woensdag, 8 februari 2012

Alice Karen

Alice Karen

Lusteloos

In schrijfsels, 2012, natuur, de, bezig, liefde, nadenken, gewoon, lichaam, en meer.

Ik voel me vaak lusteloos. Op de universiteit ben ik goed bezig, maar wanneer ik in mijn kamer zit in die vieze, gehorige flat, de deur om privacyredenen op slot, bevangt het me vaak. Het zit tegen een depressie aan, combineert zich met eenzaamheid en psychosomatische stressverschijnselen. Moe wakker worden, veel te vroeg, gehorige flat, horkerige buurman, piepende deuren, slaande deuren.

Anderen zeggen dat het hun tweede natuur is geworden, dat gebrek aan motivatie om iets te ondernemen. Of dat het met de winter te maken heeft. Allicht is het een schreeuw om rust, en zorgt deze periode ervoor dat ik daarna krachtig verder kan. De liefde moet even naar mijzelf gaan, zeggen anderen. Een verwarmend kopje gemberthee, om meer lust te krijgen om te beginnen. Mezelf even toestaan nog meer naar binnen te keren. Dieper ademen. Rust en inkeer.

Ik ben zo veel bezig met nadenken, maar mijn lichaam is lusteloos. Toch iets gaan doen, het van me af schuiven, afleiding zoeken en er zo uit komen. Het soms gewoon even laten zijn, wanneer dat niet lukt. Het moet niet een te groot gevecht worden.

In mijn eentje op die kamer in die vieze, gehorige flat, met mijn gevoelens en gedachten. Onopgeloste zaken blijven als grote wiskundige opgaven boven mijn hoofd hangen, mijn hersenen blijven actief, willen ze oplossen. ‘Quod Est Demonstrandum’ kunnen zeggen. Het is moeilijk om zaken achter me te laten, zo veel prikkels zijn er binnengekomen, en blijven er binnenkomen. Rust vinden, focus.

Een handvat vinden om mezelf aan op te trekken. Opstaan uit het dal. De deur dichtdoen achter mij. Op slot. Alleen, samen, nooit alleen. Samen opkrabbelen. Ook al is samen online en niet bij mij in mijn kamer. Luisterende oren en lezende ogen. Sprankel. Sprekende ogen in de spiegel. Heelt tijd? Spiegelnotities. Ik ben mooi. Ik ben goed genoeg. Ik sprankel van leven. Hardop.

Focus, inkeer, rust. 2012.


Gearchiveerd onder:Schrijfsels

donderdag, 19 januari 2012

Jolanda de Vreede

Jolanda de Vreede

Twitter

Hoofdstuk 7

In de maatschappij dat zijn wij!, lust, sex, boek, de, dieren, discussie, gewoon, gezin, en meer.

“Mevrouw, doen we ook hoofdstuk 7 van maatschappijleer?” “Nee, die doen we niet, hoezo?” “Weet u waar het over gaat?” “Ja, over sex.”  Het is maar één paragraaf, desalniettemin maakt die indruk.

Gisterenochtend zag ik op nu.nl een, niet geheel correcte, weergave van de resultaten uit het onderzoek ‘sex onder je 25e‘. Daarna in Trouw op de voorpagina ‘Verzekeraars en medici tegen christelijke homotherapie’. Eenmaal op school las ik in NRC next over de ondertekening door 162 rabbijnen van een verklaring tegen het homohuwelijk. Tot slot kwam in de klas bovenstaande vraag. Er zijn van die dagen….

Gerichtheid

Net als dieren vinden veel mensen sex gewoon prettig. Met mannen, vrouwen of met allebei. Ook als het gezin compleet is of als er helemaal geen gezin moet komen. Als het alleen voor de voortplanting was, zouden we die behoefte al vrij snel verliezen na een bepaalde leeftijd en dat is geenszins het geval. De organisatie die therapie biedt aan homo’s die zichzelf zondig vinden, noemt het houden van andere mensen een ‘gerichtheid’. Ik richt mij inderdaad liever tot mensen die ik aardig vind. Wie dat zijn, is een kwestie van smaak. Daar valt weinig aan te veranderen en al helemaal niet over te twisten. Gelukkig had de minister van gezondheidszorg er niet heel veel minuten voor nodig om deze onzin zo snel mogelijk uit het vergoedingenpakket te laten halen.

Zelf kiezen

De rabbijnen wilden duidelijk stelling nemen tegen het homohuwelijk. Het woord alleen al. Leuk stelletje houdt van elkaar, wil trouwen, mag het soms wel en soms niet. Dit geheel afhankelijk van de omgeving: staat die ze toe samen te leven of niet. Het paar heeft daar zelf niets over te zeggen. Volgens de verklaring zijn homo’s ‘onschuldige slachtoffers van wonden in hun jeugd’. Volgens mij zijn ze eerder slachtoffer van deze 162 rabbijnen en wat christenen rond de bible belt.

Werk aan de winkel

Terug naar school. Ook daar had ik vorig jaar nog een leuke maar stevige discussie met een paar jongens over in hun ogen afwijkende sexuele voorkeuren. Kennelijk zijn er ook nog jongeren die denken dat sex alleen of vooral gericht is op voortplanting. Ook dit groepje accepteerde niet ieders eigen voorkeur en veroordeelde het zelfs sterk.

Tenslotte dus ‘sex onder je 25e’. Nu.nl op 17 januari noteert: ‘Van de jongens geeft 87 procent aan bij de eerste geslachtsgemeenschap een condoom of een andere vorm van anticonceptie te gebruiken.’ Ook de leerlingen die vroegen om het laatste hoofdstuk uit het boek konden even niet uit de voeten met  dit onderzoeksresultaat. Een andere vorm van anticonceptie bij jongens? Zaaddodende pasta werd vertwijfeld geopperd. Waaraan de conclusie werd toegevoegd: “Zaaddodend? Nee, zeker niet als je nog jong bent!”

We moeten hoofdstuk 7 hoognodig ergens tussen stoppen.

maandag, 16 januari 2012

ZinenRede

ZinenRede (Frans Schütt)

Linkedin Twitter

Het menu: Lustobject

In het menu, niet op voorpagina, ferdows kazemi, hans teeuwen, iran, lustobject, nederlandse nationaliteit, buitenland, de volkskrant, en meer.
De in Iran geboren columniste Ferdows Kazemi sprak onlangs in de Volkskrant haar afkeuring uit over Hans Teeuwen, die op het toneel zijn seksuele fantasie met de koningin verbeelde en daarmee de vrouw als lustobject neerzette. Ik had op deze plaats Ferdows tot nadenken willen stemmen met een vlammend betoog voor de vrouw als lustobject, door voor eens en altijd duidelijk te maken dat de mensheid zonder het fenomeen lustobject niet zou bestaan. Tot ik het schrijnende relaas tegenkwam over het eenjarige dochtertje van haar stervende zus. Ferdows heeft zich na de dood van deze zus en met instemming van de Iraanse vader over het kleine meisje ontfermd en is nu 11 jaar haar pleegmoeder. In Nederland kunnen buitenlandse pleegkinderen geen Nederlandse nationaliteit krijgen. En omdat de Iraanse wetgeving adoptie van haar onderdanen in het buitenland niet toestaat, wordt dit 12-jarige de facto Nederlandse meisje, net als Mauro met uitzetting bedreigd. Waar zijn wij in dit land in vredesnaam mee bezig! Laat dit gedoe waar iedere Nederlander zich ten diepste voor behoort te schamen onmiddellijk ophouden en geef kinderen als Mauro en dit meisje een normaal leven verdomme! Maar Ferdows, gun jouw meisje dan ook dat ze een normaal lustobject mag zijn.

maandag, 9 januari 2012

Ineke Verdoner

Ineke Verdoner

Alles is van iedereen

In uncategorized, gezondheid, gezondheidszorg, huis, idee, internationaal, liefde, moe, natuur, en meer.

2012 is begonnen. De dagen worden al weer wat langer, maar januari is net als andere jaren toch een vreemde maand; lang, grijs, wat saai. En ook een beetje anders dan vorige jaren. Ik maakte altijd enthousiast gebruik van de uitverkoop maar ik moet bekennen dat die lust me is vergaan. Winkel in, winkel uit in aanwezigheid van een massa andere koopjesjagers, ik word al moe bij de gedachte. Daarentegen ben ik al mijn kasten aan het op en uit ruimen. Vele dozen vol spullen die ik niet meer gebruik vinden hun weg naar de recycling, het oud papier en Lets of andere plaatsen waar gebruikte zaken welkom zijn voor een volgende ronde.
Dus het idee om juist weer meer spullen in huis te halen staat me tegen. Ik heb zelfs al een stoel uit mijn woonkamer gezet – heerlijk, meer ruimte – 3 planken in mijn overvolle boekenkast leeggehaald – heerlijk, lege planken – en een aantal pannen die mijn laden bezetten weggegeven aan iemand die op kamers ging. Heerlijk, ruimte in mijn kast!

Ik had hier ook boven kunnen zetten: less = more, want daar heb ik het ook over. Maar de zin die ik las 'alles is van iedereen' raakte me meteen. De inhoud van die zin gaat verder, heeft dynamiek, is een belofte; ze wijst naar de toekomst waar we aan begonnen zijn.
Deze week verzorg ik met mijn collega Kamilla Hensema een avond voor het Fries VrouwenNetWerk over de Occupy Movement en het Friesch Dagblad heeft vandaag, maandag, nogmaals een artikel van mij geplaatst over de mogelijke ontwikkelingen van de beweging in 2012.
Eigenlijk vind ik 'Alles is van iedereen' de perfecte beschrijving van het doel van deze beweging die in 2011 is ontstaan en zich explosief en wereldwijd heeft ontwikkeld.
Dat raakt ook aan mijn groeiende desinteresse in 'dingen en spullen'. Ik voel aan alle kanten dat ik genoeg heb. Dat ik rijk ben.
En ook al is het 'financiële crisis' en worden mensen gevoelig geraakt in hun bestaanszekerheid, ook het komende jaar, we blijven vooralsnog het op één na rijkste land van de wereld. En ik weet niet hoe het u vergaat, maar ik voel dat. Ook al heb ik geen duizendjes te besteden en behoor ik zeker tot de 99%, zoals de Occupyers zichzelf noemen, we hebben genoeg en in zekere zin te veel. Te veel spullen.
Daar kunnen we moralistisch over doen, maar we kunnen er ook toe overgaan om royaal te delen. Ik kom regelmatig ergens waar bij de entree een 'samen-zijn-we-rijk-tafel' staat. Wat je over hebt leg je daar neer en een ander kan het meenemen als hij of zij er iets aan heeft. Dit wordt de nieuwe trend: weggeef'winkels' van dingen die we niet meer nodig hebben.

Maar er zijn wel andere 'dingen' die we nodig hebben.
Bestaanszekerheid, de energierekening kunnen voldoen, in je huis kunnen blijven wonen ook in slechte tijden, zinvol werk, goede gezondheid, liefde en aandacht, goed onderwijs, contact met de mensen om je heen, perspectief.
De crisis die gaande is gaat over het faillissement van de door economische belangen gestuurde samenleving. De materie, een masculien principe, heeft de overhand gekregen en veroorzaakt op alle niveaus disbalans; daardoor wordt de gezondheidszorg onbetaalbaar, kloppen hypotheken niet meer met de waarde van de huizen en hebben we teveel spullen en te weinig aandacht en zorg.
Onze immateriële waarden als zingeving en het vrouwelijke principe, zijn verwaarloosd.
Maar ....
Dankzij onze digitale snelweg ontdekte ik dat de beweging voor een gegarandeerd basisinkomen levendiger is dan ooit en een internationaal karakter heeft.
In het radioprogramma Pavlov op radio1 werd belicht dat al jaren uit onderzoek blijkt dat Nederlanders 'toegewijd' zijn. Toegewijd aan iets hogers en dat betreft een heel scala van definities; van religieus tot maatschappelijk betrokken op allerlei manieren.
Ik merk zelf dat de wijze waarop ik mijn denkbeelden verwoord zo veel meer herkend en erkend worden dan een paar jaar geleden.
Transition Towns en bewegingen voor Permacultuur blijven zich ontwikkelen en zijn georiënteerd op samenleven met de natuur, minder afhankelijk worden van geld en meer verantwoordelijkheid nemen voor goede voeding, zorg voor de aarde, elkaar en duurzaamheid.

Alles wat met economie en geld te maken heeft verkeert, in crisis. Alles wat met andere vormen van samen-leven te maken heeft is in ontwikkeling. Daarin zie ik een omslag van 'ikke-ikke' naar het nieuwe Wij. Manfred van Doorn noemt dat het ANDividualisme. Daarmee zetten we stappen op het pad van 'Alles is van Iedereen'. En dat vind ik een hoopvol perspectief.
Ik wens iedereen genoeg van veel in 2012.

Ineke Verdoner


Eigentijds idealisme – Gabriel van den Brink 
Pavlov, ntr radio

zondag, 25 december 2011

ZinenRede

ZinenRede (Frans Schütt)

Linkedin Twitter

Het menu: Buurvrouw

In het menu, niet op voorpagina, liefde, tuinieren, verlegenheid, koffie, hulp, broeken, tegenovergestelde, en meer.
Bij thuiskomst zie ik mijn buurvrouw in het gras zitten. Tuinieren is haar lust en leven, ook al is ze 78 en loopt ze voorovergebogen met een stok, vanwege een vergroeide rug. Ik groet haar en vraag of ze aan het uitrusten is van vermoeiende handelingen. Ze groet terug en antwoordt verlegen: "eigenlijk niet, ik ben gevallen en kan niet meer overeind komen." Ik schrik, vraag me af hoe lang ze daar al zit en bied mijn hulp aan. Haar verlegenheid wordt groter, zeker wanneer het mij niet lukt en ze mij moet vragen haar man achter in de tuin te halen. Hij had zich al afgevraagd waarom de koffie zo lang op zich liet wachten en we lopen samen naar voren. Wanneer ze ons, maar eigenlijk hem in het oog krijgt begint ze te huilen. "Huil maar niet", zegt de 79-jarige echtgenoot, hij pakt haar van achteren onder de armen en tilt haar voorzichtig op. Haar broek is naar beneden gezakt en snikkend vraagt ze hem om deze op te hijsen. Hij doet dat, maar zegt zacht in haar oor dat hij vroeger veel liever het tegenovergestelde met haar broeken deed. Dan breekt de lach door haar snikken heen.

donderdag, 10 november 2011

Femke Halsema

Femke Halsema

Hyves Twitter TK

Peerke Donderslezing: Over de middenklassen in het westen en in Afrika

In goede doelen, ontwikkelingssamenwerking, mannen, misbruik, nederland, nederlands, neo, activiteiten, afhankelijkheid, en meer.

Post image for Peerke Donderslezing: Over de middenklassen in het westen en in Afrika

Goedemiddag,

Toen ik opgroeide, een puber was, mocht ik op een saaie zondagmiddag graag met mijn moeder een eindje gaan rijden. Stapvoets reden we dan door de nieuwe villawijken aan de rand van Enschede  en verlustigden ons aan de gouden leeuwen die oprijlanen markeerden, de Griekse zuilen waarmee Twentse boerderettes waren versierd en wij roddelden er op los. Enschede was, zo aan het einde van de jaren zeventig klein genoeg om te weten wie er woonde, hoe ze hun geld hadden verdiend, en of hun huwelijken gelukkig waren.
Wij, moeder en dochter, uit de gegoede middenklasse hadden het heel goed maar bezaten niet het kapitaal dat daar op die ruime kavels vaak nogal afzichtelijk was uitgestald.
Het was een vriendelijke vorm van aapjes kijken, van verveeld vermaak, waarover wij ons weinig schuldig voelden omdat het vertoon van rijkdom ook voor ons was bedoeld, zondagrijders uit de middenklasse.

Precies diezelfde lust tot ‘rijken kijken’ zie je terug in het nieuwe programma van Jort Kelder ‘Hoe heurt het eigenlijk’. En ik kan me nog steeds goed vermaken met de rose-tankende, glad gestreken en opgepompte nouveau-riche-dames aan de Loosdrechtse Plassen, die uitleggen dat ze niet alleen een motorjacht bezitten (‘zeilen is zo veel werk’) maar ook een tweede huis bij Saint Tropez omdat ‘ze zo vreselijk van cultuur houden’.
In ‘hoe heurt het eigenlijk’ wordt het pronkgedrag van de nieuwe rijken slim afgezet tegen de tradities van het oude geld. Over het algemeen zijn dat Olie B. Bommel-achtige heren die in gedateerd Nederlands uitleggen dat zij hun landhuis, stammende uit 1700 of daaromtrent, in stand weten te houden door een natuurcamping en wat biologische boerderijen op de landerijen toe te laten.

Wat ‘Hoe heurt het eigenlijk’ anders maakt dan eerdere programma’s van bijvoorbeeld Gert Jan Droge is het nogal stichtende karakter. Als kijker word je ook op allerlei manieren duidelijk gemaakt hoe je wel en niet zou moeten leven, wat beschaafd is en wat nastrevenswaardig is. En dat is de nouveau-riche overduidelijk niet. Het oude geld wel want dat heeft tradities, sociaal besef, eet met mes en vork en lepelt geen vaten rose naar binnen maar drinkt een glas goede rode wijn op zijn tijd.

Het stichtende karakter van het programma heeft inmiddels ook geleid tot heel serieuze beschouwingen in kranten. Een van de meest hilarische is wel een beschouwing in de Volkskrant donderdag 4 november waarin werd betoogd dat wij Jort Kelder, als onze nationale polderdandy, dankbaar mogen zijn omdat hij een grote bijdrage zou leveren aan de ‘heropvoeding van Nederland’.
Ofwel, de landerijen zullen wij met zijn allen nooit bezitten, de familienamen ook niet, maar beschaafd gedrag leeft de oude adel ons voor.

Ik vind dat uit zo’n geleerde analyse in de krant vooral een nogal wonderlijke nostalgie naar de 19e eeuw spreekt. De redenering die wordt gehanteerd is eenvoudig. Weliswaar is de rijkdom waar de ontwikkelde smaak op rust, niet binnen ons bereik maar dat neemt niet weg dat we wel degelijk de goede omgangsvormen kunnen kopiëren.
Laat ik het eens bout zeggen. Zoals in de 19e eeuw, zijn armoede en een gebrek aan kansen geen excuus voor slechte manieren.

Wat mij betreft maakt ‘hoe heurt het eigenlijk’ met haar stichtende boodschap en de analyse in de Volkskrant die er op voortbouwt, deel uit van een maatschappelijke en politieke ideologie waarmee ik moeite heb. Het is de ideologie van ‘de eigen verantwoordelijkheid’ die al jaren een grote populariteit geniet.
Het is ook de ideologie waarbij de omstandigheden waarin je leeft, de armoede waar je aan bent blootgesteld, het gebrek aan kansen om hoger op te komen, nooit een argument kunnen zijn voor het gedrag dat je vertoont.
Natuurlijk klopt dit wel op het niveau van het individu. Simpel, als je arm bent en je gaat jatten, dan kan je armoede misschien een verzachtende omstandigheid zijn maar je bent ook gewoon verantwoordelijk voor je criminele gedrag en verdient daar straf voor. Bovendien, voor opgroeiende jongeren in onze samenleving die zich schuldig maken aan crimineel gedrag, geldt ook dat ze weliswaar zelden voortkomen uit de hoogste economische klassen, maar ze wel degelijk kansen hebben. Ze hoeven niet te straatroven omdat er anders geen brood op de plank is. Ze kunnen naar school, er is werk (hoewel de jeugdwerkloosheid relatief hoog is) en ze kunnen een legaal bestaan opbouwen. Dat ze kiezen voor criminaliteit en het terroriseren van anderen, daarop mogen zij – 1 voor 1 – worden aangesproken, evenals de ouders die hen opvoeden.

Maar met het veroordelen van individueel wangedrag en het tot voorbeeld maken van de oude adel ben je er niet als je de staat van een samenleving wil begrijpen. Als je bijvoorbeeld de criminaliteit wil verminderen, de sociale problemen van werkloosheid, van lethargie of een armoedecultuur van mishandeling en uitbuiting wil begrijpen. Laat staan dat de voorbeeldige omgangsvormen van het oude geld en de elites, ook maar het begin van een oplossing vormen voor de vermindering van die problemen.

Ik wijd uit over ‘Hoe heurt het eigenlijk’ omdat ik de populariteit van de boodschap, blijkbaar ook onder sommige intellectuelen, zeker op dit moment, nogal wrang vindt. We leven in een economische periode waarin de tegenstellingen tussen arm en rijk, kansarm en kansrijk, mondiaal, in de Verenigde Staten, in Europa en in Nederland snel toenemen. We leven ook in een periode waarin het geloof in vooruitgang, het geloof dat onze kinderen het beter zullen hebben dan wij, zwaar onder druk staat.
Het was precies dat geloof dat het zondagse uitje van mijn moeder en mij tot vrolijk, oppervlakkig vertier maakte dat vrij was van elke vorm van rancune.
Er kon toen namelijk geen twijfel over zijn dat ik als dochter uit de middenklasse – als ik me een beetje gedroeg – meer kansen zou krijgen dan mijn moeder, dat ik een goede opleiding zou kunnen gaan volgen, dat ik werk zou vinden, een huis, dat ik verre reizen zou kunnen maken en verder alles zou kunnen doen wat ik wilde.

Dat tij is gekeerd.
In de eerste plaats voor de mensen met de laagste inkomens maar ook voor de middenklassen.

Europese middenklassen

In het prachtige boekje ‘Ill fares the land’, beschrijft de Britse historicus – en helaas vorig jaar overleden – Tony Judt, de geleidelijke teloorgang van de westerse verzorgingsstaten, en het verdwijnen en verminderen van kansen op sociale stijging van kinderen uit de lagere sociale klassen en de middenklassen.
Hij beschrijft hoe vooral in de Verenigde Staten en in het Verenigd Koninkrijk na bijna een eeuw van economische groei en welvaartsspreiding (ruwweg vanaf het einde van de 19e eeuw tot 1980), deze tot stilstand zijn gekomen. Er is zelfs sprake van een omgekeerde beweging.

Al in de tien jaar voorafgaand aan de kredietcrisis in 2007 daalde het gemiddelde inkomen van gewone Amerikanen en werd hun geloof in vooruitgang op de proef gesteld. Voor veel burgers gold dat hun huizen hun enige stabiele kapitaal waren. Uit een studie van de Amerikaanse journalist Don Peck blijkt dat aan het begin van 2011 die huizen bij 1 op de 4 middenklasse-gezinnen een nauwelijks nog te dragen schuldenlast is, terwijl 1 op de 7 gezinnen wordt bedreigd door uitzetting en faillissement.
55% van de gewone Amerikanen heeft sinds de crisis te maken gekregen met werkloosheid, vermindering van uren of een forse salarisdaling. Volgens Peck veranderen in de nasleep van de economische crisis de levens van mensen ingrijpend: de verbondenheid tussen generaties staat onder druk, werkloze mannen verliezen hun positie tegenover hun vrouwen en kinderen, jongeren missen toekomstperspectief en zijn somber en voelen zich in de steek gelaten. Ook Tony Judt deelt deze sombere analyse. Hij spreekt van pathologische sociale problemen die horen bij harde klassentegenstellingen: stijgende kindersterfte, verminderende levensverwachting, criminaliteit, een geharde en onverbeterlijke gevangenispopulatie, werkloosheid, obesitas, teenage-zwangerschappen etc. etc.

Judt is de eerste om – terecht – een onderscheid aan te brengen tussen de Verenigde Staten en Groot Brittannië enerzijds en de meer gelijkmatige noord-Europese samenlevingen zoals Nederland anderzijds. Hier zijn de inkomenstegenstellingen nog altijd veel kleiner en is de toegang tot bijvoorbeeld goed onderwijs en relatief goede gezondheidszorg veel beter gewaarborgd. Dat neemt niet weg dat ook in Nederland, net als in andere Europese landen sprake is van een neergaande lijn. De inkomenstegenstellingen groeien en door de bezuinigingen vermindert de toegang tot de publieke voorzieningen voor de lagere en middeninkomens. Denk bijvoorbeeld aan de bezuinigingen op de kinderopvang, de gezondheidszorg, de PGB’s, het onderwijs, de universiteiten en de cultuur.

Tony Judt heeft bovendien een andere boodschap. Hij beschrijft groeiende ongelijkheid niet alleen als onrechtvaardig in zichzelf, maar ook als gevaarlijk voor de sociale en democratische stabiliteit van de samenleving: de geleidelijke toename van sociale en culturele spanningen, de vlucht in extremisme en de snel afbrokkelende bereidheid van mensen om voor elkaar te zorgen, om solidair te zijn – rechtstreeks en via het gezamenlijke betalen van belastingen.
Al deze ontwikkelingen zien we ook in Nederland. De intolerantie jegens elkaar neemt toe, net als de rancune, burgers vluchten naar de politieke flanken en verliezen hun bereidheid – hun stemgedrag is daar een uiting van – om (bijvoorbeeld via belastingen) te investeren in de publieke sfeer, in cultuur, in versterking van het onderwijs, of bijvoorbeeld in ontwikkelingssamenwerking die het lot van de allerarmsten iets verbetert.
Kortom, de groeiende ongelijkheid leidt tot toenemende maatschappelijke tegenstellingen en afnemende solidariteit. Dit ondermijnt geleidelijk het vermogen van een samenleving en haar politici om door inkomensmaatregelen en investeringen in de publieke sector, alsnog het tij te keren.

Afrika

Goed tot hier mijn enigszins sombere analyse van de staat van onze ‘westerse’ samenleving. Nu wil ik met u een hele grote stap maken naar Afrika, als brandpunt van de derde wereld.
In 2009 publiceerde de van oorsprong Zambiaanse econome Dambisa Moyo het boek ‘Dead Aid: Why Aid is Not Working and How There is a Better Way For Africa’. Zij bekritiseert hard en grondig ontwikkelingssamenwerking als een manier om de armoede in Afrika in stand te houden en gewone gezonde economische groei af te remmen. Tegenover de, weinig zoden aan de dijk zettende donaties van Westerse landen, plaatst zij de investeringen die een weinig democratisch land als China in Afrika doet, als duurzamer en toekomstgerichter.
Het hoeft weinig verbazing te wekken dat het boek – zacht gezegd – op een onstuimige ontvangst kon rekenen, temeer daar het al snel een internationale bestseller werd die ook graag door politici geciteerd werd, zoals de president van China. Conservatieven en neoliberalen die Afrika al lang als een bodemloze put beschouwden, zagen in het boek – ook nog geschreven door een Afrikaanse – een mooie aanleiding om alle ontwikkelingshulp stop te zetten. De ontwikkelingsindustrie beschouwde het als een dolksteek in de rug en schreeuwde moord en brand – Bono van U2 voorop – dat Moyo een neo-conservatieve agent was en niet vertrouwd kon worden. De heftige polarisatie rond het boek is begrijpelijk maar ook jammer omdat Moyo’s analyse wel degelijk hout snijdt voor Afrika, net als voor Europa en de Verenigde Staten.

Haar stelling is dat de grote afhankelijkheid van hulpprogramma’s die de afgelopen halve eeuw in Afrika is ontstaan, heeft verhinderd dat er sprake was van gewone economische groei, van stijgende inkomens voor Afrikanen en van de opbouw van democratische rechtstaten. De hulp richtte zich vooral op het verlichten van de ergste armoede en nood, maar creëerde onbedoeld ook afhankelijkheid daarvan.
Bijvoorbeeld in een land als Kenia, waarmee het relatief goed gaat, gaat 70% van het nationaal budget op aan salarissen van politici en overheidsfunctionarissen. Een groot deel van de gewone overheidsinvesteringen in de samenleving komen uit ontwikkelingsbudgetten.

Tegelijkertijd beschrijft Moyo – en dat is een belangrijk punt – ontbraken werkelijke economische investeringen uit Europa en de Verenigde Staten in Afrikaanse landen, terwijl het westen tegelijkertijd zijn grenzen zo goed als gesloten hield en houdt voor grootschalige import uit Afrika. Niet alleen was er sprake van groeiende afhankelijkheid van ontwikkelingshulp, er was in veel Afrikaanse landen ook nauwelijks een alternatief voor in de vorm van economische activiteiten die inkomen opleveren.
Door hulpafhankelijkheid en de afwezigheid van economische bloei kennen veel Afrikanen, volgens Moyo, weinig mogelijkheden voor sociale stijging, de armoede is groot en wordt bepaald niet kleiner, de inkomensafstanden zijn immens. Tegenover een enorme populatie van armen staat een kleine groep van exorbitante rijken, die vaak corrupt is en in het bezit van de politieke macht. Veel andere smaken dan heel arm en heel rijk zijn er nauwelijks: middenklassen bestaan maar summier en vooral in de landen waarmee het naar verhouding redelijk of goed gaat.

Ik ben het maar ten dele met Moyo eens. Ik denk dat zij de ontwikkelingshulp veel te veel verantwoordelijkheid geeft voor de miserabele staat van veel Afrikaanse landen; andere – geografische, etnische, historische en politieke – redenen spelen een minstens even grote rol. Bovendien denk ik dat zij een veel beter onderscheid dient te maken tussen noodhulp, zoals nu in de Hoorn van Afrika en langer lopende ontwikkelingsprogramma’s.
Ik wil deze lezing ook niet gebruiken om de aard van ontwikkelingssamenwerking verder te bekritiseren. Niet alleen wordt die discussie al hevig gevoerd, je ziet ook bij veel hulporganisaties een grote verandering in de hulp die zij bieden. Veel meer dan in het verleden richt die zich op de opbouw van bedrijfjes en het versterken van de economische structuur van landen, en de werkgelegenheidskansen van mensen.

Ik haal Moyo aan vanwege een andere centrale boodschap van het boek: wat heeft Afrika nodig?
Moyo stelt dat Afrika werkelijke economische investeringen nodig heeft die leiden tot de opbouw van een sterke en politiek bewuste middenklasse.
Het is deze middenklasse die in staat zal zijn om belastingen te betalen, en die – als zij een perspectief hebben op sociale stijging en een betere toekomst voor hun kinderen – dat ook willen doen.
Moyo’s stelling is dat de corruptie en het vergaande politieke misbruik dat zoveel Afrikaanse landen kennen, ook wordt mogelijk gemaakt omdat burgers geen belang hebben bij de verandering ervan. Ze zijn arm, voor hun inkomsten afhankelijk van buitenlandse hulp en missen elk perspectief op werkelijke verbetering voor zichzelf, hun kinderen en de samenleving. De sociale problemen waarmee zij worstelen zijn zo groot, de cultuur van armoede zo diep geworteld, dat er nauwelijks ruimte is voor solidariteit met elkaar.
Moyo stelt dat – en dat beschouw ik als haar belangrijkste claim – dat alleen de opbouw van middenklassen, zal leiden tot de politieke en democratische verandering die zo veel Afrikaanse landen heel erg hard nodig hebben. Als Afrikaanse burgers een beter inkomen krijgen, belasting gaan betalen, dan zullen zij ook hardere eisen gaan stellen aan de politici die hun geld besteden. Het is dan namelijk hun geld – en geen ontwikkelingsgeld – dat verdwijnt in corrupte zakken. Het is hun geld dat bestemd is voor het onderwijs van hun kinderen, voor gezondheidszorg en voor het bijstaan van armen.

Hier raakt de analyse van Moyo, zij het over een heel ander en oneindig veel kwetsbaarder continent, aan de redenering van Judt. Ook Judt betoogt dat duurzame welvaart en maatschappelijke stabiliteit voor een belangrijk deel op de middenklassen rusten en op een geringe afstand tussen de hoge en lage inkomens: bij een gelijkmatige spreiding van welvaart, gebonden aan een werkelijk perspectief op sociale stijging, zijn de sociale problemen beheersbaar en zijn mensen bereid en in staat tot werkelijke solidariteit.
Hoe ver Afrika hier misschien nog van verwijderd is, en hoe onbegaanbaar misschien ook de route lijkt, Moyo pleit voor een volwassen en eerlijke omgang met Afrikaanse landen. Zij pleit voor werkelijke economische investeringen, zoals – inderdaad – China dat nu doet, en die in de eerste plaats gewone ‘hardwerkende’ Afrikanen ondersteunen. Terzijde, we hoeven geen rooskleurig beeld te hebben van de motieven van Chinezen om te investeren, maar dat maakt het ook niet per se slecht. Bijvoorbeeld in Liberia, waar ik dit voorjaar was, zijn Chinezen in grote getale aanwezig vanwege de rijkdom aan grondstoffen van het land. Maar je ziet ook overal Chinese winkels en kleine restaurants. Aan de rand van de hoofdstad Monrovia wordt een grote universiteit gebouwd met Chinees geld. Dat maakt – hoe dan ook – een daadkrachtiger indruk dan de Unicef-posters die je verderop in de jungle ziet: ‘also boys like to do the dishes’.

Net als Judt pleit Moyo vooral voor de opbouw van meer egalitaire samenlevingen waarin de rijkdom eerlijker wordt gedistribueerd, de inkomensafstanden kleiner zijn en waar via de belastingen en via politieke inmenging mensen betrokken zijn bij het welzijn van elkaar en van hun land.

Ik denk dat velen van u, die hier vandaag aanwezig zijn, een wat grotere dan gemiddelde belangstelling hebben voor ontwikkelingssamenwerking en worstelen met de vraag hoe wij de derde wereld kunnen helpen. Zoals Peerke Donders, de naamgever van deze lezing, dat meer dan een eeuw geleden deed in Suriname.

Hoe kunnen wij Afrika helpen?

Met het beantwoorden van deze vraag wil ik deze lezing afronden.
In de eerste plaats door ons zelf te helpen. Hoe moeilijk ook de economische periode die wij doormaken, hoe hoog de nood aan bezuinigingen ook is, juist nu moeten wij er naar streven om de inkomensafstanden in onze samenleving niet verder te laten vergroten, en onze publieke sfeer niet te laten verloederen. Alleen als onze samenleving in de toekomst een rechtvaardige is, die gelijke kansen op onderwijs, werk en welzijn kent voor mensen uit alle inkomensklassen, zal er de bereidheid zijn en blijven om over onze schutting heen te kijken en een open oog te hebben voor de noden in Afrika.

In de tweede plaats, door tegelijkertijd onze omgang met Afrika te veranderen. Anders dan Moyo denk ik dat hulp – en zeker noodhulp – voorlopig noodzakelijk zal blijven. Maar wij moeten ons meer en meer concentreren op het investeren in duurzame economische groei in Afrika. Via microkredieten, via venture capitalists die kleine bedrijfjes (taxi-, telecombedrijfjes) helpen starten, via publieke organisaties die mensen trainen in politieke en democratische weerbaarheid, zoals nu door een aantal NL’se organisaties in de landen van de Arabische lente wordt gedaan. We zullen ook eerlijke handel moeten gaan toestaan. De benadeling van Afrika die het gevolg is van protectionisme en tarfiefmuren, is absurd – zeker in het licht van de grote armoede die daar is en de hulp die er vanuit Europa naar toe wordt gezonden.

Als ik terugdenk aan de zondagse ritjes met mijn moeder, moet ik altijd een beetje grinniken, Vanwege het schaamteloze naar binnen loeren natuurlijk, maar ook vanwege de volledige afwezigheid van jaloezie en rancune bij andermans uitgestalde rijkdom. In ons leven zat namelijk ruimte en perspectief genoeg om niet afgunstig te zijn.

Ik hoop dat mijn dochter ooit, met haar dochter (wie weet?) zo’n zondags ritje maakt, vrolijk en enkel licht gegeneerd, wetende dat ook zij alle ruimte hebben om zich te ontwikkelen en ontplooien.
Sterker, ik hoop dat over enige tijd een vrouw in Monrovia met haar dochter een ritje naar de buitenwijken maakt. En zich dan vermaakt. Sans rancune, omdat zij het zelf ook goed hebben.

Deze lezing werd uitgesproken op 6 november in Tilburg, ter gelegenheid van de Peerke Donderslezing op 4 november 2011

donderdag, 27 januari 2011

Pepijn Oomen

Pepijn Oomen

Hyves Twitter GR

Doornroosje ontwaakt!

Op de politieke avond van 26 januari heeft de gemeenteraad het voorstel aangenomen om nieuwbouw op de huidige TPG-locatie goed te keuren. Daarmee gaat een lang gekoesterde wens van GroenLinks Nijmegen in vervulling: Doornroosje krijgt een prachtplek op het stationsplein. Nijmegen rock city kan nu echt een serieuze invulling krijgen. Bovendien krijgt de studentenhuisvesting een extra impuls en wordt er serieus werk gemaakt van een hoogwaardige grote fietsenstalling op het stationsplein.

In de plannen van het college is er sprake van 3750 fietsenstallingen, waarvan 3000 voor reizigers en bezoekers van Doornroosje. Samen met de fietsenstallingen bij de P&R zone en de fietsenstallingen onder het stationsplein wordt er daardoor serieus werk gemaakt van de fietsvoorzieningen op het station. Wel is er een overgangssituatie tot die tijd, alvorens deze nieuwe fietsenstalling gerealiseerd zal worden. De wethouder heeft toegezegd om op het stationsplein voor tijdelijke voorzieningen te zorgen zodat fietsers ook in die tijd goed terecht kunnen. GroenLinks-raadslid Pepijn Oomen: “Hier zullen we goed op toezien! Ook in de tussentijd moeten fietsers gemakkelijk van en naar het station kunnen komen.”

Studentenhuisvesting
Boven Doornroosje worden ruim 300 studentenwoningen gerealiseerd. De fractie van GroenLinks is verheugd over deze stap, een belangrijke in de strijd tegen de studentenwoningnood. In de prestatieovereenkomst met de SSHN is immers afgesproken dat er in de komende jaren duizend extra wooneenheden zullen worden gerealiseerd. De fractie verwacht dat deze woninglocatie een zeer gewilde zal worden onder de studentenpopulatie.

Cultuur
Doornroosje kan nu écht mee in de vaart der volkeren. De bovenregionale programmering van Roosje is al jaren van een zeer hoogstaand niveau. Van heinde en verre komen muziekliefhebbers naar Nijmegen om de prachtige bands in het poppodium te aanschouwen. Moesten ze voorheen daarvoor naar een doorleefd gebouw aan de Groenewoudseweg, over enkele jaren is er een prachtig poppodium verrezen aan het stationsplein. Op aandringen van GroenLinks wordt het gebouw zo open mogelijk vormgegeven, zodat het niet alleen een lust voor het oog is, maar ook passanten uitnodigt om een keer een kijkje te komen nemen. Oomen: “Cultuur is immers voor iedereen. Met Roosje op deze locatie in deze uitvoering kan Nijmegen zich met recht dé popstad van Oost-Nederland noemen.”

zaterdag, 19 juni 2010

Heleen de Boer

Heleen de Boer

Twitter GR

Dag Timo

In de.
Woensdag ben je heel rustig gaan slapen om nooit meer wakker te worden.
Al een paar dagen at je slecht. Op het laatst helemaal niet meer. Zelfs melk wilde je niet, terwijl je anders al kwam aangevlogen als je de deur van de koelkast hoorde.

Je lag apathisch op bed en reageerde nergens meer op. Strekte je pootjes niet meer als we je aaiden. Tilde je kop niet meer op om onder je kin te worden gekriebeld. Je wilde alleen nog maar liggen en slapen.
De dierenarts constateerde koorts en na een test kattenaids.

Zelfs als je weer was opgeknapt, zou je nooit meer naar buiten mogen.
En buiten rennen en jagen was je lust en je leven.
Al werden de muizen die je voor Tammie meebracht steeds kleiner.

Dag lieve Timo, slaap lekker.
Tammie, Egbert en ik missen je.
Bedankt voor al je gezelligheid.

Aantal berichten op deze pagina: 8. De berichten op deze pagina zijn niet ouder dan 16807 uur (700,3 dagen). Berichtgemiddelde: 0 bericht per dag, 0,1 per week.

Pagina: 1