dinsdag, 17 januari 2012

Jan Hoek

Jan Hoek

Linkedin GR

GroenLinks is er

Het was een succes, maar er waren geen GroenLinksers. Hoe vaak hoor je het niet en lees je het niet. Of er nou gedemonstreerd werd tegen de afbraak van het openbaar vervoer, gestaakt met de schoonmakers of werk onderbroken met de huisartsen, de hamvraag is waar de GroenLinksers nou weer waren. Het is een terechte vraag.

PvdA-ers en SP-ers hebben mooie jassen, body-warmers en petjes. Smaakvol vormgegeven in mooie partijkleuren. Ze hebben enorme ballonnen bij zich, waar echt gas in zit, zodat ze hoog boven de menigte uitzweven. De ballonnen, niet de PvdA-ers of SP-ers. Er zijn auto’s, grote bestelbussen vaak, die van partijwege de demonstratie ondersteunen met folders, gadgets, rozen en warme koffie of soep. Om kort te gaan, degelijk links legt zijn frontsoldaten in de watten.

En wat zet vrijzinnig links daar nou helemaal tegenover? Jassen die er – als ze al kleur hadden – na één keer wassen ronduit verschoten uit zien. Witte regenkleding die op geen enkele manier beschermt tegen wat voor nattigheid dan ook , maar die ook als ze van uitstekende kwaliteit zou zijn geweest niet herkend kan worden als van GroenLinks omdat de omvang van het logo eigenlijk alleen in millimeters kan worden uitgedrukt. En dat allemaal in de maten XXS, XS, S en M, zodat partijgenoten van formaat er niet eens in passen.
Gadgets die er zijn, moet je eerst zelf in elkaar zetten. Van de vijf pennen die de partij ter beschikking stelt, weigeren er twee onmiddellijk dienst en één na een middag schrijven. De ballonnen moet je zelf opblazen, zodat je ze achter je aan sleept in plaats van vrolijk boven je hoofd ziet vliegen. Om de ballon mee te voeren wordt bovendien slechts sisaltouw van tweede kwaliteit ter beschikking gesteld, zodat het er letterlijk houtje touwtje uit ziet.

Toch is dat niet eens werkelijk het probleem. Het werkelijk probleem is het karakter van de GroenLinkser. In de uitnodiging die mij en partijgenoten dringend maande naar Nijmegen af te reizen om aldaar de “Een Ander Nederland” nieuwjaarsreceptie op te luisteren, bevatte ook instructies met betrekking tot de zichtbaarheid. Na binnenkomst moesten wij ons bij een balie melden, en dan zou ons een button ter beschikking worden gesteld. Los van het feit dat ik de hele balie nooit heb gevonden; een button! Er zijn jassen, bodywarmers, t-shirts, petjes, hoodies en wat doet GroenLinks? GroenLinks doet een button!

Het kan niet anders, of het is genetisch. De GroenLinkser wil het gewoon niet. Het helpt niet dat zijn partij altijd rommel ter beschikking stelt, maar dat kan niet enige zijn. GroenLinksers kunnen zich eenvoudigweg niet tooien met partij-parafernalia. Als ze er een mooi verhaal van willen maken, verwijzen ze naar hun individualisme, maar ik denk dat ze er gewoon te beroerd voor zijn. Ik ook. Dus als u binnenkort bij een demonstratie voor/tegen het één of ander een dikke man met een groot kaal hoofd ziet, dan weet u nu: GroenLinks is er.

vrijdag, 25 november 2011

Jolanda de Vreede

Jolanda de Vreede

Twitter

Sint: nu in nieuwe verpakking!

In de maatschappij dat zijn wij!, sociale media, artikel, december, diensten, gegevens, huis, informatie, internationaal, en meer.

Het valt niet mee: je woont al eeuwen in Spanje, werkt een klein deel van het jaar in Nederland alwaar je de economische en technologische ontwikkelingen en in navolging daarvan de wetgeving, nauwelijks kan bijbenen. Maar je wilt wel. Als Sint wil je aansluiting blijven vinden met je doelgroep dus Sinterklaas vernieuwt. En da’s lastig.

Er is een nieuw, gechipt, paard en een nieuw kostuum inclusief mijter. Deze mijter heeft het kruis op de achterkant…of het labeltje zit per ongeluk aan de voorkant. Made in Taiwan. Weten ze daar veel. Het produceren van kleding gebeurt uit kostenoverwegingen nou eenmaal niet meer in de regio. Opkomende economieën dringen zich de traditie binnen. 

Die intocht. Een stoomboot? Een paard? Wat de duurzaamste manier van reizen is voor dit traject en hoe dat over 100 jaar is, heb ik voorgelegd aan pagina3 van NRC-next. Ik gok voor de korte termijn, 20 jaar, op stroom. Hopelijk kunnen we de man met een goed advies ter overweging terugsturen op 6 december.

Dan de wetgeving. Wie krijgt de koek en wie de gard. Ik heb gemerkt dat ik voor beide niet in aanmerking kom. Hoe ik ook meezing ‘s avonds: ik ben al blij als mijn schoen er nog staat de volgende ochtend.

Maar hoe zit dat nou met die gard? Volgens artikel 1:247 lid 2 BW ‘passen de ouders geen geestelijk of lichamelijk geweld of enige andere vernederende behandeling toe’. Met andere woorden: zolang De Sint of de Piet niet de ouder van het kind is (……) mag die gard.

Op de cadeaus voor pakjesavond heb je tegenwoordig als kind invloed, althans, dat doet het Sinterklaasjournaal vermoeden. Niet in het boek, dan geen cadeau. Sint goes digital. Aldus stonden mijn kinderen erop dat hun namen digitaal zouden worden toegevoegd aan het Grote Boek. De doelgroep is overwegend jonger dan 16 jaar en dus geldt volgens art. 5 Wet bescherming Persoonsgegevens: ‘Indien de betrokkene minderjarig is en de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt….. is in de plaats van de toestemming van de betrokkene die van zijn wettelijk vertegenwoordiger vereist.’ Montessori als ze zijn heb ik het ‘zelf doen’ moeten remmen door mijn diensten aan te bieden. Onze gegevens in Het Grote Boek gaat me te ver en vreemd genoeg vergeet ik dat registreren steeds.

Van anderhalf miljoen kinderen – we vergrijzen toch? – was de naam al geplaatst. Alle informatie is inmiddels verwijderd. Hun ouders hebben de wet overtreden en zijn door de NTR gered want art. 16 Internationaal Verdrag Inzake de Rechten van het Kind: ‘Ieder kind heeft recht op privacy. De overheid beschermt het kind tegen inmenging in zijn of haar privé- of gezinsleven, huis of post en respecteert zijn of haar eer en goede naam’. Alleen een naam in het boek is al inbreuk, laat staan dat ouders gaan publiceren waarom dat kind die gard verdient.

Door zijn crossmediagebruik laat Sint zien mee te willen gaan in de vaart der volkeren. Wie de media heeft, heeft de toekomst. Jammer dat sint-punt-en-el werd gehackt. Het Openbaar Ministerie: ‘…het aantal cybermisdrijven neemt toe, cybercrime internationaliseert verder, is in ontwikkeling en steeds vaker zijn criminele organisaties erbij betrokken.

Zo’n oude man, wat doen we hem aan…

 

 

vrijdag, 18 november 2011

Harrie Winteraeken

Harrie Winteraeken

GR

Eurocrisis? Druk meer euro’s?

In politiek, amerika, begroting, belangrijk, belastingen, bezig, bezuinigen, bezuinigingen, burgers, en meer.
Eurocrisis? Druk meer euro’s?

Ik heb niet vaak zo’n lange inleiding nodig om mijn stukjes te rechtvaardigen. En tot nu toe dacht ik dat ik me beter buiten de discussie over de eurocrisis kon houden. Daar zijn al te veel echte geleerden mee bezig. Maar één puntje zette me toch aan het denken. Iets waar je tot nu toe weinig over hoort, maar misschien is het een echt onbespreekbaar heilig huisje?
Ik heb wel eens geschreven dat als voor moeilijke vraagstukken eenvoudige oplossingen worden gegeven, dat die oplossingen meestal fout zijn. Waarschijnlijk is het volgende macro-economisch gezien ‘vloeken in de kerk’ en misschien moet ik nu stoppen met schrijven want dat gezegde zal ook hier wel opgeld doen? Ik weet niet welke ellende hiermee zal ontstaan, maar het kan ook veel problemen verminderen. Dus lijkt me deze oplossing het overdenken waard.

Er is blijkbaar ontzettend veel geld beschikbaar, getuige de lage rente die maar hoeft te worden betaald als men kredietwaardig is. En er is door banken en pensioenfondsen enorm veel geld dat ze niet direct nodig hebben belegd in Zuid-Europa. Het beschikbare geld is blijkbaar niet goed verdeeld. De meeste landen hebben zeer forse staatsschulden en overheidstekorten. Zij moeten daarom sterk tot draconisch bezuinigen. De toch al kwetsbare economie dreigt een nieuwe dreun te krijgen. Het zijn politieke keuzes die deze bezuinigingen in belangrijke mate ten laste laten komen van gewone en vooral ook kwetsbare burgers. Het verhogen van belastingen en het korten op de hypotheekrenteaftrek zouden leiden tot een gelijkmatigere verdeling van de lasten?

Maar wat gebeurt er als er 1.000 of 1.500 miljard euro wordt bijgemaakt? En wordt verdeeld tussen de eurolanden. Om te voorkomen dat dit een beloning is voor slecht gedrag en om niet het ene land sterk te bevoordelen boven het ander, moeten die miljarden wel gelijkmatig worden verdeeld over de eurolanden. Een verdeelsleutel kan het bruto nationaal product zijn.
De landen die het meeste gebukt gaan onder hun schulden, kunnen hun deel besteden om hun schuldenlast te verlichten. Het zou de druk op hun begroting verminderen en dus zijn minder bezuinigingen noodzakelijk. En passant wordt de positie van een aantal banken en pensioenfondsen verlicht als die landen een deel van hun schulden aflossen door de staatsobligaties terug te kopen. Maar ook Nederland hoeft hiermee minder te bezuinigen. En de echt rijke landen hebben zelfs extra geld voor het versterken van de economie, kunnen meer milieumaatregelen nemen of een minimumloon instellen (Duitsland). Voordat de euro er was, deden landen zoals Italië en Spanje wel eens iets vergelijkbaars. De lire en de peseta werden gedevalueerd (totdat ze nog maar een paar cent waard waren).

Al die nieuwe euro’s worden in de geldmarkt gepompt. Als je meer euro’s hebt, dan worden die minder waard. De munt wordt minder ‘sterk’. Maar misschien moeten de centrale banken en de regeringen een sterke euro wel minder belangrijk vinden. Devaluatie van de euro is niet zo’n probleem in de interne markt en die is economische veruit het belangrijkst. Het heeft vooral gevolgen voor de wereldhandel, want bijvoorbeeld de dollar wordt hierdoor duurder. Maar hebben de Verenigde Staten van Amerika niet hetzelfde gedaan? Grote schulden gemaakt en daarna fors dollars bijgedrukt? Toen de euro 10 jaar geleden begon, was deze ongeveer 90 dollarcent waard. Nu schommelt de euro rond de 1,40 dollar. Amerikaanse producten en reizen naar Amerika zijn fors goedkoper geworden. Een stuk terug gaan in die waardeverhouding tussen euro en dollar moet geen onoverkomelijk probleem zijn? Japan heeft ook last van een stagnerende export en onlangs de yen gedevalueerd. Devaluatie maakt in feite de concurrentiepositie in de wereld beter en daardoor kunnen handelsoverschotten wellicht zelf toenemen. Dus laat draaien die drukpersen?

Deze injectie dient wel min of meer eenmalig te zijn. Om herhaling van weer een forse schuldencrisis te voorkomen, dient Europa daarna wel een strikt begrotingsbeleid te voeren, met voldoende sancties bij overschrijdingen. Maar de mens leert niet altijd van zijn fouten?

donderdag, 10 november 2011

Femke Halsema

Femke Halsema

Hyves Twitter TK

Peerke Donderslezing: Over de middenklassen in het westen en in Afrika

In goede doelen, ontwikkelingssamenwerking, geloof, gezondheidszorg, grondstoffen, handel, hoop, huis, hulp, en meer.

Post image for Peerke Donderslezing: Over de middenklassen in het westen en in Afrika

Goedemiddag,

Toen ik opgroeide, een puber was, mocht ik op een saaie zondagmiddag graag met mijn moeder een eindje gaan rijden. Stapvoets reden we dan door de nieuwe villawijken aan de rand van Enschede  en verlustigden ons aan de gouden leeuwen die oprijlanen markeerden, de Griekse zuilen waarmee Twentse boerderettes waren versierd en wij roddelden er op los. Enschede was, zo aan het einde van de jaren zeventig klein genoeg om te weten wie er woonde, hoe ze hun geld hadden verdiend, en of hun huwelijken gelukkig waren.
Wij, moeder en dochter, uit de gegoede middenklasse hadden het heel goed maar bezaten niet het kapitaal dat daar op die ruime kavels vaak nogal afzichtelijk was uitgestald.
Het was een vriendelijke vorm van aapjes kijken, van verveeld vermaak, waarover wij ons weinig schuldig voelden omdat het vertoon van rijkdom ook voor ons was bedoeld, zondagrijders uit de middenklasse.

Precies diezelfde lust tot ‘rijken kijken’ zie je terug in het nieuwe programma van Jort Kelder ‘Hoe heurt het eigenlijk’. En ik kan me nog steeds goed vermaken met de rose-tankende, glad gestreken en opgepompte nouveau-riche-dames aan de Loosdrechtse Plassen, die uitleggen dat ze niet alleen een motorjacht bezitten (‘zeilen is zo veel werk’) maar ook een tweede huis bij Saint Tropez omdat ‘ze zo vreselijk van cultuur houden’.
In ‘hoe heurt het eigenlijk’ wordt het pronkgedrag van de nieuwe rijken slim afgezet tegen de tradities van het oude geld. Over het algemeen zijn dat Olie B. Bommel-achtige heren die in gedateerd Nederlands uitleggen dat zij hun landhuis, stammende uit 1700 of daaromtrent, in stand weten te houden door een natuurcamping en wat biologische boerderijen op de landerijen toe te laten.

Wat ‘Hoe heurt het eigenlijk’ anders maakt dan eerdere programma’s van bijvoorbeeld Gert Jan Droge is het nogal stichtende karakter. Als kijker word je ook op allerlei manieren duidelijk gemaakt hoe je wel en niet zou moeten leven, wat beschaafd is en wat nastrevenswaardig is. En dat is de nouveau-riche overduidelijk niet. Het oude geld wel want dat heeft tradities, sociaal besef, eet met mes en vork en lepelt geen vaten rose naar binnen maar drinkt een glas goede rode wijn op zijn tijd.

Het stichtende karakter van het programma heeft inmiddels ook geleid tot heel serieuze beschouwingen in kranten. Een van de meest hilarische is wel een beschouwing in de Volkskrant donderdag 4 november waarin werd betoogd dat wij Jort Kelder, als onze nationale polderdandy, dankbaar mogen zijn omdat hij een grote bijdrage zou leveren aan de ‘heropvoeding van Nederland’.
Ofwel, de landerijen zullen wij met zijn allen nooit bezitten, de familienamen ook niet, maar beschaafd gedrag leeft de oude adel ons voor.

Ik vind dat uit zo’n geleerde analyse in de krant vooral een nogal wonderlijke nostalgie naar de 19e eeuw spreekt. De redenering die wordt gehanteerd is eenvoudig. Weliswaar is de rijkdom waar de ontwikkelde smaak op rust, niet binnen ons bereik maar dat neemt niet weg dat we wel degelijk de goede omgangsvormen kunnen kopiëren.
Laat ik het eens bout zeggen. Zoals in de 19e eeuw, zijn armoede en een gebrek aan kansen geen excuus voor slechte manieren.

Wat mij betreft maakt ‘hoe heurt het eigenlijk’ met haar stichtende boodschap en de analyse in de Volkskrant die er op voortbouwt, deel uit van een maatschappelijke en politieke ideologie waarmee ik moeite heb. Het is de ideologie van ‘de eigen verantwoordelijkheid’ die al jaren een grote populariteit geniet.
Het is ook de ideologie waarbij de omstandigheden waarin je leeft, de armoede waar je aan bent blootgesteld, het gebrek aan kansen om hoger op te komen, nooit een argument kunnen zijn voor het gedrag dat je vertoont.
Natuurlijk klopt dit wel op het niveau van het individu. Simpel, als je arm bent en je gaat jatten, dan kan je armoede misschien een verzachtende omstandigheid zijn maar je bent ook gewoon verantwoordelijk voor je criminele gedrag en verdient daar straf voor. Bovendien, voor opgroeiende jongeren in onze samenleving die zich schuldig maken aan crimineel gedrag, geldt ook dat ze weliswaar zelden voortkomen uit de hoogste economische klassen, maar ze wel degelijk kansen hebben. Ze hoeven niet te straatroven omdat er anders geen brood op de plank is. Ze kunnen naar school, er is werk (hoewel de jeugdwerkloosheid relatief hoog is) en ze kunnen een legaal bestaan opbouwen. Dat ze kiezen voor criminaliteit en het terroriseren van anderen, daarop mogen zij – 1 voor 1 – worden aangesproken, evenals de ouders die hen opvoeden.

Maar met het veroordelen van individueel wangedrag en het tot voorbeeld maken van de oude adel ben je er niet als je de staat van een samenleving wil begrijpen. Als je bijvoorbeeld de criminaliteit wil verminderen, de sociale problemen van werkloosheid, van lethargie of een armoedecultuur van mishandeling en uitbuiting wil begrijpen. Laat staan dat de voorbeeldige omgangsvormen van het oude geld en de elites, ook maar het begin van een oplossing vormen voor de vermindering van die problemen.

Ik wijd uit over ‘Hoe heurt het eigenlijk’ omdat ik de populariteit van de boodschap, blijkbaar ook onder sommige intellectuelen, zeker op dit moment, nogal wrang vindt. We leven in een economische periode waarin de tegenstellingen tussen arm en rijk, kansarm en kansrijk, mondiaal, in de Verenigde Staten, in Europa en in Nederland snel toenemen. We leven ook in een periode waarin het geloof in vooruitgang, het geloof dat onze kinderen het beter zullen hebben dan wij, zwaar onder druk staat.
Het was precies dat geloof dat het zondagse uitje van mijn moeder en mij tot vrolijk, oppervlakkig vertier maakte dat vrij was van elke vorm van rancune.
Er kon toen namelijk geen twijfel over zijn dat ik als dochter uit de middenklasse – als ik me een beetje gedroeg – meer kansen zou krijgen dan mijn moeder, dat ik een goede opleiding zou kunnen gaan volgen, dat ik werk zou vinden, een huis, dat ik verre reizen zou kunnen maken en verder alles zou kunnen doen wat ik wilde.

Dat tij is gekeerd.
In de eerste plaats voor de mensen met de laagste inkomens maar ook voor de middenklassen.

Europese middenklassen

In het prachtige boekje ‘Ill fares the land’, beschrijft de Britse historicus – en helaas vorig jaar overleden – Tony Judt, de geleidelijke teloorgang van de westerse verzorgingsstaten, en het verdwijnen en verminderen van kansen op sociale stijging van kinderen uit de lagere sociale klassen en de middenklassen.
Hij beschrijft hoe vooral in de Verenigde Staten en in het Verenigd Koninkrijk na bijna een eeuw van economische groei en welvaartsspreiding (ruwweg vanaf het einde van de 19e eeuw tot 1980), deze tot stilstand zijn gekomen. Er is zelfs sprake van een omgekeerde beweging.

Al in de tien jaar voorafgaand aan de kredietcrisis in 2007 daalde het gemiddelde inkomen van gewone Amerikanen en werd hun geloof in vooruitgang op de proef gesteld. Voor veel burgers gold dat hun huizen hun enige stabiele kapitaal waren. Uit een studie van de Amerikaanse journalist Don Peck blijkt dat aan het begin van 2011 die huizen bij 1 op de 4 middenklasse-gezinnen een nauwelijks nog te dragen schuldenlast is, terwijl 1 op de 7 gezinnen wordt bedreigd door uitzetting en faillissement.
55% van de gewone Amerikanen heeft sinds de crisis te maken gekregen met werkloosheid, vermindering van uren of een forse salarisdaling. Volgens Peck veranderen in de nasleep van de economische crisis de levens van mensen ingrijpend: de verbondenheid tussen generaties staat onder druk, werkloze mannen verliezen hun positie tegenover hun vrouwen en kinderen, jongeren missen toekomstperspectief en zijn somber en voelen zich in de steek gelaten. Ook Tony Judt deelt deze sombere analyse. Hij spreekt van pathologische sociale problemen die horen bij harde klassentegenstellingen: stijgende kindersterfte, verminderende levensverwachting, criminaliteit, een geharde en onverbeterlijke gevangenispopulatie, werkloosheid, obesitas, teenage-zwangerschappen etc. etc.

Judt is de eerste om – terecht – een onderscheid aan te brengen tussen de Verenigde Staten en Groot Brittannië enerzijds en de meer gelijkmatige noord-Europese samenlevingen zoals Nederland anderzijds. Hier zijn de inkomenstegenstellingen nog altijd veel kleiner en is de toegang tot bijvoorbeeld goed onderwijs en relatief goede gezondheidszorg veel beter gewaarborgd. Dat neemt niet weg dat ook in Nederland, net als in andere Europese landen sprake is van een neergaande lijn. De inkomenstegenstellingen groeien en door de bezuinigingen vermindert de toegang tot de publieke voorzieningen voor de lagere en middeninkomens. Denk bijvoorbeeld aan de bezuinigingen op de kinderopvang, de gezondheidszorg, de PGB’s, het onderwijs, de universiteiten en de cultuur.

Tony Judt heeft bovendien een andere boodschap. Hij beschrijft groeiende ongelijkheid niet alleen als onrechtvaardig in zichzelf, maar ook als gevaarlijk voor de sociale en democratische stabiliteit van de samenleving: de geleidelijke toename van sociale en culturele spanningen, de vlucht in extremisme en de snel afbrokkelende bereidheid van mensen om voor elkaar te zorgen, om solidair te zijn – rechtstreeks en via het gezamenlijke betalen van belastingen.
Al deze ontwikkelingen zien we ook in Nederland. De intolerantie jegens elkaar neemt toe, net als de rancune, burgers vluchten naar de politieke flanken en verliezen hun bereidheid – hun stemgedrag is daar een uiting van – om (bijvoorbeeld via belastingen) te investeren in de publieke sfeer, in cultuur, in versterking van het onderwijs, of bijvoorbeeld in ontwikkelingssamenwerking die het lot van de allerarmsten iets verbetert.
Kortom, de groeiende ongelijkheid leidt tot toenemende maatschappelijke tegenstellingen en afnemende solidariteit. Dit ondermijnt geleidelijk het vermogen van een samenleving en haar politici om door inkomensmaatregelen en investeringen in de publieke sector, alsnog het tij te keren.

Afrika

Goed tot hier mijn enigszins sombere analyse van de staat van onze ‘westerse’ samenleving. Nu wil ik met u een hele grote stap maken naar Afrika, als brandpunt van de derde wereld.
In 2009 publiceerde de van oorsprong Zambiaanse econome Dambisa Moyo het boek ‘Dead Aid: Why Aid is Not Working and How There is a Better Way For Africa’. Zij bekritiseert hard en grondig ontwikkelingssamenwerking als een manier om de armoede in Afrika in stand te houden en gewone gezonde economische groei af te remmen. Tegenover de, weinig zoden aan de dijk zettende donaties van Westerse landen, plaatst zij de investeringen die een weinig democratisch land als China in Afrika doet, als duurzamer en toekomstgerichter.
Het hoeft weinig verbazing te wekken dat het boek – zacht gezegd – op een onstuimige ontvangst kon rekenen, temeer daar het al snel een internationale bestseller werd die ook graag door politici geciteerd werd, zoals de president van China. Conservatieven en neoliberalen die Afrika al lang als een bodemloze put beschouwden, zagen in het boek – ook nog geschreven door een Afrikaanse – een mooie aanleiding om alle ontwikkelingshulp stop te zetten. De ontwikkelingsindustrie beschouwde het als een dolksteek in de rug en schreeuwde moord en brand – Bono van U2 voorop – dat Moyo een neo-conservatieve agent was en niet vertrouwd kon worden. De heftige polarisatie rond het boek is begrijpelijk maar ook jammer omdat Moyo’s analyse wel degelijk hout snijdt voor Afrika, net als voor Europa en de Verenigde Staten.

Haar stelling is dat de grote afhankelijkheid van hulpprogramma’s die de afgelopen halve eeuw in Afrika is ontstaan, heeft verhinderd dat er sprake was van gewone economische groei, van stijgende inkomens voor Afrikanen en van de opbouw van democratische rechtstaten. De hulp richtte zich vooral op het verlichten van de ergste armoede en nood, maar creëerde onbedoeld ook afhankelijkheid daarvan.
Bijvoorbeeld in een land als Kenia, waarmee het relatief goed gaat, gaat 70% van het nationaal budget op aan salarissen van politici en overheidsfunctionarissen. Een groot deel van de gewone overheidsinvesteringen in de samenleving komen uit ontwikkelingsbudgetten.

Tegelijkertijd beschrijft Moyo – en dat is een belangrijk punt – ontbraken werkelijke economische investeringen uit Europa en de Verenigde Staten in Afrikaanse landen, terwijl het westen tegelijkertijd zijn grenzen zo goed als gesloten hield en houdt voor grootschalige import uit Afrika. Niet alleen was er sprake van groeiende afhankelijkheid van ontwikkelingshulp, er was in veel Afrikaanse landen ook nauwelijks een alternatief voor in de vorm van economische activiteiten die inkomen opleveren.
Door hulpafhankelijkheid en de afwezigheid van economische bloei kennen veel Afrikanen, volgens Moyo, weinig mogelijkheden voor sociale stijging, de armoede is groot en wordt bepaald niet kleiner, de inkomensafstanden zijn immens. Tegenover een enorme populatie van armen staat een kleine groep van exorbitante rijken, die vaak corrupt is en in het bezit van de politieke macht. Veel andere smaken dan heel arm en heel rijk zijn er nauwelijks: middenklassen bestaan maar summier en vooral in de landen waarmee het naar verhouding redelijk of goed gaat.

Ik ben het maar ten dele met Moyo eens. Ik denk dat zij de ontwikkelingshulp veel te veel verantwoordelijkheid geeft voor de miserabele staat van veel Afrikaanse landen; andere – geografische, etnische, historische en politieke – redenen spelen een minstens even grote rol. Bovendien denk ik dat zij een veel beter onderscheid dient te maken tussen noodhulp, zoals nu in de Hoorn van Afrika en langer lopende ontwikkelingsprogramma’s.
Ik wil deze lezing ook niet gebruiken om de aard van ontwikkelingssamenwerking verder te bekritiseren. Niet alleen wordt die discussie al hevig gevoerd, je ziet ook bij veel hulporganisaties een grote verandering in de hulp die zij bieden. Veel meer dan in het verleden richt die zich op de opbouw van bedrijfjes en het versterken van de economische structuur van landen, en de werkgelegenheidskansen van mensen.

Ik haal Moyo aan vanwege een andere centrale boodschap van het boek: wat heeft Afrika nodig?
Moyo stelt dat Afrika werkelijke economische investeringen nodig heeft die leiden tot de opbouw van een sterke en politiek bewuste middenklasse.
Het is deze middenklasse die in staat zal zijn om belastingen te betalen, en die – als zij een perspectief hebben op sociale stijging en een betere toekomst voor hun kinderen – dat ook willen doen.
Moyo’s stelling is dat de corruptie en het vergaande politieke misbruik dat zoveel Afrikaanse landen kennen, ook wordt mogelijk gemaakt omdat burgers geen belang hebben bij de verandering ervan. Ze zijn arm, voor hun inkomsten afhankelijk van buitenlandse hulp en missen elk perspectief op werkelijke verbetering voor zichzelf, hun kinderen en de samenleving. De sociale problemen waarmee zij worstelen zijn zo groot, de cultuur van armoede zo diep geworteld, dat er nauwelijks ruimte is voor solidariteit met elkaar.
Moyo stelt dat – en dat beschouw ik als haar belangrijkste claim – dat alleen de opbouw van middenklassen, zal leiden tot de politieke en democratische verandering die zo veel Afrikaanse landen heel erg hard nodig hebben. Als Afrikaanse burgers een beter inkomen krijgen, belasting gaan betalen, dan zullen zij ook hardere eisen gaan stellen aan de politici die hun geld besteden. Het is dan namelijk hun geld – en geen ontwikkelingsgeld – dat verdwijnt in corrupte zakken. Het is hun geld dat bestemd is voor het onderwijs van hun kinderen, voor gezondheidszorg en voor het bijstaan van armen.

Hier raakt de analyse van Moyo, zij het over een heel ander en oneindig veel kwetsbaarder continent, aan de redenering van Judt. Ook Judt betoogt dat duurzame welvaart en maatschappelijke stabiliteit voor een belangrijk deel op de middenklassen rusten en op een geringe afstand tussen de hoge en lage inkomens: bij een gelijkmatige spreiding van welvaart, gebonden aan een werkelijk perspectief op sociale stijging, zijn de sociale problemen beheersbaar en zijn mensen bereid en in staat tot werkelijke solidariteit.
Hoe ver Afrika hier misschien nog van verwijderd is, en hoe onbegaanbaar misschien ook de route lijkt, Moyo pleit voor een volwassen en eerlijke omgang met Afrikaanse landen. Zij pleit voor werkelijke economische investeringen, zoals – inderdaad – China dat nu doet, en die in de eerste plaats gewone ‘hardwerkende’ Afrikanen ondersteunen. Terzijde, we hoeven geen rooskleurig beeld te hebben van de motieven van Chinezen om te investeren, maar dat maakt het ook niet per se slecht. Bijvoorbeeld in Liberia, waar ik dit voorjaar was, zijn Chinezen in grote getale aanwezig vanwege de rijkdom aan grondstoffen van het land. Maar je ziet ook overal Chinese winkels en kleine restaurants. Aan de rand van de hoofdstad Monrovia wordt een grote universiteit gebouwd met Chinees geld. Dat maakt – hoe dan ook – een daadkrachtiger indruk dan de Unicef-posters die je verderop in de jungle ziet: ‘also boys like to do the dishes’.

Net als Judt pleit Moyo vooral voor de opbouw van meer egalitaire samenlevingen waarin de rijkdom eerlijker wordt gedistribueerd, de inkomensafstanden kleiner zijn en waar via de belastingen en via politieke inmenging mensen betrokken zijn bij het welzijn van elkaar en van hun land.

Ik denk dat velen van u, die hier vandaag aanwezig zijn, een wat grotere dan gemiddelde belangstelling hebben voor ontwikkelingssamenwerking en worstelen met de vraag hoe wij de derde wereld kunnen helpen. Zoals Peerke Donders, de naamgever van deze lezing, dat meer dan een eeuw geleden deed in Suriname.

Hoe kunnen wij Afrika helpen?

Met het beantwoorden van deze vraag wil ik deze lezing afronden.
In de eerste plaats door ons zelf te helpen. Hoe moeilijk ook de economische periode die wij doormaken, hoe hoog de nood aan bezuinigingen ook is, juist nu moeten wij er naar streven om de inkomensafstanden in onze samenleving niet verder te laten vergroten, en onze publieke sfeer niet te laten verloederen. Alleen als onze samenleving in de toekomst een rechtvaardige is, die gelijke kansen op onderwijs, werk en welzijn kent voor mensen uit alle inkomensklassen, zal er de bereidheid zijn en blijven om over onze schutting heen te kijken en een open oog te hebben voor de noden in Afrika.

In de tweede plaats, door tegelijkertijd onze omgang met Afrika te veranderen. Anders dan Moyo denk ik dat hulp – en zeker noodhulp – voorlopig noodzakelijk zal blijven. Maar wij moeten ons meer en meer concentreren op het investeren in duurzame economische groei in Afrika. Via microkredieten, via venture capitalists die kleine bedrijfjes (taxi-, telecombedrijfjes) helpen starten, via publieke organisaties die mensen trainen in politieke en democratische weerbaarheid, zoals nu door een aantal NL’se organisaties in de landen van de Arabische lente wordt gedaan. We zullen ook eerlijke handel moeten gaan toestaan. De benadeling van Afrika die het gevolg is van protectionisme en tarfiefmuren, is absurd – zeker in het licht van de grote armoede die daar is en de hulp die er vanuit Europa naar toe wordt gezonden.

Als ik terugdenk aan de zondagse ritjes met mijn moeder, moet ik altijd een beetje grinniken, Vanwege het schaamteloze naar binnen loeren natuurlijk, maar ook vanwege de volledige afwezigheid van jaloezie en rancune bij andermans uitgestalde rijkdom. In ons leven zat namelijk ruimte en perspectief genoeg om niet afgunstig te zijn.

Ik hoop dat mijn dochter ooit, met haar dochter (wie weet?) zo’n zondags ritje maakt, vrolijk en enkel licht gegeneerd, wetende dat ook zij alle ruimte hebben om zich te ontwikkelen en ontplooien.
Sterker, ik hoop dat over enige tijd een vrouw in Monrovia met haar dochter een ritje naar de buitenwijken maakt. En zich dan vermaakt. Sans rancune, omdat zij het zelf ook goed hebben.

Deze lezing werd uitgesproken op 6 november in Tilburg, ter gelegenheid van de Peerke Donderslezing op 4 november 2011

woensdag, 9 november 2011

Rob Alberts

Rob Alberts

Poep en pis

In , amsterdam, auto, brievenbus, durven, mensen, wonen, buurman, maandag, en meer.
 Poep en pis.Tijdens mijn zaterdagboodschappen wordt ik soms aangesproken door een verre buurman. Samen wonen we in de K-buurt van Amsterdam-ZuidOost. De laatste keer kreeg ik te horen dat de brievenbus gevuld is met poet en pis. Vrienden van een straat verderop vertellen dat ze niet in de metro durven te reizen. En daarom vooral hun auto gebruiken. Afgelopen maandag moest ik aan deze mensen den...

Wilbert Willems

Wilbert Willems

Kinderen reizen straks met hun eigen reisdocument

In familie, zorg en welzijn, buitenland, kinderen, nederlandse identiteitskaart, reizen, vluchtelingen, 2012, automatisch, nederlandse.
Subheader: 
Geldigheid kinderbijschrijvingen vervalt vanaf 26 juni 2012

Met ingang van 26 juni 2012 vervalt de geldigheid van kinderbijschrijvingen in paspoorten en reisdocumenten voor vreemdelingen en vluchtelingen. Vanaf dat moment moeten kinderen een eigen paspoort, Nederlandse identiteitskaart of ander reisdocument hebben als zij naar het buitenland willen reizen. Bij grenscontrole zullen kinderbijschrijvingen vanaf dat moment niet meer worden geaccepteerd als middel voor grensoverschrijding. Bestaande bijschrijvingen in paspoorten worden op 26 juni 2012 automatisch ongeldig.

lees verder

dinsdag, 8 november 2011

Wilbert Willems

Wilbert Willems

Facelift Station Breda krijgt vorm

In fyra, ns, station, trein, via breda, wonen, wijken en vervoer, breda, mensen, reizen, en meer.

Station Breda bereidt zich voor op de verbouwing. De komende jaren verrijst een compleet nieuw en modern station.Een openbaar vervoersknooppunt waar reizen, wonen, werken en winkelen in één gebouw samenkomen. Waar mensen elkaar ontmoeten. Station Breda brengt mensen bij elkaar op een station dat past bij de allure van een hogesnelheidsverbinding.

Voorgevel station Breda

lees verder

donderdag, 27 oktober 2011

Gerben Kappert

Gerben Kappert

Linkedin

Uit eten

In mensen, reisverhalen gerbie on tour, reisverhalen steden, reizen, comedor, eten, honduras, reizen, tegucigalpa, en meer.

Comedors heten ze meestal. Pupuseria, soda, chichieria, cantina en cafetaria zijn andere namen voor hetzelfde fenomeen. Eethuis is waarschijnlijk de beste vertaling. Ze zien er bijna allemaal gelijk uit: een kale redelijk kleine kamer met daarin tweedehands meubilair, vaak ook plastic tuinstoelen. Soms is de eigen woonkamer en/of de keuken zichtbaar.

Je kunt er eten, al weet je vooraf nooit precies wat. Een menukaart ontbreekt. Een enkele keer is op een stuk papier op de muur geschreven wat er zoal is. Maar meestal moet je gewoon vragen wat de pot schaft. Aan de andere kant is dat nooit een echte verrassing. Een bord met rijst en bonen en een stukje vlees er naast, meestal kip en je zit er nooit ver naast. Plus natuurlijk de verplichte, drie per persoon, tortilla’s.

De klanten zijn degenen die thuis geen eten krijgen of kunnen koken, om welke reden dan ook. Het eten is er natuurlijk erg goedkoop, het is dan ook de centraalamerikaanse versie van convenience food, niet alleen beter en voedzamer dan fast food, maar ook nog eens flink goedkoper.

Een leuke versie van een eethuis bezocht ik in Tegucigalpa, hoofdstad van Honduras. De eerste comedor had slechts een lunchmenu, ’s avonds was er niets meer te vinden. De tweede had zelfs keus. Behalve mijn kip was er vis voor mijn tafelgenote, Karin een Duitse rugzaktoeriste.

De eigenaar, tevens kelner (kookt hij ook zelf?) is een vrij brede man om het voorzichtig uit te drukken. Niet het type dat je ’s nachts op straat graag tegenkomt zeg maar. Daarbij is hij nog eens moeilijk te verstaan. Hij legt wel uit dat er een verschil is tussen ‘agua pura’ en ‘agua purada’, maar duidelijker wordt het er niet van.

Even later brengt hij ons bordje eten. Eerst het bord, dan de twee plastic bordjes met tortilla’s op tafel. Dan legt hij de twee vorken op de tortilla’s, al is het niet duidelijk waar hij het bestek vandaan tovert. Een papieren servetje, normaal standaard bij deze gelegenheden ontbreekt hier. Tenslotte legt hij een stukje citroen dat op de rijst was beland tijdens het transport terug op de vis waar het blijkbaar hoorde.

In tegenstelling tot de gebruikelijke procedure in dit soort situaties, blijft hij bij de tafel staan. Verwachtingsvol kijkt hij toe terwijl wij de vork in de hand nemen, elkaar een smakelijke maaltijd toewensen en een eerste hapje nemen. “Bueno?”, klinkt het vragend en stiekem ook een beetje dreigend. Wij kijken op en kunnen niet anders dan beamen. Ook als het niet zo was zou ik positief hebben gereageerd.

Hij vertrekt naar de volgende tafel waar hij een leeg bord en een bijna lege fles frisdrank pakt en zich dan weer omdraait. Terwijl wij nog aan het nalachen waren over de snelheid waarmee hij informeerde naar de smakelijkheid van het gebodene, kijkt hij weer vragend naar ons en herhaalt zijn vorige vraag nog maar eens. “Bueno?”, alsof hij ons antwoord de eerste keer niet overtuigend genoeg vond. Natuurlijk verzekeren wij hem er van dat het echt heel smakelijk is.

Wanneer hij halverwege de maaltijd voor de derde keer informeert, vraagt mijn tafelgenote uit beleefdheid naar het soort vis op haar bord. Hij denkt zichtbaar na. Deze vraag had hij niet verwacht. Ergens is op zijn gezicht te lezen dat hij dit een rare vraag vindt. Alsof het belangrijk is welke vis je eet, als het maar smaakt. Toch doet hij moeite. “Zo’n kleine, een beetje plat, ach hoe heet zo’n ding ook al weer. Wacht even..” is het niet echt verhelderende antwoord, waarna hij richting keuken verdwijnt.

Twintig seconden later komt hij met een plastic zakje teruglopen. “Goede vis, weinig graten”, mompelt hij terwijl het hem maar niet lukt om het plastic zakje te ontknopen. Na twee minuten worstelen lukt het hem en trots toont hij een vissenkop die ongetwijfeld een half uur geleden nog aan de rest van de vis vast zat. We weten dan wel nog steeds niet hoe deze vis heet, we hebben nu tenminste gezien hoe zijn kop er uitzag.

De maaltijd was overigens niet slecht. De rekening was ook gunstig voor de altijd op het budget beknibbelende rugzaktoerist. Nog geen vijf gulden voor twee maaltijden inclusief water en frisdrank.

Tegucigalpa, Honduras, 14 april 2000


woensdag, 19 oktober 2011

Wilbert Willems

Wilbert Willems

Station Breda aan de vooravond van een metamorfose

In ns, spoorbuurt, station, via breda, wonen, wijken en vervoer, breda, mensen, werken, wonen, en meer.

Station Breda bereidt zich voor op de verbouwing. De komende jaren verrijst een compleet nieuw en modern station.Een openbaar vervoersknooppunt waar reizen, wonen, werken en winkelen in één gebouw samenkomen. Waar mensen elkaar ontmoeten. Station Breda brengt mensen bij elkaar op een station dat past bij de allure van een hogesnelheidsverbinding.

Bord Station Breda

lees verder

zondag, 25 september 2011

Mirte Postma

Mirte Postma

Hyves Linkedin

Thuis

In nederland, reizen, tip, blog, raad, weblog, nederlanders, weer, online.
We zijn weer in Nederland. Ik sluit dit blog hiermee voorlopig af. Ben even klaar met het ontdekken van Zweden. Ik laat het wel online staan, omdat ik denk dat het interessant kan zijn voor Nederlanders die van plan zijn naar Zweden te emigreren.

Gelukkig liggen er nieuwe avonturen in het verschiet! Als je op de hoogte wilt blijven van mijn belevenissen in West-Afrika de komende maanden raad ik je aan mijn nieuwe weblog in de gaten te houden: Trois mois en Afrique.

woensdag, 17 augustus 2011

Annemiek de Crom

Annemiek de Crom

Vakantie

Chagrijnig loopt ze van de ene kamer naar de andere. Haar kinderen rennen overenthousiast het hele huis door en haar man zit rustig aan tafel de krant te lezen. Ze staat er ook altijd helemaal alleen voor wat haar nog woester maakt.

Alle kamers op de bovenverdieping staan vol met spullen die mee gaan. Op haar to-do lijstje staan enkele zaken die per se af moeten vandaag. Caravan inpakken, de hond naar haar moeder brengen, de sleutels afgeven bij de buren en snel enkele boodschappen halen bij de buurtsuper. Koken maar niet vanavond. Morgenochtend vroeg staat het vertrek gepland en dat wil ze koste wat kost halen. 'Kees doe jij ook eens wat, ik ren de longen uit mijn lijf en jij zit maar te zitten' brult ze naar beneden.


Kees zucht hoorbaar. Het is ook elk jaar hetzelfde. Een dag voor het begin van de reis is Guusje niet te harden. Ze maakt zich druk over van alles, werkt als een kip zonder kop, is snel boos en erg gestrest. Hij heeft alles al geprobeerd om haar vakantiestress te verminderen maar niks helpt. Hij heeft het opgegeven. Alle tips zijn al vele malen de revue gepasseerd. Uitgerust op reis, een goede voorbereiding, eerst een paar dagen vrij en dan pas afreizen en op de plaats van bestemming de tijd nemen om te acclimatiseren. Ze passen alles keurig toe, het meeste lukt ook maar de dag voor vertrek is en blijft een ramp.

Als een bezetene streept Guusje alles op haar checklist af. Ze zit Kees achter de vodden en stuurt de kinderen naar buiten. 's Avonds is alles klaar maar Guusje blijft druk heen en weer rennen wat nergens voor nodig is. Het is vakantie tenslotte.

De volgende ochtend om kwart over zes koppelt Kees de caravan aan de auto en nestelen de kinderen zich op de achterbank. Guusje rent nog steeds alle kanten op. Kees doet verwoede pogingen de vakantiestemming erin te brengen. Als Guusje de voordeur eindelijk op slot draait, glimlacht ze naar de kinderen, zwaait vrolijk naar de buren en neemt plaats op de bijrijdersplaats. Als ze de snelweg oprijden hoort Kees Guusje kreunen. Hij kijkt haar aan ziet een grote grimas op haar gezicht, haar ogen beginnen te stralen en ze gilt: vakantie!

Tips tegen vakantiestress
  • bereid je goed voor op de reis door informatie te zoeken over de cultuur en gewoontes van het vakantieland en de manier van reizen naar je bestemming toe
  • draag op tijd je werk over aan je collega's, wacht daar niet mee tot de laatst werkdag
  • blijf een paar dagen thuis voordat je vertrekt, neem de tijd om in te pakken en de laatste zaken te regelen
  • ga je naar een land met hoge temperaturen, geef je lichaam dan de tijd daar aan te wennen, begin niet direct met allerlei activiteiten, pas je aan de gewoontes van het land aan
  • accepteer dat je even niets hoeft, laat het idee los dat je nuttig moet zijn
  • geef je reisgenoten aan waar jij behoefte aan hebt

woensdag, 27 juli 2011

Patrick Rijke

Patrick Rijke

Linkedin Twitter GR

Het milieu van mijn dochter… en de auto van haar vader

‘Papa, mag ik jou interviewen? Ik doe op school een project over het milieu en jij weet daar alles van, want jij zit in de gemeenteraad voor GroenLinks.’ Hoe trots kan een vader zijn, als zijn zevenjarige dochter langs haar neus weg het bewijs levert dat een onnadrukkelijk milieubewuste opvoeding langzaam maar zeker haar vruchten begint af te werpen? Over dat schattige interviewtje straks meer, want ik ben in elk geval zó trots dat ik ook een onnavolgbare tekst van haar muurkrantpresentatie hier in extenso overneem: ‘Het milieu is goed voor het land. als het milieu niet bestond kon ik niet leven. Waaaa het milieu is weg.’ Zo scherp heb ik het in de raadsvergaderingen nog nooit onder woorden gebracht!

Bomen, afval en fietsen
Inger, zo heet mijn dochter, bleek zich goed te hebben voorbereid op het vraaggesprek (dat weliswaar door mijn vriendin op video werd vastgelegd, maar vanwege de onzomerse omstandigheden afgelopen week van zo’n duistere kwaliteit dat u het zult moeten doen met mijn beknopte weergave in woorden). De vragen zouden gaan over verschillende aspecten van onze leefomgeving, zo kreeg ik in een door mij als politicus professioneel afgedwongen voorgesprekje te horen: het aantal bomen in de stad, de hoeveelheid afval die we weggooien en hoe we goed kunnen zorgen voor het milieu.

Voor die eerste twee vragen raadpleegde ik snel de informatiebronnen waar ik als raadslid over beschik en zo kon ik even later melden dat Zwolle een bijzonder groene stad is, waar in de openbare ruimte wel 65.000 bomen staan. Dat heeft onze stad overigens mede te danken aan onze voormalige wethouder Peter Pot, die tijdens zijn ambtsperiode talloze malen de krant haalde als hij weer eens ter gelegenheid van het een of ander een boom had geplant. Zwolle heeft enkele jaren geleden onder meer vanwege al die bomen het predicaat Groenste Stad, eerst van het land en later zelfs van Europa, bemachtigd. Komt u gerust eens langs om het met eigen ogen te aanschouwen. Maar dit allemaal terzijde. In het interview beperkte ik me tot het melden van het zakelijke feit dat Zwolle een lekker groene stad is waar het fijn wonen is voor mensen.

Ook de tweede vraag kon ik mede dankzij mijn bronnenonderzoekje adequaat beantwoorden. Ik lepelde op uitleggerige toon de kilo’s afval op die ik op een spiekbriefje had genoteerd, keurig gescheiden naar de verschillende soorten afval en omgerekend naar een gemiddeld huishouden als het onze van moeder, vader, Inger en grote broer in indrukwekkende getallen. ‘Veel hè?’ voegde ik daar licht moralistisch aan toe, en als opstapje naar de laatste vraag: ‘Maar als je papier, glas, plastic en zo apart wegdoet, kan er nog heel veel opnieuw worden gebruikt.’

De hamvraag was natuurlijk wat we zelf kunnen doen voor onze leefomgeving. Voor de kinderen van groep 3, 4 en 5 die het interview in de klas zouden bekijken beperkte ik mijn antwoord tot drie dingen: naast het al gememoreerde scheiden van je afval, zorgzaam omgaan met planten en dieren en zuinig zijn met energie, bijvoorbeeld door het licht uit te doen als je niet meer op je kamer bent en zo veel mogelijk te fietsen of de trein te nemen in plaats van met de auto gaan.

De auto van de zaak
Dat laatste punt – de auto – daar wil ik het nog even wat uitgebreider over hebben. Want wat wil het geval? Net in dezelfde week waarin ik mijn dochter het aandoenlijke interview gaf, kreeg ik de beschikking over ‘mijn’ auto van de zaak. Dat zit zo.
Begin dit jaar kreeg ik een nieuwe baan, waarvoor ik in het hele land middelbare scholen bezoek. In de arbeidsvoorwaarden die ik eind vorig jaar voorgelegd kreeg, stond vermeld dat ik de beschikking zou krijgen over een auto. Als GroenLinkser leek me dat niet zo’n goed idee. Ik kan toch moeilijk ‘s avonds in de raadszaal staan verkondigen dat het beter is het openbaar vervoer te gebruiken als ik zelf overdag op weg was geweest met een auto? Met name mijn argument dat ook functioneel gezien het reizen per trein flinke voordelen zou kunnen hebben: onderweg werken, niet alleen telefoneren, resulteerde in de afspraak dat ik de eerste maanden zou uitproberen of ik mijn afspraken grotendeels per trein zou kunnen afhandelen.

En zo heb ik de afgelopen maanden talloze uren in de trein doorgebracht, naar Heerlen, Zevenbergen, Schagen… soms nog een stukje met de metro, soms een OV-fiets als navervoer, soms gewoon een kwartiertje te voet. (Niet helemaal toevallig woon ik vlak bij het station in Zwolle, dat scheelt.) En veel van die uren heb ik inderdaad gewerkt, niet het minst ook ter voorbereiding op raadsvergaderingen. Soms kon ik wel een gat in de lucht springen dat ik in werktijd met de trein op en naar kon naar Zuid-Limburg: wat een rust om de stukken goed door te nemen!

Maar, de eerlijkheid gebiedt het te schrijven, toen het aantal afspraken in de loop van de tijd toenam, moest ik steeds vaker mijn toevlucht nemen tot huurauto’s. Juichte ik aanvankelijk nog dat ik op één dag per trein en metro scholen in Rotterdam en Etten-Leur aandeed (beide scholen keurig langs intercitylijnen gesitueerd), al gauw bleek dat ik de randen van Delfzijl, Dordrecht of Nijmegen helemaal niet goed met het openbaar vervoer kon bereiken. En dus kwam toch de auto van de zaak weer in beeld.
Het is een hybride geworden, dat wel natuurlijk. Zo’n Prius waar ook Femke in reed, in dat beruchte campagnefilmpje. Zo’n verantwoorde auto moet toch kunnen voor een GroenLinkser?

Ja, rationeel krijg ik het allemaal wel kloppend hoor. Mijn pleidooi luidde steeds dat mensen hun vervoer niet ‘automatisch’ invullen, maar juist heel bewust moeten kiezen. Lopen, fietsen, openbaar vervoer als standaard, soms de auto als het niet anders kan of gewoon veel handiger is. En alleen bij hoge uitzondering vliegen. Ik ben er nooit voorstander van geweest de auto in de ban te doen, ik ben geen fietsvakantieganger en ik probeer vooral mensen beleidsmatig te verleiden tot fietsen en de nadelen van massaal autogebruik te bestrijden. Hoe minder extreem we ons opstellen, des te meer kans dat mensen onze ideeën overnemen – zo is mijn adagium.

Maar toch… horen wij als politici niet het betere voorbeeld te geven? Ik ben de politiek ingegaan nadat ik door de geboorte van onze zoon, nu bijna elf jaar geleden, ‘levendiger’ dan ooit daarvoor de verantwoordelijkheid voelde om een actieve bijdrage te leveren aan het behoud van onze leefomgeving voor toekomstige generaties. En rijd ik nu eigenlijk niet het milieu van onze nakomelingen te verprutsen, te beginnen met de leefomgeving van mijn dochter, die zich op haar kinderlijk eenvoudige manier al terecht zorgen maakt om het milieu? ‘Als het milieu niet bestond kon ik niet leven.’


zondag, 24 juli 2011

Selçuk Akinci

Selçuk Akinci

Twitter Youtube GR

De Aanslag

In opinie en commentaar, politiek, noorwegen, oslo, terrorisme, moskee, moslims, nederland, nederlandse, en meer.

Utoya, 22 juli 2011 - foto: AP

Dit is geen politieke daad. Dit is de daad van een gestoorde gek. Woorden van die strekking werden geuit via twitter, toen bekend werd dat de bomaanslagen in Oslo en de daaropvolgende wanstaltige, één uur durende slachtpartij op Utøya niet de verantwoordelijkheid van Al-Qaida waren, maar van de rechts-extremistische Noor Anders Breivik. Dat hij een gestoorde gek is, moge evident zijn. Maar zijn daad was wel degelijk politiek.

De wandaad van Breivik is net zo politiek als de moord op Fortuyn door Volkert van der Graaf. De actie van, vermoedelijk, een éénling, dat wel. Maar ook een actie die is ingegeven vanuit de volstrekt abjecte gedachtegang dat de ideologie die de daders aanhingen belangrijker was dan een mensenleven. Of, in het geval van Breivik, zelfs 93 levens.

Breivik behoort tot het slag mensen dat men vroeger rechts-extremisten noemt, nazi’s en ander tuig dat de suprematie van het eigen ras en de eigen cultuur nastreeft. Deze mensen houden er abjecte denkbeelden op na die lange tijd volstrekt niet als acceptabel werden beschouwd. Met het groeiend anti-islamitische sentiment in Europa hebben deze lieden echter een nieuw, legitiem platform geboden om hun ideeën van intolerantie en culturele suprematie te spuien.

Het opvallende van het bloedbad dat Breivik heeft aangericht, is de keuze voor zijn slachtoffers. Breivik is verklaard anti-moslim, maar heeft er niet voor gekozen om, pak ‘m beet, een moskee op te blazen. In plaats daarvan heeft hij ervoor gekozen om af te reizen naar een eiland Utøya in de Tyrifjorden, zo’n dertig kilometer ten westen van Oslo, waar in dit weekeinde het jaarlijkse zomerkamp van de jongerenafdeling van de Noorse arbeiderspartij gehouden werd. 700 jongeren op ongeveer 10 hectare. Eén op de zeven jongeren heeft dat niet overleefd.

Daarmee heeft Breivik niet alleen Noorwegen, maar specifiek de Noorse sociaal-democratie in het hart geraakt. Breivik had het specifiek gemunt op ‘links’. Het was de arbeiderspartij die, wat Breivik betreft, verantwoordelijk was voor een Noorwegen met meerdere culturen, voor een Noorwegen waarin diversiteit en pluriformiteit de norm zijn, voor een Noorwegen waar ook moslims wonen, al is het slechts een handjevol. In de strijd tegen de islam is het in de ogen van Breivik niet alleen legitiem, maar zelfs noodzakelijk, om mensen met een andere politieke overtuiging, op gruwelijke wijze uit de weg te ruimen.

Dit waandenkbeeld van Breivik vind ongetwijfeld zijn oorsprong in een klimaat waarbij ‘links’ steeds meer de schuld lijkt te krijgen van alles wat er in het verleden fout is gegaan. Dat sentiment is ook in Nederland erg sterk. Het falen van de multiculturele samenleving, zo daar al sprake van is, is eenzijdig de schuld van de PvdA, als je rechts-populistische politici mag geloven. Ook al is in de periode 1960-1990 de PvdA slechts zeven van de dertig jaar in een coalitie vertegenwoordigd geweest. Net zo makkelijk wordt ook de verantwoordelijkheid voor de staatsschuld, de kredietcrisis en ongetwijfeld ook de hondenpoep in de schoenen van de PvdA geschoven.

Is daarmee ‘rechts’, of, laten we het beestje bij de naam noemen: Wilders, mede-verantwoordelijk voor het bloedbad van Breivik? Nee, net zo min als een willekeurige moslim verantwoordelijk gesteld kan worden voor de aanslagen van Al-Qaida, een willekeurige Palestijn voor de daden van Hamas. En, ja, net zo min als dat destijds op 6 mei 2002 de kogel van ‘links’ kwam.

Maar de kous is daarmee niet helemaal af. Want in een klimaat waarbij het usance is geworden om moslims te bestempelen als het grootste gevaar voor het voortbestaan van de westerse cultuur, is het mogelijk dat gevaarlijke psychopaten als Breivik gaan denken dat geweld dan wellicht een legitiem verdedigingsmiddel is. En in een politiek klimaat waarbij het usance is om in het parlement en daarbuiten de politieke tegenstander te bestrijden door het plegen van karaktermoord, zal ook de afkeer tegen politici of politieke partijen en denkbeelden alleen maar verder toenemen.

Woorden plegen geen moorden, mensen plegen moorden. Ontegenzeglijk waar. Maar een klimaat van steeds toenemende polarisatie werkt als een incubator voor de denkbeelden van mensen als Breivik. En de politiek, de Nederlandse voorop, kan in mijn ogen wel wat depolarisatie gebruiken.

maandag, 6 juni 2011

Mirte Postma

Mirte Postma

Hyves Linkedin

Skärgård

In dagelijks leven, reizen, zweden, huis, mensen, auto, stad, vakantie, water, en meer.

De zomer is aangebroken in Midden-Zweden. Het is al weken heerlijk zonnig weer en dit weekend waren de temperaturen voor het eerst ook ruim boven de 20 graden. Eindelijk begrijp ik weer waarom we zo ver van de stad zijn gaan wonen. Zodra ik vrij heb en buiten zit op het terras voor ons huis met uitzicht over de zee en de eilanden voelt het of ik vakantie heb.

We zijn er de laatste tijd veel op uit getrokken, de archipel (skärgård) in met Nederlandse en Zweedse vrienden, en ik kan niet genoeg benadrukken hoe gaaf de Zweedse oostkust is. Voor de kust van Stockholm, in de Oostzee, liggen honderden, duizenden kleinere en grotere eilandjes. Het is er zo vredig, zo mooi met al die rotsen en het water, het ruikt er heerlijk naar droge dennenbossen en soms een beetje naar zee. Verder naar het noorden en zuiden is het zo mogelijk nog beter, want dezelfde eilandjes, maar nog minder mensen. Ideaal voor zeilen en kajakken of gewoon voor over de rotsen klauteren en picknicken.

Zo'n luxe om dat vlak voor je deur te hebben.

vrijdag, 29 april 2011

Mirte Postma

Mirte Postma

Hyves Linkedin

Bärlauch

In reizen, tip, cultuur, park, auto, weekend, gelukkig.

Het paasweekend was heerlijk. Mooie bruiloft inclusief gelukkig bruidspaar. Mijn melkwitte Zweedse winterhuid roodverbrand omdat ik er natuurlijk niet aan gedacht had zonnebrandcreme in te pakken. Nog drie dagen spierpijn in mijn kuiten gehad van het rondslenteren in en rond de Habsburgse paleizen.

De ontdekking van het weekend was echter bärlauch. Dit blijkt dé Oostenrijkse paasdelicatesse bij uitstek te zijn. En nog vegetarisch ook; best bijzonder in het land van de gigantische schnitzels. En laat ik niet vergeten te melden dat ik het superlekker vond!

Het duurde even voor ik ter plekke op mijn mobieltje tevoorschijn gegoogeld had wat het was, maar het blijkt daslook te zijn. Een kruid dat tussen april en mei in het bos groeit, sterk naar knoflook ruikt en subtiel naar knoflook smaakt. De Oostenrijksers maken er vaak soep van maar ik heb ook risotto met bärlauch en pasta met bärlauchpesto gezien.

In het park van slot Laxenburg kwamen we het vervolgens in overvloed tegen.

dinsdag, 26 april 2011

Klaas Woltinge

Klaas Woltinge

Hyves Twitter Youtube

Verslag 15 April Democratie

In amsterdam, bezig, bijeenkomst, boeken, debat, demonstratie, dieren, discussie, dwars, en meer.
Na een avondje stappen en Den Haag verkennen ging op 15 April bij mij vroeg de wekker, het ontbijt zou klaar staan tussen 7:30 - 9:30 en aangezien ik ook voor 10:00 uit-chekken moest dacht ik:”laat ik maar als eerste eruit gaan.” (deelde mijn kamer met 5 andere mensen)

Het ontbijt was heerlijk en in mijn ogen ook een luxe, noem het gerust gezond bunkeren. Je kon gewoon een dienblad pakken en deze vullen met alles waar je trek in had, wat je er bij wilde hebben en je kon je eigen brood smeren i.p.v. dat je iets vooraf besloten spul krijgt aangereikt (StayOkey omgeving Hollandsspoor is een aanrader).

Om 12:30 werd ik verwacht bij een bijeenkomst georganiseerd door GroenLinks Dwars met als thema: “Democratie”, eerst wat koffie gekregen en tegen 12:45 werd iedereen van harte welkom geheten etc;

Persoonlijk vond ik het wel heel komisch dat Jan Laurier tegen 14:00 iets over de geschiedenis van de vergaderzaal ging vertellen in de Eerste Kamer, ook de wijze waarop (even de benen strekken en een beetje mee lopen naar de plekken die hij aanwees). Hoe meer hij ging vertellen, des te meer er bij mijzelf wel terug kwam in de vorm van dit heb ik ooit geleerd of eerder gehoord.. Met name toen er gewezen werd naar het overheersende schilderij werd gewezen die goed overzicht heeft op de zaal ;) Wel heel leerzaam iig.

Omstreeks 14:15 startte de eerste workshop, Judith Sargentini vertelde van alles over het burgerinitiatief en de voorgeschiedenis ervan vanaf circa 1985. Natuurlijk waren en zijn goede voorstellen die pleiten voor het burgerinitiatief zeker welkom.

De tweede workshop werd gegeven 15:00 door Jan Laurier, dat was een workshop met een thema die mijzelf ook wel veel bezig houd:”Zijn wij een Eerste kamer nodig?”, Zelf vond ik de Eerste kamer altijd overbodig, maar met het huidige kabinet was ik blij dat deze nog steeds wel bestaat.

Jan Laurier startte de discussie van zijn workshop heel goed, hij stelde gewoon een paar open vragen die niets met de Eerste kamer te maken hebben, hooguit actueel zijn/waren in het nieuws.

- Wat vind je van vrijheid van religie? Gevolgd door een korte discussie
- Wat vind je van ritueel slachten? Gevolgd door een korte discussie

v.a. dat moment begon hij echt met de workshop, hij vertelde in het kort iets over wat een rechter doet namelijk iemand wel of niet schuldig bevinden aan feit x en dan een straf wel of niet toepasselijk vinden.

Wederom kwam hij met de vraag:”Wat vind je van ritueel slachten?” en daarbij moest je je voorstellen dat bijvoorbeeld je buurman voor de rechter stond.

Verbieden? Dat kan niet, daarmee tast je de vrijheid van religie aan dus verbieden kan de rechter niet.

Regels aanpassen in het wetboek? Daar is een rechter niet toe bevoegd.

Er van uitgaande dat wij geen vrijheid van religie kennen dan?

De rechter kan zelfs dan niets ondernemen omdat dieren niet in het wetboek benoemd worden..

Vond zelf zeker workshop 2 een heel mooi voorzetje voor het afsluitend debat waarbij je aan kon geven voor of tegen de Eerste kamer te zijn en indien je tegen was, waarom zou je tegen zijn en hoe zou je het anders willen zien..

Na het afsluitend debat konden we nog even wat na praten onder het genot van een hapje en drankje en mocht men ook wat boeken mee nemen die over waren. Na mijn tas redelijk gevuld te hebben waren mijn ogen nog gericht op 2 boeken, bankzaken en een boek die mij visueel gewoon niet trok.. Jan tipte mij, wees het minder mooi ogende boek aan en melde:”dat is een vrij interessant boek”,”dat geeft een stukje uitleg over het elektronisch patiënten dossier.” Ow, gaaf bedankt voor de tip! Die paste ook nog wel in mijn tas.




Nadien gingen we vanuit DWARS nog even ergens eten en daarna op weg naar huis, zelf kon ik voor 2 treinen kiezen.. of 20 minuten wachten maar wel sneller thuis zijn, of bijna direct met iemand mee reizen maar onderweg iets vaker stoppen. Ik koos voor het laatste, konden we ook nog even gezellig na praten immers..

v.a Utrecht had ik geen gezelschap meer en besloot er een boek bij te pakken, tegen de tijd dat ik in Zwolle aankwam ontdekte ik dat de stof mij zo boeide dat ik al op pagina 57 bleek te zitten (ik lees zelden tot nooit tenzij het studie boeken zijn).

In Zwolle moest ik wederom lang wachten op de trein naar Hoogeveen en bij thuis komst rond 1:00 ging meteen even de pc aan om mijn mail te controleren, indien nodig te beantwoorden en mijn spullen klaar zetten voor de volgende dag i.v.m, de demonstratie tegen KernEnergie te Amsterdam..

De Donderdag aan de Haagse HogeSchool en de Vrijdag in de Eerste kamer waren zeer geslaagd, ook in Den Haag zelf had ik mij niet verveeld ;)

zaterdag, 9 april 2011

Paul Smeulders

Paul Smeulders

Hyves Twitter Youtube PS

'Tien voor Brabant': meest rechtse bestuursakkoord ooit

Onderstaand opinieartikel van mijn hand over het nieuwe Brabantse bestuursakkoord stond vandaag in BN/ de Stem, het Brabants Dagblad en het Eindhovens Dagblad. Het volledige artikel is te vinden onder lees meer.

Om mee te regeren moet je concessies doen. Dat begrijpt iedereen. Maar zet je voor een plek op het pluche ook al je programmapunten bij het vuilnis?

Een maand geleden gingen bijna 1 miljoen Brabanders naar de stembus voor de Statenverkiezingen. De VVD werd met één zetel winst de grootste partij. VVD-prominent Hans Wiegel werd informateur.

Tot ontsteltenis van veel partijen adviseerde Wiegel een college van te onderzoeken met de twee grote verliezers van de Statenverkiezingen: CDA en SP. De christendemocraten gingen van 18 naar 10 zetels, de socialisten verloren 4 van haar 12 zetels. Een verrassende coalitie, die desondanks hoopvol stemde. De SP heeft de afgelopen jaren sterk oppositie gevoerd.

Woensdag werd het bestuursakkoord openbaar. Na het lezen is maar één conclusie mogelijk: dit is geen breed akkoord met visie over de toekomst van Brabant, maar een samenvatting van het VVD-programma.

Iedereen weet dat de vette jaren op het provinciehuis voorbij zijn. Toch kiest de nieuwe coalitie ervoor om jaarlijks 50 miljoen te investeren in het aanleggen van nieuwe wegen, waaronder de Ruit rondom Eindhoven en de N69 en de verdubbeling van de N279. Wegen waar de SP zich vaak hartstochtelijk tegen heeft verzet. De SP pocht met eenmalige 10 miljoen extra voor openbaar vervoer. Maar dit bedrag valt in het niets bij de 200 miljoen die deze periode in het aanleggen van nieuwe wegen wordt gereserveerd. De uitspraak van CDA-gedeputeerde Ruud van Heugten “Van megastallen naar megawegen”, lijkt een uitstekend motto voor het nieuwe Brabant College.

Ook Eindhoven Airport mag van de nieuwe coalitie uitbreiden, terwijl de SP daar met GroenLinks fel tegen heeft gestreden. In haar programma spreekt de SP vanwege de grote leegstand van een stop op de aanleg van nieuwe bedrijventerreinen, terwijl dit in het collegeakkoord mogelijk blijft. Als klap op de vuurpijl levert de SP haar twee grootste verkiezingsbeloftes moeiteloos in: Brabant Culturele Hoofdstad 2018 gaat gewoon door en de Essentgelden gaan niet rechtstreeks naar de Brabantse burgers.

De Brabantse SP-leider Nico Heijmans wil na jarenlang oppositievoeren dolgraag toetreden tot het centrum van de Brabantse macht. Hoe begrijpelijk ook, daarvoor moet je wel dingen binnen kunnen halen die het waard maken om verkiezingsbeloftes te verbreken. Wat is de winst van de SP van dit Bestuursakkoord? Het enige herkenbare SP-element is het goedkoper reizen van 65-plussers met de bus, waarschijnlijk enkele dubbeltjes minder per rit. Belangrijk, maar om daarvoor de rest van je idealen in de uitverkoop te doen?

Ook qua verdeling van bestuurders komt de SP bedrogen uit. De VVD en het CDA leveren met hun 12 en 10 zetels beide twee gedeputeerden, terwijl de 8 zetels van de SP goed zijn voor slechts één zetel. Lovenswaardig dat de SP meehelpt met het inkrimpen van het provinciale apparaat, maar politiek oliedom.

Het blijft voorlopig gissen naar de reden waarom een linkse en principiële partij als de SP instemt met het meest rechtse Bestuursakkoord dat Brabant ooit heeft gehad. De aandacht gaat vooral naar economie en asfalt. De integrale visie op Brabant ontbreekt. En waar is de aandacht voor minderbedeelden gebleven? De 132.723 Brabanders die op 2 maart SP stemden, hebben alle reden om zichzelf bedonderd te voelen.

Paul Smeulders

Fractievoorzitter GroenLinks in Provinciale Staten van Noord-Brabant

dinsdag, 22 februari 2011

Mirte Postma

Mirte Postma

Hyves Linkedin

Langlaufen

In reizen, zweden, auto, sneeuw, techniek, trots, tv, eerste, werk, en meer.

Eind februari maar het is nog steeds heel erg winter in Zweden. Op mijn werk verdwijnen steeds meer collega's naar Zuidoost-Azië en andere warmere oorden, maar ik houd dapper vol.

Afgelopen weekend heb ik zelfs mijn best gedaan extra te genieten van de Zweedse winter door me er midden in te storten. Ik was langlaufen bij Harsa, in Hälsingland, zo'n 300 km ten noorden van Stockholm.

Het was mijn eerste keer dus ik was bijzonder trots en tevreden dat ik de eerste dag 7,5 en de tweede dag 10 km heb afgelegd. Ik was van te voren nogal nerveus; het ziet er inspannend en moeilijk uit op TV. Maar het viel enorm mee. Qua inspanning houdt het het midden tussen hardlopen en wandelen. De sneeuw was los en niet te ijzig. Mijn techniek kan vast nog enorm verbeterd, maar ik kwam zonder grote moeilijkheden behoorlijk vooruit.

Bovenal was het een ontzettend leuke manier om het Zweedse winterlandschap te ervaren. Je hebt het niet koud en kan toch buiten zijn in de zon. Ik had zelfs een beetje kleur in mijn gezicht na afloop! En heel veel spierpijn...

zondag, 16 januari 2011

Mirte Postma

Mirte Postma

Hyves Linkedin

Mörkret

In dagelijks leven, reizen, zweden, landschap, park, auto, sneeuw, water, nee, en meer.
Zwedens hoogste waterval, Njupeskär.

Driekoningen besloten we met Nederlandse vrienden te vieren in de Zweedse bergen in Mörkret, Dalarna. Mörkret betekent letterlijk: de duisternis. Mijn collega dacht dat ik het figuurlijk bedoelde. Als in: ik ga een weekend in de donkere Zweedse bossen diep in Dalarna zitten. Maar nee, zo heet het echt. Het is een dorp met een weg, een brug, een kruising, zeker 10 huizen, een bescheiden park met vakantiehuisjes en het is tevens de toegangspoort tot nationaalpark Fulufjället. Twee jaar geleden waren we er ook al en het beviel.

Het is er intens stil en leeg en heel Zweeds met veel sneeuw en dennenbossen. Vier dagen superlatieven. We wandelden door de sneeuw naar de hoogste waterval van Zweden. We bewonderden Hillbert, de grootste eland in gevangenschap. Maar bovenal was het de rustigste week die ik in tijden had. Heerlijk.

Van de zomer wil ik er zeker eens terug. Om het water van de waterval eindelijk ook eens te zien vallen. Om het über-Zweedse landschap eens zonder sneeuw te bekijken. Om in Nusnäs mijn eigen Dalahäst te scoren.

woensdag, 13 oktober 2010

Ger Bosma

Ger Bosma

Extreem Overleven in Chili

In algemeen, geschiedenis, natuur, nieuws, reizen, boeken, december, familie, gevonden, en meer.

   Wrak_vlucht_571 Vanochtend vroeg is men bij de Chileense Copiapxc3xb3-mijn begonnen met de bevrijding van 33 kompels uit hun benarde situatie diep onder de grond. Weliswaar zaten de mijnwerkers zo'n 70 dagen opgesloten in extreem moeilijke omstandigheden, maar ze hadden de afgelopen weken volop contact met de buitenwereld, kregen voedsel en wisten bovendien dat de redding nabij was. Hoe anders was het op de kop af 38 jaar geleden, toen vlucht 571 van Fuerza Axc3xa9rea Uruguaya op 3600 meter hoogte tegen een bergtop vloog, hoog in de onherbergzame Chileens-Argentijnse Andes. In wat later bekend kwam te staan als de Andesvliegramp, vochten de overlevenden 72 dagen voor hun leven. Perspectief leek er nauwelijks: dankzij hun radio wisten de overlevenden dat de zoektocht naar hen al na ruim een week was opgegeven.

De Andesvliegramp is vooral bekend geworden door de extreme kou en fysieke ontberingen waaraan de overlevenden van vlucht 571 werden blootgesteld: ondervoeding, bevriezing van ledematen, hoogteziekte, sneeuwblindheid en scheurbuik. In hun drang om te overleven nam de groep, die voornamelijk bestond uit leden van een Uruguayaanse rugbyclub en hun familie, al vanaf de tweede week zijn toevlucht tot de wanhopige strategie van kannibalisme om in leven te blijven.

Parrado_Canessa_CatalanNa het vervaardigen van een onmisbare gexc3xafmproviseerde slaapzak uit isolatiemateriaal uit de romp van het vliegwrak, kon in de tweede week van december een poging ondernomen worden om uit de sneeuw- en ijswoestenij te ontsnappen. Een heroxc3xafsche en ongewisse 10 daagse trektocht over de hoogste toppen van de Andes bracht uiteindelijk het zeer verzwakte duo Nando Parrado en Roberto Canessa terug in de de bewoonde wereld. Daar wisten ze op 20 december contact te leggen met een drietal Chileense gaucho's te paard, onbereikbaar aan de andere kant van een woest kolkende rivier.

Via een aan een steen gebonden briefje stelden zij de volgende dag teruggekeerde gaucho's op de hoogte van hun lotgevallen. Parrado en Canessa waren gered, maar het duurde dan nog twee dagen voordat een reddingsmissie met helicopters op touw gezet kon worden om de resterende 16 overlevenden uit hun ijzige isolement te bevrijden. Toen op 26 december 1972 via de Chileense krant El Mercurio naar buiten kwam op welke gruwelijke wijze men de vliegramp had overleefd, werd pas echt duidelijk welke trauma's de zestien hadden doorstaan. De Andesvliegramp kreeg daarmee een prominente plek in de moderne folklore. Tal van boeken, documentaires en films zijn aan de vliegramp van 13 oktober 1972 gewijd.
 
1972 en 2010 vergeleken
De parallellen tussen de Copiapxc3xb3 mijnramp en de Andesvliegramp zijn frappant te noemen. Niet alleen de datum van 13 oktober verbindt beide gebeurtenissen, ook het aantal betrokkenen komt overeen. Van de 45 inzittenden van vlucht 571 kwamen namelijk 12 tijdens de crash om het leven. Waren ze direct gevonden door de reddingsteams, dan hadden mogelijkerwijs 33 van hen deze vliegramp overleefd, exact hetzelfde aantal als de mijnwerkers. Een aantal zwaargewonden stief echter al snel daarna en na acht dagen waren er nog 27 in leven. Ondervoeding en uitputting eisten een zware tol: op 23 december waren alleen de sterkste 16 nog overgebleven.

Ook de lokatie en de duur komen goeddeels overeen. De mijnwerkers zaten zo'n 70 dagen op 700 meter diepte gevangen onder een bijna ondoordringbare rotslaag in centraal-Chili, de overlevenden van vlucht 571 brachten een soortgelijke periode van 72 dagen in compleet isolement door, hoog in de Andes. Weliswaar niet in Chili zelf, maar op slechts luttele kilometers van de Chileense grens. Zowel de westwaartse trektocht van Parrado en Canessa als de reddingsoperatie speelden zich in Chili af.

Grote contrasten zijn er natuurlijk ook. Zevenhonderd meter onder de grond  hadden de mijnwerkers, standaard in beeld gebracht met ontblote bovenlijven te maken met de op die diepte fors oplopende temperaturen van meer dan dertig graden. Boven de sneeuwgrens, aan het eind van de Zuid-Amerikaanse winter, hadden de overlevenden van vlucht 571 te lijden onder arctische omstandigheden.

San_Josxc3xa9_de_Copiapxc3xb3_mijn_2010 Het grootste contrast is natuurlijk gelegen in het feit dat de Chileense mijnwerkers in 2010 wisten dat redding aanstaande was en voldoende voedsel en psychische begeleiding kregen. In 1972 was de situatie totaal anders. Bewust van het feit dat in deze sneeuwwoestenij het witte vliegtuigwrak nauwelijks was waar te nemen, en inmiddels zwaar ondervoed, namen de overlevenden de loodzware beslissing om zich te voeden met hun overleden medepassagiers.

Gezien de vele parallellen is het geen wonder dat de de overlevenden van de Andesvliegramp zich sterk betrokken voelden bij de ingesloten kompels. Tekenend voor deze lotsverbondenheid was dat vier van de overlevenden van 1972 op 4 september een bezoek brachten aan de Copiapxc3xb3-mijn om de mijnwerkers een hart onder de riem te steken tijdens deze uiterst moeilijke weken van wachten op redding.

zondag, 10 oktober 2010

Arno Bonte

Arno Bonte

Hyves Twitter GR

Maak ov-chipkaart eerlijker en makkelijker

In blogs, ambitie, eerlijke, euro, gratis, groenlinks, klagen, miljoen, minister, en meer.

Dit opinieartikel verscheen op zaterdag 9 oktober in de Volkskrant.

Eind 2011 reist heel Nederland met de ov-chipkaart. Dat is althans de ambitie van achtereenvolgende ministers van Verkeer en Waterstaat en van de ov-bedrijven. Of het reizen met het openbaar vervoer dan echt eerlijker en makkelijker is geworden, zoals bij de introductie van de ov-chipkaart werd beloofd, is nog maar de vraag.

De Rotterdamse GroenLinks-fractie houdt, sinds de kaart in 2007 in de regio Rotterdam werd ingevoerd, de vinger aan de pols met de website ov-chipklacht.nl. Maandelijks komen daar honderden klachten op binnen.

Veel reizigers klagen over de gestegen kosten met de ov-chipkaart. Een klacht die door de ov-bedrijven steevast wordt weersproken met het argument dat de kilometerprijs juist eerlijker is dan de ritprijs op basis van een willekeurige zone-indeling. Tegenover de ‘eerlijke’ kilometerprijs staan echter een aantal onredelijke prijsverhogingen die met de introductie van de ov-chipkaart geruisloos zijn doorgevoerd.

De eerste verborgen prijsverhoging zit in de aanschaf van de ov-chipkaart. Je betaalt 7,50 euro uitsluitend voor de kaart, zonder ook maar één kilometer te kunnen reizen. Na vijf jaar is de geldigheid verlopen en betaal je de aanschafkosten opnieuw.

De tweede verborgen prijsverhoging is het instaptarief. Dat is ten opzichte van de strippenkaart de helft duurder geworden. Het instaptarief van de strippenkaart is 50 cent (de kosten van de extra strip die je stempelt bovenop het aantal zones dat je reist), bij de ov-chipkaart betaal je bij het instappen een basisbedrag van 78 cent.

De derde verborgen prijsverhoging treft vooral toeristen en incidentele ov-reizigers. Dat is de prijsverhoging van de losse kaartjes. In Rotterdam kost een wegwerp ov-chipkaart voor maximaal één uur reizen met de bus of tram 2,50 euro. Voor een reis met de metro is de prijs van het goedkoopste kaartje zelfs 3,50 euro voor een enkeltje.

Het reizen met de ov-chipkaart is dus niet eerlijker geworden. Maar is het gebruiksgemak wel toegenomen? Als er iemand is voor wie het gebruiksgemak is toegenomen, dan zijn dat vooral voor de ov-bedrijven zelf. Veel reizigers lopen nog tegen problemen aan. In de eerste plaats de bijzondere doelgroepen zoals schoolklassen en blinden en slechtzienden, die bij het ontwerp van het systeem lijken te zijn vergeten.

Ergernis nummer één bij reizigers is het kwijtraken van de borg van 4 euro (20 euro bij de NS) bij verkeerd uitchecken. Normaalgesproken wordt de borg die bij het inchecken van je kaart is afgeschreven aan het eind van de reis met de ritprijs verrekend en wordt er een bedrag bijgeschreven op je saldo. Als je vergeet uit te checken of als de apparatuur niet functioneert, dan ben je het volledige borgbedrag kwijt.

Volgens de ov-bedrijven gebeurt dat slechts in een half procent van de gevallen. Dat klinkt weinig, maar dat zijn zevenduizend gedupeerden per dag. Gezamenlijk kost het uitchecklek de ov-reizigers een half miljoen per maand. Gedupeerde reizigers kunnen hun geld terugvragen, maar moeten een uitcheck dan wel zelf ontdekken en eerst een formulier invullen. Dat maakt het er niet echt makkelijker op.

 Hoe kan de ov-chipkaart wel eerlijker en makkelijker worden? Allereerst door de verborgen prijsverhogingen terug te draaien: verstrek gratis een nieuwe ov-chipkaart als de oude is verlopen, verlaag het instaptarief (of schaf het af, als je echt een eerlijke kilometer prijs wilt) en maak losse kaartjes minstens een euro goedkoper.

Daarnaast is het zaak om het uitchecklek te dichten: geef reizigers de mogelijkheid om ook bij de halte uit te kunnen checken door bij elke halte een uitcheckpaal te plaatsen, verlaag het borgbedrag in de bus en de tram van 4 naar 2 euro, zodat de schade bij verkeerd uitchecken minder groot is, en pas bij een verkeerde uitcheck een automatische retourcorrectie toe, uitgaande van de wetenschap dat bij 90 procent van de reizen de eindhalte van de heenreis de beginhalte van de terugreis is en de eindhalte van de terugreis de beginhalte van de heenreis.

Om het vertrouwen in de ov-chipkaart terug te winnen, zijn op korte termijn forse verbeteringen noodzakelijk. De nieuwe minister van Verkeer en Waterstaat zou reizigers een grote dienst bewijzen door de belofte om met de ov-chipkaart het openbaar vervoer eerlijker en makkelijker te maken, echt in te lossen.


vrijdag, 20 augustus 2010

Reinout van Schouwen

Reinout van Schouwen

Linkedin Twitter

NS: verkapte prijsverhogingen in 2011

In nederlands, eerste, huis, inkomen, leiden, nieuws, ns, oplossing, ov, en meer.

Ik had het nieuws even gemist maar de NS heeft de nieuwe tarieven voor 2011 bekendgemaakt.

Meisje bij kaartautomaat

Foto: marketingfacts (cc-by-nc)


Leest u even mee:

Kaartsoorten uit het assortiment
De volgende kaartsoorten verdwijnen uit het assortiment omdat hetzij de belangstelling minimaal is, hetzij hun toegevoegde waarde ten opzichte van andere mogelijkheden verdwenen is:

  • 5-retourkaart. Alle NS-kaartautomaten bieden inmiddels de mogelijkheid meer exemplaren van ieder kaartje in één keer aan te schaffen.
  • Weekendretour. Wie op verschillende dagen heen en terug wil reizen, is net zo voordelig uit met 2 enkele reizen.
  • Rondreis en omwegbewijs. Worden bijna niet meer verkocht.

Die 5-retourkaart, daar kan ik inkomen. De afschaffing van het weekendretour is eigenaardiger. De argumentatie dat het weekendretour geen toegevoegde waarde meer heeft omdat het even duur is als twee enkele reizen, gaat namelijk ook op voor het dagretour, dat niet wordt afgeschaft (maar wel duurder gemaakt)! Iets zegt me dat het de NS er eigenlijk om te doen is dat de malafide reiziger een ongeknipt kaartje niet twee keer in een weekend kan gebruiken. De enige juiste oplossing daarvoor is natuurlijk gewoon vaker een conducteur laten langskomen. Ondertussen zal iemand die nog niet weet of ‘ie de laatste nachttrein of de eerste ochtendtrein terug gaat nemen zich natuurlijk wel twee keer bedenken voordat ‘ie een retour koopt. Hoe dan ook moet de feestganger die naar huis wil er in aangeschoten toestand nog wel even aan denken een enkeltje terug te kopen of voldoende saldo op zijn ov-chipkaart te hebben om te kunnen inchecken.

Het afschaffen van de rondreis en het omwegbewijs is al helemaal een verkapte prijsverhoging. Het omwegbewijs komt van pas als je trajectkaarthouder bent (vaste klant dus van de NS): Als je normaal met een trajectkaart tussen Rotterdam en Leiden reist, zoals ik, maar een enkele keer van Leiden voor een afspraak in Utrecht moet zijn en vanaf daar weer naar Rotterdam wilt, dan scheelt een omwegbewijs je het opstaptarief plus een aanzienlijk kilometertarief ten opzichte van een enkeltje Leiden-Rotterdam via Utrecht. Dat omwegbewijzen weinig verkocht worden ligt nogal voor de hand als je bedenkt dat de kaartjesautomaat ze niet kent en de loketmedewerkers je verschrikt aankijken als je erom vraagt.
De rondreis kent de kaartautomaat (nog) wel, daarvoor moet je een retourtje met een via-station aan de automaat vragen (dat moet je ook maar weten). Wie dus een keer meerdere familiebezoekjes op een dag wil afleggen mag minimaal een dubbel opstaptarief gaan betalen.
Het argument dat deze kaartsoorten bijna niet worden verkocht snijdt geen hout: ieder verkocht kaartje is er één en het kost de NS toch niets extra’s om de kaartautomaat deze kaartjes te laten uitgeven?

Kortom, de service gaat achteruit en vaste klanten worden in de kou gezet. Zoals ze op Twitter zeggen: #NS #FAIL.

P.S. Zeg ROVER, wat vinden jullie hier eigenlijk van?

» Plaats op eKudos

maandag, 24 mei 2010

Anette Koch

Anette Koch

Twitter

Pleidooi voor behoud van de studiebeurs en ervaringsverslag uit een buurland met (a-)sociaal leenstelsel

In aanvragen, algemeen, arbeidsmarkt, beloftes, betalen, bezig, crisis, diensten, duitsland, en meer.

Misschien had het ook elders kunnen gebeuren, maar het gebeurde in Duitsland, in de jaren tachtig van de laatste eeuw. De BAFOEG beurs van de studenten die samen met mij waren begonnen werd na ongeveer twee jaar vervangen door een leenstelsel. Gelukkig waren ze daarmee niet, het zadelde ze op met een torenhoge studieschuld die ze decennia lang zouden moeten terugbetalen.
Meestal probeerden ze nog een prestatiebeurs te bemachtigen, maar de kans daarop was juist in
deze situatie in die de stichtingen met aanvragen overspoeld werden miniem.

Inderdaad, ook de studente die centraal staat in dit verslag redde zich nog net, zij het met onnodige stress en wat onverkwikkelijke herinneringen. Immers was ze niet stom en hield ze, vordat ze 25 werd, haar diploma met "zeer goed" in alle examensvakken in handen. Ze was er blij mee, hard gewerkt had ze ook, nu nog succesvol promotieonderzoek doen en hopelijk daarna door kunnen gaan in het onderzoek, ze had de smaak te pakken, ze wilde meer, `n promotieproject dat haar echt boeide. Doch het vinden daarvan bleek ondanks haar zeer goede cijfers moeilijker dan ze verwacht had.

Internet was nog niet algemeen beschikbaar en hoogleraren hadden nog veelal vooroordelen t.o.v. vrouwen, belangrijke projecten gaven ze liever aan haar mannelijke collega's. Jong en ambitieus als ze was, gaf ze uiteraard niet op. Ze reisde voor sollicitatiegesprekken naar een aantal universiteiten toe, maar na twee maanden had ze nog steeds geen projekt gevonden dat haar echt overtuigde.
Inmiddels ontving ze natuurlijk geen studiefinanciering meer, maar ze had `n beetje van haar schaarse inkomsten teruggehouden en gespaard, om minst een korte periode aan de keuze van haar verdere loopbaan te kunnen besteden.
Na twee maanden zag ze dat haar spaartegoed door al die reizen en haar overige sollicitatieactiviteiten bijna op was. Langzamerhand werd ze zenuwachig, ook haar ouders begonnen aan te dringen op een beslissing, ze hadden immers al haar vakantiereis na haar diploma betaald.

Géén van de promotieprojecten die haar waren aangeboden overtuigde haar helemaal, dat was
uiteraard ook de reden geweest voor haar aarzelen, maar gezien haar krimpende middelen moest ze nu toch eens een besluit nemen. Ze dacht ook een redelijk mooi project te hebben gevonden, bovendien nog in een grote stad waar ze altijd had willen wonen. Ze probeerde het allemaal positief te zien: Haar promotor had veel belangstelling voor haar getoond en haar zelfs thuis gebeld. Dat hij zich in haar sollicitatiegesprek haar cijfers niet had kunnen herinneren en daarvoor ook niet nog eens interesse had getoond lag waarschijnlijk gewoon aan zijn vele verplichtingen. Bovendien: zijn collega's hadden hem allemaal aanbevolen, hij was duidelijk de meest gerenommeerde van haar mogelijke promotors.
Slechts een van zijn promovendi was iets minder positief geweest ("men kan het met hem vinden",
of zoiets, had `ie gezegd), maar misschien was die man gewoon nooit echt enthousiast in zijn woordkeuze(?) Ze had slechts een half uurtje lang met hem gesproken, kende hem nauwelijks.
Op haar vraag of zijn promotor misschien soms moeilijk deed was die collega niet ingegaan, maar had precies zijn zin herhaald, dus meer zou `ie erover niet loslaten.

In de eerste maand genoot ze daadwerkelijk van haar nieuwe projekt, de nieuwe werkomgeving, haar eerste salaris als promovenda en haar nieuwe een-kamer appartement. Maar al gauw verrezen problemen. Haar metingen toonden aan dat het experiment nog lang niet werkte en dat het bijna volledig opnieuw en anders moest opgebouwd worden. Aan de eigenlijke metingen die ze had zullen verrichten, dus aan het doel van haar promotieproject, zou ze pas veel later kunnen beginnen. De plannen van haar promotor en de co-projectleider bleken allemaal gebaseerd op smoezen en lege beloftes. Het was ineens een heel ander projekt geworden, veel technischer dan ze had verwacht. Het zou daardoor ook langer duren, terwijl ze eigenlijk gehoopt had binnen ongeveer twee jaar klaar te zijn, als ze hard werkte. Ondanks haar anvankelijke teleurstelling na deze ontdekking bleef ze vastberaden met haar project doorgaan en zag ze nog steeds goede kansen om het succesvol af te ronden. Door haar technische ervaring zou ze zelfs later betere kansen op de arbeidsmarkt hebben en zelfstandiger kunnen werken.

Maar na minder dan een vier maanden deed zich een dreiging van geheel andere orde voor: haar promotor begon haar lastig te vallen. Het begon redelijk onschuldig, maar gauw werd die man brutaler. Bijna dagelijks gebeurden er incidenten. Ze raakte daardoor langzamerhand haar concentratievermogen kwijt, ze kon niet meer slapen, niet meer eten, steeds weer hield de vraag haar bezig hoe ze dit moest stoppen, hoe ze zich aan hem kon onttrekken zonder al haar kansen in haar beroep te vernielen, ze was letterlijk in een soort nachtmerrie beland. Desondanks werkte ze door, alleen kostte haar alles meer tijd dan in het begin. Na twee ernstigere incidenten van aanranding zag ze geen andere mogelijkheid dan hem een aangetekende brief te schrijven waarin ze erop stond dat hij zijn gedrag onmiddelijk zou veranderen.
Inderdaad raakte hij haar daarna niet meer aan en bood hij aan de telefoon zijn excuses aan. Maar
hij kwam ook later weer vaak erg dicht naast haar staan en maakte rare grappen en seksuëel getinte opmerkingen waardoor ze zich in zijn omgeving altijd onprettig en angstig bleef voelen.

Lang durfde ze er met niemand over te praten. Haar vrees bleek niet helemaal ongegrond, want, nadat ze, na die twee zwaardere incidenten, de co-projectleider had ingelicht om niet meer alleen in het lab te hoeven werken en daardoor herhaling te voorkomen, verklapte deze het later allemaal aan haar promotor (zijn superieur) Met behulp van deze getuige en een advocaat lukte het haar promotor om een voorlopige voorziening van het bevoegde gerechtshof tegen haar te bereiken en haar op deze manier het zwijgen op te leggen.

Meer dan twee jaar na het begin van haar promotieonderzoek zag ze daarna geen kans meer haar
promotieproject bij deze promotor nog met succes af te ronden, hoewel het inmiddels ver gevorderd was. Een later in dienst genomen tweede promovendus aan dit project rondde zijn proefschrift voor een deel met haar resultaten af. Aan hetzelfde instituut door te gaan was geen optie geweest, want iedereen danste hier naar de pijpen van haar promotor.

Er zat niets anders op dan opnieuw te beginnen. Op een ander vakgebied herhaalde zij binnen drieënhalf jaar haar promotieonderzoek. De voorlopige voorziening tegen haar bleef ondanks haar beroepsprocedure van kracht. 

In het laatste jaar van haar promotieonderzoek werd onze promovendaondanks haar lage salaris en haar niet afgesloten promotieproject doorhet "Bundesverwaltungsamt" gesommeerd, de eerste termijnen van haarstudielening terug te betalen. Met haar inkomen en haar situatie werdop geen enkele manier rekening gehouden.

Een uitzonderlijke situatie? Helaas niet echt, want ook zo'n 15% van de vrouwen in Nederland krijgen in hun leven te maken met seksueel geweld op het werk of op school (volgens http://www.seksueelgeweld.info/feiten_en_cijfers/omvang_seksueel_geweld). Bovendien kunnen ook een aantal andere al dan niet uitzonderlijke, persoonlijke en niet volledig bewijsbare omstandigheden
tot vertraging van iemands studie leiden.

De kansen voor studenten van minder bedeelde huize blijven door een leenstelsel zoals de VVD het voorstelt ver achter. Een leenstelsel bovendien dat onafhankelijk van het ouderlijk inkomen is – hebben studenten van welvarende huize die door hun ouders toch al gesteund worden in hun opleiding nou echt nog een lening nodig? Past het bij deze tijd van economische crisis om op korte termijn meer geld aan studiefinanciering te besteden dan om sociale redenen noodzakelijk is? In de eerste plaats zijn de ouders verantwoordelijk voor de opleiding van hun kinderen. Slechts als zij deze niet kunnen of, in uitzonderlijke gevallen, niet willen steunen, dient de overheid bij te springen. Ouders met voldoende inkomen die desondanks niet willen meebetalen aan de opleiding van hun kinderen dienen door de overheid ter verantwoording worden geroepen en desnoods door de rechter tot betaling worden verplicht.

Een leenstelsel is niet rechtvaardig, het benadeelt studenten uit gezinnen met lagere inkomens onevenredig, vooral in het geval dat hun studie buiten hun schuld een duidelijke vertraging oploopt of niet afgesloten kan worden. Juist in situaties in die iemand tijdens zijn opleiding kwetsbaar is kan een leenstelsel ertoe leiden dat hij of zij daadwerkelijk financiëel in de knel komt te zitten en de draad niet
meer kan oppakken. Een leenstelsel verhoogt de risico's van een hogere opleiding en versterkt de
afhankelijkheid van de student van zijn (hoog-)leraren. Deze ontwikkeling druist in tegen emancipatie van het individu ongeacht afkomst en andere willekeurige kenmerken, tegen verheffing en tegen het ideaal van kansengelijkheid – allemaal belangrijke linkse idealen.

Solidariteit behoort ook bij deze. Wie zegt dat het onrechtvaardig is dat de loodgieter meebetaalt aan de opleiding van de advocaat, heeft het mis. Doordat het beurzenstelsel door belastinggeld gefinancierd en het belastingstelsel inkomensafhankelijk is, draagt iemand met een lager inkomen al minder bij aan de studiebeurzen dan iemand met een hoger inkomen – precies zoals het hoort.

Bovendien kan de loodgieter net zo goed eens een advocaat nodig hebben als de advocaat een loodgieter en moet de zoon of dochter van de loodgieter later advocaat kunnen worden, mits zij of hij daarvoor aanleg en belangstelling heeft. (Overigens moet uiteraard ook de zoon of dochter van de advocaat loodgieter kunnen worden, als daar hun aanleg en belangstelling ligt – het is een eerbaar beroep.)
In een maatschappij zijn we afhankelijk van elkaar, de arts of leraar heeft de bakker of groenteboer nodig, net als andersom. Iedereen vervuld taken, biedt diensten of producten aan of verzamelt kennis
van die mensen met andere beroepen en taken gebruik maken. Dit wederzijdse geven en nemen noemen we meestal economie. Maar laten we ons die wederzijdse afhankelijkheid die daarbij behoort eens weer goed realiseren, want dit besef draagt bij aan samenhorigheid en interne solidariteit van onze maatschappij – en daarvan kunnen we best nog wat meer ontwikkelen, in plaats van het kille neoliberale egoisme dat slechts meer sociale en economische problemen oplevert.

Waarom doen de linkse partijen op uitzonderingen na dan toch mee aan de afschaffing van de studiebeurs? Inbreuk op de studiebeurs is immers een inbreuk op hun eigen idealen, zoals boven aangetoond. Ik verwacht dat het de geloofwaardigheid van de linkse partijen en hun resultaat op 9 juni ten goede zal komen, als zij naar de protesten luisteren en de studiebeurs overeind houden.

@copyright Anette Koch, 2010

Anette Koch

Anette Koch

Twitter

Pleidooi voor behoud van de studiebeurs en ervaringsverslag uit een buurland met (a-)sociaal leenstelsel

In aanvragen, algemeen, arbeidsmarkt, beloftes, cijfers, crisis, duitsland, economie, eerste, en meer.

Misschien had het ook elders kunnen gebeuren, maar het gebeurde in Duitsland, in de jaren tachtig van de laatste eeuw. De BAFOEG beurs van de studenten die samen met mij waren begonnen werd na ongeveer twee jaar vervangen door een leenstelsel. Gelukkig waren ze daarmee niet, het zadelde ze op met een torenhoge studieschuld die ze decennia lang zouden moeten terugbetalen.
Meestal probeerden ze nog een prestatiebeurs te bemachtigen, maar de kans daarop was juist in
deze situatie in die de stichtingen met aanvragen overspoeld werden miniem.

Inderdaad, ook de studente die centraal staat in dit verslag redde zich nog net, zij het met onnodige stress en wat onverkwikkelijke herinneringen. Immers was ze niet stom en hield ze, vordat ze 25 werd, haar diploma met "zeer goed" in alle examensvakken in handen. Ze was er blij mee, hard gewerkt had ze ook, nu nog succesvol promotieonderzoek doen en hopelijk daarna door kunnen gaan in het onderzoek, ze had de smaak te pakken, ze wilde meer, `n promotieproject dat haar echt boeide. Doch het vinden daarvan bleek ondanks haar zeer goede cijfers moeilijker dan ze verwacht had.

Internet was nog niet algemeen beschikbaar en hoogleraren hadden nog veelal vooroordelen t.o.v. vrouwen, belangrijke projecten gaven ze liever aan haar mannelijke collega's. Jong en ambitieus als ze was, gaf ze uiteraard niet op. Ze reisde voor sollicitatiegesprekken naar een aantal universiteiten toe, maar na twee maanden had ze nog steeds geen projekt gevonden dat haar echt overtuigde.
Inmiddels ontving ze natuurlijk geen studiefinanciering meer, maar ze had `n beetje van haar schaarse inkomsten teruggehouden en gespaard, om minst een korte periode aan de keuze van haar verdere loopbaan te kunnen besteden.
Na twee maanden zag ze dat haar spaartegoed door al die reizen en haar overige sollicitatieactiviteiten bijna op was. Langzamerhand werd ze zenuwachig, ook haar ouders begonnen aan te dringen op een beslissing, ze hadden immers al haar vakantiereis na haar diploma betaald.

Gxc3xa9xc3xa9n van de promotieprojecten die haar waren aangeboden overtuigde haar helemaal, dat was
uiteraard ook de reden geweest voor haar aarzelen, maar gezien haar krimpende middelen moest ze nu toch eens een besluit nemen. Ze dacht ook een redelijk mooi project te hebben gevonden, bovendien nog in een grote stad waar ze altijd had willen wonen. Ze probeerde het allemaal positief te zien: Haar promotor had veel belangstelling voor haar getoond en haar zelfs thuis gebeld. Dat hij zich in haar sollicitatiegesprek haar cijfers niet had kunnen herinneren en daarvoor ook niet nog eens interesse had getoond lag waarschijnlijk gewoon aan zijn vele verplichtingen. Bovendien: zijn collega's hadden hem allemaal aanbevolen, hij was duidelijk de meest gerenommeerde van haar mogelijke promotors.
Slechts een van zijn promovendi was iets minder positief geweest ("men kan het met hem vinden",
of zoiets, had `ie gezegd), maar misschien was die man gewoon nooit echt enthousiast in zijn woordkeuze(?) Ze had slechts een half uurtje lang met hem gesproken, kende hem nauwelijks.
Op haar vraag of zijn promotor misschien soms moeilijk deed was die collega niet ingegaan, maar had precies zijn zin herhaald, dus meer zou `ie erover niet loslaten.

In de eerste maand genoot ze daadwerkelijk van haar nieuwe projekt, de nieuwe werkomgeving, haar eerste salaris als promovenda en haar nieuwe een-kamer appartement. Maar al gauw verrezen problemen. Haar metingen toonden aan dat het experiment nog lang niet werkte en dat het bijna volledig opnieuw en anders moest opgebouwd worden. Aan de eigenlijke metingen die ze had zullen verrichten, dus aan het doel van haar promotieproject, zou ze pas veel later kunnen beginnen. De plannen van haar promotor en de co-projectleider bleken allemaal gebaseerd op smoezen en lege beloftes. Het was ineens een heel ander projekt geworden, veel technischer dan ze had verwacht. Het zou daardoor ook langer duren, terwijl ze eigenlijk gehoopt had binnen ongeveer twee jaar klaar te zijn, als ze hard werkte. Ondanks haar anvankelijke teleurstelling na deze ontdekking bleef ze vastberaden met haar project doorgaan en zag ze nog steeds goede kansen om het succesvol af te ronden. Door haar technische ervaring zou ze zelfs later betere kansen op de arbeidsmarkt hebben en zelfstandiger kunnen werken.

Maar na minder dan een vier maanden deed zich een dreiging van geheel andere orde voor: haar promotor begon haar lastig te vallen. Het begon redelijk onschuldig, maar gauw werd die man brutaler. Bijna dagelijks gebeurden er incidenten. Ze raakte daardoor langzamerhand haar concentratievermogen kwijt, ze kon niet meer slapen, niet meer eten, steeds weer hield de vraag haar bezig hoe ze dit moest stoppen, hoe ze zich aan hem kon onttrekken zonder al haar kansen in haar beroep te vernielen, ze was letterlijk in een soort nachtmerrie beland. Desondanks werkte ze door, alleen kostte haar alles meer tijd dan in het begin. Na twee ernstigere incidenten van aanranding zag ze geen andere mogelijkheid dan hem een aangetekende brief te schrijven waarin ze erop stond dat hij zijn gedrag onmiddelijk zou veranderen.
Inderdaad raakte hij haar daarna niet meer aan en bood hij aan de telefoon zijn excuses aan. Maar
hij kwam ook later weer vaak erg dicht naast haar staan en maakte rare grappen en seksuxc3xabel getinte opmerkingen waardoor ze zich in zijn omgeving altijd onprettig en angstig bleef voelen.

Lang durfde ze er met niemand over te praten. Haar vrees bleek niet helemaal ongegrond, want, nadat ze, na die twee zwaardere incidenten, de co-projectleider had ingelicht om niet meer alleen in het lab te hoeven werken en daardoor herhaling te voorkomen, verklapte deze het later allemaal aan haar promotor (zijn superieur) Met behulp van deze getuige en een advocaat lukte het haar promotor om een voorlopige voorziening van het bevoegde gerechtshof tegen haar te bereiken en haar op deze manier het zwijgen op te leggen.

Meer dan twee jaar na het begin van haar promotieonderzoek zag ze daarna geen kans meer haar
promotieproject bij deze promotor nog met succes af te ronden, hoewel het inmiddels ver gevorderd was. Een later in dienst genomen tweede promovendus aan dit project rondde zijn proefschrift voor een deel met haar resultaten af. Aan hetzelfde instituut door te gaan was geen optie geweest, want iedereen danste hier naar de pijpen van haar promotor.

Er zat niets anders op dan opnieuw te beginnen. Op een ander vakgebied herhaalde zij binnen driexc3xabnhalf jaar haar promotieonderzoek. De voorlopige voorziening tegen haar bleef ondanks haar beroepsprocedure van kracht. 

In het laatste jaar van haar promotieonderzoek werd onze promovendaondanks haar lage salaris en haar niet afgesloten promotieproject doorhet "Bundesverwaltungsamt" gesommeerd, de eerste termijnen van haarstudielening terug te betalen. Met haar inkomen en haar situatie werdop geen enkele manier rekening gehouden.

Een uitzonderlijke situatie? Helaas niet echt, want ook zo'n 15% van de vrouwen in Nederland krijgen in hun leven te maken met seksueel geweld op het werk of op school (volgens http://www.seksueelgeweld.info/feiten_en_cijfers/omvang_seksueel_geweld). Bovendien kunnen ook een aantal andere al dan niet uitzonderlijke, persoonlijke en niet volledig bewijsbare omstandigheden
tot vertraging van iemands studie leiden.

De kansen voor studenten van minder bedeelde huize blijven door een leenstelsel zoals de VVD het voorstelt ver achter. Een leenstelsel bovendien dat onafhankelijk van het ouderlijk inkomen is – hebben studenten van welvarende huize die door hun ouders toch al gesteund worden in hun opleiding nou echt nog een lening nodig? Past het bij deze tijd van economische crisis om op korte termijn meer geld aan studiefinanciering te besteden dan om sociale redenen noodzakelijk is? In de eerste plaats zijn de ouders verantwoordelijk voor de opleiding van hun kinderen. Slechts als zij deze niet kunnen of, in uitzonderlijke gevallen, niet willen steunen, dient de overheid bij te springen. Ouders met voldoende inkomen die desondanks niet willen meebetalen aan de opleiding van hun kinderen dienen door de overheid ter verantwoording worden geroepen en desnoods door de rechter tot betaling worden verplicht.

Een leenstelsel is niet rechtvaardig, het benadeelt studenten uit gezinnen met lagere inkomens onevenredig, vooral in het geval dat hun studie buiten hun schuld een duidelijke vertraging oploopt of niet afgesloten kan worden. Juist in situaties in die iemand tijdens zijn opleiding kwetsbaar is kan een leenstelsel ertoe leiden dat hij of zij daadwerkelijk financixc3xabel in de knel komt te zitten en de draad niet
meer kan oppakken. Een leenstelsel verhoogt de risico's van een hogere opleiding en versterkt de
afhankelijkheid van de student van zijn (hoog-)leraren. Deze ontwikkeling druist in tegen emancipatie van het individu ongeacht afkomst en andere willekeurige kenmerken, tegen verheffing en tegen het ideaal van kansengelijkheid – allemaal belangrijke linkse idealen.

Solidariteit behoort ook bij deze. Wie zegt dat het onrechtvaardig is dat de loodgieter meebetaalt aan de opleiding van de advocaat, heeft het mis. Doordat het beurzenstelsel door belastinggeld gefinancierd en het belastingstelsel inkomensafhankelijk is, draagt iemand met een lager inkomen al minder bij aan de studiebeurzen dan iemand met een hoger inkomen – precies zoals het hoort.

Bovendien kan de loodgieter net zo goed eens een advocaat nodig hebben als de advocaat een loodgieter en moet de zoon of dochter van de loodgieter later advocaat kunnen worden, mits zij of hij daarvoor aanleg en belangstelling heeft. (Overigens moet uiteraard ook de zoon of dochter van de advocaat loodgieter kunnen worden, als daar hun aanleg en belangstelling ligt – het is een eerbaar beroep.)
In een maatschappij zijn we afhankelijk van elkaar, de arts of leraar heeft de bakker of groenteboer nodig, net als andersom. Iedereen vervuld taken, biedt diensten of producten aan of verzamelt kennis
van die mensen met andere beroepen en taken gebruik maken. Dit wederzijdse geven en nemen noemen we meestal economie. Maar laten we ons die wederzijdse afhankelijkheid die daarbij behoort eens weer goed realiseren, want dit besef draagt bij aan samenhorigheid en interne solidariteit van onze maatschappij – en daarvan kunnen we best nog wat meer ontwikkelen, in plaats van het kille neoliberale egoisme dat slechts meer sociale en economische problemen oplevert.

Waarom doen de linkse partijen op uitzonderingen na dan toch mee aan de afschaffing van de studiebeurs? Inbreuk op de studiebeurs is immers een inbreuk op hun eigen idealen, zoals boven aangetoond. Ik verwacht dat het de geloofwaardigheid van de linkse partijen en hun resultaat op 9 juni ten goede zal komen, als zij naar de protesten luisteren en de studiebeurs overeind houden.

@copyright Anette Koch, 2010

woensdag, 23 september 2009

Jenneke van Pijpen

Jenneke van Pijpen

Hyves Linkedin Twitter

Waarom zweven we niet?

In amsterdam, auto, banen, begroting, bomen, huis, mensen, nederland, openbaar vervoer, en meer.
Ik rijd veel auto. Ben er niet trots op, integendeel. Emotionele lading aan auto’s of autorijden heb ik nooit begrepen. Ik rijd auto omdat, toen ik mijn vak begon, het niet alleen vanzelfsprekend maar zelfs verplicht was, om een rijbewijs met bijbehorende bondsbolide te hebben.
En zo gaat dat dan… nu heb ik een auto en rijd het land door. Van file naar file, en soms ook lekker hard.
En als ik dan over die wegen rijd; de A10, A4, A2 en de A12 zijn mijn meest bereden routes, zie ik hoe Nederland verandert. En niet ten goede.
Het aantal bomen wat ik gekapt heb zien worden loopt écht in de duizenden. De hoeveelheden beton en asfalt wat ik zie verschijnen is nog een veelvoud daarvan. De A2 bijvoorbeeld; als ik tussen Utrecht en Amsterdam rijd; een zee van asfalt; 10 banen naast elkaar!
Wat een investering! Maar waarvoor eigenlijk? En had die investering niet beter anders ingezet kunnen worden.
We reizen steeds meer. Ik ben geen uitzondering. Ik woon niet waar ik werk, en ik moet er ook niet aan denken. Het aantal forenzen is bijzonder hoog. Want niet alleen de snelwegen zitten vol, maar de treinen ook.
Ik ken de precieze begroting van Verkeer en Waterstaat niet, maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de investeringsruimte meer naar asfalt gaat en grote projecten als de HSL dan naar het écht verbeteren van het openbaar vervoer voor ‘gewone’forenzen.
Investering in het openbaar vervoer zie ik wel degelijk; ik heb de HSL zien aanleggen langs de A4. mooi hoor, die HSL.. heb ik niets op tegen. Maar waarom is het belangrijker om sneller in Parijs te zijn dan goed openbaar vervoer in de Randstad waar forenzen iets aan hebben?
En het kan écht anders. Want de huidige treinen zijn heus niet slecht, maar het spoor kan ook niet veel meer aan en sneller wordt het ook niet.
De zweeftrein is een prachtig vervoermiddel. Want het combineert twee zaken die op het gewone spoor niet te doen zijn; nl. snelheid én regelmatige stops. Ik heb het zelf mogen mee maken in Shanghai; de trein rijdt binnen een aantal minuten alweer meer dan 300 km per uur.
Waarom kan zo’n zweeftrein nou niet een mooi rondje Randstad in een half uur maken met veel stops tussendoor; ook in de suburbs waar juist veel mensen wonen maar niet werken. Met zo min mogelijk overstaps van huis naar je werk en vice versa.
Volgens mij kan het, waarom hoor ik daar nooit iemand over, maar wordt er alleen maar asfalt neergelegd?

Aantal berichten op deze pagina: 25. De berichten op deze pagina zijn niet ouder dan 20449 uur (852,1 dagen). Berichtgemiddelde: 0 bericht per dag, 0,2 per week.

Pagina: 1