dinsdag, 24 januari 2012

Hans Verbeek

Hans Verbeek

Hyves Twitter

Klimaatverandering op Groenland (2)

In met een gouden randje, afkoeling, groenland, klimaat, opwarming, wetenschap, zeespiegelstijging, resultaten.
Klimatologen nemen monsters uit de ijskap van Groenland. Ze proberen te reconstrueren hoe het klimaat in het verleden was toen de ijskap opgebouwd werd. Dat leidt soms tot verrassende resultaten. Glacioloog Jörgen Peder Steffensen ontdekte dat de temperatuur op Groenland in het verleden veel hoger was dan nu. Sterker nog: de Kleine IJstijd (1600 – [...]

vrijdag, 20 januari 2012

Hans Verbeek

Hans Verbeek

Hyves Twitter

Pensioenfondsen en klimatologen rekken de meetperiode steeds verder op

In doem, overig, afkoeling, beleggingen, economie, klimaat, nederland, opwarming, pensioenfondsen, en meer.
Gisteren werd bekend dat de pensioenfondsen PME en PMT volgend jaar zullen moeten korten op de uitkeringen. Het ABP heeft daar nog geen beslissing over genomen, maar ook daar wordt afstempelen overwogen. De oorzaak is het teruglopende rendement op investeringen. Aandelenportefeuilles leveren geen winst meer op. Investeren in vastgoed ook niet. Veilige staatsobligaties, Nederlandse of [...]

maandag, 16 januari 2012

Hans Verbeek

Hans Verbeek

Hyves Twitter

Klimaatverandering: Groenland en IJsland close-up

In regelmatig terugkerende ellende, klimaat, afkoeling, opwarming, wetenschap, temperatuur, klimaatverandering, co2, gegevens, en meer.
Het Goddard Institute for Space Studies (GISS) is een van de weinige instituten, die temperatuurgegevens van duizenden meetstations verzameld om de klimaatverandering te bestuderen. James Hansen, een van de eerste klimaatonderzoekers die waarschuwde voor het opwarmende effect van de menselijke CO2-uitstoot, is de baas van GISS. De gegevens, die GISS gebruikt bij het onderzoek, kun [...]

dinsdag, 10 januari 2012

Hans Verbeek

Hans Verbeek

Hyves Twitter

Over 260 dagen een ijsvrije Noordpool?

In met een gouden randje, afkoeling, klimaat, noordpool, opwarming, wetenschap, 2012, zomer.
Ruim 4 jaar geleden zei Jay Zwilly, klimaatwetenschapper voor NASA: “At this rate, the Arctic Ocean could be nearly ice-free at the end of summer by 2012, much faster than previous predictions.” – Bij voortzetting van het huidige tempo zal er op de Noordpool geen zeeijs meer zijn aan het eind van de zomer van [...]

maandag, 9 januari 2012

Ger Bosma

Ger Bosma

Verzwolgen door de Golven: Stedeke Gryn

In algemeen, eigen artikelen 2000-2012, etymologie, ge(r)neuzel, geschiedenis, natuur, overig, wetenschap, belangrijk, en meer.

Zoals de afgelopen week goed te merken was, is het winterseizoen in Nederland ook traditioneel het stormseizoen. In de late herfst koelt het in het noordelijk deel van het noordelijk halfrond snel af, terwijl het in in Zuid-Europa vaak nog stevig nazomert. Door de grote temperatuursverschillen ontstaan sterke straalstromen in de bovenatmosfeer, waardoor vooral in dit seizoen vaak diepe lagedrukgebieden ontstaan die met grote vaart over de Britse Eilanden en de Noordzee razen.

De meeste van de catastrofale stormen die de Lage Landen sinds de Middeleeuwen troffen en grote delen daarvan onder water zetten, vonden dan ook plaats in de periode van november tot februari. Zo ook de St. Luciavloed, een alles vernietigende stormvloed die plaatsvond in de nacht van 13 op 14 december 1287, onder meer beschreven in de annalen van het klooster van Wittewierum (Groningen). In termen van slachtoffers – zeker als percentage van de totale bevolking – is de Sint Luciavloed zelfs een van de grootste vloedrampen in de wereldgeschiedenis. In totaal kwamen in Noord-Holland, Friesland en Groningen tussen de 50.000 en 80.000 mensen om het leven, op een totale bevolking van zo’n half miljoen zielen.

De dertiende eeuw verliep qua dodelijke megastormen sowieso desastreus. De Lage Landen werden namelijk verder nog getroffen door de grote Noordzeevloed van 1212 (60.000 doden) de Sint-Marcellusvloed van 1219 (36.000 doden) en een tiental kleinere overstromingen met telkens honderden tot duizenden doden. Het toont maar eens te meer aan, dat het heroïsche gevecht van de Nederlanders met het water ook vaak roemloos werd verloren. Luctor et Submergo.

Het Nederland van een millennium geleden zag er totaal anders uit dan nu. De Noordzeekustlijn was toen nog vrijwel ononderbroken. De Waddenzee, in 2009 door de UNESCO uitgeroepen tot werelderfgoed, bestond destijds nog helemaal niet: Texel en alle andere waddeneilanden waren verbonden met het vasteland. Ook de latere Zuiderzee, na de afsluiting in 1932 omgedoopt tot IJsselmeer, was nog hoofdzakelijk een laaggelegen merencomplex annex moerasveengebied. Het werd in die tijd Aelmere – ofwel Palingmeer – genoemd, etymologisch gezien inderdaad niet echt spannend. Dit Aelmerengebied was met de Noordzee verbonden door een nauwe zeearm, die uitmondde in het gebied waar later de eilanden Vlieland en Terschelling zouden ontstaan. Ook andere grote zee-inhammen als de Lauwerszee en de Dollard bestonden zo’n 1000 jaar geleden ook nog niet in hun huidige vorm.

In de 12e en 13e eeuw veranderde het uiterlijk van de Noordelijke Lage Landen drastisch. Een belangrijk factor daarin was de stijging van de zeespiegel gedurende de warme periode van 850 -1200. Samen met het steeds verder afgraven van veengrond voor turfwinning, als brandstof voor de inwoners van de hoger gelegen stedelijke gebieden in West- en Midden-Nederland, werd het Aelmeergebied kwetsbaarder voor de invloeden van met name zware noordwesterstormen. Najaars- en winterstormen drongen in de loop der eeuwen dieper en dieper in de kwetsbare laaglanddelta door. Daarbij werden grote delen van de resterende veenlanden weggeslagen.

De Sint Julianavloed in 1164 en de Allerheiligenvloed uit 1170 luidden de periode van overstromingen en grootschalige landerosie in. In 1170 brak de Noordzee door de duinenrij tussen Texel en Huisduinen (bij Den Helder) en werd het Marsdiep, voorheen een beek, een kolkend zeegat. Bij die gebeurtenis werd ook het tussen Texel en Medemblik gelegen Creiler Woud verzwolgen door de golven. Het land tussen Texel, Medemblik en Stavoren werd overstroomd, en Texel en Wieringen werden eilanden.

Tijdens de stormvloeden van 1212, 1214 en 1219 (36.000 doden) en 1248 drong het zeewater steeds dieper Aelmere in en werd het allengs een binnenzee. De genadeklap kwam met de Sint Luciavloed van 1287. Deze waterramp scheidde Friesland definitief van West Friesland en verzwolg tal van dorpen en steden in het tussenliggende gebied, waaronder het inmiddels al lang in de vergetelheid geraakte ommuurde stadje Griend (ook Grint of Gryn), ten noordwesten van Harlingen.

Stedeke Gryn
Tegenwoordig slechts een zandplaat in de Waddenzee, was het eiland Griend in de Middeleeuwen bewoond. Niet alleen dat, er bevond zich een ommuurde nederzetting met poorten, grachten, een klooster en zelfs een hogeschool. Griend was aan het begin van de 13e eeuw dan ook een welvarend eiland, met name beroemd om zijn kaas. Met enige wijsheid achteraf kan je stellen dat het een slecht doordachte beslissing was van de Griendenaren om een tweetal kanalen te graven, om zo de bloeiende handel met het achterland verder te versterken. De Jetting werd in het begin van de 13e eeuw gegraven om de Friese steden te bedienen. Ook achter Vlieland langs werd een nieuwe vaart aangelegd, de Monnikensloot. Griend, reeds gevoelig kleiner geworden door al het eerdere natuurgeweld in de 12e en 13e eeuw, bleek uiterst kwetsbaar. De grote kladeradatsch kwam uiteindelijk in december 1287, toen het stadje vrijwel geheel in de golven verdween, op een tiental huizen na. Griend kwam er nooit meer bovenop. De ‘twaalfde stad van Friesland’ was niet meer.

Tot in de achttiende eeuw werd Griend nog wel bewoond door veehouders, die hun woonsteden op kunstmatig opgeworpen terpen hadden gebouwd. Rond 1800 was het eiland nog altijd zo’n 25 hectare groot, maar verplaatste zich met een snelheid van 7 meter per jaar naar het zuidoosten. Vaste bewoners kende Griend vanaf dat moment niet meer, maar werd nog wel gebruikt door bewoners van Terschelling als weidegebied voor schapen en voor de winning van hooi. Ook werden de eieren van meeuwen en sterns geraapt voor de consumptie. De Vereniging Natuurmonumenten, de huidige eigenaar, kocht het recht op het maaien van gras in 1916 af en richtte er een aantal bewaakte broedkolonies in.

Niets op de stille zandplaat in de Waddenzee herinnert vandaag de dag nog aan het eens zo roemruchte verleden

 

zondag, 8 januari 2012

Ria Damhof

Ria Damhof

GR

The new sexy

In wetenschap, imago, natuurkunde, beta, economen, kredietcrisis, licht.
Jarenlang waren de jaloerse blikken gericht op de snelle beursjongens die met enkele drukken op de knop en met de snelheid van het licht miljoenen aan geld konden verdienen aan de aan- en verkoop van aandelen en andere beursproducten. Totdat de beurzen met de kredietcrisis en de onzekere bankenwereld te maken kregen. Economen wisten het ook allemaal niet goed te duiden. De een zei dit, de ander

dinsdag, 27 december 2011

Simon Otjes

Simon Otjes

Last.fm Twitter

Links, Rechts en Het Huis van de Vrijheid

Het Huis van de Vrijheid, het nieuwe boek van Leidse filosoof Rutger Claassen is een van de meest moedige filosofische poging die ik ken: het uitwerken van een consistent politieke filosofie gebaseerd op autonomie, aan de hand van actuele casussen. Het is daarmee een filosofisch werk dat zich relevant maakt voor de politiek van vandaag. Ik wil in de komende blogs naar dit boek kijken.

Het Is filosofisch een fascinerend boek: boek bestaat uit vier delen. In het eerste deel werkt Claassen het idee van liberalisme uit. Hij laat zien dat liberalen uiteindelijk allemaal een ideaal van autonomie delen, maar dat zij zijn verdeeld over linkse en rechtse liberalen. In de overige drie delen werkt hij onderwerpen uit vanuit liberaal perspectief die zich niet per se verhouden tot die links/rechts tegenstelling: de rol van de overheid in het beperken vrijheid vanwege schade (aan jezelf of anderen), de rol van de overheid in de economie en vraagstukken rond identiteit immigratie en integratie.

Links en Rechts als Filosofische Begrippen

Claassen stelt dat liberalen allemaal een ideaal van autonomie delen (mensen moeten zelf vorm kunnen geven aan hun eigen leven). Ze zijn echter verdeeld over een ander vraagstuk. Rechtse liberale filosofen geloven sterk in individuele verantwoordelijkheid. Mensen zijn zelf verantwoordelijk voor hun eigen succes en voor hun eigen falen. Linkse liberalen denken dat talenten ongelijk verdeeld zijn: het inkomen dat ik verdien wordt gedeeltelijk bepaald door mijn intelligentie. Dat is aangeboren. Daar ben ik verantwoordelijk voor en heb ik dus geen recht op. Maar het tegenovergestelde geldt ook: als ik misdaden pleeg, ben ik daar in rechts liberaal perspectief zelf verantwoordelijk voor en moet ik dus de straf dragen. Volgens linkse liberalen ben ik geneigd misdaden te plegen door dingen waar ik zelf niet verantwoordelijk voor ben (slechte jeugd). En dus ben ik daar niet verantwoordelijk voor. Rechts staat voor individuele verantwoordelijkheid voor goede en slechte keuzes, links staat voor collectieve verantwoordelijkheid, omdat niet alles onze eigen keuze is. De andere onderwerpen vallen volgens Claassen daarbuiten: vraagstukken van nationale identiteit, economische groei en paternalisme vallen volgens hem buiten de links/rechts tegenstelling.

Links en Rechts als Politicologische Begrippen

Dit is in politicologisch opzicht een curieuze opinie. We weten dat links en rechts niet altijd hetzelfde betekent hebben: in Nederland betekende links en rechts aan het eind van de negentiende eeuw seculier en religieus. Links was seculier en rechts was religieus. Claassen heeft wel oog voor deze tegenstelling maar noemt dit filosofieën die een autonomie-ideaal centraal stellen (mensen moeten zelf keuzes maken en de overheid moet zo neutraal mogelijk zijn) en filosofieën die een welzijnideaal centraal stellen (de overheid weet wat het goede leven is en moet dit uitdragen). Sinds de Tweede Wereldoorlog betekent links in de eerste plaats voorstander van overheidsingrijpen in de economie en rechts de overheid grijpt niet in. Dit volgt de tegenstelling die Claassen links en rechts noemt. Vanaf de jaren ’70 komt daar de discussie over economische groei bij. Rechts kiest steeds voor economische groei en links voor andere maatschappelijke waarden zoals een ecologische balans en een balans tussen werk en zorg. Na 2002 komen tegenstelling rond immigratie, integratie en identiteit prominent op de politieke agenda. Links betekent hier erkent een multiculturele realiteit en rechts streeft naar een monoculturele samenleving. Links en rechts zijn dus in voortdurende ontwikkeling. Claassen stelt een links/rechts-tegenstelling centraal die in het huidige publieke debat steeds minder prominent wordt: als we kijken naar de posities van kiezers dan is hun positie op culturele vraagstukken steeds belangrijker voor hun positie op de links/rechts-as dan hun positie op economische vraagstukken.

Het interessante is dat als we kijken naar de meningen van kiezers al deze links-rechts assen niet samen vallen: de meeste kiezers zijn voor herverdeling (‘links’) maar ook voor een sterke overheid die optreedt tegen criminaliteit (‘rechts’). Volgens de filosoof Claassen zijn kiezers hier dan niet consequent op zijn. Links en rechts zijn in zijn analyse zulke heldere begrippen, als dit niet de lijnen van competitie zijn hebben kiezers dat schijnbaar verkeerd begrepen.

Ik denk niet dat dit terecht is. Als we het perspectief een klein beetje kantelen dan wordt het volgens mij duidelijk dat je best voor overheid kan zijn die hard optreedt tegen criminaliteit en armoede. Je kan de overheid zien als het schild van de zwakkeren, tegenover de sterkeren. Als een oud omaatje bestolen wordt op straat door een potige crimineel, dan lijkt het mij duidelijk wie de zwakkere en wie de sterkere partij is. Criminelen kiezen vaak de zwaksten in de maatschappij uit: het is gemakkelijker om te stelen van een vrouw of een bejaarde dan van een man en een jongeren. Als je als centrale principe neemt: de overheid moet de zwakkeren beschermen, dan moet de overheid optreden tegen criminelen om zo de slachtoffers te beschermen. Maar laten we nu eens kijken naar de arbeidsmarkt: wie is hier de zwakke en sterke partij? In de arbeidsmarkt zijn er verhoudingsgewijs veel minder bedrijven die om arbeid vragen, dan dat er aanbieders van arbeid zijn. De enkele grote bedrijven hebben ten opzichte van velen werkzoekende een monopoliepositie. Daarnaast hebben zij een hele afdelingspersoneelszaken die arbeidscontracten opstelt en loonschalen bepaalt. Een werkzoekende heeft niet de specialistische kennis om de nuances van het arbeidscontract te begrijpen. De overheid moet als schild van de zwakkeren optreden om de werkzoekende te beschermen tegen de mogelijke uitbuiting door de werkgever. De overheid moet er dus voor zorgen dat lonen eerlijk zijn en contracten niet alleen begrijpelijk zijn maar ook gebonden aan arbeidswetgeving die er voor zorgt dat een werkzoekende zich geen zorgen hoeft te maken over uitbuiting: het is altijd min-of-meer eerlijk geregeld. En als schild van de zwakkeren kan de overheid ook meer belasting vragen van de sterkste om zo regelingen in stand te houden waar zwakkeren voordeel van hebben: een klassiek sociaal-democratisch principe is de sterkste schouders dragen de zwaarste lasten.

In dit perspectief is overheidsingrijpen in de markt ten opzichte van bedrijven en in de samenleving ten opzichte van criminelen gerechtvaardigd omdat er een zwakkere partij en is een sterkere partij. De overheid moet als schild van de zwakkeren het opnemen voor de zwakkere partij. Het kan dus best consistent zijn om ‘rechts’ te staan om veiligheid en ‘links’ op sociaal-economische onderwerpen.

Links en rechts zijn flexibele begrippen die over tijd en tussen groepen sterk kunnen verschillen in betekenis. Voor filosofen zijn dit soort termen in gewikkeld. Ze proberen ze te vangen in definities, maar als wetenschapper weet ik maar al te goed dat de politieke werkelijkheid veel complexer is dan de definities van de filosoof toe laten.

zondag, 25 december 2011

Simon Otjes

Simon Otjes

Last.fm Twitter

Het Eeuwige Tekort van het Huis van de Vrijheid

Het Huis van de Vrijheid, het nieuwe boek van Leidse filosoof Rutger Claassen is een van de meest moedige filosofische poging die ik ken: het uitwerken van een consistent politieke filosofie gebaseerd op autonomie, aan de hand van actuele casussen. Het is daarmee een filosofisch werk dat zich relevant maakt voor de politiek van vandaag. Ik wil in de komende blogs naar dit boek kijken.

In 2005 schreef Rutger een ander opvallend filosofisch werk: Het Eeuwige Tekort, waarin het begrip ‘schaarste’ centraal stond. Is Het Eeuwige Tekort consistent met de politieke visie die Claassen uitwerkt in Het Huis van de Vrijheid?

De Oude Claassen: Het Huis van de Vrijheid

Het Huis van de Vrijheid is in de kern een liberaal boek. Claassen noemt zich in dit boek liberaal, alhoewel hij opmerkt dat dat in het Nederland maatschappelijk debat meer verwarring oproept dan oplost. Liberalisme betekent voor Claassen het streven naar een zo groot mogelijke autonomie voor mensen dat betekent dat mensen zo vrij mogelijk moeten zijn om zelf te beslissen over hun eigen leven, maar dat Claassen erkent dat vrij zijn ook gepaard is met het hebben van bepaalde vermogens: baby’s zijn niet autonoom, want die zijn niet instaat om doelen voor zich te stellen of de gevolgen van hun handelen in te schatten. Autonomie-als-ideaal omvat zowel de vrijheid zelf te kiezen als de plicht van de gemeenschap om zorg te dragen dat iedereen de vermogens heeft om te kiezen. Overheidsingrijpen is in principe alleen gelegitimeerd als die autonomie vergroot.

In het boek onderzoekt Claassen in allerlei maatschappelijke casussen hoe dit autonomie-ideaal in elkaar steekt. Zo bespreekt hij ook de topinkomens in het bedrijfsleven. Claassen stelt voor dat topinkomens positionele goederen zijn: de waarde van een topinkomen zit niet zo zeer in het bedrag, maar destemeer in of het meer of minder is dan het inkomen van de buurman. Zo ontstaat er een wedloop tussen topmanagers die allemaal meer willen verdienen dan de andere manager: om zo een duurdere auto en een duurder huis te kopen. Dit zijn consumptiemiddelen die ook weer met name waarde hebben in wedijver.

Volgens oude Claassen mag de overheid niet ingrijpen: er is geen sprake van schade aan autonomie. Mensen kiezen er zelf voor om mee te doen in de ratrace. We doen elkaar geen schade aan door een duurdere auto dan de ander te kopen. Als de ander zich daardoor gekleineerd voelt en ook een duurdere auto wil kopen is dat zijn eigen verantwoordelijkheid. Zolang er geen aanwijsbare schade voor autonomie door wedijver tussen topmanagers komt is er voor Claassen geen reden om in te grijpen. Sociale grenzen aan de groei zijn geen geldige reden voor Claassen om in te grijpen. De overheid is neutraal ten opzichte van de inkomensstijgingen van individuen.

Claassen merkt op dat als iemand oog heeft voor een oneerlijke verdeling van talenten dat hij dan misschien topmanagers wil belasten voor hun grote talenten waar hun grote inkomens mee verdient zijn.* Ook als bonussen de verkeerde prikkels geven dan moet de overheid ingrijpen: als ze risicovol ondernemen boven economische duurzaamheid stellen. Hier gebeurt volgens Claassen nog te weinig aan in de markt. Bij de overheid slaat men volgens hem door: door de balkenendenorm biedt de overheid te lage lonen aan topmanagers en we weten allemaal if you pay peanuts you get monkeys. De oude Claassen is in de analyse van topinkomens een klassieke liberaal: de overheid moet autonomie beschermen en niet meer doen.

De Jonge Claassen: Het Eeuwige Tekort

Het Eeuwige Tekort is juist kritisch over liberale filosofieën. Het boek gaat over de vraag hoe we met schaarsten om moeten gaan. Liberale filosofen erkennen dat er schaarste aan natuurlijke hulpbronnen is. Voor liberale filosofen is schaarste echter een natuurlijke toestand en ligt de verantwoordelijkheid voor dat er schaarste bestaat niet bij de mens. Dit noodzaakt ons om de maatschappij te organiseren op basis van principes van rechtvaardigheid. Het belangrijkste liberale verdelingsprincipe is de markt. In de markt ontstaat volgens economen door concurrentie om schaarse middelen de meest efficiënte verdeling. Deze concurrentie is volgens liberalen een positieve kracht: de motor voor economische en technologisce ontwikkeling. Iedereen heeft daar uiteindelijk voordeel van. Afgunst en jaloezie zijn voor liberalen daarmee uiteindelijk positieve krachten. Liberalen stellen de voldoening van behoefte centraal. De aard van de behoeften maakt hen weinig uit. Claassen noemt dit een “kritiekloze verheerlijking van behoeftebevrediging”.

Jonge Claassen staat in Het Eeuwnig Tekort veel kritischer tegenover schaarste dan de liberalen. Hij stelt zichzelf voor als een pluralist. Hij is kritisch over de centrale rol die concurrentie inneemt op alle plekken in de hedendaagse maatschappij: in de wetenschap, de politiek en de televisie. Concurrentie over schaarse grondstoffen leidt in zijn ogen alleen maar tot uitputting van het sociale, psychische en natuurlijke kapitaal: stress, sociale verharding en vervuiling. In plaats daarvan zou niet alles door de lens van competitie gezien moeten worden: een pluraliteit van maatschappelijke sferen met eigen verdelingsmechanismen (niet alleen de markt) zou in stand gehouden moeten worden. Het is een doorn in het oog van de jonge Claassen dat het huidige sociaaleconomische stelsel dat arbeid en consumptie centraal stelt andere waardevolle menselijke activiteiten (“tijdrovende, affectieve relaties” in de liefdeloze filosofentaal, wat wij tijd voor geliefden, gezin en vrienden zouden noemen) naar de zijkant schuift. We zouden maatschappelijke sferen moeten creëren waarin schaarste en afgunst geen centrale rol spelen. De logica van de economie maakt van mensen sociale autisten die zich monomaan richten op de maximalisatie van de winst, en daarvoor alle morele en maatschappelijke normen die ze kunnen overtreden, zullen overtreden. Dit is uiteindelijk een gevaar voor de economie zelf. Claassen wil de cultuur van de schaarste overwinnen door te breken met het dominante winst- en groeidenken. Dit is de jonge, linkse cultuurcriticus Claassen: kritisch over de cultuur van de schaarste die alles economiseert en geen ruimte laat voor andere waardevolle menselijke activiteiten.

Jong en Oud

De jonge en de oude Claassen lijken diametraal tegenovergesteld. De jonge Claassen kiest voor een keiharde kritiek op de cultuur van de schaarste waarvan het lof door liberalen wordt bezongen. Liberalisme is niets meer dan de kritiekloze verheerlijking van behoeftebevrediging die door afgunst in stand wordt gehouden en ons geestelijk uitput. De oude Claassen, zelf een liberaal, vindt dat een keuze voor mensen zelf: als jij het je aantrekt dat je buurman een grote Porsche heeft, en daarom nog harder wil werken en meer wil gaan verdienen dan ben je daar zelf verantwoordelijk voor. Dat is geen schade van autonomie. Dus de overheid hoeft niet in te grijpen.

De obsessie met economische groei is voor de jonge Claassen een doorn in het oog en voor de oude Claassen individuele keuze, waar de overheid neutraal tegenover moet staan. Interessant vind ik ook dat waar de jonge Claassen pleitte voor schaarstevrije sferen, de oudere Claassen waarschuwt voor het doorslaan van de overheid richting matiging van topinkomens. Dat zou niet goed zijn voor het type managers dat we binnen halen bij de overheid, want schijnbaar is loon alles wat zou moeten tellen bij public service.

Toch ligt het beeld wat genuanceerder: de jonge en de oude Claassen hebben beide oog voor de maatschappelijke gevolgen van de nadruk op economische groei. Als er maatschappelijke schade ontstaat door de nadruk op schaarste en concurrentie dan moet de overheid ingrijpen. Als monomane autisten de wet gaan overschrijden is er een probleem, ook als de bonusstructuur de managers vervreemdt van de werkvloer.

Cultuurfilosofie versus Politieke Filosofie

Uiteindelijk ligt er echter een fundamenteel filosofisch onderscheid tussen de twee Claassens: filosofisch putten de jonge en de oude Claassen uit andere tradities. De jonge Claassen oriënteert zich op continentale cultuurkritische denkers als Arendt, de oude Claassen is veel Anglosaksischer en analytischer, en zijn filosofen als Sen zijn grote voorbeeld. Voor de oude Claassen is er een fundamenteel onderscheid tussen wat moreel onwenselijk is en politiek onrechtvaardig: Claassen vindt dat de overheid geen oordeel moet hebben of meer willen verdienen omdat je buurman een grotere auto heeft goed of slecht is. Dat moeten mensen zelf uitzoeken. Dat betekent niet dat de oude Claassen zelf geen mening heeft over auto’s en afgunst, maar hij vindt dat individuele meningen geen rol hebben in de politiek. De overheid moet zo neutraal mogelijk zijn ten opzichte van ideeën van het goede leven. Wat de oude Claassen vindt als politiek filosoof en wat de oude Claassen vindt als moreel filosoof hoeven niet hetzelfde te zijn. De jongere cultuurkritische Claassen zal het hier niet mee eens zijn. Het voornaamste argument aan de hand van deze critici is dat we als overheid wel neutraal kunnen proberen te zijn ten opzichte van ideeën van het goede leven maar dat er door het sociaaleconomische stelsel er een ideaal (dat van competitie) dwingend aan ons op gelegd wordt. Het marktdenken wordt steeds dominanter in de vorming van onze karakters en de marktlogica wordt langzaam aan alle sociale sferen opgelegd. Dit komt het meest sprekend tot uiting in het voorstel van de oude Claassen om de topinkomens bij de overheid niet te veel uit te pas te laten lopen met de markt. We kunnen ons alleen tegen deze erosie van onze cultuur verzetten door ons collectief te organiseren. Het morele laissez-faire van Claassen houdt een cultuur van stress en uitputting in stand die we alleen kunnen doorbreken door overheidsingrijpen.

* Ik vind dit om twee redenen een tamelijk schokkende omschrijving: als iemand gevoelig is voor argumenten dat als talenten oneerlijk verdeeld zijn, er dan een ongelijke verdeling van middelen kan ontstaan, dan kan hij de topinkomens nog wel eens willen belasten. Iedereen zou gevoelig moeten zijn voor een oneerlijke verdeling van talent. Dat is geen kwestie van smaak.

Ten tweede, is Claassen schijnbaar onder de indruk dat de inkomens van topmanagers in verhouding staat met de door hen geleverde arbeid. Maar als ik weer cijfers uit de Verenigde Staten hoor, massa-ontslagen, economische malaise en wel een stijging van de topinkomens, dan vraag ik me serieus af of topinkomens wel in verhouding staat geleverde arbeid. Is de arbeidsmarkt aan de top wel een perfect functionerende markt? Topinkomens worden niet bepaalt in een markt waar er heel veel aanbieders zijn en heel veel vragers en mensen anoniem opereren. Het grootste bezwaar is dat er geen sprake is van een anomiteit, maar dat topinkomens worden goedgekeurd in een old boys-netwerk, waar iedereen elkaar kent. Je kan je serieus afvragen of daar sprake is van gezonde marktwerking.

zaterdag, 24 december 2011

Hans Verbeek

Hans Verbeek

Hyves Twitter

Zeespiegelstijging neemt verder af

In met een gouden randje, klimaat, la nina, wetenschap, zeespiegelstijging, resultaten.
Sinds 1993 wordt de zeespiegelstijging ook gemeten m.b.v. satellieten. De University of Columbia verwerkt de metingen en publiceert regelmatig de resultaten in een mooie grafiek. Uit de meetreeks berekent men een gemiddelde zeespiegelstijging van 3,2 mm per jaar, ofwel 32 cm per eeuw. Er zijn nog meer onderzoeksgroepen die de satellietmetingen van de zeespiegelstijging bestuderen. [...]

donderdag, 22 december 2011

Jolanda de Vreede

Jolanda de Vreede

Twitter

Wetenschap en politiek gaan niet samen

 

Wetenschap en politiek gaan niet samen. Wat ze gemeen hebben is dat beide in het slop zijn geraakt bij de grote massa. Populisme is in en het antwoord blijft uit. Op een uitzondering na.

Tenslotte gaat het er in de politiek om de gemeenschap te dienen, wat betekent dat het toegepaste ethiek is.” Vaclav Havel in zijn rede ter gelegenheid van zijn eredoctoraat aan de Harvard Universiteit in 1995.

Politici met grote woorden winnen terrein, degenen die daar tegen met feiten komen, gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek, voeren een steeds wanhopigere strijd tegen het verlies van stemmen. Jarenlang schoten de debatclubs en –cursussen, waar je leerde elkaar met zo sterk mogelijke feiten om de oren te slaan, als paddenstoelen uit de grond. De nieuwe trend is speechen. Monoloog. Je mening geven op een vlammende manier. En de premier moet tegenwoordig bovenal ‘leiderschap’ tonen.

Ik stel het nog sterker: wetenschap en politiek helpen elkaar om zeep. Het doel van wetenschap is een heel andere dan van politiek. Wetenschap probeert zo meetbaar mogelijk aan te tonen hoe de wereld is, politiek verlangt een visie van hoe de wereld zou  moeten zijn, zo stelt de Rotterdamse cultuursocioloog Houtman. Wat dat betreft is politiek net religie en dat lijkt wereldwijd niet af te nemen. De behoefte aan zingeving is groot. Daarop reageren met feiten is kansloos. Kiezers zitten niet te wachten op feiten: ze willen de weg weten. Een idee, een mening, die staat vast. Wetenschap staat per definitie niet vast.

Ten eerste is wetenschap niet objectief. Populaire onderwerpen waarmee gescoord kan worden, worden vaker onderzocht en onderzoek moet betaald worden en ook hier geldt: wie betaalt, bepaalt. Dit zorgt ervoor dat wetenschap geen solide basis is voor een politiek debat.

Ten tweede is het voor wetenschappers een grote uitdaging elke theorie omver te werpen. Zeker in de sociale wetenschappen is controle van de peergroup enorm. Voor de kwaliteit van de wetenschap is dit uitstekend, maar de argeloze krantenlezer ziet het ene na het andere onderzoek goed onderbouwd afgeserveerd worden. En da’s nou net waar een kiezer niet op zit te wachten. Die wil vertegenwoordigd worden door iemand die weet hoe het zit en niet door iemand die met feiten komt die een dag later obsolete zijn.

Het is de behoefte die Max Weber Gesinnungsethik noemde. Hoe meer men zich een anoniem deel van de maatschappij gaat voelen, hoe groter de behoefte aan ‘gesinnung’, aan zingeving. Elk individu wil gezien worden, individualisme en persoonlijk authenticiteit zijn op het moment heel belangrijk. Tegenover de modernisering en rationalisering van deze tijd staat als tegencultuur de PVV.

Het is terug te vinden in de kunst: films gaan over persoonlijke roem, status en succes. De romantische tegencultuur van de jaren ’60 van een selecte club kunstenaars, filosofen en andere linkse hobbyisten, is doorontwikkeld tot een commercieel succesvolle cultuurindustrie. Lees meer hierover in dit artikel met veel voorbeelden. De romantische cultuurkritiek van de hippie staat nu mateloos populair tegenover de wetenschappelijk-technologische samenleving. Gevoel herkend te worden is veel belangrijker dan feiten.

Wordt politiek dan beter zonder feiten? Politiek is gebaat bij een stevige visie op de lange termijn. We zien in Europa dat vooral wordt geregeerd op basis van de wensen van de toekomstige kiezer en die kan de boel niet overzien. Juist daarom laat hij zich graag vertegenwoordigen. Weber: “politiek bedrijven is net als gaten boren in hard hout: het eist een krachtige hand en veel geduld, hartstocht en evenwichtigheid.”

En over de politicus: “Alleen hij die zeker weet dat hij er niet aan te gronde gaat wanneer de wereld – vanuit zijn standpunt bezien – te dom of te gemeen is voor wat hij haar te bieden heeft, alleen hij die ondanks dat alles kan zeggen ‘en wat dan nog?’ die heeft een roeping voor de politiek.”

Havel tot slot: “Het is bij uitstek een opdracht voor politici. De belangrijkste taak van de huidige generatie van politici is, naar ik meen, niet om zich bij het publiek door de beslissingen die ze nemen of door hun glimlach op de televisie bemind te maken. […] Hun rol is het hun verantwoordelijkheid te aanvaarden voor de kansen voor onze wereld op lange termijn en zo een voorbeeld te stellen voor de mensen die hen aan het werk zien. Het is hun verantwoordelijkheid onverschrokken vooruit te zien, zonder angst voor de afkeuring van de massa en hun werk te doordrenken met een geestelijke dimensie […]

Havel: de kunstenaar, de filosoof en linkse hobbyist. Hij wist hoe dat zat met politiek. Een grootse staatsbegrafenis komt hem meer dan toe.

 

 

maandag, 19 december 2011

Simon Otjes

Simon Otjes

Last.fm Twitter

Jojo-loopbaan

Vanaf 1 december werk ik weer bij de universiteit. Ik kreeg een aanbod van een professor bij Bestuurskunde of ik bij hem post-doc wilde worden op een project over belangengroepering in de Europese Unie. 3 jaar lang onderzoek doen. Geen onderwijsverplichtingen.

Dat is de droom van iedereen die net zijn proefschrift af heeft. An offer you cannot refuse. Maar ik was net begonnen bij Bureau De Helling, het wetenschappelijk bureau van GroenLinks.Gelukkig kan ik het werk op de universiteit en bij De Helling combineren: ik werk 75% bij GroenLinks. Dat is vanwege de nadruk daar op “ontspannen leven” maar 24 uur. Dan hou ik twee dagen over voor onderzoek. Ik was nu al bij de universiteit blijven hangen: in de laatste 2 maanden heb ik lesgegeven bij politicologie. Nationale politiek I, misschien wel het leukste vak dat ik tot nu toe gegeven hebt. Tot 1 september 2012 ga ik op de universiteit en bij Bureau De Helling werken. Daarna voltijds bij de universiteit. Bij Bureau De Helling werk ik aan een superinteressante project over kiezersonderzoek voor een jaar.

Het onderzoek bij Bestuurskunde gaat over belangengroeperingen. Het is onderdeel van een groot Europees project naar belangengroeperingen. Ik ga kijken naar de ontwikkeling van belangengroepen in de Europese Unie aan de hand van een populatie-ecologisch model. Ik heb al eerder gekeken naar politieke partijen vanuit een populatie-ecologisch model samen met de professor met wie ik nu ga samen werken. Dat is het beste onderzoek waar ik aan mee heb gewerkt.

Het voelt heel raar om, nu ik net bij De Helling begonnen ben, al na te denken over wat ik daarna wil doen. Het roept onvermijdelijk de vraag op: “wat wil ik doen?” Het combineren van wetenschappelijk onderzoek en politiek. Dat kan bij Bureau De Helling waar ik me bijzonder op mijn plek voel. Dat kan ook door te werken op de universiteit en daarnaast politiek actief te zijn zoals ik al de laatste vier jaar doe. Ik denk wel dat ik werk bij bestuurskunde met onderzoek naar belangengroeperingen makkelijker kan combineren met partijpolitieke activiteiten dan werk bij politicologie met onderzoek naar politieke partijen.

Het is een soort jojo dus: politiek – wetenschap – politiek – wetenschap. Nu een ritme aanleren dat me bevalt.

donderdag, 15 december 2011

Feiko van der Veen

Feiko van der Veen

GR

Echte wetenschap berust op liefde: de filosofie van mijn opa

In geen categorie, christendom, filosofie, liefde, wetenschap, begrip, bijbel, gedichten, geloof, en meer.

19 maart 2010. Het is frappant hoezeer mijn grootvader
voorin de twintigste eeuw tot dezelfde fundamenten voor zijn levensopvatting
kwam als ik twee generaties later. Dat besefte ik pas ver na zijn dood toen ik
zijn opstellen onder ogen kreeg. Liefde, openbaring en wonderen verbond mijn
opa met een pleidooi voor eigen oordeelsvorming, het verwerpen van geloof
louter op grond van gezag, de wetenschap als toetssteen en de wens inzichten in
het dagelijkse leven te kunnen gebruiken. Voor mij leidde de antroposofie tot in
wezen dezelfde overtuigingen.

 

Mijn opa heb ik meegemaakt tot ik ongeveer zes jaar was. Hij
was een aimabele man, die graag een gulden of zelfs rijksdaalder op een wondje
legde als je daarmee thuiskwam. Hij speelde Bach en kerkgezangen op het
harmonium. Vijf en twintig jaar was hij als gemeentesecretaris een van de
bekende persoonlijkheden in Zwijndrecht, het tuindersdorp waar mijn vader
opgroeide, dat in mijn kinderjaren veranderde in een overloopgebied voor op
Rotterdam georiënteerde forensen. Ik voelde mij zeer aangetrokken tot mijn opa
zonder dat ik wist waarom. In de nalatenschap van mijn vader ontdekte ik later
zijn gedichten, gelegenheidsverzen en afleveringen van zijn column “Brief uit
Holland”, vermoedelijk uit “Nieuws van de week”, dat in Nederlands Indië (nu
Indonesië)  verscheen. Hij schreef
eveneens in het blad voor gereformeerde gemeentesecretarissen.

 

Ik trof ook twee lezingen “Over het Christendom” aan, die
hij vermoedelijk in de jaren dertig in Dordrecht gaf. De ontdekking dat mijn
opa zich in zijn leven bezig heeft gehouden met dezelfde fundamentele vragen als
ik ontroerde mij. Opgegroeid in een ongelovig milieu in Drachten werd hij in
een christelijke studentenvereniging met het christendom geconfronteerd. Na
Nietsche en Freud bestudeerd te hebben, verdiepte hij zich toen in het
christendom. Tot zijn verrassing vond hij hier antwoorden op vele vragen. In de
kern vormde hij zich zo de volgende visie.

 

Alleen door een werkelijk belangeloze toewijding aan een
onderwerp, dat wil zeggen door christelijke liefde, geeft de natuur haar
geheimen prijs. De natuurwetenschap in West-Europa is geboren toen de
menselijke geest genoeg geschoold was in de oefeningen van de Middeleeuwse
theologie. Sinds Descartes nemen wij de waarheid echter niet meer op gezag aan,
maar alleen als zij ons als zodanig blijkt. Descartes kwam op tegen de
denkmethode van de scholastische theologie, die volgens de methode van het
gezag redeneerde. De autoriteiten die deze methode volgde waren Aristoteles en
de Bijbel. Volgens mijn opa kwam Descartes’ protest tegen de gezagsmethode
juist voort uit een christelijke waarheidsdrang. Descartes ging volgens hem te
ver door het geloof aan het eigen oordeel en aan de zintuiglijke waarneming als
onverenigbaar met het geloof op gezag voor te stellen. Want, aldus mijn opa, op
de zuivere waarneming geeft de natuur haar geheimen niet prijs. Men moet zijn
object liefhebben. Ook in de internationale politiek kan vrede alleen tot stand
komen als men bereid is zijn vijanden lief te hebben. Wie liefheeft, ziet de
feiten heel anders. Begaafdheid voor een vak wil zeggen de gave om dat vak te
kunnen liefhebben. Het begrip wordt ons gegeven door  “ingevingen”. Die noemt het christendom
ingevingen van de Heilige Geest. God zendt de Heilige Geest als een bode van
inzicht. Ook via Christus komt die boodschap tot ons. Gezag en oordeel lossen
zich op in een overkoepelende openbaring. De openbaring is in wezen een
bovenwetenschappelijk wonder.

Feiko van der Veen

Feiko van der Veen

GR

Echte wetenschap berust op liefde: de filosofie van mijn opa

In geen categorie, christendom, filosofie, liefde, wetenschap, bezig, bijbel, boodschap, column, en meer.

19 maart 2010. Het is frappant hoezeer mijn grootvader
voorin de twintigste eeuw tot dezelfde fundamenten voor zijn levensopvatting
kwam als ik twee generaties later. Dat besefte ik pas ver na zijn dood toen ik
zijn opstellen onder ogen kreeg. Liefde, openbaring en wonderen verbond mijn
opa met een pleidooi voor eigen oordeelsvorming, het verwerpen van geloof
louter op grond van gezag, de wetenschap als toetssteen en de wens inzichten in
het dagelijkse leven te kunnen gebruiken. Voor mij leidde de antroposofie tot in
wezen dezelfde overtuigingen.

 

Mijn opa heb ik meegemaakt tot ik ongeveer zes jaar was. Hij
was een aimabele man, die graag een gulden of zelfs rijksdaalder op een wondje
legde als je daarmee thuiskwam. Hij speelde Bach en kerkgezangen op het
harmonium. Vijf en twintig jaar was hij als gemeentesecretaris een van de
bekende persoonlijkheden in Zwijndrecht, het tuindersdorp waar mijn vader
opgroeide, dat in mijn kinderjaren veranderde in een overloopgebied voor op
Rotterdam georiënteerde forensen. Ik voelde mij zeer aangetrokken tot mijn opa
zonder dat ik wist waarom. In de nalatenschap van mijn vader ontdekte ik later
zijn gedichten, gelegenheidsverzen en afleveringen van zijn column “Brief uit
Holland”, vermoedelijk uit “Nieuws van de week”, dat in Nederlands Indië (nu
Indonesië)  verscheen. Hij schreef
eveneens in het blad voor gereformeerde gemeentesecretarissen.

 

Ik trof ook twee lezingen “Over het Christendom” aan, die
hij vermoedelijk in de jaren dertig in Dordrecht gaf. De ontdekking dat mijn
opa zich in zijn leven bezig heeft gehouden met dezelfde fundamentele vragen als
ik ontroerde mij. Opgegroeid in een ongelovig milieu in Drachten werd hij in
een christelijke studentenvereniging met het christendom geconfronteerd. Na
Nietsche en Freud bestudeerd te hebben, verdiepte hij zich toen in het
christendom. Tot zijn verrassing vond hij hier antwoorden op vele vragen. In de
kern vormde hij zich zo de volgende visie.

 

Alleen door een werkelijk belangeloze toewijding aan een
onderwerp, dat wil zeggen door christelijke liefde, geeft de natuur haar
geheimen prijs. De natuurwetenschap in West-Europa is geboren toen de
menselijke geest genoeg geschoold was in de oefeningen van de Middeleeuwse
theologie. Sinds Descartes nemen wij de waarheid echter niet meer op gezag aan,
maar alleen als zij ons als zodanig blijkt. Descartes kwam op tegen de
denkmethode van de scholastische theologie, die volgens de methode van het
gezag redeneerde. De autoriteiten die deze methode volgde waren Aristoteles en
de Bijbel. Volgens mijn opa kwam Descartes’ protest tegen de gezagsmethode
juist voort uit een christelijke waarheidsdrang. Descartes ging volgens hem te
ver door het geloof aan het eigen oordeel en aan de zintuiglijke waarneming als
onverenigbaar met het geloof op gezag voor te stellen. Want, aldus mijn opa, op
de zuivere waarneming geeft de natuur haar geheimen niet prijs. Men moet zijn
object liefhebben. Ook in de internationale politiek kan vrede alleen tot stand
komen als men bereid is zijn vijanden lief te hebben. Wie liefheeft, ziet de
feiten heel anders. Begaafdheid voor een vak wil zeggen de gave om dat vak te
kunnen liefhebben. Het begrip wordt ons gegeven door  “ingevingen”. Die noemt het christendom
ingevingen van de Heilige Geest. God zendt de Heilige Geest als een bode van
inzicht. Ook via Christus komt die boodschap tot ons. Gezag en oordeel lossen
zich op in een overkoepelende openbaring. De openbaring is in wezen een
bovenwetenschappelijk wonder.

maandag, 12 december 2011

Hans Verbeek

Hans Verbeek

Hyves Twitter

Meer zonnevlekken, maar magneetveld van de zon blijft zwak

In overig, afkoeling, klimaat, opwarming, wetenschap, zon, zonnevlekken, december, 2011, en meer.
Zonnecyclus 24 is dan eindelijk op gang gekomen. In november 2011 liep het gemiddeld zonnevlekkengetal op tot boven de 90. Het zonnevlekkengetal is nu hoger dan de voorspellingen. Maar aan de andere kant blijft het magneetveld van de Zon zwak. Dat kun je aflezen aan de planetaire Ap-index. In december 2008 verzwakte het magneetveld rond [...]

dinsdag, 6 december 2011

Jeroen van Rossum

Jeroen van Rossum

Twitter

Juf Marja

In politiek, adhd, autisme, balkendende, basisonderwijs, betutteling, bezuinigingen, bureaucratie, cda, en meer.

Bijna haastig maakte Marja van Bijsterveldt deze week haar plannen voor dertig Tv-zenders in het standaardpakket wereldkundig. Uitzuigerij van kabelmaatschappijen pikt Marja niet langer. Een fijne bliksemafleider voor onze minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Want wie dacht dat we na vechtkabinet Balkenende XVIII van de christelijke betutteling af waren, komt bedrogen uit.

Marja van Bijsterveldt kondigde vorige week aan dat ze wilde dat ouders zich meer met scholen gingen bemoeien. Ouders moeten meer tijd vrijmaken om voorleesvaders en luizenmoeders te zijn, schoolreisjes te begeleiden en de ontwikkeling van hun kinderen een centrale plek te geven. En dat durft Marja van Bijsterveldt best te zeggen in een tijd waarin de gemiddelde meester of juf nu al gek wordt van ouders die vinden dat hun kind toch net dat beetje aandacht meer verdient. Wat dat betreft heeft Marja met één punt wel een punt: ouders gedragen zich steeds als consumenten.

Want in de huidige assertieve en kindgerichte cultuur is elk kind een prinsje of prinsesje. Zeker wanneer ouders gescheiden zijn, wat tegenwoordig eerder de regel dan de uitzondering is, wordt het welbehagen van het kind met hand en tand (en een grote berg Sinterklaascadeautjes) verdedigd. De bedroevende kwaliteit van onze PABO’s en onze PABO-studenten zorgen bovendien voor een steeds groter wordend wantrouwen tegen leraren. En daar hebben juist de succesvolle PABO’ers, die niet na een jaartje knutselen afhaken, ontzettend last van. Voor een juf of meester goed en wel op stoom komt met zijn klas, komen hele roedels ouders al vertellen hoe het allemaal beter kan, vooral voor hun eigen kroost. Dat het merendeel van onze jeugd bij de eerste scheet die dwars zit al een stempeltje met ADHD of autisme meekrijgt, zal daarbij ook niet erg helpen.

Experts zijn het erover eens dat de kwaliteit van het onderwijs op te lossen is met meer geld op de juiste plek, en minder bureaucratie. De ongebreidelde fusiedrang in onderwijsland, onder druk van de krappe budgetten, bewijst zichzelf al jaren als slechte ontwikkeling. Maar juf Marja gaat het anders oplossen, niks geen geld erbij! In plaats van de positie van leerkrachten in het (basis)onderwijs te versterken, wil ze de ouders nog meer invloed geven in de klaslokalen van Nederland.  Een belachelijk idee.

Een belachelijk idee, niet alleen  omdat het indruist tegen de wens van het kabinet dat de vrouwenparticipatie op de arbeidsmarkt groter wordt, maar vooral omdat ouders nu eenmaal geen pedagogische professionals zijn. Er is niet voor niets een opleiding nodig om voor de klas te mogen staan. En een belachelijk idee omdat ouders een klas nooit subjectief kunnen bekijken, omdat hun eigen kind natuurlijk ‘bijzonder’ is. Die illusie is fijn voor de opvoeding thuis, maar funest voor het onderwijs. Een klas met dertig bijzondere kinderen voorzien van een wensenlijstje van de bezorgde, invloedrijke en betrokken ouders wordt al snel onbestuurbaar. Misschien moeten we Marja van Bijsterveldt een weekje voor de klas zetten…


dinsdag, 22 november 2011

Hans Verbeek

Hans Verbeek

Hyves Twitter

Steeds meer CO2 zonder meer opwarming

In met een gouden randje, afkoeling, co2, inzicht, ipcc, klimaat, klimaatmodellen, opwarming, wetenschap, en meer.
Op de klimaatconferentie in Durban zal je weinig blije gezichten zien. Terwijl er toch heel goed nieuws is te melden. De afgelopen 10 jaar is de temperatuur niet verder gestegen. De rampzalige gevolgen van de klimaatverandering blijven ons voorlopig bespaard. Sinds januari 2001 is de CO2-concentratie in de atmosfeer gestegen van 370 ppm tot meer [...]

maandag, 21 november 2011

Hans Verbeek

Hans Verbeek

Hyves Twitter

Uitzonderlijk veel vroege sneeuw op Noordelijk Halfrond

In overig, regelmatig terugkerende ellende, afkoeling, klimaat, klimaatmodellen, opwarming, weer, wetenschap, europa, en meer.
Op 29 oktober kreeg het noordoosten van de VS het eerste pak sneeuw van deze winter. Op 14 november viel er een ongewoon dik pak sneeuw in Kazachstan. Alleen in Europa ligt er minder sneeuw dan normaal. Maar in Azië en Noord-Amerika is het sneeuwtapijt veel groter dan in november 2010. (bron: Rutgers University Global [...]

woensdag, 16 november 2011

Ruard Ganzevoort

Ruard Ganzevoort

Twitter

‘Voor het slachtoffer is geen verhaal. Dat vind ik onacceptabel’

In seksueel misbruik, recht, religie, actie, armoede, belangrijk, bezig, claim, cultuur, en meer.

Op een vergadering van de Werkgroep Moderne Theologie met als thema seksueel misbruik sprak Ruard Ganzevoort over theologie uit het perspectief van het slachtoffer. Adrem ondervroeg hem erover. Het leverde een gesprek op over straf, dader en slachtoffer, en de taak van de theologie in de moderne samenleving.

(Interview in Ad Rem, remonstrants maandblad, 22/19, november 2011)

De rol van het slachtoffer bij een strafproces staat de laatste tijd nogal in de belangstelling. Kun je iets zeggen over de recente ontwikkelingen?In de afgelopen tien jaar is geleidelijk aan het slachtofferperspectief een rol gaan spelen in de rechtspraak, bijvoorbeeld dat slachtoffers gehoord kunnen worden door de rechter. Dat is een van de belangrijkste voorbeelden waarbij slachtoffers het gevoel krijgen dat ze gehoord worden. Toch heb ik er gemengde gevoelens over. Met name het laatste jaar lijkt het niet te gaan om het laten horen van de stem van het slachtoffer. Het lijkt eerder te gaan om argumenten voor het steeds strenger straffen van daders. Daar hebben slachtoffers volgens mij niks aan. De vraag wat slachtoffers nodig hebben is een andere dan die of we daders omwille van het slachtoffer zwaarder moeten straffen. Voor slachtoffers ligt de winst niet in de straf, maar in de erkenning van het lijden dat hen is aangedaan.

Nederland is inderdaad de afgelopen jaren strenger gaan straffen. Het blijkt zelfs een van de landen in Europa waar het zwaarst gestraft wordt. Dat vind je geen goede ontwikkeling? Nee, ik vind het dom. Zwaarder straffen helpt niet. Ik ben niet tegen straffen, maar wil je misdaden voorkomen, dan moet je andere dingen doen dan alleen maar straffen. De zaken waar men de zwaarste straffen voor wil, zijn bijvoorbeeld zedenzaken. Die worden terecht ervaren als misdaden die de meeste inbreuk doen op het leven van slachtoffers. Maar juist bij zedenzaken hebben daders in veel gevallen zelf een geschiedenis van slachtofferschap. Door hen alleen aan te spreken op hun daderschap, versterk je alleen hun slachtofferschap. Zo draag je eerder bij aan recidive, dan dat je herhaling voorkomt.

Hoe bedoel je dat? Je ziet het op dit moment bij de discussie over pedofilie. Die discussie is zwaar vertroebeld en heeft kenmerken van een soort heksenjacht. Pedofilie wordt zo gecriminaliseerd dat deze mensen zich in het duister terugtrekken en daarmee des te gevaarlijker worden. Dit is heel onverkwikkelijk. Om te beginnen zijn niet alle pedofielen misbruikers. Het is een aanleg en nog geen daad. Bovendien wordt het merendeel van het seksueel misbruik niet door pedofielen gepleegd, maar door brave huisvaders die incest plegen, door therapeuten, hulpverleners, predikanten, noem maar op. Door zich op dat kleine groepje pedofielen te richten, wil men het grote probleem van seksueel misbruik beheersbaar maken. De enge man in de bosjes is weg, dus nu bestaat het probleem niet meer. Daarmee wordt noch aan slachtoffers, noch aan daders recht gedaan.

Kun je een voorbeeld noemen van een omgang met pedofilie die naar jouw idee meer recht doet aan beide? In Zuid-Afrika is nu een begeleidingsprogramma voor veroordeelde pedoseksuelen met de naam PedoStop. Dat programma heeft een opzet, vergelijkbaar met de Anonieme Alcoholisten. Zij zeggen, ‘wij hebben een gevaarlijke neiging en als we die niet serieus nemen, dan lopen anderen risico. Dus, willen we dat voorkomen, dan moeten wij verantwoordelijkheid nemen voor onze problematiek. En niemand die zo goed de drogredenen en manipulaties van een pedoseksueel kan doorgronden als een pedoseksueel zelf.’ Zulke initiatieven moeten we geloof ik heel sterk ondersteunen en waarderen. Als je dan hier weldenkende mensen hoort beweren dat je het gewoon maar het beste de kop in kan drukken, dan vind ik dat gewoon heel dom.

Als we dan nu de stap maken naar de theologie. Je hebt vorig jaar bij de Werkgroep Moderne Theologie een voordracht gehouden over seksueel misbruik. Je vertelde daar iets over jouw ideeën over het slachtofferperspectief in de theologie. Kun je daar iets meer over vertellen? Waar ik de laatste jaren op dit punt vooral mee bezig ben geweest is de plek van het slachtoffer in de theologie. Wat mij treft, is dat de grote verhalen van de traditie gaan over traumatische ervaringen, terwijl de theologie het daar niet over heeft. Dat vind ik frustrerend. Het verhaal van de exodus in het Oude Testament is een verhaal van jarenlange onderdrukking en uitbuiting. Alleen door een, ik zou haast zeggen, kosmisch terroristische actie vindt de bevrijding plaats. Of in het Nieuwe Testament waar het grote verhaal de kruisiging is. Traumatischer dan dat kan het niet worden voor de betrokkenen en de omstanders. Deze dimensie van traumatisering is op de een of andere manier uit die verhalen gefilterd. Het zijn in plaats daarvan ofwel glorieuze verhalen geworden, of het zijn, als je kijkt naar de orthodoxie, verhalen die verwijzen naar onze zondigheid. Zo worden mensen die slachtoffer zijn niet geactiveerd om hun eigen slachtofferschap te verbinden bijvoorbeeld met dat van Jezus. Er is in de traditie veel gebeurd om de rol van de zondaar te definiëren, maar voor het slachtoffer is er geen verhaal. Dat vind ik onacceptabel. Zoals ik het nu zeg, is het gericht op de orthodoxie, maar in de vrijzinnige theologie is het niet veel beter. Daar wordt gezegd dat er elders in de wereld mensen zijn die het heel erg moeilijk hebben en dat wij mede schuldig zijn door onze rijkdom. Daar ben ik het mee eens, maar het verhaal blijft hetzelfde. Wij zijn nog steeds de daders en anderen het slachtoffer.

Hoe komt het slachtoffer-perspectief dan wel tot zijn recht? Het begint al bij de liturgie. Als we het Onze Vader bidden, bijvoorbeeld, wat betekent dat voor mensen voor wie het woord vader problematisch is? Het komt terug in de manier waarop ik teksten lees. Ik lees primair vanuit de marge en vraag me af: Wie wordt hier buitengesloten? Wie wordt in dit verhaal niet genoemd? Wie mag hier niet zijn? Het gaat erom voortdurend te denken vanuit de vraag: Wat gebeurt er met beschadigde mensen als ze dit verhaal horen? Ik ben er van overtuigd dat als je daar aandacht aan geeft, dat het uiteindelijk voor iedereen heilzaam is. Ik vraag me als het om vergeving gaat als eerste af wat voor theologie van vergeving heilzaam is voor slachtoffers. Vergeving voor daders is ook belangrijk, maar als het niet heilzaam is voor slachtoffers houden we het kwaad in stand.

Wat bedoel je precies met vergeving? Vergeving lijkt een begrip dat sterk verbonden is met een theologie vanuit het dader-perspectief? Vergeving gaat om de keuze wrok te laten varen en te kiezen voor loslaten. Kies ik ervoor om vast te houden aan de daad die onze relatie beschadigd heeft of kies ik voor loslaten met het oog op de toekomst? Voor het slachtoffer is dat belangrijk om uiteindelijk uit de slachtofferrol te komen. Zolang je vasthoudt, ben je slachtoffer, alleen het loslaten doorbreekt dat. Of je het nu vergeving noemt of iets anders, die stap is essentieel.

Op welke manier is deze opvatting van vergeving heilzaam voor zowel het slachtoffer als voor de dader? Ook de dader kan niet in zijn rol van dader blijven steken. Dader en slachtoffer gaan door een parallel proces. Het gaat erom dat er ingegrepen wordt in de relatie, waardoor de relatie anders wordt. Even heel simpel gezegd kleeft aan de daad die de posities gedefinieerd heeft ook altijd een aspect van macht. Slachtofferschap heeft te maken met onmacht, daderschap met meer macht. Om dat te doorbreken moet de dader van zijn troon afkomen, zijn macht neerleggen, op de knieën gaan en om vergeving vragen. Een andere mogelijkheid is dat het slachtoffer afziet van onmacht. Soeverein slachtofferschap: ik kies ervoor om niet langer slachtoffer te zijn. Daarmee ontsla ik de ander impliciet van zijn daderschap, maar of dat aankomt, hangt van de dader af. Er is nog een derde manier. Het slachtoffer kan om allerlei redenen de daad herdefiniëren en zeggen ‘ik ben eigenlijk nooit slachtoffer geweest’. Dan is er weliswaar geen sprake van vergeving, maar het helpt wel bij het loslaten. Daar gaat het uiteindelijk om. Het slachtofferschap is geen ultieme positie. Het is een doorgangspositie, die je alleen te boven kunt komen als je hem eerst serieus neemt. Dat geldt voor daderschap net zo.

Daderschap en slachtofferschap lijken niet altijd zo duidelijk uit elkaar te houden. We leven in een wereld waar wat ik hier doe consequenties kan hebben voor iemand ver weg. Consequenties die ik niet ken. Er is geen zwart-wit onderscheid te maken tussen dader, slachtoffer, en onschuldige. Daar zit onze existentiële spanning. We zijn het uiteindelijk allemaal een beetje. Onze rijkdom is gebaseerd op de armoede elders. Dat wil niet zeggen dat je er niet van mag genieten, maar we dragen slachtofferschap en daderschap met ons mee. Dat helpt ons ook in de verbinding met elkaar. Hoe zal ik ooit begrip hebben voor iemand die een ander beschadigd heeft, als ik mij niet bewust ben van mijn beschadigen van anderen? In mijn beschrijving zet ik het wat tegenover elkaar, maar in de praktijk loopt het door elkaar heen en ben je in bijna elke situatie allebei.

We leven in een tijd waarin de kerken meer en meer in de marge van de samenleving terecht lijken te komen. Heeft deze theologie toch een grotere reikwijdte dan de kerkelijke context? In religieuze tradities zit zo veel wijsheid waar de samenleving behoefte aan heeft. Dat merkte ik bijvoorbeeld toen ik op een studiedag van Bureau Slachtofferhulp sprak over de Middeleeuwse boete- en biechtpraktijk. Die begint met gewetensonderzoek, zo gedetailleerd mogelijk onderscheiden tussen het deel waar ik schuld aan heb en het deel waar ik geen schuld aan heb Dat moet leiden tot oprecht berouw. Dat kun is niet te meten, maar het gaat om het besef, ‘ja, ik ben ten diepste dader, ik ben schuldig.’ Dat is de tweede stap. De derde stap is dat het moet leiden tot een belijdenis bij de mond. Het is niet genoeg om het alleen te voelen, het voor jezelf te houden, of met God in het reine te komen. Wat ik openlijk gedaan heb, moet ook openlijk beleden worden. De vierde stap is de genoegdoening met de daad. Dat kan zijn dat ik de schade betaal, het kan zijn dat ik mijn leven beter en goede werken ga doen. Er moet iets fysiek gebeuren. De balans moet hersteld worden om ruimte te maken voor de vijfde stap: absolutie. Loslaten, nu ben ik geen dader meer, nu ben ik vrij. Het slachtoffer gaat precies dezelfde route af en dat is net zo moeilijk. Gewetensonderzoek: Wat is er eigenlijk gebeurd? Wat was mijn aandeel? Wat is me overkomen? De tweede stap, parallel aan het berouw, is de erkenning. ja, ik ben inderdaad beschadigd. Ik ben slachtoffer gemaakt en getraumatiseerd. De derde stap is dat ik dat moet zeggen. Ik moet mijn stem verheffen en uitspreken dat ik slachtoffer ben. De vierde stap is dat ik uit de patronen stap die bij het slachtofferschap horen. Ik moet mijn leven veranderen, autonomie nemen of misschien wel de genoegdoening van de dader accepteren. Zo komen we bij de vijfde stap, parallel aan de absolutie, het loskomen van het slachtofferschap. De protestanten hebben op een gegeven moment gebroken met deze praktijk. Genoegdoening vonden ze niet meer nodig, want dat heeft Christus al gedaan. Kijk, theologisch is dat allemaal wel mooi, maar het werkt niet. Er moet iets van genoegdoening zijn, anders krijg je goedkope genade. Dit is iets van de wijsheid van eeuwen. Er wordt iets gezegd in religieuze taal over de relatie tussen mens en God, maar tussen mensen in de samenleving werkt het net zo. De therapeuten van Bureau Slachtofferhulp herkenden wat ik vertelde. Ze herkenden hun seculiere werk erin, maar ze begrepen ook waarom je religieuze taal nodig hebt om dit tot uitdrukking te brengen.

Waarom is die religieuze taal nodig? Ik noem het vaak een wijsheidstraditie om het niet exclusief over het transcendente te laten gaan. Wat die traditie toevoegt, is de symbolisering. De symbolische taal van de religie biedt het kader waarin je dit soort dingen kunt zeggen. Het geeft iets van een ultieme horizon . Je kunt het ook in juridische taal zeggen, maar veel mensen missen dan toch iets. Ze willen het niet meteen religieus maken, maar ze ervaren de verbinding met de dieptedimensie van het bestaan als bijzonder waardevol.

Hoe zou je in dit kader de taak van de theologie beschrijven? De theologie is de wetenschap die in staat is dit soort wijsheden op te diepen en vanuit een niet autoritaire, maar juist dienstbare houding ter beschikking te stellen aan de samenleving. Dat wil zeggen, het gaat er niet alleen om dingen uit de traditie te halen en die ter beschikking te stellen. Het gaat er ook om vanuit de hedendaagse situatie die traditie ter discussie te stellen. In die wisselwerking worden beide bevraagd en bekritiseerd. Aan die taak zit een ambachtelijke kant. Theologen zouden in staat moeten zijn de cultuur en de samenleving te lezen, soms te verhelderen, en verbindingen met tradities te leggen. Daar zit dan geen claim of richting in, het gaat erom te snappen wat er gebeurt. Als theoloog kun je dingen naar voren brengen, waar een socioloog niet per se taal voor heeft. Er is echter ook een meer inhoudelijke kant. De theoloog mag zichzelf behartiger van de traditie weten en in missionaire of profetische zin die wereld proberen te beïnvloeden. De grondwaarden van je religie, of je die nu rechtvaardigheid, compassie, zuiverheid, of heiligheid noemt, vertalen in een kritische analyse van de samenleving.

Je bent niet alleen theoloog, maar ook politicus. Hoe verhoudt je taak als theoloog zich tot je rol als politicus? In de discussie over het ritueel slachten bijvoorbeeld probeer ik te verhelderen wat het belang van ritueel slachten is in een bepaalde religieuze traditie. Tegelijk probeer ik duidelijk te maken dat geen enkele traditie onveranderlijk is, maar dat onder druk van maatschappelijke veranderingen ook een religie meebeweegt. Als er een verbod komt op ritueel slachten houdt die religie niet op te bestaan. Dat is de ambachtelijke kant. De inhoudelijke kant komt aan de orde in hetzelfde debat als het gaat om de vraag hoe we omgaan met verschillen tussen mensen. Respecteren we dat de een andere keuzes maakt dan de ander? Respecteren we de normatieve aanspraken die vanuit tradities op mensen afkomen? En met name, wat betekent het dat deze discussie gevoerd wordt over de rug van minderheden? Betekent dat we ongebreidelde vleesproductie laten voortbestaan niet dat we het hedonistische recht op vlees eten kennelijk belangrijker vinden dan het religieuze recht op vlees eten? Daar sta ik voor een liberale religieuze traditie, voor een vrijzinnige theologie. In de politieke arena argumenteer ik niet met religieuze taal, maar mijn stellingname is wel primair ingegeven door mijn religieuze overtuiging.

(Interview door Martijn Junte, oktober 2011, Lid redactie Ad rem, predikant remonstrantse gemeente Eindhoven)

 


Hans Verbeek

Hans Verbeek

Hyves Twitter

Ongekende zeespiegeldaling in 2011

In met een gouden randje, afkoeling, inzicht, klimaat, klimaatmodellen, opwarming, wetenschap, zeespiegelstijging, zeespiegel, en meer.
Er is iets vreemds aan de hand met de zeespiegel. Decennialang stijgt de zeespiegel met gemiddeld 3 mm per jaar. Maar in het afgelopen half jaar is de zeespiegel opeens gaan dalen. Sinds 1995 trad er twee keer eerder een tijdelijke daling op van de zeespiegel. Tijdens de La Nina van 1999 en tijdens de [...]

zondag, 13 november 2011

Simon Otjes

Simon Otjes

Last.fm Twitter

Paternalisme, Arbeid en Inkomen

In arbeid, inkomen, paternalisme, verdelende rechtvaardigheid, agenda, aow, armoede, belasting, bijstand, en meer.

In de bundel Vrijzinnig Paternalisme pleiten verschillende progressief-linkse auteurs voor een groen en links beschavingsproject. De overheid moet het debat aan gaan met burgers over wat het goede leven is. De auteurs, geleid door Dick Pels, willen hiermee een correctie aan brengen op de liberale koers die GroenLinks onder Femke Halsema heeft ingezet. Zij zou de moraal te veel hebben overgelaten aan het individu.

Het opvallende is dat waar het gaat om praktische politiek de voorstellen van Pels uitermate liberaal zijn en onderbouwd zijn met liberale argumenten. Dit zal ik illustreren aan de hand van het hoofdstuk “Werk, Sociale Zekerheid en Het Goede Leven” waarin Pels samen met Femke Roosma pleit voor het invoeren van een basisinkomen. Ze breken hiermee met de koers van Femke Halsema. Zij schrok in Vrijheid Eerlijk Delen, het stuk waarin ze haar sociaal-liberalisme praktisch uitwerkte, niet terug voor een paternalistische voorstel onderbouwd met paternalistische argumenten: iedereen moest werken omdat dat beter voor hen is. De centrale vraag is: hoe paternalistisch is het vrijzinnig paternalisme van Pels en hoe liberaal het sociaal-liberalisme van Halsema?

Liberalisme? Paternalisme?

Liberalisme houdt in dat de overheid strikt neutraal moet zijn ten opzichte van ideeën van het goede leven. Alle liberalen vinden dat de overheid mensen moet beschermen tegen inbreuken op hun formele rechten. Links-liberalen vinden dat de overheid daarnaast de materiële voorwaarden voor ontplooiing eerlijk moet verdelen.

Paternalisten geloven dat de overheid niet neutraal mag blijven ten opzichte van ideeën van het goede leven. Burgers moeten de ‘juiste keuzes’ maken, omdat dat goed is voor burgers zelf. In essentie zeggen paternalisten: “de overheid weet beter dan mensen zelf hoe ze hun leven moeten inrichten.” Harde paternalisten willen dwang inzetten om mensen daartoe te zetten. Vrijzinnig paternalisme varieert op een van twee manieren op dit thema: ten eerste, omdat vrijzinnig paternalisten niet zeker weten wat het idee van het goede leven is. Zij werpen dit echter niet terug op het individu maar willen een maatschappelijk, democratisch debat over wat het goede leven is. Ten tweede, omdat vrijzinnig paternalisten mensen niet dwingen, maar duwtjes in de goede richting geven: mensen hebben het recht om de verkeerde keuzes te maken, maar ze worden gestimuleerd om de juiste keuze te maken.

De centrale assumptie van Roosma en Pels is dat ieder sociaal stelsel mensen stimuleert om hun leven op een bepaalde manier in te richten. De sociale zekerheid geeft altijd richting aan een idee van het goede leven.  En op dit moment ligt de focus op werk. Roosma en Pels willen door het basisinkomen te introduceren mensen een andere richting geven.

 

Een Vrijzinnig Paternalistisch Pleidooi voor het Basisinkomen

Een basisinkomen is een door de overheid gegarandeerd minimuminkomen dat iedereen krijgt onafhankelijk van of hij of zij werkt of niet. De beste manier om het uit te leggen is dat de AOW-gerechtigde leeftijd verlaagd wordt naar 18. Mensen kunnen daarnaast bijverdienen zoveel als ze willen, maar als ze door een ongelukkige samenloop van omstandigheden, maar ook bijvoorbeeld omdat ze willen zorgen voor hun familie, of gewoon omdat ze lui zijn, (tijdelijk) niet werken kunnen ze altijd rekenen op een inkomen.

De vrijzinnig paternalisten Pels en Roosma hebben een agenda voor het goede leven: dat goede leven bestaat uit een juiste balans tussen werk, vrije tijd, ontwikkeling en de zorg voor anderen. Het basisinkomen kan daarbij helpen omdat het ruimte biedt voor ontplooiing, zorg en scholing. Mensen kunnen de tijd nemen voor scholing, voor de opvoeding van hun kinderen, het verzorgen van hun ouders of zich richten op sport, kunst en wetenschap en toch een (minimum)inkomen hebben. Het kan voor mensen met een baan een manier zijn om arbeid en zorg beter te combineren. Voor mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt geeft het basisinkomen de vrijheid om slecht werk te weigeren. In de huidige arbeidsmarkt kunnen mensen eigenlijk slecht werk niet weigeren omdat ze dan hun inkomen verliezen.

Roosma en Pels vinden hun voorstel paternalistisch omdat het ervan uitgaat dat het legitiem is voor de overheid om zich het welzijn van mensen te bemoeien. Maar die bemoeienis is beperkt. In essentie verandert het basisinkomen de manier waarop we keuzes maken over werk en inkomen. Als mensen besluiten om niet te werken, is het alternatief nu geen inkomen, met het basisinkomen kunnen mensen rekenen op een vast inkomen. Maar voor Roosma en Pels is het basisinkomen niet alleen een financiële maatregel, het is een normatief signaal: de overheid wil dat mensen zich onthaasten. Het voorstel is volgens Roosma en Pels vrijzinnig omdat er geen belemmeringen zijn om slechte keuzes te maken.

 

Het Basisinkomen langs een Vrijzinnige Maatlat

De kern van het betoog van Roosma en Pels is keuzevrijheid. Roosma en Pels willen mensen vrijmaken van arbeidsdwang. Het basisinkomen dwingt niemand om te werken, voor hun kinderen te zorgen of tijd te nemen voor scholing en ontspanning. Het maakt al deze keuzes serieuze opties. Dit gaat uit van een rijker begrip van dwang. Je kan stellen dat de overheid mensen alleen maar dwingt iets te doen, als mensen die zich niet aan de opdracht van de overheid houden, strafrechtelijk vervolgd worden. De overheid dwingt mensen om belasting te betalen: doen we dat niet dan kunnen we worden opgepakt. Je kunt stellen, dat een verzorgingsstaat en de vrije markt op een andere manier dwingt: het wel of niet verkrijgen van een inkomen is daar het beste voorbeeld van. De huidige verzorgingsstaat en arbeidsmarkt dwingen mensen om te werken. Als mensen niet werken, dan hebben ze geen inkomen, en zijn ze veroordeeld tot honger en armoede. In puur formele zin, bestaat de vrije keuze om niet te werken wel, maar is dat geen reële keuze. Mensen moeten werken want anders kunnen ze niet in hun basisbehoeften voorzien. Dat is in mijn ogen ook een vorm van dwang. Door een inkomen te verzekeren heft het basisinkomen deze vorm van dwang op. Het maakt daarmee allerlei opties reëel die slechts formeel bestonden. Mensen kunnen nu besluiten om zich helemaal te richten op de zorg voor hun kind, zonder zich zorgen te maken over de huur. In de kern vergroot het basisinkomen de reële keuzevrijheid van mensen.

Het basisinkomen is vooral goed voor mensen met weinig inkomen: mensen met weinig spaargeld, mensen die net rond komen, zij zitten nu een tredmolen van werk, werk, werk. Ze kunnen niet terugvallen op spaargeld of verlofregelingen als ze uit die tredmolen willen stappen. Als ze het niet redden komen ze in de WW of de bijstand. Deze regelingen gaan uit van het principe van reciprociteit, voor een uitkering staat een tegenprestatie: in de WW moet je solliciteren en dat werk accepteren en in de bijstand geldt steeds meer het principe van work first. Mensen mogen niet uit hun werkritme vallen, want anders komen ze nooit meer aan het werk. Het basisinkomen biedt de zwaksten op de arbeidsmarkt volgens Pels en Roosma meer bestaanszekerheid, maar vooral ook meer keuzevrijheid en grotere autonomie, zonder dat daar de verplichting van een tegenprestatie tegenover staat.

Het basisinkomen kan positieve maatschappelijke gevolgen hebben: onthaasting,meer  tijd voor het gezin, meer ruimte voor scholing, meer actieve beoefening van kunst, sport en wetenschap en beter werk voor mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Maar dit gebeurt niet door het principe van dwang, maar door het principe van vrije keuze. Het basisinkomen kan dit gevolg alleen hebben als we uitgaan van een sociaal-liberaal vertrouwen in mensen: als mensen in vrijheid keuzes maken dan zullen dat de juiste keuzes zijn. Vrije mensen kiezen voor zorg, kunst, scholing en onthaasting. Als je mensen vrij maakt dan zullen ze niet kiezen voor niets doen, niet voor televisie, drank en drugs om de verveling door te komen. Mensen zijn van nature geneigd tot ‘het goede’ alleen de samenleving dwingt mensen nu om verkeerde keuze te maken.

Paternalisme (met of zonder bijvoeglijke bepalingen) kunnen we niet bij Roosma en Pels aantreffen: de overheid weet niet beter hoe mensen hun leven moeten inrichten. Als je mensen de vrijheid geeft, dan maken ze de goede keuze. De overheid dwingt mensen nu de verkeerde keuze te maken, door eenzijdig de nadruk te leggen op werk.

 

Een Paternalistisch Pleidooi voor Werk

Ik kan me op het gebied van werk en inkomen wel paternalistischere voorstellen bedenken dan het basisinkomen. Je zou je kunnen voorstellen dat iedereen na een jaar werkloosheid een baan krijgt aangeboden en als ze die niet aannemen de uitkering dan wordt gestopt. Je zou dat kunnen doen omdat je vindt dat mensen economisch zelfstandig moeten zijn, omdat werk goed voor ze is, of omdat je vindt dat niemand uitgesloten mag worden van de voordelen van werk. Dat is de kern van Vrijheid Eerlijk Delen van Halsema. Ik heb al eerder laten zien dat dat voorstel veel dingen is, maar niet liberaal. Roosma en Pels geven de argumenten voor Vrijheid Eerlijk Delen goed weer: de verdedigers hiervan stelden dat mensen niet het recht hebben om geen deel uit te maken van de samenleving. Die deelname maakt ons tot betere mensen. Meedoen is goed voor je. Je onttrekken aan de samenleving is slecht. En een betaalde baan is het hoogste goed. Hiermee sluit Halsema naadloos aan bij het huidige denken over de arbeidsmarkt: iedereen moet (mee) werken. Vrijheid Eerlijk Delen was in de kern een paternalistisch voorstel, waarbij Halsema beter wist wat goed voor mensen was dan de mensen zelf. Neem vrouwen die besluiten om niet te werken als hun kinderen jong zijn. Die keuze hebben vrouwen nu omdat er uitzonderingen zijn in de bijstand voor vrouwen met jonge kinderen. Halsema vond dat vrouwen hiermee hun eigen toekomst op het spel zetten. Door die vrouwen toe te staan te zorgen slaat de overheid een gat in hun CV, waardoor ze als hun kinderen groot zijn, geen werk meer kunnen vinden. Ze missen dan de werkervaring, het werkritme en de opleiding om weer aan de slag te komen. De overheid moet vrouwen behoeden voor de verkeerde keuzes.

 

Liberalisme, Paternalisme en het Basisinkomen

De discussie binnen GroenLinks over Vrijheid Eerlijk Delen ging inderdaad langs de lijnen van liberalen versus gemeenschapsgezinden. Hierbij stond de vraag of mensen moesten werken niet ter discussie: liberaal Halsema en de vakbondsvleugel waren het daarover eens. Halsema was liberaal omdat ze voor het stimuleren van de werkgelegenheid liberale middelen wilde inzetten als ontslagrechtversoepeling. De gemeenschapsgezinden paternalistisch omdat ze mensen wilden beschermen tegen precair werk.

De paternalistische assumpties van het betoog van Halsema zijn slechts door enkelen benoemd. Door te werken ontplooien mensen zich, als mensen beslissen om niet te werken maken ze een ernstige vergissing, waartegen de overheid hen met dwang en drang moet behoeden. Het is opvallend dat het juist Pels, die de liberale koers van Halsema in vrijzinnig paternalistische richting wil bijsturen, het voorstel doet voor het basisinkomen. Dit zou een ontspannen samenleving stimuleren. Maar let wel: een basisinkomen doet dit via de band van vrijwilligheid: als we mensen bevrijden van een door de markt en overheid aangemoedigde arbeidsdwang dan zullen ze de ‘juiste’ keuze maken voor zorg, ontspanning, ontwikkeling en kunst.

Hun voorstel helt wel door naar de vrijzinnigheid en neemt grote afstand van het paternalisme: het basisinkomen vergroot de reële keuzevrijheid van mensen, en in vrijheid zullen ze de juiste keuzes maken. Ik ben, als links-libertair, een groot voorstander van het basisinkomen. Nu de paternalisten van de traditie Halsema nog.

dinsdag, 8 november 2011

Jolanda de Vreede

Jolanda de Vreede

Twitter

Met de kennis van nu….

 

Leuke discussie in Trouw over wetenschap. De directeur van het Rathenau-instituut schetst een beeld van toenemende technologische ontwikkeling.

De wetenschap biedt kansen iedereen langs de meetlat te leggen. Alles wat afwijkt, valt op. Prenataal kunnen foetussen gescreend worden op afwijkingen, op een mogelijk criminele inslag of een grotere kans later een aanslag te doen op de ziektekostenverzekeringskas. De consultatiebureaus houden exacte dossiers bij van afwijkingen van de kindertjes in ontwikkeling.  Alles in het keurslijf. Te druk? Aan de ritalin. Te creatief? Naar de huiswerkklas voor het stampwerk. Eenmaal op internet zijn alle bewegingen eenvoudig bij te houden. Mocht iemand over de schreef gaan, dan is een blik in het brein voldoende om te constateren of en van welke afwijkende ontwikkeling hier sprake is. Met bijpassende correctie uiteraard. Het is mogelijk, en we maken er flink gebruik van.

Daar tegenover stelt een wetenschapsfilosoof dat er heel veel mogelijk is, maar niet wordt gebruikt. Een verzekering die alleen gezonde mensen accepteert, heeft nauwelijks klanten. Veel is mogelijk en toch zijn we nog steeds niet allemaal hetzelfde.

Kern van de zaak: je houdt de wetenschap niet tegen, heel veel kan. Wat doen we ermee? In hoeverre staan we mensen toe afwijkend te zijn?

Voor de zekerheid kwam er deze week nog een tweede reactie overheen van iemand die stelt dat technologieën niet ethisch neutraal zijn. Een zwangere wordt prenataal gescreend en mag vervolgens kiezen wat te doen bij geconstateerde afwijkingen. Zonder de hele optie van het screenen zou deze hele moeilijke afweging nooit gemaakt hoeven te worden. En dus volgt het advies  de wetenschap minder vrij laten. Dat dan ook allerlei ontwikkelingen die gezondheid, democratie, kennis en andere welzijnsverhogende resultaten mogelijk maken tot stilstand komen, wordt hier gemakshalve buiten beschouwing gelaten.

Dat technologieën niet ethisch neutraal zijn, lijkt me kloppen. De realiteit uit het oog verliezen is geen constructieve stap. Het is niet te stoppen. Dat in de beide reacties de directeur van het Rathenau instituut zo wordt aangevallen, toont aan dat hij zijn werk goed doet. Namelijk meningsvorming stimuleren over wetenschap en technologie.

zaterdag, 5 november 2011

Simon Otjes

Simon Otjes

Last.fm Twitter

Mood Board: Simon Otjes in 2011

Gisteren was ik bij een interessante training georganiseerd door GroenLinks Leiden en Manu Busschots (van Manu Vooru) over jezelf presenteren. Als voorbereiding moest je een mood board maken waarmee je een beeld gaf van wie je bent. Een mooi beeld van mijzelf nu ik net 27 ben geworden.
De basis van het beeld is de sky line van New York vanuit Central Park. Aan de meest linkerkant zie je een aantal dingen die te maken hebben met filosofie. Een grote stapel van filosofische boeken. Daarnaast staat het vrijheidsbeeld (ook uit New York) en een beeld van Marx (uit Berlijn). Filosofisch sta ik een vrijheidslievende linkse traditie. Dat betekent dat ik schatplichting ben aan de Amerikaanse liberale traditie en de Europese socialistische traditie.

In het midden staan een aantal dingen die te maken hebben met een politieke interesse. De grote poster van GroenLinks, de partij waar ik nu het bijzonder geluk voor heb om te mogen werken. De PSP-poster staat voor mijn interesse in politieke en partijgeschiedenis. The United States House of Congress voor mijn interesse in vergelijkende en parlementaire politiek. Het Europese vlaggetje voor Europese politiek.

Aan de rechterkant staat het academiegebouw van de Universiteit Leiden. Ik heb de laatste drie jaar aan een proefschrift gewerkt dat ik hoop daar volgend jaar te mogen verdedigen. Boven het academiegebouw staat een Mac: veel van mijn wetenschappelijk werk speelt zich af op een computer. Gelukkig is dat vaak een mac.

In de skyline zijn nog drie andere dingen te zien waar ik me mee bezig hou. Het kleine windmolentje staat voor het zelf verantwoordelijk nemen voor mijn groene idealen door iedere dag na te denken over de keuzes die je maakt voor eerste levensbehoeften als eten en energie. Het kleine ruimtescheepje (de USS Defiant uit Star Trek Deep Space Nine) staat voor mijn interesse in science fiction. De andere gebouwen uit de New Yorkse sky line voor mijn fascinatie voor architectuur, industrial design en moderne kunst.

De skyline van New York is niet willekeurig gekozen. Ik was hier een jaar geleden op huwelijksreis met mijn man. We wilden graag naar New York omdat dit een echte wereldstad is. Een stad die altijd leeft, nooit slaapt, waar altijd wat gebeurt. Zo is mijn leven ook: ik kan niet stoppen met nadenken, nieuwe dingen beginnen, lezen en schrijven. Gelukkig is er New York Central Park, een prachtig rustpunt in die levendige stad. Tijdens ons verblijf in New York lagen we graag in het gras Central Park. En zo voelt mijn relatie met mijn man ook. Een rustpunt in mijn altijd hectische leven.

maandag, 31 oktober 2011

Socrates Schouten

Socrates Schouten

Linkedin DWARS

Zeven miljard

In duurzame ontwikkeling, economie, nederlands, politiek, wetenschap, communicatie, congres, duurzaamheid, energie, en meer.

(N.B. Dit is best een lang verhaal. Lezers die niet van een gezellige introductie houden, kunnen het beste op ‘read more’ klikken – vanaf de ‘IPAT’-formule – en vanaf daar verder lezen…)

Gefeliciteerd! We zijn nu met z’n zeven miljarden op aarde. Volgens tellingen van de VN is het zevende miljard vandaag bereikt, maandag 31 oktober 2011. Toen ik vorig jaar mijn scriptie schreef en iets over de groei van de wereldbevolking kwijt moest, was ‘eind oktober 2011′ al de voorspelling. Het leek me al leuk als het precies met mijn verjaardag, 30 oktober, zou samenvallen. Welnu, een dagje later, ook prima.

Maar even serieus. Zeven miljard, and still ‘growing strong’. Hoe zit het eigenlijk met overbevolking en schaarste van grondstoffen en duurzaamheid? Dat laatste woord wordt intussen veel gebezigd in de communicatie van elke zichzelf respecterende organisatie, of het nu een politieke partij of een commercieel bedrijf is. Maar om duurzaamheid in verband te brengen met een maximale omvang van de mensheid, is een stuk minder populair. Binnen GroenLinks werd het een paar keer geprobeerd, de laaste keer op een congres in (ik meen) 2009 in de vorm van een motie van Quintijn Hoogenboom. Deze haalde het bij lange na niet, want hiermee werd volgens het partijbestuur een veel te negatieve draai gegeven aan een thema dat GroenLinks juist pósitief wilde benaderen. Ook ik stemde tegen, want ik vond de redenering van de motie veel te simplistisch. Maar Quintijn had natuurlijk gewoon gelijk. Die wereldbevolking kan niet maar steeds probleemloos blijven doorgroeien. Dus, wat nu? Wanneer moet het écht stoppen?

Het antwoord van de ‘ecologische voetafdruk’ is dat het allang had moeten stoppen. Sinds de jaren 70 gebruikt de mensheid meer hulpbronnen en biologische capaciteit dan er op een duurzame manier beschikbaar zijn. We overvragen de natuur, en maken die daarmee kapot. Volgens de schattingen vragen we nu ongeveer 1,3 keer teveel van de aarde.

De ecologische voetafdruk vermeldt niet hoe lang die situatie houdbaar is. En de methode geeft ook geen antwoord op de vraag hoeveel mensen de aarde dan eigenlijk kan verdragen. In de jaren zeventig waren mensen gemiddeld een stuk minder welvarend dan nu, dus consumeerden minder, maar de technologie was aanzienlijk inefficiënter. Voor een gelijk welvaartsniveau waren toen dus meer energie en grondstoffen nodig. De ‘impact’ van 4 miljard mensen in 1970 is dus anders dan de impact van hetzelfde aantal mensen in 2040.

Een formule die in deze discussie veel wordt gehanteerd is I=PAT. Het leest Impact = Population x Affluence x Technology, ofwel: de milieudruk is de omvang van de (wereld)bevolking maal het welvaartsniveau maal de (let wel) inefficiëntie van de technologie. De P en de A zijn almaar blijven groeien sinds we erover zijn gaan nadenken. Alleen de T is gedaald: onze auto’s (Hummers uitgezonderd) rijden zuiniger dan vroeger, elektrische apparaten verslinden minder, etcetera. Maar we hebben wel meer auto’s en meer elektrische apparaten dan ooit tevoren.

Wat gaat de P doen? Lange tijd heeft men volgehouden dat we, ergens tussen 2050 en 2080, bij 9 à 10 miljard mensen zouden pieken en daarna heel rustig aan de wereldbevolking zal afnemen. Het is onzeker of dat gebeuren zal.

En de T? Er leeft onder de meeste politieke gezindten bijzonder veel optimisme dat juist de technologische efficiëntie zal zorgen dat de milieudruk niet uit de klauwen loopt. Velen geloven in een soort automatische correctie: als er zich milieuproblemen voordoen, ontstaat er maatschappelijke reuring en doen we er wat aan. Anderen, zoals ik, zien dat natuur en milieu doorlopend verschralen. Die fantastische technologische oplossingen zijn keer op keer ‘too little and too late’ om te voorkomen dat er stukken waardevolle natuur verloren gaan, onze menselijke sporen intussen elke hectare land en kubieke meter atmosfeer hebben bereikt, en de leefgebieden van vele volkeren onder hun ogen onleefbaar worden.

Ik zou mijn lezers onderschatten als ik ook nog eens de ontwikkeling van de A zou gaan voorkauwen. Wat ik liever doe, is het simplisme dat steeds maar weer de kop op steekt als deze ‘IPAT’-discussie wordt gevoerd (meestal zonder ‘IPAT’ te noemen, gelukkig), te bestrijden. Het onderbelichte punt is namelijk dat de factoren P, A en T wederzijds afhankelijk zijn. Er zit misschien een factor tien rek in (maar meer dan tien geef ik het niet), maar het huidige welvaarts- en technologieniveau is niet denkbaar zonder die miljarden mensen. Afgezien van het ‘voetvolk’ (eerbied komt wel weer in mijn volgende blog) draaien honderden miljoenen mensen mee in een ongelooflijk grote en complexe maatschappij die zorgen dat wij vernuftige en zuinige auto’s hebben, en iPads waarmee we snel kunnen communiceren en efficiënt nieuwe en betere technologieën ontwikkelen, en voedselproductiesystemen die zorgen dat er steeds weer te eten is (in de ontwikkelde landen).

Tegelijk hebben we die vernuftige technologie nodig om deze wereldbevolking in stand te houden. Teruggaan naar een geromantiseerde oertijd, waarin we heel weinig heetten te gebruiken, kan niet. Mensen hadden enorme leefgebieden, niet alléén omdat er veel minder mensen waren, maar ook omdat die vele hectares nodig waren om ze van bijeengejaagd en -verzameld voedsel te voorzien. En voor het stoken van een fikkie om één gezinnetje warm te houden, heb je best veel brandhout nodig.

Wat is de moraal van dit verhaal? Eenieder die claimt dat we met “veel minder mensen” zouden moeten zijn, of “veel minder moeten consumeren”, of gewoon nog “veel meer technologische ontwikkeling” moeten stimuleren, heeft het juist én verkeerd. Het moet alledrie met mate. En daar is zeer nauwgezet beleid voor nodig, dat van A tot Z rekening houdt met de verwikkeling van de IPAT-factoren. Maar het meeste nog moet men zich realiseren dat de formule IPAT alle kanten op kan, en dat de aarde flexibel is, en allerlei uitkomsten van I (de milieudruk) aankan. Hoe meer men het echter uit de klauwen laat lopen, hoe meer we met de botte bijl aan het hakken zijn in het mooie, onmisbare aardse landschap dat maar één keer bestaat, en bij uitsterven niet meer terugkomt.


zondag, 30 oktober 2011

Krispijn Beek

Krispijn Beek

Hyves Last.fm Twitter

Klimaatsceptici = klimaatontkenners ?

In duurzaamheid, best, john stewart, klimaatverandering, koch brothers, onderzoek, the daily, wetenschap, climate change, en meer.

Ik geef toe het is minder spectaculair nieuws dan het lekken van emails van onderzoekers. Toch zou je wat meer aandacht verwachten voor het recente BEST onderzoek dat laat zien dat het klimaat verandert en dat het veroorzaakt wordt door de mens. Vooral omdat het betreffende onderzoek gefinancierd is door een aantal klimaatontkenners. Aan de andere kant, je kan je er beter om vermaken dan al te druk om maken… Iemand een idee hoeveel seconden of centimeter persaandacht dit onderzoek in Nederland heeft gehad?

Oh ja, en het antwoord op de vraag uit de titel van dit stuk is dus dat sceptici geen ontkenners zijn.

Voor wie serieuzere stukken wil lezen op z’n vrije zondag:

Voor wie zich afvraagt wie de Koch broers zijn is deze Al Jazeera documentaire een aardige starter:


Bron: Climate Progress

donderdag, 20 oktober 2011

Saskia van der Werff

Saskia van der Werff

Twitter

Memento Mori: over Steve Jobs en anderen

In eten, jobs, kinderen, licht, mensen, sneeuw, socrates, uitspraak, water, en meer.
Mensen leven steeds langer, maar leven we ook gelukkiger? Hoe gebruiken we de extra tijd die ons tot de dood gegeven is? Dat de confrontatie met de dood langer op zich laat wachten, doet ons steeds lankmoediger omgaan met het leven. Daarom pleit ik voor de levensleus ‘Gedenk te sterven’ oftewel ‘Memento mori’.
      Laat ik beginnen met de toespraak die Steve Jobs, oprichter van Apple, in 2005 hield. Prachtig hoe hij de dood als leidraad inzet voor een gelukkig leven. Hoe deed hij dit? Elke morgen keek hij zichzelf aan in de spiegel en stelde zichzelf de volgende vraag: ‘Als vandaag mijn laatste dag is, zou ik dan nog steeds doen wat ik van plan ben om te gaan doen’.  Het hielp hem om belangrijke beslissingen in zijn leven te nemen. Waar Steve Jobs speech me aan doet denken, is de filosofische uitspraak van Socrates: ‘Een leven dat niet kritisch naar zichzelf kijkt, is het niet waard om geleefd te worden’. Zowel Steve Jobs als Socrates weten nu wat het is dood te zijn, voor ons is het nog steeds een grote vraag. Wat we wel weten, is wat zowel Steve Jobs als Socrates ons hebben achtergelaten. Van Socrates is het duidelijk dat niet alleen zijn leven maar ook zijn dood hem onsterfelijkheid hebben gemaakt. De tijd zal leren of ook Steve Jobs, nu hij gestorven is, lang genoeg zal blijven voortleven om onsterfelijk te worden. Zolang wij zijn uitvindingen blijven gebruiken, schat ik die kans redelijk groot in.


(het fragment over Memento Mori vanaf de 9de minuut)

      Dat we van de dood kunnen leren, bewijzen niet alleen Steve Jobs en Socrates, maar ook allerlei anderen filosofen die ons voorgegaan zijn in het heengaan. In Over mijn lijk staat Simon Critchley stil bij de dood van verschillende filosofen. Dat de dood bijdraagt aan onsterfelijkheid, bewijzen de volgende sterfverhalen:
·         Pythagoras is onsterfelijk geworden met zijn stelling a2 + b2  = c2 . Dat Pythagoras leefde in een soort sekte die er zeer strenge voorschriften op na hield, is minder bekend. Pythagoras at geen bonen, omdat toen gedacht werd dat winderigheid als gevolg van het eten van bonen, verlies van de geest-levensadem met zich meebracht. Pythagoras stuitte tijdens een vlucht op een veld met bonen en werd door zijn belagers vermoord, omdat hij de bonen niet wilde vertrappen.
·         Plato staat bekend om zijn prachtige dialogen, waarin de parabel van de Grot wellicht de meest bekende is. In deze grot leven mensen geketend als slaven. De filosoof van Plato is echter in staat om zich van zijn ketenen te ontdoen en via een lange gang in het licht van de zon de waarheid te ontdekken. Plato kon zich ondanks zijn contemplatieve leven niet aan de levensomstandigheden uit zijn symbolische grot onttrekken, want hij stierf als gevolg van een luizeninfectie.
·        Diogenes werd bekend om het sobere leven dat hij leidde. Hij sliep in een grote kruik en gebruikte een nap om zich te voeden. Tot hij kinderen met hun handen water zag drinken, vond hij ook zijn nap een overbodige luxe. Hij gooide hem weg. Dat deze levenshouding hem een ijzeren discipline bijbracht, komt tot uitdrukking in zijn dood. Hij stierf door zijn adem in te houden.
·        Bacon heeft de wetenschap de methode van inductie gebracht: met de zintuigen tot waarheid komen. Hij wordt gezien als een van de grondleggers van de moderne wetenschap. Zelf kwam hij echter van een koude kermis thuis. Hij stierf na een onderzoek van een nieuwe koeltechniek waarbij hij in de straten van Londen een dode kip had volgepropt met sneeuw.
·        Diderot, de Franse schrijver en filosoof, onderzocht de vrije wil, een belangrijk thema in zijn tijd.  Zijn dood is wellicht een prachtig bewijs voor de vreugde die de vrije wil ons brengt. Hij is gestikt in een perzik, waarschijnlijk om te laten zien dat je tot het einde kunt genieten.
Natuurlijk beveel ik Over mijn lijk aan als een filosofische geschiedschrijving van de dood. Kijk ook eens naar de speech van Steve Jobs; in het licht van zijn recente dood krijgt deze een extra dimensie. Maar praat ook over de dood met anderen. Want in de confrontatie met de dood vieren we het leven. Laat ik afsluiten met een filosofische denkoefening over het sterven (bij voorkeur in een groep uit te voeren):

Stap 1: Stel je voor dat je aan de hemelpoort staat en dat Petrus open doet. Hij stelt de je de volgende vraag: Waar ging je leven over? Tracht deze vraag in drie kernachtige woorden te beantwoorden.
Stap 2:  Stel je nu voor dat Petrus je de kans geeft om terug te gaan naar de aarde. Zal je leven dan nog steeds om deze drie kernbegrippen gaan?
Stap 3: Sta stil bij de verschillende antwoorden en overwegingen van je gesprekspartners. Wat brengt ons het leven in het aangezicht van de dood?

Met dank aan Over mijn lijk van Steven Critchley en Vrije Ruimte; filosoferen in organisaties van Jos Kessels, Erik Boers, Pieter Mostert

zondag, 16 oktober 2011

Simon Otjes

Simon Otjes

Last.fm Twitter

Nobelprijswinnaar? Reken maar!

In mannen, nobelprijs, statistiek, vrouwen, wetenschap, nederlanders, vrouw, afrikaans, amerika, en meer.

Zaterdagochtend stond er een interessant stuk in de wetenschapsbijlage van de Volkskrant: wat voor’n mensen winnnen er wel of geen Nobelprijs. In het stuk zat een veelgemaakte wiskundige redeneringsfout, die te maken heeft met voorwaardelijke kansen en rekenen met ordes van grootte.

De centrale vraag van het stuk was wanneer je wel of geen Nobelprijs wint: het stuk stelde dat als je vrouw, niet-Amerikaans, Afrikaans, jong, zwart, getrouwd met een Nobelprijswinnaar, al eerder winnaar of ondergeschikt was je geen Nobelprijs (meer) zou winnen. Sommige van deze kenmerken zijn inderdaad gekoppeld aan een veel kleinere kans om een Nobelprijs te winnen. Maar voor anderen geldt het tegenovergestelde.

Er zijn 826 Nobelprijswinnaars geweest sinds 1901. Het is voor het rekenen gemakkelijk om dit uit te drukken in een orde van grootte. Laten we dus zeggen dat er 1000 Nobelprijswinnaars zijn geweest daarmee bedoel ik dat dit aantal veel groter dan 100 is en veel kleiner dan 10,000. Sinds 1901 zijn er orde van grootte 10 miljard mensen op de wereld. Er waren ongeveer 2 miljard mensen in 1900 en nu zijn dat er 7 miljard. Misschien er zijn we 14-15 miljard mensen geweest, maar we kunnen gewoon rekenen met de orde van grootte van 10 miljard.

De redenering bij het eerste kenmerk geslacht is correct: 50% van de wereldbevolking is vrouw en 5% van de Nobelprijslaureaten. Vrouwen zijn dus sterk ondervertegenwoordigd tussen de laureaten.

De redenering bij nationaliteit is al wat ingewikkelder. Er zijn 244 Nobelprijswinnaars in Amerika geboren. Dat is ongeveer 30% van de laureaten. Ongeveer 3% van de wereldbevolking woont in de VS. Dat is dus een grote oververtegenwoordiging; 10 keer zoveel Amerikanen wonnen de Nobelprijs dan je zou verwachten als ze proportioneel naar bevolking werden uitgedeeld. Maar andere landen zijn even sterk oververtegenwoordigd: 2% van de laureaten is Nederlander, tegenover zo’n 0.2% van de wereldbevolking. Dat betekent dat overtegenwoordiging van Nederlanders van dezelfde orde van grootte is als de oververtegenwoordiging van Amerikanen.

Een bovenmatig veel voorkomend achtergrondskenmerk van Nobelprijswinnaars is over hoofd gezien: 20% van de Nobelprijswinnaars is Joods en maar 0.2% van de wereldbevolking. De oververtegenwoordiging van Joden is een orde van grootte groter, dan de oververtegenwoordiging van Amerikanen of Nederlanders.

De grote redeneerfout zit bij de mensen die getrouwd zijn met Nobelprijswinnaars. De claim is dat als je trouwt met een Nobelprijswinnaar je minder kans hebt om te winnen. Acht Nobelprijswinnaars zijn getrouwd met een andere Nobelprijswinnaar. Dat is in beide gevallen orde van grootte een op de honderd. Van de rest van de wereldbevolking (orde van grootte 10 miljard) is, zelfs als we het heel grof rekenen, orde van grootte 1000 mensen getrouwd met een Nobelprijswinnaar. Een op de 10 miljoen. Mensen die met een Nobelprijswinnaar getrouwd zijn, zijn dus sterk oververtegenwoordigd op de lijst. Precies dezelfde redenering geldt voor de vier dubbele winnaars. Tussen de twee verhoudingen zitten enkele orde van grootten: 1:100 versus 1:10,000,000.

Met medewerking van Erik Woldhuis.

maandag, 10 oktober 2011

Selçuk Akinci

Selçuk Akinci

Twitter Youtube GR

Thuiszorg heeft radicale stelwelwijziging nodig

In opinie en commentaar, politiek, gemeenteraad, zorg, mogelijkheid, omstandigheden, organisatie, organisaties, overheid, en meer.

verzorgende handen

De toekomst van de thuiszorg, dat stond begin september op de agenda van de commissie Maatschappij. Aanleiding was de uitkomst van een aanbestedingsprocedure waarbij achttien van de huidige negentien aanbieders van thuiszorg werden ingeruild voor vier nieuwe. Bijna vijf uur lang werd gepraat over de gevolgen van de aanbesteding. Maar op geen enkel moment echt over de toekomst van de thuiszorg. Terwijl dat nu juist zo urgent is.

Tijdens de marathonzitting buitelden de partijen over elkaar heen met verwijten of juist complimenten aan het adres van de wethouder. Critici maakten zich terecht druk om het feit dat de wethouder in de aanbesteding niet geëist had dat de arbeidsvoorwaarden van verzorgers door een nieuwe aanbieder gerespecteerd zou worden.

Voorstanders spraken, eveneens terecht, schande van de gigantische overhead bij de huidige aanbieders. Een verzorger kost bruto zo’n 13,50 euro, terwijl de aanbieders daar van de gemeente 24,50 euro voor krijgen. Een overhead van meer dan 80 procent! Kwaliteitscriteria, arbeidsvoorwaarden en een efficiënte organisatie. Alle drie zijn ze van belang om de komende twee jaar goede zorg voor een goede prijs te realiseren. Maar de grote uitdaging zit ‘m in de periode daarna.

Stijgende zorgvraag
Als gevolg van de vergrijzing zal vanaf 2015 de vraag naar zorg in rap tempo stijgen. Die stijgende kosten kunnen met geen mogelijkheid opgevangen worden met een zoektocht naar een aanbieder die dezelfde zorg voor een paar euro per uur goedkoper kan leveren. Sterker nog, met een krimpende beroepsbevolking is er simpelweg niet voldoende personeel om te voorzien in de stijgende zorgvraag. Het is een illusie – want economisch onhaalbaar – om te denken dat straks een kwart van de beroepsbevolking als professional in de zorgsector zal werken. Kortom: het huidige stelsel staat op omvallen.

Heilige huisjes
Het is tijd voor een stelselwijziging. En daarvoor moeten linkse en rechtse dogma’s op de schop. Links zal moeten accepteren dat collectieve arrangementen op de schop moeten. Niet elke cliënt heeft nog langer een onvervreemdbaar ‘recht’ op een vast pakket aan thuiszorg. Waar men recht op heeft is op de hulp die onontkoombaar nodig is. Wie het zelf kan redden, hoeft niet langer een beroep op de overheid te doen.

Rechts zal moeten beseffen dat de vraagstukken die in de zorg spelen te groot zijn om nog langer geheel aan de markt over te laten. In een markt waar het aanbod van personeel zo achterblijft bij de intrinsieke vraag en waarbij cliënten maar een beperkte keuzevrijheid hebben – een hulpbehoevende kan er immers niet voor kiezen geen zorg af te nemen – schiet het marktwerkingsprincipe van vraag en aanbod schromelijk tekort.

Flexibiliteit
Het zorglandschap moet anders ingedeeld worden. Op dit moment krijgen diverse, commerciële aanbieders een theoretisch bepaald zorgkavels toegewezen. Dat kan ertoe leiden dat een zorgverlener de helft van de werkzame dag op en neer aan het fietsen is tussen cliënten aan andere uiteinden van de stad. Die zorg wordt verleend op basis van vooraf geïndiceerde en ingeroosterde uren.

Binnen het huidige stelsel is nauwelijks ruimte om in te springen op een actuele behoefte of een veranderende situatie. Zelfs de beste zorgverleners hebben nauwelijks tijd om de vraag achter de zorgvraag te ontdekken, laat staan om in die behoefte te voorzien. Waarom elke week een vast aantal afgemeten uren, in plaats van de ene week ‘ns net wat meer en in een goede week wat minder?

Zorgcommunities
Het antwoord zit in kleinschalige, buurt- of wijkgebonden zorgcommunities. Zorgclusters die voor een groot deel bestaan uit bewoners uit diezelfde buurt die op vrijwillige basis enkele uren per week besteden aan eenvoudige zorgverlening. Buurtbewoners die, wanneer dat nodig is, snel kunnen reageren op veranderende omstandigheden bij de zorgcliënten in de eigen buurt. Die zorgcommunities moeten aangestuurd worden door professionals. Zij zijn er voor de moeilijkere zorgtaken en voor het organiseren en onderhouden van een goed functionerende zorgcommunity.

Aanpassen
Deze kanteling van het zorgstelsel vraagt van iedereen het nodige aanpassingsvermogen. Zorgvragers moeten accepteren dat zij niet langer elke dag of week hetzelfde gezicht over de vloer krijgen. Zij moeten wennen aan het feit dat de zorgtaken door een pool van bekende gezichten wordt verricht. Wat ze daar voor terugkrijgen is een versterkte binding met de eigen buurt en de wetenschap dat er altijd iemand ‘in de buurt is’, mocht er iets gebeuren.

Professionele zorgverleners moeten accepteren dat zij meer bezig zullen zijn met het aansturen en motiveren van vrijwilligers en minder bezig zullen zijn met de directe zorgverlening. En commercieel opererende zorgaanbieders zullen plaats moeten maken voor lokaal georganiseerde coöperatieve organisaties zonder winstoogmerk.

Het is goed dat de Bredase gemeenteraad het belangrijke onderwerp van de zorg op de politieke agenda heeft geplaatst. Maar laten we het dan ook echt over de toekomst hebben. Voor een beperkte discussie over alleen het uurtarief van de verschillende zorgaanbieders is het veel, veel te laat.

Dit artikel is eerder in verkorte vorm gepubliceerd in BN/DeStem en is ook te lezen via de website Welzijn in de 21e Eeuw.

donderdag, 6 oktober 2011

Frank Pels

Frank Pels

Hyves

Nu al een klassieker: hoe je onzinnige kamervragen beantwoordt

In partij van de onvrijheid, partij van de viespeuken, nrc, pvv, martin bosma, artikel, bedrijfsleven, columns, conservatief, en meer.
PVV-Kamerlid Martin Bosma (oud-journalist) stelde kamervragen over het aandeel van 9 procent dat 'SP-financier' Derk Sauer heeft in NRC Handelsblad. Minister Marja van Bijsterveldt laat in de beantwoording doorschemeren dat ze wel wat beters te doen dan dit soort vragen te beantwoorden.

(gelukkig gaat nog de minister nog de tweede kamer over de eigendomspositie van kranten en bestaat er nog zoiets als een vrije pers)

Vragen van het lid Bosma (PVV) aan de minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap over SP-financier Sauer die een substantieel aandelenpakket van
NRC Handelsblad blijkt te hebben (ingezonden 2 september 2011).

1 Heeft u kennisgenomen van het artikel ‘Uitgever van NRC Handelsblad boekt
verlies in eerste jaar’?

Ja, nadat u mij bij mijn overige werkzaamheden daarop wees.

2 Was u ervan op de hoogte dat SP-financier Derk Sauer maar liefst 9 procent van
NRC Handelsblad in bezit blijkt te hebben?

Gelukkig niet. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap volgt de
wederwaardigheden en faits divers rond de spreiding van aandelenbezit in het
particuliere bedrijfsleven niet op de voet. Dat draagt bij aan een zo gering
mogelijke bestuurlijke drukte, beperkte bureaucratische lasten en een optimale
focus op de kerntaken van het departement.


3 Acht u de kans aanwezig dat NRC Handelsblad nog verder links georiënteerd
raakt, bijvoorbeeld doordat NRC-journalisten in het gevlei willen komen bij hun
radicaal-linkse eigenaar?

Ik ga er van uit, dat de mate van Lux in de Libertas toereikend is bij de redactie
van deze krant om de vrees voor een dergelijk gedragspatroon niet overmatig te
doen zijn. Mocht uw vrees echter bewaarheid worden dan kunnen abonnees hun
mening hierover eventueel kenbaar maken door ‘te stemmen met de voeten’.


4 Deelt u de mening dat u als minister dient toe te zien op een scheiding tussen
eigendom en redactie bij dagbladen?

Nee. Ook dat draagt weer bij aan een zo gering mogelijke bestuurlijke drukte,
beperkte bureaucratische lasten en een optimale focus op de kerntaken van het
departement. Vanzelfsprekend acht ik scheiding van redactie en eigenaar van
belang. Maar hier vindt regulering plaats via de Raad voor de Journalistiek.


5 Deelt u een gevoel van verlies dat het eens zo trotse conservatief-liberale
avondblad is verworden tot een politiek-correct blad dat een lofzang brengt op de
multiculturele samenleving, het EU-nationalisme, de ‘arabische lente’, de strijd
tegen Israel, de kunstsubsidies en dat, behoudens een enkele uitzondering, alleen
maar extreem-linkse columnisten heeft?

Mijn gevoelsleven heeft weinig raakvlakken met “trotse conservatief-liberale
tendenties”, maar het primaire gevoel bij uw vraagstelling is er een van de blijde
bewondering voor het werk van NRC-columnisten als Heldring en Hofland. Hun
scherpzinnige geest en gepolijste schrijfstijl zijn al decennia een toonbeeld van
Ausdauer, klasse en jeugdigheid. Een voorbeeld dus voor elke journalist, zelfs als
deze parlementariër is geworden. Lofzangen bieden deze columns, die zich
kenmerken door een kritische journalistieke benadering zelden, is mijn indruk.

Herman Folkerts

Herman Folkerts

Twitter

Minister beantwoordt Kamervragen PVV-Kamerlid Bosma over NRC

In tegengeluid, pvv, artikel, bedrijfsleven, conservatief, cultuur, divers, dragen, eerste, en meer.
Een maand geleden stelde PVV-Kamerlid Martin Bosma Kamervragen aan minister van Onderwijs, Marja van Bijsterveldt, over het belang dat mediatycoon Derk Sauer binnen NRC Handelsblad heeft. Lees hier de antwoorden van de minister.

1-Heeft u kennisgenomen van het artikel ‘Uitgever van NRC Handelsblad boekt verlies in eerste jaar’
Ja, nadat u mij bij mijn overige werkzaamheden daar op wees.

2-Was u ervan op de hoogte dat SP-financier Derk Sauer maar liefst 9 procent van NRC Handelsblad in bezit blijkt te hebben?
Gelukkig niet. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap volgt de wederwaardigheden en faits divers rond de spreiding van aandelenbezit in het particuliere bedrijfsleven niet op de voet. Dat draagt bij aan een zo gering mogelijke bestuurlijke drukte, beperkte bureaucratische lasten en een optimale focus op de kerntaken van het departement.

3-Acht u de kans aanwezig dat NRC Handelsblad nog verder links georiënteerd raakt, bijvoorbeeld doordat NRC-journalisten in het gevlei willen komen bij hun radicaal-linkse eigenaar?
Ik ga er van uit, dat de mate van Lux in de Libertas toereikend is bij de redactie van deze krant om de vrees voor een dergelijk gedragspatroon niet overmatig te doen zijn. Mocht uw vrees echter bewaarheid worden dan kunnen abonnees hun mening hierover eventueel kenbaar maken door ‘te stemmen met de voeten’.

4-Deelt u de mening dat U als minister dient toe te zien op een scheiding tussen eigendom en redactie bij dagbladen?
Nee. Ook dat draagt weer bij aan een zo gering mogelijke bestuurlijke drukte, beperkte bureaucratische lasten en een optimale focus op de kerntaken van het departement. Vanzelfsprekend acht ik scheiding van redactie en eigenaar van belang. Maar hier vindt regulering plaats via de Raad voor de Journalistiek.

5-Deelt u een gevoel van verlies dat het eens zo trotse conservatief-liberale avondblad is verworden tot een politiek-correct blad dat een lofzang brengt op de multiculturele samenleving, het EU-nationalisme, de ‘Arabische lente’, de strijd tegen Israël, de kunstsubsidies en dat, behoudens een enkele uitzondering, alleen maar extreem-linkse columnisten heeft?
Mijn gevoelsleven heeft weinig raakvlaken met “trotse conservatief-liberale” tendenties, maar het primaire gevoel bij uw vraagstelling is er een van blijde bewondering voor het werk van NRC-columnisten als Heldring en Hofland. Hun scherpzinnige geest en gepolijste schrijfstijl zijn al decennia een toonbeeld van Ausdauer, klasse en jeugdigheid. Een voorbeeld dus voor elke journalist, zelfs als deze parlementariër is geworden. Lofzangen bieden deze columns, die zich kenmerken door een kritische journalistieke benadering zelden, is mijn indruk.

Op Twitter werd al voorgesteld om de ambtenaar die voor de beantwoording van deze vragen heeft gezorgd voor te dragen voor "Ambtenaar v/h Jaar". Helemaal mee eens overigens!

zondag, 2 oktober 2011

Kris van der Veen

Kris van der Veen

Hyves Twitter GR

DREI

In de sociale stad, politiek landelijk, emancipatie, integratie, sociale stad, vertrouwen, diversiteit, kracht, links, en meer.

De herfstzon maakt drie dingen zichtbaar om je goed te voelen / positief te stemmen over de toekomst.

1. Emancipatie. Polarisatie levert weinig tot niets op. Er zijn aanwijzingen dat polarisatie sneller en intenser plaatsvindt wanneer de tegenstelling betrekking heeft op groepen in plaats van op individuen. En daar kiemt emancipatie: soms onzichtbaar voor de grote menigte. En soms groots, fier en strijdlustig. De kracht van emancipatie stemt ons positief over de toekomst. Er is iets om voor te gaan.

2. De tijd. In Denemarken heeft de centrumrechtse regering onlangs de verkiezingen verloren. Na tien jaar gedoogsteun van de Deense Volkspartij won links, met Helle Thorning-Schmidt aan het roer, de verkiezingen. Na tien jaar liberale hervormingen en strenge immigratieregels is het tijd voor iets anders. Wij hoeven niet tien jaar te wachten om met een antwoord te komen. Als we het maar mogelijk maken.

3. Diversiteit. Het gelijkheidsbeginsel is bedoeld ter bescherming van diversiteit. Diversiteit voor de rechtsstaat, binnen de wetenschap, de biodiversiteit, voor het individu en de minderheidsgroep. Ze moet gekoesterd worden, omdat ze niet vanzelf spreekt. Integendeel, de kans op terreinwinst is altijd het grootst voor de dominante meerderheid. Waar onze regering geen diversiteitsensitieve mindset kent, staan wij voor de uitdaging individuen erkenning te blijven geven voor wat ze doen, en voor wie ze zijn. Het kan (en wordt beter).

Het gaat over dromen, alles uit je leven halen en het overwinnen van je angsten. Over passie. En de liefde.


Aantal berichten op deze pagina: 30. De berichten op deze pagina zijn niet ouder dan 2793 uur (116,4 dagen). Berichtgemiddelde: 0,3 bericht per dag, 1,8 per week.

Volgende pagina

Pagina: 1 2