woensdag, 9 mei 2012

John Swelsen

John Swelsen

Hyves Linkedin Twitter Youtube

Economisch verbinden met ChristenUnie

GroenLinks werkt hard aan een verkiezingsprogramma momenteel. Komende zondag is een inspraakochtend en daar zal ik namens de Werkgroep Arbeidsverhoudingen bij zijn. Belangrijk, want economie en arbeidsmarkt wordt een essentieel thema bij de komende verkiezingen.

 

Over al te intensieve samenwerking met andere partijen heb ik altijd bepleit om daar terughoudend in te zijn maar nu zie ik toch wel redenen om op dit terrein een verbinding met de ChristenUnie aan te gaan.

Na de verkiezingen bestaat de kans dat er twee grote blokken gaan ontstaan, liberaal en socialistisch. De VVD wordt groot en D66 zal groeien, waarmee het liberale blok op zo’n 45 zetels kan uitkomen. De SP zal stevig winnen en de PvdA schat ik in op 20-25 zetels waarmee dit rode blok mogelijk iets hoger uitkomt, tussen 45 en 50 zetels. Daarmee staan er twee ideologische blokken die, zoals we de afgelopen weken hebben kunnen zien lijnrecht tegenover elkaar staan.

Het wandelgangenakkoord heeft laten zien dat er meer nodig is, we kunnen ons niet verschuilen achter ideologieën en alleen maar vanaf de zijlijn het eigen gelijk blijven bepleiten. Daarom ben ik er voor om een tegenblok te vormen.

 

De economische visies van GroenLinks en de ChristenUnie ontlopen elkaar nauwelijks, realistisch omdat de wereld veranderd maar tegelijkertijd de morele plicht voelend om iedereen mee te nemen en dat dan ook als belangrijke taak voor de overheid zien. Met het realiseren van zo’n blok zijn we nodig binnen een toekomstige coalitie. Het zou prachtig zijn als het CDA haar morele en sociale gezicht terug gaat vinden de komende maanden, want dan kunnen we gaan werken aan een lange-termijn-visie op economie en arbeidsmarkt, niet op basis van ideologie maar op basis van economische én maatschappelijke effecten.

Economisch verbinden met ChristenUnie is a post from John Swelsen.

vrijdag, 6 april 2012

John Jorna

John Jorna

De toekomst van GroenLinks

In column van de week, abortus, arbeidsmarkt, arbeidsverhoudingen, bedrijf, beslissing, de, diefstal, discussie, en meer.

DIRIGISME VERSUS LIBERALISME

Van GroenLinks wordt beweerd, dat het een links-liberale partij is. Femke Halsema zou de partij als een liberale partij hebben achtergelaten, toen zij het stokje overdroeg aan Jolande Sap. Is dat nu werkelijk zo? Altijd was er in sociaal-cultureel opzicht een tendens naar vrije opvattingen ten aanzien van waarden en normen. Iedereen moet naar de mening van GroenLinks zelf kunnen bepalen hoe hij zijn leven inricht, welke keuzes hij maakt. Iedereen moet zijn eigen gewetensbeslissingen kunnen nemen en niemand hoort hem of haar tot een bepaalde beslissing te dwingen. Overigens is dat ook bij de christelijke kerken uitgangspunt al kan de sociale druk soms groot zijn. De moderne conservatieve bisschoppen en priesters hebben grote moeite met persoonlijke vrijheid, vooral waar het hun ondergeschikten betreft. Met deze GL opvatting over vrijheid heb ik geen moeite.

Het liberale kan ook in economisch opzicht worden opgevat. GroenLinks wil de arbeidsmarkt hervormen en daarbij vooral het ontslagrecht en de hoogte en de duur van de werkloosheidsuitkering. Uitgangspunt is, dat mensen zo snel mogelijk weer aan het werk moeten, want dat maakt hen zelfstandig en onafhankelijk. Mensen moeten niet jarenlang in een uitkeringssituatie worden opgesloten. Jonge GroenLinksers hechten niet zo aan een vaste baan. Ze hoppen van de ene naar de andere job en gaan steeds beter verdienen. Of dat in de huidige crisissituatie ook nog lukt is maar de vraag. Maar een grotere arbeidsmobiliteit hoeft niet perse te worden afgewezen. Toch hebben veel ouderen moeite met deze liberale arbeidsverhoudingen. Zouden zij zich bij de SP meer thuis voelen?

Er is heel veel mis in ons financieel-economisch systeem. Af en toe krijg ik de indruk, dat oplichting en beroven en plunderen als het maar in het groot door banken en fondsen gebeurt, gewoon is toegestaan. Een fonds koopt een bedrijf, verkoopt de aantrekkelijke onderdelen met veel winst, zadelt het bedrijf op met enorme schulden en laat het leeg geroofde bedrijf dan vallen na veel geld geïncasseerd te hebben. Goede en slechte hypotheken worden bij elkaar gestopt en als zogenaamde aantrekkelijke inkomstenbronnen doorverkocht. Als dan blijkt, dat op veel hypotheken verlies wordt geleden is er niets aan de hand. Maar het is je reinste oplichting en het zou zwaar bestraft moeten worden. Voorraden voedsel of grondstoffen worden opgekocht en tijdelijk uit de markt genomen. Door het krappe aanbod stijgen de prijzen. Consumenten zijn het slachtoffer. Dat heet dan een legale vorm van handel, maar is eerder diefstal te noemen. Er wordt gespeculeerd tegen een land, dat failliet dreigt te gaan en vooral daardoor gaat het failliet en velen vervallen tot bittere armoede. De waarde van aandelen stijgt de ene dag en de volgende dag storten de koersen weer in en zo komen pensioenfondsen in de problemen en dus de gepensioneerden en de premiebetalers. Dat is het moderne economische liberalisme en ik kan mij niet voorstellen, dat GroenLinks of welke partij ook in Nederland daar niets tegen wil doen. Maar zie; er gebeurt vrijwel niets. Van enige discussie binnen de Nederlandse politieke partijen is weinig te merken, ook niet binnen GroenLinks. De macht van het internationale kapitaal lijkt onaantastbaar.

Eigenlijk heeft dit alles te maken met waarden en normen. Als je voor jezelf absolute vrijheid opeist, maak je minder gemakkelijk de keus om samen al die economische narigheid te bestrijden. Je kunt er voor kiezen mee te profiteren. Je zelf duur te verkopen. Tsja, maar dan hoor je eigenlijk niet thuis bij GroenLinks.

Bij al die levensbeschouwelijke zaken eisen wij die vrijheid ook. Onlangs werd in de Partijraad hulp bij een zelfgekozen levenseinde besproken. Daar werd beweerd, dat GroenLinks als liberale partij daarmee weinig moeite zou hebben. Mij stemt het niet tot vreugde, maar zoals bij andere ethisch thema’s als abortus provocatus en euthanasie zou je kunnen zeggen, dat in onze pluriforme maatschappij de mogelijkheid daartoe zou kunnen worden geboden. Zo is ook het “homohuwelijk” mogelijk geworden.  Wat mij nu opvalt is dat bij dergelijke ethisch vraagstukken de voorstanders steeds dogmatischer gaan denken en er steeds grotere moeite mee hebben, dat er ook mensen zijn, die er niet zo blij mee zijn. Dan komen bij deze liberale denkers plotseling zeer dirigistische tendensen naar voren en worden mensen gedwongen niet langer overeenkomstig  hun eigen standpunt te leven en te handelen. Dat is nu liberaal zijn, zolang het in de eigen kraam te pas komt maar tegelijk anderen die vrijheid niet te gunnen. Dat is de worsteling tussen dirigisme en liberalisme. Lastig hè!

Jaargang 5, Nr. 209.

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Rabbijn: Kosher slachten = Eco kweken

In religie en politiek, rituele slacht, boek, conservatief, de, dieren, discussie, freedom, geschiedenis, en meer.

In de discussie over ritueel slachten zijn vaak zorg voor dieren en godsdienstvrijheid tegenover elkaar gezet. Dat die twee elkaar niet uitsluiten, blijkt uit de woorden van de liberaal-joodse rabbijn Menno ten Brink:

“What do we need as Progressive, living and thriving Jewish community in our own European countries in the decades to come? We are facing an Europe that has opened its borders, where the distance between peoples and communities is made shorter. We face an increasing secular and individualized society, a tendency to move away from religion, rituals and being different. In the Netherlands at least, we have the discussions about shechita [...]. But Tzaar baalee chajim, is a basic principle in Judaism, caring for the animals, Freedom of Religion, is also a basic right, and we should stand firm in this. Progressive Jews should actively find new methods, to slaughter kosher, but with enough guarantee for the rights of animals; but also, we should stimulate eco-kashrut, where meat is only kosher if the animals are treated well before they die to be our food. Fair trade, kosher wood and products that came from sources where there is no child labor and slavery, and no oppression, because, we know the slavery and oppression ourselves. Moshe took us out there. That is what Jews should do, care about the world where we live.”

Religieuze tradities hebben een lange geschiedenis van aandachtig leven en verantwoordelijkheid nemen voor medemens en natuur. Vandaag de dag staan ze vaak per definitie te boek als conservatief en ongevoelig voor het lijden van mens en dier. Juist de progressief-religieuze stemmen laten echter zien dat spirituele inspiratie en religieuze tradities kunnen – nee, moeten – leiden tot een mens- en diervriendelijke levenshouding.


Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Rabbijn: Kosher slachten = Eco kweken

In religie en politiek, rituele slacht, boek, conservatief, de, dieren, discussie, freedom, geschiedenis, en meer.

In de discussie over ritueel slachten zijn vaak zorg voor dieren en godsdienstvrijheid tegenover elkaar gezet. Dat die twee elkaar niet uitsluiten, blijkt uit de woorden van de liberaal-joodse rabbijn Menno ten Brink:

“What do we need as Progressive, living and thriving Jewish community in our own European countries in the decades to come? We are facing an Europe that has opened its borders, where the distance between peoples and communities is made shorter. We face an increasing secular and individualized society, a tendency to move away from religion, rituals and being different. In the Netherlands at least, we have the discussions about shechita [...]. But Tzaar baalee chajim, is a basic principle in Judaism, caring for the animals, Freedom of Religion, is also a basic right, and we should stand firm in this. Progressive Jews should actively find new methods, to slaughter kosher, but with enough guarantee for the rights of animals; but also, we should stimulate eco-kashrut, where meat is only kosher if the animals are treated well before they die to be our food. Fair trade, kosher wood and products that came from sources where there is no child labor and slavery, and no oppression, because, we know the slavery and oppression ourselves. Moshe took us out there. That is what Jews should do, care about the world where we live.”

Religieuze tradities hebben een lange geschiedenis van aandachtig leven en verantwoordelijkheid nemen voor medemens en natuur. Vandaag de dag staan ze vaak per definitie te boek als conservatief en ongevoelig voor het lijden van mens en dier. Juist de progressief-religieuze stemmen laten echter zien dat spirituele inspiratie en religieuze tradities kunnen – nee, moeten – leiden tot een mens- en diervriendelijke levenshouding.


zondag, 18 maart 2012

Simon Otjes

Simon Otjes

Last.fm Twitter

725 and counting

In arbeid, cpn, democratie, dierenrechten, evp, fictie, groenen, groenlinks, homo, en meer.

725 blogs heb ik geschreven in de laatste vijf jaar. Dat is wel heel veel. Wat is de centrale boodschap? Wat zijn de beste stukjes? Ik schrijf over vier (aan elkaar gerelateerde) onderwerpen: GroenLinks, Nederlandse politiek, politieke filosofie en politieke fictie. In mijn ogen heb ik daar wel een consistente lijn in: vanwege mijn eigenzinnige links-liberale politieke filosofie voel ik me verbonden met de progressief-linkse partij GroenLinks die een bijzondere plek in het politieke landschap heeft. De vijf artikelen met een (*) worden bijzonder aangeraden.

1. GroenLinks
GroenLinks is gevormd als een fusie van de links-socialistische dissidentenpartij PSP, de proto-groene PPR, de communistische emancipatiepartij CPN en de progressief-Christelijke EVP. GroenLinks lijkt ideologisch sterk op de PPR, maar heeft veel oud-PSP’ers in zijn gelederen, heeft een vergelijkbare ontwikkeling doorgemaakt als de Deense PSP en heeft een vergelijkbare partijcultuur als de PSP. Van de CPN is weinig zichtbaar. De naam GroenLinks was een compromis tussen de PPR-leden die een vernieuwende groene beweging wilden vormen en de PSP-leden die machtsblok links van de PvdA wilde vormen. Het groene profiel van GroenLinks was deels een strategische zet (* – luister ook naar dit debat op radio 1). Het progressieve profiel dat GroenLinks zich in de laatste jaren heeft aangemeten staat in spanning en in lijn met de vrijzinnig-Christelijke en links-socialistische traditie waar GroenLinks uit voorkomt. Het progressieve profiel van GroenLinks is deels gekomen door een veranderende politieke realiteit, maar is ook aangemeten om GroenLinks een geloofwaardige coalitiepartner te maken. De opvallendste draai: GroenLinks was de grootste tegenstander van Paars maar nu de partij van Paars+.

De discussies binnen GroenLinks gaan vaak over samenwerking met andere linkse partijen, terwijl andere partijen niet noodzakelijkerwijs met GroenLinks willen. GroenLinks is een van de weinige groene partijen in Europa die nog niet heeft geregeerd. En hoewel, GroenLinks nog nooit aan de macht geweest is, zijn de schandalen van de laatste jaren, schandalen van de macht. GroenLinks moet niet gaan regeren met CDA, VVD en D66 of toch wel?

GroenLinks wordt soms verweten een moraliserende elitepartij te zijn, dat lijkt me niet het geval: GroenLinks is een radicale systeempartij (*). Ik heb het GroenLinks-prisma ontwikkeld om na te denken over de positionering van GroenLinks op verschillende onderwerpen: democratie, kunst, sport en veiligheid. GroenLinks moet haar Kamerleden balanceren tussen groene Europarlementariers, tolerante Senatoren en linkse Tweede Kamerleden.

GroenLinks moet zich niet richten op het electorale midden. GroenLinks is uitgesproken sociaal, tolerant en groen, maar op ieder van die onderwerpen niet de meest uitgesproken partij. GroenLinks moet zich als groene partij profileren en niet als tolerante partij. GroenLinks moet meer oog hebben voor de dagelijkse problemen van gewone mensen.

In de politiek worden, de cruciale beslissingen genomen door de mensen achter de schermen en daar lijkt politiek verdacht veel op het echte leven.

2. Politiek
Het Nederlandse politieke landschap is aan verandering onderhevig: wat ooit links was, is nu rechts en vice versa. Maar die analyse is misschien iets te simplistisch: er ontstaat een nieuwe tegenstelling over economische en Europese onderwerpen tussen progressief en populistisch, terwijl de links/rechts tegenstelling steeds meer gaat over culturele onderwerpen (naast economische en ecologische) (*). En juist progressieven moeten kiezen tussen links en rechts. Dat populisme is niet nieuw: zowel de sociaal-democraten als Christen-democraten hebben hun wortels als populistische bewegingen.

John Locke

3. Politieke filosofie
Centraal in mijn politieke filosofie staat het socratische idee van aporeia. De erkenning dat we fundamentele kennis missen. Ik noem mijn filosofie daarom ook wel epistemisch liberalisme: omdat we het niet eens zijn wat het goede leven is, moeten we kiezen voor een neutrale overheid (*); omdat er inkomen is dat niemand verdiend heeft, moeten we kiezen voor verdelende rechtvaardigheid (*); en omdat we het niet eens zijn over wat rechtvaardig is, moeten we kiezen voor een democratische overheid. Dat idee van aporeia moet ik wel iets nuanceren als ik geloof in mijn eigen ethische normen.

John S. Mill

Op culturele thema’s ben ik uitermate liberaal: juist omdat godsdienst meer is dan een mening, hecht ik aan godsdienstvrijheid en daarom ben ik bijvoorbeeld voor het verbod op ritueel slachten, maar juist tegen een verbod op het rijden door rouwstoeten. Als liberaal ben ik skeptisch over een idee als de ‘ontspannen samenleving‘, omdat dit utilisitsch en niet liberaal isPaternalistisch optreden van de overheid is alleen maar gerechtvaardigd om individuele vrijheid te vergroten. Zo zijn herkenbare homoseksuele rolmodellen goed voor homo-emancipatie. We moeten oppassen voor diegenen die ons met kleine stootjes de juist kant op willen sturen, want wie bepaalt waar heen we gestuurd worden? Ook op sociaal-economische onderwerpen, moet neutraliteit uit het uitgangspunt zijn.

Karl Popper

Ik beschouw mijzelf als heel links, maar ik ben daarom tegen het minimumloon, tegen het aanpakken van topinkomens en tegen kunstsubsidie (daarover heb ik niet altijd even subtiel geschreven). Ik ben voor privatisering van de publieke omroep, van het onderwijs (dat moet overigens gericht worden op individuele ontplooing) en van de zorg. Al die (links-)liberale verhalen ten spijt, betekent dat niet dat ik me niet ook verbonden voel met het socialisme. Want uiteindelijk zijn socialisten consequente liberalen.

 

John Rawls

Ook milieubeleid is uiteindelijk liberaal gerechtvaardigd, dat geldt zeker voor dierenrechten. Overheidsingrijpen is voor milieubescherming wel noodzakelijk, daarbij zou ik kernenergie niet uitsluiten.

Ik heb de laatste tijd ook geschreven over veiligheid: ik vind straffen vanwege vergelding barbaars en zie meer in herstelrecht en in grotere openbaarheid van het strafproces. Als liberaal ben ik een groot voorstander van liberale democratie en dus tegen radicale democratie (en dat zou GroenLinks ook moeten zijn).

Phillippe van Parijs

Het is filosofisch toch het leukste om een verhaal van iemand anders uit te pellen en de interne contradicties weer te geven: neem Dick Pels over het basisinkomen of Rutger Claassen over de consumptiemaatschappij. FIlosofisch gezien heb ik niets met Nietzsche, die wel hecht aan vrijheid, maar niet aan gelijkheid en met mensen die vinden dat je alles correct moet spellen.

4. Politieke fictie
Ik vind politieke fictie fascinerend. Ik onderscheid hierbij drie genres: science fiction, wat een mogelijkheid geeft tot social science fiction het uitwerken van politieke utopieen. Mooi gedaan in Star Trek: Deep Space Nine. Politiek drama, wat de mogelijkheid geeft om politiek achter de schermen te laten zien. The West Wing kwam wel heel dicht bij de werkelijkheid. En alternative history: een kleine stap had de geschiedenis van GroenLinks een heel andere kant op kunnen sturen.

En als we het dan toch over fictie hebben, minder politiek, maar niet minder geniaal, Wes Anderson: “When one man, for whatever reason, has an opportunity to lead an extraordinary life, he has no right to keep it to himself

woensdag, 14 maart 2012

Theo Brand

Theo Brand

Links wint aan kracht door evenwichtige visie op religie

In politiek, religie, spiritualiteit, tolerantie, burgerschap, civil society, individualisering, pvda, solidariteit, en meer.

Gelovigen zijn dom, rechts en conservatief. Mensen die juist niet (meer) in gevaarlijke fantasieën geloven, zijn slim, links en liberaal. Het is een beeld dat steeds dominanter wordt in Nederland. De jonge kandidaat PvdA-leider Martijn van Dam is er een exponent van. Maar religie heeft ook een positieve kant. Als linkse partijen dat laatste vergeten, maakt dat hen steeds marginaler. Of positiever gesteld: links wint aan kracht door een evenwichtige visie op religie te ontwikkelen met ruimte voor zowel  fundamentele kritiek als (strategische) samenwerking.

Afgelopen zaterdag benadrukte premier Mark Rutte tijdens een bezoek aan SGP-jongeren dat ook hij een gelovige is. En dat de joods-christelijke traditie een stevig fundament zou zijn tegenover alles wat vreemd is. Het is dus waar: godsdienst werkt behoudend. En ook onderdrukkend. Want je zult maar als homo in een SGP-milieu geboren worden. Waarschijnlijk word je dan naar hulpverleners gestuurd die je in een heteroseksueel keurslijf willen duwen. Religiekritiek hoort – ook daarom –  thuis bij linkse politiek.

Maar de geschiedenis leert dat religie ook een vernieuwende, opbouwende en bevrijdende kracht kan hebben. Kijk naar de vredesbeweging met organisaties als IKV, Pax Christi en Kerk en Vrede die voor een groot deel zijn ontstaan vanuit de kerken. De anti-armoedebeweging (‘De Arme Kant van Nederland’) wordt gedragen door veel mensen vanuit kerkelijke kringen. Gelukkig samen met mensen van bijvoorbeeld Humanitas. Want er zijn Goddank ook veel niet-religieuze mensen die zich inzetten voor mensen in de knel.

Dat geldt ook voor de begeleiding en/of opvang van uitgeprocedeerde vluchtelingen, met de diaconie van de Protestantse Kerk in Amsterdam als lichtend voorbeeld. En ook stichting INLIA. In Nederland zijn verder organisaties actief die – gesteund door de overheid en naast de reclassering – ex-gedetineerden begeleiden om terug te keren in de maatschappij. Vaak zijn deze organisaties christelijk geïnspireerd met ook SGP-ers als drijvende krachten. Particulier initiatief werkt vaak beter dan een bureaucratisch apparaat om sociale doelstellingen te bereiken. En veel particuliere initiatieven worden opgezet door bevlogen –  vaak  levensbeschouwelijk geïnspireerde – mensen.

Het idee van een ‘Big Society’ van de Britse conservatieven moet door links daarom niet zomaar worden afgeschoten. Als alle maatschappelijke initiatieven maar wél worden ondersteund door een assertieve overheid die sociale vrijheid, publieke gerechtigheid en solidariteit blijft organiseren. Een overheid die private rijkdom begrenst en publieke armoede tegengaat. Dus naast een ‘Big Society’ is er beslist ook een ‘Smart & Responsible State’ nodig. Want de staat kan niet alles zelf, maar ook de samenleving niet. Dat laatste wordt vaak vergeten door conservatieven, christen-democraten maar ook door liberalen.

Het gaat om een krachtige wisselwerking tussen de civiele samenleving en de staat zodat de vrije markteconomie niet de lachende derde wordt. Uiteindelijk is de civiele samenleving – die bestaat uit levensbeschouwelijk (al dan niet religieus) geïnspireerde mensen – de bezielende basis van elke maatschappelijke vernieuwing. In die zin kan er zelfs een verband worden gelegd tussen drie grote hedendaagse maatschappelijke processen: individualisering, secularisatie en verrechtsing.

Wat mensen, beweegt, bezielt en drijft is daarom zeer belangrijk als sociaal-maatschappelijk en spiritueel kapitaal. Ook religieuze inspiratie speelt daarin een rol. Niet uitsluitend religieus, ja dat is waar. Maar toch. Job Cohen – de staatsman die het helaas niet verder schopte dan oppositieleider – zag dat haarscherp met zijn ideeën over een ‘omgekeerde doorbraak’. Want natuurlijk zijn er moslimmannen die hun vrouw slaan, gereformeerde ouderlingen die seksueel misbruik plegen, vrouwen die een boerka moeten dragen en fundamentalistische christenen die de islam demoniseren. Dat verdient kritiek en correctie van links. Tuurlijk. Maar het zou zo jammer zijn als de vele religieus geïnspireerde mensen – voor wie God geen dwingend opperwezen is maar eerder een spirituele krachtbron; en die juist open staan voor mensen met een andere levensbeschouwelijke achtergrond –  zich massaal zouden afkeren van linkse politieke partijen.

Naast een principiële overweging om religie als fenomeen zowel kritisch als ook positief te benaderen, is er daarom ook een strategische overweging: linkse partijen jagen het (min of meer vrijzinnige) religieus geïnspireerde deel van hun achterban richting CDA, ChristenUnie of VVD waarvan de partijleiders immers (ja, ja)  ‘ook gelovigen’ zijn. Zo kom je dus nooit aan een linkse meerderheid.

Niet dat elke linkse lijsttrekker zichzelf voortaan als gelovig en vroom mens moet presenteren. Dat is natuurlijk onzin. Maar kies tenminste voor een evenwichtige benadering waarbij mensen niet beoordeeld of gelabeld worden op basis van hun levensbeschouwing maar op basis van hun daden en keuzes. En omarm de civiele samenleving van veelkleurig en veelzijdig geïnspireerde burgers. Zo komt linkse politiek op termijn sterker en krachtiger op de kaart te staan. Pas dan kunnen we – I have a dream – SGP-vriend Rutte naar huis sturen. Zoals dominee Martin Luther King ooit zei: There will be a day…


maandag, 12 maart 2012

Simon Otjes

Simon Otjes

Last.fm Twitter

Partij van de Toekomst kijkt terug naar haar verleden

In cpn, evp, groenen, groenlinks, ppr, psp, maatschappij, akkoord, milieu, en meer.

GroenLinks is bij uitstek de partij voor de toekomst, maar soms moet je terugkijken om weer vooruit te kunnen. Tijdens de eerste bijeenkomst van de collegereeks over het gedachtegoed van GroenLinks keken vier partijleden die betrokken waren bij de oprichting van GroenLinks terug naar het verleden. Wat kan GroenLinks leren van haar oprichters?

Communisten & Feministen

Herman Meijer was uitgenodigd om iets te vertellen over de Communistische Partij Nederland (CPN). Hij maakte duidelijk dat de partij eind jaren ’70 afscheid nam van haar Stalinistische verleden. Binnen de CPN was het Stalinisme vertegenwoordigd door Paul de Groot: ‘De Groot was erevoorzitter van de CPN, nadat hij jarenlang ‘gewoon’ voorzitter was geweest. Hij was een klassieke Stalinist. Zowel in zijn interne partijoptreden als in zijn paranoïde inslag.’ Na het aftreden van De Groot veranderde de CPN. Meijer schreef mee aan het partijprogramma van de CPN: ‘Het was een radicale oproep tot volstrekte democratisering van de hele Nederlandse maatschappij, tot op het diepste niveau, ook in economisch opzicht. Marxisme en feminisme werden als gelijkwaardige inspiratiebronnen gezien. De CPN was de meest feministische partij van Nederland.’

Volgens Meijer kan GroenLinks van de CPN leren om een gezond en goed geformuleerd anti-kapitalisme te koesteren: ‘We moeten een diepgravender, analytischer en intelligenter verhaal hebben over de bankencrisis, wat dat te maken heeft met de liberalisering van de geldmarkt en zo verder. Dat is ver voorbij het banale anti-kapitalisme: “Jullie zijn rijk en wij niet en dat is niet eerlijk.” Dat is ook wel zo, maar we kunnen daar een eind voorbij.’

Meijer ziet wel wat in linkse samenwerking: ‘Voor de verkiezingen moeten linkse partijen op een aantal punten kunnen overeenstemmen: wat we nu nodig hebben is een regering die pro-Europees is, een ruimhartig immigratiebeleid voert en die zorgt voor een grotere inkomensgelijkheid, tegen bonussen en al die shit. Ik zou het programma zo kunnen schrijven.’

Pacifisme, socialisme en milieu

Meijer was tot 1974 lid geweest van de Pacifistisch-Socialistische Partij (PSP), een andere oprichter van GroenLinks: ‘Wat mij tegenviel in de PSP, was dat de partij een buitengewoon moeizaam bestaan had. In Delft [waar Meijer woonde - SO] had de partij maar een paar leden en die waren altijd aan het tobben. Het was niet zo’n gelukkig clubje.’ Alexander de Roo, de vertegenwoordiger van het PSP-smaldeel, beaamt dat de PSP slecht was georganiseerd: ‘Ik ben in 1974 lid geworden van de PSP in Delft. Ik heb een maand nodig gehad om lid te worden. Die club was behoorlijk onvindbaar. Ik ben lid geworden vanwege de kernenergie. Er was een grote demonstratie in Kalkar tegen de opwekkingscentrale en Bram van der Lek, PSP-Kamerlid riep: “De technici moeten hun werk overdoen.” Dat sprak mij aan.’

De Pacifistisch-Socialistische Partij stond bekend vanwege haar pacifisme. De Roo nuanceert dat beeld: ‘Het pacifisme van de partij was nooit absoluut. In de jaren ’70 was er een felle discussie: wat doen we met geweld van bevrijdingsbewegingen? Dat accepteerden we. Het pacifisme van de PSP was veel meer een politiek pacifisme. We verzetten ons tegen de NAVO, dat was een identiteitspunt bij de PSP. GroenLinks worstelt nu nog steeds met militaire interventies. Zodra geweld ter sprake komt hebben we het daar moeilijk mee. Die aandacht voor wat er gebeurt in landen om ons heen, dat was heel kenmerkend voor de PSP.’

De Roo, die als samenwerker te boek stond in de PSP is ook voorstander van progressieve samenwerking: ‘In Duitsland heb je rood-groene samenwerking. Dat is daar een begrip. De meest natuurlijke partner voor GroenLinks is de PvdA. Samsom heeft zelfs ooit geprobeerd om kandidaat voor GroenLinks te worden. We moeten een akkoord sluiten met de PvdA en dan kijken of de SP en D66 aan willen sluiten.’

Groen en libertair

Wim de Boer sprak namens de Politieke Partij Radikalen (PPR): ‘Bij de PPR stonden, onder andere, het serieus nemen van het milieu en de duurzame economie in al haar facetten centraal.’ De partij nam het ook op voor een eerlijkere verdeling van werk en inkomen. Bovendien kenmerkte de partij zich door een libertaire en niet-dogmatische manier van handelen. ‘Dat was de PPR en ik heb glimlachend in de trein vastgesteld dat dat voor mij nog geen spat veranderd is, voor die waarden sta ik nog steeds.’

De Boer was betrokken bij de vorming van GroenLinks. Als lid van de ‘bende van drie’ had hij de onderhandelingen op een cruciaal moment vlot getrokken. Zonder toestemming onderhandelden drie oud-partijbestuurders van de PPR toch met de CPN en de PSP, terwijl het PPR-bestuur zich had teruggetrokken uit de onderhandelingen. Zelf had hij zich in de onderhandelingen één doel gesteld: ‘Wat ik eruit zal slepen is de naam ‘GroenLinks’. Die naam had nog heel wat voeten in de aarde. Zonder ‘groen’ kreeg je met de PPR geen akkoord. GroenLinks dekt precies de lading. Voor mij zijn groen en links onlosmakelijke aan elkaar verbonden: zonder progressieve politiek krijg je geen goed milieubeleid en zonder milieubeleid krijg je geen duurzame samenleving.’

Je zou kunnen stellen dat qua politiek programma GroenLinks nu het meest op de PPR lijkt, maar De Boer nuanceert dat beeld: ‘Ik ben niet de man van de politieke programma’s. Ik heb ze geschreven, ik heb ze vastgesteld, ik heb er urenlang over zitten vergaderen. De praktijk is dat als een programma is aangenomen het dan verdwijnt in een la en je er er nooit meer naar kijkt. Wat ik belangrijk vind is dat de waarden van de PPR diepgeworteld zijn binnen GroenLinks. Ze krijgen wel een nieuwe vorm. Op grond van nieuwe inzichten kan ik tot een andere beslissing komen. Ik vind het belangrijk dat iedere GroenLinkser glashelder heeft voor welke waarden wij staan. Als hij dat weet dan komen die politieke keuzes vanzelf tot stand.’ De Roo: ‘Qua programma lijkt GroenLinks het meest op de PPR en toch is het een heel andere partij geworden. De partij heeft een veel bredere uitstraling. De partij is meer dan de som der delen. Er ligt nu meer nadruk op het groene, daarmee heeft de partij iets nieuws aangesproken.’

Christelijk dus progressief

Cor Ofman was de laatste voorzitter van de Evangelische Volkspartij (EVP) en de eerste EVP’er op de eerste lijst van GroenLinks (plaats #11). ‘De EVP was een klein clubje. De EVP is ontstaan uit CDA’ers die een andere koers wilden. We hoopten de dissidenten uit het CDA, een stuk of tien Kamerleden, mee te krijgen.’ Maar die bleven in het CDA, ze zeiden: ‘als 90 procent van de achterban toch conservatief blijft dan kan je er moeilijk uitstappen.’ De EVP had drie kernpunten: ‘vrede, gerechtigheid en heelheid van de schepping. Ook binnen die kerken speelden die trits heel sterk een rol. De partij was tegen de plaatsing van kruisraketten. Ze stond voor een economie van het genoeg en het recht van de arme en de vreemdeling. We hadden een eigen interpretatie van Bijbelse normen en waarden: christelijk dus progressief.’

De Boer vraagt Ofman: ‘Ik heb nooit begrepen wat jullie verhinderde om jullie doelstellingen in de PPR te realiseren. Was dat alleen omdat het woord ‘bijbel’ niet gebruikt werd? De PPR is oorspronkelijk voortgekomen uit Christen-Radicalen.’ Ofman: ‘Het christelijke was tamelijk verwaterd in de PPR. De PPR was libertairder, de EVP was minder individualistisch. Ook GroenLinks is liberaal. Ik zou ook wel wat meer uitstraling willen zien richting een kerkelijke achterban. Als ik op zondag mijn verhaal houdt, denk ik vaak, waarom komen die mensen nou niet bij GroenLinks terecht, terwijl ze al afscheid hebben genomen van het CDA? Ze zijn op zoek naar een partij met een sociaal gezicht, maar die ook oog heeft voor spiritualiteit.’

donderdag, 8 maart 2012

Saskia van der Werff

Saskia van der Werff

Twitter

Gedwongen vrij te zijn: van Epictetus tot Mandela #wot 9

In vrij, plicht, dwang, wot, vrijheid, epictetus, mandela, kerk, boodschap, en meer.
Wat me meteen opvalt in de definitie van vrij, is dat het vooral ingaat op wat het allemaal niet is. Wat is vrij zijn allemaal niet? Onvrij zijn is gebonden, bedwongen, verslaafd, gevangen, belemmerd. Eigenlijk alles wat te maken heeft met een zekere dwang of plicht ontneemt me volgens deze definitie mijn vrijheid. Als ik dit rijtje tot me door laat dringen, vraag ik me af of ik eigenlijk wel vrij ben. Een groot gedeelte van mijn dag ben ik belemmerd, gebonden, bedwongen, en gevangen in de druk van werk, agenda, sociale verplichtingen, de kost moeten verdienen, eten, slapen. Toch heb ik wel het gevoel vrij te zijn. Houd ik mezelf dan niet enorm voor de gek? Of zet deze definitie me op het verkeerde been? Een opsomming van alle dieren in de wereld, die geen leeuw zijn, maken voor mij ook niet duidelijk welk dier een leeuw is. Deze definitie werkt dus niet echt verhelderend. Het benadrukt gedwongen vrijheid.
      Wat deze definitie mij wel duidelijk maakt is de tijdsgeest waarin die is geschreven. We leven in een liberaal tijdperk, waarin vrijheid vooral een negatieve invulling heeft. Vrij zijn betekent ‘vrij van bemoeienis van de staat in mijn persoonlijke levenssfeer’. Deze opvatting van vrijheid werd in de 18e eeuw ingezet om de burgers van het juk van despoten en kerk te bevrijden. Klaarblijkelijk is de tijdsgeest van toen nog steeds actueel.  We leven in een tijd dat we gedwongen zijn vrij te zijn. Vrij van een enorme overheid die haar tentakels steekt in zaken waar ze niet thuishoren. De gedachte lijkt te overheersen dat we een te grote, verslindende overheid hebben, die moet inkrimpen. Of deze gedachte juist is, is een geheel andere discussie. Wat wel opvalt is dat deze opvatting het onvrij zijn centraal stelt. Zijn er ook tijdsgeesten die dit onvrij zijn niet centraal stellen?
      De tijd waarin Epictetus leefde, kende inderdaad een hele andere tijdsgeest. Hij leefde in de nadagen van het Romeinse rijk. Niet zozeer het juk van de staat en kerk maar de oorlogsdruk van omringende steden en landen overheerste. In die tijdsgeest is zijn citaat geboren: ‘Niemand is vrij die niet zichzelf de baas is’. Epictetus roept op tot het ervaren van vrijheid in de innerlijke wereld. De opgave voor de mens is dan een onderscheid te maken tussen invloeden van buitenaf, waarover hij geen macht heeft en invloeden van binnenuit. Dus dan ben ik pas vrij als ik mijn eigen emoties ken en kan beheersen. Een prachtige gedachte, en wederom bekruipt me het gevoel dat ik dan eigenlijk niet vrij ben. Ik ken mijn emoties niet altijd en ze zijn goed in staat mijn gedrag te sturen. En wederom valt me op dat ook deze opvatting een negatieve invulling heeft. Ik ben pas vrij als ik vrij ben van emoties die mijn gedrag sturen. Niet mijn emoties maar mijn ratio zou achter het stuur moeten zitten. Komt het dan dat ik het gevoel heb vrij te zijn omdat ik mijn ratio achter het stuur heb zitten? Ook dat vind ik niet echt een plezierige gedachte. Ik ben dan nog steeds gedwongen om vrij te zijn, niet door kerk of staat maar door mijn eigen ratio. Want ook de ratio kan dwingend zijn.
      Niet een tijdsgeest maar een persoon, die weet wat het is een groot deel van zijn leven fysiek gevangen te zijn, heeft een opvallende uitspraak gedaan over vrijheid. Nelson Mandela heeft het volgende over vrijheid gezegd:  ‘Vrij zijn is niet alleen het afwerpen van uw ketenen, maar leven op een manier die de vrijheid van anderen respecteert en vergroot.’ Ik vind dit een indringende boodschap. Vrijheid gaat niet om mijn veiligheid, gaat niet om mijn innerlijke zielenrust, maar gaat over de manier waarop ik met anderen mensen samenleef. Pas als ik de vrijheid van anderen respecteer en bijdraag aan het vergroten ervan, dan kan ik echt vrij zijn. Mijn vrijheid gaat niet om mij alleen maar om het respecteren van de vrijheid van anderen. Ik voel mij vol van vrijheid als ik anderen respecteer in het gunnen van mijn vrijheid. In onze huidige tijdsgeest vind ik dit een inspirerende gedachte. Met deze gedachte voel ik mij niet langer gedwongen vrij te zijn maar aangemoedigd mijn vrijheid te delen met anderen. Niet uit angst me niet langer vrij te voelen, maar uit hoop dat iedereen vanuit zichzelf hetzelfde wenst.

* #WOT Write On Thursday. Dat is waar #WOT voor staat. Een initiatief van Karin Ramaker. Iedere donderdag presenteert zij een woord waarmee vele bloggers aan de slag gaan. Deze week het woord "Vrij * Niet (langer) afhankelijk van de verslavende stof ~ [bijvoegelijk naamwoord] en [bijwoord] (-er, -st), los, niet gebonden; onbedwongen, niet verslaafd; niet gevangen, bevrijd; ontslagen; niet gedwongen; onbeperkt, niet belemmerd; open”

dinsdag, 14 februari 2012

Jojanneke is top……….

In algemene berichten, boodschap, congres, de, dwars, eerste, fractie, groenlinks, jolande sap, en meer.

Het dertigste congres van GroenLinks was weer apart. De voorvrouwen en voormannen zaten op de eerste rij. Handig voor journalisten en cameramensen. Want die wilden vooral registreren hoe Jolande Sap zou reageren op de moties over de politiemissie. De indieners van de moties kregen1 tot 2 minuten spreektijd om hun standpunt toe te lichten. Mariko Peters verdedigde het standpunt van de fractie en kreeg 15 minuten… Dat de moties op 1 na verworpen werden was mede te danken aan een gepassioneerde Ineke van Gent die een vurig pleidooi hield voor eenheid in de partij. Als een moderne Jeanne d’Arc won zij de gunst van de zaal. Een beetje makkelijk was dat natuurlijk wel, want de tegenstanders van het Kunduz-gebeuren hebben toch al hun partijlidmaatschap opgezegd. Wat gebeurde er verder op het toneel? De scheidende voorzitter hield een warrig verhaal over ooms en neven die per fiets of caravan hun vakantie vierden in de vorige eeuw. Het moest een parabel zijn voor niet kiezen voor oud links en soms kijken naar liberaal links. Ontroerend vond ik het verhaal van Hans Feddema, een lieve man die kritiek heeft maar het vaderlijk brengt. Echt enthousiast  was ik over het optreden van Jojanneke, de voorzitter van Dwars. In een hoog up-tempo propte zij een lange boodschap in twee minuten. Helder en bevlogen, recht door zee, met een perspectief van hoop op een schitterende toekomst. Terecht kreeg zij een luide ovatie. De twee rijen Dwars jongeren roerden zich flink. Ik zat er vlak achter, mede omdat ik mijn spreekbonnen aan Dwars gegeven had. Ik zou willen dat er in de Hoeksche Waard ook zulke jongeren voor GroenLinks te vinden zijn. Hoop doet leven, maar dan moet er eerst een Universiteit in de Waard komen.

woensdag, 8 februari 2012

Raad Hardenberg achter asiel voor ‘gewortelde kinderen’

In raad, eerste kamer, groenlinks, nederland, tweede kamer, nederlanders, pvda, vvd, 2011, en meer.

Op dinsdag 7 februari kwam in de gemeenteraad van Hardenberg een motie aan de orde over een verblijfsvergunning voor alle kinderen die langer dan acht jaar in Nederland verblijven. Deze motie is gekoppeld aan de landelijke actie om via nieuwe wetgeving deze kinderen de kans te geven in het land te blijven waar ze door hun lange verblijf zijn ‘geworteld’.  

Vele bekende Nederlanders begonnen in december 2011 de actie kinderpardon. Inmiddels hebben meer dan 116.000 mensen de bijbehorende petitie ondertekend. Kees Slingerland, fractievoorzitter GroenLinks, daarover: “als je dit voorbeeld wilt volgen dan kan dat nog steeds via www.kinderpardon.nu  , maar het is ook goed om als gemeente bij minister Leers aan te dringen op een dergelijk pardon. Als veel gemeentes dat doen, dan is de kans groter dat het ingediende wetsont-werp van de Christen-Unie en de Partij van de Arbeid er spoedig komt. Situaties als rond Mauro zullen dan minder tot de Tweede Kamer hoeven door te dringen.” GroenLinks-Tweede Kamerlid Tofik Dibi heeft dan ook gemeentes verzocht om de in-aantocht-zijnde wetgeving via een motie te ondersteunen.

Vele gemeentes gingen Hardenberg voor

Inmiddels is een vergelijkbare motie als in Hardenberg aan de orde was in meer dan vijfendertig gemeentes aan de orde geweest. Hardenberg is de dertigste in het rijtje van gemeentes waar een vergelijkbare motie werd aangenomen. In de provincie Overijssel was Enschede de eerste, maar daarna volgden Zwolle, Almelo en Kampen en nu was Hardenberg aan de beurt. In een vijftiental gemeentes (waaronder Twenterand) is men nog bezig met het maken van een soortgelijke motie. Van een drietal gemeentes is bekend dat zo’n motie niet werd aangenomen. De fractie van GroenLinks is erg blij dat deze actuele motie in Hardenberg is aangenomen met 25 stemmen voor en slechts de stemmen van VVD en Liberaal Hardenberg tegen. Twee van de 31 raadsleden waren afwezig.  U kunt de motie hier lezen.

Het gaat om 1.500 kinderen

Zoals eerder beschreven gaat het vooral om asielkinderen die al langere tijd in Nederland wonen en dermate zijn geïntegreerd dat terugkeer naar het land van hun ouders wezensvreemd zou zijn. Naar schatting gaat het om 1.000 tot 2.000 minderjarige ‘vreemdelingen’ die 21 jaar of jonger zijn. In de huidige versie van het wetsontwerp kunnen ook ouders, onder een aantal voorwaarden, voor dit asiel in aanmerking komen. Doordat de wetgeving in de Tweede en Eerste Kamer nog aan de orde moet komen, kunnen er nog wijzigingen in het voorstel van CU en PvdA komen.

zaterdag, 28 januari 2012

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Dwarsdenker (Portret in Vrij Nederland 24.01.2012)

In uncategorized, boek, boeken, compassie, de, discussie, dwars, eerste kamer, gebeurtenis, en meer.

De alleskunner die redelijkheid predikt

De homoseksuele ex-predikant en Eerste Kamerlid voor GroenLinks Ruard Ganzevoort zoekt het radicale midden.

Hoogleraar Praktische Theologie, ex-predikant, Eerste Kamerlid voor GroenLinks, hoteleigenaar en fanatiek blogger en twitteraar – Ruard Ganzevoort (46) is het allemaal. En in al zijn hoedanigheden predikt hij redelijkheid, dwars tegen de polarisatie in. In zijn kamer op de Vrije Universiteit vertelt hij over zijn ambivalente verhouding met religie. Toen hij een relatie kreeg met een man verloor hij zijn predikantstitel: een pijnlijke gebeurtenis. Toch veroordeelt hij het anti-homostandpunt van de orthodoxe kerken niet. ‘De nare, onaangename kanten van religie horen er ook bij. Ze geven de aanhangers het besef dat het geloof echt ergens over gaat.’

Tegenwoordig probeert Ganzevoort in orthodoxe kerken het gesprek over homoseksualiteit op gang te brengen. Dit doet hij op een manier die tegendraads is in haar gematigdheid. ‘Ik wil niet homo- of christenbashen, dat vind ik te makkelijk. De visie van een organisatie als Different, die zegt homo’s te genezen van hun seksuele voorkeur, moet bestreden worden. Maar de felheid waarmee dat nu gebeurt, vind ik veel te ver gaan. ‘Ook ideeën die dwars tegen mijn gevoel ingaan, mogen bestaan.’ In 2010 verscheen Adam en Evert. De spanning tussen kerk en homoseksualiteit, dat Ganzevoort schreef met twee anderen. In het boek staan verhalen over homoseksuele jongeren uit orthodox-protestantse en evangelische kringen, naast paragrafen over homoseksualiteit in de Bijbel. De aanpak is nieuw: ‘Er zijn veel boeken over het onderwerp die bij voorbaat voor of tegen homoseksualiteit zijn, en voor of tegen het geloof. Wij laten zien hoe er in orthodoxe kerken over homoseksualiteit wordt gedacht. Hoe kun je, als orthodoxe gelovige, zo zorgvuldig mogelijk met homoseksuelen omgaan? Die vraag proberen wij te beantwoorden.’ En dat helpt, zegt Ganzevoort. ‘Ook in orthodoxe kringen zie je mensen toegroeien naar het idee dat homoseksualiteit geen ziekte is.’

Ruimte voor pedofielen

Ook op andere gebieden valt Ganzevoort op door zijn gematigdheid, die soms juist leidt tot controversiële standpunten. Zo zijn radicale imams wat hem betreft welkom: ‘We leven in een plurale samenleving en daar zullen we het mee moeten doen. In die pluraliteit leven ook mensen die ver van ons af staan. ’ Nog opvallender: tijdens de publieke discussie over de pedofielenvereniging Martijn nam Ganzevoort het op voor de pedofielen. Het is een illusie om te denken dat we alle gevaar kunnen buitensluiten, zo waarschuwt hij. ‘Maar het meeste misbruik wordt niet gepleegd door pedofielen, en de meeste pedofielen begaan geen strafbare feiten. In plaats van een heksenjacht te houden, zouden we moeten werken aan praktische oplossingen, bijvoorbeeld buddyprojecten. Seksueel misbruik blijft onaanvaardbaar. Maar we moeten in de samenleving ook ruimte maken voor pedofielen.

Sinds afgelopen juni is Ganzevoort Eerste Kamerlid voor GroenLinks. Voor een vrijzinnige theoloog is het een spannende tijd in de politiek. Juist het afgelopen jaar heeft religie, in de gedaanten van de weigerambtenaar, de religieuze slacht en het passief stemrecht voor SGP-vrouwen, volop in de publieke belangstelling gestaan. In alle gevallen gaat het om de vraag tot welke hoogte de staat mag inbreken in de vrijheid van godsdienst. In debatten hierover staan steevast de gelovige en de liberaal tegenover elkaar, waarbij de eerste hamert op pluralisme en godsdienstvrijheid, en de tweede op de rechten van het individu.

Heel precies kijken

Van de meeste politici valt op voorhand te bepalen welke positie zij zullen innemen; zo niet bij Ganzevoort. Kiezen voor het ene grondrecht boven het andere is lastig en pijnlijk, en de afweging moet elke keer opnieuw gemaakt worden, benadrukt hij. De overheid moet bepalen of het individu binnen de religieuze groep zo veel schade ondervindt dat ingrijpen in de vrijheid van godsdienst gerechtvaardigd is. Zo kan het dat Ganzevoort vóór het verbieden van de weigerambtenaar is, maar tegen het  verbod op ritueel slachten. Een duidelijke mening over de SGP-vrouwen, over wie de Hoge Raad besliste dat zij zich verkiesbaar moeten kunnen stellen, heeft hij nog niet. ‘Je moet heel precies kijken naar welke rechten er potentieel worden geschonden. Aan de ene kant die van vrouwen binnen de SGP en aan de andere kant die van een politieke organisatie. Maar als de overheid helemaal niets zou doen, dan zou ik denken: er ligt niet voor niks een rechterlijke uitspraak.’

Ganzevoort voelt zich thuis in de Eerste Kamer. ‘Ik voel nu meer dan ooit de urgentie. Het klimaat in ons land wordt beïnvloed door populisme, partijen die anderen uitsluiten, polarisatie tussen bevolkingsgroepen. Er moet een ander verhaal komen, van toekomst, hoop, compassie, van visie op samenleven, in plaats van op uitsluiten.’ De komende jaren wil hij, in de politiek en daarbuiten, vooral proberen een wijs mens te zijn. Dat is volgens hem geen vanzelfsprekendheid. ‘Wijsheid is niet iets wat je hebt, maar iets wat je constant moet bevechten.’


vrijdag, 27 januari 2012

Simon Otjes

Simon Otjes

Last.fm Twitter

Utilisten, liberalen en dieren

In dierenrechten, liberalisme, politieke filosofie, activiteiten, burgers, de, debat, dieren, dierenwelzijn, en meer.

De basis van dierenrechten is, filosofisch gezien, precair. Traditionele politieke theorieën zijn niet goed in staat om zulke rechten te verdedigen. In het boekje Een waardig bestaan schetst Martha Nussbaum een potentiële oplossing: haar eigen op capaciteitengerichte politiek-filosofische theorie.

Dierenrechten als een filosofisch probleem

Veel mensen hebben de intuïtie dat je niet wreed mag zijn tegen dieren. Stierenvechten voelt als een barbaarse praktijk, waar we zo snel mogelijk vanaf zouden moeten. Maar wat is de politiek-filosofische basis van dierenrechten? De traditionele liberale politieke theorieën bieden geen ruimte voor dierenrechten. Deze streven naar een zo groot mogelijke individuele vrijheid voor rationele burgers. Liberale theorieën zien maar een relevante groep rechtssubjecten: rationele mensen. Liberalen willen mensen in staat stellen om zelf hun eigen ideeën van het goede leven in de praktijk te brengen. Dieren kunnen niet als vrij en rationeel vorm geven aan het eigen leven.

Utilisen lijken dieren gemakkelijk op te kunnen nemen in hun theorieën. Prominente utilisten als Singer hebben zeer veel gedaan om dierenrechten filosofisch te funderen. Utilisten hebben niet veel met rechten, maar destemeer met welzijn. Een recht is voor een utilist niet veel meer dan de erkenning dat het welzijn van een partij ‘telt’. Utilisten willen het totale geluk zo groot mogelijk maken. Dieren kunnen pijn en geluk voelen. Hun geluk en pijn kunnen dus ook mee tellen. Dat klinkt allemaal mooi, maar utilisme leidt vaak tot onintuïtieve conclusies. Ik heb hier al eerder over geschreven. De meest typische utilistische paradox is een happiness monster, een wezen dat zeer gelukkig wordt van het lijden van andere wezens. Zolang zijn geluk maar groot genoeg is, kan dat ieder lijden als irrelevant klein ter zijde worden geschoven: de Westerse consument gedraagt zich vaak als een happiness monster: als ik maar heel gelukkig wordt van het eten van hamburger, dan telt het ongeluk van het dier niet. Dat lijkt me een zeer zwakke verdediging van dierenrechten.

Capaciteitenbenadering als een oplossing

De derde traditionele stroming in de filosofie naast het op Kant geïnspireerde liberalisme en het utilisme is de deugdenethiek van Aristoteles. Aristoteles stelt matiging centraal: deugdzaamheid is vermogen om het midden te vinden. Tussen de extremen van lafheid en roekeloosheid, ligt moed. Ik heb altijd gedacht dat je in deze theorie nooit dierenrechten kan verdedigen. Matiging is een zeer zwakke politieke categorie: men kan hier nooit universele, voor iedereen geldende rechten mee rechtvaardigen. Dierenliefde is een deugd, maar de deugd van dierenliefde ligt tussen squeamishness en wreedheid. Of iemand meer dierenliefde moet tonen, hangt af van de vraag of hij van nature geneigd is naar wreedheid of juist naar squeamishness tegen dieren. Ik ben van nature squeamish: ik kan slecht lijden, bloed of pijn zien. Aristoteles zou mij zeggen: “Man up! Wurg eens een kat met je blote handen, want je helt te verder door naar zachtheid.”

Martha Nussbaum gaat echter een stap verder in haar analyse: ze stelt dat niet matiging de belangrijkste categorie voor Aristoteles is, maar ‘eudaimonia‘, wat ze vertaalt naar het Engelse functioning. Een functioning is een waardevolle menselijke activiteit of toestand. We ontplooien ons door onze functionings te realiseren. Nussbaum wil dat mensen zich kunnen ontplooien. Dit betekent volgens haar dat de overheid de voorwaarden moet scheppen voor om zich mensen in bepaalde activiteiten te ontplooien. Ze noemt deze voorwaarden capaciteiten.

Nussbaum slaat een balans tussen liberalisme en utilisme: haar theorie is liberaal omdat ze probeert de capaciteiten van mensen te vergroten, niet hun daadwerkelijke functionings. Het niet-liberale element van haar theorie is dat Nussbaum een lijst heeft vast gesteld van functionings waardevolle menselijke activiteiten of toestanden die voor ieder mens beschikbaar zouden moeten zijn: in deze lijst staan onder andere gezondheid, leven, denken, emotie, spel, betrokkenheid bij andere mensen en controle over je eigen omgeving. Haar theorie is utilistisch in de zin dat ze streeft naar een bepaalde vorm van geluk, namelijk het geluk dat we ervaren door ons te ontplooien. Echter, haar theorie is niet utilistisch omdat ze niet probeert het geluk zo groot mogelijk te maken, maar probeert om mensen in staat te stellen om zelf hun functioning te kiezen.

Nu kunnen we deze theorie van capaciteiten ook toepassen op dieren. Ook dieren zijn immers in staat om goed te functioneren: in klassieke lijstjes van dierenrechten zoals de “vijf vrijheden” komen deze elementen voor. Dieren moeten vrij moeten zijn van honger, pijn, ziekte en stress, maar bovendien moeten dieren hun natuurlijk gedrag kunnen vertonen samen met soortgenoten. We zien hier eigenlijk twee groepen claims: ten eerste moeten dieren gezond zijn en ten tweede moeten ze zich op een soort eigen manier kunnen ontplooien. In dat tweede zien we duidelijk een notie van functioning. Een konijn functioneert het best als konijn als het typisch konijnengedrag mag vertonen: graven, herkauwen, rondhupsen.

Capaciteiten kritisch tegen het licht

De capaciteitenbenadering heeft een aantal beperkingen, zeker waar het gaat om het dierenrijk. Het goed functioneren van dieren kan nog wel eens tegengesteld zijn aan elkaar. Een kat kan zich het best ontplooien door de jacht. Dat is echt soort-eigen gedrag van de kat. Op het moment dat hij een muisje vangt, is het echter snel afgelopen met het goed functioneren van het muisje.1 Nussbaum heeft hier wel een antwoord op: dieren kunnen soort eigen gedrag vertonen zonder andere dieren schade te doen. Een kat kan jagen op een led-lampje en een tijger in een dierenpark kan goed zijn katachtige jachtinstincten uitleven op een bal. Ik vraag me af of een kat die jaagt op bal evengoed functioneert als een kat die jaagt op een prooidier. Het een lijkt toch een slechte kopie van het ander.

Maar er is een groter bezwaar: volgens mij is het niet de verantwoordelijkheid van mensen om voor dieren in het wild te zorgen. Het lijkt me zeker niet de bedoeling dat we alle roofdieren uitmoorden ten bate van de prooidieren. Niet alleen omdat we niet weten wat er zal gebeuren, maar bovendien omdat dat onze verantwoordelijkheid niet is. Dit is een typisch probleem van utilisten, waar ook de capaciteitenbenadering onder lijdt. Deze theorieën maken geen onderscheid tussen wat wel de verantwoordelijkheid van de overheid is en wat niet. Het lijden van dieren dat wordt veroorzaakt door menselijk handelen is inderdaad een politiek probleem, het lijden dat in de natuur ontstaat door menselijk-niet-handelen is onderdeel van de natuur.

De benadering van Nussbaum is welkome bijdrage aan het debat over dierenwelzijn, maar is volgens mij nog steeds onvoldoende sterk om de verplichtingen van mensen tegenover dieren te rechtvaardigen.

maandag, 23 januari 2012

Jeroen van Rossum

Jeroen van Rossum

Twitter

Linkse Lente?

In het weekend dat PvdA en CDA hun congressen hielden, werd Emile Roemer wakker met een cadeautje. Voor het eerst in de geschiedenis was de SP de grootste in de peilingen. De roerganger van de SP heeft een mooie virtuele winst binnengepraat. Kiezers van PvdA en PVV zijn het erover eens. Na alle Pimmen, Rita’s en Geerten, is Emile Roemer nu dé man voor de zwevende stem. Tweeëndertig virtuele zetels mocht hij bezetten volgens peilend orakel Maurice de Hond. Volgens het onderzoek van trekt de SP onder Roemer vooral kiezers met een laag inkomen, en haalt ze weg bij Wilders’ PVV.

Volgens Emile komen zijn nieuwe kiezers van de PVV, omdat ze daar eindelijk door beginnen te krijgen dat Geert Wilders de ene na de andere belofte breekt. Job Cohen is ondertussen dolblij en helemaal niet zurig over het nieuws van Maurice de Hond. Hij ziet de stemmen van de PVV graag naar de SP verdwijnen. En wat betreft de Partij van de Arbeid zelf; die gaat het minderheidskabinet van Rutte en Verhagen in zijn sop laten gaarkoken de komende maanden. Als de PVV het af laat weten, moeten ze maar nieuwe verkiezingen uitschrijven, luidt het devies. En dan volgt er vast een heerlijk warm bad van linkse samenwerking…

Het is echter nog maar de vraag of Cohen daar zo blij moet zijn. Want hoewel Geert en Emile het stellig zullen ontkennen, zijn de PVV en de SP wel degelijk verwante partijen. De kiezers stappen niet voor niets zo makkelijk over de links-rechts-grens. Geert mag nog zo’n hekel hebben aan alles wat riekt naar links, en Emile Roemer kan zich nog zo verontwaardigd voelen door het bruuske taalgebruik van de gemiddelde PVV’er, we hebben het over twee partijen die – op het standpunt van immigratie en ontwikkelingssamenwerking na – meer met elkaar gemeen hebben dan ze voor doen komen.

De SP en PVV zijn beiden een partij voor boze, behoudende en zelfs verontwaardigde kiezers, waar we er steeds meer van lijken te hebben. Kiezers die denken ‘het Volk’ te zijn, en te weten wat ‘het Volk’ wil. Kiezers die politici te pas en te onpas voor zakkenvullers uitmaken. Kiezers die Europa het liefst morgen torpederen, zonder zich ook maar een minuutje druk te maken over de mogelijke gevolgen voor hun portemonnee. Kiezers die zich überhaupt niet graag verdiepen in ingewikkelde materie, maar aan een paar rake oneliners genoeg hebben om hun waardevolle stemrecht in het stemhokje te verzilveren. Kiezers die bovenal graag overal “nee”op zeggen…

Het lijkt mij tijd, dat niet alleen de politici van PvdA (en CDA), maar ook GroenLinks zich eens achter de oren gaan krabben. Want als dit zo door gaat, bereiken PVV en SP samen bij de volgende verkiezingen meer dan 50 zetels, of misschien zelfs het pluche. En het is leuk, al dat gepraat over een linkse lente, maar of de SP die lente gaat brengen, waar deze eurofiele partijen op zitten te wachten? Het lijkt mij niet. Met een stevige SP én PVV in de Tweede Kamer zijn we nog verder heen dan nu. Hoe conservatief wil je het hebben?

Het wordt tijd dat PvdA en GroenLinks eens wat harder roepen wat ze willen. En het wordt tijd om dat gefilosofeer over een linkse samenwerking eens te laten, en het eigen geluid over het voetlicht te brengen, desnoods in extreme jip-en-janneketaal. Ik zou PvdA en GroenLinks graag in een volgend kabinet zien. Maar een kabinet met de SP, daar zit ik nu net niet op te wachten…


dinsdag, 17 januari 2012

Selçuk Akinci

Selçuk Akinci

Twitter Youtube GR

Homo’s in het nieuws

In opinie en commentaar, gay, religie, geloof, gemeenschap, gezondheidszorg, godsdienstvrijheid, helpen, homoseksuelen, en meer.

Bijbel

Hoorde ik vanochtend eerst op het nieuws dat de parttime Opperrabijn van Amsterdam, ene heer Ralbag, in de Verenigde Staten een petitie heeft ondertekend waarin staat dat joodse homoseksuelen in therapie moeten omdat een homoseksuele levensstijl niet aansluit bij de Torah. En vervolgens dat homoseksuelen die zich bij de christelijke organisatie Different laten behandelen, dit van hun ziektekostenverzekeraar vergoed krijgen. Verontwaardiging alom.

Op zich ben ik niet eens zo geschokt door de mening van de heer Ralbag. Hij vindt de homoseksuele praxis zondig en niet passen bij een joodse levensstijl. Dat mag hij vinden, al zal hij in de als liberaal te boek staande joods-Amsterdamse gemeenschap waarschijnlijk maar op beperkte instemming kunnen rekenen. Theologisch gezien zou zijn stelling zelfs nog gematigd genoemd kunnen worden. Het joods-christelijke geschrift Leviticus roept in de strafwetten (Leviticus 20.13) immers niet op tot therapie, maar tot het doden van hen ‘die het bed met een man delen als met een vrouw’. Maar laat ik me niet verleiden tot tekstexegese en me beperken tot de constatering dat deze valt binnen het domein van de godsdienstvrijheid.

Wat ik wel erg vind, is dat het statement van Ralbag tot extra verwarring leidt bij joodse jongeren die homoseksuele gevoelens bij zichzelf ontdekken. Dat is voor veel mensen al ingewikkeld genoeg zonder de ongetwijfeld liefdevol bedoelde adviezen van De Heer Ralbag. Zijn oproep om in therapie te gaan is namelijk vast niet bedoeld om te zorgen dat jonge joodse homo’s in het reine komen met hun geaardheid om er vervolgens een rijk liefdesleven op na te houden. Zijn oproep is een verkapte vorm van zeggen dat er iets grondig mis is met jonge homo’s. Niet bepaald de steun die jonge homo’s die worstelen met hun identiteit op dat moment nodig hebben.

Nog geen uur later meldt het radio-nieuws dat zorgverzekeraars verplicht zijn om een therapie te vergoeden die de christelijke organisatie Different aanbiedt aan homo’s. Op papier is die therapie bedoeld als psychologische begeleiding, niet als promotie voor een celibataire levensstijl (hier worden overigens ook trajecten voor aangeboden, maar die zijn in eerste instantie bedoeld voor partoraal medewerkers). Maar de overkoepelende stichting Tot Heil des Volks houdt er wel degelijk een aantal klassiek christelijke opvattingen op na, getuige de columns van directeur Hans van Rhee. Tot de clientèle van de organisatie Different behoren met name christelijke homoseksuelen die in conflict komen met hun geaardheid in combinatie met hun godgeloof. Is daar iets mis mee?

In beginsel niet, zou je zeggen. Maar laten we wel wezen: de reden dat homoseksuelen in conflict komen met zichzelf, komt voort uit het gebrek aan acceptatie van een homoseksuele levensstijl binnen diezelfde klassiek christelijke omgeving. Dus niet alleen zijn de geloofsgenoten van de Stichting Tot Heil des Volks deels oorzaak van de psychologische problemen die de cliënten ondervinden, ze zijn vanuit hun missie ook niet in staat de cliënten optimaal te helpen. Zij hebben vanuit het eigen geloof ongetwijfeld begrip voor de worsteling, maar hebben zij dat ultimo ook voor de seksuele verlangens van hun cliënten? Dat laatste waag ik ten zeerste te betwijfelen, gezien de visie van de stichting op homoseksualiteit (“verandering van seksuele gebrokenheid”) alsook de inhoud van de lespakketten over homoseksualiteit die dezelfde organisatie aanbiedt.

Het pijnpunt zit ‘m uiteindelijk nog niet eens zo zeer in het bestaan van dergelijke therapieën. Of praatsessies, want dat zijn het vooral. De vraag is of het legitiem is een traject dat verdacht veel lijkt op pastorale hulpverlening, missiewerk dus, te vergoed vanuit een zorgverzekeraar. In een tijd dat pgb’s worden afgeschaft, de thuiszorg onder druk staat, de geestelijke gezondheidszorg wordt beperkt en fysiotherapie aan banden wordt gelegd, lijkt me het antwoord duidelijk. Laat de herder in dit geval maar op eigen kosten voor zijn schaapjes zorgen.


zaterdag, 14 januari 2012

John Jorna

John Jorna

Discussie in de Partijraad van GroenLinks

In column van de week, de, discussie, dood, film, gezin, groenlinks, inzicht, liberaal, en meer.

RECHT OP DE ZELF GEKOZEN DOOD

Een vaak voorkomende scène in een film. Een wanhopige mens staat op de rand van een dak en dreigt te springen. Wakkere politieman komt dichterbij, praat heel verstandig, gaat in op de emoties. Dan breekt de wil van de springer en laat hij zich door de agent wegvoeren. Soms wordt de scène nog gruwelijker gemaakt door het publiek te laten roepen: “Spring lafaard!”. Je maag krimpt samen. Hoe kunnen ze? Zijn ze krankzinnig?

Een verstandig mens vindt het heel normaal om een zelfdoding te voorkomen. Je komt thuis, vind jouw kind of je partner bewusteloos en de nodige doosjes pillen op de tafel. Razendsnel bel je 112. In het ziekenhuis wordt de maag leeg gepompt en je bent hartstikke gelukkig als de dood wordt voorkomen en de patiënt waarschijnlijk ook. Veel pogingen tot zelfdoding zijn immers niet bedoeld om te lukken, maar vormen een signaal van wanhoop. Help me, want ik heb het zo moeilijk. Het is inmiddels ruim 45 jaar geleden, dat ik les gaf in een eindexamenklas van een HBO instelling. In die klas waren er dat jaar twee zelfdodingen. In een van de gevallen vertelde de jongeman zijn ouders nog, dat hij er zo’n spijt van had, maar het was al te laat.

Zelfdoding is een raadselachtig verschijnsel. Je kunt je niet of nauwelijks inleven in de geestestoestand van een zelfdoder. De nabestaanden blijven vaak achter met de waaromvraag en een schuldgevoel. Hadden wij het kunnen voorkomen? Soms biedt een afscheidsbrief enig inzicht. Vaak is er ook woede. Je laat mij achter met de problemen of ik rekende op een fijne oude dag met jou en nu ben je weg. Er bestaan ook bijeenkomsten voor groepen nabestaanden om samen het gebeuren te verwerken.

Zelfdoding zoals hier beschreven is van een geheel andere aard als de eis om zelf een eind aan je leven te mogen maken omdat je oud geworden klaar bent met je leven. Zo zegt men dat. Ik kan mij best de angst of de wanhoop of een depressie voorstellen, die mensen tot een ultieme daad drijft, maar als een gezonde zeventigjarige zegt klaar te zijn met het leven, dan vraag ik mij verbijsterd af hoe hij of zij dat weet. Ik ben die leeftijd al zeven en een half jaar voorbij en elke keer ontdek ik weer, dat ik iets voor mijn familie of mijn vrienden of mijn omgeving of mijn partij of de gemeenschap kan betekenen. Nu bijna twee jaar geleden beschreef ik na haar overlijden, hoe een tante van mij ruim een half jaar daarvoor ontdekte hoeveel ze voor een gezin betekende waar zij de rol had van plaatsvervangend oma. Haar leven kreeg zo weer zin en ze kreeg weer zin in het leven. Het is de ander, die jouw leven zin geeft. Het betekent voor ons een enorme verantwoordelijkheid. Wij moeten er zijn voor de ander.

In een sterk geïndividualiseerde maatschappij valt het niet mee om die verantwoordelijkheid waar te maken. Velen voelen zich alleen maar voor zich zelf verantwoordelijk en zelfs dat is problematisch. Maar hoe maak je de verantwoordelijkheid waar als de ander zich daarvoor afsluit? Wat doe je als mensen niets met een ander te maken willen hebben? Leven en laten leven? En eventueel niet langer meer leven? Waar ligt de grens van wat wij als gemeenschap toestaan? Stellen wij als liberaal denkende mensen nog grenzen?

Het moge duidelijk zijn, dat de discussie in de Partijraad van GroenLinks mij aan het denken heeft gezet. Ik kreeg de indruk, dat er voor een libertaire of vrijheidslievende partij geen grenzen  worden gesteld aan het individuele gedrag. Vrijheid blijheid. Dat laatste is nu juist de vraag. Is er blijheid wanneer een medemens geen verdere zin in zijn of haar leven ziet en kiest voor het einde?

Jaargang 4, Nr. 197.

woensdag, 4 januari 2012

ZinenRede

ZinenRede (Frans Schütt)

Linkedin Twitter

Het menu: Mark Rutte

In het menu, niet op voorpagina, allochtoon, job cohen, kunduz, liberaal, mark rutte, rechts, kinderen, en meer.
Mark Rutte Waar iedere politicus zich bij een bezoek aan Kunduz in een militair camouflagepak hult, staat Mark Rutte in spijkerbroek en blauwe pullover uit zijn studententijd ontspannen met de generaals te kletsen, plastic koffiebekertje argeloos in de hand, eeuwige glimlach op zijn gezicht. Een paar maanden eerder toont hij zich met dezelfde glimlach en soortgelijke vrijetijdskleding op een danceparty, ditmaal met een glas bier. Mark houdt van normaal doen. Zijn nieuwjaarsboodschap: "laten we ons realiseren dat het in het leven niet draait om banen, posities en ego's, maar om familie, vrienden, persoonlijke groei en gezondheid." ik kon het zelf gezegd hebben. Mark Rutte speelt de rol van minister-president met het enthousiasme van een kind en doet dat met zo veel overtuiging, dat zijn partij de grootste van het land is en hijzelf de populairste politicus. Ondertussen sluit hij deals met een geblondeerde xenofoob, waardoor Nederland schaamteloos allochtone kinderen het land uitschopt. Liberale principes gooit hij moeiteloos overboord. En hij wrijft zich in de handen bij de gedachte dat rechts Nederland de vingers aflikt door zijn politiek. Job Cohen heeft ongetwijfeld de betere inhoud. Maar helaas voor Job kiest Nederland tegenwoordig op basis van sympathie, ongeacht de inhoud.

donderdag, 29 december 2011

Selçuk Akinci

Selçuk Akinci

Twitter Youtube GR

De Broeikas van de Vrijheid

In opinie en commentaar, politiek, duurzaamheid, economie, liberalisme, gevaar, grondwet, handelen, huis, en meer.

Aarde

Kameraad en filosoof Simon Otjes schreef gisteren op zijn blog, in het vierde deel in een reeks reacties op het boek ‘Het Huis van de Vrijheid‘ van Rutger Claassen, dat er geen liberale grondslag is voor het streven naar een duurzame samenleving. Als politicus die streeft naar het smeden van brede politieke steun voor mijn idealen vind ik dat een onbevredigende stelling. Met gevaar voor eigen ego – Simon is een scherp, belezen en gepromoveerd denker – ging ik op zoek naar het tegendeel.

Beste Simon, je hebt gelijk als je stelt dat we duurzaamheid niet tot in de zesde generatie kunnen verplichten. Alhoewel je met een opname in de grondwet op zich nog best een eind zou kunnen komen. Meer prikkelend vind ik je ietwat terloopse stelling dat er vanuit liberaal perspectief geen politiek imperatief zou bestaan om als samenleving duurzaam te zijn.

Was het niet Thomas Green die bepleitte dat het individu niet los gezien kan worden van de samenleving waarin hij leeft en handelt? De staat heeft wat hem betreft daarin de rol om de politieke, maatschappelijke en economische leefomgeving dusdanig te vormen en te beschermen, opdat het individu hierbinnen optimaal kan handelen naar het eigen geweten.

Nu zit er een paradox tussen enerzijds de vormende staat en anderzijds het optimaal handelen naar het eigen geweten van elk individu. Praktisch gezien lost Green dit op door te pleiten voor subsidiariteit. Pas wanneer de locale overheid niet in staat bleek om de negatieve effecten op de mogelijkheid optimaal te handelen (ontplooiing) van individuen te bestrijden, komt wat hem betreft de nationale overheid in beeld. Als ik Wikipedia mag geloven, neemt hij daarbij de vervuilende Brouwerij-industrie in de negentiende eeuw als voorbeeld. Een duidelijk milieu-voorbeeld.

Vertaald naar de dag van vandaag kan gesteld worden dat de samenleving naast een locale en nationale component ook steeds meer een geglobaliseerde dimensie heeft. Ook de problematiek rond de klimaatverandering heeft nadrukkelijk een internationaal karakter. Supra-nationale interventie is vanuit de denkwijze van Green dan ook legitiem (wat niet uitsluit dat invulling en uitvoering nog altijd deels locaal geregeld kan worden) om zo voor langere tijd te borgen dat individuen blijvend optimaal kunnen functioneren.  In het specifieke geval van duurzaamheid raakt deze verantwoordelijkheid zowel de sociaal-maatschappelijke, de politieke en het economische umfelt waain het individu zich beweegt. Ik heb nergens het idee dat Green deze verantwoordelijkheid beperkt tot het functioneren van de nu levende generatie(s).

Relevant blijft of hier sprake is van een politiek imperatief. Verwijzend naar de theorie van de categorische imperatief van Kant stelt Simon immers dat er wel sprake kan zijn van een moreel, doch voor liberalen niet van een politiek imperatief voor het inrichten van een duurzame samenleving. Nog los van de vraag of moraliteit zo strikt gescheiden mag worden van het politieke domein, beschrijft Green wel degelijk een politieke kwestie. Hij benoemt een samenhangend stelsel van verantwoordelijkheden en plichten tussen individu en verschillende overheidslagen, een bestuurlijke leidraad bijna. Dat lijkt me bij uitstek een politiek verhaal.

Los van deze in beginsel vooral filosofische uitgangspunten vraag ik me af welke denkwijzen (diverse) liberalen erop nahouden als het gaat om een begrip als zorgplicht. Ook dit is iets dat immers niet noodzakelijkerwijs afgebakend is langs generatiegrenzen. Wellicht heeft Simon daar nog wat gedachten over.


woensdag, 28 december 2011

Simon Otjes

Simon Otjes

Last.fm Twitter Blogreacties: Selçuk Akinci

Climate control in het Huis van de Vrijheid

In economie, klimaat, liberalisme, politiek, politieke filosofie, ontwikkeling, overheid, principe, problemen, en meer.

Het Huis van de Vrijheid, het nieuwe boek van Leidse filosoof Rutger Claassen is een van de meest moedige filosofische poging die ik ken: het uitwerken van een consistent politieke filosofie gebaseerd op autonomie, aan de hand van actuele casussen. Het is daarmee een filosofisch werk dat zich relevant maakt voor de politiek van vandaag. Ik wil in de komende blogs naar dit boek kijken.

Een van de minst bevredigende onderdelen van de Het Huis van de Vrijheid is de analyse van klimaatpolitiek. Claassen stelt dat we zouden kunnen denken dat we op basis van het schadebeginsel ecologische grenzen kunnen stellen aan economische ontwikkeling. Als we grondstoffen uitputten dat ontzeggen vrijheden aan toekomstige generaties.

Maar welke aanspraak maken toekomstige generaties op ons? Onze kinderen maken overduidelijk aanspraak op ons: zij zijn er en hebben recht op een evenredig deel van de natuurlijke grondstoffen. Maar hoe zit het met de generaties daarna: stel je twee scenario’s voor: in het eerste scenario leeft de mens duurzaam voor tien generaties en dan komt door een meteoriet een einde aan het leven op aarde. In het tweede scenario leeft de mens onduurzaam voor vijf generaties en dan komt de mensheid om door haar eigen vervuiling.

De vraag is of het leven van die extra vijf generaties menselijke inspanning waard is, als menselijk leven toch tot einde komt. De vraag is of we als mensheid kort en gelukkig moeten leven, of langer en minder gelukkig. Voor individuen laten liberalen die keuze aan mensen zelf, maar hoe zit dat het met de mensheid? Voor utilisten is de berekening simpel: volgens het principe van het meeste geluk, moeten gewoon kijken of het verlies aan welzijn door verminderde consumptie opweegt voor de groei van mensen. Het is een empirische vraag hoe die berekening uitvalt. Liberalen hebben echter geen voorkeur voor zoveel mogelijk menselijk leven.

Het fundamentele probleem is dat de vijf ongeboren generaties geen aanspraak maken op ons. Als je echt zou geloven dat  nog-niet geboren leven van ons kan eisen dat we hen moeten laten leven, dan betekent dat iedere vrouw zoveel mogelijk kinderen moet krijgen. Zij hebben als individu geen morele status.

Wat Claassen voorstelt is dat als we de toekomstige generatie niet zien als een groep individuen we dit probleem kunnen ontlopen. Een tweede is dat we de waarde van het bestaan van de toekomstige generatie als groep kunnen instrumentaliseren. Wat wij doen heeft alleen zin omdat er een volgende generatie is die het zal erven. Als we de volgende generatie de mogelijkheid ontzeggen om dingen te doen die blijvend zijn ontzeggen we hun zin in hun leven. Dat is een niet-liberale theorie van waarde, die dingen alleen waardevol vind als ze blijvend zijn. De gemeenschap van mensen heeft waarde op zich.

Hier stokt Claassen: hij besluit er is geen liberale grond om duurzaam te zijn, daarvoor moeten we een andere theorie van waarden hebben, dan wel gebaseerd op het voortbestaan van de mensheid, dan wel op het bestaan van individuele mensen.

Ik kan me een grondslag bedenken van een andere theorie van waarden: deze gaat uit van morele verantwoordelijkheid. Het is een Kantiaans principe dat iedereen zo moet handelen dat het principe van zijn handeling een universele wet is. Iedereen moet zo kunnen handelen als jij doet. Als je overweegt te liegen, dan moet je bedenken hoe de wereld eruit zou zijn als iedereen zou liegen. Dan heeft praten geen zin meer omdat je zeker weet dat mensen niet de waarheid spreken. Communicatie wordt dan zinloos. Je kan in analogie hiermee voorstellen dat iedereen duurzaam moet leven, want als alle generaties zo onduurzaam zouden hebben geleefd dan zou mijn generatie er niet zijn geweest. Kortom er is voor Kantianen een moreel imperatief om duurzaam te leven.

Voor gemeenschapsgezinden, utilisten en deontologische Kantianen is er een moreel imperatief om als individu duurzaam te leven. Er is echter vanuit liberaal perspectief geen politiek imperatief om als samenleving duurzaam te zijn. Het fascinerende is dat het klimaatvraagstuk als geen ander collectieve actie vereist: het handelen van mensen om duurzamer te leven heeft alleen zin als we het samen doen. Om ervoor te zorgen dat iedereen duurzamer leeft, moet de overheid iedereen daartoe verplichten.

Allemaal mooie theorie. We kunnen duurzaamheid niet verplichten tot de zesde tot tiende generatie. De problemen met het klimaat zijn veel groter dan de vraag of de zesde generaties nog kan leven, maar de vraag of onze kinderen in een zelfde rijkdom kunnen leven als wij. Dat dwingt nu tot het maken van keuzes voordat het klimaat onveranderdelijk is beschadigd voordat zij groot worden. De vraag die onder Claassen’s analyse ligt, is of we we meer moeten doen voor die zesde generatie. Maar volgens mij is die vraag verkeerd: we moeten al ongelofelijk veel doen door de tweede generatie en daar profiteert de zesde ook van. De volgende generatie zal voor een zelfde keuze komen te staan, of ze voor hun kinderen genoeg willen overlaten. En die vrijheid moeten we hen in essentie ook laten. Voor die vrijheid moeten wij ook voor inleveren.

dinsdag, 27 december 2011

Simon Otjes

Simon Otjes

Last.fm Twitter

Links, Rechts en Het Huis van de Vrijheid

In liberalisme, politieke ruimte, verdelende rechtvaardigheid, wetenschap, economie, inkomen, politiek, politieke filosofie, agenda, en meer.

Het Huis van de Vrijheid, het nieuwe boek van Leidse filosoof Rutger Claassen is een van de meest moedige filosofische poging die ik ken: het uitwerken van een consistent politieke filosofie gebaseerd op autonomie, aan de hand van actuele casussen. Het is daarmee een filosofisch werk dat zich relevant maakt voor de politiek van vandaag. Ik wil in de komende blogs naar dit boek kijken.

Het Is filosofisch een fascinerend boek: boek bestaat uit vier delen. In het eerste deel werkt Claassen het idee van liberalisme uit. Hij laat zien dat liberalen uiteindelijk allemaal een ideaal van autonomie delen, maar dat zij zijn verdeeld over linkse en rechtse liberalen. In de overige drie delen werkt hij onderwerpen uit vanuit liberaal perspectief die zich niet per se verhouden tot die links/rechts tegenstelling: de rol van de overheid in het beperken vrijheid vanwege schade (aan jezelf of anderen), de rol van de overheid in de economie en vraagstukken rond identiteit immigratie en integratie.

Links en Rechts als Filosofische Begrippen

Claassen stelt dat liberalen allemaal een ideaal van autonomie delen (mensen moeten zelf vorm kunnen geven aan hun eigen leven). Ze zijn echter verdeeld over een ander vraagstuk. Rechtse liberale filosofen geloven sterk in individuele verantwoordelijkheid. Mensen zijn zelf verantwoordelijk voor hun eigen succes en voor hun eigen falen. Linkse liberalen denken dat talenten ongelijk verdeeld zijn: het inkomen dat ik verdien wordt gedeeltelijk bepaald door mijn intelligentie. Dat is aangeboren. Daar ben ik verantwoordelijk voor en heb ik dus geen recht op. Maar het tegenovergestelde geldt ook: als ik misdaden pleeg, ben ik daar in rechts liberaal perspectief zelf verantwoordelijk voor en moet ik dus de straf dragen. Volgens linkse liberalen ben ik geneigd misdaden te plegen door dingen waar ik zelf niet verantwoordelijk voor ben (slechte jeugd). En dus ben ik daar niet verantwoordelijk voor. Rechts staat voor individuele verantwoordelijkheid voor goede en slechte keuzes, links staat voor collectieve verantwoordelijkheid, omdat niet alles onze eigen keuze is. De andere onderwerpen vallen volgens Claassen daarbuiten: vraagstukken van nationale identiteit, economische groei en paternalisme vallen volgens hem buiten de links/rechts tegenstelling.

Links en Rechts als Politicologische Begrippen

Dit is in politicologisch opzicht een curieuze opinie. We weten dat links en rechts niet altijd hetzelfde betekent hebben: in Nederland betekende links en rechts aan het eind van de negentiende eeuw seculier en religieus. Links was seculier en rechts was religieus. Claassen heeft wel oog voor deze tegenstelling maar noemt dit filosofieën die een autonomie-ideaal centraal stellen (mensen moeten zelf keuzes maken en de overheid moet zo neutraal mogelijk zijn) en filosofieën die een welzijnideaal centraal stellen (de overheid weet wat het goede leven is en moet dit uitdragen). Sinds de Tweede Wereldoorlog betekent links in de eerste plaats voorstander van overheidsingrijpen in de economie en rechts de overheid grijpt niet in. Dit volgt de tegenstelling die Claassen links en rechts noemt. Vanaf de jaren ’70 komt daar de discussie over economische groei bij. Rechts kiest steeds voor economische groei en links voor andere maatschappelijke waarden zoals een ecologische balans en een balans tussen werk en zorg. Na 2002 komen tegenstelling rond immigratie, integratie en identiteit prominent op de politieke agenda. Links betekent hier erkent een multiculturele realiteit en rechts streeft naar een monoculturele samenleving. Links en rechts zijn dus in voortdurende ontwikkeling. Claassen stelt een links/rechts-tegenstelling centraal die in het huidige publieke debat steeds minder prominent wordt: als we kijken naar de posities van kiezers dan is hun positie op culturele vraagstukken steeds belangrijker voor hun positie op de links/rechts-as dan hun positie op economische vraagstukken.

Het interessante is dat als we kijken naar de meningen van kiezers al deze links-rechts assen niet samen vallen: de meeste kiezers zijn voor herverdeling (‘links’) maar ook voor een sterke overheid die optreedt tegen criminaliteit (‘rechts’). Volgens de filosoof Claassen zijn kiezers hier dan niet consequent op zijn. Links en rechts zijn in zijn analyse zulke heldere begrippen, als dit niet de lijnen van competitie zijn hebben kiezers dat schijnbaar verkeerd begrepen.

Ik denk niet dat dit terecht is. Als we het perspectief een klein beetje kantelen dan wordt het volgens mij duidelijk dat je best voor overheid kan zijn die hard optreedt tegen criminaliteit en armoede. Je kan de overheid zien als het schild van de zwakkeren, tegenover de sterkeren. Als een oud omaatje bestolen wordt op straat door een potige crimineel, dan lijkt het mij duidelijk wie de zwakkere en wie de sterkere partij is. Criminelen kiezen vaak de zwaksten in de maatschappij uit: het is gemakkelijker om te stelen van een vrouw of een bejaarde dan van een man en een jongeren. Als je als centrale principe neemt: de overheid moet de zwakkeren beschermen, dan moet de overheid optreden tegen criminelen om zo de slachtoffers te beschermen. Maar laten we nu eens kijken naar de arbeidsmarkt: wie is hier de zwakke en sterke partij? In de arbeidsmarkt zijn er verhoudingsgewijs veel minder bedrijven die om arbeid vragen, dan dat er aanbieders van arbeid zijn. De enkele grote bedrijven hebben ten opzichte van velen werkzoekende een monopoliepositie. Daarnaast hebben zij een hele afdelingspersoneelszaken die arbeidscontracten opstelt en loonschalen bepaalt. Een werkzoekende heeft niet de specialistische kennis om de nuances van het arbeidscontract te begrijpen. De overheid moet als schild van de zwakkeren optreden om de werkzoekende te beschermen tegen de mogelijke uitbuiting door de werkgever. De overheid moet er dus voor zorgen dat lonen eerlijk zijn en contracten niet alleen begrijpelijk zijn maar ook gebonden aan arbeidswetgeving die er voor zorgt dat een werkzoekende zich geen zorgen hoeft te maken over uitbuiting: het is altijd min-of-meer eerlijk geregeld. En als schild van de zwakkeren kan de overheid ook meer belasting vragen van de sterkste om zo regelingen in stand te houden waar zwakkeren voordeel van hebben: een klassiek sociaal-democratisch principe is de sterkste schouders dragen de zwaarste lasten.

In dit perspectief is overheidsingrijpen in de markt ten opzichte van bedrijven en in de samenleving ten opzichte van criminelen gerechtvaardigd omdat er een zwakkere partij en is een sterkere partij. De overheid moet als schild van de zwakkeren het opnemen voor de zwakkere partij. Het kan dus best consistent zijn om ‘rechts’ te staan om veiligheid en ‘links’ op sociaal-economische onderwerpen.

Links en rechts zijn flexibele begrippen die over tijd en tussen groepen sterk kunnen verschillen in betekenis. Voor filosofen zijn dit soort termen in gewikkeld. Ze proberen ze te vangen in definities, maar als wetenschapper weet ik maar al te goed dat de politieke werkelijkheid veel complexer is dan de definities van de filosoof toe laten.

maandag, 26 december 2011

Simon Otjes

Simon Otjes

Last.fm Twitter

Wie wordt er toegelaten in het Huis van de Vrijheid?

In liberalisme, migratie, ontwikkelingssamenwerking, politieke filosofie, armoede, belasting, blogs, boek, burgers, en meer.

Het Huis van de Vrijheid, het nieuwe boek van Leidse filosoof Rutger Claassen is een van de meest moedige filosofische poging die ik ken: het uitwerken van een consistent politieke filosofie gebaseerd op autonomie, aan de hand van actuele casussen. Het is daarmee een filosofisch werk dat zich relevant maakt voor de politiek van vandaag. Ik wil in de komende blogs naar dit boek kijken.

Filosofen laten graag groepen mensen die op eilanden stranden. Dat geeft altijd een prachtig moment om een nieuwe samenleving in kaart te brengen, zonder gevestigde belangen en oude instituties.

Claassen geeft een mooi voorbeeld in Het Huis van de Vrijheid om te laten zien waarom arbeidsmigratie onrechtvaardig is. Een schip breekt op zee in tweeën en de twee helften komen op de verschillende kanten van een eiland aan. In de ene helft van het schip zaten met name de matrozen. Deze mensen weten van aanpakken. Deze sterke mensen stichten al snel een goed werkende samenleving. Op de andere helft van het schip zaten de meeste passagiers: rijke mensen die niet weten wat hard werken is. Zij weten veel minder goed het beste uit het eiland te halen. Als de twee groepen elkaar na vijf jaar op het midden van het eiland ontmoeten (het is een groot eiland), is het duidelijk waar het beter toeven is: de matrozen die weten wat hard werken is zijn er veel beter aan toe dan de passagiers die niet weten wat hardwerken is. De matrozen die nog tussen de passagiers zaten willen naar de andere helft van het eiland toe: daar zien ze veel meer perspectief. Claassen is hier tegen: dat zou de economie van de arme helft alleen maar verzwakken. Zo laat Claassen zien waarom een liberaal (of eigenlijk een“liberal nationalist”) tegen grote arbeidsmigratie is: dat levert een braindrain op in arme landen.

Ik vind dit een uitermate verhelderend voorbeeld: want volgens mij is het heel duidelijk wat er moet gebeuren. Een van de links-liberale principes die Claassen onderschrijft is dat onverdiende verschillen inkomen eerlijk gedeeld moeten worden. Als ik geboren ben met het vermogen om hard te rennen, en iemand anders is vanaf zijn geboorte gehandicapt, dan moet ik een gedeelte van mijn prijzengeld dat ik verdiend heb met rennen delen met de ander: het is dom geluk dat ik geboren ben met rennersgenen en een ander gehandicapt geboren is.

Dit geldt ook voor de twee gestrande groepen: als er aan een kant door dom geluk alle mensen zitten die door no fault of their own, het meeste uit het eiland kunnen halen, dan moeten zij hun welvaart delen met de andere mensen die door no fault of their own minder uit het eiland kunnen halen. Politiek gesteld: de vraag van (on)rechtvaardigheid van arbeidsmigratie valt in het niet bij de vraag van de (on)rechtvaardigheid van mondiale inkomensverschillen. Ik werk hard, maar toch heb ik een groot deel van mijn rijkdom te danken aan het bestaan van allerlei instituties hier in Nederland waarvoor ik niets heb hoeven doen. Het is niet genoeg dat ik belasting betaal om deze instituties in stand te houden. Dat deze instituties goed functioneren, is toch grotendeels een erfenis van 200 jaar democratisch zelfbestuur in Nederland.  In andere landen is er armoede omdat de instituties daar ontbreken die hier in Nederland voor mijn rijkdom zorgen. Er zijn onverdiende verschillen in inkomens. Wij hebben dus geen recht op een groot deel van onze rijkdom en zouden dat eerlijk moeten delen.

Claassen gelooft minder in zulk liberaal kosmopolitisme, omdat er geen internationale staat is waar burgers loyaal aan zijn. Alleen als zo’n staat met loyale burgers bestaat kan er inkomen verdeeld worden. Een gevoel van lotsverbondenheid en zelfs gemeenschapszin is een noodzakelijke voorwaarde voor solidariteit. Dit is de basis van liberaal nationalisme: een overheid met loyale burgers is noodzakelijk voor liberalisme en we kennen alleen een nationale staten waar dat zo is.

De vraag die Claassen onbeantwoord laat is hoe we om moeten gaan met de verschillen in inkomen die daar het gevolg van zijn. Claassen schrijft daar niet over, maar ik denk dat zijn links-liberale principes het lastig maken om niets aan die onrechtvaardigheid te doen. Nationale staten zijn noodzakelijk om mensen voor onverdiende verschillen in inkomen te compenseren, maar nationale staten zorgen voor onverdiende verschillen in inkomen. In die zin is volgens mij liberaal nationalisme zeer problematisch.

zondag, 25 december 2011

Simon Otjes

Simon Otjes

Last.fm Twitter

Het Eeuwige Tekort van het Huis van de Vrijheid

In arbeid, economie, inkomen, liberalisme, politieke filosofie, verdelende rechtvaardigheid, vrije tijd, analyse, arbeidsmarkt, en meer.

Het Huis van de Vrijheid, het nieuwe boek van Leidse filosoof Rutger Claassen is een van de meest moedige filosofische poging die ik ken: het uitwerken van een consistent politieke filosofie gebaseerd op autonomie, aan de hand van actuele casussen. Het is daarmee een filosofisch werk dat zich relevant maakt voor de politiek van vandaag. Ik wil in de komende blogs naar dit boek kijken.

In 2005 schreef Rutger een ander opvallend filosofisch werk: Het Eeuwige Tekort, waarin het begrip ‘schaarste’ centraal stond. Is Het Eeuwige Tekort consistent met de politieke visie die Claassen uitwerkt in Het Huis van de Vrijheid?

De Oude Claassen: Het Huis van de Vrijheid

Het Huis van de Vrijheid is in de kern een liberaal boek. Claassen noemt zich in dit boek liberaal, alhoewel hij opmerkt dat dat in het Nederland maatschappelijk debat meer verwarring oproept dan oplost. Liberalisme betekent voor Claassen het streven naar een zo groot mogelijke autonomie voor mensen dat betekent dat mensen zo vrij mogelijk moeten zijn om zelf te beslissen over hun eigen leven, maar dat Claassen erkent dat vrij zijn ook gepaard is met het hebben van bepaalde vermogens: baby’s zijn niet autonoom, want die zijn niet instaat om doelen voor zich te stellen of de gevolgen van hun handelen in te schatten. Autonomie-als-ideaal omvat zowel de vrijheid zelf te kiezen als de plicht van de gemeenschap om zorg te dragen dat iedereen de vermogens heeft om te kiezen. Overheidsingrijpen is in principe alleen gelegitimeerd als die autonomie vergroot.

In het boek onderzoekt Claassen in allerlei maatschappelijke casussen hoe dit autonomie-ideaal in elkaar steekt. Zo bespreekt hij ook de topinkomens in het bedrijfsleven. Claassen stelt voor dat topinkomens positionele goederen zijn: de waarde van een topinkomen zit niet zo zeer in het bedrag, maar destemeer in of het meer of minder is dan het inkomen van de buurman. Zo ontstaat er een wedloop tussen topmanagers die allemaal meer willen verdienen dan de andere manager: om zo een duurdere auto en een duurder huis te kopen. Dit zijn consumptiemiddelen die ook weer met name waarde hebben in wedijver.

Volgens oude Claassen mag de overheid niet ingrijpen: er is geen sprake van schade aan autonomie. Mensen kiezen er zelf voor om mee te doen in de ratrace. We doen elkaar geen schade aan door een duurdere auto dan de ander te kopen. Als de ander zich daardoor gekleineerd voelt en ook een duurdere auto wil kopen is dat zijn eigen verantwoordelijkheid. Zolang er geen aanwijsbare schade voor autonomie door wedijver tussen topmanagers komt is er voor Claassen geen reden om in te grijpen. Sociale grenzen aan de groei zijn geen geldige reden voor Claassen om in te grijpen. De overheid is neutraal ten opzichte van de inkomensstijgingen van individuen.

Claassen merkt op dat als iemand oog heeft voor een oneerlijke verdeling van talenten dat hij dan misschien topmanagers wil belasten voor hun grote talenten waar hun grote inkomens mee verdient zijn.* Ook als bonussen de verkeerde prikkels geven dan moet de overheid ingrijpen: als ze risicovol ondernemen boven economische duurzaamheid stellen. Hier gebeurt volgens Claassen nog te weinig aan in de markt. Bij de overheid slaat men volgens hem door: door de balkenendenorm biedt de overheid te lage lonen aan topmanagers en we weten allemaal if you pay peanuts you get monkeys. De oude Claassen is in de analyse van topinkomens een klassieke liberaal: de overheid moet autonomie beschermen en niet meer doen.

De Jonge Claassen: Het Eeuwige Tekort

Het Eeuwige Tekort is juist kritisch over liberale filosofieën. Het boek gaat over de vraag hoe we met schaarsten om moeten gaan. Liberale filosofen erkennen dat er schaarste aan natuurlijke hulpbronnen is. Voor liberale filosofen is schaarste echter een natuurlijke toestand en ligt de verantwoordelijkheid voor dat er schaarste bestaat niet bij de mens. Dit noodzaakt ons om de maatschappij te organiseren op basis van principes van rechtvaardigheid. Het belangrijkste liberale verdelingsprincipe is de markt. In de markt ontstaat volgens economen door concurrentie om schaarse middelen de meest efficiënte verdeling. Deze concurrentie is volgens liberalen een positieve kracht: de motor voor economische en technologisce ontwikkeling. Iedereen heeft daar uiteindelijk voordeel van. Afgunst en jaloezie zijn voor liberalen daarmee uiteindelijk positieve krachten. Liberalen stellen de voldoening van behoefte centraal. De aard van de behoeften maakt hen weinig uit. Claassen noemt dit een “kritiekloze verheerlijking van behoeftebevrediging”.

Jonge Claassen staat in Het Eeuwnig Tekort veel kritischer tegenover schaarste dan de liberalen. Hij stelt zichzelf voor als een pluralist. Hij is kritisch over de centrale rol die concurrentie inneemt op alle plekken in de hedendaagse maatschappij: in de wetenschap, de politiek en de televisie. Concurrentie over schaarse grondstoffen leidt in zijn ogen alleen maar tot uitputting van het sociale, psychische en natuurlijke kapitaal: stress, sociale verharding en vervuiling. In plaats daarvan zou niet alles door de lens van competitie gezien moeten worden: een pluraliteit van maatschappelijke sferen met eigen verdelingsmechanismen (niet alleen de markt) zou in stand gehouden moeten worden. Het is een doorn in het oog van de jonge Claassen dat het huidige sociaaleconomische stelsel dat arbeid en consumptie centraal stelt andere waardevolle menselijke activiteiten (“tijdrovende, affectieve relaties” in de liefdeloze filosofentaal, wat wij tijd voor geliefden, gezin en vrienden zouden noemen) naar de zijkant schuift. We zouden maatschappelijke sferen moeten creëren waarin schaarste en afgunst geen centrale rol spelen. De logica van de economie maakt van mensen sociale autisten die zich monomaan richten op de maximalisatie van de winst, en daarvoor alle morele en maatschappelijke normen die ze kunnen overtreden, zullen overtreden. Dit is uiteindelijk een gevaar voor de economie zelf. Claassen wil de cultuur van de schaarste overwinnen door te breken met het dominante winst- en groeidenken. Dit is de jonge, linkse cultuurcriticus Claassen: kritisch over de cultuur van de schaarste die alles economiseert en geen ruimte laat voor andere waardevolle menselijke activiteiten.

Jong en Oud

De jonge en de oude Claassen lijken diametraal tegenovergesteld. De jonge Claassen kiest voor een keiharde kritiek op de cultuur van de schaarste waarvan het lof door liberalen wordt bezongen. Liberalisme is niets meer dan de kritiekloze verheerlijking van behoeftebevrediging die door afgunst in stand wordt gehouden en ons geestelijk uitput. De oude Claassen, zelf een liberaal, vindt dat een keuze voor mensen zelf: als jij het je aantrekt dat je buurman een grote Porsche heeft, en daarom nog harder wil werken en meer wil gaan verdienen dan ben je daar zelf verantwoordelijk voor. Dat is geen schade van autonomie. Dus de overheid hoeft niet in te grijpen.

De obsessie met economische groei is voor de jonge Claassen een doorn in het oog en voor de oude Claassen individuele keuze, waar de overheid neutraal tegenover moet staan. Interessant vind ik ook dat waar de jonge Claassen pleitte voor schaarstevrije sferen, de oudere Claassen waarschuwt voor het doorslaan van de overheid richting matiging van topinkomens. Dat zou niet goed zijn voor het type managers dat we binnen halen bij de overheid, want schijnbaar is loon alles wat zou moeten tellen bij public service.

Toch ligt het beeld wat genuanceerder: de jonge en de oude Claassen hebben beide oog voor de maatschappelijke gevolgen van de nadruk op economische groei. Als er maatschappelijke schade ontstaat door de nadruk op schaarste en concurrentie dan moet de overheid ingrijpen. Als monomane autisten de wet gaan overschrijden is er een probleem, ook als de bonusstructuur de managers vervreemdt van de werkvloer.

Cultuurfilosofie versus Politieke Filosofie

Uiteindelijk ligt er echter een fundamenteel filosofisch onderscheid tussen de twee Claassens: filosofisch putten de jonge en de oude Claassen uit andere tradities. De jonge Claassen oriënteert zich op continentale cultuurkritische denkers als Arendt, de oude Claassen is veel Anglosaksischer en analytischer, en zijn filosofen als Sen zijn grote voorbeeld. Voor de oude Claassen is er een fundamenteel onderscheid tussen wat moreel onwenselijk is en politiek onrechtvaardig: Claassen vindt dat de overheid geen oordeel moet hebben of meer willen verdienen omdat je buurman een grotere auto heeft goed of slecht is. Dat moeten mensen zelf uitzoeken. Dat betekent niet dat de oude Claassen zelf geen mening heeft over auto’s en afgunst, maar hij vindt dat individuele meningen geen rol hebben in de politiek. De overheid moet zo neutraal mogelijk zijn ten opzichte van ideeën van het goede leven. Wat de oude Claassen vindt als politiek filosoof en wat de oude Claassen vindt als moreel filosoof hoeven niet hetzelfde te zijn. De jongere cultuurkritische Claassen zal het hier niet mee eens zijn. Het voornaamste argument aan de hand van deze critici is dat we als overheid wel neutraal kunnen proberen te zijn ten opzichte van ideeën van het goede leven maar dat er door het sociaaleconomische stelsel er een ideaal (dat van competitie) dwingend aan ons op gelegd wordt. Het marktdenken wordt steeds dominanter in de vorming van onze karakters en de marktlogica wordt langzaam aan alle sociale sferen opgelegd. Dit komt het meest sprekend tot uiting in het voorstel van de oude Claassen om de topinkomens bij de overheid niet te veel uit te pas te laten lopen met de markt. We kunnen ons alleen tegen deze erosie van onze cultuur verzetten door ons collectief te organiseren. Het morele laissez-faire van Claassen houdt een cultuur van stress en uitputting in stand die we alleen kunnen doorbreken door overheidsingrijpen.

* Ik vind dit om twee redenen een tamelijk schokkende omschrijving: als iemand gevoelig is voor argumenten dat als talenten oneerlijk verdeeld zijn, er dan een ongelijke verdeling van middelen kan ontstaan, dan kan hij de topinkomens nog wel eens willen belasten. Iedereen zou gevoelig moeten zijn voor een oneerlijke verdeling van talent. Dat is geen kwestie van smaak.

Ten tweede, is Claassen schijnbaar onder de indruk dat de inkomens van topmanagers in verhouding staat met de door hen geleverde arbeid. Maar als ik weer cijfers uit de Verenigde Staten hoor, massa-ontslagen, economische malaise en wel een stijging van de topinkomens, dan vraag ik me serieus af of topinkomens wel in verhouding staat geleverde arbeid. Is de arbeidsmarkt aan de top wel een perfect functionerende markt? Topinkomens worden niet bepaalt in een markt waar er heel veel aanbieders zijn en heel veel vragers en mensen anoniem opereren. Het grootste bezwaar is dat er geen sprake is van een anomiteit, maar dat topinkomens worden goedgekeurd in een old boys-netwerk, waar iedereen elkaar kent. Je kan je serieus afvragen of daar sprake is van gezonde marktwerking.

zaterdag, 10 december 2011

Simon Otjes

Simon Otjes

Last.fm Twitter

Een recht op vrije tijd

In arbeid, inkomen, liberalisme, socialisme, verdelende rechtvaardigheid, vrije tijd, agenda, arbeidsomstandigheden, artikel, en meer.

Het is vandaag Internationale Dag van de Mensenrechten. De wereld viert dat op 10 december 1948 de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens zijn aangenomen. DWARS bloggers kijken naar een aantal van de mensenrechten vanuit groen, sociaal en vrijzinnig perspectief. Ik kijk naar artikel 24: het mensenrecht op vrije tijd.

Artikel 24: Een ieder heeft recht op rust en op eigen vrije tijd, met inbegrip van een redelijke beperking van de arbeidstijd, en op periodieke vakanties met behoud van loon.

Een van de universele mensenrechten is het recht op vrije tijd. Zijn de universele mensenrechten zo decadent dat er een recht op luieren is? Een recht op lanterfanten? Op kosten van de Verenigde Naties op vakantie naar Chersonisos? Is dat het echt het niveau van de Universele Mensenrechten?

Het recht op vrije tijd heeft zijn wortels in de socialistische beweging. Een van de belangrijkste strijdpunten van de socialisten was de achturige werkdag. Arbeiders moesten beschermd worden tegen werkgevers. Er was een fundamentele inbalans in macht tussen werkgevers en werknemers. Een beperkt aantal werkgevers beheersten de vraag naar arbeid. Er waren veel arme mensen op zoek naar werk. Daardoor konden werkgevers hoge eisen stellen aan werknemers: lage lonen, lange werktijden, slechte arbeidsomstandigheden. De socialisten wouden daar een grens aan stellen door de achturige werkdag. Het principe was “acht uur werken, acht uur slapen en acht uur ontspannen”. Later kwam daar de vijfdagige werkweek en vakanties met behoud van loon bij. Van het begin van de twintigste eeuw richtten de vakbeweging in onderhandelingen met werkgevers en de socialisten in het parlement zich op de achturige werkdag: door stakingen, petities en onderzoeken probeerden ze het onderwerp op de agenda te zetten. Na de Eerste Wereldoorlog werd in Nederland de achturige werkdag ingevoerd.

Dit mensenrecht was een manier om arbeiders te beschermen tegen uitbuiting door werkgevers. Het verschilt daarmee fundamenteel van andere grondrechten die burgers moeten beschermen tegen de macht van de overheid. Het lijkt dus een verouderd mensenrecht. Een middel dat nodig was in de twintigste eeuw om werknemers te beschermen tegen werkgevers. Het lijkt een mensenrecht dat past in een ontwikkelingsland als Bangaladesh maar dat in het Nederland van de 21ste eeuw van ‘het nieuwe werken’ en zzp’ers niet meer zinnig is.

Niets is minder waar: het recht op vrije tijd past als geen ander in de huidige tijd. We leven in een samenleving die werk centraal stelt. Alle politieke partijen willen dat iedereen aan het werk komt. Dat geldt voor rechts en voor links. Zelfs GroenLinks heeft in haar programma een uitermate ambitieuze agenda: iedere werkloze moet na een jaar een baan aannemen van de overheid. De werkgeversorganisaties en de vakbonden steunen het streven naar een zo groot mogelijke arbeidsparticipatie.

Je kan vanuit groen en links perspectief twijfels hebben over de noodzaak om allemaal zoveel mogelijk te werken. In een groene economie zouden we niet alleen maar moeten willen werken, maar juist ook meer ontspannen: we raken de grenzen van de Aarde met onze productie (dat is onze arbeid) en met onze consumptie (wat betalen met het loon voor dat werk). De cyclus van een week lang keihard werken om in het weekend keihard te consumeren past niet een duurzame economie. In een echte groene economie zou meer ruimte moeten zijn voor de dingen die er echt toe doen: tijd voor je vrienden, tijd nemen voor je gezin, tijd om van de natuur te genieten. Het vastleggen van het recht op vrije tijd geeft weer dat wij als wereldgemeenschap meer in het leven zien dan werk.

Maar er is een belangrijk reden om juist het recht op vrije tijd te waarderen: een recht op vrije tijd geeft mensen op een fundamentele manier de keuze om zelf hun leven in te richten. Het is geen plicht om te rusten, maar een recht waar mensen gebruik van mogen maken. Dat past goed bij het onderliggende ideaal onder de mensenrechten: het idee dat er in iedere samenleving ruimte moet zijn voor iedereen om zelf vorm te geven aan het eigen leven. Sommige mensen vinden hun ontplooiing in arbeid. Zeker voor wetenschappers en kunstenaars is werk een levensvervulling. Maar ik ken ook docenten die opbloeien als ze voor de klas staan. Voor andere mensen is juist hun vrije tijdsbesteding een belangrijk deel van wie ze zijn. Ze werken beperkt om te voorzien in hun eigen levensonderhoud, maar als ze eenmaal een minimuminkomen hebben verdiend genieten ze van hun recht om zelf te bepalen wat ze doen en vullen ze hun tijd met hobby’s, reizen, zorg voor familie of door zich als vrijwilliger in te zetten voor de maatschappij. De samenleving moet iedereen in staat stellen om zelf te bepalen hoe ze hun leven inrichten en of ze daarin de nadruk leggen op werk of op vrije tijd. Dat is in een liberaal ideaal dat door het recht op vrije tijd dichterbij wordt geholpen.

Kortom: het recht op vrije tijd heeft haar wortels in de socialistische traditie, draagt bij aan een duurzame economie en is noodzakelijk voor liberale politiek. Het recht op rust en vrije tijd is groen, sociaal en vrijzinnig.

zaterdag, 26 november 2011

Erik van Luxzenburg

Erik van Luxzenburg

Hyves Linkedin Last.fm Twitter Youtube Flickr

Sorry dat we Paars-Plus lieten knappen - VVD'ers bekennen: liever met D66 dan met PVV te regeren

In cda, vrijheid, vvd, beleid, blog, coalitie, d66, de, gedoogsteun, en meer.
VVD'ers liever met D66 dan met PVV | nu.nl/politiek | Het laatste nieuws het eerst op nu.nl:

'via Blog this'

Tjonge, vorig jaar was toch nog een meerderheid van de VVD-ers voor deelname van PVV in een kabinet? Zijn ze daar zo snel op teruggekomen? Heeft dat te maken met het feit dat alleen de PVV lijkt te profiteren van haar zogenaamde gedoogsteun (fijne steun, die je beleid en ministers meer afkraakt dan steunt). VVD staat stil in de peilingen en CDA behoort tot de kleine christelijke splinters, zoals andere gedoogpartner SGP. Die laatste partij zorgt voor heerlijk liberaal beleid, zoals rondom weigerambtenaren (ja VVD kamerleden, ga je maar weer schamen voor je tegenstem!).

Maar goed, toch mooi om te lezen dat VVD bestuurders nog impliciet toegeven dat hun partij het fout had toen ze de zogenaamde Paars-Plus coalitie lieten vallen voor gedoogsteun van het ondemocratische Wilders Vehicel Partij Voor Vrijheid geheten (hoe heerlijk die schijnbare tegenspraak waar het stemvee niet doorheen prikt).

donderdag, 17 november 2011

Theo Brand

Theo Brand

Godsdienst: geen twist maar een tango

In kerk, politiek, religie, spiritualiteit, tolerantie, bijbel, cda, christenunie, duurzaamheid, en meer.

Dierenmishandeling door ritueel slachten, priesters die kinderen misbruiken, een dominee die oproept om kinderen te kastijden, en de Bijbel als inspiratiebron om te weigeren mensen in de echt te verbinden. Godsdienst is de bron van achterlijkheid en veel ellende. En de kerk is een autoritair dwanginstituut waar binnen dertig jaar de laatste bejaarde het licht uit doet.

Ik overdrijf nogal. Dat doe ik bewust. Ik constateer dat godsdienst en kerk volgens de heersende opinie in ons land ‘uit’ zijn en zingeving en spiritualiteit ‘in’. Kerken hebben dat deels aan zichzelf te wijten. Maar tegelijk zijn er ook kerkelijke gemeenschappen die open staan voor de zoekende mens en de moderne cultuur. Kerken die zich inzetten voor de ‘Arme kant van Nederland’ en voor vluchtelingen. Met deze benadering vallen ze alleen wat minder vaak op. Want ja, de media duiken er niet op.

Het Humanistisch Verbond – dat ondanks de ontkerkelijking overigens nauwelijks groeit – maakt reclame met een slogan ‘Gelooft u ook meer in het leven vóór de dood?’. Misschien heeft u het reclamespotje wel eens op de radio gehoord: geloven in het leven vóór de dood. Die slogan bevestigt het clichébeeld dat religieus geïnspireerde mensen zich zouden fixeren op het hiernamaals. Jammer. Het ‘geborgen zijn in Gods handen’ – om het in religieuze taal uit te drukken – ervaar ik als troostvolle gedachte en maakt me juist vrij om me te kunnen richten op het hier en nu, samen met anderen.

‘Zonder uw steun is het humanisme aan de goden overgeleverd’ was een eerdere slogan van de humanisten, die sinds 2006 gebruikt werd. Daarin bespeur ik een bijbelse grondtoon. Ook Abram wilde niet aan de goden van zijn tijd overgeleverd zijn. Hij trok vanuit ‘Oer’ naar een onbekend land. Hij luisterde naar de Stem die zijn fixaties en oude geloofsvoorstellingen openbrak. Om over dat latere verhaal van een pasgeboren kind in een voederbak maar te zwijgen. Jezus was zijn naam. Schaapsherders en allochtone wijsneuzen stelden dat dit de ‘Zoon van God’ was. Absurd natuurlijk. Volslagen belachelijk. Dát was nog eens spotten met de heersende goden van die tijd!

De theologische vraag of Jezus goddelijk is, vind ik niet zo interessant. Ik zou het willen omdraaien: iemand die ter wereld komt als vluchtelingenkind, die tijdens zijn leven voortdurend bezig is mensen te bevrijden van angst en ziekte, en die tenslotte onschuldig ter dood wordt gebracht… zo’n persoon verdient het om je diep voor te buigen en om God – de Levende – te zijn. Buig niet voor keizers,  koningen en andere machthebbers, maar laten we knielen voor wat kwetsbaar is.

Met mensen, kerken en hun goden valt eindeloos te spotten. Soms is dat spotten terecht en soms onterecht. Soms is dat spotten relevant en soms is het gewoon kinderachtig en flauw. Maar ik zou zeggen: als je machtigen en schijnheiligen bespot, doe het dan vooral bijbels geïnspireerd. Want de Bijbel biedt ons met Abraham, Jezus en al die andere figuren religie- en maatschappijkritiek van de bovenste plank. De Bijbel als bron van religiekritiek. Dat is een merkwaardige paradox. Zo’n inzicht zet ons misschien ook even op een ander been.

Niet religie zelf is het verdedigen waard, maar wel datgene waar religie op haar betere momenten naar verwijst: de liefdevolle werkelijkheid die ons kennen en weten te boven gaat. Een werkelijkheid die niemand kan claimen. Sommigen noemen het God, anderen Humaniteit, het Mysterie of het Ultieme. Laten we het er op houden dat niemand het in zijn broekzak kan stoppen. Wel kunnen mensen het samen benaderen, vieren en beleven.

Ruim elf jaar geleden werd ik actief binnen De Linker Wang, het platform voor religie en politiek, verbonden met GroenLinks. Volgens sommigen is De Linker Wang een christelijke enclave binnen GroenLinks. Maar je zou De Linker Wang misschien beter een groen en progressief baken binnen christelijk en religieus Nederland kunnen noemen. Zo ben ik dat zelf tenminste steeds sterker gaan zien. We hoeven als Linker Wang geen heidenen te bekeren, maar misschien juist eerder gelovigen. En u weet het: heidenen bekeren is weliswaar een christelijk karwei, maar christenen bekeren, dat is pas een heidens karwei! Dat vrede, gerechtigheid, duurzaamheid en compassie leidende waarden moeten zijn in de politiek, dat is beslist niet voor elke kerkganger en voor elke CDA-politicus altijd even vanzelfsprekend.

GroenLinks moet meer oog krijgen voor de positieve rol van religie. Artikelen van deze strekking schreef ik in dagblad Trouw. Vorig jaar nog. En vooral Femke Halsema nam ik op de korrel. Daar heb ik geen spijt van, want religie heeft vooral sinds 2001 – na de aanslag op de Twin Towers en de moord op Theo van Gogh – een negatieve bijsmaak gekregen. Dat vraagt om nuance. Maar als progressief gelovige heb ik ook de taak om kritisch te zijn op godsdienst en religieuze instituten. Want het is allemaal mensenwerk, gaat om macht, en werkt niet zelden behoudend.

Ik heb geleerd dat het positieve en het negatieve van religie als maatschappelijk fenomeen allebei aan de orde zijn in de wereld. In de progressieve kringen waarin ik me begeef is het een hele opgave om die genuanceerde gedachte tussen de oren te krijgen. Religie kan onderdrukken, maar ook bevrijden. Religie kan behoudend zijn, maar ook vernieuwend en opbouwend. Denk aan al die scholen, ziekenhuizen en zorginstellingen in Nederland die vanuit religieuze inspiratie zijn opgezet. Denk aan diaconaal werk en ontwikkelingswerk.

Veel links en liberaal georiënteerde mensen beschouwen religie uiteindelijk toch als de bron van alle kwaad. Berichten in de media over autoritaire bisschoppen en seksueel geweld in de Rooms Katholieke Kerk en over de ouderwetse moraal van de SGP, bevestigen mensen in hun comfortabele secularistische wereldbeeld.

Niet religie, maar vrijheid is voor mij het doel. Geen goedkope vrijheid, ook geen louter economische vrijheid – denk aan de VVD – en al helemaal geen eng nationalistische vrijheid -denk aan de PVV. Nee, ik zoek naar de mondiale vrijheid voor alle mensen en alles wat leeft. Een vrijheid die duur betaald wordt en pas in de erkenning van wederzijdse afhankelijkheid gerealiseerd kan worden.

Die vrijheid kunnen we bereiken door vrede, gerechtigheid en heelheid van de schepping na te streven. In de jaren tachtig klonk deze trits expliciet in de grote Nederlandse kerken. Het ‘conciliair proces’ heette dat. En de urgentie van vrede, gerechtigheid en heelheid van de schepping is sindsdien alleen maar groter geworden. Denk aan de eurocrisis, de klimaatcrisis, de energiecrisis, aan wapenhandel en aan oorlogen die continue op meerdere plekken op aarde worden uitgevochten.

Ook ‘compassie’ vind ik een waardevol begrip. Compassie heeft extra aandacht gekregen door de activiteiten van de Britse godsdienstwetenschapper Karen Armstrong. In 2009 lanceerde zij het ‘Charter for Compassion’. We weten het, of we kunnen het weten: de kern van alle religies is hetzelfde: liefhebben en recht doen. De Gouden Regel van rabbijn Hillel ‘Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet’, is in varianten terug te vinden in christendom, judaisme, islam, hindoeisme en boedhisme. Tegen polarisatie, tegen fundamentalistisch geweld in de godsdiensten, tegen cynisme en apathie. Compassie is kortom een belangrijk sleutelwoord.

Christenen en andere religieus geïnspireerde mensen moeten niet in de valkuil trappen om religieverdedigers te worden. Ik herken die valkuil. Natuurlijk verdient godsdienst een genuanceerde benadering en vragen bepaalde clichés om bijstelling. Een seculiere meerderehied mag niet op alle terreinen van het leven dwingend zijn moraal opleggen aan minderheden. Maar het gaat uiteindelijk om datgene waar religieuze inspiratie naar verwijst: naar vrede, gerechtigheid, duurzaamheid en compassie. Dat zijn waarden en idealen die het verdedigen waard zijn. Daar kunnen zowel religie als religiekritiek ons behulpzaam bij zijn.

De stellingen en posities die we in Nederland relatief snel betrekken vóór of tegen godsdienst met alle clichés en vooroordelen van dien, dat heeft een historische achtergrond. Die ligt mijns inziens voor een belangrijk deel bij de verzuiling en bij de ‘antithese’ die Abraham Kuyper in de negentiende eeuw aanbracht: de scheiding tussen gelovigen en ongelovigen. ‘In het isolement ligt onze kracht’ was het motto van de gereformeerden. Dat legde de basis voor de verzuiling. Het inspireerde katholieken om zich in een eigen zuil te organiseren waarop ook de socialisten volgden.

Bij de verzuiling ligt ook de oorsprong van partijvorming op godsdienstige grondslag, de confessionele partijvorming, een fenomeen dat in Groot Brittannië en de Verenigde Staten niet bestaat maar zo kenmerkend is voor Nederland. Of moet ik zeggen: kenmerkend wás voor Nederland? CDA, ChristenUnie en SGP hebben als confessionele partijen samen nog maar 28 van de 150 zetels.

CDA, ChristenUnie en SGP zijn de belangenbehartigers van religie geworden en de andere niet-confesionele partijen staan daar – zo lijkt het althans – vaak lijnrecht tegenover. Je ziet dan patstellingen ontstaan zoals bleek bij de recente discussies in de Tweede Kamer over ritueel slachten en de zogeheten weigerambtenaren. De confessionele partijen fixeren zich op het verdedigen van religie en de andere partijen lijken hun best te doen elkaar te overtreffen in het aan de kaak stellen van verderfelijke religieuze praktijken.

Als christelijk geïnspireerde en oecumenisch georiënteerde Groenlinkser voel ik me bij geen van beide kampen echt thuis. Voor mij tellen godsdienstvrijheid, de rechten voor minderheden en ook het positieve aspect van religie. Maar voor mij telt ook respectvolle omgang met dieren en de redelijke eis aan overheidsdienaren om de wet uit te voeren en geen onderscheid te maken tussen mensen op basis van hun seksuele voorkeur.

Als we echt willen werken aan oplossingen moeten we van religie geen controversieel thema willen maken als doel op zichzelf. We moeten de antithese samen willen overstijgen. Het debat over religie moet geen twist worden maar een tango. Dan gaan we met elkaar het ritueel slachten niet verbieden, maar een convenant opzetten waarbij religieuze groepen, slachthuizen en dierenbeschermers met elkaar in gesprek gaan en met voorstellen komen, eventueel gevolgd door wetgeving. Dan stoppen we met het aannemen van nieuwe weigerambtenaren, en gaan we tegelijk coulant om met overheidsdienaren die al jaren naar eer en geweten hun werk doen en serieus moeite hebben met de ontstane veranderingen.

De stemming in Nederland wordt daar beter van. Religieus geïnspireerde mensen en confessionele partijen hoeven dan niet langer krampachtig religie te verdedigen. Ze kunnen al hun energie gebruiken om zich in te zetten voor datgene waar hun religie naar verwijst. Dan komen vrede, gerechtigheid, duurzaamheid en compassie in beeld. Bij de voedselbank, op de thee in de moskee, en als het moet op het Malieveld.

Dat levert onvermoede bondgenoten op: een brede oecumene van alle mensen van goede wil. Want ook ik geloof vooral in een leven vóór de dood en wil dat samen met anderen vormgeven. Zo worden godsdienst én godsdienstkritiek geen twist maar een tango, een vrolijke en uitnodigende dans op weg naar een nieuwe wereld.

Bovenstaande tekst is door mij uitgesproken tijdens een bijeenkomst van de plaatselijke Raad van Kerken in Brummen op 16 november 2011.


woensdag, 16 november 2011

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Nogmaals de weigerambtenaar

In religie en politiek, homoseksualiteit, tolerantie, ambtenaren, boodschap, burgers, commissie, debat, emancipatie, en meer.

Toch nog onverwachts stemde de Tweede Kamer in met de motie van Ineke van Gent die het kabinet oproept met een wettelijke regeling een einde te maken aan het fenomeen van de weigerambtenaar. Ik ben daar – alles afwegend – blij mee, maar uit de kritische reacties blijkt dat niet iedereen dat zo ziet. Is het niet juist tolerant om te accepteren dat er ook mensen zijn die hier anders over denken? Misschien zelfs een vorm van emancipatie, zoals de minister zei? Is het niet voldoende om het pragmatisch te regelen zodat elk trouwlustig stel aan de bak kan, ook als sommige ambtenaren niet elk stel willen trouwen? Hoeveel ruimte is er nog voor gewetensbezwaren van mensen en religieuze minderheden? Is dit niet de zoveelste uitwas van seculiere gelijkhebberij die de oprechte overtuigingen van gelovigen aantast?

Ik snap de gevoeligheden, maar bij mij valt de afweging anders uit. Ik heb in een eerdere blog al eens geschreven dat het wezenlijke probleem volgens mij ergens anders ligt, namelijk bij het feit dat we de ambtenaar van de burgerlijke stand een rituele rol hebben toegedicht die niet past. Als we het burgerlijk huwelijk van deze rituele extraatjes ontdoen, zullen ambtenaren ook niet zo gauw last van hun geweten krijgen. In verschillende kranten las ik vergelijkbare pleidooien, onder meer van Tom Mikkers (Volkskrant) en Marco Derks (Nederlands Dagblad).

Ik zie dat echter niet zo gauw gebeuren en daarom ligt de vraag naar de positie van de weigerambtenaar nog vol op tafel. Het is hoe dan ook goed dat daar duidelijkheid over komt, en volgens mij kan die duidelijkheid alleen maar inhouden dat er uiteindelijk geen ruimte is voor weigerambtenaren. Ik zal uitleggen waarom.

1. Het principe moet hoe dan ook zijn dat ambtenaren uitvoerders zijn van overheidsbeleid en bewakers van de wet. Alleen in uitzonderingssituaties kan er ruimte worden gemaakt om daarvan af te wijken. Die afwijking kan wel betekenen dat iemand bepaalde taken niet uitvoert, maar niet dat iemand bepaalde wetten overtreedt. Het is dus de vraag welk van de twee hier aan de orde is.

2. Niet elk beroep op gewetensbezwaren wordt gehonoreerd. Het moet bijvoorbeeld praktisch op te vangen zijn in de organisatie en het moet aansluiten bij een traditie. Dat is hier allebei wel het geval, dus in die zin is een beroep op gewetensbezwaren op zich terecht.

3. Het grote probleem met weigerambtenaren is echter niet dat ze een bepaalde taak niet willen uitvoeren, maar dat ze dat voor bepaalde burgers wel en voor andere burgers niet willen doen. Dat is fundamenteel anders dan bij andere gewetensbezwaren. Een brugwachter die niet op zondag wil werken, lijkt mij geen probleem. Onaanvaardbaar is een brugwachter die voor sommige schepen op zondag de brug wel bedient en voor andere niet. Een arts die geen euthanasie wil plegen, kan ik begrijpen. Onacceptabel is een arts die dat (in vergelijkbare situaties) wel wil doen bij sommige patiënten maar niet bij anderen.

4. Wij hebben in Nederland niet twee soorten huwelijk, waarbij je voorstander kunt zijn van het ene en tegenstander van het andere. Er is maar één huwelijk en dat is opengesteld voor MV-, MM- en VV-stellen. Daar kan een ambtenaar niet willekeurig in shoppen. Bij het uitvoeren van de wet maakt de ambtenaar geen onderscheid tussen burgers. Doet hij of zij dat wel, dan is dat onwettig.

5. Het argument dat elke homo toch wel kan trouwen, klopt maar is niet overtuigend. Waar elk heterostel een ambtenaar naar keuze kan uitzoeken, daar moet een homokoppel rekening houden met de mogelijkheid dat de gekozen ambtenaar hen niet wil. De boodschap is dat de gemeente een dergelijk onwettig onderscheid accepteert en kennelijk het ene huwelijk toch anders vindt dan het andere huwelijk. Op het gevaar af dat de vergelijking mank gaat: Tot de jaren zestig mochten zwarten gewoon met de bus in Amerika, maar dan wel achterin…

6. De rechten van huwelijksambtenaren worden volgens mij niet wezenlijk geschonden. Er is geen recht op het zijn van trouwambtenaar. Wie bezwaar heeft tegen een gelijkgeslachtelijk huwelijk, kan op allerlei andere plaatsen in de ambtenarij werken. Overigens zijn veel trouwambtenaar BABS, buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand, en dus externe freelancers. Dat betekent dat er helemaal geen arbeidsrechtelijk probleem is.

7. Ook als de overheid zelf de wet neutraal uitvoert en alle ambtenaren alle huwelijken gelijk behandelen (dus: ook als er geen weigerambtenaren meer zijn), is er nog volop ruimte voor pluraliteit. Iedereen mag in principe buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand worden. Of men nu christen of atheïst, liberaal of conservatief, homo of hetero. Niemand wordt gediscrimineerd, maar ook niemand mag – in die functie – zelf discrimineren.

En met die overwegingen kom ik tot de conclusie dat het goed is dat de regering moet komen met een wettelijke regeling die een einde maakt aan het fenomeen van de weigerambtenaar. Bij de openstelling van het huwelijk in April 2001 is ruimte gelaten voor ambtenaren met gewetensbezwaren. Dat vond ik voor dat moment een goede keuze, ook al was en is het een vreemd compromis (om de redenen hierboven). Het is niet vreemd om dat na tien jaar te heroverwegen, en dat is precies de oproep tot meer duidelijkheid geweest van de Commissie Gelijke Behandeling in 2008.

Misschien is er een overgangsregeling nodig voor zittende ambtenaren, maar het aanstellen van nieuwe ambtenbaren met gewetensbezwaren lijkt mij in elk geval niet kunnen. Ik heb er geen probleem mee dat mensen moeite hebben met homoseksualiteit. Ik vind het prima als ze een huwelijk tussen twee mannen of twee vrouwen geen echt huwelijk vinden. Ik ga daar graag het debat over aan, maar zal ook verdedigen dat mensen deze overtuiging mogen hebben. Maar juist in een plurale samenleving mag de overheid niet zelf – via haar ambtenaren – onderscheid maken tussen burgers.

En verder herhaal ik mijn pleidooi om het burgerlijk huwelijk te deritualiseren en de verdere ceremonie aan de rituele markt over te laten. De hedendaagse BABS-en kunnen zich daar met dezelfde overgave en voldoening beschikbaar stellen voor een mooie trouwdag, maar dan niet namens de overheid. Als een van hen dan geen homo’s, hetero’s, of roodharigen wil bedienen, heb ik daar veel minder moeite mee dan wanneer ze dat doen als dienaar van de overheid.


zondag, 13 november 2011

Simon Otjes

Simon Otjes

Last.fm Twitter

Paternalisme, Arbeid en Inkomen

In arbeid, inkomen, paternalisme, verdelende rechtvaardigheid, agenda, aow, armoede, belasting, bijstand, en meer.

In de bundel Vrijzinnig Paternalisme pleiten verschillende progressief-linkse auteurs voor een groen en links beschavingsproject. De overheid moet het debat aan gaan met burgers over wat het goede leven is. De auteurs, geleid door Dick Pels, willen hiermee een correctie aan brengen op de liberale koers die GroenLinks onder Femke Halsema heeft ingezet. Zij zou de moraal te veel hebben overgelaten aan het individu.

Het opvallende is dat waar het gaat om praktische politiek de voorstellen van Pels uitermate liberaal zijn en onderbouwd zijn met liberale argumenten. Dit zal ik illustreren aan de hand van het hoofdstuk “Werk, Sociale Zekerheid en Het Goede Leven” waarin Pels samen met Femke Roosma pleit voor het invoeren van een basisinkomen. Ze breken hiermee met de koers van Femke Halsema. Zij schrok in Vrijheid Eerlijk Delen, het stuk waarin ze haar sociaal-liberalisme praktisch uitwerkte, niet terug voor een paternalistische voorstel onderbouwd met paternalistische argumenten: iedereen moest werken omdat dat beter voor hen is. De centrale vraag is: hoe paternalistisch is het vrijzinnig paternalisme van Pels en hoe liberaal het sociaal-liberalisme van Halsema?

Liberalisme? Paternalisme?

Liberalisme houdt in dat de overheid strikt neutraal moet zijn ten opzichte van ideeën van het goede leven. Alle liberalen vinden dat de overheid mensen moet beschermen tegen inbreuken op hun formele rechten. Links-liberalen vinden dat de overheid daarnaast de materiële voorwaarden voor ontplooiing eerlijk moet verdelen.

Paternalisten geloven dat de overheid niet neutraal mag blijven ten opzichte van ideeën van het goede leven. Burgers moeten de ‘juiste keuzes’ maken, omdat dat goed is voor burgers zelf. In essentie zeggen paternalisten: “de overheid weet beter dan mensen zelf hoe ze hun leven moeten inrichten.” Harde paternalisten willen dwang inzetten om mensen daartoe te zetten. Vrijzinnig paternalisme varieert op een van twee manieren op dit thema: ten eerste, omdat vrijzinnig paternalisten niet zeker weten wat het idee van het goede leven is. Zij werpen dit echter niet terug op het individu maar willen een maatschappelijk, democratisch debat over wat het goede leven is. Ten tweede, omdat vrijzinnig paternalisten mensen niet dwingen, maar duwtjes in de goede richting geven: mensen hebben het recht om de verkeerde keuzes te maken, maar ze worden gestimuleerd om de juiste keuze te maken.

De centrale assumptie van Roosma en Pels is dat ieder sociaal stelsel mensen stimuleert om hun leven op een bepaalde manier in te richten. De sociale zekerheid geeft altijd richting aan een idee van het goede leven.  En op dit moment ligt de focus op werk. Roosma en Pels willen door het basisinkomen te introduceren mensen een andere richting geven.

 

Een Vrijzinnig Paternalistisch Pleidooi voor het Basisinkomen

Een basisinkomen is een door de overheid gegarandeerd minimuminkomen dat iedereen krijgt onafhankelijk van of hij of zij werkt of niet. De beste manier om het uit te leggen is dat de AOW-gerechtigde leeftijd verlaagd wordt naar 18. Mensen kunnen daarnaast bijverdienen zoveel als ze willen, maar als ze door een ongelukkige samenloop van omstandigheden, maar ook bijvoorbeeld omdat ze willen zorgen voor hun familie, of gewoon omdat ze lui zijn, (tijdelijk) niet werken kunnen ze altijd rekenen op een inkomen.

De vrijzinnig paternalisten Pels en Roosma hebben een agenda voor het goede leven: dat goede leven bestaat uit een juiste balans tussen werk, vrije tijd, ontwikkeling en de zorg voor anderen. Het basisinkomen kan daarbij helpen omdat het ruimte biedt voor ontplooiing, zorg en scholing. Mensen kunnen de tijd nemen voor scholing, voor de opvoeding van hun kinderen, het verzorgen van hun ouders of zich richten op sport, kunst en wetenschap en toch een (minimum)inkomen hebben. Het kan voor mensen met een baan een manier zijn om arbeid en zorg beter te combineren. Voor mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt geeft het basisinkomen de vrijheid om slecht werk te weigeren. In de huidige arbeidsmarkt kunnen mensen eigenlijk slecht werk niet weigeren omdat ze dan hun inkomen verliezen.

Roosma en Pels vinden hun voorstel paternalistisch omdat het ervan uitgaat dat het legitiem is voor de overheid om zich het welzijn van mensen te bemoeien. Maar die bemoeienis is beperkt. In essentie verandert het basisinkomen de manier waarop we keuzes maken over werk en inkomen. Als mensen besluiten om niet te werken, is het alternatief nu geen inkomen, met het basisinkomen kunnen mensen rekenen op een vast inkomen. Maar voor Roosma en Pels is het basisinkomen niet alleen een financiële maatregel, het is een normatief signaal: de overheid wil dat mensen zich onthaasten. Het voorstel is volgens Roosma en Pels vrijzinnig omdat er geen belemmeringen zijn om slechte keuzes te maken.

 

Het Basisinkomen langs een Vrijzinnige Maatlat

De kern van het betoog van Roosma en Pels is keuzevrijheid. Roosma en Pels willen mensen vrijmaken van arbeidsdwang. Het basisinkomen dwingt niemand om te werken, voor hun kinderen te zorgen of tijd te nemen voor scholing en ontspanning. Het maakt al deze keuzes serieuze opties. Dit gaat uit van een rijker begrip van dwang. Je kan stellen dat de overheid mensen alleen maar dwingt iets te doen, als mensen die zich niet aan de opdracht van de overheid houden, strafrechtelijk vervolgd worden. De overheid dwingt mensen om belasting te betalen: doen we dat niet dan kunnen we worden opgepakt. Je kunt stellen, dat een verzorgingsstaat en de vrije markt op een andere manier dwingt: het wel of niet verkrijgen van een inkomen is daar het beste voorbeeld van. De huidige verzorgingsstaat en arbeidsmarkt dwingen mensen om te werken. Als mensen niet werken, dan hebben ze geen inkomen, en zijn ze veroordeeld tot honger en armoede. In puur formele zin, bestaat de vrije keuze om niet te werken wel, maar is dat geen reële keuze. Mensen moeten werken want anders kunnen ze niet in hun basisbehoeften voorzien. Dat is in mijn ogen ook een vorm van dwang. Door een inkomen te verzekeren heft het basisinkomen deze vorm van dwang op. Het maakt daarmee allerlei opties reëel die slechts formeel bestonden. Mensen kunnen nu besluiten om zich helemaal te richten op de zorg voor hun kind, zonder zich zorgen te maken over de huur. In de kern vergroot het basisinkomen de reële keuzevrijheid van mensen.

Het basisinkomen is vooral goed voor mensen met weinig inkomen: mensen met weinig spaargeld, mensen die net rond komen, zij zitten nu een tredmolen van werk, werk, werk. Ze kunnen niet terugvallen op spaargeld of verlofregelingen als ze uit die tredmolen willen stappen. Als ze het niet redden komen ze in de WW of de bijstand. Deze regelingen gaan uit van het principe van reciprociteit, voor een uitkering staat een tegenprestatie: in de WW moet je solliciteren en dat werk accepteren en in de bijstand geldt steeds meer het principe van work first. Mensen mogen niet uit hun werkritme vallen, want anders komen ze nooit meer aan het werk. Het basisinkomen biedt de zwaksten op de arbeidsmarkt volgens Pels en Roosma meer bestaanszekerheid, maar vooral ook meer keuzevrijheid en grotere autonomie, zonder dat daar de verplichting van een tegenprestatie tegenover staat.

Het basisinkomen kan positieve maatschappelijke gevolgen hebben: onthaasting,meer  tijd voor het gezin, meer ruimte voor scholing, meer actieve beoefening van kunst, sport en wetenschap en beter werk voor mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Maar dit gebeurt niet door het principe van dwang, maar door het principe van vrije keuze. Het basisinkomen kan dit gevolg alleen hebben als we uitgaan van een sociaal-liberaal vertrouwen in mensen: als mensen in vrijheid keuzes maken dan zullen dat de juiste keuzes zijn. Vrije mensen kiezen voor zorg, kunst, scholing en onthaasting. Als je mensen vrij maakt dan zullen ze niet kiezen voor niets doen, niet voor televisie, drank en drugs om de verveling door te komen. Mensen zijn van nature geneigd tot ‘het goede’ alleen de samenleving dwingt mensen nu om verkeerde keuze te maken.

Paternalisme (met of zonder bijvoeglijke bepalingen) kunnen we niet bij Roosma en Pels aantreffen: de overheid weet niet beter hoe mensen hun leven moeten inrichten. Als je mensen de vrijheid geeft, dan maken ze de goede keuze. De overheid dwingt mensen nu de verkeerde keuze te maken, door eenzijdig de nadruk te leggen op werk.

 

Een Paternalistisch Pleidooi voor Werk

Ik kan me op het gebied van werk en inkomen wel paternalistischere voorstellen bedenken dan het basisinkomen. Je zou je kunnen voorstellen dat iedereen na een jaar werkloosheid een baan krijgt aangeboden en als ze die niet aannemen de uitkering dan wordt gestopt. Je zou dat kunnen doen omdat je vindt dat mensen economisch zelfstandig moeten zijn, omdat werk goed voor ze is, of omdat je vindt dat niemand uitgesloten mag worden van de voordelen van werk. Dat is de kern van Vrijheid Eerlijk Delen van Halsema. Ik heb al eerder laten zien dat dat voorstel veel dingen is, maar niet liberaal. Roosma en Pels geven de argumenten voor Vrijheid Eerlijk Delen goed weer: de verdedigers hiervan stelden dat mensen niet het recht hebben om geen deel uit te maken van de samenleving. Die deelname maakt ons tot betere mensen. Meedoen is goed voor je. Je onttrekken aan de samenleving is slecht. En een betaalde baan is het hoogste goed. Hiermee sluit Halsema naadloos aan bij het huidige denken over de arbeidsmarkt: iedereen moet (mee) werken. Vrijheid Eerlijk Delen was in de kern een paternalistisch voorstel, waarbij Halsema beter wist wat goed voor mensen was dan de mensen zelf. Neem vrouwen die besluiten om niet te werken als hun kinderen jong zijn. Die keuze hebben vrouwen nu omdat er uitzonderingen zijn in de bijstand voor vrouwen met jonge kinderen. Halsema vond dat vrouwen hiermee hun eigen toekomst op het spel zetten. Door die vrouwen toe te staan te zorgen slaat de overheid een gat in hun CV, waardoor ze als hun kinderen groot zijn, geen werk meer kunnen vinden. Ze missen dan de werkervaring, het werkritme en de opleiding om weer aan de slag te komen. De overheid moet vrouwen behoeden voor de verkeerde keuzes.

 

Liberalisme, Paternalisme en het Basisinkomen

De discussie binnen GroenLinks over Vrijheid Eerlijk Delen ging inderdaad langs de lijnen van liberalen versus gemeenschapsgezinden. Hierbij stond de vraag of mensen moesten werken niet ter discussie: liberaal Halsema en de vakbondsvleugel waren het daarover eens. Halsema was liberaal omdat ze voor het stimuleren van de werkgelegenheid liberale middelen wilde inzetten als ontslagrechtversoepeling. De gemeenschapsgezinden paternalistisch omdat ze mensen wilden beschermen tegen precair werk.

De paternalistische assumpties van het betoog van Halsema zijn slechts door enkelen benoemd. Door te werken ontplooien mensen zich, als mensen beslissen om niet te werken maken ze een ernstige vergissing, waartegen de overheid hen met dwang en drang moet behoeden. Het is opvallend dat het juist Pels, die de liberale koers van Halsema in vrijzinnig paternalistische richting wil bijsturen, het voorstel doet voor het basisinkomen. Dit zou een ontspannen samenleving stimuleren. Maar let wel: een basisinkomen doet dit via de band van vrijwilligheid: als we mensen bevrijden van een door de markt en overheid aangemoedigde arbeidsdwang dan zullen ze de ‘juiste’ keuze maken voor zorg, ontspanning, ontwikkeling en kunst.

Hun voorstel helt wel door naar de vrijzinnigheid en neemt grote afstand van het paternalisme: het basisinkomen vergroot de reële keuzevrijheid van mensen, en in vrijheid zullen ze de juiste keuzes maken. Ik ben, als links-libertair, een groot voorstander van het basisinkomen. Nu de paternalisten van de traditie Halsema nog.

dinsdag, 8 november 2011

Simon Otjes

Simon Otjes

Last.fm Twitter

Vrijzinnig Paternalisme onder de loep

In groenlinks, liberalisme, paternalisme, politiek, politieke filosofie, agenda, belangrijk, betalen, bundel, en meer.

In hun bundel Vrijzinnig Paternalisme pleiten vijftien denkers voor een herontdekking van het paternalisme door progressief-linkse partijen als GroenLinks. Door het paternalisme vrijzinnig in te vullen kunnen individuele vrijheid en onze collectieve belangen met elkaar verenigd worden. De redacteuren Pels en Van Dijk stellen zo wijziging voor op de liberale koers van Femke Halsema. Het boek mist echter een heldere gedeelde notie van Vrijzinnig Paternalisme. Pels en Van Dijk definieren zelf drie vormen van vrijzinnig paternalisme maar een groot deel van de bijdrages hanteren niet een van deze drie definities van vrijzinnig paternalisme.

Ik definieer in navolging van Claassen paternalisme als het gebruik van overheidsingrijpen die erop gericht zijn om mensen te dwingen iets te doen omdat het in hun eigen belang is. Mensen moeten gestimuleerd worden om de juist keuze maken voor zichzelf. In het klassieke paternalisme behandelt de overheid haar burgers als een ouder zijn kinderen behandelt: hij dwingt ze voor hun eigen bestwil hun boontjes op te eten. De ouder weet het beter. In een strict liberaal perspectief zijn er twee gronden om op te treden: in de eerste plaats als mensen niet autonoom zijn. Kinderen zijn een kernvoorbeeld van niet-autonome wezens. Paternalisme is dan volgens liberalen als Claassen gerechtvaardigd. De tweede reden om als overheid in te grijpen is om de vrijheid van anderen te beschermen: dan is er geen sprake van paternalisme, maar van overheidsingrijpen ten bate van een derde partij. Als je vader voorkomt dat je je broertje stompt is dat geen paternalisme: hij doet het niet ten bate van jou, maar ten bate van je broertje.

Vrijzinnig paternalisme varieert op dit thema. De auteurs stellen drie manieren voor waarop het paternalisme vrijzinnig kan worden ingevuld.

  1. nudges. In navolging van het concept van libertarian paternalism van Sunstein en Thaler pleiten de auteurs ervoor mensen door nudges te stimuleren om de juiste keuze te maken. Een nudge is een aanpassing van de manier waarop keuzes gepresenteerd worden. In tegenstelling tot klassiek paternalisme is er geen sprake van dwang. Sunstein en Thaler gaan ervanuit dat mensen niet rationeel beslissen. Marktwerking is geen instrument dat past bij Sunstein en Thaler.
  2. Je kan de overheid vervangen door de democratische gemeenschap. Hun paternalisme is vrijzinnig omdat wat “de juiste keuze” is, open is voor democratische deliberatie. In hun bijdrage pleiten Swierstra en Tonkens ervoor om mensen te binden aan normen die door democratische deliberatie zijn vastgesteld.
  3. Je kan “omdat het in hun eigen belang is” ook vervangen door “wat noodzakelijk is om autonoom in een open samenleving te functioneren” Mensen worden niet als autonome wezens geboren, maar moeten worden opgevoed om zelf-sturend te zijn. Kinderen moeten opgevoed tot burgers. Ik heb dit paternalisme omwille van het liberalisme genoemd.

De simpele vraag die ik hier wil beantwoorden is of de overige tien bijdragen behoren tot een van deze drie varianten van vrijzinnig paternalisme. Is er sprake van overheidsingrijpen dat erop gericht is mensen te dwingen dan wel te nudgen om in hun eigen belangte handelen, waarbij dat eigen belang al dan niet democratisch is gedefinieerd dan wel noodzakelijk is voor autonomie.  Ik zal hier kort de bijdragen doornemen. Hiermee doe ik altijd de complexiteit van de bijdrage tekort, maar de grote lijn is vaak genoeg voor deze toets.

Hoe vrijzinnig paternalistisch zijn de bijdragen?

De eerste bijdrage is van Ganzevoort. Hij schrijft over de vrijheid van godsdienst en in het bijzonder die gevallen waarin we de vrijheid van godsdienst willen beperken ten bate van minderheden binnen religieuze minderheden. Bijvoorbeeld: mogen gereformeerde scholen homoseksuelen weigeren als docent? Het kan hier dus in geen geval gaan om vrijzinnig paternalisme. Het gaat hier om overheidsingrijpen ten bate van een derde groep: de vrijheid van gereformeerde scholen wordt beperkt, niet in hun eigen belang maar in het belang van homoseksuelen in gereformeerde kring.

De tweede bijdrage betreft prostitutie. Hierin pleiten Pels en Lacroix voor de recriminalisering van pooierij. Het moet verboden worden voor derden om seksuele diensten van anderen aan te bieden voor geld. Pels en Lacroix willen zelfstandige prostituees toestaan maar prostituees als werknemer niet. Zij zien te veel misbruik, dwang en mensenhandel in de vrije prostitutiesector. Wederom gaat het hier om overheidsingrijpen ten bate van een derde groep, in dit geval vrouwen; zij worden beschermd tegen pooiers.

De derde bijdrage van de hand van Van Dijk betreft het bestrijden van overgewicht. Zij pleit er onder anderen voor om mensen beter te informeren over wat ze eten, en om gezond voedsel goedkoper te maken ten opzichte van ongezond voedsel. Dit doet ze om obesitas te bestrijden. Deze ingrepen kan je verdedigen op paternalistische gronden. Maar het prijsmechanisme is een instrument dat Thaler en Sunstein juist niet onder libertair paternalisme vatten, het prijsmechanisme gaat uit van mensen als rationele actoren. Je kan, zoals ik eerder heb gedaan, het prijsmechanisme juist ook verdedigen zonder terug te vallen in paternalisme. Zoals Van Dijk zelf laat zien in haar hoofdstuk hebben mensen met overgewicht meer zorgkosten. Die worden nu deels gecollectiviseerd door ons verzekeringsstelsel, je kan deze kosten ook privatiseren door ze in de prijs te verrekenen.

Meijers en Smithuijsen pleiten voor het verheffingsideaal in de kunsten, Wiersma pleit voor het verheffingsideaal in de publieke omroep. We betalen allemaal voor deze culturele sectoren. De auteurs vinden dat deze sectoren verantwoord moeten programmeren: kunst kan bijdragen aan een zelf- en maatschappijkritische houding, de publieke omroep de plek moet zijn waar het publieke debat wordt gevoerd. Zeker, het pleidooi van Meijers en Smithuijsen sluit goed aan bij de notie van paternalisme om wille van het liberalisme: kunst is bevrijdend. Echter het is in de kern niet paternalistisch: niemand wordt gedwongen om naar het museum te gaan of naar de publieke omroep te kijken. Mensen hebben die mogelijkheid maar niet de verplichting. In strikte zin is het niet paternalistisch. We moeten we er wel aan bijdragen via de belastingen, of we er nu gebruik van maken of niet. Dat is misschien onrechtvaardig, maar niet paternalistisch.

Eikelenboom wil van ouders meer betrekken bij de ontwikkeling van hun kinderen: hen versterken bij het opvoeden van kinderen. En dat is natuurlijk een typisch geval van een situatie waarbij een derde betrokken is. Ouders moeten betere ouders gemaakt worden voor hun kind. Dat is dus geen paternalisme, want er is een derde partij bij betrokken.

Van der Lans, die al bijna twee decennia pleit voor een linkse heruitvinding van paternalisme, heeft een rijke bijdrage. Ik wil op een voorstel van hem bijzonder inzoomen: de eigen krachtconferenties. Dit is een nieuwe invulling van het maatschappelijk werk dat de focus verlegt van professionals naar burgers. Als er sprake is van een opvoedingsprobleem (losgeslagen kinderen, murw geslagen ouderen) dan moet normaal het maatschappelijk werk ingrijpen. Van der Lans pleit voor eigen krachtconferenties: de omgeving van het kind zelf, onder leiding van een speciaal getrainde leek (geen professional) gaat samen opzoek naar een oplossing. Het gaat hier weer om kinderen, dus in die zin is er geen sprake van paternalisme dat een probleem is voor liberalen. Er zijn duidelijk vrijzinnige aspecten: de eigen krachtconferenties gaan in de kern om mensen zelfredzaam maken (‘samenredzaam’ in de woorden van Pieter Hilhorst) en daarnaast staat sociale deliberatie over wat wel en niet acceptabel gedrag is centraal. Echter een belangrijk aspect van paternalisme mist: door de nadruk te leggen op de sociale omgeving van een kind, is er geen sprake van overheidsdwang. En dus in de strikte zin van wat hierboven is geponeerd geen paternalisme. Maar dat is misschien wel wat retorisch.

Over het stuk van Roosma en Pels heb ik een uitgebreider stuk geschreven: dat zicht kort laat samen vatten als ”het voorstel van Roosma en Pels om een basisinkomen in te voeren is geen nudge (want een financiele maatregel die uit gaat van economische rationaliteit), het gaat niet uit van een ideaal van het goede leven (sterker nog het is een manier om mensen zelf in staat te stellen om te kiezen hoe ze hun leven willen vorm geven) en mensen leren er niet beter van hoe ze moeten omgaan met vrijheid.”

Eickhout en Thomas pleiten in hun bijdrage voor klimaatpaternalisme. Mensen moeten gedwongen worden om hun huis te isoleren. Goed voor hun eigen bankrekening, maar bovenal is het goed voor toekomstige generaties. De reden dat we klimaatpolitiek bedrijven is toch vooral omdat we verantwoordelijkheid willen nemen voor toekomstige generaties. En daarmee is het voorstel in de kern niet paternalistisch: de bijdrage aan de bankrekening van burgers is leuk maar de overheid grijp in omdat ze derden wil beschermen.

Ten slotte de bijdrage van Verbeek. Hij richt zich op de mogelijkheid om techniek in te zetten om mensen te stimuleren zich aan de regels te houden. Een automatische snelheidsbegrenzer in een auto bijvoorbeeld die mensen dwingt om zich aan de maximumsnelheid te houden. Vader Staat delegeert zijn paternalistische taken naar technische middelen. Het gaat hier vaak om paternalistisch ingrijpen en vaak om vrijzinnig paternalisme omdat er ook nudge-achtige middelen tussen zitten, zoals een auto die vervelend piept als je rijdt maar niet bent ingeriemd.

 Conclusie

Zijn alle bijdragen in de bundel vrijzinnig paternalisme vrijzinnig paternalistisch? Nee, ze voldoen lang niet allemaal aan de kenmerken hiervan.

  • Verbeek’s voorstel om mensen met techniek te stimuleren aan verkeersregels te voldoet is een echte nudge. En Van Dijk’s pleidooi om de prijs gezond en ongezond eten met elkaar in balans te brengen zijn vrijzinnig paternalistisch omdat het keuze laat bestaan maar de juiste keuze stimuleert (zij het niet met een nudge).
  • In het geval van Van der Lans en Eikelenboom gaat het paternalisme in het onderwijs en de opvoedingsondersteuning. Van der Lans die de nadruk legt op samenredzame gemeenschappen geeft hier een vrijzinnige draai aan. Maar zeker in het geval van Eikelenboom gaat het om het welzijn van het kind waar ouders beter voor moeten zorgen.
  • Wiersma, Meijers en Smithuijsen komen dichtbij het ideaal van paternalisme omwille van het liberalisme: de publieke omroep en de kunsten dragen bij aan die dingen die we nodig hebben om een goed burger te zijn. Echter hier wordt niemand gedwongen of ook maar genudged. De mogelijkheid wordt geboden. Wat de bundel opvallend genoeg mist is een bijdrage over de gevolgen van vrijzinnig paternalisme voor onderwijs. Het onderwijs is de manier om (jonge) mensen een bepaald beschavings aan te leren. De bundel van S&D, het blad van het wetenschappelijk bureau van de PvdA, over verheffing ging hier juist uitgebreid op in.
  • In veel gevallen is er wel sprake van dwang maar niet van paternalisme omdat er een derde groep is: Eickhout en Thomas laten ons isoleren vanwege toekomstige generaties,  Pels en Lacroix willen pooierij verbieden om prostituees te bevrijden van seksuele slavernij. Ganzevoort wil religieuze gemeenschappen stimuleren om oog te hebben voor hun minderheden.

Vrijzinnig paternalisme laat zich niet vatten in een definitie, maar heeft drie varianten. Een groot deel van de bijdrages in het boek past niet in een van deze drie varianten. Het is een diverse bundel, vol rijke bijdragen, maar het mist een heldere overkoepelende agenda.

zaterdag, 22 oktober 2011

Theo Brand

Theo Brand

Redactioneel: Vruchtbare inspiratiebronnen voor linkse politiek

In politiek, religie, duurzaamheid, gerechtigheid, groenlinks, kerk, linker wang, spiritualiteit, vrede, en meer.

Hieronder het ‘Redactioneel’ dat ik schreef als eindredacteur van tijdschrift De Linker Wang voor het oktobernummer dat onlangs verscheen. Voor een proefabonnement of gratis proefnummer, kijk je op www.linkerwang.nl  

Tijdens een ‘verbale bokswedstrijd’ konden GroenLinksers de stelling verdedigen dat hun partij aanleunt tegen D66 of juist verwantschap toont met de SP. ‘Discussie in de tent’ heette het partijweekend waar dit debat enkele jaren geleden plaatsvond. De ludieke strijd was leuk maar riep ook een vraag op: missen we nu niet de kern?

Wie redeneert op een platte politieke as van A naar B vergeet dat er meerdere dimensies zijn, terwijl GroenLinks zich juist kenmerkt door vergezichten en diepere dimensies. Uitgesproken personen, vaak vrouwen en migranten, zetten de toon. Godsdienstcritici en religieus betrokkenen trekken samen op. Wat bindt is de droom van een betere wereld.

Vrijzinnigheid en liberalisme passen bij GroenLinks maar niet als diepste motor. De identiteit van GroenLinks hangt samen met een houding die gericht is op een solidaire, duurzame en vreedzame maatschappij. Hiervoor gepassioneerd zijn om vanuit idealen invloed uit te kunnen oefenen.

In dit nummer van De Linker Wang benadrukt Jolande Sap dat de ideeën van GroenLinks rond WW en ontslagrecht juist sociaal gemotiveerd zijn (pagina 4-6). Ze verdedigt dezelfde maatregelen als Halsema maar de toon is anders. ‘Dat sommigen ons voorstel als té liberaal hebben betiteld, mag opmerkelijk heten,’ zegt Sap.

En over godsdienstvrijheid zegt ze, in navolging van Halsema: ‘Wij maken ons sterk voor geloofsbeleving op eigen voorwaarden en staan pal voor het individuele recht om het eigen geloof te belijden. Tegelijkertijd verzetten we ons tegen gewetensdwang en extremisme uit naam van religie. Het eigene van GroenLinks is dat we voor de beide kanten van dezelfde munt evenveel aandacht hebben.’

De uitdaging voor GroenLinks is om dit evenwichtige standpunt aan te vullen met de boodschap dat levensbeschouwingen – inclusief ‘gelovige tradities’ zoals John Veldman dat verwoordt op pagina 24 – maatschappelijk vruchtbare inspiratiebronnen zijn. Religie en spiritualiteit overstijgen de persoonlijke levenssfeer en kunnen een bondgenoot zijn van progressieve politiek. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat kerkgenootschappen wereldwijd kritisch met regeringen meedenken om geweld zoveel mogelijk te voorkomen (pagina 8-9) en uit de manier waarop Sid Bachrach de joodse geloofstraditie interpreteert en praktiseert (pagina 10-11).

Na twintig jaar wil De Linker Wang dit verhaal over inspiratie, religie en politiek blijven vertellen. Dat vraagt om vernieuwing die onder meer tot uitdrukking komt in de vormgeving van dit tijdschrift. Vormgever Max Prins, die ook de opmaak verzorgt, heeft De Linker Wang een nieuwe jas gegeven die goed past maar voor sommige lezers misschien nog wat onwennig aanvoelt. Laat dit dan vooral onwennigheid zijn die mensen kunnen ervaren als zij zich door de toekomst laten aanspreken. 

Theo Brand, eindredacteur.


vrijdag, 14 oktober 2011

Jeroen van Rossum

Jeroen van Rossum

Twitter

Verjaardagsfeestje

In politiek, bezuinigingen, blok, cda, coen, d66, de jager, democratie, dissidenten, en meer.

Nu het kabinet Rutte-Verhagen zijn eerste verjaardag viert, en rechts Nederland zijn vingers gretig aflikt bij de sobere taart, gooit Geert Wilders alvast een subtiel bommetje op. In een interview met het AD stelt hij dat het afgelopen jaar een ‘schaduw zal zijn’ ten opzichte van het komende. Hij heeft het over ‘meer beren op de weg’ dan we tot nu toe zagen. Volgens de Volkskrant van vandaag zegt Wilders bovendien dat een motie van wantrouwen niet ondenkbaar is, als er extra bezuinigingen komen met oog op de eurocrisis.

Stef Blok zit de vier jaar echter graag uit met Geert Wilders en zijn PVV. En daarna mogen er nog wel vier jaar bij, als het aan hem ligt. Hij geeft de collega’s van D66 op nu.nl nog een fijne sneer door op te tekenen dat zelfs de vrouwonvriendelijke mannenbroeders van SGP nog hervormingsgezinder zijn dan zij. Nee, hoor, dit kabinet is toch stukken beter dan Paars+ was geweest. Alle overboord gegooide liberale principes – zoals koopzondagen, hervormingen op de arbeidsmarkt en wat niet meer – vindt Stef Blok slechts onderhandelingsschade.

Ook het CDA lijkt dit kabinet nog wel even uit te willen zingen. De zogenaamde dissidenten Ferrier en Koppejan zijn al maanden zo muisstil, dat ik af en toe moet kijken of ze nog wel in de Kamer zitten. Ondanks alle stoere prietpraat van een jaar geleden, zijn ze mak en onzichtbaar. Ze zouden zich dood moeten schamen, maar draaien handig om alle journalistieke vraagstukken heen. Voila; de vertegenwoordiging van 30% tegenstemmers binnen het CDA. Die Ferrier en Koppejan, daar heb je wat aan. Wat een volksvertegenwoordigers!

Ondertussen kunnen de CDA-ministers heerlijk hun christelijke gang gaan, en zelfs de SGP nog trots maken. Marja van Bijsterveld durft deze week nota bene te zeggen dat weigerambtenaren ook een vorm van emancipatie zijn. De overheid is er dus voor iedereen, maar niet voor iedereen evenveel. Exact het betuttelende, christelijke toontje waartegen de paarse VVD (een van de architecten van het homohuwelijk) in het verzet kwam. Maar dat was toen. Nu lijkt het bijna alsof de zelfzekere houding van het CDA-smaldeel in het kabinet groeit, in plaats van krimpt, ondanks het aanhoudende gegrom en geblaf van bedrijfspitbull Wilders. Geen wonder dat het zwakke gekef van Cohen geen indruk maakt. Dat is liftmuziek in de oren van Verhagen en zijn collega’s.

De ministers van het CDA maakt het allemaal niet uit. Ze zitten na een halvering toch op het pluche. Alle hondsberoerde peilingen en stijgend intern gemor ten spijt, ze zitten er maar mooi. Geen Slangenburger die daar nu wat aan doet, het CDA zal Rutte-Verhagen niet laten vallen. Daar zorgt Maxime Verhagen, geflankeerd door Piet Hein ‘duimschroef’ Donner en Gerd ‘excuustruus’ Leers wel voor. Maxime viert zijn eigen feestje van democratie. En vandaag een stuk taart extra, want het is ook nog ’s een verjaardagsfeestje…


Aantal berichten op deze pagina: 29. De berichten op deze pagina zijn niet ouder dan 5308 uur (221,2 dagen). Berichtgemiddelde: 0,1 bericht per dag, 0,9 per week.

Volgende pagina

Pagina: 1 2