Het versterken van landschap en biodiversiteit in de markt
In Lochem, net als in zoveel plattelandsgemeenten, zijn honderden kilometers berm ingeplant met een diversiteit aan boomsoorten. De eikenlanen domineren, maar ook beuken, acacia, els en es zijn veel voorkomende soorten. Het is een landschap dat uit het begin van de vorige eeuw stamt, als afronding van ontginningen, aankleding van het nieuw verkaveld landschap. Vermengd met oudere landschappen van de landgoederen, de broekgebieden, de oude essen en beekdalen. In die tijd waren ze deel van een snel veranderend landschap waar heggen en hagen verdwenen en schaalvergroting haar intree deed. Oude kaarten getuigen er nog van. Voor die tijd was het vooral het kleinschalig agrarisch landschap met daarbinnen functionele structuren als geriefbosjes, hagen en heggen, afgewisseld met landgoederen die het landschap en biodiversiteit bepaalden. Nu, na bijna een eeuw, bereiken de ongeveer 50.000 laanbomen in het buitengebied hun bejaarde leeftijd. Toenemende kwetsbaarheid, veel dood hout en hoge kosten in onderhoud zijn het gevolg. Zonder ingrepen zullen de lanen uiteen vallen, ontstaat grote schade, zijn er grote maatschappelijke risico’s. Lochem zoekt naar wegen om hier een antwoord op te vinden.
Subsidieer het bomenbeheer
De laanbomen, zeker de vele oudere bomen, zijn dominante dragers van het landschap geworden. Veel van deze bomen hebben, met hun leeftijd en karakteristieke structuur, een grote monumentale en emotionele waarde. Mensen die in hun omgeving wonen zijn gehecht, voelen een persoonlijke binding. Beheer van deze bomen is dan ook een kwestie van uiterste zorgvuldigheid met als doel het bewaren en versterken van de huidige landschappelijke en emotionele waarden. Het is, vanuit dat perspectief, niet meer dan vanzelfsprekend dat de samenleving hier ook geld voor over heeft. Het onderhoud moet dan ook door de verantwoordelijk eigenaar betaald worden. Voor de Lochemse laanbomen is dat de overheid, met een noodzakelijk jaarlijks budget tussen de 250.000 en 500.000 Euro. Een budget dat er niet is
Laat het landschap zichzelf terug verdienen
Een andere benadering, met erkenning van het belang van bomen in landschap, biodiversiteit en identiteit, is dat deze kenmerkende structuren onderdeel vormden van een landschap dat zichzelf in stand hield. Heggen, hagen, geriefbosjes en landgoederen waren allemaal deel van een economisch systeem en cultuur. Uiteraard ontstonden daaruit monumentale en emotionele waarden, maar die werden binnen het systeem van uitruil in de markt ook gefinancierd. De laanbomen werden aangelegd door een overheid die indertijd helemaal geen beeld had van onderhoud op de lange termijn. Dat op een gegeven moment gedund moest worden en structureel onderhoud noodzakelijk was, werd in die tijd niet als probleem ervaren. Zo ontstond een systeem waarin het onderhoud van laanbomen buiten de markt om werd geregeld, als een vorm van ‘subsidie’ van de overheid. Je zou kunnen stellen dat een van de grote problemen van het onderhoud landschap door die afhankelijk is van overheidssubsidies wordt bepaald. Die subsidies zijn namelijk weer afhankelijk van het reilen en zeilen van overheidsfinancien, bijvoorbeeld als deel van de economische groei, uitgifte gronden voor bedrijven en huizen. Zodra er een teruggang is wordt deze ‘luxe’ afgeroomd en het landschap onverzorgd achtergelaten. Kortom, het landschap (dus ook de laanbomen) moeten de eigen broek ophouden en niet structureel afhankelijk zijn van kwetsbare overheidsfinanciën.
Lochem bezuinigt
Drie keer werd de gemeenteraad gevraagd om extra geld te stoppen in onderzoek naar de vitaliteit van haar laanbomen, om vanuit die basis het noodzakelijk onderhoud in beeld te brengen. Drie keer weigerde de raad dit verzoek. In die drie jaren is het economisch tij veranderd. Er is een recessie, de overheid moet radicaal snijden. De kans op een overheidsfinanciering van het onderhoud bomen buitengebied (en nog in sterkere mate geldt dat voor andere landschapselementen) is zeer klein geworden. Daarmee lijkt de stelling van voorstanders van een verdienend landschap een onvermijdelijke te worden. Immers, er is geen enkele financiële ruimte meer om bomenonderhoud te subsidiëren. Dan zal het bomenonderhoud zichzelf moeten financieren.
De business case bomenonderhoud
Als het bomenonderhoud zichzelf moet financieren, dan accepteer je dat onderhouds- en plantkosten afgezet moeten worden tegen opbrengsten. Opbrengsten bestaan uit rondhout, tophout en afvalhout. Het ‘verwaarden’ van die biomassa wordt dus belangrijk. Een tweede aspect dat je accepteert, is dat je kijkt naar het economisch rendement van je beheer en dus bereid bent de verdiencapaciteit te vergroten (de opbrengst biomassa feitelijk) om daaruit beheer, onderhoud en plantkosten te financieren. Dat betekent ook dat je in staat moet zijn om aan bomen te verdienen.
Een ander element in deze ‘business case’ is dat we efficiënter moeten gaan beheren. We zien ruimte voor verbetering in ons beheer, door meer te weten over de vitaliteit van onze bomen, door zorgvuldiger beheer, waardoor we kunnen zorgen dat bomen vitaler blijven en dus minder onderhoud vergen. We kunnen beter met marktpartijen samenwerken, bijvoorbeeld door de samenwerking met de WSW instelling Delta en de agrarische natuurvereniging ‘t Onderholt te verbeteren en met boseigenaren gecombineerde activiteiten te ontplooien.
Een derde aspect is dat we de relatie met omwonenden kunnen verbeteren. Naast hun verbinding met natuur en landschap en daarmee ook de mogelijke, vrijwillige, betrokkenheid bij het beheer zien we ook veel deskundigheid die gemobiliseerd kan worden. Er is kennis over bomenbeheer, over de historie en waarden van de bomen en andere landschapselementen, die een belangrijke toegevoegde waarde heeft.
Pilots onderhoud bomen buitengebied
We komen van ‘ver’. Het ‘verwaarden’ van hout en andere biomassa is een vak dat we nog onvoldoende beheersen. Nog te veel gaat verloren, bijvoorbeeld omdat we te laagwaardige toepassingen toestaan of omdat we de markt niet kennen. Het beheer loopt ver achter. Vaak onderhouden we bomen te laat, met grote schade als gevolg. En door onze verwaarlozing van ons bomenbestand komen we in een vicieuze cirkel. We zien de relatie met bermbeheer nog onvoldoende, waardoor regelmatig wortelzones en stamvoeten worden beschadigd. We bieden bomen vaak onvoldoende ruimte, waardoor ze in verdrukking komen.
We moeten de samenwerking met (markt)partijen nog goed vormgeven. Delta heeft mensen met een arbeidshandicap en kan veel routinewerk verzetten. ‘t Onderholt heeft deskundige mensen in dienst, maar niet alle apparatuur en certificaten om ermee te werken. Groot onderhout aan bomen is vakwerk en we moeten die kennis nog bundelen in een goed samenwerkend consortium.
We moeten nog leren met buurten en buurtverenigingen samen te werken. Onze gecertificeerde vakmensen moeten leren om onderhoudsplannen in overleg met omwonenden en buurtverenigingen voor te bereiden. Geen simpele klus, want er zin veel tegenstrijdige belangen en emoties. Iedereen is ‘deskundig’, het gevoelde eigendom ligt vaak bij direct omwonenden. Met respect toch stevige keuzes maken is dan de uitdaging.
Ambachtelijk proces, tijdrovend
Dit proces is een kwestie van meerdere jaren. Ervaring op doen gebeurt in de praktijk. Het gaat om complexe en ingrijpende activiteiten en we moeten de tijd nemen om te leren van onze ervaringen. Daarbij zien we dat in veel gevallen de kennis en tijd ontbreekt om de plannen goed en snel op te zetten. Historische eigendomsverhoudingen zijn diep in archieven begraven, soms onbekend. Juridische zekerheid is nodig om ervoor te zorgen dat de verantwoordelijkheid bij de juiste instantie en persoon komt te liggen.
De rendementen zullen niet hoog zijn. Er is sprake van achterstallig onderhoud en de waarde van dood hout is laag in de markt. Een inhaalslag is noodzakelijk om uit de vicieuze cirkel van achterstallig onderhoud en stijgende schade en kosten te komen. En dat zonder eigen financiële ruimte en met een zeer beperkte stafcapaciteit. Een uitdaging van omvang dus.
Risico
Misschien ‘redden’ we het niet om het ideale bomenbeheer te vinden binnen de ons gegeven ruimte. Dan zijn er een aantal alternatieven, die overigens pas aan bod komen als we ervaring hebben. Het zijn alternatieven die elkaar aanvullen.
We rekenen uit wat we nodig hebben om de inhaalslag te maken op basis waarvan we met de laagst mogelijke exploitatie ons onderhoud vorm geven. Kortom, een echte investering.
We rekenen uit wat we nodig hebben om te ‘verdienen’ en gaan, planmatig, ook gezonde bomen oogsten zodat we met die opbrengsten ons onderhoud gaan financieren.
We breiden ons areaal bomen uit. Dat kunnen laanbomen, maar kan ook bos zijn, waardoor we een langjarige cyclus kunnen draaien van oogst en aanplant. We worden dus bosondernemer.
Er zijn vast en zeker meer antwoorden en alternatieven. De tijd moet dat leren. Elk voordeel zal gepaard gaan met nadelen, en uiteindelijk is het ook een politieke en bestuurlijke keuze. Zover zijn we nog lang niet. Eerst doen we ervaring op, verlagen we de kostprijs van ons beheer, verbeteren we ons onderhoud en leren beter samen te werken, met bedrijven die ons consortium vormen en met omwonenden die zich eigenaar van het landschap voelen en dat misschien ook in grote mate zijn.