauze wordt opgerekt naar bijna een half uur om iedereen te kunnen voorzien van een drankje.

Na de pauze wordt het voor de pauze ingezette verhaal hervat. Met af een toe een grapje wordt het vlakke verhaal tijdelijk wat leuker om naar te luisteren, maar het bereikt geen niveau waarbij je aan de lippen van de verteller hangt. Het verhaal werkt niet toe naar een climax en blijft een onsamenhangend samenvoegsel van verhalen. De planning van de voostelling wordt niet aangehouden totdat Martin Simek aan een toeschouwer vraagt of het al tijd is voor het einde van de voorstelling. Ik hoop erop dat dit het geval is. Echter kondigd Martin Simek aan dat hij nog door kan gaan met een toegift. Deze toegift heb ik niet meer meegekregen. Terleurgesteld, wat wellicht komt door mijn foutieve verwachting van de avond, verlaat ik Cool op weg naar huis.

Martin Simek zei nog tijdens zijn voorstelling dat wellicht mensen die hem nu zien, niet nog een keer naar een voorstelling van hem zullen gaan. Ik moet toegeven dat ik nu inderdaad tot deze groep behoor.

Update 17 november 2011: Naar aanleiding van dit blog heb ik een reactie ontvangen van Cool Kunst en Cultuur. Mijn opmerkingen zullen ze meenemen en gebruiken om te kunnen verbeteren. Dit vind ik een goede reactie aangezien je als bedrijf juist blij moet zijn als consumenten een mening hebben. Met deze reactie houden ze mij in ieder geval als klant en bezoeker van het theater. Dank hiervoor.

zondag, 30 oktober 2011

Wilbert Willems

Wilbert Willems

Eindhoven Culturele Hoofdstad?

In activiteiten, architectuur, breda, commissie, cultuur, den bosch, dutch, eindhoven, europa, en meer.


Ruim een week geleden maakten wij, als stuurgroep Brabant Culturele Hoofdstad 2018, bekend dat we erover nadachten om aan de gemeenteraden en Provinciale Staten voor te stellen om Eindhoven voor te dragen als gemeente die namens ons volgend jaar het Bidbook moet indienen. Dat wordt steeds meer actueel omdat het artistiek team druk doende is dat Bidbook samen te stellen en zich goed oriënteert op onze sterke en zwakke punten in dat proces. Sondering bij de Europese Commissie, het ministerie van VWS, juryleden en andere direct betrokkenen maakte ons ook duidelijk dat het echt onvermijdelijk is dat het Bidbook door een stad moet worden aangeboden aan de Europese jury, zoals in de regelementen is vastgelegd en zeker nog tot 2020 zal gelden. Wel stelt de jury het zeer op prijs als het programma breed wordt gedragen door de regio en omliggende steden en zeker ook dat er samenwerking met andere partners binnen en buiten Europa wordt gezocht. En het feit dat de stad Essen destijds het bidbook indiende, maar dat iedereen weet dat Ruhr 2010 een event was waar alle Ruhrgemeenten intensief aan deelnamen, bewijst ook dat de indienende stad niet automatisch de hoofdrol speelt in het gebeuren rond Culturele Hoofdstad. Ook andere regio's bevestigen dit.

Wat ons stimuleerde om voor Eindhoven te kiezen was vooral dat deze grootste van de vijf deelnemende steden bij een Europese jury het meeste respect zou afdwingen en de verbinding tussen moderne post-industriele (culturele) stedelijkheid en traditionele kunst en cultuur het beste kan verbeelden. Ook al hebben alle andere partners ook zeer sterke punten in hun presentatie en ambities, Eindhoven kan als slimste stad ter wereld deze nominatie het beste binnen halen, lijkt ons. Bovendien heeft Den Bosch al haar handen vol aan Jeroen Bosch en dat zou juist contraproductief voor de nominatie kunnen werken en hebben Helmond, Tilburg en Breda een veel beperktere internationale uitstraling.

Ik werd afgelopen week nog eens bevestigd in deze voorkeur toen ik deelnam aan activiteiten in het kader van de Dutch Design Week in Eindhoven. In prachtige oude Philipsgebouwen, in indrukwekkende nieuwbouw, overal op straat en op pleinen en rondgereden door enthousiaste studenten in fraai gepimpte Mini's kon je overal je hart ophalen. Met productdesign, mode, film (van uiteraard Bredase deelnemers), architectuur en nog veel meer werden honderdduizenden bezoekers van heinde en ver ondergedompeld in deze hedendaagse cultuur. Een leuke opmaat richting 2018 en een stevige uitdaging voor alle andere partners van Brabantstad!

dinsdag, 11 oktober 2011

Evelien van Roemburg

Evelien van Roemburg

Hyves Linkedin Twitter GR DWARS

mecenas

In kunst / cultuur, bijlmerparktheater, concertgebouworkest, cort van der linden, helaas, libertijn, mecenaat, melkweg, nationaal ballet, en meer.

— column uitgesproken op het politiek café van de VVD (de Libertijn) op 10 oktober over het mecenaat — 

Vanmiddag google-de ik het begrip ‘mecenas’ eventjes. De online Van Dale zei dat dit iemand is die kunstenaars geldelijk steunt. Wikipedia was wat explicieter: ‘een mecenas is een doorgaans welgesteld persoon die als beschermheer of –vrouwe van kunstenaars optreedt door ze van financiële middelen te voorzien, zodat ze zich zorgeloos kunnen wijden aan scheppend werk’.

Ik dacht eventjes: wat lief eigenlijk van zo’n welgesteld persoon, dat hij zijn goeie geld wil besteden aan de kunst en cultuur van het land. Wat kan daar nou mis mee zijn?

Het mecenaat is door velen, die zich vooral ter rechterzijde van het politieke spectrum bevinden, als hét antwoord op de kunst- en cultuurbezuinigingen van het huidige kabinet geformuleerd. Zo verscheen van de hand van Diederik Boomsma, duo-raadslid voor het CDA in Amsterdam en een prominente jonge conservatieve denker, een veelbesproken opiniestuk dat stelde dat we het subsidie-infuus maar moesten afbouwen, en de kunsten terug moeten werpen op markt en mecenas.

Dat klinkt natuurlijk fantastisch. Laat het aan de liefhebber zelf over om te bepalen waar zijn geld naar toegaat, in plaats van dat we een beetje socialistisch belastingen bij elkaar harken om dat vervolgens te gaan herverdelen aan tromboneclubjes waar niemand op zit te wachten en pindakaasvloeren die door niemand worden begrepen.

Logisch! Of niet?

Eind september was Marja Ruigrok (raadslid in Amsterdam voor de VVD) op een bijeenkomst waar meer informatie werd verschaft over de verkoop van aandelen van het Concertgebouw. Een paar dagen later vertelde ze me dat zij in haar jurk en hoge hakken een uitzondering vormde omdat de bijeenkomst vooral werd bijgewoond door oude en witte mannen. Ook twitterde ze: ‘Jammer dat er nu weinig 30-ers en 40-ers worden aangesproken’.

Ik moest dan ook even lachen toen ik het citaat van de heer Rienstra (directeur van de VandenEnde Foundation) op de VVD site las: ‘de overheid heeft cultuur elitair gemaakt’. Want als er iets elitair is, dan is het wel de rijke bovenlaag van de bevolking laten bepalen welke kunst en cultuur in Nederland mag overleven.

Als er iets elitair is, dan is het wel het mecenaat.

In oktober vorig jaar kopte de Volkskrant nog: ‘Cultuursector kan klappen opvangen met donateurs’! Particuliere gevers zouden bereid zijn om financiële steun te geven aan kunstinstellingen. De vraag is alleen: wie zijn die particuliere gevers? Zijn dat de bakkers, de studenten, de secretaresses en de verpleegkundigen? Of zit het echt grote geld bij de rijke witte oude mannen die Marja tegenkwam?

De mecenas als vervanger voor overheidssubsidies zal een kunstsector opleveren waar ik me als jonge vrouw niet thuis zal voelen. Evenmin zullen Henk, Ingrid en Achmed zich aangesproken voelen door de geliefde clubjes van de mecenas. Als de witte oude mannen van Marja het mogen bepalen, dan overleven het Concertgebouworkest, de Opera en het Nationaal Ballet ongetwijfeld. Maar de Melkweg, het Productiehuis MC en het Bijlmerparktheater – waar het publiek doorgaans wit noch oud is – zullen hun deuren moeten sluiten.

Natuurlijk is het goed als het makkelijker wordt voor liefhebbers om geld te schenken aan hun favoriete instelling. Natuurlijk is het goed als instellingen meer kennis in huis hebben om geld uit de markt te halen. Maar het mecenaat is absoluut geen panacee voor de komende bezuinigingen.

In 1917 werd onder de liberale premier Cort van der Linden het censuskiesrecht afgeschaft. Als we echt vinden dat de mecenaten het voor het zeggen moeten hebben, laten we dan gewoon het censuskiesrecht weer invoeren. Tot die tijd is het de taak van de overheid – ook onder leiding van de huidige liberale premier – om kunstinstellingen draaiende te houden.


woensdag, 6 juli 2011

Herman Folkerts

Herman Folkerts

Twitter

De wethouder vertelt waarom het college kiest voor toch een nieuw cultuurhuis in Winschoten

In theater, bezuinigingen, leefbaarheid, cultuurhuis, groenlinks, college, concept, cultuur, de, en meer.
Het heeft behoorlijk wat moeite gekost, moet ik u in mijn jubileum blog (jawel, de 100ste alweer) bekennen. Hoe kun je nu met droge ogen, in een tijd waarbij de broekriem door alle Oldamster inwoners moet worden aangehaald en de pijn daarvan diep voelbaar zal worden binnen onze gemeenschap, kiezen voor de bouw van een Cultuurhuis a raison van 21 miljoen euro.
Toch kan deze keuze op een open en transparante wijze aan een ieder worden uitgelegd. Hiertoe heb ik het artikel van de wethouder, welke op de lokale GroenLinkswebsite valt te lezen overgenomen en eveneens geplaatst op mijn blog:

De wethouder vertelt:
In het college is, zo geeft wethouder Bard Boon aan, uitvoerig gesproken over de knelpunten bij dit onderwerp en uiteindelijk, na een intensieve college vergadering, is er unaniem besloten om de raad voor te stellen wel tot de bouw van het cultuurhuis in Winschoten over te gaan. We hebben duidelijke afspraken gemaakt over de wijze waarop een eventueel exploitatietekort opgevangen kan worden waarbij we de culturele instellingen en verenigingen niet gaan belasten met een bijdrage aan het oplossen van dit mogelijke tekort. Ook over de overige punten hebben we heldere afspraken kunnen maken wat er dan uiteindelijk toe heeft geleid dat we tot dit standpunt zijn gekomen.
De belangrijkste bezwaren om tegen de nieuwbouw te zijn, zijn m.i. verdwenen en dan zijn er eveneens geen steekhoudende argumenten meer om tegen het collegevoorstel te gaan stemmen.

Wat maakt nu dat er voorgesteld wordt het Cultuurhuis te gaan bouwen?
Als college hebben we, zoals gemeld, alle voors en tegens tegen het licht gehouden en we denken dat de bouw van het cultuurhuis een positieve invloed zal hebben op het economisch tij in onze gemeente en op Winschoten in het bijzonder. We denken en verwachten dat het Cultuurhuis en alle activiteiten daarin en omheen de centrumfunctie van Winschoten zal versterken en bijdraagt aan een verdere ontwikkeling van Winschoten als koopstad. Ook verwachten we een positief effect op de vestiging van bedrijven en mensen in onze gemeente. Als we dan mede in ogenschouw nemen dat aan de Stikkerlaan 2 supermarkten gevestigd gaan worden en de realisatie van een zorgboulevard waarschijnlijk ook zal lukken dan hebben we een geweldige ontwikkeling in dat gebied waar we als gemeente de vruchten van kunnen gaan plukken. Ook zal het Cultuurhuis als spin in het web de culturele ontwikkelingen in onze gemeente , ook de evenementen en openlucht activiteiten, verder gaan stimuleren, bijeenbrengen en coördineren en daarmee onze gemeente samen met alle andere instellingen die we rijk zijn als culturele pleisterplaats ( nog meer) op de kaart zetten. Daarmee trekken we publiek naar de gemeente wat een positief effect zal hebben op de middenstand maar ook op de bestaande voorzieningen.

Is het dan allemaal hosanna?
Neen dat is het niet, we moeten eerlijk aangeven dat er heus wel risico’s en onzekerheden zitten aan de exploitatie van het Cultuurhuis. Veel zaken zijn nog niet volledig uitgekristalliseerd, het bedrijfsmatige concept is gestoeld op aannames en verwachtingen en ook de synergie die we incalculeren door intensieve samenwerking moet zich nog wel eerst bewijzen. Dit kan betekenen dat we wel degelijk een tekort op de exploitatie kunnen krijgen maar we hebben onszelf en straks de aan te stellen directie de opdracht gegeven om er alles aan te doen om dit tekort op nul te krijgen en het liefst daarboven. Ook hebben we niet ontkend dat het huidige klimaat op het gebied van kunst en cultuur verre van ideaal is , de stijging van de BTW op de kaartjes, het verminderen en zelfs volledig verdwijnen van subsidies voor gezelschappen en de adviezen van de raad voor de kunst, zowel landelijk als provinciaal, maken dat we heel wat moeite zullen moeten doen om het cultuurhuis en alles daarom heen tot een positief exploitatieresultaat te laten komen. We hebben echter ook gemeend te kunnen stellen dat ook aan het huidige economisch tij een eind zal komen en dat we dus weer betere tijden zullen krijgen. Een gebouw zoals het cultuurhuis bouwen we voor 40 jaar en we hebben er geloof in dat het positieve effect groter is dan de risico’s die we kunnen gaan lopen.

Hoe past het cultuurhuis in de stroom van bezuinigingen die de gemeente heeft afgekondigd?
Het is lastig om uit te leggen dat we een theater willen bouwen en ook fors moeten bezuinigen. Logisch dat het een aan het ander wordt gekoppeld en dat er dan stemmen opgaan om de bouw weg te schrappen tegen de bezuinigingen. Vanzelfsprekend hebben we dat ook in het college aan de orde gehad. Waar we het allemaal over eens waren is dat onze gemeente een bruisend cultureel leven verdient en dat daarin geïnvesteerd moet worden. Ook dat gaat gepaard met behoorlijke kosten. Wanneer we af zien van de bouw van het theater maar wel investeren in alternatieven dan is de structurele besparing zeer beperkt en bij lange na niet voldoende om de bezuinigingen die we structureel moeten invoeren op te vangen. Dus hoe we het ook wenden of keren met of zonder cultuurhuis moet er fors bezuinigd worden. Dat maakt dat we als college hebben gemeend de voordelen van het bouwen te laten prevaleren, we hebben de overtuiging dat, met alle respect voor de mensen die er anders over denken, Winschoten en dus onze gehele gemeente er de positieve effecten van zal gaan ondervinden.

Lijdt het college aan het Essentsyndroom?
Vlak nadat we het besluit over het cultuurhuis hadden genomen en ook de bezuinigingsvoorstellen voor het komende jaar hadden benoemd werd duidelijk dat de verkoop van de kerncentrale in Borssele in principe afgerond was en we op een financiële meevaller konden rekenen van ongeveer 4,8 miljoen euro. We hebben in het college daarop besloten om in ieder geval van dit bedrag één miljoen euro te gaan bestemmen voor een cultuurfonds waaruit, naast bijdragen aan culturele en kunstzinnige activiteiten, ook een eventueel exploitatietekort van het theater gedekt kan worden. Dat maakt dat we ook andere posten in onze begroting niet hoeven te belasten met het bijeenbrengen van dit eventuele tekort en om een gedeelte van dit bedrag aan te wenden om de effecten van de aangekondigde bezuinigen te verzachten. Wij vinden dan ook niet dat we Sinterklaas aan het spelen zijn maar dat we op een realistische manier de mogelijkheden benutten die ons nu geboden worden. Kortom, het collegevoorstel om het besluit van de raad van 20-10-2010 verder uit te gaan voeren is geen makkelijk besluit geweest maar wel het resultaat van intensieve discussie, gedegen overleg, het afwegen van alle pro- en contra’s en een langere termijn visie. Met deze column wil de wethouder inzicht geven in de wijze waarop het besluit is genomen en de afwegingen die in het college zijn gemaakt.

Ruud Pet

Ruud Pet

Linkedin Twitter GR

hypocrisie bij wethouders?

In almere, betalen, bezuinigingen, college, cultuur, de, geluk, hart, jeugd, en meer.
Afgelopen week zag ik twee 'tweets' langs komen van twee Almeerse wethouders over culturele bezuinigingen door de rijksoverheid. Verontwaardiging bij Duivesteijn en Peeters over staatssecretaris Halbe Zijlstra. Hij zette zich alleen nog in voor de 'elitaire' kant van de cultuur in Nederland. Koos voor de topgezelschappen en liet het jonge talent in de kou staan door het perspectief voor kleinere, en experimentele, gezelschappen weg te halen. Uit het hart gegrepen dus! De basisinfrastructuur in Nederland staat onder druk. De 'elite-cultuur' blijft gespaard...en gesubsidieerd. De 'gegoede burgerij' kan met een gesubsidieerd kaartje naar het Concertgebouw of naar de Opera. Wil je kleine voorstelling in de Kleine Komedie bezoeken tref je waarschijnlijk een lege zaal of een Joop van de Ende-aanbod. Alleen lijken de twee Almeerse wethouders met twee maten te meten. Een landelijke meetlat versus ???????? op lokaal niveau. Want in Almere doet het college namelijk precies hetzelfde als de regering op landelijk niveau. De basisinfrastructuur wordt ingeruild voor 'kennismaking-lessen' kunst en cultuur op scholen (als die tenminste willen meewerken; hen is nog niets gevraagd). Als je aan cultuur geroken hebt, geïnteresseerd bent geraakt, mag je op de particuliere markt een aanbod zoeken. Moet er in jouw keuze wel zijn natuurlijk; bij piano gaat het lukken, bij harp??? Als je geluk hebt, en je ouders kunnen het betalen, dan kan je je talenten ontwikkelen. Maar stel dat je in een groep wil musiceren, aan een musical wil werken, een professionele dansklas wil volgen...waar moet je dan naar toe? De Kunstlinie is ondertussen vergeven aan een landelijk topensemble, om met wethouder Steunenberg te spreken. Straks wellicht het Metropole-orkest in plaats van het Almeerse Jeugd Symfonie Orkest. Is dat een verbetering voor de Almeerders? Halbe Zijlstra heeft een Almeerse kloon; Steunenberg heet zij, met warme steun van Duivesteijn en Peeters.

maandag, 14 maart 2011

Eric Leltz

Eric Leltz

Twitter GR

Flinterdunne beloftes

In ede oost, cultuur, financiën, gemeente, het nieuwe landgoed, huis, jongeren, keuzes, kunst, en meer.

eric leltz

Onlangs presenteerde het college van Ede haar plannen met het kazerneterrein. Het terrein wordt verdeeld in 4 stukken: een deel met duurdere woningen, een deel voor zorgvoorzieningen, een deel voor kunst en cultuur en een deel voor commerciële functies.

Opmerkelijk is dat met de bouw van duurdere woningen de afspraak om bij bouwprojecten 30% sociale woningen te bouwen in de prullenbak wordt gegooid. Met dit besluit loopt het college niet alleen vooruit op de nog te maken woonvisie, ze opereert ook in strijd met haar eigen beleid neergelegd in het convenant. Hierin staat dat “in afwachting op de woonvisie het ingezette beleid op het gebied van bouwen en wonen wordt voortgezet”. Ook de afzonderlijke collegepartijen hebben nog wel iets uit te leggen afgaande op hun verkiezingsprogramma’s:

 

CDA

  • Er moeten meer goedkope woningen worden gebouwd
  • De gemeente zet zich in voor sociale woningbouw
  • Gemeente gaat eenzijdige bevolkingsamenstelling in de wijken tegen

 

Gemeentebelangen

 

  • Goedkope woningbouw voor starters

 

SGP

 

  • 33% goedkope woningen bij nieuwbouw projecten

 

VVD

 

  • Extra mogelijkheden bieden voor jongeren en starters

 

En klap op de vuurpijl PvdA die omomwonden stelt dat

 

  • koopwoningen gewoon weg te duur zijn en daarom 35% van de woningen in Ede-oost voor sociale woningbouw is.

 

De beloften blijken allemaal flinterdun en op te lossen onder financiële druk. Het lijkt er op dat de financiën overheersen bij het loslaten van de 30% sociale woningen. Maar het is wel een papieren werkelijkheid. Op papier zijn de boeken dan wellicht sluitend of is het verlies te overzien, maar in werkelijkheid moet je de woningen nog wel verkopen. En dat zal nog een hele opgave zijn. Niet alleen concurreert het kazerneterrein met andere bouwprojecten buiten de gemeente Ede, maar ook is er binnen de gemeente genoeg concurrentie in bijvoorbeeld Veldhuizen A, Kernhem, Het Nieuwe Landgoed, Otterlo en in Wekerom. En als je de woningen niet verkoopt ben je nog verder van huis. Elders worden juist bouwprojecten stilgelegd om dat de dure woningen niet te verkopen zijn.

En waar de potentiële kopers vandaan moeten komen? Het college gokt op mensen buiten de regio. Als dat al zo is zie ik graag een actief beleid om die mensen te interesseren. Alleen hopen dat de regio Foodvalley werkgelegenheid creëert en mensen massaal naar Ede doet trekken is veel te vaag.

 

Wat ontbreekt is een woonvisie. Met een dergelijke visie in de hand, waaruit de reële woonbehoefte blijkt, kunnen onderbouwde keuzes worden gemaakt. GroenLinks/PE pleit voor het handhaven van de 30% sociale woningen met normale grondprijzen totdat het woningbehoefte onderzoek en de woonvisie anders uitwijzen.

     



donderdag, 30 december 2010

Ger Bosma

Ger Bosma

Russia’s Greatest Love Machine

In algemeen, ge(r)neuzel, geen commentaar, geschiedenis, kunst en cultuur, muziek, december, dood, gegevens, en meer.

Gister was het precies 94 jaar geleden dat de Russische monnik en gebedsgenezer Grigori Raspoetin de dood vond. Aan het hof van de laatste tsaar Nicholaas II stond Raspoetin (1869-1916) bekend als een gewiekste intrigant met een duistere reputatie, die een grote rol achter de schermen speelde. Door zijn heilzame invloed op de aan hemofilie leidende jonge tsjarevitsj Alexsej, wist Raspoetin als een Greet Hofmans avant la lettre vanaf 1907 allengs in de gratie te geraken van met name de vrouw van Nicolaas, Alexandra Fjodorovna.

De invloed van de ‘gekke monnik’ Raspoetin werd nog aanmerkelijk groter nadat Nicolaas vanaf 1915 naar het front vertrok om het hoofd te bieden aan het offensief van de Duitse en Oostenrijks-Hongaarse legers. De tsarina, die eigenlijk Alix von Hessen-Darmstadt heette en verwant was aan de Duitse keizer Wilhelm II ontmoette sowieso al veel wantrouwen aan het Russische hof in Sint Petersburg. Roddels over haar vermeende seksuele verhouding met de onvoorspelbare Raspoetin deden hun beider reputatie tot een dieptepunt dalen. Dit alles maakte Raspoetin een van de meest gehate en gevreesde personen. Zijn ondergang was slechts een kwestie van tijd.

Over Raspoetin doen allerlei buitenissige anekdotes de ronde, met name omtrent zijn ongekende libido en seksuele uitspattingen. Laten we het er maar op houden dat de monnik Raspoetin er niet bepaald een celibataire levensstijl op na hield. Het hardnekkige verhaal dat zijn naam Распутин in het Russische ‘de losbandige‘ zou betekenen, is helaas net iets te mooi om waar te zijn, hoewel het inderdaad erg lijkt op het woord pаспу́тны = liederlijk, zedenloos. Dit is in ieder geval wel de insteek van het stampende nummer ‘Rasputin‘ (Russia’s Greatest Love Machine) van discolegendes Boney M, met zanger Bobby Farrell in de rol van Raspoetin: 

Most people looked at him with terror and with fear
But to Moscow chicks he was such a lovely dear
He could preach the bible like a preacher
Full of ecstacy and fire
But he also was the kind of teacher
Women would desire

RA RA RASPUTIN
Lover of the Russian queen
There was a cat that really was gone
RA RA RASPUTIN
Russia’s greatest love machine
It was a shame how he carried on [hele tekst]

Ook in het kreupele Boney M Engels wordt Raspoetin nadrukkelijk neergezet als een sexbeest. Hij was volgens de verhalen nogal fors geschapen en zijn penis zou na zijn dood verwijderd zijn en op sterk water gezet. Het Erotisch Museum in Moskou claimt Raspoetins snikkel in haar collectie te hebben.

De moord

Vooral het verhaal rondom de moord op Raspoetin op 29 december 1916 is ronduit bizar. Op die avond werd Raspoetin uitgenodigd voor een feest ten huize van prins Felix Joesoepov. Het plan van de samenzweerders was om Raspoetin daar te vergiftigen middels gif in zijn wijn en gebak. Ondanks een overdosis kaliumcyanide bleef de beresterke Raspoetin gewoon dooreten en drinken. Omdat het gif, genoeg om 5 mensen te doden, zijn uitwerking miste, schoot Joesoepov diverse malen op hem met een pistool. Raspoetin viel ter aarde, maar was niet dood. Hij probeerde Joesoepov vervolgens te wurgen, terwijl hij naar verluid ‘stoute jongen’ in diens oor fluisterde.

Raspoetin werd nu opnieuw onder vuur genomen door de overige samenzweerders. Hij stond echter weer op en kwam op zijn belagers af, waarna die hem met knuppels te lijf gingen. Nadat Raspoetin echt niet meer bewoog, werd zijn lichaam in een tapijt gewikkeld en gedumpt in een rivier. Op een of andere manier wist hij ook hieruit te ontsnappen, maar verdronk uiteindelijk toch onder het ijs.

Dit is officieel de doodsoorzaak in het autopsierapport. Er bestaan echter talloze variaties op dit verhaal en de precieze omstandigheden rond de moord blijven raadselachtig. Prins Joesoepov, de belangrijkste getuige, wijzigde zijn verklaring een aantal malen. Recente gegevens werpen een nieuw licht op de mogelijke ware toedracht in die koude decembernacht 94 jaar geleden.

Boney M geeft er in deze stampende klassieker in ieder geval zo zijn eigen draai aan. Bekijk vooral ook de memorabele videoclip, waarin zanger Bobby Farrell (met opplakbaard) Rasputin op onnavolgbare wijze vertolkt.

En of de duvel ermee speelt: vandaag werd bekend dat Farrell op 61 jarige leeftijd is overleden in een hotelkamer in Sint Petersburg, waar hij verbleef voor een eenmalig optreden met zijn begeleidingsband.

dinsdag, 23 november 2010

Ger Bosma

Ger Bosma

Helter Skelter

In algemeen, eigen artikelen 2000-2012, ge(r)neuzel, geschiedenis, kunst en cultuur, muziek, politiek, amerika, analyse, en meer.

Eind november 1968 brengen de Beatles hun negende studioalbum uit. Vanwege de smetteloos witte hoes staat de dubbel-LP (die officieel de naam “The Beatles” draagt) al gauw bekend als The White Album. Hoewel de verkopen in het Verenigd Koninkrijk achter blijven bij Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band uit 1967, is The White Album in de VS een doorslaand succes en staat daar tot op de dag van vandaag in de top 10 van best verkopende albums ooit.

De nieuwe Beatles-LP slaat helemaal in als een bom in een kleine, merendeels uit jonge vrouwen bestaande woongemeenschap die is neergestreken op Spahn Ranch, aan de noordwestelijke rand van Los Angeles. De onbetwiste leider van de groep, een 34-jarige man die meer dan de helft van zijn leven in kostscholen en gevangenissen heeft doorgebracht, raakt er al gauw van overtuigd dat The White Album tal van speciaal voor hem bestemde gecodeerde boodschappen bevat. De boodschappen zouden stuk voor stuk verwijzen naar een op handen zijnde grootschalige rassenoorlog in de VS, door de groep Helter Skelter genoemd, naar een nummer op de dubbel-LP.

Het door overmatig LSD-gebruik gekleurde gedachtegoed van de sekteleden radicaliseert zienderogen en in de zomer van 1969 doet men van zich spreken door een reeks afschuwelijke moorden, bekend geworden als de Tate-LaBianca murders. Het is voor Amerika de schokkende eerste kennismaking met Charles Manson & The Family.

De psychose ontrafeld
Charles Manson, die zichzelf als de messias beschouwde, was eind 1968 door het obsessief beluisteren van The White Album ervan overtuigd geraakt dat de Beatles grootse visionairen waren. Zij hadden de reeds langer aan Manson geopenbaarde waarheid van de op handen zijnde oorlog tussen blank en zwart in Amerika doorgrond en op subtiele wijze in muziek verpakt. Dankzij de vele verborgen toespelingen die Manson in de songteksten van de Beatles meende te ontdekken, viel alles voor hem op zijn plaats. Of zoals de voormalige Manson-volgelinge Catherine Share het in 2009 verwoordde:

“It wasn’t that Charlie listened to the White Album and started following what he thought the Beatles were saying. It was the other way around. He thought that the Beatles were talking about what he had been expounding for years. Every single song on the White Album, he felt that they were singing about us. The song “Helter Skelter”, he was interpreting that to mean the blacks were gonna go up and the whites were gonna go down.”

Charles Manson was al langer geobsedeerd door het idee van op scherp staande raciale verhoudingen. Hij zag deze opvatting nogmaals bevestigd door de moord op Martin Luther King in april 1968. Mansons analyse was extreem karikaturaal en bovendien gegoten in zeer seksistische termen. De enige reden dat de rassenoorlog nog niet was uitgebroken volgens Manson, was omdat als gevolg van de seksuele revolutie van de jaren 60 blanke vrouwen ‘bereikbaar’ waren geworden voor zwarte mannen. Zodra dit – tijdelijke – pacificerende element zou wegvallen, was een rassenoorlog onvermijdelijk. De door de Manson Family opgezette Helter Skelter-campagne zou het laatste zetje geven dat hiervoor nodig was.

The music made me do it
Manson, die in de gevangenis gitaar had leren spelen en sinds zijn vrijlating in 1967 verwoed, maar met niet bijster veel succes, aan de weg timmerde als singer-songwriter, redeneerde dat het uitbrengen van een album met eigen songs het ultieme instrument zou zijn om de onvermijdelijke raciale holocaust te ontketenen:

“More than merely foretell the conflict, this album would trigger it; for, in instructing “the young love,” America’s white youth, to join the Family, it would draw the young, white female hippies out of San Francisco’s Haight-Ashbury. Black men, thus deprived of the white women whom the political changes of the 1960s had made sexually available to them, would be without an outlet for their frustrations and would lash out in violent crimes against whites.”

Daarna zou een niet te stoppen geweldsspiraal ontstaan. Een moorddadige tegenreactie van in het nauw gedreven blanken zou worden uitgebuit door militante bewegingen zoals de Black Panthers. Daarop zou tussen blanken onderling een onverzoenlijke strijd op leven en dood uitbreken, tussen racistische en niet-racistische facties. Hopeloos verdeeld en verzwakt, zou het pleit uiteindelijk worden beslecht door militante zwarten, die alle blanken zouden uitroeien.

Nou ja, alle blanken? De uitverkorenen, Manson en zijn inmiddels flinke uitgedijde ‘familie’, verscholen in een grot in de woestijn van Death Valley, zouden natuurlijk de dans ontspringen. In een post-apocalyptische wereld zouden zij de taak op zich nemen om de nu weer tot bedaren gekomen zwarte bevolking aan de hand te nemen – een zoveelste variant van de aloude White Man’s Burden – aangezien, zoals eenieder weet, zwarten zichzelf niet kunnen besturen. Sekteleider Manson stelde dit zich weinig subtiel als volgt voor: “[I] would scratch the black man’s fuzzy head and kick him in the butt and tell him to go pick the cotton and go be a good nigger.”

Show me the magic
Niet alleen sloten de boodschappen naadloos aan op Mansons sluimerende apocalyptische visioenen, de cryptische teksten van de Fab Four bevestigden voor Manson en de zijnen dat uitgerekend voor henzelf een grootse rol was weggelegd.

Uit teksten van nummers als Don’t Pass Me Bye, I Will, Honey Pie, Blackbird, Happiness is a Warm Gun, Revolution 1 en Helter Skelter construeerde Manson in de eerste weken van 1969 een gitzwarte alternatieve werkelijkheid.

Vaste patronen die hij in de teksten ontwaarde, zijn oproepen tot etnisch geweld (‘When I hold you in my arms/ And I feel my finger on your trigger/ I know no one can do me no harm/ Because happiness is a warm gun/ (Bang bang, shoot shoot)) en de aanstaande revolutie door de zwarte bevolking (‘Blackbird singing in the dead of night/ Take these broken wings and learn to fly/ All your life/ You were only waiting for this moment to arise’.) Hetzelfde thema komt terug in het nummer Revolution 1: ‘You say you want a revolution/ Well you know/ We all want to change the world…/ But when you talk about destruction/ Don’t you know that you can count me out (/in).’ 

Een andere constante in de ogen van de sekteleden is de klemmende oproep van de Beatles aan Manson om zich openbaar te maken als de messias die is teruggekeerd naar de aarde. (‘You say you got a real solution/ Well you know/ We’d all love to see the plan.’). Met het uitbrengen van een eigen succesvol muziekalbum zal Manson vervolgens Helter Skelter in gang zetten, precies zoals de Beatles voorspellen: ‘And when at last I find you/ Your song will fill the air/ Sing it loud so I can hear you/ Make it easy to be near you’ (uit het nummer ‘I Will’) of ‘Oh, honey pie, my position is tragic/ Come and show me the magic/ Of your Hollywood song’. Hollywood, Los Angeles: hoe duidelijk wil je het hebben?

Geen wonder dus dat rond februari 1969, toen deze waanideeën volledig waren uitgekristalliseerd, de groep rond Manson per brief, telegram en telefoon contact zocht met de Beatles om hen duidelijk te maken dat de boodschap helemaal was begrepen. De Manson Family zou alles doen om operatie Helter Skelter in gang te zetten en zo de rassenoorlog te doen ontbranden. Toen weinig verrassend de Beatles niets van zich lieten horen en ook Manson’s pogingen om als muzikant door te breken spaak leken te lopen, kozen de sekteleider en zijn trouwe volgelingen in de zomer van 1969 voor een radicaal andere stategie, die zou eindigen in de brute moorden op onder meer Gary Hinman en Sharon Tate, de hoogzwangere vrouw van filmregisseur Roman Polanksi.

Daarover binnenkort meer in deel 2 van Helter Skelter

donderdag, 14 oktober 2010

Arno Bonte

Arno Bonte

Hyves Twitter GR

5 maart 2014

In blogs, openbaar vervoer, oud, overal, participatie, rekening, rotterdam, samenleving, sociaal, en meer.

Mijn bijdrage vandaag bij de Algemene Beschouwingen over het collegeprogramma:

5 maart 2014, de dag van de volgende gemeenteraadsverkiezingen. Hoe ligt Rotterdam er dan bij? Wat voor stad treffen we dan aan?

Laat ik u eens meenemen in een visioen.

Op 5 maart 2014 schijnt de zon. Als je de trappen van het stadhuis afloopt dan flitsen de fietsen en elektrische voertuigen voorbij op een groene en autoluwe Coolsingel.
Het centrum staat vol bomen en het noordelijk deel van de Binnenrotte is veranderd in een goed bezocht stadspark. Het Stokviswater en de Hang zijn ontwikkeld tot een aantrekkelijk terrassengebied met de allure van de Oude Gracht in Utrecht.
Overal in de binnenstad zijn nieuwe winkeltjes, restaurantjes en lunchrooms geopend. Het uitgaanscircuit bruist als nooit tevoren en een nieuw poppodium in het centrum van de stad is het levendige middelpunt van een hernieuwde popcultuur in Rotterdam.

Op 5 maart 2014 is Rotterdam een stad waar iedereen graag wil wonen: van jong tot oud, van arm tot rijk, van starter tot gezin. Parken en pleinen worden intensief gebruikt. Buurthuizen en speeltuinen zijn ook ’s avonds en in het weekend open en in alle buurten is er voldoende plek voor kinderen om buiten te spelen. En de bewoners van de ’s-Gravendijkwal zijn verlost van de stank en herrie, door een met gras begroeide overkapping over de drukke verkeersader.

Op 5 maart 2014 doet 70 procent van de Rotterdammers aan sport, hebben 30.000 mensen met succes een taal- en participatietraject gevolgd, zijn overal in de stad broedplaatsen voor kunstenaars en creatieve bedrijfjes, krijgen evenementenorganisatoren alle ruimte om nieuwe concepten uit te proberen en is Rotterdam weer een aantrekkelijke uitgaansstad.

Op 5 maart 2014 is Rotterdam een groene, sociale en bruisende wereldstad. En ja, een stad met meer ruimte voor talent en ondernemen.

Gaat dit visioen echt werkelijkheid worden? Als het aan GroenLinks ligt wel. Het kán, als de politieke wil er maar is.
Of het echt gaat lukken is nog wel de vraag. Als we op het werkprogramma van het college afgaan komen we er niet. Althans, maar zeer ten dele.

Natuurlijk, er staan een paar mooie voornemens in. Zo geeft het college voortvarend uitvoering aan de GroenLinks-motie om 2000 bomen per jaar aan te planten om zo versteende straten groen te maken. Ook de GroenLinks-motie om in 2014 alle wijken aan de buitenspeelnorm te laten voldoen, wordt goed opgepakt. En ik ben ook erg gelukkig dat het GroenLinks-initiatief uit de vorige periode, RotterdamIdee, verder wordt voortgezet en zelfs wordt uitgebouwd met een ruimer budget voor bewonersinitiatieven.

Maar voor het overige zijn de ambities van het college erg dun. En zijn de doelstellingen (in goed Rotterdams: targets) al helemaal treurigstemmend.

Zo stelt het college als target dat 60% van de deelnemers aan een taal- en participatieproject één of meer stappen zet op de participatieladder. Met andere woorden, zich verder ontwikkelt in de samenleving.
Klinkt mooi, maar door de forse bezuinigingen én door de eigen bijdrage die het college in wil voeren, zullen er waarschijnlijk fors minder deelnemers aan de taal- en participatietrajecten zijn, waardoor die 60% in de praktijk maar weinig voorstelt.

Het college belooft ook het areaal groen te vergroten in de 10 buurten die nu het minst groen zijn. Ook niet bepaald ambitieus. De wethouder kan die target bij wijze van spreken volgende week al afstrepen na het planten van slechts één bonsaiboompje in elk van die wijken.

En wat te denken van de doelstelling dat er aan het einde van de raadsperiode in de stad en in de haven voor minimaal 350 miljoen aan duurzaamheid moet zijn geïnvesteerd. Klinkt als veel geld. Maar als je de groene paragrafen uit de jaarverslagen van de grote Rotterdamse ondernemingen mag geloven, dan wordt er nu al voor minstens het dubbele aan duurzaamheidsuitgaven gedaan.
Maar los daarvan wordt hier in de collegedoelstelling het maatschappelijk effect vergeten: het gaat niet om het geld geïnvesteerde geld, maar om het resultaat.
Waarom niet de doelstelling opgenomen dat de CO2-uitstoot in de komende 4 jaar met minimaal 10 procent omlaag gaat?
 
Talentontwikkeling bij taalcursisten en groen ondernemerschap komt er in het collegeprogramma dus niet erg gunstig vanaf. Ook op andere terreinen leidt het collegebeleid eerder tot minder dan tot meer ruimte voor talent en ondernemen. Zeker als je de maatregelen uit het bezuinigingspakket op een rij zet.

Daarnaast snijdt het college flink in kunst- en cultuurbeleid en komt een fors deel van de rekening te liggen bij de meest kwetsbare Rotterdammers.

Als je de bezuinigingsplannen van het college de komende jaren bij elkaar optelt, dan schijnt op 5 maart 2014 niet de zon, maar waait er een gure en kille wind door de stad.

En dan heb ik de donkere donderwolken van het rechtse kabinet nog niet eens meegerekend. Een tsunami aan bezuinigingen wordt over ons heengespoeld. Van kunst en cultuur tot de wijkenaanpak, van het armoedebeleid tot het openbaar vervoer.

Kunnen we ons daar tegen weren? Kunnen we het zonnige visioen toch werkelijkheid laten worden? Ja, dat kan.

Tussen de donkere donderwolken uit Den Haag gloort ook een beetje hoop. De korting op het gemeentefonds pakt namelijk veel lager uit dan het doemscenario waar het college nog rekening mee hield bij het opstellen van de begroting. Dat levert een meevaller op van 35 miljoen in 2012 oplopend tot 100 miljoen in 2014.

GroenLinks wil die meevaller deels besteden aan het terugdraaien van de gemeentelijke bezuinigingen op kunst en cultuur, klimaatbeleid, evenementen, buitenruimte en participatie.
En voor het andere deel voor het opvangen van de bezuinigingen van het rechtse kabinet op taalcursussen, sociaal beleid, wijkaanpak en openbaar vervoer.

De zon kán schijnen op 5 maart 2014. Niet alleen voor de door GroenLinks gewenste groene, sociale en bruisende wereldstad. Maar ook voor de collegeambitie om meer ruimte te geven aan talent en ondernemen.

De GroenLinks-fractie helpt het college daar graag bij. Volgende week zullen we een tegenbegroting presenteren waarin we laten zien dat bezuinigen kan, mét behoud van een ambitieus beleid voor de stad. Met meer in plaats van minder ruimte voor talent en ondernemen.

Als het aan GroenLinks ligt staat deze raadsperiode in het teken van creativiteit en vernieuwende initiatieven. We zien graag dat er grote vooruitgang wordt geboekt op het gebied van duurzaamheid en dat de stad weer gaat bruisen. Bij de begroting zullen we daar een aantal voorstellen voor doen. Vandaag doen we er alvast één:

Wat zou er nou mooier zijn dan een raadsperiode vol nieuwe talenten en ondernemerszin te bekronen met een recente Rotterdamse traditie: een themajaar. GroenLinks stelt voor om 2014 uit te roepen tot Innovatiejaar. Want waar talent en ondernemen samen komen, krijg je innovatie. Wij zien graag dat Rotterdam zichzelf op de kaart zet als innovatieve stad vol vernieuwing en creativiteit. Zodat op 5 maart 2014 iedereen weet: Rotterdam is de stad waar het bruist, Rotterdam is de stad van innovatie, Rotterdam is de stad met ruimte voor talent en ondernemen.


donderdag, 23 september 2010

Ger Bosma

Ger Bosma

Smells Like Teen Spirit: Spencer Elden

In algemeen, ge(r)neuzel, kunst en cultuur, muziek, eerste, eten, foto, ouder, ouders, en meer.

Nirvana-Nevermind Op 24 september 1991 bracht Nirvana grungeklassieker Nevermind uit. In een klap werd Nirvana van een obscuur dertien in een dozijn bandje uit het afgelegen Seattle tot een wereldact. Het fenomenale succes was vrijwel geheel op het conto te schrijven van de eerste verpletterende single Smells Like Teen Spirit, dat uitgroeide tot het lijflied van de grunge-generatie. Niet alleen betekende Nevermind voor Kurt Cobain, Krist Novoselic en Dave Grohl de doorbraak naar een miljoenenpubliek. Ook voor ander bands uit de underground scene van Seattle zoals Pearl Jam, Alice In Chains en Soundgarden effende het  doorslaande succes van Nevermind de weg naar een internationale heldenstatus.

Cobain gaf later eerlijk toe dat Smells Like Teen Spirit zwaar gexc3xafnspireerd was door een van de meest invloedrijke bands van de late jaren 80, de Bostonse Pixies, met Black Francis als drijvende kracht: "I was trying to write the ultimate pop song. I was basically trying to rip off the Pixies. I have to admit it. When I heard the Pixies for the first time, I connected with that band so heavily that I should have been in that bandxe2x80x94 or at least a Pixies cover band. We used their sense of dynamics, being soft and quiet and then loud and hard."

De albumhoes van Nevermind, met een zwemmende baby die naar een dollarbiljet grijpt, heeft  sinds 1991 ook een vrijwel iconische status verworven. De baby in kwestie is de dan 2 maand oude Spencer Elden, het zoontje van een stel waarmee fotograaf Kirk Weddle bevriend was. Omdat stockmateriaal te duur was – Weddle betaalde uiteindelijk $200 aan de ouders – ensceneerde hij de foto met een zwemmende Spencer. Het 1-dollarbiljet en de vislijn werden er later digitaal in gemonteerd.

Weird_Al_Yankovic_Off_The_Deep_EndCobain en Courtney Love waren naar verluid zo gecharmeerd van de foto, dat ze voorstelden als Spencer ouder was hem mee te nemen uit eten. Apocrief of niet, de zelfmoord – of was het toch moord? – van de getroebleerde Nirvana-voorman op 8 april 1994 zorgde er hoe dan ook voor dat deze afspraak nooit werd ingelost.

De beroemde foto is begrijpelijkerwijs ook talloze malen geparodieerd, bijvoorbeeld met Bart Simpson als baby Spencer en uiteraard ook door gekwalificeerde muziekmalloot Weird Al Yankovic op zijn album Off The Deep End uit 1992. Spencer Elden ging overigens in 2001 en 2008 opnieuw (deels) uit de kleren voor muziekblad Rolling Stone voor remakes van de beroemde foto.

Elden, inmiddels zelf een tiener, kijkt met gemengde gevoelens terug op zijn debuut als rock'n rollbaby, niet in de laatst plaats vanwege het parmantig uitstekende piemeltje: "It's kind of creepy that that many people have seen me naked. I feel like I'm the world's biggest porn star."

Aantal berichten op deze pagina: 21. De berichten op deze pagina zijn niet ouder dan 14565 uur (606,9 dagen). Berichtgemiddelde: 0 bericht per dag, 0,2 per week.

Pagina: 1