Kopenhagen, Dag 1 & 2: 7 & 8 mei
In Utrecht ben ik om half acht op de nachttrein naar Kopenhagen gestapt. In een half uur is hij al in Arnhem.
Arnhem. In bospark Sonsbeek zitten we op een bankje. We hebben een fles wijn meegenomen en twee plastic bekertjes. We vertellen elkaar nieuwtjes, tot in de stoutste details. Verzadigd loos ik mijn behoefte ergens in de bosjes waar niemand het ziet – er komen hier niet veel mensen. Als aardwetenschapper was ik dat wel gewend, het kon niet anders bij hele dagen in het veld, zeulend met het materieel, klauterend over heuvels en door rivierbeddingen. Met iedere stap zweef ik een beetje.
Je bent weg uit Amsterdam, je bachelor planologie is afgerond, nu wil je in Nijmegen een specifieke master doen. Je bent sinds kort in Arnhem gaan samenwonen met je vriend, met wie je inmiddels alweer anderhalf jaar samen bent. Met mijn vriend is het pas sinds een week officieel aan, maar jij wil alle details, en gehoorzaam vertel ik. Ergens vind ik dat ook wel leuk.
Ik maak radslagen de heuvel af als we weer terug lopen naar je huisje. Er is toch niemand anders die het ziet, en nu we in staat van lichte aangeschotenheid verkeren mag het. Bij jou thuis drinken we een kop thee en laten we dat gevoel rustig wegebben. Er is maar een glas wijn nodig bij het eten om dat nog sterker terug te krijgen, maar het is goed zo. De fles wijn is helemaal opgegaan, en het gesprek in bospark Sonsbeek werd er losser en beter van. Ik was allerminst verlegen over al het nieuws dat ik te melden had. En ja, dat was nogal wat.
Het was een goede dag, die zaterdag drie weken terug.
Ik zit op de grond, dekentje om me heen. Het middenbed gaat met geen mogelijkheid omhoog, zodat ik op mijn ligplek, de onderste, kan zitten. De andere vijf ligplekken in deze kleine cabine zijn vrij, ik heb alle ruimte voor mezelf, ik kan doen wat ik wil. Daarbij heb ik de keuze uit slapen, wat van de meegebrachte snacks eten, uit het raam staren, bellen, muziek luisteren, lezen en schrijven. Meer niet. Meer hoeft ook even niet, het is goed zo.
Emmerich, dat lijkt in het nergens. Een eindeloze goederentrein rolt langs terwijl de nachttrein naar Kopenhagen stilstaat, om vervolgens zelf stil te gaan staan voordat de laatste wagon voorbij is.
Er loopt een politieagent langs door de gang, er wordt onrustig gepraat in de coupe daarnaast, de zware stem van de politieman tegen een Engels pratende Zuid-Europeaan. ‘What’s your reason for coming? What do you do in Europe? You have friends over here? You don’t have any luggage?’ Na een tijdje gaat de agent weer weg.
Met zuchtende klanken van metaal zet de goederentrein zich in beweging, om steeds sneller te gaan denderen, eindeloos lijkt het, pas na een minuut is de laatste coupe voorbij.
Culturen verschillen, en mannen van verschillende nationaliteiten daarin, maar overal, in elke cultuur heb je vieze, seksistische exemplaren er tussen zitten. Dat heb ik enkele keren mogen ondervinden tijdens mijn reizen, en ik hoop dat ik nu met rust gelaten zal worden. De ergste nachtmerrie is wanneer er straks onderweg zo een vieze man zich mijn medereiziger waant in dezelfde cabine. Dan kan ik nergens heen, behalve staan op de gang, met al mijn bagage, en de hele nacht overeind staan. Nee, dat zal niet gebeuren.
Naarmate meer mannen je mooi vinden neemt het aantal vieze mannen dat je tracht te versieren of aan te raken toe, dat is de schaduwkant van het allicht veranderen van mijn uiterlijk tot een echte vrouw gedurende de laatste jaren. Steeds vaker word ik door mannen nagekeken dan wel nagefloten op straat, soms word ik door wildvreemde mannen begroet.
De conducteur komt langs. ‘Tickets!’ Ik geef hem mijn ticket. Hij bedankt kortaf. Hij is groot en dik en kaal en heeft tattoos in tribalstijl op zijn armen. Hij gaat weer verder, schuift de deur niet helemaal goed dicht, en tegelijkertijd komt er een dametje langswankelen met twee koppen koffie. Ze struikelt en morst koffie, waardoor er een weeiige koffielucht de cabine binnen drijft door de kier. De trein trekt op tot volle snelheid.
Wildvreemde seksistische mannen. Dit jaar nog heb ik er al verscheidene van me af moeten slaan in het buitenland. Ben ik daar een makkelijker slachtoffer, als reizigster? Lijkt me niet, het was meer toeval denk ik, vooral het eerste geval, in Oslo. Ik heb er niet meer over gepraat, tot heel kort geleden, met mijn vriend, maar niet heel gedetailleerd.
De laatste nacht in Oslo in januari bracht ik door in een jeugdhostel. Ik had een vierpersoonskamer met badkamertje voor mij alleen. Beneden was een grote ruimte waar kon worden geinternet en waar op een groot televisiescherm een filmkanaal aan stond. Ik was nog niet moe en besloot om even naar een film te gaan kijken. Ik had geen slaap, en om die slaap op te wekken moest de film maar vooral zo saai mogelijk zijn. Net tegen de ontknoping van de film aan – het was niet zo een heel spannende film, wel een romantische, Dirty Dancing II geloof ik – werd ik aangesproken door een man die aan het internetten was. Hij zat op de bank die met de rugleuning tegen mijn bank aan stond. Hij vroeg waar de film over ging, en ik wilde almaar verder kijken, wat niet lukte, omdat hij maar vragen bleef stellen. Uiteindelijk ging het over geologie en ik als aardwetenschapper moest naar zijn foto’s kijken van veldwerk in Tibet en dergelijke regionen, om daar gesteenteformaties en sporen van geomorfologische processen aan te wijzen en te verklaren. Tot zo ver was het okee, maar ik vond hem wel erg innemend, en wilde inmiddels ook wel gaan slapen. De film was al lang afgelopen, het was twee uur ’s nachts zo ongeveer. De gemeenschappelijke ruimte, die best groot was, liep stilaan leeg, en toen er bijna niemand anders meer over was, verzocht hij vrij dringend om mijn facebook te geven, ging niet eerder weg dan wanneer ik het had gegeven. Ik kon hem later toch wel blokkeren. Bovendien zou hij de volgende dag bij me komen zitten tijdens het ontbijt, en ik had toch echt wel een ontbijt nodig, dus daar zou ik niet omheen kunnen.
Ik nam een lange douche, hij had me meerdere malen schouderklopjes gegeven, me overdreven lang de hand geschud toen ik zei dat ik naar boven ging. Met veel schuim waste ik mezelf grondig, maar ik bleef me vies voelen.
Het ontbijt geschiedde zoals ik had verwacht. Een kwartier na mij kwam hij de ontbijtzaal in. Het ontbijt was zoals dat te verwachten is in een jeugdhostel: oud brood, beleg dat net even anders smaakt dan zou horen. En dan ook nog die man tegenover me. Een jaar of vijfenveertig. Van Tibetaanse komaf, en hier in Noorwegen om te promoveren. In Bergen zat hij eigenlijk, maar nu was hij voor een paar dagen in Oslo omdat hij met een professor aan de universiteit daar moest overleggen. Na een tijdje, toen het ontbijt echt alle smaak verloor, besloot ik om op te stappen, dan de metro en vervolgens de trein naar het vliegveld te nemen. De Tibetaan liet me nog steeds niet gaan. Hij zou in de gemeenschappelijke ruimte op me wachten tot ik al mijn spullen had ingepakt, en zou met me meelopen naar de metro.
Het schemert buiten, door de indigoblauwe hemel zijn de elektriciteitskabels boven het spoor slechts tot vage strepen verworden. De buitenverlichting flitst des te feller voorbij het raam, onregelmatig. De trein klakt over het spoor, sommige onderdelen in de cabine resoneren een beetje. Ik hoor geen gepraat meer op de gang en zet wat klassieke muziek op. Het stelt me gerust. Ik kijk even uit het raam, in de richting waar ik vandaan gekomen ben, naar de horizon die ik achterlaat, die plaatstmaakt voor een nieuwe horizon die de trein achtervolgt. En ik kijk de andere kant op, naar een horizon die zich van de trein vandaan beweegt, onbereikbaar blijft.
En zo geschiedde. Ik leverde de kamersleutel in en probeerde te ontkomen. De Tibetaan was natuurlijk zo gaan zitten dat ik niet ongezien weg kon glippen. Een andere uitgang had het hostel niet, dus het was onvermijdelijk. Ik zei nog dat ik wist waar de metrohalte was, en dat ik dat echt wel in mijn eentje kon. Ik had slechts een rugzak, alleen maar handbagage. Nee, die tas was ook echt niet te zwaar, en ik kon het echt, echt wel vinden, en het echt wel zelf in dit voor mij nog vreemde land. Dus liep hij mee naar de metrohalte, wat tien minuten duurde. Ik had nog een flexikaartje ook, dat hoefde hij ook niet voor me te kopen, ik liet het zien om het te bewijzen. Nu was ik op de metrohalte en mocht hij wel weer gaan. Maar hij ging niet: hij besloot om helemaal mee te gaan naar het treinstation van Oslo. Nee, dat hoefde echt niet voor mij, maar hij bleef volhouden, wilde mijn bagage dragen, me allerminst met rust laten. Ik probeerde zo oninteressant mogelijk te zijn, en zelfs niet al te subtiele pogingen om uit te drukken dat ik echt alleen verder wilde, mochten niet baten. Hij snapte het echt niet, of kon heel goed verbergen dat hij het waarschijnlijk ook niet eens wilde snappen.
We zaten in de metro, hij wilde op mijn tas letten de hele tijd, maar die hield ik gewoon bij me, en ik zweeg angstvallig. Ook dat mocht niet baten, want op het station liet hij me nog steeds niet alleen. Mijn trein, de voordelige en niet de dure Airport Express, vertrok pas een half uur later, en hij besloot om al die tijd te blijven wachten, zelfs mee te lopen naar het betreffende perron. Hardnekkig.
Duisburg Hauptbahnhof is een sereen station, in de stijl van veel andere stations van tamelijk grote plaatsen in dit deel van Duitsland. Helverlichte perrons met witte lijnen aan de rand, per perron overkapt. Er stapt niemand in en niemand uit, en na een minuut fluit de getatoeerde conducteur weer.
Het desbetreffende perron. Een perron is iets om van te vertrekken, geen plek om te wachten, om te blijven. Naar de trein toe, van de trein af, allemaal via het perron, maar meer dan een middel om ergens te komen is het voor mij niet. Liever wacht ik in de stationshal als die er is, en anders in een wachthokje. Liever niet op het perron zelf.
De Tibetaan wist van geen ophouden, maar het afscheid was toch echt gekomen. Ik wilde zo snel mogelijk de trein in, al zou het nog een paar minuten duren voor hij zou wegrijden. De Tibetaan greep me vast, en hoefde nauwelijks te bukken. Ik walg er nog steeds van: hij wilde me op mijn mond nemen. Ik duwde hem van me af, had de tas stevig op mijn rug en voldoende kracht om dat te doen, maar enig vocht had ik al gevoeld, hoewel ik mijn lippen al die tijd stijf op elkaar geknepen hield, en mijn tanden zo hard op elkaar drukte, dat het pijn deed.
Ik keerde me om, liep naar de dichtstbijzijnde treindeur, stapte snel in, en liep nog door een aantal coupe’s naar voren om er zeker van te zijn dat de Tibetaan het niet in zijn hoofd haalde om nog naar me te zwaaien of om oogcontact te maken, en om ervoor te zorgen dat hij me daarvoor uberhaupt niet tijdig zou vinden.
Het eerste wat ik deed toen ik weer thuis was, was de Tibetaan blokkeren op Facebook. Hij stond daar niet eens met zijn echte naam op. Wel ging ik nog even door zijn profiel. Er stond niet heel veel op, hij had maar luttele andere contacten: louter vrouwen. Hopeloos figuur, miezerig ook. Bah.
Dusseldorf Hauptbahnhof is maar een klein eindje rijden vanaf Duisburg. Het oogt uitgestorven en op de achterste sporen staan lege treinen. Een grote klok op een kleine, rechthoekige toren toont me dat het tien uur is.
De trein dendert verder, in het niets, ik heb geen flauw idee wat het volgende tussenliggende station is, ik hoef alleen maar naar Kopenhagen. Uitgestrekte velden en bossen en Duitsland. Het is donker buiten, ik zie slechts schaduwen van bomen en hoogspanningskabels en elektriciteitskabels en fabrieken en straatlichten en loodsen en dorpen als lichtere sterrenclusters in de verte. Ik hoor slechts het geraas van een trein op volle snelheid, het doorklieven van de lucht, een licht gesuis ergens bovenin het raam, vioolmuziek die ik harder heb moeten zetten. Hier gaat de trein duidelijk harder dan voorheen. Nederland is te klein en te drukbevolkt om veel snelheid te maken, maar hier kunnen de remmen los. De eerder al resonerende onderdelen trillen nu nog harder, zoemen soms, kraken. De dichte gordijnen aan de kant van het gangpad bewegen een beetje. De trein maakt een flauwe bocht, trekt zich dan weer recht. Klakt dan weer wat meer, suist dan weer wat meer.
En ik laat alles achter me.
Ik had nooit gedacht dat ik ooit zou linedancen. Het bestaat eruit om als een groep een bepaalde danspas uit te voeren op de maat van de muziek, allemaal hetzelfde, elkaar te volgen. En ondanks dat ik nooit gedacht had te gaan linedancen, deed ik het op Oahu Island, Hawaii.
Een paar studentes van de universiteit van Hawaii hadden me gevraagd of ik met ze uit ging die avond. In eerste instantie zou ik met een van hen eten, maar toen haar huisgenoten thuiskwamen, hadden ze eigenlijk wel zin om uit te gaan. Ze gingen wel vaker linedancen, toch zeker een keer in de twee weken.
Een tamelijk lelijke jongeman kwam ons ophalen, en reed met een vreselijke rijstijl naar de haven toe, waar een countrybar gevestigd was, vlak bij een marinebasis. Dan zouden ze ook wat te doen hebben in de vrije weekends, zo was vast de gedachte geweest. Het publiek was rijkelijk voorzien van cowboyhoeden, en gemiddeld een jaar of dertig oud. De mannen waren veelal macho en de vrouwen schreeuwerig.
Op het grote station van Keulen is het allerminst rustig. Er stappen veel mensen de trein in, en ik zet de muziek uit omdat er drie mensen van achter in de twintig mijn coupe in komen. Heb ik toch drie uur lang de coupe voor mezelf gehad.
Mariniers houden wel van een flirt. Hun leefpatroon is niet het meest geschikte om een vaste relatie te onderhouden. Als ik aan de kant wat water aan het drinken was en naar de dansende mensen aan het kijken was, kwamen er al gauw van die mariniers bij me zitten. Vaker was ik wel dan niet aan de kant te vinden, daar iedereen echt veel meer ervaring had dan ik, en ik het bij de lastigere dansjes erg verwarrend vond soms en daardoor steeds uit de maat ging. Op de langzame nummers werd de two-step gedaan, en daarvoor werd ik de hele tijd gevraagd door allerlei mannen, die stuk voor stuk iets afstotelijks hadden. Ook de lelijke jongeman, die ons gebracht had, vroeg me mee om de two-step te doen, behalve dat hij een beetje klamme handjes had ging het wel, al zou ik nooit vrijwillig hierheen gegaan zijn als ik in mijn eentje was geweest. Hij had al te veel op om eigenlijk nog terug te mogen rijden, dus zijn rijstijl zou er niet prettiger op worden.
Vervelend was vooral de jongeman die me even voor tweeen ’s nachts – de bar zou bijna sluiten – voor de two-step vroeg. Zijn ogen stonden glazig en hij had duidelijk te veel op, en tot overmaat van ramp wilde hij daarna nog een nummer doen. Het volgende nummer was weer langzaam, en hij werd steeds kleffer, bijna in wurggreep kreeg hij me met zijn zweterige stinkende lichaam.
Op het laatst schoof hij mijn haar opzij, en vroeg hij: ‘May I give you a kiss? Ju.. ju.. just to show my affection?’
‘No, you may not, you have already gone too far!’
Ik duwde hem van me af. Hij keek naar me met een blik die een combinatie was van hopeloosheid, teleurstelling en verachting, en zei: ‘So you think… that I deserved this??!? I do not!! Now come here!’
We waren aan de kant van de dansvloer waar niemand anders meer was, daar was hij steeds blijven hangen, maar ik gaf hem geen kans.
Ik liep snel de dansvloer af, naar het toilet, waste grondig al die plekken waar hij direct mijn huid had aangeraakt.
Ik zou deze mensen toch niet meer zien, probeerde ik mezelf gerust te stellen.
In deze cabine ben ik anoniem en de enige Nederlandse. Als de reis erop zit, zie ik deze mensen niet meer. Het enige wat nog rest is slapen tot aan Kopenhagen, of zo lang als dat lukt.
Om half acht ben ik wakker geworden van gejengel van kleine kinderen in een cabine even verderop. Om elf uur komt de trein aan in Kopenhagen. Ik word rustig wakker, lees nog wat, en ga dan naar de coupe waar ik een ontbijtje kan krijgen. Daar zit ik zeker een uur, kijkend naar buiten, waar de zon schijnt.
Ik denk na. Kort voor mijn vertrek belde mijn zus. Ze raadde me aan om naar het programma ‘Gepest’ te kijken, waarin gepesten zichzelf confronteren met een bezoek aan hun oude school en het onder ogen komen van enkele pestkoppen. Nog vlak voor vertrek keek ik online naar de eerste aflevering. De helft van de voormalige pestkoppen kwam niet opdagen. Degenen die wel kwamen, deden het af als kwajongensstreken. Ze moesten een heel ander referentiekader hebben gehad. Ik weet niet hoe veel genoegdoening ik daar zelf uit zou halen.
Ik denk dat mijn voormalige pestkoppen me nog steeds haten. Ze zouden me niet de hand willen schudden, laat staan sorry zeggen. Hun referentiekader is daarmee narrowminded, en op dit moment hoef ik mezelf niet met hen te confronteren. Ik weet niet wat dat toevoegt aan mijn welzijn, het gaat juist goed nu, en dat wil ik zo houden. Sterker nog, ze zouden me de schuld proberen te geven, de wereld proberen om te draaien. Maar dat kan gewoon niet. Ik ben verder gegaan met mijn leven. Als zij willen blijven hangen, moeten ze dat zelf weten, dat is niet mijn verantwoordelijkheid.
Mijn oude school zelf zou ik wel eens willen bezoeken, het liefst wanneer de locatie waar het allemaal gebeurde tot slooppand verworden is. Dan wil ik met veel plezier meerijden in de bulldozer die alles kapotmaakt.
De trein rijdt Kopenhagen binnen. Ik pak mijn spullen, stap uit, en ga verder met mijn leven.
Gearchiveerd onder:
Diaries,
Reisverhaal