woensdag, 25 januari 2012

Theo Brand

Theo Brand

Compassie verdraagt geen kille en kleine overheid

Compassie is een waardevol uitgangspunt in de politiek, niet alleen binnen het CDA. Maar vul dat begrip dan wel groen en sociaal in, met een heldere rol voor de overheid. Vrede, gerechtigheid en ‘heelheid van de schepping’ kunnen daarbij helpen als leidende waarden. Maar dat is niet voor elke (christelijke)  politicus altijd even vanzelfsprekend, helaas.

Vrede, sociale gerechtigheid en duurzaamheid kun je ook samenvatten met het begrip ‘compassie’: betrokkenheid bij alles wat leeft, met name bij wie of wat extra aandacht behoeft. De Linker Wang – de beweging voor religie en politiek verbonden met GroenLinks – heeft deze gedachte in het voorjaar van 2011 uitgewerkt daarbij geïnspireerd door theoloog Manuela Kalsky. In de zomer werd ‘politiek met compassie’ het motto van De Linker Wang om verder uit te dragen binnen GroenLinks. Kort daarna werd het begrip door theoloog Jacobine Geel gelanceerd binnen het CDA wat binnen die partij tot instemming maar ook tot discussies leidde.

Je kunt er kinderachtig over doen, maar per saldo zijn het toch positieve ontwikkelingen. Compassie kan door niemand worden geclaimd en overstijgt politieke verschillen. Het begrip betekent ‘mededogen’ en er zit ook ‘passie’ (hartstocht) in. Het kan ook verbindingen tot stand brengen tussen politieke partijen. Misschien kan ‘compassie’ als leidraad gelden voor een toenadering tussen CDA en bijvoorbeeld GroenLinks, PvdA en ChristenUnie? Maar van ‘compassie’ als gedeelde inspiratiebron moeten we in alle nuchterheid ook geen wonderen verwachten.     

Theoloog en ethicus Frits de Lange waarschuwde het CDA afgelopen zaterdag in dagblad Trouw om het begrip compassie niet rechts-conservatief in te vullen, zoals door Republikeinen gebeurt in de Verenigde Staten. Het CDA hamert vaak op de rol van de civil society – de optelsom van alle maatschappelijke verbanden die los staan van markt en staat. Dat is een goede keuze, maar de partij gebruikt dat soms ook als excuus om te pleiten voor een kleinere publieke sector met minder sociale voorzieningen. Een kille en kleine overheid dus.

Dat brengt het CDA in conservatief vaarwater dat kritiekloos staat tegenover economisch liberalisme. Compassie wordt dan liefdadigheid in plaats van publieke gerechtigheid. Begrijp me niet verkeerd: liefdadigheid en barmhartigheid zijn nodig om de gaten te dichten die de overheid laat vallen. Dat is goed want de overheid kan niet alles. Maar dat ontslaat de politiek niet van de taak om solidariteit en gelijke kansen te blijven organiseren. Daarvoor is compassie nodig in de sfeer van de burgermaatschappij maar ook vanuit politiek en overheid. Politiek met compassie dus. Dat zou zelfs het motto kunnen worden van een centrumlinks kabinet dat de rollen van de markt, de civiele samenleving én de staat in hun onderlinge samenhang weer op waarde schat.


dinsdag, 24 januari 2012

ZinenRede

ZinenRede (Frans Schütt)

Linkedin Twitter

Het menu: Toch Job

In het menu, niet op voorpagina, emile roemer, job cohen, pauw en witteman, populisme, pvda, sp, cohen, en meer.
De SP zit in de lift en is virtueel de grootste partij van Nederland. Men vraagt Emile Roemer naar de oorzaak van dit succes. Ik verwacht het bekende riedeltje te horen van opkomen voor de onderdrukten, eerlijk delen en solidariteit, maar tot mijn verbazing geeft hij het enige ware antwoord door - met een licht besmuikte stem - zijn persoonlijke kwaliteiten op te sommen. Volgens velen is Roemer een natuurtalent. Job Cohen wordt zoals altijd aan een kruisverhoor onderworpen bij Pauw en Witteman. Een licht hakkelende man, soms geïrriteerd reagerend. Maar hij houdt vast aan zijn standpunt. Hij gaat zich niet anders voordoen dan hij is en bedoelt daarmee dat hij niet met modder gaat gooien, ook niet als hij door de man met het peroxidehoofd voor ik weet niet wat wordt uitgemaakt. Volgens velen is Cohen te netjes voor dit vak. Het is overduidelijk, Emile heeft het en Job heeft het niet. Beiden vissen uit dezelfde vijver. Hun kiezers hebben het doorgaans niet breed en zijn daardoor gevoelig voor populisme. Roemer maakt daar soms gretig gebruik van. Cohen weigert grote beloften te doen of gouden bergen te beloven die nooit waar gemaakt kunnen worden. Daarom kies ik toch voor Job Cohen.

zondag, 22 januari 2012

Simon Otjes

Simon Otjes

Last.fm Twitter

Gaat de SP een Pyrrhusoverwinning tegemoet?

De SP staat ongekend hoog in de peilingen: 32 zetels. De kans is groot dat dit nog wel eens een Pyrrhusoverwinning wordt: dat ze als de grootste partij in de oppositie komt.

Historische precedenten

Het komt wel vaker voor: dat de grootste partij uit de regering wordt gehouden. zeker als de partij links is. De PvdA is maar acht keer de grootste partij van Nederland geweest (in 1952, 1956, 1971, 1972, 1977, 1982, 1994 en 1998). En in drie gevallen werd zij als grootste partij uit de regering gehouden (1971, 1977, 1982). Dat was in periodes van verregaande polarisatie, zoals we die nu ook kennen. Het zou nog wel eens kunnen gebeuren dat het kabinet-Roemer een illusie blijft zoals het tweede kabinet-Den Uyl eerder. Als de SP de grootste partij is, hoeft het dus niet zo te zijn dat ze in de regering komt: in 2006 was de SP de derde partij van Nederland met 26 zetels en bleef ze ook in de oppositie.

Het politieke landschap

Om een inschatting te maken van het verloop van de formatie hebben we een beeld nodig van het politieke landschap. Ik denk dat je het huidige politiek landschap het beste kan begrijpen aan de  hand van twee tegenstellingen: de links/rechts-tegenstelling en de pro/anti-Europa tegenstelling. De eerste betreft klassieke herverdelingsvragen (voor tegen hypotheekrenteaftrek) en vraagstukken rond immigratie en integratie. De tweede betreft vraagstukken rond Europese integratie en rond hervorming van de verzorgingsstaat (wel of niet verhogen AOW-leeftijd).

Je kan dan vier kwadranten onderscheiden (met zetelaantallen uit de recente De Hond-peiling waarin de SP de grootste is):

  • Euroskeptisch links (43 zetels): dit bestaat uit de SP met 32 zetels en drie kleinere partijen (CU, 6; PvdD 3; en 50+ 2);
  • Hervormingsgezind links (42 zetels): dit bestaat uit de PvdA (17 zetels), D66 (16 zetels) en GroenLinks (9 zetels);
  • Hervormingsgezind rechts (42 zetels): VVD met 30 zetels en het CDA met 12 zetels;
  • Euroskeptisch rechts (23 zetels): PVV met 20 zetels en de SGP met 3 zetels.

Er is dus een heldere linkse meerderheid van partijen, die tegen de bezuinigingen van dit kabinet zijn en tegen het harde anti-immigratieverhaal. Maar evenzozeer is er een meerderheid van partijen die voor een rol van Europa is bij het oplossen van de crisis is en voor hervormingen gericht op een langetermijnbalans van de begroting.

Over links

Het meest simpele kabinet dat we zouden kunnen vormen zou bestaan uit linkse partijen. De kern zou bestaan uit SP, PvdA en GL (56 zetels), aangevuld met D66 en CU. Dat zou een meerderheid van 78 zetels hebben. Je zou CU kunnen ruilen voor het nieuwe CDA, voor een iets ruimere meerderheid. Het grote probleem is dat deze coalitie sterk verdeeld zou zijn over sociaal-economische hervormingen en Europese integratie. De partij die in de laatste jaren zich heeft ontwikkeld als de grootste voorstander hiervan (D66) zou in een kabinet komen met de grootste tegenstander hiervan (SP).  De cruciale vraag is of de SP van haar Euroskeptische koers zou willen afstappen. De ChristenUnie heeft toen ze in het kabinet-Balkenende IV zat haar Euroskeptische geluid ook gematigd: maar dat was toen om als juniorpartner aan de regeringstafel te mogen zitten. Daarnaast zou het lastig zijn voor D66 om in zo’n kabinet haar relatief rechtse economisch programma te realiseren. De mededeling van Roemer dat hij best wil samen werken met de VVD is dus niet de meest interessante: hij zal geen compromissen hoeven te sluitenover de links/rechts dimensie, als de peilingen zo aanhouden. De fundamentele vraag is of de SP kan samenwerken met een pro-Europese, hervormingspartij als de D66.

Je zou je dus kunnen voorstellen dat we doorgaan met een gedoogconstructie. Een kabinet van D66/GL/PvdA gedoogd door de SP en de CU waar het gaat om haar sociaal-economische programma maar dat voor haar Europees beleid afspraken maakt met VVD en CDA. Dit is een theoretische mogelijkheid waarbij de grootste partij en winnaar van de verkiezingen een vrij marginale positie kiest. Maar misschien voor haar niet de slechtste keuze. De PVV laat zien dat juist de rol van gedoger voor een partij met extreme standpunten, gunstig kan zijn.*

Het radicale midden

Het is paradoxaal: als de economische crisis aanhoudt, zal de SP hier electoraal garen bij spinnen. Maar de realiteit van de crisis zal de SP juist uit het kabinet houden. De enige oplossing voor de crisis ligt, in elk geval in de ogen van een meerderheid, in sociaal-economische hervormingen en Europese integratie. We hebben meer Europese solidariteit nodig om de crisis te bezweren. En we moeten, zeker op de middellange termijn, door hervormingen van de sociale zekerheid, de begroting op orde krijgen.

Als de SP zich blijft verzetten tegen Europese integratie en sociaal-economische hervormingen, plaatst ze zichzelf buiten de politieke realiteit. Dan zou een kabinet van partijen die zich wel in die politieke realiteit plaatsen, de hervormingsgezinde meerderheid, een logisch alternatief kunnen zijn: VVD/PvdA/D66/CDA/GL samen goed voor 84 zetels. Natuurlijk is een onmogelijk kabinet omdat het zich open stelt voor aanvallen van de populistische rechter- en de linkerflank.

Roti met tomaat

Het wordt dus nog knap lastig om een kabinet te vormen. Misschien dat lokale oplossingen ons inspiratie kunnen geven: in Zuid-Holland, Noord-Brabant en Leiden werkt SP samen met de VVD en het CDA, aangevuld door D66 in Zuid-Holland en Leiden. Zo’n Roti-met-tomaat-variant zou rekenkundig mogelijk zijn: 88 zetels. Maar politiek zal het nog lastig worden voor de SP, D66 en de VVD om het eens te worden over economisch hervormingsprogramma. De SP kon zich in deze lokale anti-PvdA-besturen wringen omdat er relatief weinig herverdelings- en hervormingsvraagstukken zijn in het provinciale en het gemeentelijke bestuur. De partij kon zo mooi laten zien dat de ze regeringsverantwoordelijkheid aan kan en compromissen kan sluiten. De vraag is of de SP zich een even flexibele houding kan aanmeten op het landelijk niveau.

* De ironie is dat je zo’n kabinet zou moeten laten leiden door iemand uit de linkerhoek die boven de partijen staat: iemand van het statuur-Cohen laten we zeggen voordat hij lijsttrekker van de PvdA werd.

donderdag, 19 januari 2012

Harmen Binnema

Harmen Binnema

Last.fm Twitter

Compassie

In groenlinks, politiek, weblog, cda, compassie, eerste, facebook, geloof, ideologie, en meer.

In spanning wachten velen binnen, maar zeker ook buiten het CDA, op de uitkomsten van het Strategisch Beraad. Eén groep maakt zich alvast zorgen en wel over het begrip ‘compassie’ dat door Jacobine Geel (net als partijvoorzitter Ruth Peetoom een theologe) centraal gesteld zou worden. Opvallend genoeg pleitte voorzitter Ruard Ganzevoort bij het jubileum van de Linker Wang ook al voor politiek met compassie als nieuw uitgangspunt voor linkse door het geloof geïnspireerde politiek. Ik hoef er niet bij te vertellen dat hij eveneens theoloog is. Ik moet er wel bij zeggen dat ik toen enige aarzelingen had, al was het maar vanwege het feit dat Bush jr. zich in de presidentiële race van 2000 als ‘ compassionate conservative’  presenteerde. Een ideologie waarin de overheid zich zoveel mogelijk terugtrekt, maar in alle hardheid nog een klein zacht randje heeft.

De angst van het groepje CDA’ers was dat compassie te veel de nadruk zou leggen op afhankelijke en zielige mensen, terwijl het CDA onder Balkenende al die jaren toch ‘eigen verantwoordelijkheid’ had gepredikt. De redenering klonk ongeveer zo: wie het heeft over compassie, kan geen PGB meer afschaffen of Mauro terugsturen naar Angola. Best wel lastig voor de twee CDA-bewindslieden die deze twee pittige dossiers onder hun hoede hebben. Compassie was volgens deze leden prima als levenshouding, maar niet als politiek richtsnoer. Een beetje zoals anderen zeggen dat religie prima is, zolang je dat maar thuis of in de kerk doet, maar er niet het publieke domein mee betreedt.

Om twee redenen vind ik de afwijzing van compassie merkwaardig. De eerste is dat het een uitgangspunt is en geen dwingend voorschrift. In concrete situaties zal compassie toegepast moeten worden en daarin kan een ieder zijn of haar individuele keuzes maken. In die zin is compassie niet anders dan solidariteit of rentmeesterschap: wat het betekent, volgt niet uit het begrip zelf, maar blijkt uit het feitelijke handelen van degenen die zich door deze uitgangspunten laten leiden. De tweede reden heeft te maken met de letterlijke manier waarop compassie vaak lijkt te worden uitgelegd: als medelijden, waarbij de associatie met hulpeloos en zielig al snel is gelegd. Eigenlijk is het – zeg ik als (achter)(achter)(klein)zoon van theologen – mooier en beter om over mededogen te spreken. Compassie ligt dan heel dicht bij naastenliefde, solidariteit, omzien naar de ander. Daarmee wordt de relatie ook gelijkwaardig en minder in simpele tegenstellingen als de slimmerd en de sukkel, de rijke en de arme, de geslaagde en de mislukte. Mededogen is meevoelen met de ander, je in hem of haar verplaatsen, je echt verbonden voelen.

Als dat compassie is, past het volgens mij prima in het gedachtegoed van GroenLinks én van het CDA. Wat zou het mooi zijn als compassie helpt om de gure rechtse wind uit het CDA weg te blazen. Wie weet staat dan onverwacht een nieuwe lente voor de deur.

Theo Brand

Theo Brand

Compassie is mededogen met alles wat leeft

Hieronder mijn lezersbrief in dagblad Trouw van 19 januari 2012 (oorspronkelijke versie).

Compassie betekent medelijden, schrijft dagblad Trouw (18 januari) naar aanleiding van een discussie binnen het CDA over dit begrip. Maar een betere vertaling van compassie is mededogen. Mededogen met alles wat leeft, in het bijzonder met wie en wat extra aandacht behoeft. Dat is een noodzakelijke aanvulling op vrijheid en het vormt een nieuwe invulling van de waarden solidariteit en verantwoordelijkheid. Geen wonder dat De Linker Wang – de progressieve beweging voor religie en politiek verbonden met GroenLinks - het begrip al omarmde voordat het CDA erover sprak. Misschien ligt daar ook de politieke gevoeligheid? 

 Theo Brand, Zwolle

zaterdag, 14 januari 2012

Johanna Welfing

Johanna Welfing

Hyves Twitter PS

Een nieuwe voorzitter: Twee goede kandidaten, één functie, een lastige keuze.

In grienlinks, belangrijk, bestuur, campagne, congres, dialoog, discussie, groenlinks, innovatie, en meer.
Foto gemaakt door Menno Slaats Verbinden, solidariteit, luisteren naar de leden, meer dialoog vooraf, een betere vertaalslag door de Kamerfractie, groene innovatie, een partij die met beide benen in de samenleving staat. Zomaar een paar termen die vanmiddag voorbij kwamen tijdens de discussie tussen de twee voorzitterskandidaten van het landelijk bestuur. Prachtige zinnen, volgens mij willen we dat allemaal. Woorden die ik eerder heb gehoord bij eerdere verkiezingen. De vraag is hoe ga je dit doen als voorzitter? Want woorden zijn nog geen daden. Op de ALV werd dan gelukkig ook door de mooie woorden heen geprikt. De keuze voor de GroenLinks leden wordt er m.i. niet makkelijker op. Een kleine beschouwing van de kandidaten zoals ik ze heb geobserveerd. De twee kandidaten: Heleen Weening & Arno Uilenhoet Opmerking vooraf: Ik ben er van overtuigd dat beide kandidaten uitermate geschikt zijn voor de functie van het voorzitterschap. Ik voel de passie, beide hebben unieke kwaliteiten. Bij beide kandidaten heb ik een goed gevoel. Heleen Weening – ‘Het Solidaire Groene Land’ Antwoordt vanuit het hart, maar toch op een zakelijke prettige manier. Heeft het voornemen om als voorzitter echt een voorzitter voor de leden te zijn die via de organen binnen de partij, zoals bijvoorbeeld de partijraad, werkgroepen etc te werken met de Kamerfracties. Belangrijk punt voor Heleen is besluitvorming vooraf binnen de partij op basis van programma. Zij zet in op een permanent programmacommissie. Heleen wil belangrijke thema’s op de kaart zetten waarover leden in de afdelingen kunnen discussiëren en waarvan de (stand)punten vervolgens door de vertegenwoordigde partijraadsleden meegenomen kunnen worden naar de partijraad. Een initiatief wat ik van harte ondersteun. Heleen vindt dat GroenLinks zich evenredig in uitingen naar buiten moet laten zien voor groene en solidaire thema’s. Partijnaam hoeft niet aangepast te worden. Het partijprogramma is goed, en we zijn geen partij in worsteling. Arno Uijlenhoe t – ‘Het groene goud’ Een goede welbespraakte spreker, fijn om naar te luisteren. Heeft een duidelijke visie waar GroenLinks op in moet zetten. Groene duurzame innovatie. “Het groene goud” Wil meer dialoog binnen de partij en weet ook duidelijk hoe hij dat neer wil gaan zetten. Via de partijraad, via het landelijke bureau, maar ook door werkgroepen niet in Utrecht maar op locaties in het land te laten vergaderen. Goed initiatief. Arno vindt dat de slag naar het duurzame bedrijfsveld meer gemaakt moet worden en zal daar ook op inzetten. Arno geeft aan dat besluitvorming en discussie met leden over belangrijke en gevoelige onderwerpen beter kan en vooraf moet plaatsvinden. Arno vindt dat GroenLinks best meer de nadruk mag leggen op duurzaamheidthema’s, oftewel het “groene goud”. De koers die ingezet is goed, we zijn geen partij die worstelt, we hebben een goed programma. Partijnaam hoeft niet worden aangepast. Twee beschrijvingen, twee capabele mensen voor één functie. Wie kies je dan? Nou ja , ik kies niemand, ik heb me te laat aangemeld voor het congres, dus heb geen stemrecht. Wat als ik wel stemrecht had op wie zou ik dan stemmen? Twijfel alom . wat mij bij Heleen erg aansprak is de directe vertaalslag naar wat er bij mensen speelt. Arno komt bij mij meer zakelijker over, een onmisbare eigenschap voor een voorzitter die mij erg aanspreekt, direct en kundig. Meerdere voorzitters zijn Heleen en Arno voorgegaan binnen de partij. Ze spraken mooie woorden in hun campagne in de weg er naar toe, maar verloren zich ‘grotendeels’ in de Haagse werkelijkheid. Ik heb mezelf de vragen gesteld, bij welke kandidaat ben ik het bangst dat zij/hij zich laat verleiden door de Haagse werkelijkheid en bij welke kandidaat denk ik dat het meeste Haagse menselijkheid gerealiseerd wordt. Wellicht wat kromme maatstaven, nu niet te toetsen en puur een gevoelskwestie. Op basis van deze vragen komt er voor mij een kandidaat uit waar ik op zou stemmen als ik de kans had. Ik zou kiezen voor het iets minder zakelijke, maar voor mijn gevoel iemand die dichter bij het maatschappelijke middenveld staat. Mijn fictieve stem gaat dus niet naar het “groene goud” , maar naar "het solidaire groene land".

woensdag, 11 januari 2012

Theo Brand

Theo Brand

Kiest het CDA voor een echte omslag?

Het CDA overweegt volgens de media ‘een ruk naar links’. De mogelijke koerswijziging blijkt uit gelekte plannen afkomstig uit het zogeheten Strategisch Beraad onder leiding van oud-minister Aart Jan de Geus. Veel christen-democraten zullen de koerswijziging eerder bestempelen als een terugkeer naar het politieke midden. Vooral macht en invloed maken een centrumpositie immers interessant. Maar een strategisch beraad is nog geen principieel beraad. En dat laatste is nodig is om een nieuw fundament onder de partij te leggen.

Als je door de waan van de dag stevig naar rechts bent meegezogen, dan sta je na verloop van tijd beteuterd in de hoek. Dan blijft er één richting over en dat is terugbewegen naar links. Zo verrassend is de koerswijziging daarom niet. De vraag is vooral: hoe ver durft het CDA te gaan? En komt de partij ook aan de progressieve kant van het politieke spectrum uit? Komt de koersverandering voort uit lijfsbehoud of is deze geboren uit een diepgewortelde overtuiging? En als dat laatste het geval is, wanneer volgt dan de erkenning dat de partij door fixatie op macht de afgelopen jaren op een ideologisch dwaalspoor terecht is gekomen?

Nu is de vraag wat de begrippen ‘links’ en ‘rechts’ precies inhouden nogal verschillend te beantwoorden. Dat is – helemaal voor middenpartijen als CDA en D66 – altijd een wat lastige zaak. Voor mij telt het criterium of een politieke partij culturele verdraagzaamheid, duurzame ontwikkeling en een eerlijke verdeling van welvaart, macht en inkomen bevordert of juist eerder frustreert. Zo bezien is het CDA op dit moment een conservatieve en rechts georiënteerde partij.

Politiek filosoof en emeritus hoogleraar politieke filosofie Henk Woldring stelde eerder in tijdschrift De Linker Wang: “Het politieke midden kan nooit je doelstelling zijn, het gaat om een visie op de samenleving. De christen-democratie moet uiteindelijk een gematigd progressieve politieke beweging zijn.” Woldring schreef in 1996 een doorwrochte filosofische studie over de beginselen van de christen-democratie en zat namens het CDA in de Eerste Kamer. In 2010 zegde hij diep teleurgesteld zijn partijlidmaatschap op.

Levert het CDA straks echt een politieke bijdrage om de dominante economische machten bij te sturen? Durft de partij weer politiek met een hoofdletter te bedrijven? Of blijft het CDA kiezen voor ongebreidelde marktwerking door een verdere terugtreding van de overheid, maar dan in een wat vriendelijker vorm met wat meer culturele openheid? Rechts, maar zonder scherpe kantjes in een wat lichtere variant? Of kiest het CDA voor een echte omslag?

Voor de politiek in het algemeen is het interessant of de koerswijziging van het CDA zal leiden tot de val van het Kabinet Rutte. Wat mij vooral boeit is de vraag of trouwe CDA-kiezers zullen doorzien dat de eeuwige slingerbewegingen van het CDA – of die nu van links naar rechts gaan, of juist van rechts naar links – vooral zijn ingegeven door macht en politieke strategie. En dat visiestukken als het recent verschenen ‘Mens, waar ben je?’ uiteindelijk ondergeschikt zijn aan politiek lijfsbehoud. Of ben ik nu te cynisch? Ik vermoed oprecht van niet. Toch wil ik als religieus geïnspireerde GroenLinkser het CDA het voordeel van de twijfel geven, maar wel met een nadrukkelijke kanttekening.

Natuurlijk is elke politieke partij bezig met macht en strategie. Wat dat betreft neem ik het CDA niets kwalijk. Politiek bedrijven valt of staat met macht en invloed. Maar voor het CDA lijkt politieke macht gaandeweg een doel en een principe op zichzelf te zijn geworden. Dat het CDA nu weereens wat naar links beweegt is daarom alles behalve opzienbarend.

Relevant is vooral de vraag of het CDA  niet alleen om strategische redenen naar links buigt, maar in het voetspoor van de ideeën van onder anderen Henk Woldring, ook definitief durft te kiezen voor een gematigd progressief profiel omdat de christen-democratische wortels van solidariteit, emancipatie en rentmeesterschap dat simpelweg vereisen.

Als die trend zich definitief zou doorzetten, komt het CDA in beeld als interessante en stabiele coalitiepartner voor PvdA, SP, D66, ChristenUnie en ook mijn eigen partij GroenLinks. Afhankelijk uiteraard van de vraag hoeveel Tweede Kamerzetels de partij kan inbrengen bij het realiseren van een nieuwe centrumlinkse regeringscoalitie.


Het menu: Cohens brug

PvdA-leider Job Cohen bouwt een brug tussen hoog- en laagopgeleiden. De PvdA wil zowel de academica als de vrachtwagenchauffeur aan zich binden. Cohens roep om solidariteit lijkt uit de tijd. Het primaat ligt bij het individu. We hebben weliswaar intensief contact met familie en vrienden: de eigen kring. Maar zij die daar niet bij horen vallen af. De maatschappij wordt harder. Vreemd genoeg heeft de PvdA hier zelf aan bijgedragen. In de jaren negentig regeerden de sociaal democraten, met PvdA premier Wim Kok, samen met de VVD en D66. Het beleid van deze paarse kabinetten (1994-2002) draaide om werk, privatisering en economische groei. De menselijke maat verdween sluipenderwijs. Cohen probeert het tij te keren. Dat is prima, want de politiek moet voor samenhang zorgen. Maar mensen lijken het delen met anderen buiten de eigen kring te hebben verleerd. Stemmentrekkers Emile Roemer (SP) en Geert Wilders (PVV) hebben dat beter door: zij mobiliseren de ‘eigen groep’. Dit voedt de gevaarlijke polarisatie tussen burgers. Hopelijk beseft iedereen dat wij samen moeten leven. Zij die anderen de rug toekeren, creëren hun eigen tegenstanders. In zo’n samenleving wil ik niet wonen. Cohen begrijpt dat. Hij bouwt de brug die ik over wil.

dinsdag, 10 januari 2012

Simon Otjes

Simon Otjes

Last.fm Twitter

GroenLinks: radicale systeempartij

Een willekeurige zin van een beginselprogramma van een Nederlandse politieke partij is “Vrijheid, democratie, rechtvaardigheid, duurzaamheid en solidariteit. Dat zijn de idealen van ….” Van welke partij is dit programma: D66? De VVD? Het CDA? GroenLinks?

De zin komt uit het PvdA-programma uit 2005, maar het had naadloos bij ieder ander van deze partijen gepast. Het roept de vraag op: Zijn de idealen van Nederlandse politieke partijen wel van elkaar te onderscheiden? Hebben GroenLinksers andere waarden dan PvdA’ers of VVD’ers?

Radicale anti-systeempartijen

Natuurlijk zijn er verschillen tussen de beginselprogramma’s van bepaalde politieke partijen: de Partij voor de Dieren, de ChristenUnie en de SGP, de SP en de PVV bieden ieder op hun eigen manier een fundamentele kritiek op de moderne samenleving. Dit zijn stuk voor stuk radicale anti-systeempartijen. En in hun beginselprogramma’s is dat ook goed zichtbaar:

  • De Partij voor de Dieren stelt dat onze antropocentrische samenleving het welzijn van dieren opoffert voor het welzijn van mensen. Dit is een fundamentele kritiek op onze maatschappij die in zijn geheel is gericht op verzekeren van rechten en kansen voor mensen.
  • De PVV levert een fundamentele kritiek op een heel scala van bestaande instituten: de parlementaire politiek die niet meer luistert naar de stem van de gewone Nederlander; de Europese Unie die Nederlanders het recht ontzegt om over eigen aangelegenheden te beslissen; de multiculturele samenleving die Nederland haar eigenheid ontneemt.
  • Ook de SP heeft een fundamentele kritiek en wel op het kapitalisme. Zeker haar beginselprogramma van 1999 bevat diep-socialistische cultuurkritiek: de samenleving dreigt een neo-liberale ‘brutopia’ te worden waar het kapitalisme “normloos en ongeremd” de menselijke waardigheid verkwanselt.1
  • De SGP bekritiseert de hedendaagse samenleving omdat deze van Gods pad is afgeweken. In haar houding ten opzichte van vrouwen en homo’s kan je het radicalisme van de SGP het beste zien. Terwijl homo- en vrouwenrechten door bijna iedere Nederlander onderschreven worden, wijst de SGP deze, verwijzend naar Bijbelteksten, af.
  • Het beginselprogramma van de ChristenUnie kenmerkt zich ook door een zelfde beroep op God en bevat een groot aantal verwijzingen naar Bijbelse teksten.2

De andere partijen, CDA, VVD, D66, GL en PvdA onderschrijven allemaal een sociaalliberaal programma. Als we de kritiek van de PvdD, PVV, SP en SGP analyseren, zie we ook wat dat sociaalliberale programma inhoudt: het stelt, in tegenstelling tot de PvdD, mensen centraal. Er is een brede consensus in Nederland dat de overheid primair de ontplooiing van mensen mogelijk moet maken. Het gaat, in tegenstelling tot de PVV en de SGP, uit van het constitutionele principe van gelijkberechtiging: onafhankelijk van hun geslacht of seksuele voorkeur kunnen burgers rekenen op dezelfde vrijheden. Hetzelfde geldt voor het geloof: christen, moslim of atheïst kunnen rekenen op dezelfde vrijheden. In tegenstelling tot de SP balanceert het programma markt, staat en maatschappelijk initiatief, in plaats van alle nadruk bij de staat te leggen. Het sociaalliberale programma plaatst Nederland midden in de wereld, terwijl de PvdD, PVV, de SP, CU en de SGP allemaal euroskeptisch zijn. Het Europese project is een project van de systeempartijen.

Sociaalliberale systeempartijen

Maar is er dan geen verschil tussen het gedachtegeoed van de vijf sociaalliberale partijen? Van GroenLinks tot VVD lijken deze partijen een breed sociaalliberaal programma te onderschrijven:

  • individuele vrijheid van mensen staat voorop;
  • voor deze vrijheid is wel een overheid nodig die de ontwikkelingskansen van mensen verzekert door goed onderwijs en een vangnet voor hen die het niet redden, in de vorm van de sociale zekerheid maar ook een tolerante en solidaire samenleving nodig;
  • er is een balans tussen de overheid, de vrije markt en ruimte voor maatschappelijk initiatief;
  • het huidige democratische constitutionele stelsel, balans tussen parlement en kabinet, scheiding van kerk en staat, burgerlijke en sociale rechten, wordt onderschreven;
  • Nederland staat open voor de wereld en werkt samen in Europa;
  • en de belangen van toekomstige generaties worden meegenomen in sociaal-economische afwegingen.

Fundamentele verschillen in mensbeeld zijn er niet tussen deze partijen: al deze partijen leggen een nadruk op het individu, maar wel een individu dat participeert in een samenleving, in het gezin, op de werkvloer, in verenigingen en in de democratie. Natuurlijk zijn er nuanceverschillen en verschillen in nadruk tussen politieke partijen, bijvoorbeeld: in de balans tussen overheid, markt en maatschappij hebben PvdA, VVD en het CDA ieder hun eigen voorkeur. De PvdA verdedigt de sociale zekerheid, het CDA legt de nadruk op het maatschappelijk initiatief en de VVD op de vrije markt.

Socialists are liberals who really mean it

Maar waar staat GroenLinks? Is haar programma inwisselbaar voor dat van de PvdA of D66? Misschien in woorden wel. Al deze partijen delen woorden als vrijheid, solidariteit en duurzaamheid. Maar in de uitwerking van het programma worden de verschillen wel degelijk duidelijk: dit brede sociaalliberale programma is voor GroenLinks een opdracht voor verregaande herverdeling, voor principiële rechtsstatelijkheid, voor een fundamentele vergroening en voor radicale internationalisering.

Socialists are liberals who really mean it. Vrijheid is meer dan alleen het recht om zelf te kiezen. We moeten mensen ook de middelen en de mogelijkheden geven om regie te nemen over het eigen leven. CDA, VVD, GroenLinks, D66 en de PvdA delen het idee dat mensen in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor hun eigen leven. Maar alleen GroenLinks verwoordt consequent dat als mensen niet in staat zijn om zelf verantwoordelijkheid te nemen, de overheid hen moet ondersteunen om verantwoordelijkheid te nemen voor het eigen leven. ‘Socialisme ter wille van het individualisme’, noemde Jacques de Kadt dat.

Of neem de rechtsstatelijke houding van GroenLinks. Als we echt geloven in onze constitutionele orde, de principes en rechten die zijn vastgelegd in onze Grondwet, dan moeten we deze niet opgeven als we onder druk komen te staan van terreur. Een principe hebben betekent aan iets vast houden, juist als dat niet makkelijk is. Vrijheid van meningsuiting geldt niet alleen voor mensen waar we het mee eens zijn. Dit betekent juist ook dat een radicale imam een abjecte orthodoxe versie van de islam mag uit dragen. Het gemak waarmee de VVD en het CDA burgerrechten wegwuiven vanwege terrorismebestrijding is geen teken van een verschil in prioriteiten (burgerrechten of veiligheid), maar van het feit dat deze partijen hun eigen waarden gewoon niet begrijpen. Sterker nog, als je echt gelooft in onze constitutionele orde, dan moeten we die tanden geven door rechters de mogelijkheid te geven om wetten af te wijzen omdat ze in strijd zijn met constitutionele principes. Alleen dan neem je de Grondwet echt serieus.

Het GroenLinks-programma is natuurlijk bijzonder radicaal waar het het milieu en klimaat betreft. Maar dit is niet meer dan een consequente uitvoering van het beginsel van duurzaamheid dat alle partijen delen. En zelfs dat is nauwelijks als een beginsel op zich te zien. Duurzaamheid betekent niet meer en niet minder dat je je eigen ideaal van een maatschappij waar mensen zich kunnen ontplooien zo serieus neemt dat je wilt dat die maatschappij er ook voor onze kinderen nog zal zijn. Duurzaamheid is geen ideaal op zich, maar slechts een consequente houding ten opzichte van je idealen. Maar dat heeft wel radicale implicaties: willen we onze samenleving die welvaart, kansen en werk relatief rechtvaardig verdeelt behouden, dan moeten we onze economie fundamenteel vergroenen.

GroenLinks wordt gekenmerkt door een internationale houding: met een open blik naar de wereld kiest GroenLinks voor Europese samenwerking en voor de ontwikkeling van andere landen. Internationalisme behoort tot de vezels van het sociaalliberale programma. De Nederlandse grondwet onderschrijft het principe van een internationale rechtsorde. De gevestigde liberale, sociaaldemocratische en Christendemocratische partijfamilies stonden allemaal aan de wieg van Europese samenwerking. De internationale houding van GroenLinks is niets anders dan een consequente houding: de grote crises van dit moment, de klimaatcrisis en de economische crisis, vereisen een internationaal antwoord. We kunnen deze problemen niet in ons eentje aan. We moeten internationaal samenwerken om onze samenleving te verduurzamen en onze idealen in de praktijk te brengen. De natiestaat voldoet niet meer om dat sociaalliberale programma uit te voeren. En zelfs waar het ontwikkelingssamenwerking betreft, is de achterliggende houding niet meer en niet minder een van consequent zijn: als je gelooft dat iedere burger beschermd moet zijn tegen geweld en recht heeft op een fatsoenlijk bestaan, dan moet je erkennen dat er geen rationele grondslag is om deze principes te beperken tot de nationale staat. Als je gelooft in dat vrije individu, waarom heeft Jan uit Urk dan wel recht op individuele vrijheid, maar Jan uit Timboektoe niet?

Radicale systeempartij

Het hele GroenLinks-programma, groen, sociaal, internationaal en vrijzinnig, is niets meer en niets minder dan een consequente uitvoering van wat al die andere systeempartijen vinden. Een groot deel van de Nederlandse politiek onderschrijft een breed sociaalliberaal programma, dat oog heeft voor de toekomst en over de grenzen kijkt. GroenLinks een radicale partij, maar niet een radicale anti-systeempartij zoals PVV, PvdD, SGP en SP. GroenLinks geeft radicaal consequent uitvoering aan het breed gedeelde sociaalliberale programma: GroenLinks is een radicale systeempartij.

noten

1 Overigens is de SP in de laatste jaren sociaaldemocratischer geworden en heeft ze een groot deel van haar fundamentele kritiek laten varen, ze past daarmee beter in de sociaalliberale consensus.

2 Echter, recent probeert de CU haar gedachtegoed te verwoorden in woorden als “duurzaamheid, vrijheid en dienstbaarheid” die inwisselbaar lijken voor de waarden van de VVD, het CDA of GroenLinks. Ook deze partij sluit steeds meer aan bij de sociaaliberale consensus.

vrijdag, 30 december 2011

John Swelsen

John Swelsen

Hyves Linkedin Twitter

Nieuwe kansen voor arbeidsverhoudingen

In arbeidsverhoudingen, vakbond, vakbeweging, bondgenoten, december, eerste, individualisering, medezeggenschap, nederland, en meer.

Onderstaande stukje dat ik op 5 december schreef met verheugende bericht dat de vakbeweging een begin van vernieuwing lijkt in te zetten.

Een noodzakelijke, maar toch ook dappere stap is het die de vakbondsvoorzitters van FNV afgelopen zaterdag hebben gezet. Het loslaten van oude structuren vergt moed en dat is toch wat hier is gebeurd. De Nieuwe Vakbeweging (werktitel) wordt een open vakorganisatie waar verschillende bonden en verenigingen zich bij aan kunnen sluiten.

 

De organisatiegraad van de vakbeweging in Nederland werd de laatste decennia steeds kleiner maar ook eenzijdiger. Met namen de middelbare witte man vanaf ca 45 jaar is oververtegenwoordigd. Dat bracht met zich mee dat de belangenbehartiging zich ook daar naartoe verplaatst heeft. Op zichzelf is dat vrij logisch, ware het niet dat het FNV protectionistisch bezig is geweest. Nieuwe initiatieven in vertegenwoordiging waarvan vooral Alternatief Voor Vakbond (AVV) een prominent voorbeeld is, werden in eerste instantie met argwaan tegemoet getreden. De collectieve solidariteit verdween steeds meer uit zicht.

 

Jongeren, ZZP-ers en flexwerkers werden ondanks het feit dat ze in omvang toenamen en hun problematiek groter werd meer en meer genegeerd. Bonden zoals FNV zelfstandigen, FNV ZBo, FNV mooi, FNV KIEM en FNV Jong hebben binnen de grote vakcentrale waarin de bolwerken ABVAKABO en Bondgenoten de toon zetten nauwelijks iets in te brengen.

 

Het is dus niet alleen van belang om de organisatiegraad op te krikken, maar om deze te verbreden. Dan pas ontstaat er echte solidariteit, ooit de reden voor oprichting van de vakbeweging.

 

Maar er is meer winst te behalen. De verstarde arbeidsverhoudingen in Nederland moeten worden opengebroken, en niet door het ontslagrecht te versoepelen. Dat is het traditionele werkgeverspraatje, dat jammerlijk genoeg ook door sommige progressieve politici is overgenomen.

Het verdient aanbeveling om een nieuwe visie op de veranderde arbeidsverhoudingen te ontwikkelen en niet vanuit een defensieve houding maar realistisch. Ook doet de nieuwe vakbeweging er goed aan om de werknemersvertegenwoordiging binnen organisaties steviger te ondersteunen. Vervolgens moet de politiek de medezeggenschap binnen bedrijven een stevige wettelijke basis geven. Zo kunnen de arbeidsverhoudingen meer aansluiten bij de geest van de tijd en grote individualisering combineren met versterkte solidariteit.

 

donderdag, 22 december 2011

Theo Brand

Theo Brand

Laat CNV opgaan in een ontzuilde Nieuwe Vakbeweging

In gerechtigheid, vakbeweging, cnv, emancipatie, solidariteit.

De crisis bij de FNV leidt tot nieuwe kansen. De ‘Nieuwe Vakbeweging’ is de werktitel van de beoogde vernieuwingsslag die oud-staatssecretaris Jetta Klijnsma verder mag uitwerken. 2012 lijkt mij dan ook het jaar dat FNV, CNV en MHP (voor middelbaar en hoger personeel) hun hokjesgeest te boven moeten komen. Samen kunnen ze verder gaan als krachtige, postverzuilde vakbeweging: een veelkleurige paraplu voor allerhande kleine vakverenigingen voor uiteenlopende beroepsgroepen en bedrijfstakken.

Zelf ben ik meer dan tien jaar lid van het CNV. Ik werd lid in de tijd van good old Doekle Terpstra. En met overtuiging heb ik later enige tijd gewerkt bij CNV Vakcentrale. De toenemende spanning tussen vakbonden en vakcentrale is – zo heb ik ervaren - beslist niet voorbehouden aan de FNV. En ook binnen het CNV en MHP heeft zich de ontwikkeling voorgedaan van het ontstaan van ‘superbonden’, denk aan CNV Vakmensen, de christelijke evenknie van FNV Bondgenoten. Ook hier werd de afstand tussen de bond en - ironisch - de vakmensen groter. 

Het CNV sprak én spreekt mij aan omdat het christelijk sociaal gedachtegoed voor deze vakbeweging leidend is. Toen het CNV in 1909 werd opgericht stelde deze zich op tegen de klassenstrijd en voor het overlegmodel. Maar dat gold natuurlijk ook voor het Nederlands Katholiek Vakverbond (NKV) dat samen met het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) in 1982 opging in de FNV. En van klassenstrijd is nu allang geen sprake meer. Het overlegmodel is zelfs de institutionele norm geworden in Nederland.   

En soms is het wel erg makkelijk om de redelijk zelve te willen zijn, terwijl FNV-onderhandelaars voor alle werknemers van een bedrijf (inclusief de CNV-leden) de hete kastanjes uit het vuur halen door wél met de vuist op tafel te slaan. Ik merk dat ik vooral trots ben op het CNV op die momenten dat ze óók een keer met de vuist op tafel slaan. En als het moet een staking niet uit de weg gaan. Je bent immers een vakbond of je bent het niet. Ik ben kortom een CNV-lid die staat voor gerechtigheid. Niet voor het in stand houden van een bepaald instituut.

CNV-voorzitter Jaap Smit beklemtoont herhaaldelijk dat het CNV vooral moet blijven bestaan en ondertussen houdt hij met een schuin oog in de gaten wat er bij de FNV gebeurt. Hij zou beslist meer karakter kunnen tonen door de vraag op tafel te leggen: waarom zouden we na ruim honderd jaar CNV ons bestaansrecht niet ter discussie durven stellen? Het gaat immers om werkgelegenheid, een gezonde arbeidsmarkt, goede en op maat gesneden belangenbehartiging, gerechtigheid en solidariteit?

Voordat Jaap Smit begon bij het CNV was hij voorzitter van Slachtofferhulp Nederland, een algemene organisatie die in 2002 – ver na het tijdperk van de verzuiling – het licht zag. Opkomen voor de belangen van slachtoffers kun je het beste doen vanuit een algemene organisatie, zo dacht Jaap Smit en zo denken we nu bijna allemaal. Daarbij kunnen individuele bestuurders en medewerkers natuurlijk allemaal hun eigen levensbeschouwelijke achtergrond en motivatie hebben. Mijn vraag aan de CNV-voorzitter: waarom zou dat niet gelden als je opkomt voor mensen die het slachtoffer zijn van bijvoorbeeld een ontslaggolf of een reorganisatie?

Het CNV zou het lef moeten hebben haar eigen bestaansrecht ter discussie te stellen. CNV-leden die zwaar hechten aan een aparte christelijke organisatie kunnen zich aansluiten bij het orthodox-christelijke Christennetwerk GMV, terwijl de grote groep idealistische en tegelijk meer pragmatisch ingestelde CNV-leden kunnen kiezen voor een specifieke vakvereniging die opkomt voor de belangen van hun eigen vakgebied of bedrijfstak. Uiteraard onder de grote en veelkleurige paraplu van de Nieuwe Vakbeweging.

In 1996 is het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond (NCW) samen met het VNO opgegaan in VNO-NCW. Binnen de gefuseerde algemene werkgeversclub is nog steeds een speciale afdeling actief die zich bezig houdt met zingeving en christelijk-sociaal denken. Dat geldt trouwens ook voor de FNV, vanwege de NKV-roots. In die zin hoeft het CNV niet bang te zijn en kan ze juist een waardevolle protestantse inbreng hebben binnen een brede, ontzuilde vakbeweging die kleine vakverenigingen kan faciliteren om maatwerk te bieden aan specifieke beroepsgroepen of bedrijfstakken.

Of komt er straks bijvoorbeeld naast de algemene kappersbond met 2500 leden toch ook nog een christelijke met 700 leden? Natuurlijk moet dat kunnen in een vrij en democratisch land. Ik zou de laatste zijn die dat gaat verbieden. Maar persoonlijk zou ik zo’n ontwikkeling – ook als CNV-lid - een gemiste kans vinden.

Jaap Smit, wacht dus niet langer en laat het CNV – samen met FNV en MHP – meebouwen aan een inspirerende een veelkleurige vakbeweging van de 21ste eeuw.

Een bewerkte versie van dit betoog verscheen op 4 januari 2012 in dagblad Trouw.


zaterdag, 17 december 2011

Jan Hoek

Jan Hoek

Linkedin GR

Wederkerigheid

Deze blog verscheen eerder op GroenLinks Amsterdam.

Wederkerigheid. Mooi woord. Klinkt als rentmeesterschap en barmhartigheid. Begrippen waar een mens graag bij hoort. Bijbels ook wel. Misschien is dat wel de reden waarom het Amsterdamse CDA het er graag over heeft. Wederkerigheid. Mooi en bijbels.

Het kabinet heeft het ook graag over wederkerigheid. Sterker nog, het heeft het begrip zelfs in de Wet Werk en Bijstand geknutseld en noemt het dan tegenprestatie. Als je een bijstandsuitkering mag van het kabinet, vindt het kabinet het redelijk dat je er ook iets voor terug doet. Iets? Nou, sneeuwruimen bijvoorbeeld. Dat vindt het Amsterdamse CDA wel mooi. Mensen kunnen reuze last hebben van die sneeuw. Dan moeten mensen met een uitkering dat opruimen en als ze dat niet doen, dan trekken we hun uitkering in.

Waarom voelt dit nou opeens een stuk minder mooi en bijbels? Omdat het dat niet is. Er wordt gewoon geroepen: slampampers, kom uit je bed, je krijgt geld van ons, dan moet je er ook wat voor doen. De gedachte dat mensen met een uitkering moeten doen wat de samenleving hen opdraagt is gebaseerd op de oude gedachte van liefdadigheid. Kerken en gegoede burgers trokken de beurs om in het levensonderhoud van de armen te voorzien. Omdat ze dat onverplicht deden, konden ze ook de regels bepalen waar je je aan moest houden als je hun aalmoes accepteerde

Een bijstandsuitkering is geen liefdadigheid of ouderwetse christelijk naastenliefde. Het is ook geen aalmoes. Het is de concrete uitdrukking van solidariteit tussen mensen. Het is welbeschouwd ook een kwestie van rechtvaardigheid. Je hebt recht op een bijstandsuitkering als je niet in staat bent in je eigen onderhoud te voorzien. Zoals Marga Klompé, KVP-minister en architect van de Algemene Bijstandswet zei: van genade naar recht. Krijg je die uitkering, dan moet je je best doen om er zo snel mogelijk vanaf te komen. Voor de een betekent dat twee maanden solliciteren of een gang naar het uitzendbureau, voor de ander een lange weg van gezond worden, vrijwilligerswerk en dan hopelijk aan de slag. Doe je je best niet, dan zijn sancties aan de orde.

Sneeuw ruimen op straffe van het intrekken van je uitkering? Dat is geen solidariteit. Dat is Assepoester.

woensdag, 14 december 2011

Liesbeth Tettero

Liesbeth Tettero

Hyves Linkedin Twitter GR

Hoopvol het jaar uit

Graag wil ik het jaar hoopvol eindigen en een grote wens voor 2012 uitspreken: laten we ajb zo snel mogelijk van dit griebuskabinet af zijn. Verkiezingen graag, en snel. De tegenstand tegen de plannen groeit en scheurtjes in de coalitie worden duidelijk.

Het CDA gaat niet mee met de enorme investeringen die nodig zijn om de maximumsnelweg te verhogen. Luchtkwaliteit en veiligheid spelen geen rol voor deze partij, maar het is een stapje in de goede richting. Gemeenten laten zich effectiever horen: dit is geen goed plan voor de mensen die naast de snelwegen wonen. En dat zijn er nogal wat.

Provincies gaan niet mee met de verbleking van de natuur. Ze gaan niet akkoord met de plannen van Bleker om de verantwoordelijkheden van het Rijk over te nemen zonder de middelen die daartegenover zouden moeten staan. Op provinciaal niveau ziet men daarnaast wel dat natuur zich niet aan provinciegrenzen houdt en dat het Rijk zich dus niet zo maar kan terugtrekken.

GW heeft de capslock weer aan bij het twitteren om te laten weten dat de hypotheekrenteaftrek heilig is. Wonderlijke mix van standpunten heeft deze man toch. Tegen de elite, voor de subsidie van elitaire huizen?! Geen touw aan vast te knopen. Maar er lijkt geen ontkomen meer aan: het heiligste huisje van rechts Nederland begint te wankelen…

Ik ga kerstvakantie vieren en daarna mijn campagnekleren weer uit de kast halen. Laat maar komen, die verkiezingen. Ik wens jullie allemaal een gezond, gelukkig en succesvol 2012. En ik wens Nederland een regering die solidariteit en duurzaamheid hoog in het vaandel heeft.


dinsdag, 6 december 2011

Toine van de Ven

Toine van de Ven

Hyves Twitter GR DWARS

Kanteling WMO: herstel balans of enkel besparing?

“Kijk, deze lijn zijn onze inkomsten voor de WMO en deze sterk stijgende lijn zijn de geprognosticeerde uitgaven…” Deze stijgende zorgkosten en tekorten op het budget noodzaken de gemeente om kritisch te kijken naar de inzet van middelen. Maar wat staat daarbij voorop? Kwalitatieve zorg of besparen?

Voor Vught heeft sinds de invoering van de WMO continu kwaliteit voorop gestaan. En dat loont zo blijkt uit alle vergelijkende tests. De klanten zijn tevreden en de kwaliteit wordt goed beoordeeld. Die lijn moet worden voortgezet, zeker voor mensen die deze zorg het hardste nodig hebben. Dat het college er nu kiest voor de middelmaat door standaard verordeningen over te nemen, is dan ook teleurstellend. Taakstellend is bij de begroting 2012 alvast een fiks bedrag bezuinigd op de WMO. Een groot deel van deze bezuiniging moet worden opgevangen door “de kanteling”…

Het idee achter de kanteling is dat de overheid teveel taken heeft overgenomen van de burger zelf en deze weer terug moet geven. Op het gebied van de WMO betekent dat, dat mensen met een zorgvraag eerst bij vrienden en familie moeten aankloppen, voordat ze een aanvraag bij de gemeente indienen. Ook betekent het dat ergens recht op hebben, niet altijd betekent dat je het ook nodig hebt en dus moet krijgen. Een gedachte die prima te volgen is, maar makkelijk kan doorslaan in teveel afschuiven naar mensen die deze last niet altijd kunnen dragen.

Het was dan ook pijnlijk om naast de presentatie van de gemeente een vrijwilliger van de seniorenraad uit Boxtel aan het woord te horen. Deze verkondigde bijvoorbeeld doodleuk dat de voedselbank zo’n voorbeeld van de kracht van de samenleving is. Wellicht toont dat eventuele kracht van de samenleving, maar is dat de Vughtse samenleving die we moeten willen? Waarbij je als je het moeilijk hebt moet aankloppen bij de voedselbank en afhankelijk bent van liefdadigheid? Dat is niet mijn ideaal! Deze mensen moeten weten dat ze terug kunnen vallen op onze gezamenlijke solidariteit.

Het teruggeven van verantwoordelijkheden aan de burger, betekent dat er meer wordt gevraagd van mensen om te zorgen voor ouders, buren, vrienden etc. Dat zou logischerwijs samen moeten gaan met een versterking van de professionele ondersteuning van vrijwilligers. Goede hulp door familie en vrienden voorkomt immers duurdere professionele hulp. Dan moet er ook geïnvesteerd worden om te voorkomen dat de vrijwilligers te zwaar worden belast. Dat gebeurt op dit moment al met mantelzorgactiviteiten, maar dat moet geïntensiveerd worden wanneer de taken nog meer verschuiven naar een grotere groep mantelzorgers.

Dat zijn punten die PvdA-GroenLinks bij de bespreking van de nieuwe WMO verordening in het voorjaar zeker zal meewegen in onze overwegingen. De nieuwe verordening mag niet enkel gebaseerd zijn op de wens om te bezuinigen, maar moet dat vangnet blijven bieden aan eenieder die dat echt nodig heeft.

maandag, 5 december 2011

Claire Vaessen

Claire Vaessen

Twitter GR

Madeira

De eerste paar dagen viel me een opmerkelijke stilte op: behalve meeuwen en duiven geen andere vogels te zien of te horen. In het bos en meer afgelegen gebieden bleek het toch minder dramatisch te zijn: een madeiragoudhaantje en vinken gespot en ook kanaries die op het Portugese eiland in het wild voorkomen. Kanarie in oliepalm

Van de bananenoogst, die vooral bestemd is voor de export, moet het eiland 10% zelf zien op te eten. Maar omdat toerisme de motor is van de Madeirese economie – dagelijks doen reusachtige cruiseschepen Madeira aan – is daar iets op verzonnen: espada, de lokale, volop verkrijgbare vis, wordt bereid met gebakken banaan en geserveerd als ‘nationaal gerecht. In elk restaurant staat deze schotel op het menu en wordt door toeristen met smaak verorberd. In werkelijkheid is er geen autochtone Madeirees die thuis de combinatie vis en banaan op zijn bord schept.

De kranten geven een beeld van waar Madeirezen zich druk om maken. Dat verschilt niet zoveel van onze zorgen: sociale en financiële problemen, “een meisje” van 28 dat zichzelf in coma gezopen heeft en door de politie naar het ziekenhuis is gebracht, salarisplafonds, bezuinigingen op o.a. gezondheidszorg, de kerstbonus en het vakantiegeld. Er is 15% werkloosheid en 5000 gezinnen (van de kwart miljoen inwoners) maakten het afgelopen jaar gebruik van de voedselbank. “De crisis doet de waarde van solidariteit toenemen”, kopt een krant en in de hoofdstad Funchal hangen oproepen voor een algemene staking. Ondernemers in de toeristensector zijn bezorgd omdat de kerstversieringen in de stad, en dus de overheidsuitgaven daarvoor, wat bescheidener moeten. En er is kritiek op de kosten van het Madeirese parlement dat per inwoner 83 euro kost (tegenover het Portugese parlement: slechts 9 euro per inwoner). Daar wordt vanaf nu alvast € 14.000 aan maandelijkse parkeergelden op bespaard door de parlementariërs te verplichten hun auto in een parkeergarage te zetten, met als consequentie dat ze iets verder moeten lopen.

donderdag, 10 november 2011

Femke Halsema

Femke Halsema

Hyves Twitter TK

Peerke Donderslezing: Over de middenklassen in het westen en in Afrika

In goede doelen, ontwikkelingssamenwerking, geloof, gewoon, gezondheidszorg, grondstoffen, hoop, huis, hulp, en meer.

Post image for Peerke Donderslezing: Over de middenklassen in het westen en in Afrika

Goedemiddag,

Toen ik opgroeide, een puber was, mocht ik op een saaie zondagmiddag graag met mijn moeder een eindje gaan rijden. Stapvoets reden we dan door de nieuwe villawijken aan de rand van Enschede  en verlustigden ons aan de gouden leeuwen die oprijlanen markeerden, de Griekse zuilen waarmee Twentse boerderettes waren versierd en wij roddelden er op los. Enschede was, zo aan het einde van de jaren zeventig klein genoeg om te weten wie er woonde, hoe ze hun geld hadden verdiend, en of hun huwelijken gelukkig waren.
Wij, moeder en dochter, uit de gegoede middenklasse hadden het heel goed maar bezaten niet het kapitaal dat daar op die ruime kavels vaak nogal afzichtelijk was uitgestald.
Het was een vriendelijke vorm van aapjes kijken, van verveeld vermaak, waarover wij ons weinig schuldig voelden omdat het vertoon van rijkdom ook voor ons was bedoeld, zondagrijders uit de middenklasse.

Precies diezelfde lust tot ‘rijken kijken’ zie je terug in het nieuwe programma van Jort Kelder ‘Hoe heurt het eigenlijk’. En ik kan me nog steeds goed vermaken met de rose-tankende, glad gestreken en opgepompte nouveau-riche-dames aan de Loosdrechtse Plassen, die uitleggen dat ze niet alleen een motorjacht bezitten (‘zeilen is zo veel werk’) maar ook een tweede huis bij Saint Tropez omdat ‘ze zo vreselijk van cultuur houden’.
In ‘hoe heurt het eigenlijk’ wordt het pronkgedrag van de nieuwe rijken slim afgezet tegen de tradities van het oude geld. Over het algemeen zijn dat Olie B. Bommel-achtige heren die in gedateerd Nederlands uitleggen dat zij hun landhuis, stammende uit 1700 of daaromtrent, in stand weten te houden door een natuurcamping en wat biologische boerderijen op de landerijen toe te laten.

Wat ‘Hoe heurt het eigenlijk’ anders maakt dan eerdere programma’s van bijvoorbeeld Gert Jan Droge is het nogal stichtende karakter. Als kijker word je ook op allerlei manieren duidelijk gemaakt hoe je wel en niet zou moeten leven, wat beschaafd is en wat nastrevenswaardig is. En dat is de nouveau-riche overduidelijk niet. Het oude geld wel want dat heeft tradities, sociaal besef, eet met mes en vork en lepelt geen vaten rose naar binnen maar drinkt een glas goede rode wijn op zijn tijd.

Het stichtende karakter van het programma heeft inmiddels ook geleid tot heel serieuze beschouwingen in kranten. Een van de meest hilarische is wel een beschouwing in de Volkskrant donderdag 4 november waarin werd betoogd dat wij Jort Kelder, als onze nationale polderdandy, dankbaar mogen zijn omdat hij een grote bijdrage zou leveren aan de ‘heropvoeding van Nederland’.
Ofwel, de landerijen zullen wij met zijn allen nooit bezitten, de familienamen ook niet, maar beschaafd gedrag leeft de oude adel ons voor.

Ik vind dat uit zo’n geleerde analyse in de krant vooral een nogal wonderlijke nostalgie naar de 19e eeuw spreekt. De redenering die wordt gehanteerd is eenvoudig. Weliswaar is de rijkdom waar de ontwikkelde smaak op rust, niet binnen ons bereik maar dat neemt niet weg dat we wel degelijk de goede omgangsvormen kunnen kopiëren.
Laat ik het eens bout zeggen. Zoals in de 19e eeuw, zijn armoede en een gebrek aan kansen geen excuus voor slechte manieren.

Wat mij betreft maakt ‘hoe heurt het eigenlijk’ met haar stichtende boodschap en de analyse in de Volkskrant die er op voortbouwt, deel uit van een maatschappelijke en politieke ideologie waarmee ik moeite heb. Het is de ideologie van ‘de eigen verantwoordelijkheid’ die al jaren een grote populariteit geniet.
Het is ook de ideologie waarbij de omstandigheden waarin je leeft, de armoede waar je aan bent blootgesteld, het gebrek aan kansen om hoger op te komen, nooit een argument kunnen zijn voor het gedrag dat je vertoont.
Natuurlijk klopt dit wel op het niveau van het individu. Simpel, als je arm bent en je gaat jatten, dan kan je armoede misschien een verzachtende omstandigheid zijn maar je bent ook gewoon verantwoordelijk voor je criminele gedrag en verdient daar straf voor. Bovendien, voor opgroeiende jongeren in onze samenleving die zich schuldig maken aan crimineel gedrag, geldt ook dat ze weliswaar zelden voortkomen uit de hoogste economische klassen, maar ze wel degelijk kansen hebben. Ze hoeven niet te straatroven omdat er anders geen brood op de plank is. Ze kunnen naar school, er is werk (hoewel de jeugdwerkloosheid relatief hoog is) en ze kunnen een legaal bestaan opbouwen. Dat ze kiezen voor criminaliteit en het terroriseren van anderen, daarop mogen zij – 1 voor 1 – worden aangesproken, evenals de ouders die hen opvoeden.

Maar met het veroordelen van individueel wangedrag en het tot voorbeeld maken van de oude adel ben je er niet als je de staat van een samenleving wil begrijpen. Als je bijvoorbeeld de criminaliteit wil verminderen, de sociale problemen van werkloosheid, van lethargie of een armoedecultuur van mishandeling en uitbuiting wil begrijpen. Laat staan dat de voorbeeldige omgangsvormen van het oude geld en de elites, ook maar het begin van een oplossing vormen voor de vermindering van die problemen.

Ik wijd uit over ‘Hoe heurt het eigenlijk’ omdat ik de populariteit van de boodschap, blijkbaar ook onder sommige intellectuelen, zeker op dit moment, nogal wrang vindt. We leven in een economische periode waarin de tegenstellingen tussen arm en rijk, kansarm en kansrijk, mondiaal, in de Verenigde Staten, in Europa en in Nederland snel toenemen. We leven ook in een periode waarin het geloof in vooruitgang, het geloof dat onze kinderen het beter zullen hebben dan wij, zwaar onder druk staat.
Het was precies dat geloof dat het zondagse uitje van mijn moeder en mij tot vrolijk, oppervlakkig vertier maakte dat vrij was van elke vorm van rancune.
Er kon toen namelijk geen twijfel over zijn dat ik als dochter uit de middenklasse – als ik me een beetje gedroeg – meer kansen zou krijgen dan mijn moeder, dat ik een goede opleiding zou kunnen gaan volgen, dat ik werk zou vinden, een huis, dat ik verre reizen zou kunnen maken en verder alles zou kunnen doen wat ik wilde.

Dat tij is gekeerd.
In de eerste plaats voor de mensen met de laagste inkomens maar ook voor de middenklassen.

Europese middenklassen

In het prachtige boekje ‘Ill fares the land’, beschrijft de Britse historicus – en helaas vorig jaar overleden – Tony Judt, de geleidelijke teloorgang van de westerse verzorgingsstaten, en het verdwijnen en verminderen van kansen op sociale stijging van kinderen uit de lagere sociale klassen en de middenklassen.
Hij beschrijft hoe vooral in de Verenigde Staten en in het Verenigd Koninkrijk na bijna een eeuw van economische groei en welvaartsspreiding (ruwweg vanaf het einde van de 19e eeuw tot 1980), deze tot stilstand zijn gekomen. Er is zelfs sprake van een omgekeerde beweging.

Al in de tien jaar voorafgaand aan de kredietcrisis in 2007 daalde het gemiddelde inkomen van gewone Amerikanen en werd hun geloof in vooruitgang op de proef gesteld. Voor veel burgers gold dat hun huizen hun enige stabiele kapitaal waren. Uit een studie van de Amerikaanse journalist Don Peck blijkt dat aan het begin van 2011 die huizen bij 1 op de 4 middenklasse-gezinnen een nauwelijks nog te dragen schuldenlast is, terwijl 1 op de 7 gezinnen wordt bedreigd door uitzetting en faillissement.
55% van de gewone Amerikanen heeft sinds de crisis te maken gekregen met werkloosheid, vermindering van uren of een forse salarisdaling. Volgens Peck veranderen in de nasleep van de economische crisis de levens van mensen ingrijpend: de verbondenheid tussen generaties staat onder druk, werkloze mannen verliezen hun positie tegenover hun vrouwen en kinderen, jongeren missen toekomstperspectief en zijn somber en voelen zich in de steek gelaten. Ook Tony Judt deelt deze sombere analyse. Hij spreekt van pathologische sociale problemen die horen bij harde klassentegenstellingen: stijgende kindersterfte, verminderende levensverwachting, criminaliteit, een geharde en onverbeterlijke gevangenispopulatie, werkloosheid, obesitas, teenage-zwangerschappen etc. etc.

Judt is de eerste om – terecht – een onderscheid aan te brengen tussen de Verenigde Staten en Groot Brittannië enerzijds en de meer gelijkmatige noord-Europese samenlevingen zoals Nederland anderzijds. Hier zijn de inkomenstegenstellingen nog altijd veel kleiner en is de toegang tot bijvoorbeeld goed onderwijs en relatief goede gezondheidszorg veel beter gewaarborgd. Dat neemt niet weg dat ook in Nederland, net als in andere Europese landen sprake is van een neergaande lijn. De inkomenstegenstellingen groeien en door de bezuinigingen vermindert de toegang tot de publieke voorzieningen voor de lagere en middeninkomens. Denk bijvoorbeeld aan de bezuinigingen op de kinderopvang, de gezondheidszorg, de PGB’s, het onderwijs, de universiteiten en de cultuur.

Tony Judt heeft bovendien een andere boodschap. Hij beschrijft groeiende ongelijkheid niet alleen als onrechtvaardig in zichzelf, maar ook als gevaarlijk voor de sociale en democratische stabiliteit van de samenleving: de geleidelijke toename van sociale en culturele spanningen, de vlucht in extremisme en de snel afbrokkelende bereidheid van mensen om voor elkaar te zorgen, om solidair te zijn – rechtstreeks en via het gezamenlijke betalen van belastingen.
Al deze ontwikkelingen zien we ook in Nederland. De intolerantie jegens elkaar neemt toe, net als de rancune, burgers vluchten naar de politieke flanken en verliezen hun bereidheid – hun stemgedrag is daar een uiting van – om (bijvoorbeeld via belastingen) te investeren in de publieke sfeer, in cultuur, in versterking van het onderwijs, of bijvoorbeeld in ontwikkelingssamenwerking die het lot van de allerarmsten iets verbetert.
Kortom, de groeiende ongelijkheid leidt tot toenemende maatschappelijke tegenstellingen en afnemende solidariteit. Dit ondermijnt geleidelijk het vermogen van een samenleving en haar politici om door inkomensmaatregelen en investeringen in de publieke sector, alsnog het tij te keren.

Afrika

Goed tot hier mijn enigszins sombere analyse van de staat van onze ‘westerse’ samenleving. Nu wil ik met u een hele grote stap maken naar Afrika, als brandpunt van de derde wereld.
In 2009 publiceerde de van oorsprong Zambiaanse econome Dambisa Moyo het boek ‘Dead Aid: Why Aid is Not Working and How There is a Better Way For Africa’. Zij bekritiseert hard en grondig ontwikkelingssamenwerking als een manier om de armoede in Afrika in stand te houden en gewone gezonde economische groei af te remmen. Tegenover de, weinig zoden aan de dijk zettende donaties van Westerse landen, plaatst zij de investeringen die een weinig democratisch land als China in Afrika doet, als duurzamer en toekomstgerichter.
Het hoeft weinig verbazing te wekken dat het boek – zacht gezegd – op een onstuimige ontvangst kon rekenen, temeer daar het al snel een internationale bestseller werd die ook graag door politici geciteerd werd, zoals de president van China. Conservatieven en neoliberalen die Afrika al lang als een bodemloze put beschouwden, zagen in het boek – ook nog geschreven door een Afrikaanse – een mooie aanleiding om alle ontwikkelingshulp stop te zetten. De ontwikkelingsindustrie beschouwde het als een dolksteek in de rug en schreeuwde moord en brand – Bono van U2 voorop – dat Moyo een neo-conservatieve agent was en niet vertrouwd kon worden. De heftige polarisatie rond het boek is begrijpelijk maar ook jammer omdat Moyo’s analyse wel degelijk hout snijdt voor Afrika, net als voor Europa en de Verenigde Staten.

Haar stelling is dat de grote afhankelijkheid van hulpprogramma’s die de afgelopen halve eeuw in Afrika is ontstaan, heeft verhinderd dat er sprake was van gewone economische groei, van stijgende inkomens voor Afrikanen en van de opbouw van democratische rechtstaten. De hulp richtte zich vooral op het verlichten van de ergste armoede en nood, maar creëerde onbedoeld ook afhankelijkheid daarvan.
Bijvoorbeeld in een land als Kenia, waarmee het relatief goed gaat, gaat 70% van het nationaal budget op aan salarissen van politici en overheidsfunctionarissen. Een groot deel van de gewone overheidsinvesteringen in de samenleving komen uit ontwikkelingsbudgetten.

Tegelijkertijd beschrijft Moyo – en dat is een belangrijk punt – ontbraken werkelijke economische investeringen uit Europa en de Verenigde Staten in Afrikaanse landen, terwijl het westen tegelijkertijd zijn grenzen zo goed als gesloten hield en houdt voor grootschalige import uit Afrika. Niet alleen was er sprake van groeiende afhankelijkheid van ontwikkelingshulp, er was in veel Afrikaanse landen ook nauwelijks een alternatief voor in de vorm van economische activiteiten die inkomen opleveren.
Door hulpafhankelijkheid en de afwezigheid van economische bloei kennen veel Afrikanen, volgens Moyo, weinig mogelijkheden voor sociale stijging, de armoede is groot en wordt bepaald niet kleiner, de inkomensafstanden zijn immens. Tegenover een enorme populatie van armen staat een kleine groep van exorbitante rijken, die vaak corrupt is en in het bezit van de politieke macht. Veel andere smaken dan heel arm en heel rijk zijn er nauwelijks: middenklassen bestaan maar summier en vooral in de landen waarmee het naar verhouding redelijk of goed gaat.

Ik ben het maar ten dele met Moyo eens. Ik denk dat zij de ontwikkelingshulp veel te veel verantwoordelijkheid geeft voor de miserabele staat van veel Afrikaanse landen; andere – geografische, etnische, historische en politieke – redenen spelen een minstens even grote rol. Bovendien denk ik dat zij een veel beter onderscheid dient te maken tussen noodhulp, zoals nu in de Hoorn van Afrika en langer lopende ontwikkelingsprogramma’s.
Ik wil deze lezing ook niet gebruiken om de aard van ontwikkelingssamenwerking verder te bekritiseren. Niet alleen wordt die discussie al hevig gevoerd, je ziet ook bij veel hulporganisaties een grote verandering in de hulp die zij bieden. Veel meer dan in het verleden richt die zich op de opbouw van bedrijfjes en het versterken van de economische structuur van landen, en de werkgelegenheidskansen van mensen.

Ik haal Moyo aan vanwege een andere centrale boodschap van het boek: wat heeft Afrika nodig?
Moyo stelt dat Afrika werkelijke economische investeringen nodig heeft die leiden tot de opbouw van een sterke en politiek bewuste middenklasse.
Het is deze middenklasse die in staat zal zijn om belastingen te betalen, en die – als zij een perspectief hebben op sociale stijging en een betere toekomst voor hun kinderen – dat ook willen doen.
Moyo’s stelling is dat de corruptie en het vergaande politieke misbruik dat zoveel Afrikaanse landen kennen, ook wordt mogelijk gemaakt omdat burgers geen belang hebben bij de verandering ervan. Ze zijn arm, voor hun inkomsten afhankelijk van buitenlandse hulp en missen elk perspectief op werkelijke verbetering voor zichzelf, hun kinderen en de samenleving. De sociale problemen waarmee zij worstelen zijn zo groot, de cultuur van armoede zo diep geworteld, dat er nauwelijks ruimte is voor solidariteit met elkaar.
Moyo stelt dat – en dat beschouw ik als haar belangrijkste claim – dat alleen de opbouw van middenklassen, zal leiden tot de politieke en democratische verandering die zo veel Afrikaanse landen heel erg hard nodig hebben. Als Afrikaanse burgers een beter inkomen krijgen, belasting gaan betalen, dan zullen zij ook hardere eisen gaan stellen aan de politici die hun geld besteden. Het is dan namelijk hun geld – en geen ontwikkelingsgeld – dat verdwijnt in corrupte zakken. Het is hun geld dat bestemd is voor het onderwijs van hun kinderen, voor gezondheidszorg en voor het bijstaan van armen.

Hier raakt de analyse van Moyo, zij het over een heel ander en oneindig veel kwetsbaarder continent, aan de redenering van Judt. Ook Judt betoogt dat duurzame welvaart en maatschappelijke stabiliteit voor een belangrijk deel op de middenklassen rusten en op een geringe afstand tussen de hoge en lage inkomens: bij een gelijkmatige spreiding van welvaart, gebonden aan een werkelijk perspectief op sociale stijging, zijn de sociale problemen beheersbaar en zijn mensen bereid en in staat tot werkelijke solidariteit.
Hoe ver Afrika hier misschien nog van verwijderd is, en hoe onbegaanbaar misschien ook de route lijkt, Moyo pleit voor een volwassen en eerlijke omgang met Afrikaanse landen. Zij pleit voor werkelijke economische investeringen, zoals – inderdaad – China dat nu doet, en die in de eerste plaats gewone ‘hardwerkende’ Afrikanen ondersteunen. Terzijde, we hoeven geen rooskleurig beeld te hebben van de motieven van Chinezen om te investeren, maar dat maakt het ook niet per se slecht. Bijvoorbeeld in Liberia, waar ik dit voorjaar was, zijn Chinezen in grote getale aanwezig vanwege de rijkdom aan grondstoffen van het land. Maar je ziet ook overal Chinese winkels en kleine restaurants. Aan de rand van de hoofdstad Monrovia wordt een grote universiteit gebouwd met Chinees geld. Dat maakt – hoe dan ook – een daadkrachtiger indruk dan de Unicef-posters die je verderop in de jungle ziet: ‘also boys like to do the dishes’.

Net als Judt pleit Moyo vooral voor de opbouw van meer egalitaire samenlevingen waarin de rijkdom eerlijker wordt gedistribueerd, de inkomensafstanden kleiner zijn en waar via de belastingen en via politieke inmenging mensen betrokken zijn bij het welzijn van elkaar en van hun land.

Ik denk dat velen van u, die hier vandaag aanwezig zijn, een wat grotere dan gemiddelde belangstelling hebben voor ontwikkelingssamenwerking en worstelen met de vraag hoe wij de derde wereld kunnen helpen. Zoals Peerke Donders, de naamgever van deze lezing, dat meer dan een eeuw geleden deed in Suriname.

Hoe kunnen wij Afrika helpen?

Met het beantwoorden van deze vraag wil ik deze lezing afronden.
In de eerste plaats door ons zelf te helpen. Hoe moeilijk ook de economische periode die wij doormaken, hoe hoog de nood aan bezuinigingen ook is, juist nu moeten wij er naar streven om de inkomensafstanden in onze samenleving niet verder te laten vergroten, en onze publieke sfeer niet te laten verloederen. Alleen als onze samenleving in de toekomst een rechtvaardige is, die gelijke kansen op onderwijs, werk en welzijn kent voor mensen uit alle inkomensklassen, zal er de bereidheid zijn en blijven om over onze schutting heen te kijken en een open oog te hebben voor de noden in Afrika.

In de tweede plaats, door tegelijkertijd onze omgang met Afrika te veranderen. Anders dan Moyo denk ik dat hulp – en zeker noodhulp – voorlopig noodzakelijk zal blijven. Maar wij moeten ons meer en meer concentreren op het investeren in duurzame economische groei in Afrika. Via microkredieten, via venture capitalists die kleine bedrijfjes (taxi-, telecombedrijfjes) helpen starten, via publieke organisaties die mensen trainen in politieke en democratische weerbaarheid, zoals nu door een aantal NL’se organisaties in de landen van de Arabische lente wordt gedaan. We zullen ook eerlijke handel moeten gaan toestaan. De benadeling van Afrika die het gevolg is van protectionisme en tarfiefmuren, is absurd – zeker in het licht van de grote armoede die daar is en de hulp die er vanuit Europa naar toe wordt gezonden.

Als ik terugdenk aan de zondagse ritjes met mijn moeder, moet ik altijd een beetje grinniken, Vanwege het schaamteloze naar binnen loeren natuurlijk, maar ook vanwege de volledige afwezigheid van jaloezie en rancune bij andermans uitgestalde rijkdom. In ons leven zat namelijk ruimte en perspectief genoeg om niet afgunstig te zijn.

Ik hoop dat mijn dochter ooit, met haar dochter (wie weet?) zo’n zondags ritje maakt, vrolijk en enkel licht gegeneerd, wetende dat ook zij alle ruimte hebben om zich te ontwikkelen en ontplooien.
Sterker, ik hoop dat over enige tijd een vrouw in Monrovia met haar dochter een ritje naar de buitenwijken maakt. En zich dan vermaakt. Sans rancune, omdat zij het zelf ook goed hebben.

Deze lezing werd uitgesproken op 6 november in Tilburg, ter gelegenheid van de Peerke Donderslezing op 4 november 2011

zondag, 30 oktober 2011

Patrick Rijke

Patrick Rijke

Linkedin Twitter GR

Waarom ik nog bij GroenLinks zit

In gemeenteraad zwolle, landelijke politiek, gemeenteraad, groenlinks, lokale politiek, zwolle, politiek, andere partijen, architectuur, en meer.

‘Zo dus jij zit nog wel steeds bij GroenLinks’ – ironisch grijnzend schoof een voormalig partijlid en trouw bezoeker van de ledenvergaderingen aan, toen ik deze zomer tijdens een van de activiteiten bij ons in de wijk aan de bar van ‘sociaal-culturele vereniging’ Eureka aan het Assendorperplein een biertje zat te hijsen. Hij was een van de mensen voor wie de naïeve opstelling van de Kamerfractie rond de ‘politietraining’ in Kunduz de druppel was geweest die terechtkwam op een emmer vol onvrede over de vrijzinnige koers van de landelijke partij. Het kostte onze afdeling maar liefst drie oud-fractievoorzitters en een aantal andere leden, van wie sommigen net als mijn bargenoot van die middag al wel eens eerder hadden aangegeven bij landelijke verkiezingen socialistisch te stemmen.
‘Ja, ouwe overloper,’ riposteerde ik, ‘ik ben nog steeds lid, actief in de raadszaal en elders in de stad.’ We waren het snel eens over de klunzige Kunduz-aanpak en de verstrengeling van Mariko Peters (nee niet van belangen, maar wel van wat anders, meenden we als mannen met bier aan de bar). En zo bleef de ontmoeting toch nog gezellig. ‘Ik schrijf wel eens in een column waarom ik desondanks bij GroenLinks blijf’, zo hield ik me een vervelende woordenwisseling van het lijf. Ik had gewoon zin in een vrije middag.
Hier is die dan.

Direct
Toen ik een klein decennium geleden besloot politiek actief te worden heb ik heel bewust gekozen voor de lokale politiek. Ik wil mijn steentje bijdragen aan het verbeteren van mijn directe leefomgeving en die van onze en alle kinderen. Hier in de stad is demokratie nog lekker ‘direct’.
Ik fiets naar de andere kant van de stad om met een bewoner ter plekke te bekijken wat de problemen zijn bij hem om de hoek bij het kruispunt van een hoofdfietsroute in de wijk met een auto-ontsluitingsweg en bel met de ambtelijk projectleider om de complicaties die ik heb ontdekt door te spreken. Ik ga op de Grote Markt in discussie met iemand van de stichting Levende Stadsgeschiedenis over het gebruik van eigentijdse architectuur in onze oude binnenstad, die sinds de Middeleeuwen in een eeuwenlange opeenvolging van bouwstijlen zijn huidige karakter kreeg. Ik speel met mijn kinderen in het stadspark en snak naar de komst van een horecapaviljoen met een terrasje aan de parkvijver, maar ik ken en snap heel goed de bezwaren van omwonenden als de gemeente aanstuurt op een soort partycentrum.

Hier loop je tijdens een wijkplatform de mensen die zich net als jij druk maken over het reilen en zeilen in hun woonomgeving tegen het lijf. Hier word je in de raadszaal rechtstreeks aangesproken door leden van een actiecomité die net als wij het buitengebied rond de bestaande stad groen willen houden. Hier zie je de gevolgen van de beslissingen die je neemt met eigen ogen: er wordt een fietsstraat aangelegd waar je je jaar na jaar sterk voor hebt gemaakt, er worden ondanks niet-in-mijn-voor-en-achtertuin-bezwaren toch woningen gebouwd op een jarenlang leeg gebleven veldje, zodat het beleid van ‘inbreiding’ in de bestaande stad realiteit wordt, en een prachtig stukje ‘binnentuin’ in het zuidelijke stadsdeel blijft na jaren strijd groen en wordt toegankelijk gemaakt voor het publiek.

Daarom ben ik nog steeds actief in de lokale politiek.

Onze fractie werkt systematisch aan een duurzaam, groen, sociaal én ‘kleurrijk’ Zwolle en daarin onderscheiden we ons van alle andere partijen in de stad.
Geen enkele partij is tégen Zwollenaren met een kleurtje, roze driehoek of afwijkende leefstijl, maar GroenLinks Zwolle strijdt ronduit vóór behoud van de multiculturele samenleving en pleit niet voor integratie maar voor ‘samen-leven’. En bij ‘samen’ horen voor ons vanzelfsprekend ook mensen met een fysieke beperking of mensen die om welke reden dan ook zichzelf tijdelijk, langdurig of levenslang niet kunnen redden.
Sommige partijen – hier in de stad ook linkse partijen – zien in cultuur een makkelijke bezuinigingsprooi, maar GroenLinks wijst op de intrinsieke waarde ervan en op de meerwaarde van cultuur in de breedste zin van het woord voor een levendige, aantrekkelijke en (ook economisch) bloeiende stad. Ook cultuur zorgt voor een ‘kleurrijke’ stad.
Sociaal vindt elke partij zichzelf. Maar bij GroenLinks strekt solidariteit zich ook in één adem uit over de rest van de wereld.
Alleen GroenLinks springt steeds op de bres voor biodiversiteit, een schone lucht en het kleine en het grote ‘groen’ in en om de stad, of het nu gaat om mussenhagen, bermen die beter door schapen dan door machines kunnen worden gemaaid of complete uitloopgebieden in de stadsrand waar de stadsbewoners schone lucht en rust opsnuiven.
En – last but not least – voor GroenLinks is duurzaamheid geen marketing-imago waar geld mee te verdienen valt, maar gaat het er echt om dat onze planeet het volhoudt (zonder planet geen people, laat staan profit, zeg ik altijd maar, als ‘de drie P’s’ weer eens in evenwicht moeten zijn volgens de beleidsmakers).

Daarom zit ik nog steeds bij GroenLinks.

Ennuh… als je dit nou leest, hè, moet je dan eigenlijk ook niet toegeven: eigenlijk was het fout om jullie in de steek te laten!


donderdag, 27 oktober 2011

Jolanda de Vreede

Jolanda de Vreede

Twitter

Legaal door erfopvolging?

Mensen zijn niet illegaal. Niemand kan de wereld claimen of stukken daarvan.

Als er al wat valt aan te merken op het gegeven dat de koning van een land door erfopvolging aan een baan komt, mogen we ook best eens stil staan bij het gegeven dat erfopvolging ons allen hiergeborenen het recht geeft op een stuk van deze wereld. Hier geboren? Dan heb je recht hier te wonen. Sterker nog: je hebt ook het recht om te bepalen dat een ander die hier niet geboren is, dat recht niet heeft.

Uiteraard begrijp ik dat het maatschappelijk handig is om min of meer gelijkgestemden binnen een groep te hebben. Gelijkgestemdheid vergroot de kans op succesvolle samenwerking en solidariteit.

Radicaal claimen we voor het grootste deel op basis van erfopvolging een stuk van onze wereld. We geven iemand van ‘buiten’ niet het recht in onze maatschappij te wonen. Ook niet als hij helemaal meedraait, gelijkgestemd is en zelfs niet als hij iets toevoegt. Gewoon, omdat wij hier geboren zijn en hij niet.

Onaardig hè?

woensdag, 26 oktober 2011

Jolanda de Vreede

Jolanda de Vreede

Twitter

Kleinschaligheid

In kort, energie, belangrijk, delen, downloaden, gratis, internet, macht, mensen, en meer.

Er komen steeds meer ZZP’ers, mensen willen graag hun eigen kennis en kunde te gelde maken zonder naar de pijpen van dure leidinggevenden zonder toegevoegde waarde te moeten dansen.

Grote thuiszorginstellingen worden in steeds meer plaatsen ingehaald door buurtzorg, kleinschalige organisaties waar thuiszorgers – verpleegkundigen- volgens zelf in teams gemaakte roosters mensen verzorgen en verplegen. Niks onpersoonlijke organisatie met een geldverslindende directeur.

Voor de kleine ondernemer die zich wil verzekeren tegen ziektekosten is er het broodfonds, gebaseerd op solidariteit. Iedereen stort in een pot en als iemand door ziekte geld nodig heeft, doet hij een beroep op deze spaarpot. De deelnemers die een pot delen kennen elkaar allemaal. Weg geldbeleggende, winstmakende en zakkenvullende verzekering.

Wetenschappelijke boeken zijn steeds vaker kosteloos te downloaden, steeds meer kennis komt gratis beschikbaar via internet. Energie van de zon kan gratis uit de lucht worden geplukt.

De macht van de markt neemt af. Geld wordt veel minder belangrijk. Misschien is dit de nieuwe weg: niet groot denken maar juist klein, heeeeel klein.

vrijdag, 21 oktober 2011

John Jorna

John Jorna

Een heel goede avond! Ik kom collecteren voor….

In column van de week, bedelaar, brievenbus, buitenland, mensen, museum, nederland, ouderen, hulp, en meer.

COLLECTEREN IN CRISISTIJD

Een paar keer per jaar mag ik collecteren. Er zijn van die aardige vrouwelijke kennissen of familieleden wier verzoek ik niet kan weerstaan. Niet dat ik er tegenop zie. Als elfjarige werd ik er door mijn vader al op uitgestuurd. Ik zou het als bedelaar misschien geeneens zo slecht doen. Bij een vossenjacht van school speelde ik sjofel gekleed de trottoirtekenaar en ja, eerst de leerlingen en daarna het gewone publiek begon er geld bij te leggen. Maar collecteren is toch anders.

Deze keer was het voor de Brandwondenstichting. Je krijgt tevoren enig voorlichtingsmateriaal. Dan blijkt, dat er verbazende vooruitgang is geboekt bij de behandeling van brandwonden. Nog maar weinig slachtoffers overlijden. Er blijven littekens, maar de resultaten van behandeling met kweekhuid worden steeds beter. We collecteren niet voor niets.

Ik kreeg een straat toebedeeld, die onder collectanten een beetje beruchte klank heeft. Je belt aan, ziet mensen binnen, maar ze doen niet open. Ik tik soms op de ruit. Zelfs dat helpt niet. Opmerkelijk veel bellen doen het niet. Ik klepper dan maar met de brievenbus. Vaak weten ze geen eens, dat de bel defect is. Nou ja. In een geval was twee keer de deur niet open gedaan. Een flinke tijd later probeerde ik het nog eens. Toen had de bewoner het kennelijk niet door, dat er een collectant aanbelde. Hij weigerde niet al te vriendelijk. Dit jaar was deze figuur een uitzondering. Bij een stuk of zes gevallen was duidelijk, dat de mensen niets konden missen. Dan merk je opeens, dat in deze tijd sommige ouderen en werkzoekenden het financieel moeilijk hebben. Al prakkiserend dacht ik: ”Eigenlijk zou ik voor die mensen moeten collecteren!” Al met al viel het mij deze keer erg mee. De mensen waren beleefd, soms enthousiast om mee te doen.

Een reactie trof mij bijzonder. Na het “een heel goede avond, meneer. Ik kom voor de Brandwondenstichting.”, zei de bewoner: “Oh, dat is een doel in Nederland. Daar wil ik wel voor geven!” Ik was perplex, maar ja reageren, terwijl je een bijdrage in de bus hebt gekregen, is ook al zo wat. Ik vroeg mij af, wat hij eigenlijk bedoelde. Was hij er van overtuigd, dat alle hulp aan het buitenland verdwijnt in de zakken van corrupte bazen? Dacht hij dat hulp aan het buitenland gelijk is aan het dempen van een bodemloze put? Heeft hij een hekel aan buitenlanders? Of vindt hij, dat de noden in Nederland zoveel erger zijn en dat er in Nederland nog zo veel te doen is? Eigen volk eerst? Ik moest weer denken aan het Watersnoodmuseum bij Ouwerkerk waar ik vorig jaar over schreef. Daar kun je allerlei buitenlandse kranten zien, die over de ramp schreven en in het hele museum binnen in die enorme betonnen caissons zie je voorbeelden van hulp, die uit het buitenland kwam. Maar ja, in 1953 was die man nog geeneens geboren, denk ik. Veel mensen van nu zijn vergeten, dat solidariteit een wederzijds karakter heeft. Dat naastenliefde onbaatzuchtig zou moeten zijn, dat is iets, dat te veel mensen in deze tijd van secularisatie een ver-van-mijn-bed-show vinden. Het zijn me tijden….

Jaargang 4, Nr. 184.

zondag, 16 oktober 2011

Frank Hemmes

Frank Hemmes

Europese identiteit in tijden van crisis

In politiek, burger, schuldencrisis, solidariteit, europese, grieken, identiteit, idee, burgerschap, en meer.
Nu dankzij voortduren van de Europese schuldencrisis Europese solidariteit onder druk komt te staan, dringt het vraagstuk van een Europese identiteit zich op. Voelen we ons voldoende Europees burger om ook de Europeanen buiten onze grenzen te helpen? Of is het idee van een Europees burgerschap een fictie, en zijn we niets anders dan Grieken, [...]

zaterdag, 15 oktober 2011

Harmen Binnema

Harmen Binnema

Linkedin Last.fm Twitter PS

De achterban

In groenlinks, politiek, weblog, zomaar een mening, amsterdam, columns, de jager, discussie, achterban, en meer.

Het warrig en inconsequent redenerende PvdA-raadslid Latif Hasnaoui was natuurlijk geen partij voor Tofik Dibi, deze week bij Pauw en Witteman. Dibi verweerde zich terecht tegen het verwijt dat politici met een moslim-achtergrond zich meer direct voor hun achterban zouden moeten inzetten. Je bent immers gekozen om zo goed mogelijk het verkiezingsprogramma uit te voeren van de partij die je vertegenwoordigt. Een verhaal dat Dibi met overtuiging bracht, zonder te ontkennen dat hij als moslim in de Tweede Kamer wel een speciale verantwoordelijkheid voelt. Heel herkenbaar, omdat het ook de manier is waarop ik mij altijd als Statenlid voor GroenLinks heb ingezet, bijvoorbeeld als ik de vraag kreeg wat ik ging doen voor jongeren of voor Amsterdam.

Maar ergens is het een iets te mooi antwoord. Want iedere politicus neemt het meer op voor bepaalde groepen, heeft meer affiniteit met de ene groep dan met de andere. Wie je bent, waar je vandaan komt en met wie je praat, heeft invloed op je politieke handelen. Al was het maar omdat een verkiezingsprogramma maar een beperkt aantal antwoorden geeft op een beperkt aantal vragen. Er komt zoveel voorbij waarin je je niet kunt verlaten op het programma, maar een eigen afweging moet maken. Handelen ‘volgens het GroenLinks programma’ is dan ook heel relatief: het is het resultaat van wat je gezamenlijk (als afdeling, als fractie) beschouwt als een GroenLinks standpunt. De discussie rondom Kunduz is daarvan een duidelijke illustratie.

Gezien vanuit het perspectief van de kiezer is het ook logisch dat een politicus actiever is voor sommige achterbannen. Het is niet zonder reden dat iemand GroenLinks stemt en een ander PVV. Daar horen ideeën, belangen en wensen bij. Een politicus moet antwoord hebben op de vraag ‘What have you done for me lately?’ Politieke keuzes hebben consequenties, soms pijnlijke. Voor echte mensen in echte situaties. Ook GroenLinks maakt zulke keuzes: eerder de bijstandsmoeder dan de miljonair, eerder de busreiziger dan de automobilist, eerder de vogelaar dan de jager. En dat is niet gek, want het past bij een politieke opvatting waarin je opkomt voor mensen die kwetsbaar zijn, die solidariteit verdienen. Dat komt de een ten goede en gaat ten koste van de ander.

Het is heel iets anders dan cliëntelisme, waarin er bijna een 1-op-1 relatie ontstaat tussen kiezer en gekozene en de laatste in ruil voor een stem iets moet bieden. Bovendien heeft dat iets dwingend in zich: we zijn toch allebei Groninger/christen/milieuactivist, dus… Het is juist een gezamenlijke verantwoordelijkheid om voor die particuliere belangen op te komen. En dat gaat vaak het best wanneer dat komt van degene van wie je het niet had verwacht.

zaterdag, 8 oktober 2011

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

Ieder voor zich of toch liever samen?

Column verschenen in De Linker Wang, oktober 2011

Het was een indringend beeld, de graaiers die op de A2 hielpen bij het ‘opruimen’ van geld dat uit een geldauto was gevallen. Indringend, want wat zouden wij zelf hebben gedaan? Doorrijden? Het geld oprapen en afgeven aan de bewakers? Of toch maar meenemen? In gesprekken erover bleek de moraal vaak flinterdun. Toen doordrong dat de graaiers waarschijnlijk allemaal op video stonden, ging de een na de ander bij de politie het geld (of een deel ervan) inleveren. Dat is ongeveer het morele niveau van een kat of een klein kind: alles mag als het maar niet gezien wordt… Het morele basisprincipe van mijn en dijn is niet altijd even sterk.

Geld van burgers

Datzelfde principe van mijn en dijn wordt juist wel ingeroepen in allerlei discussies over overheidsuitgaven. Of het nu gaat om kunstsubsidies, salarissen van politici en bestuurders, of zorgkosten, er is al gauw iemand die roept: ‘dat doen ze wel van mijn geld.’ En eerlijk is eerlijk, het kabinet lokt dat ook uit. Men verkoopt de harde bezuinigingen onder meer met het argument dat men zuinig is op ons geld. Dat siert de overheid natuurlijk. Het is goed dat ministers beseffen dat ze namens ons beleid maken en uitvoeren en dat het geld dat ze daarbij uitgeven ons gezamenlijke geld is.

Die boodschap wordt vervolgens vooral door kritische stemmen snel overgenomen: ‘dat doen ze van ons geld.’ Inderdaad. Maar het gaat fout als dat vervolgens vertaald wordt naar het individuele niveau. ‘Dat doen ze van mijn geld.’ Meestal betekent dat ook gelijk: ‘en dat zou niet moeten. Mijn geld wordt besteed aan zaken waarmee ik het niet eens ben.’ De – goede – boodschap dat de overheid zich bewust is dat men geld van de burgers uitgeeft, wordt een verlammende redenering als iedereen het met elke uitgave eens moet zijn.

Dat verlammende wordt versterkt door berekeningen dat ongeveer de helft van het geld van burgers door de overheid wordt ingenomen en dat we pas na juli ‘voor onszelf gaan verdienen.’ Voortdurend wordt het beeld neergezet dat de staat een groot geldverslindend monster is dat voortdurend loert op onze eigendommen. En als ze ons geld eenmaal hebben, kunnen wij niets anders doen dan mokkend toezien hoe ze ons geld verspillen.

Afbraak solidariteit

Wat we snel vergeten, is dat we met ons gezamenlijke geld onze samenleving in stand houden. Dat we de zaken zo geregeld hebben dat niet iedereen zijn eigen riool bouwt, maar dat het handiger is als we dat samen doen. Dat je beter collectief scholen en ziekenhuizen kunt bouwen dan ieder voor zich. Dat havens, spoorwegen, bossen, cultuur, sportvoorzieningen en al die dingen meer structuur geven aan de samenleving waar we allemaal elke dag van profiteren. En dat ook investeren in de rest van de wereld – ontwikkelingssamenwerking, defensie – uiteindelijk oplevert dat we met ons allen in een betere, meer leefbare wereld wonen. Dat ‘ons geld’ precies ‘ons’ geld is omdat we daarmee onze gezamenlijke belangen en doelen kunnen dienen. Elke euro belasting die ik betaal is een investering in de samenleving, ook als die misschien wordt uitgegeven op een manier die ik zelf niet gekozen zou hebben. Dat is ook het signaal van de ‘pluk ons’-beweging, rijke mensen die vinden dat ze wel wat meer belasting kunnen betalen.

Het kabinetsbeleid is erop gericht ‘Nederland terug te geven aan de Nederlanders.’ Dat is vooral economisch bedoeld. De staat moet kleiner en mensen moeten vooral zaken weer zelf gaan betalen. Maar daarmee is het beleid ook gericht op een afbraak van de solidariteit, een afbraak van de collectieve verantwoordelijkheid, een afbraak van de gezamenlijkheid. Sport, gezondheid en onderwijs worden meer een individueel belang dan een collectieve verantwoordelijkheid. Cultuur en natuur zijn geen investering in de samenleving maar een kostenpost.

Het kabinet denkt misschien met deze koers te doen wat mensen willen: ‘ons geld terug.’ Maar feitelijk zaagt het aan de poten van de samenleving. Dat men sober wil omgaan met de collectieve uitgaven is verstandig en noodzakelijk in het economische klimaat van nu. Dat men heel kritisch kijkt naar overhead en onnodige kosten in het overheidsapparaat is ook belangrijk, want elk bureaucratisch systeem neigt naar zelfverdikking. En als sommige taken ook of beter privaat kunnen worden georganiseerd, dan moeten we dat vooral willen.

Gezamenlijkheid

Maar dat men de gedachte aanwakkert dat elke overheidseuro diefstal van de burger is, is ongelooflijk dom. De overheid is namelijk van ons en doet namens ons de dingen die we niet zo makkelijk zelf kunnen organiseren. Daarom moeten we investeren in vertrouwen in de overheid en in verantwoording van het beleid. En vooral niet meegaan in het idee dat de overheid tegenover ons staat. De vraag is niet of de burger of de staat er beter van wordt, maar hoeveel we willen bijdragen aan de gezamenlijkheid van de samenleving. Niet het ‘mijn of dijn’, maar het ‘mijn of ons’ is de eigenlijke kwestie.


woensdag, 7 september 2011

Theo Brand

Theo Brand

Het Slangenburgberaad en andere CDA-kronkels

Namens ruim zeshonderd CDA-leden – verenigd in het Slangenburgberaad – levert theoloog Hein Pieper vandaag kritiek op de partijtop. Het CDA laat zich teveel meeslepen door de neoliberale waan van de dag. Maar… eigenlijk is het allemaal de schuld van de PvdA. Want onder Paars begon de neoliberale zondeval. Aldus Pieper.

Dat doet me denken aan het Paradijsverhaal. Daarin geeft Adam de schuld aan Eva: ‘Zij was het die mij van de verboden vrucht gaf’. En Eva verwijst op haar beurt snel door naar de listige slang die haar verleidde van de vrucht te eten. Dit verhaal zou de theoloog Pieper moeten aanspreken. Want het CDA doet me vooral denken aan een kronkelende slang wat betreft het neoliberalisme.

Vorige week bracht het wetenschappelijk bureau van het CDA een rapport uit waarin gesteld werd dat ‘de overheid’ terug moet in haar hok. Wetgeving moet worden teruggedrongen en de samenleving moet vrij baan krijgen. Dat klinkt mooi. En natuurlijk is het goed om overbodige regelgeving en controledwang aan te pakken. Maar wat betekent zo’n – toch ook wat populistische – boodschap voor de publieke sector en voor onze sociale wetgeving? Wie de samenleving ruimte geeft en de overheid wil uitkleden, geeft vooral ook de markteconomie vrij baan.  

Uitstekend dat het CDA het primaat wil leggen bij burgers en hun maatschappelijke verbanden. Maar zonder visie op hoe je solidariteit opnieuw organiseert en tegelijk op een behoorlijk peil houdt (zowel nationaal als internationaal) blijft groeiende private rijkdom van een kleine groep mensen gepaard gaan met een verschraling van de publieke sector wat leidt tot minder gelijke kansen.

Het verschil tussen rijk en arm is blijven groeien sinds het CDA aan de macht is. Zeker de huidige regering – waarin het CDA toch een flink partijtje meeblaast -  pakt chronisch zieken en gehandicapten keihard aan en laat tegelijk bezitters van grote huizen en auto’s ongemoeid. Daarover zouden de Slangenburgers zich best wat kritischer mogen uitlaten.

Waarschijnlijk willen de CDA-ers van het Slangenburgberaad nu vooral graag gehoord worden door de partijtop. Maar omdat de partijtop vooral bevriend is met de VVD, moet er wel iets lelijks over de PvdA gezegd worden. Zo kronkelt het CDA zich verder richting twaalf zetels in de peilingen en lijken de eerste fusiebesprekingen met de ChristenUnie in aantocht.

Misschien biedt dat laatste nog een lichtpuntje. Want de ChristenUnie laat qua ideeën en politieke keuzes duidelijk zien een betere balans te vinden tussen overheid, vrije markt en civiele samenleving dan het CDA. Evenals de PvdA en GroenLinks trouwens.

Lees ook mijn eerdere weblog waarin ik betoog dat het CDA zich in sociaal-economisch opzicht vooral laat leiden door het neoliberalisme.


zondag, 17 juli 2011

Margreet de Boer

Margreet de Boer

Hyves Linkedin Twitter

Broodfonds

In zelfstandige, broodfonds, gelukkig, inkomen, kosten, mensen, risico, bijeenkomst, de volkskrant, en meer.
Op 12 juli schreef Pieter Hilhorst in de Volkskrant een column over het broodfonds, een soort onderlinge ziekteverzekering voor zzp'ers. Nog dezelfde dag deed hij via twitter een oproep aan zelfstandigen om zich te melden wanneer ze belangstelling hadden om aan zo'n broodfonds mee te doen. Wat ik heb gedaan. Pieter heeft er geen gras over laten groeien, en samen met Jos van der Lans (zelfstandige en voormalig Eerste Kamerlid voor GroenLinks) het idee omgezet in daden. Vanmiddag was de eerste oriënterende bijeenkomst voor het broodfonds Wikistad in oprichting. Van de ongeveer zestig mensen die zich via twitter en e-mail hadden aangemeld, waren er toch zo'n 20 aanwezig in de Balie. Vragen werden beantwoord door mensen van de landelijke broodfonds-organisatie, gedachten werden gewisseld over hoe en wanneer een broodfonds (of meerdere broodfondsen) opgericht kan (kunnen) worden. In september gaan we verder.

Op vier jaar na (toen ik in dienst was bij het Clara Wichmann Instituut) heb ik mijn hele werkzame leven als zelfstandige gewerkt. En altijd heb ik mij verzekerd tegen ziektekosten via een Arbeidsongeschiktheidsverzekering. Zodat ik mijn kantoorkosten kan blijven doorbetalen als ik ziek ben, en zodat ik (en mijn gezin) niet aangewezen ben op het enkele inkomen van mijn partner mocht ik -langdurig- ziek worden. Hetgeen gelukkig in al die jaren nooit gebeurd is. Ik heb dus geen ervaring met verzekeringsmaatschappijen die moeilijk doen over een ziekmelding, of polissen die de ziekte waaraan jij lijdt blijken uit te sluiten. Maar de verhalen die ik erover hoor maken me er niet gerust op. Wel ervaring heb ik met het betalen van de behoorlijk pittige premies. Ik denk dat ik inmiddels toch wel meer dan €50.000 aan AOV premie heb betaald. En nooit een cent aan uitkering ontvangen. Nu vind ik dat op zich niet erg; een verzekering is immers een verzekering; je betaalt voor het geval dat. En ik zie de verzekering ook als een soort onderlinge solidariteit: met mijn premies kunnen degenen die wel arbeidsongeschikt worden een inkomen houden. Ik betaal echter niet om verzekeringsmaatschappijen te spekken.
En dat is nu precies het aantrekkelijke van een broodfonds: wel de onderlinge solidariteit en het afdekken van het risico van ziek worden; maar niet het bureacratische oerwoud, het geïnstitutionaliseerde wantrouwen en de hoge kosten van een verzekeringsmaatschappij.
Een ouderwetse onderlinge. Op basis van vertrouwen.
Ik ben nog steeds enthousiast, en ik doe mee.
Tot die tijd houd ik mijn AOV nog maar even aan. Voor de zekerheid. Want je weet nooit. Heb je 25 jaar premie betaald, wordt je ernstig ziek als je hem opzegt. Dat zal me niet overkomen.

maandag, 6 juni 2011

Margreet de Boer

Margreet de Boer

Hyves Linkedin Twitter

Een andere manier om naar bezuinigingen te kijken

De bezuinigingen vliegen ons om de oren op het moment. Er wordt bezuinigd op zorg, op reintegratie en sociale werkvoorzieningen, op kinderopvang. Veel van de bezuinigingen treffen kwetsbare burgers. Wat mij betreft is het argument dat je de meest kwetsbaren in de samenleving moet ontzien een valide argument. Als er bezuinigd mag worden, dan bij de mensen en de bedrijven die het kunnen opbrengen. Zolang de hypotheekrente-aftrek ongemoeid wordt gelaten is er alle reden om alle bezuinigingen die de economisch minder bedeelden treffen rigoreus van de hand te wijzen.
Naast dit argument van eerlijk delen, solidariteit en medemenselijkheid kun je ook naar de bezuinigingen kijken vanuit een mensenrechtenperspectief.
In tal van internationale verdragen zijn de rechten van de mens vastgelegd, waaronder een groot aantal sociale rechten. Het recht op toegankelijke gezondheidszorg om maar eens wat te noemen; het recht op een dak boven je hoofd; het verbod van discriminatie en de bijbehorende plicht om de positie van vrouwen te verbeteren,....
Veel van de nu aangekondigde bezuinigingen hebben effecten die deze mensenrechten raken. Bijvoorbeeld: het wegbezuinigen van tolken in de gezondheidszorg zal de toegankelijkheid van de zorg verminderen voor iedereen die het Nederlands onvoldoende machtig is. Voor vrouwen die te maken hebben gehad met seksueel geweld, of die bij de dokter komen voor iets op het gebied van de seksuele en reproductieve gezondheid zal dit in nog sterkere mate gelden: dat zijn niet de onderwerpen waarbij je je twaalfjarige zoon laat vertalen.
Nederland is er altijd als de kippen bij om andere landen op hun mensenrechtenverplichtingen te wijzen. Maar ook Nederland is aan deze verdragsverplichtingen gebonden. Dat betekent dat de regering de gevolgen van het gevoerde beleid op deze mensenrechten in kaart zal moeten brengen; en in de besluitvorming zal moeten betrekken. Dat geldt voor al het beleid; ook voor bezuinigingen.
Goede voorbeelden hiervoor zijn er; zo heeft de gemeente Coventry in Engeland een human rights and equality impact assessment laten uitvoeren naar de public budget cuts (zie hier).

Mensenrechten zijn er niet voor de sier. Er is alle reden voor een mensenrechteneffectrapportage op de bezuinigingsplannen van de regering.

donderdag, 3 maart 2011

Jenneke van Pijpen

Jenneke van Pijpen

Hyves Linkedin Twitter

Zeker nu!

In burgerrechten, cultuur, democratie, divers, geloof, kabinet, keuzes, kunst, kunst en cultuur, en meer.
Tijdens de spannende verkiezingsavond kwam deze zin langs: “We gaan er voor zorgen dat we dat prachtige land weer teruggeven aan de Nederlanders, want dat is ons project. “ Aldus Mark Rutte, premier van Nederland.

Van alle Nederlanders? Nee, met dit soort uitspraken ben je niet mijn premier Mark Rutte.

Mijn prachtige land is een land waar solidariteit norm is; in de maatschappij door eigen verantwoordelijkheid en door de overheid die een SAMENleving organiseert en motiveert.

Mijn prachtige land is een land waar vluchtelingen als mensen en niet als profiteurs van onze welvaart worden behandeld.

Mijn prachtige land is een land waar cultuur niet als subsidieslurper wordt gezien die zich meer moet richten op de markt van de algemene smaak, maar waar een overheid het belang ziet van brede cultuur en naast de markt van de algemene smaak een voedingsbodem creëert voor een divers palet aan kunst en cultuur.

Mijn prachtige land is een land waar juist doordat we hier met velen wonen, de natuur meer moet zijn dan een koe in de wei en we weten dat de toekomst van ons land niet kan zonder aandacht voor echte natuur.

Mijn prachtige land is een land waar kwaliteitsonderwijs voor iedereen, van rugzakleerling tot toptalent, de norm is en waar je in investeert.

Mijn prachtige land is een land waar voor mensen met een handicap die werken ook de WET op het het minimumloon wordt toegepast.

Mijn prachtige land is een land waar over de dijken wordt gekeken en internationale politiek meer is dan economische belangen nastreven.

Maar beste Mark, dat zijn mijn politieke en ideologische keuzes die de jouwe niet zijn. Dat kan en dat is mooi in een democratie. Maar we hebben juist een gezamenlijke basis nodig om met die verschillen om te gaan.

Want mijn prachtige land is een land waar mijn premier opkomt voor onze grondrechten als gelijke burgerrechten en vrijheid van godsdienst en niet wegkijkt als iemand die wil aantasten.

Want in mijn prachtige land is een premier altijd meer dan een partijleider of een leider van een kabinet met een politieke kleur. In mijn prachtige land is een premier ook degene die leiderschap moet tonen. Mijn prachtige land heeft nl. een samenbindende identiteit, in een politiek gepolariseerd en maatschappelijk versplinterd landschap, héél hard nodig. En in dat gepolitiseerde landschap is “Nederland teruggeven aan de Nederlanders’ beladen en geeft een verkeerde suggestie . Nederland was al van iedereen Mark, en dat is en blijft het van ALLEN die hier wonen, werken en hun leven leiden. Ongeacht hun paspoort, geloof, geboorteland, politieke kleur.. De suggestie dat Nederland is ‘afgepakt’ is, zeker in de huidige politieke context verwerpelijk en een premier onwaardig.

In mijn prachtige land kiest een premier zijn woorden zorgvuldig, zeker nu!

Jenneke van Pijpen

Jenneke van Pijpen

Hyves Linkedin Twitter

Zeker nu!

In burgerrechten, cultuur, democratie, geloof, kabinet, keuzes, kunst, kunst en cultuur, landschap, en meer.

Tijdens de spannende verkiezingsavond kwam deze zin langs:  “We gaan er voor zorgen dat we dat prachtige land weer teruggeven aan de Nederlanders, want dat is ons project. “ Aldus Mark Rutte, premier van Nederland.

Alle Nederlanders? Nee, met dit soort uitspraken ben je niet mijn premier Mark Rutte.

Mijn prachtige land is een land waar solidariteit norm is; in de maatschappij door eigen verantwoordelijkheid en door de overheid die een SAMENleving organiseert en motiveert.

Mijn prachtige land is een land waar vluchtelingen als mensen en niet als profiteurs van onze welvaart worden behandeld.

Mijn prachtige land is een land waar cultuur niet als subsidieslurper wordt gezien die zich meer moet richten op de markt van de algemene smaak, maar waar een overheid het belang ziet van brede cultuur en naast de markt van de algemene smaak een voedingsbodem creëert voor een diverse palet aan kunst en cultuur.

Mijn prachtige land is een land waar juist doordat we hier met velen wonen, de natuur meer moet zijn dan een koe in de wei en we weten dat de toekomst van ons land niet kan zonder aandacht voor echte natuur.

Mijn prachtige land is een land waar kwaliteitsonderwijs voor iedereen, van rugzakleerling tot toptalent, de norm is en waar je in investeert.

Mijn prachtige land is een land waar voor mensen met een  handicap die werken ook de WET op het het minimumloon wordt toegepast.

Mijn prachtige land is een land waar over de dijken wordt gekeken en internationale politiek meer is dan economische belangen nastreven.

Maar beste Mark, dat zijn mijn politieke en ideologische keuzes die de jouwe niet zijn. Dat kan en dat is mooi in een democratie. Maar we hebben juist een gezamenlijke basis nodig om met die verschillen om te gaan.

Want in mijn prachtige land zijn grondrechten van ons allemaal, ongeacht politieke en ideologische keuze, en komt mijn premier op voor onze deze rechten als gelijke burgerrechten en vrijheid van godsdienst en kijkt niet weg als iemand die wil aantasten.

Want in mijn prachtige land is een premier altijd meer dan een partijleider of een leider van een kabinet met een politieke kleur. In mijn prachtige land is een premier ook degene die leiderschap moet tonen. Mijn prachtige land heeft nl. een samenbindende identiteit, in een politiek gepolariseerd en maatschappelijk versplinterd landschap, héél hard nodig. En in dat gepolitiseerde landschap is  “Nederland teruggeven aan de Nederlanders’ beladen en geeft een verkeerde  suggestie .  Nederland was al van iedereen Mark, en dat  is en blijft het van ALLEN die hier wonen, werken en hun leven leiden. Ongeacht hun paspoort, geloof, geboorteland, politieke kleur.. De suggestie dat Nederland is  ‘afgepakt’ is, zeker in de huidige politieke context verwerpelijk en een premier onwaardig.

In mijn prachtige land kiest een premier zijn woorden zorgvuldig, zeker nu!

Permalink | Leave a comment  »

zondag, 30 januari 2011

Ruud Pet

Ruud Pet

Linkedin Twitter GR

afghanistan-provincie-eerste kamer

In groenlinks, afghanistan, maatschappij, andere partijen, mensen, betrokkenheid, partijen, economie, eerste, en meer.
Het gist in mijn zo'n vertrouwde partij. Scherpe debatten tussen leden en met en tussen kiezers. Oorzaak bekend: de missie naar Afghanistan. Het door velen niet verwachte standpunt van de GroenLinks kamerfractie. Teleurgestelde stemmers op GroenLinks. Stemmers op het merk GroenLinks en haar leiders, blijkbaar niet op (delen van) het verkiezingsprogramma. Daar stond namelijk reeds het, deze week door de meerderheid van de fractie ingenomen standpunt over de Afghanistan-missie, in. Dat onderdeel had ik ook 'even gemist'. Ik ben van de lijn Van Gent, niet doen dus. Het standpunt van de fractie vind ik tamelijk naïef. We zullen de Afghaanse werkelijkheid echt niet veranderen door deze geïsoleerde aanpak. Het is ook wat teveel de Verhagen-politiek; vriendjes zijn van de VS en de NAVO. Maar natuurlijk verlaat ik 'de mij zo vertrouwde partij' niet. Een partij is meer dan een onderdeel van het verkiezingspprogramma of een standpunt van de Tweede Kamerfractie. Een partij is maatschappij visie, betrokkenheid, solidariteit en gezamenlijke bevlogenheid. GroenLinks is de partij, voor mij tenminste, die staat voor een solidaire, duurzame samenleving. Een partij die tegen uitsluiting is. Een partij die vernieuwingen aan durft, er is voor de toekomst van onze jonge mensen. In maart stem ik dan ook met overtuiging op GroenLinks in Flevoland omdat daar gestreden wordt voor een duurzame economie, daar stelling wordt genomen tegen xenofobie, gepleit wordt voor een bereikbare Jeugdzorg en tegen ongebreidelde groei van het vliegveld wordt gestreden. En ook omdat ik wil voorkomen dat de rechtse partijen een meerderheid in de Eerste Kamer krijgen. Ik heb daar altijd liever GL-ers zitten dan vertegenwoordigers van andere partijen, ook als ze nu een ander, en voor mij meer sympathiek, Afghanistan-standpunt innemen. Ze missen namelijk de rest van mijn idealen!

Aantal berichten op deze pagina: 29. De berichten op deze pagina zijn niet ouder dan 8730 uur (363,8 dagen). Berichtgemiddelde: 0,1 bericht per dag, 0,6 per week.

Volgende pagina

Pagina: 1 2