
Bart, geïnterviewd voor het blad Ergotherapie Magazine, door Arne van Os van den Abeelen
Bart Eigeman, GroenLinks-wethouder Talentontwikkeling in ‘s-Hertogenbosch, is een belangrijke trekker geweest voor de ontwikkeling van de CJG’s, het Centrum Jeugd en Gezondheid dat sinds 2011 in elke gemeente actief is. Dat gemeenten verantwoordelijk worden voor jeugdzorg, juicht hij zeer toe. “Dat is een geweldige kans om de wereld van de jeugdzorg anders in te richten.” Deze maand stopt Eigeman, na elf jaar, met zijn werk als wethouder. Zijn ambities omtrent jeugdzorg zijn er niet minder om. Hoe zou die zorg eruit moeten zien?
“Het woord ‘talentontwikkeling’ gebruik ik al heel lang. Toen mijn laatste periode inging, wilde ik dat dat woord ook expliciet gebruikt zou worden voor mijn portefeuille, en niet ‘Jeugd en onderwijs en aansluiting op de arbeidsmarkt’. Het staat ook op mijn kaartje, en het grappige is dat het mensen ook echt opvalt. Wie je bent en wat je doet, moet je ook aan de buitenwereld laten zien en dat zit voor mij in dat woord talentontwikkeling. Je moet niet probleemgeoriënteerd met jeugd en onderwijs bezig zijn, maar de positieve invalshoek kiezen.
Mijn betrokkenheid bij de jeugd is natuurlijk in eerste instantie lokaal geweest; daar lag mijn hoofdtaak. Daarnaast ben ik voor de VNG op verschillende niveaus een schakelaar geweest. De Transitie Jeugdzorg biedt een geweldige kans om de wereld van de jeugdzorg anders in te richten. Daar pleit ik al ruim tien jaar voor.
Dat heeft twee kanten, die uitdrukkelijk met elkaar te maken hebben. Enerzijds ligt de nadruk vaak op kinderen en gezinnen die steun het hardst nodig hebben, maar daar het langst op moeten wachten. Dat kan niet waar zijn, dat willen we niet meer. Anderzijds moeten we de uitdaging om een appèl te doen op de talenten van kinderen, ouders en professionals beter organiseren. Namelijk: niet vanuit de insteek van problemen. Dan heb je het over zaken als de speelomgeving rondom huizen, veilige fietsroutes naar scholen, tijd voor een leerkracht om een keer een huisbezoek te brengen zonder dat sprake is van problemen.
We kennen allemaal de ver uit de hand gelopen noodsituaties, waar weliswaar 27 hulpverleners bij betrokken waren, maar adequate hulp blijkbaar achterwege is gebleven. Dat neem je nooit helemaal weg. Als overheid kun je veel, maar niet alles. Maar uit een inmiddels enorme stapel onderzoeken blijkt steeds weer hetzelfde: we hebben het hulpaanbod enorm verknipt aangeboden. Dat zit ‘m ook in zaken als de financieringssystematiek en de verantwoordelijkheidstoedeling. Wat we moeten doen is terug naar de eenvoud. Mensen kennen en handelen op grond van wat je hoort en ziet. Als er steun nodig is, dan het liefst één kind of één gezin en één plan. Het grootste gedeelte van de jeugd, ouders en scholen heeft geen steun nodig om problemen op te lossen. Daar is hooguit uitdaging nodig om talent opgediept te krijgen.
De kinderen met wie het echt niet goed gaat, is twee, drie procent. Landelijk en in Den Bosch. Daar wordt dan over gezegd: ‘Ja, da’s héél ingewikkeld… want jaaah…’
En dan denk ik: nee! Dat is niet ingewikkeld. In Den Bosch gaat het dan dus om 250 tot 500 kinderen. Dat zijn er nog een heleboel, maar we kunnen hen bij wijze van spreken bij naam kennen.
Proeftuin
Het wijzigen van het systeem is een meerjarig traject. Maar ik wil niet dat we wachten tot 2014 of 2015; ik wil dat we nu die kinderen helpen. We moeten vernieuwen vanaf gisteren. Een van mijn motto’s is: waar je naartoe wilt, daar ga je van uit. Wij hebben nu, samen met de provincie en het voortgezet onderwijs, een proeftuin waarbij we doen alsof dat stelsel al gewijzigd is. Vaak is het zo dat er gezien wordt dat er iets is met een kind, maar nog niet helemaal duidelijk is wat. Het kan dan nog maanden duren voordat daar iets uitkomt. Wij hebben gezegd: er moet binnen enkele dagen steun zijn. In samenspraak met de ouders. Dat moet het onderwijs echt leren; dat zit vaak nog erg in zijn eigen wereld. Maar een kind is méér dan alleen een leerling binnen de school. Soms liggen de problemen ook thuis. Uit onze experimenten blijkt dat het mogelijk is binnen enkele dagen steun te regelen. Dat kan bijvoorbeeld een jeugdpsychiater zijn, of in een extreem geval, uithuisplaatsing. Dat was bij een van de zeventig gevallen die we op deze manier hebben aangepakt.
De juiste steun op de juiste tijd en plek blijkt dus te kunnen. Dat dat eerder niet altijd het geval was, komt niet zozeer door een gebrek aan goede bedoelingen. Professionals handelen vaak naar hun eigen protocol en financieringssystematiek. Ze zitten vaak op het spoor van ‘ik doe mijn werk goed’. Maar interessanter is de vraag of ze het goede werk doen.
Veel organisaties hebben hun eigen certificeringen. Professionalisering is heel mooi, maar het echte certificaat zou je naar mijn mening moeten krijgen als je binnen een paar dagen levert wat dat kind helpt. En als dat niet op het vlak van jouw deskundigheid ligt, moet je het niet loslaten, maar zorgen dat je vindt wat wel nodig is. Dus als je een ergotherapeut bent en een kind onder handen hebt en denkt: deze blauwe plekken komen echt niet door tegen een deur aanlopen… je daar ook iets doet. Als je alleen door de bril van je eigen deskundigheid kijkt, zie je wel iets, maar je moet het ook aandurven om te kijken naar de context waarbinnen er iets aan de hand is.
De zorgcoördinator, de intern begeleider, de schoolmaatschappelijk werker en de leerkracht worden met van alles en nog wat over de kling gejaagd en hebben nauwelijks tijd om dat contact met een kind, gezin of andere professional tot stand te brengen. Dat begrijp ik. Er ligt veel op hun schouders.
Wat wij daarom sinds een aantal jaar in Den Bosch doen is zeggen: school is, naast thuis, de ‘centrale vindplek’. Als leerkrachten iets constateren, is de lijn voor wat er nodig is, kort. Dat hoeft allemaal niet in de school aanwezig te zijn. Het is een misverstand dat jeugdzorgers allemaal in de eerste lijn moet gaan zitten. Daar ben ik niet voor. Want dan constateren we nog veel meer problemen, of gaan ze hun eigen werk creëren. Ze moeten komen als het nodig is. Voor sommige scholen is het verstandig om bijvoorbeeld een orthopedagoog dichtbij te hebben, maar voor de meeste scholen geldt dat niet. We moeten vooral het preventieve versterken, want de beste vorm om uitval in het onderwijs te voorkomen is uitdagend onderwijs. Het idee over preventie is vaak: problemen in een vroeg stadium signaleren. Ik vind dat er iets aan vooraf gaat. Want hoe beter het onderwijs – om dat voorbeeld even aan te houden – is toegesneden op talenten van kinderen, hoe minder er een schil van zorg omheen nodig zal zijn.
Er is nogal eens de neiging om mensen te ‘behandelen’, op basis van een tekort. Dan krijg je een pil en word je gezond, of je krijgt een therapie en word je beter. Dat kan allemaal en blijft best nodig, maar ik zou liever zien dat de beperkingen van mensen niet als eindpunt of probleem worden gezien, maar als vertrekpunt. Oftewel: wil je het leven overnemen van mensen, of wil je zorgen dat ze zo veel mogelijk gebruik kunnen maken van hun eigen mogelijkheden?
Dan kom je bijvoorbeeld uit bij de licht verstandelijk gehandicapten, de LVG’er, in vaktermen. Aan een aantal van die jongeren zitten we met z’n allen flink te trekken, want we vinden dat die een startkwalificatie moeten halen, naar school moeten… Maar als jij een LVG’er met een IQ van 70 wil brengen tot een startkwalificatie, ben je heel erg fout bezig. Want dat gaat niet lukken. Het praktijkonderwijs, waar kinderen met een dergelijk IQ naartoe kunnen, heeft iets heel moois gedaan, namelijk kijken of deze leerlingen hun rijbewijs zouden kunnen halen. Dat is razend interessant. Voorheen dacht men dat dat nooit zou lukken. Want deze kinderen kunnen niet goed lezen en schrijven en de borden niet zien. Dat blijkt niet waar; je moet ze een beetje helpen in hun aanpak. En dat is niet alleen trainen, ook uitgaan van: hoe werkt dat systeem in hun hoofden? Hoe ga je om met onverwachte situaties? Dat is vaak een van de grote problemen. Maar de mogelijkheden zijn veel groter dan aanvankelijk werd gedacht.
Onmacht
De Bende van Bart is een club van voornamelijk wethouders, die samen nadenken over jeugdzorg en de ontwikkeling van het CJG. Daar zijn wij een belangrijke schakel in. Ik wilde dat de creativiteit die er bij de lokale overheid zit, gebruikt wordt, én de onmacht. De succesverhalen delen en zeggen: goh, wat ben jij lekker bezig. Maar ook: ik weet het verdomme niet meer. Want dat kan ik hier niet zeggen. Als ik bij de gemeenteraad zit, mag ik niet zeggen: ik ben goed bezig. Want dan ben ik een arrogante wethouder en word ik kapotgeschreven door de krant. Bij de Bende delen we gewoon in wie we zijn. We vertellen elkaar hoe we dingen aanpakken, en waar we tegenaan lopen. Bedenken hoe we bijvoorbeeld Loesje-posters kunnen maken en hoe we met de minister in gesprek gaan; het kan van alles zijn. Het is een inspirerend motortje van lokale kracht.
Onmacht kan er ook zijn bij ouders. Over het algemeen vind ik dat ze onvoldoende worden betrokken bij zaken rondom hun kind. Je ziet dat bij veel professionals het idee leeft dat deskundigheid betekent dat zij vertellen hoe het moet. Terwijl ze ook een beroep op die ouders kunnen doen, van ‘Goh, ik zie dit, herkennen jullie dat? Hoe gaan jullie daar thuis mee om?’ Wij problematiseren vaak de mensen waar iets mee is, maar het is ook wel eens nodig de professionele inzet te problematiseren… De institutionalisering van professionals is grenzeloos. Daar heb ik me op verkeken. Ik heb tien jaar lang in van alles en nog wat geïnvesteerd, en ik kom nu tot de ontdekking dat dat gewoon gestapeld is. Dus dat er zeven losse professionals rond een persoon lopen, en ze dat van elkaar niet weten… De vraag is hoe je dat aanstuurt. Het moet niet zijn: ik ben de baas en jij moet doen wat ik zeg. Daar geloof ik niet zo in. Je moet proberen gezaghebbend voorwaarden te creëren waardoor het beter werkt. En niet alleen probleemgeoriënteerd. Want dat is de valkuil.
De CJG’s zouden daarin een regiefunctie moeten hebben. Het CJG is voor mij eigenlijk niks anders dan de poule van professionals die rondom kinderen en gezinnen werkzaam zijn. Dus het is niet een hok waar je naartoe kan, en zeggen: ik heb een afspraak om vijf over negen. Nee. Dat zijn multidisciplinaire teams op wijkniveau, die soms heel veel met elkaar hebben en soms heel weinig. Maar die elkaar, als het nodig is, wel weten te vinden.
De eerste lijn, de logopedisten, de ergotherapeuten… die staat natuurlijk onder druk. Met de huidige bezuinigingen worden veel zaken al snel als ‘luxe’ gezien. Onzin natuurlijk. De deskundigheid is misschien gericht op een deelprobleem, maar kan uitstekend bijdragen aan het functioneren van het geheel.”
======================================================================================================
Bart Eigeman is sinds 2001 wethouder voor de gemeente ’s-Hertogenbosch. Vanaf zijn derde periode (sinds april 2010) is hij wethouder Talentontwikkeling en Duurzaamheid. Zijn portefeuille bestaat uit Jeugd en onderwijs en aansluiting op de arbeidsmarkt, Milieu, Openbare ruimte, Water en Groen, en Coördinatie schone en veilige wijken.
Eigeman heeft ook zitting in de VNG, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. De VNG is de belangenbehartiger van alle gemeenten in Nederland bij de provinciale overheden, de Tweede Kamer en het kabinet. Eigeman was hier eerder voorzitter van de commissie Onderwijs, Zorg en Welzijn. Onder meer vanuit deze positie was hij landelijk betrokken bij de ontwikkeling om in elke gemeente een Centrum Jeugd en Gezondheid (CJG) te realiseren. Daarnaast heeft hij ‘De Bende van Bart’ opgericht; een netwerk van bestuurders die zich inzetten voor de ontwikkeling van de CJG’s.
De VNG-commissie Onderwijs, Zorg en Welzijn is inmiddels gesplitst en Eigeman is nu vice-voorzitter van de commissie Onderwijs, Sport en Cultuur en vice-voorzitter van de subcommissie Decentralisatie Jeugdzorg. Deze laatste commissie houdt zich vooral bezig met de ‘Transitie Jeugdzorg’: de ambitie om de jeugdzorg te integreren tot één stelsel voor hulp aan jeugdigen en gezinnen. De verantwoordelijkheid van de Jeugdzorg gaat van de provincies over naar de gemeenten, en zij krijgen er per 2015 de regie over.
Eind deze maand (februari 2012) stopt Eigeman als wethouder. Op zijn website zegt hij nog niet te weten wat hij hierna zal gaan doen. “Tot vandaag heb ik me iedere dag opnieuw helemaal gegeven in dit werk. Elf jaar lang heb ik topsport bedreven. Ik heb even de tijd nodig daarvan los te komen voor ik me in een nieuwe uitdaging stort. Ik blijf wel aan de slag met ‘mensen uitdagen, inspireren en verbinden’ om het positieve uit zichzelf en hun omgeving te halen.”