Zoals de afgelopen week goed te merken was, is het winterseizoen in Nederland ook traditioneel het stormseizoen. In de late herfst koelt het in het noordelijk deel van het noordelijk halfrond snel af, terwijl het in in Zuid-Europa vaak nog stevig nazomert. Door de grote temperatuursverschillen ontstaan sterke straalstromen in de bovenatmosfeer, waardoor vooral in dit seizoen vaak diepe lagedrukgebieden ontstaan die met grote vaart over de Britse Eilanden en de Noordzee razen.
De meeste van de catastrofale stormen die de Lage Landen sinds de Middeleeuwen troffen en grote delen daarvan onder water zetten, vonden dan ook plaats in de periode van november tot februari. Zo ook de St. Luciavloed, een alles vernietigende stormvloed die plaatsvond in de nacht van 13 op 14 december 1287, onder meer beschreven in de annalen van het klooster van Wittewierum (Groningen). In termen van slachtoffers – zeker als percentage van de totale bevolking – is de Sint Luciavloed zelfs een van de grootste vloedrampen in de wereldgeschiedenis. In totaal kwamen in Noord-Holland, Friesland en Groningen tussen de 50.000 en 80.000 mensen om het leven, op een totale bevolking van zo’n half miljoen zielen.
De dertiende eeuw verliep qua dodelijke megastormen sowieso desastreus. De Lage Landen werden namelijk verder nog getroffen door de grote Noordzeevloed van 1212 (60.000 doden) de Sint-Marcellusvloed van 1219 (36.000 doden) en een tiental kleinere overstromingen met telkens honderden tot duizenden doden. Het toont maar eens te meer aan, dat het heroïsche gevecht van de Nederlanders met het water ook vaak roemloos werd verloren. Luctor et Submergo.
Het Nederland van een millennium geleden zag er totaal anders uit dan nu. De Noordzeekustlijn was toen nog vrijwel ononderbroken. De Waddenzee, in 2009 door de UNESCO uitgeroepen tot werelderfgoed, bestond destijds nog helemaal niet: Texel en alle andere waddeneilanden waren verbonden met het vasteland. Ook de latere Zuiderzee, na de afsluiting in 1932 omgedoopt tot IJsselmeer, was nog hoofdzakelijk een laaggelegen merencomplex annex moerasveengebied. Het werd in die tijd Aelmere – ofwel Palingmeer – genoemd, etymologisch gezien inderdaad niet echt spannend. Dit Aelmerengebied was met de Noordzee verbonden door een nauwe zeearm, die uitmondde in het gebied waar later de eilanden Vlieland en Terschelling zouden ontstaan. Ook andere grote zee-inhammen als de Lauwerszee en de Dollard bestonden zo’n 1000 jaar geleden ook nog niet in hun huidige vorm.
In de 12e en 13e eeuw veranderde het uiterlijk van de Noordelijke Lage Landen drastisch. Een belangrijk factor daarin was de stijging van de zeespiegel gedurende de warme periode van 850 -1200. Samen met het steeds verder afgraven van veengrond voor turfwinning, als brandstof voor de inwoners van de hoger gelegen stedelijke gebieden in West- en Midden-Nederland, werd het Aelmeergebied kwetsbaarder voor de invloeden van met name zware noordwesterstormen. Najaars- en winterstormen drongen in de loop der eeuwen dieper en dieper in de kwetsbare laaglanddelta door. Daarbij werden grote delen van de resterende veenlanden weggeslagen.
De Sint Julianavloed in 1164 en de Allerheiligenvloed uit 1170 luidden de periode van overstromingen en grootschalige landerosie in. In 1170 brak de Noordzee door de duinenrij tussen Texel en Huisduinen (bij Den Helder) en werd het Marsdiep, voorheen een beek, een kolkend zeegat. Bij die gebeurtenis werd ook het tussen Texel en Medemblik gelegen Creiler Woud verzwolgen door de golven. Het land tussen Texel, Medemblik en Stavoren werd overstroomd, en Texel en Wieringen werden eilanden.
Tijdens de stormvloeden van 1212, 1214 en 1219 (36.000 doden) en 1248 drong het zeewater steeds dieper Aelmere in en werd het allengs een binnenzee. De genadeklap kwam met de Sint Luciavloed van 1287. Deze waterramp scheidde Friesland definitief van West Friesland en verzwolg tal van dorpen en steden in het tussenliggende gebied, waaronder het inmiddels al lang in de vergetelheid geraakte ommuurde stadje Griend (ook Grint of Gryn), ten noordwesten van Harlingen.
Stedeke Gryn
Tegenwoordig slechts een zandplaat in de Waddenzee, was het eiland Griend in de Middeleeuwen bewoond. Niet alleen dat, er bevond zich een ommuurde nederzetting met poorten, grachten, een klooster en zelfs een hogeschool. Griend was aan het begin van de 13e eeuw dan ook een welvarend eiland, met name beroemd om zijn kaas. Met enige wijsheid achteraf kan je stellen dat het een slecht doordachte beslissing was van de Griendenaren om een tweetal kanalen te graven, om zo de bloeiende handel met het achterland verder te versterken. De Jetting werd in het begin van de 13e eeuw gegraven om de Friese steden te bedienen. Ook achter Vlieland langs werd een nieuwe vaart aangelegd, de Monnikensloot. Griend, reeds gevoelig kleiner geworden door al het eerdere natuurgeweld in de 12e en 13e eeuw, bleek uiterst kwetsbaar. De grote kladeradatsch kwam uiteindelijk in december 1287, toen het stadje vrijwel geheel in de golven verdween, op een tiental huizen na. Griend kwam er nooit meer bovenop. De ‘twaalfde stad van Friesland’ was niet meer.
Tot in de achttiende eeuw werd Griend nog wel bewoond door veehouders, die hun woonsteden op kunstmatig opgeworpen terpen hadden gebouwd. Rond 1800 was het eiland nog altijd zo’n 25 hectare groot, maar verplaatste zich met een snelheid van 7 meter per jaar naar het zuidoosten. Vaste bewoners kende Griend vanaf dat moment niet meer, maar werd nog wel gebruikt door bewoners van Terschelling als weidegebied voor schapen en voor de winning van hooi. Ook werden de eieren van meeuwen en sterns geraapt voor de consumptie. De Vereniging Natuurmonumenten, de huidige eigenaar, kocht het recht op het maaien van gras in 1916 af en richtte er een aantal bewaakte broedkolonies in.
Niets op de stille zandplaat in de Waddenzee herinnert vandaag de dag nog aan het eens zo roemruchte verleden